← Geldende tekst · Geschiedenis

Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Verenigde Staten van Amerika, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, Australië, België, de Wit-Russische Socialistische Sowjet-Republiek, Brazilië, Canada, Ethiopië, Griekenland, India, Nieuw-Zeeland, Nederland, Polen, Tsjechoslowakije, de Socialistische Sowjet Republiek Oekraïne, de Unie van Zuid-Afrika, de Federatieve Volksrepubliek Zuidslavië, hieronder aangeduid als „de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden”, enerzijds en Italië anderzijds;

Overwegende, dat Italië, onder het fascistische regime, partij is geworden bij het driemogendhedenverdrag met Duitsland en Japan, dat het een aanvalsoorlog heeft ontketend en dientengevolge de oorlogstoestand in het leven heeft geroepen met alle Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en met andere Verenigde Naties, en dat het zijn deel draagt in de verantwoordelijkheid voor de oorlog;

Overwegende, dat tengevolge van de overwinningen der Geallieerde strijdkrachten en met bijstand van de democratische elementen uit het Italiaanse volk, het fascistische regime in Italië op 25 Juli 1943 omvergeworpen is, en dat Italië, nadat het onvoorwaardelijk gecapituleerd had, op 3 en 29 September van hetzelfde jaar wapenstilstandsvoorwaarden heeft ondertekend;

Overwegende, dat na voornoemde wapenstilstand Italiaanse strijdkrachten, zowel van de Regering als van het verzet, een werkzaam aandeel hebben genomen in de oorlog tegen Duitsland, en Italië op 13 October 1943 aan Duitsland de oorlog heeft verklaard en aldus mede-oorlogvoerende is geworden in de oorlog tegen Duitsland;

Overwegende, dat de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië een vredesverdrag wensen te sluiten, dat in overeenstemming met de beginselen van het recht kwesties zal regelen, die nog hangende zijn tengevolge van de hierboven vermelde feiten en de basis zal vormen van onderlinge vriendschappelijke betrekkingen, aldus de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden in staat stellende het verzoek van Italië te ondersteunen om lid te worden van de Verenigde Naties en tevens toe te treden tot ieder verdrag, dat gesloten is onder de auspiciën van de Verenigde Naties;

Zijn mitsdien overeengekomen de oorlogstoestand voor geëindigd te verklaren en met dit doel het onderhavige Vredesverdrag te sluiten, en hebben derhalve de Ondergetekende Gevolmachtigden aangewezen, die, na overlegging van hun volmachten, in juiste en behoorlijke vorm bevonden, de volgende voorwaarden hebben aangenomen:

DEEL I. TERRITORIALE BEPALINGEN

PARAGRAAF I. GRENZEN

Artikel 1

Behoudens de wijzigingen, vervat in de artikelen 2, 3, 4, 11 en 22, blijven de grenzen van Italië zoals die waren op 1 Januari 1938. Het verloop van deze grenzen is aangegeven op de kaarten, gevoegd bij dit verdrag (bijlage I). In geval van afwijking tussen de beschrijvende tekst en de kaarten, is de tekst beslissend.

Artikel 2

De op 1 Januari 1938 bestaande grens tussen Italië en Frankrijk wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 3

De grens tussen Italië en Zuidslavië wordt vastgesteld als volgt:

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I.

Artikel 4

De grens tussen Italië en het Vrije Gebied van Triëst wordt vastgesteld als volgt:

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I.

Artikel 5
1.

Het juiste beloop van de in de artikelen 2, 3, 4 en 22 van dit Verdrag bepaalde nieuwe grenzen zal ter plaatse definitief worden vastgesteld door Grens-Commissies, samengesteld uit vertegenwoordigers der twee betrokken Regeringen.

2.

Deze Commissies zullen, onmiddellijk na het van kracht worden van dit Verdrag, hun werkzaamheden beginnen en deze zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een tijdsverloop van zes maanden, voltooien.

3.

Alle aangelegenheden, waaromtrent deze Commissies het niet eens kunnen worden, zullen worden voorgelegd aan de Ambassadeurs te Rome van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie, die, overeenkomstig de procedure in artikel 86 bepaald, op een wijze te hunner keuze een definitieve regeling zullen treffen, zo nodig door het benoemen van een onpartijdige derde Commissaris.

4.

De kosten van de Grenscommissies worden gelijkelijk door de twee betrokken Regeringen gedragen.

5.

Voor de definitieve vaststelling ter plaatse van de in de artikelen 3, 4 en 22 bepaalde grenzen zijn de Commissarissen gemachtigd 0,5 km af te wijken van de in dit Verdrag aangewezen lijn, teneinde de grens aan plaatselijke geographische en economische toestanden aan te passen, op voorwaarde evenwel, dat geen dorp of stad van meer dan 500 inwoners, noch een belangrijke spoorweg of grote weg, noch een voorname bron van water- of electriciteitsvoorziening geplaatst wordt onder een ander gezag dan dat, hetwelk het gevolg is van de in dit Verdrag bepaalde grensregelingen.

PARAGRAAF II. FRANKRIJK (Bijzondere bepalingen)

Artikel 6

Het vroegere Italiaanse gebied, gelegen aan de Franse zijde van de Frans-Italiaanse grens, zoals deze wordt omschreven in artikel 2, wordt door Italië afgestaan aan Frankrijk, dat hierover de volledige souvereiniteit verkrijgt.

Artikel 7

Door de Italiaanse Regering worden aan de Franse Regering overgedragen alle historische zowel als bestuurs-archieven, welke, daterend uit de tijd vóór 1860, betrekking hebben op het gebied, hetwelk bij het Verdrag van 24 Maart 1860 en de Conventie van 23 Augustus 1860 aan Frankrijk werden afgestaan.

Artikel 8
1.

De Italiaanse Regering zal aan de Franse Regering haar medewerking verlenen tot de eventuele totstandkoming van een spoorwegverbinding tussen Briançon en Modane, via Bardonnèche.

2.

De Italiaanse Regering zal, vrij van douanerechten, zonder visitatie, paspoortencontrôle of enige andere formaliteit, het spoorwegvervoer in beide richtingen toestaan van passagiers en goederen welke, om van het ene punt in Frankrijk naar het andere te gaan, op Italiaans gebied van deze verbindingslijn gebruik maken; zij zal de nodige maatregelen treffen om het passeren van de Franse treinen, welke van die verbindingslijn gebruik maken, op de voornoemde voorwaarden van vrijdom en zonder ongemotiveerde vertraging te verzekeren.

3.

De beide Regeringen zullen te gelegener tijd de nodige overeenkomsten treffen.

Artikel 9
1.

Plateau van de Mont Cenis.

Ten einde Italië inzake de hydro-electrische energie- en watervoorziening uit het meer van de Mont Cenis dezelfde faciliteiten te verschaffen, als waarover het beschikte vóór de afstand van deze streek aan Frankrijk, zal Italië van Frankrijk door middel van een bilateraal verdrag de technische garanties ontvangen, welke in bijlage III zijn aangegeven.

2.

De streek Tenda—Briga

Om te voorkomen, dat Italië een verminderde levering van electrische energie verkrijgt, vergeleken bij die, welke voortkwam uit bronnen in de streek Tenda—Briga vóór de afstand van deze streek aan Frankrijk, zal Italië van Frankrijk door middel van een bilateraal verdrag de technische garanties ontvangen, welke in bijlage III zijn aangegeven.

PARAGRAAF III. OOSTENRIJK (Bijzondere bepalingen)

Artikel 10
1.

Italië zal met Oostenrijk regelingen treffen om het vrije passagiers- en goederenverkeer tussen Noord- en Oost-Tirol te verzekeren, of zal bestaande regelingen op dit gebied bevestigen.

2.

De Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden hebben nota genomen van de regelingen (waarvan de tekst in bijlage IV is vervat), waarover de Oostenrijkse en Italiaanse Regeringen op 5 September 1946 overeenstemming hebben verkregen.

PARAGRAAF IV. FEDERATIEVE VOLKSREPUBLIEK ZUIDSLAVIË (Bijzondere bepalingen)

Artikel 11
1.

Italië staat af aan Zuidslavië in volle souvereiniteit het gebied, gelegen tussen de in de artikelen 3 en 22 omschreven nieuwe grenzen van Zuidslavië en de op 1 Januari 1938 bestaande Italiaans-Zuidslavische grens, alsmede de gemeente Zara en alle eilanden en naburige eilandjes in de hieronder omschreven gebieden.

2.

Italië staat af aan Zuidslavië in volle souvereiniteit het eiland Pelagosa met de omliggende eilandjes. Het eiland Pelagosa zal gedemilitariseerd blijven.

Italiaanse vissers zullen op Pelagosa en in de naburige wateren dezelfde rechten genieten als die, welke de Zuidslavische vissers genoten vóór 6 April 1941.

Artikel 12
1.

Italië zal aan Zuidslavië teruggeven alle voorwerpen van artistieke, historische, wetenschappelijke, opvoedkundige of godsdienstige aard (met inbegrip van alle akten, handschriften, documenten en bibliografisch materiaal), alsmede bestuursarchieven (dossiers, registers, plannen en documenten van welke aard ook), welke tussen 4 November 1918 en 2 Maart 1924 als gevolg van de Italiaanse bezetting werden weggevoerd uit de gebieden, welke door de op 12 November 1920 te Rappallo en 27 Januari 1924 te Rome getekende Verdragen aan Zuidslavië werden afgestaan. Italië zal eveneens alle voorwerpen teruggeven, vallende onder voornoemde categorieën, welke uit die gebieden werden verwijderd door de Italiaanse Wapenstilstandscommissie, die na de Eerste Wereldoorlog in Wenen zetelde.

2.

Italië zal aan Zuidslavië teruggeven alle voorwerpen, welke onder de in lid 1 van dit artikel genoemde categorieën vallen, juridisch als publiek eigendom zijn te beschouwen en na 4 November 1918 zijn weggevoerd uit het gebied, dat krachtens dit Verdrag aan Zuidslavië is afgestaan, alsmede de voorwerpen, betrekking hebbende op voornoemd gebied, welke Italië van Oostenrijk of Hongarije verkreeg bij de Vredesverdragen, 10 September 1919 te St. Germain en 4 Juni 1920 te Trianon getekend en krachtens de Conventie tussen Oostenrijk en Italië, die op 4 Mei 1920 te Wenen getekend werd.

3.

Mocht Italië in bijzondere gevallen niet in staat zijn de in lid 1 en 2 van dit artikel omschreven voorwerpen aan Zuidslavië terug te geven, dan zal het aan Zuidslavië voorwerpen van dezelfde aard en van ongeveer dezelfde waarde leveren, voor zover zulke voorwerpen in Italië verkrijgbaar zijn.

Artikel 13

De watervoorziening van de gemeente Gorizia en omgeving wordt geregeld in overeenstemming met de bepalingen vervat in bijlage V.

PARAGRAAF V. GRIEKENLAND (Bijzondere bepalingen)

Artikel 14
1.

Italië staat de volgende eilanden van de Dodekanesos in volle souvereiniteit aan Griekenland af, te weten:

Astropalia, Rhodos, Kharki, Scarpanto, Casso, Tilos, Nisuros, Kalymnos, Leros, Patmos, Lipso, Symi, Kos en Castellorizo, alsmede de omliggende eilandjes.

2.

Deze eilanden worden en blijven gedemilitariseerd.

3.

De procedure en technische voorwaarden betreffende de overdracht van deze eilanden aan Griekenland zullen worden bepaald bij overeenkomst tussen de Regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Griekenland, terwijl een regeling zal worden getroffen, welke voorziet in het terugtrekken van vreemde troepen binnen 90 dagen na het van kracht worden van dit Verdrag.

DEEL II. POLITIEKE BEPALINGEN.

PARAGRAAF I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 15

Italië zal alle nodige maatregelen treffen om aan alle aan het Italiaanse Gezag onderworpen personen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst het genot te verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en publicatie, van godsdienst, van politieke overtuiging en van vereniging.

Artikel 16

Italië zal zich er van onthouden Italiaanse burgers met inbegrip van leden der Italiaanse strijdkrachten te vervolgen of te molesteren alleen op grond van het feit, dat zij gedurende het tijdvak van 10 Juni 1940 tot aan de inwerkingtreding van dit Verdrag hun sympathie hebben betuigd met, of handelingen hebben verricht ter ondersteuning van, de zaak der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden.

Artikel 17

Italië, dat overeenkomstig artikel 30 van de Wapenstilstandsovereenkomst maatregelen heeft genomen om de fascistische organisaties in Italië te ontbinden, verbindt zich de wederoprichting van dergelijke politieke, militaire of semi-militaire organisaties, welke ten doel hebben het volk zijn democratische rechten te ontnemen, op Italiaans gebied niet toe te laten.

Artikel 18

Italië verbindt zich de volle waarde te erkennen van de Vredesverdragen met Roemenië, Bulgarije, Hongarije en Finland, alsmede van andere overeenkomsten of regelingen, welke door de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden ten opzichte van Duitsland, Japan en Oostenrijk zijn aangegaan of zullen worden aangegaan voor het herstel van de vrede.

PARAGRAAF II. NATIONALITEIT (Burgerlijke en staatkundige rechten)

Artikel 19
1.

Italiaanse burgers, die op 10 Juni 1940 hun woonplaats hadden in een gebied, hetwelk krachtens dit Verdrag door Italië aan een andere Staat is afgestaan, alsmede hun kinderen, die na die datum geboren zijn, worden, behoudens hetgeen in het volgend lid bepaald is, burgers van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, met het volle genot van de burgerlijke en staatkundige rechten van die Staat, overeenkomstig de wetgeving, die binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag door die Staat te dien einde zal worden afgekondigd. Nadat zij burgers van die Staat zijn geworden, verliezen zij hun Italiaanse nationaliteit.

2.

De Regering van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag de nodige wettelijke maatregelen nemen, ten einde alle in het eerste lid genoemde personen boven de leeftijd van achttien jaar (of gehuwde personen, die al of niet die leeftijd bereikt hebben), wier gewone spreektaal Italiaans is, het recht toe te kennen binnen de tijd van een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag de Italiaanse nationaliteit te kiezen. Een ieder, die aldus gekozen heeft, zal de Italiaanse nationaliteit behouden en niet beschouwd worden de nationaliteit te hebben verworven van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan. De keuze van de man houdt niet in de keuze van de echtgenote. De keuze van alle ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar wordt automatisch bepaald door de keuze van de vader of, indien de vader overleden is, door die van de moeder.

3.

De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, kan eisen, dat zij, die van het recht van keuze gebruik maken, zich binnen een jaar na de dag, waarop zij deze keuze hebben gedaan, in Italië vestigen.

4.

De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal overeenkomstig zijn fundamentele wetten aan alle binnen dit gebied verblijvende personen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst, het genot verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en publicatie, van godsdienst, van politieke overtuiging en van vereniging.

Artikel 20
1.

Binnen de tijd van een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag kunnen Italiaanse burgers boven de leeftijd van achttien jaar (of gehuwde personen, die al of niet van die leeftijd zijn), van wie een der Zuidslavische talen (Servisch, Kroatisch of Sloweens) de gewone spreektaal is en die hun woonplaats op Italiaans grondgebied nebben, na indiening van een verzoek bij de Zuidslavische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in Italië, de Zuidslavische nationaliteit verkrijgen, wanneer de Zuidslavische autoriteiten hun verzoek inwilligen.

2.

In die gevallen zal de Zuidslavische Regering langs diplomatieke weg aan de Italiaanse Regering de lijsten doen toekomen van de personen, die op die wijze de Zuidslavische nationaliteit hebben verworven. Op de dag, waarop deze lijsten officieel worden medegedeeld, verliezen de daarop genoemde personen hun Italiaanse nationaliteit.

3.

De Italiaanse Regering kan eisen, dat die personen zich binnen één jaar na de dag, waarop voornoemde lijst officieel is medegedeeld, in Zuidslavië vestigen.

4.

De regeling in lid 2 van artikel 19, betreffende de gevolgen, welke de nationaliteitskeuze voor echtgenoten en kinderen heeft, is eveneens van toepassing op de in dit artikel bedoelde personen.

5.

De bepalingen, vervat in lid 10 van bijlage XIV van dit Verdrag met betrekking tot de overdracht van de bezittingen van personen, die de Italiaanse nationaliteit hebben gekozen, zijn eveneens van toepassing op de overdracht van bezittingen van personen, die ingevolge de bepalingen van dit artikel de Zuidslavische nationaliteit kiezen.

PARAGRAAF III. HET VRIJE GEBIED VAN TRIËST

Artikel 21
1.

Ingevolge dit artikel wordt ingesteld het Vrije Gebied van Triëst, gevormd door het gebied tussen de Adriatische Zee en de grenzen, die in de artikelen 4 en 22 van dit Verdrag omschreven zijn. Het Vrije Gebied van Triëst wordt erkend door de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden, alsmede door Italië, welke overeenkomen, dat de onaantastbaarheid en onafhankelijkheid van dit gebied door de Veiligheidsraad der Verenigde Naties gewaarborgd zullen worden.

2.

De Italiaanse souvereiniteit over het gebied, dat het in lid 1 van dit artikel omschreven Vrije Gebied van Triëst vormt, zal bij het van kracht worden van dit Verdrag ophouden te bestaan.

3.

Na de beëindiging van de Italiaanse souvereiniteit over het betrokken gebied zal het Vrije Gebied van Triëst bestuurd worden volgens de bepalingen van een Regeling voor het voorlopige bewind, vastgesteld door de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken en goedgekeurd door de Veiligheidsraad. Die Regeling blijft van kracht tot de datum, welke de Veiligheidsraad zal bepalen voor de in werking treding van het Permanente Statuut, dat door de Veiligheidsraad zal moeten worden goedgekeurd. Vanaf die datum zullen voor het Vrije Gebied de bepalingen van dit Permanente Statuut gelden. De tekst van het Permanente Statuut, zowel als van de Regeling voor het voorlopig bewind, zijn opgenomen in bijlage VI en VII.

4.

Het Vrije Gebied van Triëst wordt niet beschouwd als afgestaan gebied in de zin van artikel 19 en van bijlage XIV van dit Verdrag.

5.

Italië en Zuidslavië verbinden zich aan het Vrije Gebied van Triëst de in bijlage IX omschreven garanties te geven.

Artikel 22

De grens tussen Zuidslavië en het Vrije Gebied van Triëst wordt vastgesteld als volgt:

De kaart, waarop deze beschrijving betrekking heeft, maakt deel uit van bijlage I .

PARAGRAAF IV. ITALIAANSE KOLONIËN

Artikel 23
1.

Italië ziet af van alle rechten en aanspraken op de Italiaanse grondgebieden in Afrika, te weten Libië, Eritrea en Italiaans Somaliland.

2.

In afwachting van de definitieve bestemming zal het tegenwoordig bestuur over deze gebieden gehandhaafd blijven.

3.

De definitieve bestemming van deze gebieden zal binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag gemeenschappelijk door de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie geregeld worden volgens de aanwijzingen, vervat in de gemeenschappelijke verklaring, welke deze Regeringen op 10 Februari 1947 hebben afgelegd en welke is opgenomen in bijlage XI.

PARAGRAAF V. BIJZONDERE BELANGEN VAN CHINA

Artikel 24

Italië doet ten gunste van China afstand van alle voorrechten en voordelen, welke voortvloeien uit de bepalingen van het Slotprotocol, hetwelk 7 September 1901 te Peking getekend werd, met inbegrip van alle aanhangsels, nota's en documenten ter aanvulling daarvan, en aanvaardt de annulering, ten opzichte van Italië, van voornoemd protocol, aanhangsels, nota's en documenten. Italië ziet tevens af van elke aanspraak op schadevergoeding op grond daarvan.

Artikel 25

Italië aanvaardt de vernietiging van de overeenkomst, afgesloten met de Chinese Regering, krachtens hetwelk de Italiaanse Concessie van Tientsin werd verkregen, en verbindt zich aan de Chinese Regering alle eigendommen en archieven, welke aan het bestuur van genoemde concessie behoren, over te dragen.

Artikel 26

Italië doet ten gunste van China afstand van alle rechten, welke aan Italië verleend waren met betrekking tot de Internationale Concessies van Shanghai en Amoy, en verbindt zich de administratie en de contrôle van die Concessies aan China over te dragen.

PARAGRAAF VI. ALBANIË

Artikel 27

Italië erkent de souvereiniteit en onafhankelijkheid van de Staat Albanië en verbindt zich die te eerbiedigen.

Artikel 28

Italië erkent, dat het eiland Saseno deel uitmaakt van het grondgebied van Albanië en doet afstand van alle aanspraken daarop.

Artikel 29

Italië doet ten gunste van Albanië officieel afstand van alle eigendommen (met uitzondering van de gebouwen, waarin de diplomatieke en consulaire missies gewoonlijk verblijven), rechten, concessies, belangen en voordelen van welke aard ook in Albanië, welke aan de Italiaanse Staat of aan Italiaanse semi-officiële instellingen behoren. Italië doet eveneens afstand van alle aanspraken op bijzondere belangen of invloed in Albanië, welke ingevolge de aanval van 7 April 1939 of krachtens vóór die datum gesloten verdragen of overeenkomsten verkregen werden.

De economische bepalingen van dit Verdrag, welke de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden kunnen doen gelden, zijn van toepassing op de andere Italiaanse eigendommen en de andere economische betrekkingen tussen Albanië en Italië.

Artikel 30

Italiaanse onderdanen in Albanië zullen dezelfde rechtspositie hebben als de onderdanen van andere landen; Italië erkent evenwel de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke door Albanië getroffen worden om de aan Italiaanse onderdanen verleende concessies en bijzondere rechten teniet te doen of te wijzigen, mits die maatregelen binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag genomen worden.

Artikel 31

Italië erkent, dat alle overeenkomsten en regelingen, welke het getroffen heeft met de door Italië tussen 7 April 1939 en 3 September 1943 in Albanië benoemde autoriteiten, van nul en generlei waarde zijn.

Artikel 32

Italië erkent de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke Albanië nodig mocht achten te treffen ter bevestiging of uitvoering der bovenstaande bepalingen.

PARAGRAAF VII. ETHIOPIË

Artikel 33

Italië erkent de souvereiniteit en onafhankelijkheid van de Staat Ethiopië en verbindt zich die te eerbiedigen.

Artikel 34

Italië doet ten gunste van Ethiopië officieel afstand van alle eigendommen (met uitzondering van de gebouwen, waarin de diplomatieke en consulaire missies gewoonlijk verblijven), rechten, concessies, belangen en voordelen, van welke aard ook, welke te eniger tijd door Italië in Ethiopië verkregen zijn, alsmede van alle semi-officiële eigendommen, omschreven in lid 1 van bijlage XIV van dit Verdrag.

Italië doet eveneens afstand van alle aanspraken op bijzondere belangen of invloed in Ethiopië.

Artikel 35

Italië erkent de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke de Regering van Ethiopië heeft genomen of zal nemen, teneinde de maatregelen, welke Italië ten opzichte van Ethiopië na 3 October 1935 getroffen heeft, alsmede de gevolgen van die maatregelen, teniet te doen.

Artikel 36

Italiaanse onderdanen in Ethiopië zullen dezelfde rechtspositie hebben als de onderdanen van andere landen; Italië erkent evenwel de rechtsgeldigheid van alle maatregelen, welke door de Regering van Ethiopië getroffen worden om de aan Italiaanse onderdanen verleende concessies en bijzondere rechten teniet te doen of te wijzigen, mits die maatregelen binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag genomen worden.

Artikel 37

Binnen achttien maanden na het van kracht worden van dit Verdrag zullen alle kunstwerken, voorwerpen van godsdienstige aard, archieven en voorwerpen van historische waarde, welke aan Ethiopië of zijn burgers behoren en na 3 October 1935 uit Ethiopië naar Italië zijn weggevoerd, door Italië worden teruggegeven.

Artikel 38

Als datum, met ingang waarvan de bepalingen van dit Verdrag zullen worden toegepast ten aanzien van alle maatregelen en feiten, van welke aard ook, waarbij de verantwoordelijkheid van Italië of van Italiaanse burgers ten opzichte van Ethiopië betrokken is, wordt bepaald 3 October 1935.

PARAGRAAF VIII. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Artikel 39

Italië verbindt zich alle regelingen te aanvaarden, welke zijn of zullen worden overeengekomen voor de liquidatie van de Volkenbond, het Permanente Hof van Internationale Justitie, alsmede voor de Internationale Financiële Commissie in Griekenland.

Artikel 40

Italië doet afstand van alle rechten, aanspraken en vorderingen, welke voortvloeien uit het mandatenstelsel of uit verbintenissen voortvloeiend uit dit stelsel, alsmede van alle bijzondere rechten van de Italiaanse Staat met betrekking tot enig mandaatgebied.

Artikel 41

Italië aanvaardt de bepalingen van de Slotacte van 31 Augustus 1945 en van de Frans-Britse Overeenkomst van dezelfde datum, betreffende het Statuut van Tanger, alsmede alle bepalingen, welke door de Mogendheden, die het Verdrag ondertekenen, mochten worden getroffen, om aan deze Acten uitvoering te geven.

Artikel 42

Italië verbindt zich alle regelingen te aanvaarden, welke door de betrokken Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden getroffen mochten worden tot wijziging van de Verdragen, betreffende het Congo-bekken, teneinde deze in overeenstemming te brengen met het Handvest der Verenigde Naties; het erkent de geldigheid dezer regelingen.

Artikel 43

Italië doet afstand van alle rechten en belangen, welke het mocht hebben krachtens artikel 16 van het op 24 Juli 1923 getekende Verdrag van Lausanne.

PARAGRAAF IX. BILATERALE VERDRAGEN

Artikel 44
1.

Elk der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zal, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag, Italië er van in kennis stellen, welke van haar voor-oorlogse bilaterale verdragen met Italië zij wenst te bestendigen of te doen herleven. Alle bepalingen van genoemde verdragen, welke met dit Verdrag niet in overeenstemming zijn, zullen echter komen te vervallen.

2.

Al dergelijke verdragen, waarvan op deze wijze kennis is gegeven, worden overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties op het Secretariaat van de Verenigde Naties ingeschreven.

3.

Al dergelijke verdragen, waarvan geen kennis is gegeven in bovengenoemde zin, zullen worden beschouwd als te zijn vervallen.

DEEL III. OORLOGSMISDADIGERS

Artikel 45
1.

Italië zal de nodige maatregelen treffen voor de aanhouding en uitlevering ter berechting van:

2.

Op verzoek van de betrokken Regering van een der Verenigde Naties zal Italië eveneens de verschijning als getuigen moeten waarborgen van binnen zijn rechtsgebied verblijvende personen, wier verklaringen noodzakelijk zijn voor de berechting van de in lid 1 van dit artikel bedoelde personen.

3.

Alle geschillen omtrent de toepassing van de bepalingen in lid 1 en 2 van dit artikel zullen door ieder van de betrokken Regeringen worden voorgelegd aan de Ambassadeurs te Rome van de Sowjet-Unie, de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, die omtrent de gerezen moeilijkheden een accoord zullen treffen.

DEEL IV. MILITAIRE, MARINE- EN LUCHTVAARTBEPALINGEN

PARAGRAAF I. GELDIGHEIDSDUUR

Artikel 46

Alle militaire, marine- en luchtvaartbepalingen van dit Verdrag zullen van kracht blijven, tot zij door een overeenkomst tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië geheel of gedeeltelijk gewijzigd zijn, of, nadat Italië Lid is geworden van de Verenigde Naties, door een overeenkomst tussen de Veiligheidsraad en Italië.

PARAGRAAF II. ALGEMENE BEPERKINGEN

Artikel 47
2.

De in lid 1 bedoelde vernietiging of verwijdering strekt zich uit over een afstand van niet meer dan 20 km van de grenslijn, zoals die in dit Verdrag omschreven is, en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

3.

De wederopbouw van deze versterkingen en installaties is verboden.

5.

Het is Italië niet geoorloofd in een kuststreek van 15 km diepte, zich uitstrekkende van de Frans-Italiaanse grens tot de meridiaan van 9° 30' oosterlengte, nieuwe marine-bases of vaste marine-installaties op te richten, noch bestaande inrichtingen van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande marine-installaties, mits de gezamenlijke capaciteit van die installaties hierdoor geen uitbreiding ondergaat.

Artikel 48
2.

De in lid 1 bedoelde vernietiging of verwijdering strekt zich uit over een afstand van niet meer dan 20 km van de grens, zoals die in dit Verdrag omschreven is, en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

3.

De wederopbouw van deze versterkingen en installaties is verboden.

5.

Het is Italië niet geoorloofd in een kuststrook van 15 km diepte, zich uitstrekkende van de Italiaans-Zuidslavische grens en die tussen Italië en het Vrije Gebied van Triëst tot op 44° 50' noorderbreedte, noch op de voor deze kuststrook gelegen eilanden, nieuwe marine-bases of vaste marine-installaties op te richten of bestaande inrichtingen van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande marine-installaties en bases, mits de gezamenlijke capaciteit van die installaties en bases hierdoor geen uitbreiding ondergaat.

6.

Het is Italië niet geoorloofd op het schiereiland Apulië ten Oosten van 17°45' oosterlengte nieuwe vaste militaire land-, -zee- of luchtmachtinstallaties op te richten of bestaande installaties van die aard uit te breiden. Dit verbod vormt geen beletsel voor onbelangrijke wijzigingen of het onderhoud van bestaande installaties, mits hun gezamenlijke capaciteit hierdoor geen uitbreiding ondergaat. Het bouwen van kazernes voor de veiligheidstroepen voor zover deze nodig zijn met betrekking tot binnenlandse aangelegenheden en de plaatselijke verdediging van de grenzen is echter geoorloofd.

Artikel 49
1.

Pantellaria, de Pelagese eilanden (Lampedusa, Lampione en Linosa), alsmede Pianosa (in de Adriatische Zee) worden en blijven gedemilitariseerd.

2.

Deze demilitarisatie moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag voltooid zijn.

Artikel 50
1.

Alle vaste kustverdedigingsartillerie-stellingen en haar bewapening op Sardinië, alsmede alle marine-installaties op dit eiland, welke zich binnen de afstand van 30 km van de Franse territoriale wateren bevinden, moeten binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag naar het vasteland van Italië overgebracht of vernietigd worden.

2.

Alle vaste installaties en materiaal ten dienste van het onderhoud en berging van torpedo's, zeemijnen en bommen, gelegen op Sicilië en Sardinië, moeten binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag vernietigd of naar het vaste land van Italië overgebracht worden.

3.

Verbeteringen aan, verbouwing of uitbreiding van bestaande installaties of vaste versterkingen op Sicilië en Sardinië, zijn verboden; evenwel kan behoudens in de in lid 1 hierboven omschreven gedeelten van Noord-Sardinië een normaal onderhoud van aldaar reeds bestaande installaties of vaste versterkingen en hun bewapening plaats vinden.

4.

Het is Italië niet geoorloofd op Sicilië en Sardinië militaire land-, zee- of luchtmachtinstallaties of versterkingen te bouwen, met uitzondering van kazernes voor veiligheidstroepen, voorzover deze nodig zijn met betrekking tot binnenlandse aangelegenheden.

Artikel 51

Het is Italië niet geoorloofd de volgende bewapeningen te bezitten, te vervaardigen of daarmede proeven te nemen:

Artikel 52

De aanschaffing in of buiten Italië van oorlogsmaterieel van Duitse of Japanse oorsprong, of naar Duitse of Japanse ontwerpen vervaardigd, zowel als de vervaardiging daarvan, zijn aan Italië verboden.

Artikel 53

Het vervaardigen en het bezit van staatswege of door particulieren van oorlogsmateriaal van een verschillend type en boven de hoeveelheid van dat, hetwelk benodigd is voor de troepen, welke hieronder in de paragrafen III, IV en V worden toegestaan, is Italië verboden.

Artikel 54

Het totale aantal zware en middelzware tanks van het Italiaanse leger mag niet meer dan 200 bedragen.

Artikel 55

In geen geval mogen officieren of onderofficieren van de vroegere Fascistische Militie of van het vroegere Fascistische Republikeinse Leger de rang van officier of onderofficier bekleden bij het Italiaanse Leger, de Italiaanse Marine, Luchtmacht of Carabinieri, met uitzondering van die personen, die, overeenkomstig de Italiaanse wet, door het bevoegde orgaan gezuiverd zijn.

PARAGRAAF III. BEPERKINGEN VAN DE ITALIAANSE MARINE

Artikel 56
1.

De tegenwoordige Italiaanse vloot zal beperkt worden tot de in bijlage XII A opgesomde eenheden.

2.

Extra eenheden, welke niet in bijlage XII voorkomen en uitsluitend voor het vegen van mijnen gebruikt worden, mogen ook verder voor dit doel gebruikt worden tot de tijd van het mijnenvegen is afgelopen, welke door de Internationale Centrale Commissie voor de Mijnopruiming in de Europese Wateren bepaald zal worden.

3.

Binnen twee maanden na het einde van die tijd zullen de schepen, welke door andere Mogendheden aan de Italiaanse Marine zijn uitgeleend, aan die Mogendheden worden teruggegeven, terwijl alle andere extra eenheden ontwapend en voor burgerlijk gebruik omgebouwd moeten worden.

Artikel 57
1.

Met de in bijlage XII B nader omschreven eenheden der Italiaanse Marine zal Italië handelen als volgt:

2.

De wijze, waarop bovengenoemde overdracht en levering moet geschieden, zal geregeld worden door een Commissie van de Vier Mogendheden, welke door middel van een afzonderlijk protocol wordt ingesteld.

3.

In geval van verlies of beschadiging, door welke oorzaak ook, van één of meerdere der in bijlage XII B voor overdracht aangewezen schepen, welke voor de overeengekomen datum niet hersteld kunnen worden, verbindt Italië zich deze te vervangen door een schip of schepen van hetzelfde tonnage vermeld op de lijst in bijlage XII A. In dit laatste geval zullen de Ambassadeurs van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie te Rome het schip of de schepen ter vervanging uitkiezen.

Artikel 58
1.

Met onderzeeërs en onklare oorlogsschepen zal Italië als volgt handelen: de tijdslimiet, binnen welke de hierna te noemen handelingen moeten geschieden, wordt geacht te zijn ingegaan bij het van kracht worden van dit Verdrag.

2.

Italië verbindt zich, alvorens over te gaan tot het doen zinken of vernietigen van de in het vorig lid genoemde oorlogsschepen en onderzeeërs, het materieel en de onderdelen te bergen, welke kunnen dienen tot aanvulling van de materieel- en onderdelenvoorraden aan boord en de reservevoorraden, welke ingevolge lid 1 van Artikel 57 voor alle in bijlage XII B omschreven schepen geleverd moeten worden.

3.

Het materieel en de onderdelen, welke niet als oorlogsmaterieel zijn aan te merken en gemakkelijk geschikt zijn te maken ten gebruike van het Italiaanse bedrijfsleven, mogen door Italië geborgen worden onder toezicht van de Ambassadeurs van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie te Rome.

Artikel 59
1.

Italië mag geen slagschip bouwen, aanschaffen of vervangen.

2.

Italië mag geen vliegtuigmoederschip, geen onderzeeër of ander onderzeevaartuig, geen motor-torpedoboot en geen gespecialiseerd type van aanvalsvaartuig bouwen, verkrijgen, gebruiken of proeven daarmede nemen.

3.

De totale standaard-tonnage van de oorlogsschepen der Italiaanse Marine, uitgezonderd slagschepen, met inbegrip van in aanbouw zijnde schepen, nadat zij te water zijn gelaten, mag niet meer dan 67.500 ton bedragen.

4.

Bij de vervanging van oorlogsschepen zal Italië zich moeten houden aan de in lid 3 genoemde tonnagelimiet. De vervanging van hulpschepen is niet aan een beperking onderworpen.

5.

Italië verbindt zich geen enkel oorlogsschip vóór 1 Januari 1950 aan te schaffen of op stapel te zetten, behalve wanneer het nodig zou zijn een schip, geen slagschip zijnde, hetwelk door een ongeluk vergaan is, te vervangen, in welk geval de tonnage van het nieuwe schip ten hoogste tien percent meer mag bedragen dan de tonnage van het verloren schip.

6.

De in dit artikel gebezigde termen zijn, voor de toepassing van dit Verdrag, omschreven in bijlage XIII A.

Artikel 60
1.

De totale sterkte van het Italiaans Marinepersoneel, met uitzondering van het Marine-luchtvaartpersoneel, mag het getal van 25.000 officieren en manschappen niet overschrijden.

2.

Gedurende het tijdvak, dat voor het vegen van mijnen wordt vastgesteld door de Internationale Centrale Commissie voor de Mijnopruiming in de Europese Wateren, wordt Italië voor dit doel bovendien nog een aantal officieren en manschappen tot een gezamenlijk maximum van 2500 toegestaan.

3.

Het vaste personeel van de Marine, dat het in lid 1 toegestane totaal te boven gaat, zal geleidelijk tot onderstaande sterkte verminderd worden, waarbij de ondervermelde termijnen worden geacht te zijn ingegaan bij het van kracht worden van dit Verdrag:

Twee maanden nadat het vegen van mijnen door de Italiaanse Marine beëindigd zal zijn, moet het krachtens lid 2 toegestane meerdere personeel ontslagen of in bovengenoemde sterkten worden opgenomen.

4.

Behalve het personeel, dat valt onder de krachtens lid 1 en 2 toegestane sterkte, of dat behoort tot de Marine-luchtvaartdienst en waarvan de sterkte krachtens artikel 65 wordt toegestaan, mag niemand in enigerlei vorm een marine-opleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

PARAGRAAF IV. BEPERKINGEN VAN HET ITALIAANSE LEGER

Artikel 61

Het Italiaanse Leger, met inbegrip van de Grenswacht, moet beperkt worden tot een sterkte van 185.000 man, met inbegrip van de staven, de gevechtstroepen en de verzorgingstroepen, alsmede 65.000 Carabinieri. Beide categorieën mogen 10.000 man verschillen, mits de totale sterkte van 250.000 man niet overschreden wordt. De organisatie en bewapening van de Italiaanse strijdkrachten te land, zowel als haar verdeling over Italië, zullen uitsluitend bestemd zijn voor binnenlandse aangelegenheden, de plaatselijke verdediging van de Italiaanse grenzen en de luchtverdediging.

Artikel 62

Het Italiaanse Leger moet, in zover het de sterkte te boven gaat, toegestaan krachtens art. 61, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag ontbonden worden.

Artikel 63

Personen, die geen deel uitmaken van het Italiaanse Leger of de Carabinieri, mogen in generlei vorm een militaire opleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

PARAGRAAF V. BEPERKING VAN DE ITALIAANSE LUCHTMACHT

Artikel 64
1.

De Italiaanse Luchtmacht, met inbegrip van de Marineluchtmacht, moet beperkt worden tot een sterkte van 200 gevechts- en verkenningsvliegtuigen, alsmede 150 transportvliegtuigen, vliegtuigen voor redding ter zee, opleidingsvliegtuigen (les-type) en verbindingsvliegtuigen. De reservevliegtuigen zijn in deze totalen begrepen. Behalve de gevechts- en verkenningsvliegtuigen, mogen de vliegtuigen niet bewapend zijn. De organisatie en bewapening van de Italiaanse Luchtmacht, zowel als haar verdeling over Italië, zullen uitsluitend bestemd zijn voor binnenlandse aangelegenheden, de plaatselijke verdediging van de Italiaanse grenzen en de verdediging tegen luchtaanvallen.

2.

Italië mag geen enkel vliegtuig bezitten of verkrijgen, dat in de eerste plaats als bommenwerper is ontworpen en een inwendige inrichting heeft voor het transport van bommen.

Artikel 65
1.

De sterkte van het personeel van de Italiaanse Luchtmacht met inbegrip van het Marine-luchtvaartpersoneel, moet beperkt worden tot een totaal van 25 000, met inbegrip van de staven, de gevechtstroepen en verzorgingstroepen.

2.

Personen, die geen deel uitmaken van de Italiaanse Luchtmacht, mogen in generlei vorm een militaire luchtvaartopleiding in de zin van bijlage XIII B ontvangen.

Artikel 66

De Italiaanse Luchtmacht moet, in zover zij de sterkte, toegestaan krachtens art. 65, te boven gaat, binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag ontbonden worden.

PARAGRAAF VI. BESTEMMING VAN HET OORLOGSMATERIEEL

Artikel 67
1.

Al het Italiaanse oorlogsmaterieel buiten hetgeen is toegestaan voor de strijdkrachten, gespecificeerd in de paragrafen III, IV en V, moet ter beschikking worden gesteld van de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie, overeenkomstig de instructies, door haar aan Italië te geven.

2.

Al het oorlogsmaterieel van Geallieerde oorsprong, boven hetgeen voor de in de paragrafen III, IV en V gespecificeerde strijdkrachten is toegestaan, zal ter beschikking worden gesteld van de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, overeenkomstig de door haar aan Italië te geven instructies.

3.

Al het oorlogsmaterieel van Duitse of Japanse oorsprong boven hetgeen voor de in paragrafen III, IV en V gespecificeerde strijdkrachten is toegestaan, alsmede alle Duitse en Japanse plannen, blauwdrukken, prototypen, proefmodellen en ontwerpen, moeten ter beschikking worden gesteld van de Vier Regeringen overeenkomstig de eventueel door haar aan Italië te geven instructies.

4.

Italië doet afstand van alle rechten op bovengenoemd oorlogsmaterieel en moet binnen een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag de bepalingen van dit artikel uitvoeren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in de artt. 56—58.

5.

Italië moet binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag aan de Vier Regeringen lijsten verschaffen van het oorlogsmaterieel boven hetgeen is toegestaan.

PARAGRAAF VII. VOORKOMING VAN DUITSE EN JAPANSE HERBEWAPENING

Artikel 68

Italië verbindt zich aan de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zijn volledige medewerking te verlenen, teneinde Duitsland en Japan de mogelijkheid te ontnemen buiten Duits en Japans gebied pogingen tot herbewapening in het werk te stellen.

Artikel 69

Italië verbindt zich geen toestemming te verlenen aan technici, met inbegrip van militair of burgerlijk luchtvaartpersoneel, die de Duitse of Japanse nationaliteit bezitten of bezeten hebben om op Italiaans grondgebied tewerkgesteld, of opgeleid te worden.

Artikel 70

Italië verbindt zich geen enkel burgervliegtuig van Duits of Japans model of hetwelk belangrijke door Duitsland of Japan vervaardigde of ontworpen onderdelen bevat, aan te schaffen of te vervaardigen.

PARAGRAAF VIII. KRIJGSGEVANGENEN

Artikel 71
1.

De Italiaanse krijgsgevangenen zullen zo spoedig mogelijk gerepatrieerd worden overeenkomstig de regelingen, getroffen tussen elk der Mogendheden, die hen gevangen houdt, en Italië.

2.

Alle kosten, met inbegrip van onderhoudskosten, verbonden aan het vervoer van Italiaanse krijgsgevangenen van de verzamelpunten, gekozen door de Regering van de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, naar het punt, waar zij het Italiaans grondgebied betreden, zullen door de Italiaanse Regering gedragen worden.

PARAGRAAF IX. MIJNOPRUIMING

Artikel 72

Bij het van kracht worden van dit Verdrag zal Italië worden uitgenodigd deel uit te maken van de Middellandse Zee-Commissie van de Internationale Organisatie voor Mijnopruiming in de Europese Wateren; het verbindt zich tot het einde van de na-oorlogse periode, welke door de Centrale Commissie voor Mijnopruiming bepaald wordt, alle beschikbare middelen voor mijnopruiming ter beschikking van de Centrale Commissie te stellen.

DEEL V. TERUGTREKKING VAN DE GEALLIEERDE TROEPEN

Artikel 73
1.

Alle strijdkrachten van de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk uit Italië worden teruggetrokken; in ieder geval niet later dan 90 dagen na het van kracht worden van dit Verdrag.

2.

Alle Italiaanse goederen, waarvoor geen vergoeding is gegeven en welke, bij het van kracht worden van dit Verdrag, in het bezit zijn van de Geallieerde en Geassocieerde strijdkrachten, zullen binnen dezelfde termijn van 90 dagen aan de Italiaanse Regering worden teruggegeven of wel vergoed worden.

3.

Alle bank- en kassaldi, welke bij het van kracht worden van dit Verdrag in handen zijn van de Geallieerde en Geassocieerde strijdkrachten en welke de Italiaanse Regering zonder vergoeding verschaft had, zullen op overeenkomstige wijze worden gerestitueerd of de Italiaanse Regering zal daarvoor worden gecrediteerd.

DEEL VI. OORLOGSVORDERINGEN.

PARAGRAAF I. HERSTELBETALINGEN

Artikel 74
Albanië tot een waarde van ..... $ 5 000 000
Ethiopië tot een waarde van ..... $ 25 000 000
Griekenland tot een waarde van ..... $ 105 000 000
Zuidslavië tot een waarde van ..... $ 125 000 000

PARAGRAAF II. TERUGGAVE DOOR ITALIË

Artikel 75
1.

Italië aanvaardt de beginselen van de Verklaring der Verenigde Naties van 5 Januari 1943 en zal binnen de kortst mogelijke tijd de goederen, welke uit het gebied van enig Lid der Verenigde Naties zijn weggevoerd, teruggeven.

2.

Deze verplichting tot teruggave geldt voor alle zich thans in Italië bevindende herkenbare goederen, welke door een der As-Mogendheden met geweld of onder dwang uit het gebied van een der Verenigde Naties zijn weggevoerd, onverschillig op welke wijze deze goederen vervolgens in het bezit zijn gekomen van de tegenwoordige houder.

3.

De Italiaanse Regering moet de in dit artikel bedoelde goederen in goede staat teruggeven en zal alle daarmede verband houdende kosten dragen voor arbeidsloon, materiaal en transport in Italië.

4.

De Italiaanse Regering zal haar medewerking verlenen aan de Verenigde Naties bij de opsporing en teruggave van de goederen, welke ingevolge dit artikel teruggegeven moeten worden, en zal te dien einde voor haar rekening alle mogelijke faciliteiten verlenen.

5.

De Italiaanse Regering zal de nodige maatregelen nemen voor de teruggave van de in dit artikel bedoelde goederen, welke personen, die onder Italiaanse rechtsbevoegdheid vallen, in andere landen onder zich hebben.

6.

Vorderingen tot teruggave van goederen zullen bij de Italiaanse Regering worden ingediend door de Regering van het land, uit welks grondgebied de goederen werden weggevoerd, waarbij moet worden aangenomen, dat rollend materiaal beschouwd moet worden als te zijn weggevoerd uit het land, waaraan het oorspronkelijk toebehoorde. Vorderingen tot teruggave moeten binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag worden ingediend.

7.

Op de Regering, die de vordering indient, rust de plicht de goederen te identificeeren en de eigendomsrechten te bewijzen, terwijl de bewijslast, dat de goederen niet met geweld of onder dwang zijn weggevoerd, op de Italiaanse Regering rust.

8.

De Italiaanse Regering moet aan de Regering van de betrokken Verenigde Natie al het gemunte goud teruggeven, hetwelk door Italië geroofd werd of onrechtmatig naar Italië werd weggevoerd, of wel aan de Regering van de betrokken Verenigde Natie een hoeveelheid goud leveren van hetzelfde gewicht en hetzelfde gehalte als het geroofde of onrechtmatig weggevoerde goud. De Italiaanse Regering erkent, dat aan deze verplichting niet wordt afgedaan door het feit van een eventuele overbrenging of wegvoering van goud uit Italië ten gunste van een andere As-Mogendheid of een neutraal land.

9.

Mocht het Italië in bijzondere gevallen niet mogelijk zijn zorg te dragen voor de teruggave van voorwerpen van artistieke, historische of archaeologische waarde, welke behoren tot het culturele erfdeel der Verenigde Natie, uit welker gebied de voorwerpen door de Italiaanse onderdanen, autoriteiten of strijdkrachten met geweld of onder dwang zijn weggevoerd, dan moet Italië aan de betrokken Verenigde Natie voorwerpen van dezelfde soort en ongeveer dezelfde waarde als van de weggevoerde voorwerpen doen toekomen, voor zover zulke voorwerpen in Italië verkrijgbaar zijn.

PARAGRAAF III. AFSTAND VAN AANSPRAKEN VAN ITALIË

Artikel 76
1.

Italië doet afstand van alle aanspraken van welke aard ook, welke de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen tegenover de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zouden kunnen doen gelden als een direct gevolg van de oorlog of van handelingen in verband met het bestaan van een staat van oorlog in Europa na 1 September 1939, onverschillig of de Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid alsdan al dan niet met Italië in oorlog was. Hieronder vallen:

2.

De bepalingen van dit artikel zullen volledig en definitief alle daarin beoogde en diensvolgens vervallen aanspraken uitsluiten, welke ook de partijen mogen zijn, welke daarbij zijn betrokken. De Italiaanse Regering verplicht zich een billijke schadevergoeding in lires te betalen aan hen, die, krachtens vordering, goederen hebben verschaft aan of diensten hebben verricht voor de strijdkrachten der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden op Italiaans gebied, alsmede aan hen, die vorderingen hebben op de strijdkrachten der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden wegens op Italiaans gebied geleden schade, welke niet door oorlogshandelingen ontstaan is.

3.

Italië doet eveneens in naam van de Italiaanse Regering en de Italiaanse onderdanen afstand van alle aanspraken, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, tegenover die Verenigde Natie, welke de diplomatieke betrekkingen met Italië heeft verbroken en in samenwerking met de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden maatregelen heeft genomen.

4.

De Italiaanse Regering zal volledige verantwoordelijkheid aanvaarden voor alle Geallieerde militaire betaalmiddelen, welke door de Geallieerde militaire autoriteiten in Italië in omloop zijn gebracht, alsmede voor het militaire geld, dat bij het van kracht worden van dit Verdrag in omloop is.

5.

De aanspraken, waarvan Italië krachtens lid 1 van dit artikel afstand doet, omvatten al die aanspraken, welke voortspruiten uit de maatregelen, welke tussen 1 September 1989 en het van kracht worden van dit Verdrag door een der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden ten opzichte van Italiaanse schepen genomen zijn, alsmede alle aanspraken en schuldvorderingen, voortvloeiende uit de Verdragen betreffende krijgsgevangenen, welke thans van kracht zijn.

6.

De bepalingen van dit artikel worden niet geacht de eigendomsrechten aan te tasten ten aanzien van de onderzeese kabels, welke bij het uitbreken van de oorlog het eigendom waren van de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen. De toepassing van artikel 79 en bijlage XIV op onderzeese kabels wordt door dit lid echter niet verhinderd.

Artikel 77
1.

De eigendommen van Italië en Italiaanse onderdanen in Duitsland zullen vanaf het van kracht worden van dit Verdrag niet langer als vijandelijk bezit beschouwd worden, terwijl alle beperkingen, waaraan die eigendommen als zodanig onderworpen waren, worden opgeheven.

2.

Herkenbare eigendommen van Italië of Italiaanse onderdanen, welke met geweld of onder dwang door de Duitse strijdkrachten of autoriteiten uit Italiaans gebied na 3 September 1943 naar Duitsland werden weggevoerd, komen in aanmerking voor teruggave.

3.

Herstel van eigendomsrechten en teruggave van Italiaanse eigendommen in Duitsland zullen plaats hebben overeenkomstig de maatregelen, door de Mogendheden, die Duitsland bezetten, te nemen.

4.

Behoudens deze maatregelen en alle andere te nemen door de Mogendheden, die Duitsland bezetten, ten gunste van Italië en Italiaanse onderdanen, doet Italië in naam van zich zelf en van de Italiaanse onderdanen afstand van alle op 8 Mei 1945 bestaande vorderingen op Duitsland en Duitse onderdanen, behalve van die, welke zijn ontstaan uit overeenkomsten en andere verbintenissen, alsmede rechten, welke vóór 1 September 1939 waren aangegaan of verkregen. Deze afstand wordt geacht eveneens van toepassing te zijn op alle schuldvorderingen, alle inter-gouvernementale vorderingen, voortvloeiende uit overeenkomsten, gesloten tijdens de oorlog en alle vorderingen wegens verlies of schade gedurende de oorlog ontstaan.

5.

Italië verbindt zich alle nodige maatregelen te treffen, teneinde de overdracht te vergemakkelijken van Duits bezit in Italië, welke mogelijkerwijs zullen worden voorgeschreven door die bezettende Mogendheden in Duitsland, die de bevoegdheid hebben over dat bezit te beschikken.

DEEL VII. BEZITTINGEN, RECHTEN EN BELANGEN

PARAGRAAF I. BEZITTINGEN DER VERENIGDE NATIES IN ITALIË

Artikel 78
1.

Italië zal, voor zover het zulks nog niet gedaan heeft, alle wettige rechten en belangen in Italië van de Verenigde Naties en hun onderdanen, zoals die op 10 Juni 1940 bestonden, herstellen en zal alle zich in Italië bevindende bezittingen van de Verenigde Naties en haar burgers teruggeven in de toestand, waarin zij zich thans bevinden.

2.

De Italiaanse Regering verbindt zich tot de teruggave van alle in dit artikel bedoelde bezittingen, rechten en belangen, vrij van hypotheken of enigerlei lasten, waarmede zij tengevolge van de oorlog bezwaard mochten zijn en zonder de berekening door de Italiaanse Regering van kosten in verband met de teruggave. De Italiaanse Regering zal alle maatregelen annuleren, met inbegrip van maatregelen van beslaglegging, sequestratie of toezicht, welke tussen 10 Juni 1940 en het van kracht worden van dit Verdrag ten aanzien van de bezittingen van de Verenigde Naties door haar genomen zijn. Ingeval bezittingen niet binnen zes maanden na het van kracht worden van dit Verdrag zijn teruggegeven, moeten zij uiterlijk binnen twaalf maanden na het van kracht worden van dit Verdrag bij de Italiaanse autoriteiten worden opgevraagd, behalve in die gevallen, waarin de aanvrager in staat is aan te tonen, dat de aanvrage niet binnen die termijn kon worden ingediend.

3.

De Italiaanse Regering zal de overdracht van alle bezittingen, rechten en belangen van elke aard van onderdanen van de Verenigde Naties annuleren, wanneer die overdracht het gevolg was van geweld of dwang door de Regeringen der As-Mogendheden of hun organen tijdens de oorlog uitgeoefend.

5.

Alle redelijke onkosten welke in Italië voortvloeien uit het vaststellen van vorderingen, het schatten van verlies of schade, daarbij inbegrepen, zullen door de Italiaanse Regering gedragen worden.

6.

Onderdanen van de Verenigde Naties, alsmede hun bezittingen zullen worden ontheven van buitengewone belastingen, heffingen en rechten, welke door de Italiaanse Regering of Italiaanse autoriteiten tussen 3 September 1943 en het van kracht worden van dit Verdrag hun vermogen in Italië belast mochten hebben met het bijzondere doel om de oorlogskosten te bestrijden of wel om de kosten voor de bezettingstroepen of de herstelbetalingen aan een Lid der Verenigde Naties te dekken. Alle uit dien hoofde geïnde bedragen moeten worden terugbetaald.

7.

Niettegenstaande de in dit Verdrag bepaalde overdracht van gebiedsdelen, blijft Italië verantwoordelijk voor verlies of schade, welke gedurende de oorlog aan bezittingen, toebehorend aan onderdanen der Verenigde Naties, in afgestaan gebied of het Vrije Gebied van Triëst zijn toegebracht. De in lid 3, 4, 5 en 6 van dit artikel vervatte verplichtingen zullen ook op de Italiaanse Regering rusten met betrekking tot bezittingen toebehorend aan onderdanen der Verenigde Naties in afgestane gebieden en in het Vrije Gebied van Triëst, doch slechts voor zover zulks niet in strijd zou zijn met de bepalingen vervat in lid 14 van bijlage X en lid 14 van bijlage XIV van dit Verdrag.

8.

De eigenaar van bedoelde bezittingen en de Italiaanse Regering kunnen een regeling treffen ter vervanging van de bepalingen van dit Artikel.

9.

Voor de toepassing van dit Artikel geldt het volgende:

PARAGRAAF II. ITALIAANSE BEZITTINGEN OP HET GRONDGEBIED VAN DE GEALLIEERDE EN GEASSOCIEERDE MOGENDHEDEN

Artikel 79
1.

Ieder der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden heeft het recht over te gaan tot inbeslagneming, terughouding of liquidatie van alle aan Italië of Italiaanse onderdanen toebehorende bezittingen, rechten en belangen, welke zich bij het van kracht worden van dit Verdrag binnen haar gebied bevinden en andere maatregelen ten opzichte van die bezittingen te treffen. Zij heeft voorts het recht elk dier bezittingen of de opbrengst daarvan voor de door haar gewenste doeleinden aan te wenden tot het bedrag van haar vorderingen of die van haar onderdanen op Italië of Italiaanse onderdanen (met inbegrip, van schuldvorderingen), welke nog niet geheel voldaan zijn uit hoofde van andere artikelen van dit Verdrag. Alle Italiaanse bezittingen, of de opbrengst daarvan, waarvan de waarde die van voornoemde vorderingen te boven gaat, zullen worden teruggegeven.

2.

De liquidatie van Italiaanse bezittingen en de maatregelen ter beschikking daarover worden uitgevoerd overeenkomstig de bij de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid geldende wet. De aan die wet ontleende rechten zijn de enige, welke de Italiaanse eigenaar ten opzichte van bedoelde bezittingen kan doen gelden.

3.

De Italiaanse Regering verbindt zich de Italiaanse onderdanen, wier bezittingen krachtens de bepalingen van dit artikel in beslag zijn genomen en hun niet zijn teruggegeven, schadeloos te stellen.

4.

Aan dit artikel kan geen verplichting voor de Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden worden ontleend om rechten betreffende de industriële eigendom aan de Italiaanse Regering of aan Italiaanse onderdanen terug te geven of wel die rechten mede te rekenen bij de vaststelling van de bedragen, welke krachtens lid 1 van dit artikel kunnen worden teruggehouden.

De Regering van elke Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid heeft het recht aan de rechten en belangen, met betrekking tot de industriële eigendom op het gebied van die Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, welke voor het van kracht worden van dit Verdrag door de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen zijn verkregen, zodanige voorwaarden en beperkingen te verbinden als de Regering van de betrokken Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid in het belang van het land nodig zal achten.

6.

De in lid 1 van dit artikel voornoemde bezittingen, worden geacht Italiaans bezit te omvatten, dat onder toezicht heeft gestaan tengevolge van de staat van oorlog tussen Italië en de Geallieerde of Geassocieerde Mogendheid, onder wier rechtsbevoegdheid die bezittingen vallen.

Daaronder zijn evenwel niet begrepen:

PARAGRAAF III. VERKLARING VAN DE GEALLIEERDE EN GEASSOCIEERDE MOGENDHEDEN MET BETREKKING TOT HUN VORDERINGEN

Artikel 80

De Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden verklaren, dat in de hun bij artikel 74 en 79 van dit Verdrag toegekende rechten alle vorderingen zijn begrepen, welke zij of hun onderdanen kunnen doen gelden wegens verlies of schade tengevolge van oorlogshandelingen, met inbegrip van de maatregelen, die het gevolg waren van de bezetting van hun gebied aan Italië te wijten zijn en buiten Italiaans gebied zijn toegebracht, met uitzondering van de vorderingen, welke gegrond zijn op de artikelen 75 en 78.

PARAGRAAF IV. SCHULDEN.

Artikel 81
1.

Het bestaan van de staat van oorlog mag niet op zichzelf gericht worden iets af te doen aan de verplichting tot betaling van schulden, voortvloeiende uit verplichtingen en overeenkomsten, welke reeds bestonden, en rechten, welke reeds verkregen waren vóór het bestaan van de staat van oorlog, welke schulden vóór het van kracht worden van dit Verdrag opeisbaar werden en verschuldigd zijn door de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen aan de Regering of onderdanen van een der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden, of wel door de Regering of onderdanen van een der Geallieerde of Geassocieerde Mogendheden verschuldigd zijn aan de Italiaanse Regering of Italiaanse onderdanen.

2.

Behoudens in die gevallen, waarin dit Verdrag uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt, mag geen enkele bepaling daarin worden uitgelegd als een aantasting van de betrekkingen tussen debiteuren en crediteuren, welke ontstonden uit overeenkomsten, welke vóór de oorlog door de Italiaanse Regering of door Italiaanse onderdanen zijn afgesloten.

DEEL VIII. ALGEMENE ECONOMISCHE BETREKKINGEN

Artikel 82
1.

In afwachting van het afsluiten van handelsverdragen of overeenkomsten tussen een der Verenigde Naties en Italië, moet de Italiaanse Regering gedurende de tijd van achttien maanden na het van kracht worden van dit Verdrag de volgende behandeling toestaan aan de Verenigde Naties, die in feite op voet van wederkerigheid dezelfde behandeling op dit gebied aan Italië toekennen:

2.

Bovenstaande verplichtingen, waartoe Italië zich verbindt, moeten verstaan worden als te zijn onderworpen aan de gebruikelijke uitzonderingen, welke voorkomen in de door Italië voor de oorlog gesloten handelsverdragen, en de bepalingen met betrekking tot de door elk van de Verenigde Naties verleende wederkerigheid moeten verstaan worden als te zijn onderworpen aan de gebruikelijke uitzonderingen, welke voorkomen in de door die Staat gesloten handelsverdragen.

DEEL IX. REGELING VAN GESCHILLEN

Artikel 83
1.

Alle geschillen, welke bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de artikelen 75 en 78 en de bijlagen XIV, XV, XVI en XVII, deel B van dit Verdrag mochten rijzen, moeten worden voorgelegd aan een Verzoenings-Commissie, bestaande uit een vertegenwoordiger van de Regering der betrokken Verenigde Natie en een vertegenwoordiger van de Italiaanse Regering, die op voet van gelijkheid zullen staan. Mocht binnen drie maanden, nadat het geschil aan de Verzoenings-Commissie is voorgelegd, geen overeenstemming zijn bereikt, dan kan ieder der beide Regeringen verzoeken om een derde lid, dat in onderling overleg door de beide Regeringen uit onderdanen van een ander land gekozen moet worden, aan de Commissie toe te voegen. Als de beide Regeringen binnen twee maanden geen overeenstemming bereiken omtrent de keuze van een derde lid der Commissie, dan zullen de Regeringen zich wenden tot de Ambassadeurs te Rome van de Sowjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika en Frankrijk, die een derde lid van de Commissie zullen benoemen. Mochten de Ambassadeurs er niet in slagen het binnen een maand eens te worden omtrent de benoeming van een derde lid, dan kunnen beide partijen de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties verzoeken zich met die benoeming te belasten.

2.

Als een Verzoenings-Commissie, ingevolge lid 1 van dit artikel, is ingesteld, is zij bevoegd alle geschillen te beslechten, welke daarna tussen de betrokken Verenigde Natie en Italië zouden rijzen bij de toepassing of de uitlegging van artikel 75 en 78 en de annexen XIV, XV, XVI en XVII, sectie B van dit Verdrag, en verricht zij de functies, welke haar krachtens die bepalingen zijn opgedragen.

3.

Iedere Verzoenings-Commissie bepaalt haar eigen werkwijze en stelt daarbij naar recht en billijkheid regelen.

4.

De beide Regeringen betalen elk het honorarium van het door haar benoemde Commissielid of de door haar aangewezen vertegenwoordiger in de Commissie. Het honorarium van het derde lid wordt in onderling overleg vastgesteld door de betrokken Regeringen, die elk de helft van dit honorarium en van de gewone onkosten der Commissie betalen.

5.

Beide partijen verplichten zich door hun autoriteiten direct aan de Verzoenings-Commissie de bijstand te doen verlenen, waartoe zij in staat zijn.

6.

De uitspraak van de meerderheid der leden van de Commissie wordt beschouwd als de uitspraak van de Commissie en wordt door beide partijen als beslissend en bindend beschouwd.

DEEL X. DIVERSE ECONOMISCHE BEPALINGEN

Artikel 84

Artikel 75 , 78 en 82, alsmede annex XVII van dit Verdrag zijn van toepassing op de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en die leden der Verenigde Naties, die de diplomatieke betrekkingen met Italië hebben verbroken of waarmede Italië de diplomatieke betrekkingen heeft verbroken. Deze artikelen en dit annex zijn eveneens van toepassing op Albanië en op Noorwegen.

Artikel 85

De bepalingen van de annexen VIII, X, XIV, XV, XVI en XVII, zowel als die der andere annexen worden geacht dezelfde waarde en betekenis te hebben als dit Verdrag, waarvan zij een onafscheidelijk deel vormen.

DEEL XI. SLOTCLAUSULES

Artikel 86
1.

Gedurende een periode van ten hoogste achttien maanden na het van kracht worden van dit Verdrag zullen de Ambassadeurs te Rome van de Sowjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika en Frankrijk, gezamenlijk optredend, de Geallieerde Mogendheden vertegenwoordigen bij de behandeling met de Italiaanse Regering van alle aangelegenheden betreffende de uitvoering en uitlegging van dit Verdrag.

2.

De Vier Ambassadeurs zullen de Italiaanse Regering de raad, het technisch advies en de voorlichting verstrekken, welke nodig mochten zijn om de snelle en doelmatige ten uitvoerlegging van dit Verdrag, zowel naar de letter als naar de geest, te verzekeren.

3.

De Italiaanse Regering zal de Vier Ambassadeurs alle inlichtingen en bijstand verschaffen, welke zij bij de vervulling van de taak, die hun door dit Verdrag wordt opgelegd, kunnen nodig hebben.

Artikel 87
1.

Behalve in die gevallen, waarin door een of meer artikelen van dit Verdrag een andere procedure is voorgeschreven, zal elk geschil betreffende de uitlegging of uitvoering van dit Verdrag, dat niet door directe diplomatieke onderhandelingen is opgelost, volgens artikel 86 aan de Vier Ambassadeurs worden voorgelegd, in elk geval de Ambassadeurs echter niet aan de in dat artikel voorgeschreven tijdslimiet gebonden zullen zijn. Al dergelijke geschillen, welke zij niet binnen twee maanden tijds hebben opgelost, worden, tenzij partijen onderling overeenkomen, het geschil op een andere wijze te regelen, op verzoek van een der bij het geschil betrokken partijen verwezen naar een Commissie, bestaande uit een vertegenwoordiger van elke partij en een derde lid, dat in onderling overleg door beide partijen uit de onderdanen van een derde land gekozen wordt. Mochten de partijen er niet in slagen binnen een maand een derde lid te benoemen, dan zal elk der partijen de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties kunnen verzoeken zich met die benoeming te belasten.

2.

De uitspraak van de meerderheid der leden van de Commissie wordt beschouwd als de uitspraak van de Commissie en wordt door beide partijen als beslissend en bindend aanvaard.

Artikel 88
1.

De met Italië in oorlog zijnde Leden van de Verenigde Naties, die dit Verdrag niet ondertekend hebben, alsmede Albanië, kunnen tot dit Verdrag toetreden en worden, voor de toepassing van dit Verdrag, na hun toetreding als een Geassocieerde Mogendheid beschouwd.

2.

De akten van toetreding moeten bij de Regering van de Franse Republiek nedergelegd worden en zijn van kracht vanaf de nederlegging.

Artikel 89

Door de bepalingen van dit Verdrag worden aan geen der Staten, welke in de Preambule als een der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden zijn aangeduid, of aan zijn onderdanen enige rechten of voordelen toegekend, alvorens die Staat door de nederlegging van de akte van bekrachtiging tot het Verdrag is toegetreden.

Artikel 90

Dit Verdrag, waarvan de Franse, Engelse en Russische tekst authentiek zijn, zal door de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden bekrachtigd moeten worden. Het zal ook door Italië moeten worden bekrachtigd. Onmiddellijk na de nederlegging van de akten van bekrachtiging door de Unie van Sowjet Socialistische Republieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en Frankrijk, treedt het in werking. De akten van bekrachtiging moeten binnen de kortst mogelijke tijd bij de Regering van de Franse Republiek nedergelegd worden.

Voor de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheid, wier akte van bekrachtiging daarna nedergelegd is, wordt het Verdrag van kracht op de datum, waarop die akte nedergelegd is. Dit Verdrag zal worden nedergelegd in het archief der Regering van de Franse Republiek, die aan alle Staten ondertekenaars een gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen.

Kleine St. Bernard Pas

Verwijzing: Kaart op schaal van 1 : 20.000 — Ste Foy Tarentaise No. 1—2

De nieuwe grens begint bij de rotsachtige berggraat van Lancebranlette, daalt in Oostelijke richting, volgt dan de waterscheiding tot punt 2180 en loopt van hier naar Colonna Joux (punt 2188). Zij blijft de waterscheiding volgen om te stijgen naar de Costa del Belvedere, waarvan zij de rotsachtige oneffenheden volgt, loopt om de top heen, welke zij op Frans gebied laat liggen op 120 meter van de grenslijn, zet zich dan voort langs de punten 2570, 2703, langs Bella Valetta en punt 2746 om zich bij de Mont Valaisan met de oude grens te verenigen.

Mont Cenis Plateau

Verwijzing: Kaarten op schaal van 1 : 20.000 van Lanslebourg No. 5—6 en 7—8 en van de Mont d'Ambin No. 1—2

De nieuwe grenslijn verlaat de oude grens bij de Mont Tour, loopt in Westelijke richting samen met de bestuursgrens, aangegeven op de kaart, volgt de rivier T. Vitoun van het punt waar de lijn de Noordelijke zijtak van deze rivier ontmoet, en volgt de loop hiervan bergafwaarts tot de Rocca della Toretta.

Vervolgens loopt de grens langs de lijn van rotsachtige oneffenheden om de bergstroom komende van de Alp Lamet te bereiken, en volgt dan bergafwaarts deze stroom tot aan de voet van de rotsachtige en steile helling, zet zich hierlangs voort over ongeveer 800 meter tot aan de thalweg op een punt ongeveer 200 meter Noordelijk van punt 1805.

Vervolgens loopt de grenslijn over de rand der aardverschuivingen die op ongeveer 300 meter boven Ferrera Cenisio liggen, zet zich dan voort in Westelijke richting en sluit zich aan bij de weg die in Oostelijke richting om de Rue Paradiso trekt, op 400 meter Westelijk van de bocht (1854), om hiervan onmiddellijk weer af te wijken en in Zuidelijke richting af te buigen.

De nieuwe grens kruist de weg van Bar Cenisia op een punt ongeveer 100 meter Zuid-Oostelijk van de berghut 5, kruist vervolgens de thalweg in de richting van het meer S. Giorgio, volgt ongeveer de hoogtelijn 1900 tot bij punt 1907, loopt langs de Zuid-oever van het meer van Arpon en verenigt zich met de rotsige bergkam, die zij blijft volgen in Zuid-Westelijke richting tot de samenvloeiing der bergstromen die haar oorsprong nemen in de gletscher van Bard (Chiaccajo di Bard), op een punt gelegen ongeveer 1400 meter Zuid-Westelijk van het meer van Arpon.

Vandaar uit buigt de grens naar het Zuiden, volgt ongeveer de hoogtelijn 2500, passeert het punt 2579, bereikt langs de hoogtelijn 2600 het meer della Vecchia en verenigt zich, bij de bestuursgrens, aangegeven op de kaart op ongeveer 700 meter ten Zuid-Oosten van het meer, met de weg naar Pso d'Avanza, die haar langs de rotsachtige en steile hellingen naar de vroegere grens leidt, halverwege de Col de la Vecchia en de Col de Clapier.

Mont-Thabor

Verwijzing: Kaart op schaal van 1 : 20.000 van Névache Nos. 1—2, 5—6 en 7—8

Van de Cime de la Planette tot aan de Rocher de Guion (Cima des Sueur)

De nieuwe grenslijn scheidt zich bij de Cime de la Planette van de vroegere grens af, loopt in Zuidelijke richting en volgt de bergkam langs de punten 2980, 3178, de Ria Bernaude (3228), de punten 2842, 2780, 2877, langs Pso della Gallina (2671), de punten 2720, 2806 en de Pta Quattre Sorelle (2700).

Vanaf dit punt de Oostelijke berghelling afdalend, laat de nieuwe grenslijn het punt, genummerd 2420, op Frans grondgebied liggen, verenigt zich vandaar uit met de weg die zij aan de Oostzijde volgt en die heenleidt naar de gebouwen, welke gelegen zijn op een afstand van ongeveer 200 meter van punt 2253, waarbij deze weg en deze gebouwen op Frans grondgebied blijven. De nieuwe grens volgt nu een thalweg, die ongeveer 300 meter ten Noord-Oosten van punt 1915 loopt, vanwaar zij het Noord-Westelijk uiteinde van het bekken bereikt, dat in de Vallée Stroite (Valle Stretta), de hydro-electrische installaties van Sette Fontane van water voorziet, waarbij het bekken en de installaties op Italiaans grondgebied blijven. De nieuwe grens trekt Zuidelijk hier omheen en bereikt het kruispunt van wegen bij punt 1499.

Vervolgens volgt de nieuwe grenslijn de weg die zich bij de zoom van het woud bij de hoogtelijn 1500 aansluit en die de grens leidt naar de Comba della Gorgia in de omgeving van de hoogtelijn 1580; daarna stijgt zij langs de thalweg naar punt 1974, en sluit zich aan bij de rand van de steile hellingen van de rots la Sueur, die bepaald wordt door de punten 2272, 2268, 2239, 2266, 2267; zij blijft over deze rand lopen, totdat zij stuit op de vroegere grenslijn, waarbij de rotskam en de weg die hierlangs loopt, op Frans gebied blijven.

Chaberton

Verwijzing: Kaart op schaal van 1 : 20 000 van Briançon. Nos. 3—4

De nieuwe grenslijn verlaat de oude grens bij punt 3042 (ten Noorden van punt 3070 en ten Noorden van het punt Trois Scies) en volgt de rotskam tot aan de Croce del Vallonetto.

Vanaf de Croce del Vallonetto buigt de nieuwe grens naar het Zuiden en de rotskam volgend, verenigt zij zich met de weg naar de Chaberton, op het punt waar deze uitkomt op de met bergen omringde dalkom van de Clot des Morts.

De nieuwe grens steekt deze weg over, evenals de hierlangs lopende thalweg, volgt over ongeveer 1250 meter de hoogtelijn 2300, die in het terrein in Zuid-Oostelijke richting een reeks rotsige oneffenheden en ingestorte rotspartijen volgt, snijdt vervolgens in rechte lijn de Oostelijke helling van de Mont Chaberton en bereikt een punt, ongeveer 400 meter ten Westen van punt 2160, waarbij de tussenpijler van de luchtkabelbaan, die zich op die plaats bevindt, op Frans gebied blijft.

Van daaruit loopt de grens in rechte lijn over een reeks rotswanden en diepe ravijnen naar de versterking, welke niet op de kaart van de Fontaine des Chamois aangegeven is en welke dicht bij punt 2228 gelegen is (ongeveer 1,4 km ten Noord-Oosten van Clavières); hier trekt zij Oostwaarts omheen, volgt de tweede bocht van de weg, die deze versterking verbindt met de versterkte kazerne van Chaberton (op de weg van Cézanne (Cesana) naar Clavières), waarbij de versterkingen van de Fontaine des Chamois op Frans grondgebied blijven.

De nieuwe grenslijn blijft eerst in Zuidelijke richting de op de kaart aangegeven gemeentegrens volgen, loopt daarna langs de rotswand op ongeveer 400 meter ten Noorden van de weg Clavières— Cézanne (Cesana), buigt dan naar het Zuid-Westen, loopt onder langs de rotsen op voldoende afstand om de aanleg van een weg met tweerichtingsverkeer mogelijk te maken.

De grens trekt Noordwaarts om het dorp Clavières heen, dat op Italiaans grondgebied blijft, en ontmoet de Rio Secco op ongeveer 200 meter stroomopwaarts van de brug van Clavières, volgt haar loop stroomafwaarts en vervolgens die van de Doire Ripaire (Doria Riparia) tot aan de weg van Clavières naar de Val Gimont, dat Italiaans blijft, en volgt die weg tot aan de brug over de Gimont.

De grenslijn blijft ongeveer 300 meter stroomopwaarts de rivier volgen, verlaat deze en volgt het muildierenpad, dat leidt naar het hoogste pijler van de luchtkabelbaan van Clavières (Col du Mont Fort du Boeuf), dat op Frans grondgebied blijft. Over de rotskam verenigt zij zich bij de Mont la Plane met de bestaande grens, bij grenspaal 251. De weg van het dal van Gimont blijft op Italiaans grondgebied.

Bovendalen van de Tinée, de Vésubie en de Roya
A. Garanties die Frankrijk aan Italië zal moeten geven in geval van overdracht van het Mont Cenis Plateau

Behoudens andere afspraken tussen Frankrijk en Italië, zullen deze garanties voortdurend van kracht blijven.

Er zal een Frans-Italiaanse technische commissie van toezicht, bestaande uit een gelijk aantal Franse en Italiaanse leden ingesteld worden om toe te zien en te bevorderen, dat de reeds genoemde garantieclausules worden nagekomen, die ten doel hebben Italië dezelfde faciliteiten te verzekeren, als waarover het beschikte in verband met de levering van hydro-electrische energie en water uit het meer van Mont Cenis, vóór de overdracht van dit gebied aan Frankrijk. De technische commissie van toezicht zal eveneens tot taak hebben om samen te werken met de bevoegde Franse technische diensten om er zich van te overtuigen, dat de veiligheid der beneden-dalen niet in gevaar wordt gebracht.

B. Garanties die Frankrijk aan Italië zal moeten geven in geval van overdracht aan Frankrijk van het gebied van Tende-la Brigue.
Artikel 1. Uitgestrektheid van het Vrije Gebied

Het Vrije Gebied van Triëst zal bepaald worden door de grenzen, omschreven in artikel 4 en 22 van dit Verdrag en de grenslijn hiervan, zal vastgesteld worden, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag.

Artikel 2. Onschendbaarheid en Onafhankelijkheid

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, verzekert de onschendbaarheid en de onafhankelijkheid van het Vrije Gebied. Deze verantwoordelijkheid houdt in, dat de Raad er op zal toezien, dat:

Artikel 3. Demilitarisatie en Neutraliteit
1.

Het Vrije Gebied zal gedemilitariseerd en neutraal verklaard worden.

2.

Geen enkele gewapende macht zal, behalve op voorschrift van de Veiligheidsraad, op het Vrije Gebied worden toegestaan.

3.

Oprichting, oefeningen en iedere activiteit van semi-militaire organisaties, zullen binnen de grenzen van het Vrije Gebied worden verboden.

4.

De Regering van het Vrije Gebied zal met geen enkele Staat overeenkomsten of millitaire verdragen sluiten, noch hierover onderhandelen.

Artikel 4. Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden

De Grondwet van het Vrije Gebied zal aan alle personen, die onder de wetgeving van het Vrije Gebied vallen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst, het genot verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van godsdienst, taal, meningsuiting in woord en geschrift, onderwijs en het recht van vereniging en vergadering. De onderdanen van het Vrije Gebied zal gelijke benoembaarheid tot openbare ambten verzekerd worden.

Artikel 5. Burgerlijke en Politieke Rechten

De burgerlijke en politieke rechten zullen aan geen enkel persoon, die het burgerrecht van het Vrije Gebied van Triëst verkregen heeft, ontnomen worden, tenzij bij rechterlijke beslissing wegens inbreuk op de strafwetten van het Vrije Gebied.

Artikel 6. Burgerrecht
1.

De Italiaanse onderdanen, welke op 10 Juni 1940 hun domicilie hadden binnen de grenzen van het Vrije Gebied, alsmede hun kinderen, die na die datum geboren zijn, zullen onderdanen van het Vrije Gebied worden met het volle genot van de burgerlijke en politieke rechten. Nadat zij burgers van het Vrije Gebied geworden zijn, zullen zij hun Italiaanse nationaliteit verliezen.

2.

De Regering van het Vrije Gebied zal er evenwel in voorzien, dat alle in lid 1 genoemde personen, boven de leeftijd van 18 jaar (en gehuwde personen, die al of niet die leeftijd hebben bereikt) en wier gewone spreektaal het Italiaans is, het recht zullen verkrijgen om de Italiaanse nationaliteit te kiezen, binnen een periode van zes maanden na het van kracht worden van de Grondwet, volgens de door haar bepaalde voorwaarden. Een ieder, die aldus gekozen heeft, zal beschouwd worden als hebbende opnieuw de Italiaanse nationaliteit verkregen. De keuze van de man houdt niet de keuze van de echtgenote in. De keuze van alle ongehuwde kinderen, beneden de leeftijd van 18 jaar, zal echter automatisch bepaald worden door de keuze van de vader, of indien de vader overleden is, door die van de moeder.

3.

Het Vrije Gebied zal kunnen eisen, dat zij, die van het recht van keuze gebruik zullen hebben gemaakt, zich binnen een jaar na de dag waarop zij dit recht hebben uitgesproken, in Italië zullen vestigen.

4.

De voorwaarden tot verkrijging van het burgerrecht (citoyenneté) door personen, die niet bevoegd zijn het oorspronkelijk burgerrecht (citoyenneté d'origine) te verkrijgen, zullen door de Constituerende Vergadering van het Vrije Gebied bepaald worden en in de Grondwet worden opgenomen. Deze voorwaarden zullen echter de verkrijging tot burgerrecht aan die personen moeten verbieden, welke tot de vroegere fascistische politie (O.V.R.A.) behoord hebben en welke niet in hun vroegere rechten hersteld zijn door de bevoegde autoriteiten en in het bijzonder door de geallieerde militaire autoriteiten, aan wie het beheer van het betreffende grondgebied was opgedragen.

Artikel 7. Officiële talen

De officiële talen van het Vrije Gebied zullen het Italiaans en het Slovenisch zijn.

De Grondwet zal bepalen in welke gevallen het Kroatisch als derde officiële taal gevoerd mag worden.

Artikel 8. Vlag en Wapenschild

Het Vrije Gebied zal zijn eigen vlag en wapenschild hebben. De vlag zal de traditionele vlag van de stad Triëst zijn en het wapen het historische wapen van deze stad.

Artikel 9. Regeringsorganen

Er zal voor de regering van het Vrije Gebied een Gouverneur aangesteld worden, een Regeringsraad, een Volksvergadering, door het volk van het Vrije Gebied gekozen, en een Rechtsprekend Lichaam. Hun respectievelijke bevoegdheden zullen zij uitoefenen, krachtens de bepalingen van dit Statuut en van de Grondwet van het Vrije Gebied.

Artikel 10. Grondwet
1.

De Grondwet van het Vrije Gebied zal op democratische grondbeginselen berusten en zal met een meerderheid van 2/3 van de uitgebrachte stemmen, door een Constituerende Vergadering worden aangenomen. De Grondwet zal in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van dit Statuut. Zij zal pas van kracht worden na de toepassing van het Statuut.

2.

Indien de Gouverneur een of andere bepaling van de Grondwet, door de Constituerende Vergadering voorgesteld, of een amendement dat later in de Grondwet zou zijn aangebracht, in tegenstelling acht met het Statuut, zal hij zich kunnen verzetten tegen het van kracht worden hiervan, onder voorbehoud, dat hij hierover verslag uitbrengt aan de Veiligheidsraad, voor het geval de Vergadering zijn meningen niet deelt en zijn aanbevelingen niet aanvaardt.

Artikel 11. Benoeming van de Gouverneur
1.

De Gouverneur zal door de Veiligheidsraad benoemd worden, na overleg met de Zuidslavische en Italiaanse Regering. Hij zal noch de Zuidslavische, noch de Italiaanse nationaliteit mogen bezitten, noch burger van het Vrije Gebied mogen zijn. Hij zal voor een periode van vijf jaar benoemd worden en zijn mandaat zal verlengd kunnen worden. Zijn tractement en toelage zullen door de Verenigde Naties bekostigd worden.

2.

De Gouverneur zal zelf iemand kunnen uitkiezen, aan wie hij de bevoegdheid kan verlenen om zijn functie waar te nemen in het geval dat hij gedurende enige tijd afwezig zou moeten zijn of tijdelijk niet in staat zou zijn zijn functie uit te oefenen.

3.

Indien de Veiligheidsraad van oordeel is, dat de Gouverneur de verplichtingen van zijn ambt niet is nagekomen, kan hij hem schorsen, onder voorbehoud van behoorlijke garanties van onderzoek, en de gelegenheid voor de Gouverneur, om zich te doen horen, en hem uit zijn ambt te ontslaan. In geval van schorsing, ontslag, onbekwaamheid of overlijden van de Gouverneur, zal de Veiligheidsraad een ander persoon kunnen aanwijzen of benoemen, die de functie van Plaatsvervangend Gouverneur zal vervullen, totdat de Gouverneur weer in staat is zijn functie te hervatten of totdat een nieuwe Gouverneur zal zijn benoemd.

Artikel 12. Wetgevende Macht

De wetgevende macht zal uitgeoefend worden door een Volksvergadering, die slechts uit een kamer bestaat en op basis van evenredige vertegenwoordiging, door de burgers van beide sexe van het Vrije Gebied gekozen is. De verkiezingen voor de Volksvergadering zullen volgens algemeen, voor allen gelijk, rechtstreeks en geheim stemrecht gehouden worden.

Artikel 13. Regeringsraad
1.

Onder voorbehoud van de verantwoordelijkheid, luidens de bewoordingen van dit Statuut aan de Gouverneur toegekend, zal de uitvoerende macht in het Vrije Gebied uitgeoefend worden door een Regeringsraad, die gevormd wordt door de Volksvergadering en aan haar verantwoording verschuldigd is.

2.

De Gouverneur zal het recht hebben alle zittingen van de Regeringsraad bij te wonen. Hij zal zijn mening kunnen uiten over iedere kwestie die zijn verantwoordelijkheid raakt.

3.

Wanneer er door de Regeringsraad kwesties in behandeling zullen worden genomen, die de ambtsverantwoordelijkheid van het Hoofd van de Openbare Veiligheid en de Directeur van de Vrijhaven raken, zullen deze laatsten uitgenodigd worden de zittingen van de Raad bij te wonen en hun meningen uiteen te zetten.

Artikel 14. Uitoefening van de Rechterlijke Macht

De rechterlijke macht in het Vrije Gebied zal uitgeoefend worden door tribunalen, die ingesteld zijn overeenkomstig de Grondwet en de wetten van het Vrije Gebied.

Artikel 15. Vrijheid en Onafhankelijkheid van de Rechterlijke Macht

De Grondwet van het Vrije Gebied zal volledige vrijheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moeten garanderen en voorzien in een beroepsinstantie.

Artikel 16. Benoeming der leden van de Rechterlijke Macht
1.

De Gouverneur zal de leden van de rechterlijke macht benoemen, na deze gekozen te hebben uit de door de Regeringsraad gestelde candidaten of uit een groep andere mensen, en na raadpleging van de Regeringsraad, tenzij de Grondwet op andere wijze in de benoeming tot de rechterlijke functie voorziet; onder voorbehoud van de garanties, welke door de Grondwet zullen worden gegeven, zal de Gouverneur de leden van de rechterlijke macht kunnen ontslaan, indien hun gedrag onverenigbaar is met hun rechterlijke functie.

2.

De Volksvergadering kan bij een stemming met 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen, de Gouverneur uitnodigen, een onderzoek in te stellen naar iedere beschuldiging, uitgebracht tegen een van de leden der rechterlijke macht. Indien deze beschuldiging gegrond blijkt te zijn, zal zij schorsing of ontslag van de betrokkene met zich mee kunnen brengen.

Artikel 17. Verantwoordelijkheid van de Gouverneur tegenover de Veiligheidsraad
1.

In zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Veiligheidsraad, zal de Gouverneur verantwoordelijk zijn voor de controle op de toepassing van dit Statuut, in het bijzonder wat betreft de bescherming van de fundamentele rechten van de mens, en hij zal moeten verzekeren, dat de openbare orde en veiligheid door de Regering van het Vrije Gebied gehandhaafd blijven, overeenkomstig dit Statuut, de Grondwet en de wetten van het Vrije Gebied.

2.

De Gouverneur zal aan de Veiligheidsraad jaarlijkse rapporten uitbrengen over de toepassing van het Statuut en over de uitoefening van zijn functie.

Artikel 18. Rechten van de Volksvergadering

De Volksvergadering zal het recht hebben over te gaan tot onderzoek of bespreking van iedere aangelegenheid de belangen van het Vrije Gebied betreffende.

Artikel 19. Wetgeving
1.

In zake de wetgeving behoort het recht van initiatief toe aan de leden van de Volksvergadering en de Regeringsraad, evenals aan de Gouverneur, voor die aangelegenheden, welke naar zijn mening de verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad betreffen, zoals bepaald in artikel 2 van dit Statuut.

2.

Geen enkele wet zal van kracht kunnen worden, alvorens zij afgekondigd is. De afkondiging der wetten zal geschieden, overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet van het Vrije Gebied.

3.

Vóór de afkondiging zal iedere door de Volksvergadering aangenomen wet aan de Gouverneur worden voorgelegd.

4.

Indien de Gouverneur deze wet in strijd acht met het tegenwoordige Statuut, zal hij binnen tien dagen nadat deze wet hem is voorgelegd, deze, vergezeld van zijn op- en aanmerkingen aan de Volksvertegenwoordiging terugsturen. Indien de Gouverneur deze wet niet binnen de vastgestelde tien dagen terugstuurt, of indien hij, binnen hetzelfde tijdsbestek, de Volksvertegenwoordiging bericht, dat deze wet geen enkele op- of aanmerking zijnerzijds behoeft, zal deze onmiddellijk afgekondigd worden.

5.

Indien de Volksvergadering weigering te kennen geeft de door de Gouverneur teruggezonden wet in te trekken of deze te wijzigen, overeenkomstig de toelichtende en aanbevelende memorie van de Gouverneur, zal deze laatste, tenzij hij bereid mocht zijn zijn bezwaren in te trekken — en in dat geval zal de wet zonder uitstel afgekondigd worden — de aangelegenheid dadelijk aan de Veiligheidsraad voorleggen. De Gouverneur zal eveneens zonder uitstel iedere mededeling aan de Veiligheidsraad overbrengen, waarvan de Volksvergadering de Raad op de hoogte zou willen stellen.

6.

De wetten, die aan de Veiligheidsraad zullen zijn voorgelegd, krachtens de bepalingen van de vorige paragraaf, zullen slechts op bevel van de Veiligheidsraad afgekondigd worden.

Artikel 20. Rechten van de Gouverneur in zake bestuursmaatregelen
1.

De Gouverneur kan de Regeringsraad verzoeken de toepassing van bestuursmaatregelen te schorsen, welke naar zijn mening onverenigbaar zijn met zijn eigen verantwoordelijkheid, zoals deze bepaald is in het Statuut (contrôle op de toepassing van het Statuut; handhaving van de openbare orde en veiligheid; eerbied voor de rechten van de mens). Voor het geval de Regeringsraad bezwaren opwerpt, kan de Gouverneur de toepassing van deze bestuursmaatregelen schorsen en de Gouverneur of de Regeringsraad kunnen de aangelegenheid in haar geheel aan de Veiligheidsraad voorleggen, opdat deze hierover een beslissing neme.

2.

Wanneer zijn verantwoordelijkheid hierbij betrokken is, zoals deze door het Statuut is bepaald, kan de Gouverneur de Regeringsraad voorstellen elke bestuursmaatregel te nemen. Indien de Regeringsraad deze voorstellen niet aanvaardt, kan de Gouverneur, onverminderd de bepalingen van artikel 22 van dit Statuut, de aangelegenheid ter beslissing aan de Veiligheidsraad voorleggen.

Artikel 21. Begroting
1.

De Regeringsraad zal belast zijn met de voorbereiding van het begrotingsontwerp van het Vrije Gebied van de inkomsten en uitgaven en zal dit ontwerp aan de Volksvergadering moeten voorleggen.

2.

In het geval dat men een begrotingsperiode begint, zonder dat de begroting zoals het behoort door de Volksvergadering is aangenomen, zullen de begrotingsbepalingen van de voorafgaande periode toegepast worden op de nieuwe begrotingsperiode, totdat de nieuwe begroting zal zijn aangenomen.

Artikel 22. Bijzondere bevoegdheden van de Gouverneur
1.

Ten einde in staat te zijn zich overeenkomstig het Statuut te kwijten van zijn plichten tegenover de Veiligheidsraad, kan de Gouverneur in gevallen, die naar zijn mening uiterst dringend zijn en die de onafhankelijkheid of onaantastbaarheid van het Vrije Gebied en de openbare orde of de eerbied voor de rechten van de mens bedreigen, onmiddellijk daartoe geëigende maatregelen afkondigen en ten uitvoer laten brengen, onder voorbehoud, hierover onmiddellijk verslag uit te brengen aan de Veiligheidsraad. In een dergelijk geval, kan de Gouverneur, zo hij dit nodig acht, de leiding nemen van de Veiligheidsdiensten.

2.

De Volksvergadering kan een verzoekschrift indienen bij de Veiligheidsraad, ten aanzien van iedere handeling van de Gouverneur bij de uitoefening van zijn rechten, bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Artikel 23. Recht van gratie en van vermindering van straf

Het recht van gratie en van vermindering van straf, zal de Gouverneur toebehoren en zal door hem uitgeoefend worden, overeenkomstig de bepalingen, die in de Grondwet zullen worden opgenomen.

Artikel 24. Buitenlandse betrekkingen
1.

De Gouverneur zal er zorg voor dragen, dat de buitenlandse betrekkingen van het Vrije Gebied onderhouden zullen worden, overeenkomstig de bepalingen in het statuut van de Grondwet en de wetten van het Vrije Gied. De Gouverneur zal te dien einde het recht hebben zich te verzetten tegen het van kracht worden van verdragen of overeenkomsten, betreffende buitenlandse betrekkingen, die, naar zijn mening in strijd zijn met het Statuut, de Grondwet of de wetten van het Vrije Gebied.

2.

De verdragen en overeenkomsten, evenals erkenningen van en benoemingen tot consuls zullen door de Gouverneur en door een vertegenwoordiger van de Regeringsraad gezamenlijk ondertekend worden.

3.

Het Vrije Gebied zal partij kunnen zijn van internationale verdragen of kan lid worden van internationale organisaties, mits het doel van deze verdragen of organisaties zal zijn de economische, technische, culturele en sociale aangelegenheden te regelen, evenals die, welke betrekking hebben op de openbare gezondheid.

4.

Elke economische unie of elk economisch verbond, van exclusief karakter, met enige Staat, is onverenigbaar met het Statuut van het Vrije Gebied.

5.

Het Vrije Gebied zal de volle waarde van het Vredesverdrag met Italië erkennen en zal uitvoering geven aan die bepalingen van het Verdrag, welke voor dit Gebied van toepassing zijn. Het Vrije Gebied zal eveneens de volle waarde erkennen van andere overeenkomsten of regelingen, waartoe door de Geallieerde en Geassociëerde Mogendheden besloten is of besloten zal worden tot herstel van de vrede.

Artikel 25. Onafhankelijkheid van de Gouverneur en zijn Staf

In de uitoefening van hun functie, zullen de Gouverneur en zijn staf van geen enkele Regering of andere autoriteit, met uitzondering van de Veiligheidsraad aanwijzingen vragen of aannemen. Zij zullen zich van iedere handeling, die onverenigbaar is met hun positie van internationaal ambtenaar, onthouden en zijn uitsluitend verantwoordelijk aan de Veiligheidsraad.

Artikel 26. Benoeming en ontslag van Bestuursambtenaren
1.

De benoeming tot openbare betrekkingen in het Vrije Gebied zal uitsluitend geschieden op grond van bekwaamheid, bevoegdheid en onkreukbaarheid van de candidaten.

2.

De ambtenaren van de bestuurslichamen zullen slechts wegens onbevoegdheid of grove schuld ontslagen worden en dit ontslag zal slechts gegeven worden, onder voorbehoud van behoorlijke garanties van onderzoek en de mogelijkheid van de betrokkene om zich te doen horen, welke garanties bij de wet worden vastgesteld.

Artikel 27. Hoofd van de Veiligheid
1.

De Regeringsraad legt de Gouverneur een lijst voor van candidaten voor de betrekking van Hoofd van de Veiligheid. De benoeming van Hoofd van de Veiligheid geschiedt door de Gouverneur die deze na raadpleging van de Regeringsraad kiest uit de hem voorgestelde candidaten of uit andere personen. Hij kan eveneens, na raadpleging van de Regeringsraad, het Hoofd van de Veiligheid ontslaan.

2.

Het Hoofd van de Veiligheid zal noch de Zuidslavische, noch de Italiaanse nationaliteit mogen bezitten.

3.

Het Hoofd van de Veiligheid staat gewoonlijk onder het onmiddellijk Gezag van de Regeringsraad van wie hij aanwijzingen krijgt voor de aangelegenheden, welke onder zijn bevoegdheid vallen.

Artikel 28. Politiemacht
1.

Ter handhaving van de openbare orde en veiligheid overeenkomstig het Statuut, de Grondwet en de wetten van het Vrije Gebied, zal de Regering van het Vrije Gebied het recht hebben een politiemacht en Veiligheidsdiensten te onderhouden.

2.

De leden van de politie en van de Veiligheidsdiensten zullen door het Hoofd van de Veiligheid in dienst worden genomen en zullen door hem kunnen worden ontslagen.

Artikel 29. Plaatselijke Regering

De Grondwet van het Vrije Gebied zal, op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten voorzien in de oprichting van plaatselijke regeringsorganen volgens democratische beginselen, in het bijzonder die betreffende het algemeen, voor allen gelijk, rechtstreeks en geheim stemrecht.

Artikel 30. Muntstelsel

Het Vrije Gebied zal zijn eigen muntstelsel hebben.

Artikel 31. Spoorwegen

Het Vrije Gebied zal, onverminderd zijn eigendomsrecht van de spoorwegen binnen zijn grenzen, en zijn contrôle op het beheer hiervan, met Zuidslavië en Italië overeenkomsten kunnen sluiten om een redelijke en economische exploitatie van zijn spoorwegen te verzekeren. Dergelijke overeenkomsten zullen de verantwoordelijkheid bepalen voor de exploitatie van de spoorlijnen, respectievelijk in de richting van Zuidslavië of van Italië, evenals voor de exploitatie van het beginpunt van de spoorlijn van Triëst en voor de gemeenschappelijk in gebruik zijnde delen van de lijnen. In dat laatste geval, zal de exploitatie verzekerd kunnen worden door een bijzondere commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van het Vrije Gebied, Zuidslavië en Italië, onder het voorzitterschap van de vertegenwoordiger van het Vrije Gebied.

Artikel 32. Commerciële Luchtvaart
1.

De handelsvliegtuigen, ingeschreven op het grondgebied van een lid van de Verenigde Naties, die dezelfde rechten op haar grondgebied toekent aan de in het Vrije Gebied ingeschreven handelsvliegtuigen, zullen van die rechten genieten, welke aan de internationale commerciële luchtvaart zijn toegekend, in het bijzonder van het recht om te landen voor het innemen van brandstof en proviand of voor herstellingswerkzaamheden, van het recht om, zonder tussenlanding, het Vrije Gebied over te vliegen en om voor het luchtverkeer gebruik te maken van de vliegvelden, welke door de bevoegde autoriteiten van het Vrije Gebied zullen kunnen worden aangewezen.

2.

Deze rechten zullen aan geen andere beperkingen onderworpen zijn dan aan die, welke zonder discriminatie door de van kracht zijnde wetten en reglementen in het Vrije Gebied en in de betrokken landen zijn opgelegd of die voortspruiten uit het bijzondere karakter van het Vrije Gebied, zijnde neutraal en gedemilitariseerd.

Artikel 33. Inschrijving der Schepen
1.

Het Vrije Gebied is bevoegd registers te openen voor de inschrijving van schepen en vaartuigen, die toebehoren aan de Regering van het Vrije Gebied of aan natuurlijke personen of organisaties, die hun domicilie in het Vrije Gebied hebben.

2.

Op verzoek van de regeringen van Tsjecho-Slowakije en Zwitserland, zal het Vrije Gebied speciale scheepsregisters openen voor Tsjechoslowaakse en Zwitserse schepen en vaartuigen. Na de sluiting onderscheidenlijk van het Vredesverdrag met Hongarije en het verdrag voor het herstel van Oostenrijks onafhankelijkheid, zal het Vrije Gebied onder dezelfde voorwaarden speciale scheepsregisters openen voor Hongaarse en Oostenrijkse schepen en vaartuigen. De schepen en vaartuigen, in deze registers ingeschreven zullen de vlag van hun respectievelijke landen voeren.

3.

De Regering van het Vrije Gebied zal, uitvoering gevend aan bovengenoemde bepalingen en onder voorbehoud van elk internationaal verdrag, dat dienaangaande en met haar deelname zou worden gesloten, zodanige voorwaarden kunnen stellen voor de inschrijving en handhaving in of de doorhaling uit de registers, dat deze ieder misbruik, waartoe de aldus toegestane faciliteiten aanleiding mochten geven, zullen verhinderen. In het bijzonder wat betreft de schepen en vaartuigen, ingeschreven overeenkomstig lid 1 hierboven, zal de inschrijving beperkt worden tot die schepen en vaartuigen, welke door het Vrije Gebied beheerd worden en die geregeld diensten verrichten in het belang van het Vrije Gebied. Voor de schepen en vaartuigen, die overeenkomstig lid 2 zijn ingeschreven, zal de inschrijving beperkt worden tot die schepen en vaartuigen, welke Triëst tot thuishaven hebben en die respectievelijk regelmatig en blijvend, diensten voor hun land verrichten door de haven van Triëst.

Artikel 34. Vrijhaven

In het Vrije Gebied zal een vrijhaven geschapen worden, welke zal worden beheerd overeenkomstig de bepalingen van een Internationale Regeling, welke opgemaakt is door de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken en goedgekeurd door de Veiligheidsraad. De tekst van deze regeling komt als bijlage voor in dit Verdrag (Bijlage VIII). De Regering van het Vrije Gebied zal de daartoe geëigende wetgeving in werking doen treden en zal alle maatregelen treffen, nodig voor de tenuitvoerlegging van deze regeling.

Artikel 35. Vrijheid van Transito Vervoer

Door het Vrije Gebied en de Staten door wier gebied het vervoer plaats vindt, zal, overeenkomstig de gebruikelijke internationale bepalingen, de vrijheid van transito-vervoer verzekerd worden van die goederen, welke per spoor tussen de Vrijhaven en de Staten, welke aan deze spoorlijn liggen, vervoerd worden, zonder discriminatie, zonder douanerechten of andere belastingen dan die welke voor verleende diensten geheven zouden worden.

Artikel 36. Uitlegging van het Statuut

Behalve in die gevallen, waarin door een artikel van dit Statuut een andere procedure uitdrukkelijk is voorzien, zal elk geschil betreffende de uitlegging of de uitvoering van het Statuut, dat niet door rechtstreekse onderhandelingen is opgelost, tenzij de partijen onderling een andere wijze van regeling overeenkomen, op verzoek van een der partijen voorgelegd worden aan een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van elke partij en een derde lid, dat in gemeenschappelijk overleg door beide partijen uit de onderdanen van een derde land gekozen wordt. Mochten de partijen er niet in slagen binnen een maand een derde lid te benoemen, dan zal elk der partijen de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties kunnen verzoeken, zich met die benoeming te belasten. De uitspraak van de meerderheid der leden van de Commissie zal als de uitspraak van de Commissie worden beschouwd en door beide partijen als beslissend en bindend worden geacht.

Artikel 37. Wijziging van het Statuut

Dit Statuut houdt in het Permanente Statuut van het Vrije Gebied, onder voorbehoud van iedere wijziging, die de Veiligheidsraad hier later in zal kunnen aanbrengen. De Volksvergadering zal na een stemming met 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen een verzoekschrift om wijziging van het Statuut bij de Veiligheidsraad kunnen indienen.

Artikel 38. Van kracht worden van het Statuut

Dit Statuut zal van kracht worden op de datum, welke zal worden vastgesteld door de Veiligheidsraad der Verenigde Naties.

De bepalingen van deze regeling zullen van toepassing zijn op het beheer van het Vrije Gebied van Triëst, in afwachting van de inwerkingtreding van het Permanente Statuut.

Artikel 1

De Gouverneur zal, zo spoedig mogelijk na het van kracht worden van het Vredesverdrag, in het Vrije Gebied in functie treden. Tot aan het in functie treden van de Gouverneur, zal het Vrije Gebied bestuurd blijven door de Geallieerde militaire bevelhebbers, die ieder in hun respectievelijke sector optreden.

Artikel 2

Met het aanvaarden van zijn functie in het Vrije Gebied zal de Gouverneur het recht hebben, uit door hem gekozen personen, die hun domicilie in het Vrije Gebied hebben, en na raadpleging van de Zuidslavische en Italiaanse Regeringen, een Voorlopige Regeringsraad samen te stellen. De Gouverneur zal zo dikwijls hij zulks nodig acht, gerechtigd zijn de samenstelling van de Voorlopige Regeringsraad te wijzigen. De Gouverneur en de Voorlopige Regeringsraad zullen hun functie uitoefenen, overeenkomstig de bepalingen van het Permanente Statuut, naar gelang deze van toepassing blijken te zijn en voor zover zij niet door de bepalingen van deze regeling worden vervangen. Gelijkerwijs zullen alle andere bepalingen van het Permanente Statuut voor de duur van het voorlopig bewind van toepassing zijn, naar gelang zij toepasselijk blijken te zijn en voor zover de bepalingen van deze regeling hier niet in voorzien. De Gouverneur zal zich in zijn handelingen voornamelijk laten leiden door de zorg voor de behoeften en het welzijn van de bevolking.

Artikel 3

De zetel van de Regering zal in Triëst gevestigd zijn.

De Gouverneur zal zijn rapporten rechtstreeks uitbrengen aan de President van de Veiligheidsraad, en zal, door zijn bemiddeling, de Raad alle nodige inlichtingen verschaffen over het bestuur van het Vrije Gebied.

Artikel 4

De eerste plicht van de Gouverneur zal zijn zorg te dragen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Hij zal een voorlopig Hoofd van Politie benoemen, die de politiemacht en de Veiligheidsdiensten zal reorganiseren en leiden.

Artikel 5

a). Na het van kracht worden van dit Verdrag zal de sterkte van de gestationneerde troepen in het Vrije Gebied niet het getal van 5000 man voor het Verenigd Koninkrijk, 5000 man voor de Verenigde Staten van Amerika, en 5000 man voor Zuidslavië overschrijden.

b). Deze troepen zullen ter beschikking van de Gouverneur worden gesteld voor een periode van negentig dagen, nadat hij in het Vrije Gebied in functie is getreden. Na verloop van die periode, zullen deze troepen niet langer ter beschikking van de Gouverneur staan, en zij zullen, binnen een daarbij aansluitende periode van vijf en veertig dagen, uit het Gebied teruggetrokken worden, tenzij de Gouverneur de Veiligheidsraad bericht, dat hij het in het belang van het Gebied nodig acht deze troepen geheel of gedeeltelijk aan te houden. In het laatste geval, zullen de door de Gouverneur gevorderde troepen, gedurende ten hoogste vijf en veertig dagen aangehouden worden, na het tijdstip waarop de Gouverneur de Veiligheidsraad zal hebben bericht, dat de Veiligheidsdiensten, zonder hulp van vreemde troepen de inwendige orde en rust van het Gebied kunnen verzekeren.

c). Het terugtrekken van de troepen, zoals voorzien in lid b), zal op zodanige wijze moeten geschieden, dat de verhouding tussen de troepen van de drie betrokken Mogendheden, voorzien in lid a), zoveel mogelijk gehandhaafd blijft.

Artikel 6

De Gouverneur zal te allen tijde het recht hebben de hulp van de bevelhebbers van deze contingenten in te roepen en die hulp zal hem onverwijld verleend worden. De Gouverneur zal, zo mogelijk voor ieder geval de betrokken militaire bevelhebbers raadplegen, alvorens zelf aanwijzingen te geven, maar in de uitvoering van die aanwijzingen zal hij zich niet bemoeien met de militaire maatregelen, die ten opzichte van de gewapende macht genomen zijn. Iedere hoofdbevelhebber heeft het recht om aan zijn Regering rapport uit te brengen over de aanwijzingen die hij van de Gouverneur zal hebben ontvangen en hij zal de Gouverneur van de inhoud van deze rapporten op de hoogte stellen. De Regering, die hierbij betrokken is, zal het recht hebben te weigeren, dat haar troepen deelnemen aan de onderhavige operatie en zal de Veiligheidsraad van haar weigering op de hoogte stellen.

Artikel 7

Er zullen de nodige bepalingen vastgesteld worden wat betreft de garnizoenen, de administratie en voorziening van de militaire contingenten, na overeenstemming van de Gouverneur en de bevelhebbers van deze contingenten, die door het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika en Zuidslavië beschikbaar zijn gesteld.

Artikel 8

De Gouverneur zal, in overleg met de Voorlopige Regeringsraad, belast zijn met de organisatie van de verkiezingen der leden van de Constituerende Vergadering, overeenkomstig de voorwaarden, die voor de verkiezingen van de Volksvergadering door het Statuut zijn voorgeschreven.

De verkiezingen zullen ten laatste vier maanden na het in functie treden van de Gouverneur plaats vinden. In het geval, dat het om technische redenen niet mogelijk zou zijn, de verkiezingen binnen dit tijdsbestek te houden, zal de Gouverneur hierover verslag uitbrengen aan de Veiligheidsraad.

Artikel 9

De Gouverneur zal, in overleg met de Voorlopige Regeringsraad, de voorlopige begroting vaststellen, evenals de voorlopige programma's voor de in- en uitvoer, en zal zich er van vergewissen, dat de nodige maatregelen betreffende het beheer der financiën van het Vrije Gebied, door de Voorlopige Regeringsraad genomen worden.

Artikel 10

De bestaande wetten en reglementen zullen van kracht blijven, tenzij deze afgeschaft of door de Gouverneur geschorst worden. De Gouverneur zal het recht hebben de bestaande wetten en reglementen te wijzigen, alsook nieuwe wetten en reglementen uit te vaardigen, in overeenstemming met de meerderheid van de Voorlopige Regeringsraad. Deze gewijzigde wetten en reglementen, deze nieuwe wetten en reglementen, alsook de handelingen van de Gouverneur, die de wetten en reglementen afschaft of schorst, zullen geldig zijn, tenzij deze gewijzigd, ingetrokken of vervangen zijn, bij besluit van de Volksvergadering of van de Regeringsraad, die ieder op eigen terrein optreden na het van kracht worden der Grondwet.

Artikel 11

In afwachting van de instelling van een afzonderlijk muntstelsel voor het Vrije Gebied, zal de Italiaanse lire het wettige betaalmiddel blijven in het Vrije Gebied.

De Italiaanse Regering zal het Vrije Gebied van de nodige buitenlandse betaalmiddelen en deviezen voorzien, op voorwaarden die niet minder gunstig zullen zijn dan die welke in Italië van kracht zijn.

Italië en het Vrije Gebied zullen een overeenkomst sluiten om uitvoering te geven aan bovengenoemde bepalingen en om regelingen tussen beide Regeringen, die nodig zouden kunnen zijn, te ontwerpen.

Artikel 1
1.

Om de internationale handel en het gebruik van de haven en de faciliteiten voor het transitovervoer van Triëst, overeenkomstig de gebruiken in andere vrijhavens van de wereld, aan Zuidslavië, Italië en de Staten van Midden-Europa op voet van gelijkheid te verzekeren:

2.

Het internationale bewind van de Vrijhaven zal vastgesteld worden door de bepalingen van deze regeling.

Artikel 2
1.

De Vrijhaven zal als openbare instelling van het Vrije Gebied worden opgericht en als zodanig worden bestuurd; zij zal volledige rechtspersoonlijkheid hebben en dienst doen overeenkomstig de bepalingen van deze regeling.

2.

Alle Italiaanse staats- en semi-staatseigendommen, welke zich binnen het gebied van de Vrijhaven bevinden en, luidens de bepalingen van dit Verdrag, door het Vrije Gebied zijn verkregen, zullen zonder betaling naar de Vrijhaven worden overgebracht.

Artikel 3
1.

De Vrijhaven zal het gebied en de installaties omvatten van de vrije gebieden van de haven van Triëst binnen de grenzen van 1939.

2.

Het instellen van bijzondere zones in de Vrijhaven, die uitsluitend vallen onder de rechtsbevoegdheid van welke Staat ook, is onverenigbaar met het Statuut van het Vrije Gebied en dat van de Vrijhaven.

3.

Ten einde evenwel aan de bijzondere behoeften van de Zuidslavische en Italiaanse scheepvaart in de Adriatische Zee te voldoen, zal de Directeur van de Vrijhaven, op verzoek van de Zuidslavische of Italiaanse Regering en op gelijkluidend advies van de Internationale Commissie, bedoeld in artikel 21, het uitsluitend gebruik van ligplaatsen in bepaalde delen van het gebied der Vrijhaven, kunnen bestemmen voor de handelsschepen die de vlag van een dezer beide Staten voeren.

4.

In het geval dat het noodzakelijk mocht zijn het gebied van de Vrijhaven te vergroten, zal dit geschieden op voorstel van de Directeur der Vrijhaven, bij besluit van de Regeringsraad en met instemming van de Volksvertegenwoordiging.

Artikel 4

Behoudens strijdige bepalingen van deze regeling, zullen de in het Vrije Gebied van kracht zijnde wetten en reglementen van toepassing zijn op personen en goederen binnen het genoemde gebied van de Vrijhaven, en de autoriteiten, belast met de toepassing hiervan, zullen hun functie binnen het genoemde gebied uitoefenen.

Artikel 5
1.

Handelsschepen en goederen uit alle landen zullen onbelemmerde toegang hebben tot de Vrijhaven voor het laden en lossen, zowel wat betreft de transito-goederen, als de goederen met bestemming voor of afkomstig uit het Vrije Gebied.

2.

Met de in- en uitvoer of het transito-vervoer van goederen via de Vrijhaven, zullen de autoriteiten van het Vrije Gebied noch douanerechten, noch andere belastingen heffen, dan die welke voor verleende diensten geheven worden.

3.

Op die goederen evenwel, welke door de Vrijhaven zijn ingevoerd voor verbruiksdoeleinden binnen het Vrije Gebied, of die van dit Gebied door de Vrijhaven zijn uitgevoerd, zullen de desbetreffende wetten en reglementen, die in het Vrije Gebied van kracht zijn, toegepast worden.

Artikel 6

Het opslaan van waren in entrepôt of in pakhuizen, onderzoeken, sorteren, inpakken en alle soortgelijke werkzaamheden, die gewoonlijk in de vrije zones van de haven van Triëst worden uitgevoerd, zullen in de Vrijhaven worden toegestaan, overeenkomstig het algemene reglement, dat is vastgesteld door de Directeur der Vrijhaven.

Artikel 7
1.

De Directeur van de Vrijhaven zal eveneens de eerste bewerking van goederen binnen het gebied der Vrijhaven kunnen toestaan.

2.

Andere industriële werkzaamheden zullen binnen het gebied der Vrijhaven aan die ondernemingen worden toegestaan, welke reeds voor het van kracht worden van deze Regeling in de Vrije Gebieden van de haven van Triëst bestonden. Op voorstel van de Directeur der Vrijhaven, zal de Regeringsraad de vestiging van nieuwe industriële ondernemingen binnen het gebied der Vrijhaven kunnen toestaan.

Artikel 8

De autoriteiten van het Vrije Gebied zullen het recht hebben in de Vrijhaven, voor zover dit nodig is, contrôle uit te oefenen, opdat de douane- of andere in het Vrije Gebied ingestelde reglementen worden nagekomen, ten einde de smokkelhandel te verhinderen.

Artikel 9
1.

De autoriteiten van het Vrije Gebied zullen bevoegd zijn de havenrechten vast te stellen en te heffen.

2.

De Directeur van de Vrijhaven zal het bedrag van alle retributies vaststellen, voor het gebruik van de haveninstallaties en de diensten der Vrijhaven. Deze retributies zullen redelijk moeten zijn en moeten overeenkomen met de kosten voor de exploitatie, het beheer, onderhoud en de ontwikkeling van de Vrijhaven.

Artikel 10

Voor de vaststelling en heffing in de Vrijhaven van havenrechten en andere retributies bedoeld in artikel 9, alsmede voor het verlenen van diensten en het gebruik van de installaties der Vrijhaven, zal er geen enkele discriminerende maatregel op grond van de nationaliteit der schepen, het eigendom der goederen, of om enige andere reden worden toegestaan.

Artikel 11

Bij het binnenkomen en het verlaten van het gebied der Vrijhaven, zal al het passagiersverkeer zijn onderworpen aan een regeling, welke door de autoriteiten van het Vrije Gebied is vastgesteld. Deze regeling zal echter op zodanige wijze worden vastgesteld, dat het verkeer naar en van de Vrijhaven van personen van welke nationaliteit ook, die in het gebied der Vrijhaven wettelijk geoorloofde bezigheden uitoefenen, niet op onredelijke wijze belemmerd wordt.

Artikel 12

De algemene en bijzondere reglementen, die in de Vrijhaven gelden alsmede de tarieven van de te heffen retributies, zullen gepubliceerd moeten worden.

Artikel 13

De kustvaart en de binnenvaart binnen het Vrije Gebied, zal beheerst worden overeenkomstig de regelingen, uitgevaardigd door de autoriteiten van het Vrije Gebied, terwijl de bepalingen van deze regeling beschouwd zullen worden als aan deze autoriteiten in dit opzicht geen enkele beperking opleggend.

Artikel 14

De maatregelen ter bescherming van de gezondheid, alsmede bepalingen ter bestrijding van dieren- en plantenziekten, met betrekking tot schepen en ladingen, zullen worden toegepast binnen de Vrijhaven door de autoriteiten van het Vrije Gebied.

Artikel 15

De autoriteiten van het Vrije Gebied zullen gehouden zijn aan de Vrijhaven water, gas, licht en electriciteit, aansluitingen en reinigingsinstallaties te leveren, en andere openbare diensten te verlenen, alsmede voor politie en brandweer te zorgen.

Artikel 16
1.

Het transitovervoer zal, overeenkomstig de gebruikelijke internationale verdragen, door het Vrije Gebied en de Staten, door wier gebied het vervoer plaats vindt, verzekerd worden aan die goederen, welke per spoor tussen de Vrijhaven en de Staten, die daar aldus mee in verbinding staan, vervoerd worden, zonder enige discriminatie, zonder douanerechten of andere belastingen, dan die welke voor verleende diensten geheven zouden worden.

2.

Het Vrije Gebied en de Staten, die de verplichtingen, voortvloeiende uit deze regeling op zich nemen en op wier gebied dit transitovervoer in beide richtingen plaats vindt, zullen al het mogelijke doen om in ieder opzicht de snelheid en de goede gang van zaken van dit verkeer tegen een redelijke prijs te bevorderen; aangaande het vervoer van goederen naar of van de Vrijhaven, zullen zij geen enkele discriminerende maatregel nemen op het gebied van tarieven, of van diensten en reglementen de douane, gezondheidszorg, politie of dergelijke betreffend.

3.

De Staten, die de verplichtingen, voortvloeiende uit deze regeling, op zich nemen, zullen geen enkele maatregel nemen, betreffende reglementen of tarieven, die het verkeer van de Vrijhaven op kunstmatige wijze zou kunnen verleggen ten bate van andere zeehavens. De door de Zuidslavische Regering genomen maatregelen om het verkeer naar de havens van Zuidelijk Zuid-Slavië te regelen, zullen niet als maatregelen worden beschouwd, bedoeld om het verkeer op kunstmatige wijze te verleggen.

Artikel 17

Het Vrije Gebied en de Staten, die de verplichtingen, voortvloeiende uit deze regeling op zich nemen, zullen in hun respectievelijke gebieden en zonder discriminatie de vrijheid van post-, telegraaf- en telefoonverbindingen, overeenkomstig de gewone internationale verdragen, tussen het gebied van de Vrijhaven en elk ander land toestaan voor al het verkeer van of naar het gebied van de Vrijhaven.

Artikel 18
1.

De Vrijhaven zal beheerd worden door de Directeur der Vrijhaven, die haar als rechtspersoon zal vertegenwoordigen. De Regeringsraad zal de Gouverneur een lijst voorleggen van candidaten, die in aanmerking komen voor de betrekking van Directeur der Vrijhaven. De Gouverneur zal de Directeur benoemen, na deze gekozen te hebben uit de aan hem voorgestelde candidaten en na raadpleging van de Regeringsraad. In geval van meningsverschil, zal de aangelegenheid aan de Veiligheidsraad worden voorgelegd. De Gouverneur zal eveneens, op aanbeveling van de Internationale Commissie of van de Regeringsraad, de Directeur kunnen ontslaan.

2.

De Directeur zal noch de Zuidslavische, noch de Italiaanse nationaliteit mogen bezitten.

3.

Alle andere beambten van de Vrijhaven zullen door de Directeur benoemd worden. Er zal voor alle benoemingen van personeel voorkeur gegeven worden aan de onderdanen van het Vrije Gebied.

Artikel 19

Onder voorbehoud van de bepalingen van deze regeling, zal de Directeur der Vrijhaven alle redelijke en nodige maatregelen nemen voor het beheer, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van de Vrijhaven en er een goed functionnerende haven van maken, die in staat is op snelle wijze al het verkeer te verwerken. Hij zal in het bijzonder verantwoordelijk zijn voor de uitvoering in de Vrijhaven van havenwerken van allerlei soort, hij zal de exploitatie van de haveninstallaties en de verdere havenuitrusting leiden; hij zal, overeenkomstig de wetten van het Vrije Gebied, de arbeidsvoorwaarden in de Vrijhaven bepalen, en zal eveneens toezien op de uitvoering binnen de Vrijhaven van de besluiten en reglementen van de autoriteiten van het Vrije Gebied betreffende de scheepvaart.

Artikel 20
1.

De Directeur van de Vrijhaven zal zodanige algemene en bijzondere bepalingen uitvaardigen, welke hij nodig acht bij de uitvoering van zijn functie, die hem is opgedragen luidens de bewoordingen van het vorige artikel.

2.

Hij zal de zelfstandige begroting van de Vrijhaven vaststellen; deze begroting zal goedgekeurd en beheerd worden overeenkomstig de wetgeving, die wordt vastgesteld door de Volksvergadering van het Vrije Gebied.

3.

De Directeur van de Vrijhaven zal aan de Gouverneur en de Regeringsraad van het Vrije Gebied, een jaarlijks rapport uitbrengen over de functionnering van de haven. Er zal een afschrift van dit rapport aan de Internationale Commissie worden toegezonden.

Artikel 21
1.

Er zal een Internationale Commissie voor de Vrijhaven opgericht worden, hierna „de Internationale Commissie” genoemd, die bestaat uit een vertegenwoordiger van het Vrije Gebied en van elk der volgende Staten: de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Unie van de Socialistische Sowjet-Republieken, de Federale Volksrepubliek van Zuidslavië, Italië, Polen, Tsjecho-Slowakije, Zwitserland, Oostenrijk, Hongarije, op voorwaarde, dat de betreffende Staat de verplichtingen, voortvloeiende uit deze regeling, op zich genomen heeft.

2.

De vertegenwoordiger van het Vrije Gebied zal permanent voorzitter van de Internationale Commissie zijn. In geval van verdeeldheid van stemmen, zal de stem van de voorzitter beslissend zijn.

Artikel 22

De Internationale Commissie zal haar zetel hebben binnen de grenzen van de Vrijhaven. Haar lokalen en werkzaamheden zullen niet onder de rechtsbevoegdheid vallen van enige plaatselijke autoriteit. De leden en ambtenaren van de Internationale Commissie zullen in het Vrije Gebied van de voorrechten en immuniteiten genieten, welke nodig zijn voor de vrije uitoefening van hun functie. De Internationale Commissie zal haar eigen secretariaat organiseren, de beslissing hebben over haar procedure en haar begroting vaststellen. De gemeenschappelijke uitgaven van de Internationale Commissie zullen op billijke wijze verdeeld worden tussen de Staten die vertegenwoordigd zijn, volgens de verhoudingen, die zij in de Internationale Commissie hebben aanvaard.

Artikel 23

De Internationale Commissie zal gerechtigd zijn om tot het onderzoek of de bestudering over te gaan van alle aangelegenheden betreffende de exploitatie, het gebruik en het beheer van de Vrijhaven of van de technische aspecten van het transito-vervoer tussen de Vrijhaven en de Staten, waarheen dit vervoer plaats vindt, waarbij inbegrepen de standaardisering van voor het verkeer gebruikte methodes.

De Internationale Commissie zal optreden hetzij ambtshalve, hetzij wanneer deze aangelegenheden onder haar aandacht zullen zijn gebracht door enige Staat, door het Vrije Gebied of door de Directeur van de Vrijhaven. De Internationale Commissie zal haar gevoelen of aanbevelingen betreffende deze aangelegenheden aan de belanghebbende Staat of Staten, aan het Vrije Gebied, of aan de Directeur van de Vrijhaven te kennen geven.

Deze aanbevelingen zullen in beschouwing worden genomen en de nodige maatregelen zullen worden getroffen. Indien evenwel het Vrije Gebied of de belanghebbende Staat of Staten deze maatregelen onverenigbaar achten met de bepalingen van deze regeling, zal de aangelegenheid, op verzoek van het Vrije Gebied of van een der belanghebbende Staten, geregeld kunnen worden overeenkomstig de procedure, bepaald in artikel 24.

Artikel 24

Elk geschil, betreffende de uitleg of de uitvoering van deze regeling, dat niet door rechtstreekse onderhandelingen wordt opgelost, zal, tenzij de partijen onderling een andere wijze van oplossing overeenkomen, op verzoek van een der bij het geschil betrokken partijen, verwezen worden naar een Commissie, bestaande uit een vertegenwoordiger van elke partij en een derde lid, dat in gemeenschappelijk overleg door beide partijen uit de onderdanen van een derde land gekozen wordt. Mochten de partijen er niet in slagen binnen een maand een derde lid te benoemen, dan zal elk der partijen de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties kunnen verzoeken zich met die benoeming te belasten. De uitspraak van de meerderheid der leden van de Commissie zal beschouwd worden als de uitspraak van de Commissie en zal door beide partijen beslissend en bindend worden geacht.

Artikel 25

Voorstellen van wijziging van deze regeling zullen aan de Veiligheidsraad kunnen worden voorgelegd door de Regeringsraad van het Vrije Gebied of door minstens drie van de Staten, vertegenwoordigd in de Internationale Commissie. Elke wijziging, die goedgekeurd is door de Veiligheidsraad, zal van kracht worden op de door de Veiligheidsraad vastgestelde datum.

Artikel 26

In de zin van deze regeling, zal een Staat beschouwd worden de verplichtingen van genoemde regeling op zich te hebben genomen, als hij partij is bij het Vredesverdrag met Italië of als hij bij de Regering der Franse Republiek te kennen heeft gegeven deze verplichtingen op zich te nemen.

En foi de quoi, les Plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures et leurs cachets au bas du présent Traité.

Fait à Paris, le dix février, mille neuf cent quarante-sept, en langue française, anglaise, russe et italienne.