← Geldende tekst · Geschiedenis

Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Geldende tekst a fecha 2009-08-29

Preambule

wij, de ACS-staten (staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) in Oostelijk en Zuidelijk Afrika, samen de OZA-groep en zijn afzonderlijke lidstaten uitmakend, enerzijds, en de Europese Gemeenschap (EG) en haar lidstaten, anderzijds;

gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de EG en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend op 23 juni 2000, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd, het Verdrag inzake de gemeenschappelijke markt van Oostelijk en Zuidelijk Afrika (Comesa), ondertekend op 5 november 1993, het Verdrag inzake de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC), ondertekend op 17 augustus 1992, en het handelsprotocol hierbij, het Verdrag inzake de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, ondertekend op 30 november 1999, en het Oprichtingsverdrag van de Afrikaanse Unie, ondertekend en goedgekeurd op 11 juli 2002;

gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

mede gelet op het besluit van de achtste top van de Comesa-autoriteit van staatshoofden en regeringsleiders, gehouden in Khartoem, Sudan, op 17 maart 2003, over de vaststelling van de OZA-groepering voor de onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) met de Europese Unie (EU);

overwegende dat de OZA-staten en de EG en haar lidstaten zijn overeengekomen dat hun samenwerking op economisch en handelsgebied erop gericht moet zijn de soepele, geleidelijke integratie van de OZA-staten in de wereldeconomie met inachtneming van hun beleidskeuzen, hun ontwikkelingsniveau en hun ontwikkelingsprioriteiten te stimuleren en zo hun duurzame ontwikkeling te bevorderen en bij te dragen aan de uitroeiing van armoede in de OZA-staten;

opnieuw uitdrukking gevende aan hun streven de economische, culturele en sociale ontwikkeling van de OZA-staten te bevorderen en te bespoedigen, om zo een bijdrage te leveren aan vrede en veiligheid en een stabiel, democratisch politiek klimaat te bevorderen, dat gunstig is voor een duurzame nationale en regionale ontwikkeling;

opnieuw bevestigend dat de EPO in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen en beginselen van de Overeenkomst van Cotonou, in het bijzonder met deel 3, titel II;

opnieuw bevestigend dat de EPO een ontwikkelingsinstrument moet zijn, een duurzame groei moet bevorderen, de productie- en aanbodcapaciteit van de OZA-staten moet verhogen, de structurele hervorming van de OZA-economieën en hun diversificatie en concurrentievermogen moet stimuleren en moet leiden tot ontwikkeling van de handel, het aantrekken van investeringen en technologie en het scheppen van werkgelegenheid in de OZA-staten;

herinnerend aan de verbintenissen van de internationale gemeenschap inzake de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, opgenomen in de VN-Verklaring van september 2000;

opnieuw bevestigend dat alleen vorderingen bij de ontwikkelingsagenda kunnen worden geboekt wanneer er sprake is van echte internationale samenwerking en een volledige tenuitvoerlegging van de verbintenissen die zijn overeengekomen bij de conferenties van Rio, Peking, Kopenhagen, Caïro en Monterrey en die zijn neergelegd in de actieprogramma's ten behoeve van de minst ontwikkelde landen (MOL's), de niet aan zee grenzende ontwikkelingslanden (LLDC's) en de kleine insulaire ontwikkelingslanden (SIDS);

gedachtig aan de rechten en plichten van de leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), het belang dat partijen hechten aan de beginselen en regels van de internationale handel en de noodzaak van een transparant, voorspelbaar, open en rechtvaardig multilateraal handelssysteem;

nogmaals wijzend op de noodzaak bijzondere aandacht te besteden aan regionale integratie en aan een speciale, gedifferentieerde behandeling van alle OZA-staten, de minst ontwikkelde OZA-staten hun speciale behandeling te laten behouden, en terdege rekening te houden met de positie van kleine OZA-economieën, die kwetsbaar zijn omdat zij geen toegang tot de zee hebben, een eiland zijn, aan zee liggen, met droogte te kampen hebben of uit een conflictsituatie komen;

in het bewustzijn dat aanzienlijke investeringen nodig zijn om de levensstandaard van de OZA-staten te verhogen;

herinnerend aan de verbintenissen van de partijen in het kader van de WTO,

zijn als volgt overeengekomen:1)[Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Bijlagen bij Protocol 1 liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en zijn gepubliceerd in Pb. EU 2012, L 111.]

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Werkingssfeer van de tussentijdse overeenkomst

Bij deze tussentijdse overeenkomst wordt een kader voor een economische partnerschapsovereenkomst, hierna „EPO” genoemd, vastgesteld.

Artikel 2. Algemene EPO-doelstellingen

De doelstellingen van de economische partnerschapsovereenkomst zijn als volgt:

Artikel 3. Specifieke doelstellingen van deze overeenkomst
1.

In overeenstemming met de artikelen 34 en 35 van de Overeenkomst van Cotonou zijn de doelstellingen van deze overeenkomst:

2.

De partijen verbinden zich ertoe de onderhandelingen te voltooien met het oog op de sluiting, uiterlijk op 31 december 2008, van een volledige EPO, onder meer over de in lid 1, onder b) en c), genoemde onderwerpen, in overeenstemming met de gemeenschappelijke routekaart die de partijen op 7 februari 2004 zijn overeengekomen.

Artikel 4. Beginselen

De beginselen van deze overeenkomst op basis waarvan de onderhandelingen tussen de partijen over een volledige EPO zullen worden voortgezet, zijn:

HOOFDSTUK II. HANDELSREGELING VOOR GOEDEREN

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 5. Doelstellingen

De samenwerking op handelsgebied heeft de volgende doelstellingen:

Artikel 6. Werkingssfeer
1.

Alleen de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten gaan verbintenissen uit hoofde van dit hoofdstuk aan.

2.

De verbintenissen van de EG uit hoofde van dit hoofdstuk hebben alleen betrekking op goederen van oorsprong uit de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en voor besluiten die uit hoofde van dit hoofdstuk worden goedgekeurd, heeft elke verwijzing naar de overeenkomstsluitende OZA-staten of naar goederen van oorsprong uit de overeenkomstsluitende OZA-staten alleen betrekking op de in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staten.

4.

Wanneer een niet in bijlage II opgenomen overeenkomstsluitende OZA-staat wenst deel te nemen aan hoofdstuk II, moet hij van zijn voornemen kennis geven aan het EPO-comité. Het EPO-comité is bevoegd bijlage II te wijzigen.

5.

Het EPO-comité kan besluiten tot overgangsmaatregelen of wijzigingen wanneer deze nodig zijn om de opname van dergelijke overeenkomstsluitende OZA-staten in bijlage II te vergemakkelijken.

TITEL II. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 7. Douanerechten

In het kader van de afschaffing van de douanerechten op invoer worden onder douanerechten verstaan alle rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

Artikel 8. Classificatie van de goederen

De classificatie van de handelsgoederen waarop deze overeenkomst van toepassing is, geschiedt overeenkomstig de tariefnomenclatuur van elk der partijen, in overeenstemming met het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS). De overeenkomstsluitende OZA-staten gebruiken de Comesa-nomenclatuur.

Artikel 9. Basisrecht

Het basisrecht waarop de opeenvolgende verlagingen worden toegepast, is het recht dat voor het betrokken product is vermeld in het tariefschema van elk van beide partijen.

Artikel 10. Vergoedingen en andere heffingen

De in lid 7, onder c), bedoelde vergoedingen en andere heffingen blijven beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en beogen geen indirecte bescherming van binnenlandse producten of een belasting op de invoer voor fiscale doeleinden. Zij worden gebaseerd op specifieke tarieven. Voor consulaire diensten worden geen handelsgerelateerde vergoedingen en heffingen opgelegd.

Artikel 11. Douanerechten op producten van oorsprong uit de OZA-staten

Producten van oorsprong uit de OZA-staten worden vrij van douanerechten in de EG ingevoerd, onder de in bijlage I genoemde voorwaarden.

Artikel 12. Douanerechten op producten van oorsprong uit de EG
1.

Douanerechten op de invoer van producten van oorsprong uit de EG worden verlaagd of afgeschaft in overeenstemming met de in bijlage II opgenomen schema's voor de liberalisering van de tarieven; die bijlage bevat de schema's van elk van de overeenkomstsluitende OZA-staten of van elke groep overeenkomstsluitende OZA-staten.

2.

De partijen kunnen de schema's voor de liberalisering van de tarieven in bijlage II herzien om ze in het geval van regionale integratieprocessen te harmoniseren.

3.

Elk nieuw schema voor de liberalisering van de douanetarieven met betrekking tot de invoer van producten van oorsprong uit de EG dat na het begin van de ratificatieprocedure voor deze overeenkomst wordt ingediend, kan bij besluit van het EPO-comité in bijlage II bij deze overeenkomst worden opgenomen.

Artikel 13. Oorsprongsregels

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die aan de oorsprongsregels in protocol 1 bij deze overeenkomst voldoen. Met het oog op de toepassing van de volledige EPO onderzoeken de partijen gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van deze overeenkomst en de inwerkingtreding van de volledige EPO of de bepalingen van dat protocol verder kunnen worden vereenvoudigd. Zij houden daarbij rekening met de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten en met de ontwikkeling van de technologie, van de productieprocessen en van alle andere factoren, met inbegrip van de lopende hervormingen van de oorsprongsregels, die een wijziging van de bepalingen van dat protocol nodig kunnen maken. Het EPO-comité besluit over dergelijke wijzigingen.

Artikel 14. Status-quo

Behoudens artikel 12 komen de partijen overeen de invoerrechten op producten uit de andere partij niet te verhogen.

Artikel 15. Uitvoerrechten en -belastingen
1.

Tenzij in bijlage III anders is bepaald, voeren de partijen gedurende de looptijd van deze overeenkomst geen nieuwe rechten of belastingen op of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij in die hoger zijn dan de rechten of belastingen die op soortgelijke, voor verkoop in het binnenland bestemde producten worden geheven.

2.

Het EPO-comité kan een verzoek van een overeenkomstsluitende OZA-staat om een herziening van de in bijlage III opgenomen goederen onderzoeken.

Artikel 16. Gunstiger behandeling als gevolg van vrijhandelsovereenkomsten
1.

Wat de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden betreft, kent de EG de overeenkomstsluitende OZA-staten in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de EG na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een vrijhandelsovereenkomst met derde partijen.

2.

Wat de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden betreft, kennen de overeenkomstsluitende OZA-staten de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de overeenkomstsluitende OZA-staten na de ondertekening van deze overeenkomst partij worden bij een vrijhandelsovereenkomst met een belangrijke handelsmacht.

3.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden niet zo uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen op de datum van ondertekening van deze overeenkomst partij is bij een vrijhandelsovereenkomst met een derde partij.

4.

Lid 2 is niet van toepassing ten aanzien van handelsovereenkomsten tussen overeenkomstsluitende OZA-staten en andere landen en gebieden in Afrika.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „vrijhandelsovereenkomst” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot afschaffing van praktisch alle discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelsmacht” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1% in de mondiale uitvoer van goederen had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een vrijhandelsovereenkomst in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1,5% in de mondiale uitvoer van goederen had 1)Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van goederen in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel)..

TITEL III. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN

Artikel 17. Verbod op kwantitatieve beperkingen

Tenzij in de bijlagen I en II bij deze overeenkomst anderszins is bepaald, worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst in de handel tussen de partijen alle invoer- of uitvoerverboden of -beperkingen, met uitzondering van douanerechten, belastingen en de in artikel 7 bedoelde vergoedingen en andere heffingen, afgeschaft, ongeacht of zij de vorm hebben van contingenten, in- of uitvoervergunningen of andere maatregelen. Er worden geen nieuwe maatregelen van dien aard ingevoerd.

Artikel 18. Nationale behandeling op het gebied van interne belastingen en regelgeving
1.

Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden noch direct, noch indirect aan hogere interne belastingen of andere interne heffingen van welke aard dan ook onderworpen dan die welke direct of indirect op soortgelijke nationale producten van toepassing zijn. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne belastingen of andere interne heffingen toe om de binnenlandse productie te beschermen.

2.

Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden, wat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en vereisten met betrekking tot hun verkoop, aanbieding tot verkoop, aankoop, vervoer, distributie of gebruik op de binnenlandse markt betreft, niet ongunstiger behandeld dan soortgelijke binnenlandse producten. Het bepaalde in dit lid is geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven die uitsluitend berusten op de economische exploitatie van het vervoermiddel en niet op de oorsprong van het product.

3.

De partijen voeren geen interne kwantitatieve regelingen inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in specifieke hoeveelheden of verhoudingen in, die direct of indirect vereisen dat een specifieke hoeveelheid of een specifiek percentage van een onder de regeling vallend product uit binnenlandse bron afkomstig is; evenmin handhaven zij dergelijke regelingen. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne kwantitatieve regelingen toe om de binnenlandse productie te beschermen.

4.

Dit artikel vormt geen beletsel voor de toekenning van subsidies aan uitsluitend nationale producenten, met inbegrip van betalingen aan nationale producenten uit de opbrengsten van interne belastingen of heffingen die overeenkomstig dit artikel worden geheven en van subsidies in de vorm van aankopen van binnenlandse producten door de overheid.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, procedures of praktijken inzake overheidsopdrachten.

6.

Het EPO-comité kan besluiten een overeenkomstsluitende OZA-staat vergunning te verlenen van de bepalingen van dit artikel af te wijken om een binnenlandse productie op te zetten en een opkomende industrie te beschermen. In dit verband zal rekening worden gehouden met de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende OZA-staten en in het bijzonder met de speciale behoeften en problemen van de overeenkomstsluitende OZA-staten die tot de MOL's behoren.

7.

In bijlage III is een lijst van voorlopige afwijkingen opgenomen. Die afwijkingen worden aan de belanghebbende overeenkomstsluitende OZA-staten toegestaan voor de in die bijlage genoemde termijn.

TITEL IV. HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN

Artikel 19. Antidumpingrechten en compenserende rechten
1.

Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de EG of voor de overeenkomstsluitende OZA-staten, individueel of gezamenlijk, een beletsel om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-overeenkomsten antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

2.

Alvorens definitieve antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen ten aanzien van uit een OZA-staat ingevoerde producten, overweegt de EG de mogelijkheid van constructieve oplossingen als bedoeld in de desbetreffende WTO-overeenkomsten.

3.

Wanneer een regionale autoriteit namens twee of meer overeenkomstsluitende OZA-staten een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel heeft ingesteld, is er slechts één instantie voor rechterlijke toetsing, ook in het stadium van de hogere voorziening.

4.

Wanneer een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel zowel op regionaal of subregionaal niveau als op nationaal niveau kan worden ingesteld, zorgen de partijen ervoor dat die maatregel ten aanzien van hetzelfde product niet tegelijkertijd door regionale of subregionale autoriteiten, enerzijds, en nationale autoriteiten, anderzijds, wordt toegepast.

5.

De EG stelt de overeenkomstsluitende OZA-staten van uitvoer in kennis van de ontvangst van een naar behoren gestaafde klacht voordat zij een onderzoek opent.

6.

Dit artikel is van toepassing op alle onderzoeken die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden geopend.

7.

De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 20. Multilaterale vrijwaringsmaatregelen
1.

Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de overeenkomstsluitende OZA-staten en de EG een beletsel om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

2.

Behoudens het bepaalde in lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de kleine omvang van de economieën van de OZA-staten, sluit de EG de invoer uit een OZA-staat uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.

3.

Lid 2 geldt voor een periode van vijf jaar, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk 120 dagen voor het eind van deze periode onderzoekt het EPO-comité de uitvoering van deze bepalingen in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan moet worden verlengd.

4.

De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op lid 1.

Artikel 21. Bilaterale vrijwaringsmaatregelen
1.

Na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, kan een partij op de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures van dit artikel vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur vaststellen die afwijken van de artikelen 11, 12 en 17.

2.

De in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer een product van oorsprong uit een van de partijen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op het gebied van de andere partij wordt ingevoerd dat deze invoer:

3.

De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om de in de leden 2 en 5, onder b), bedoelde ernstige schade of verstoringen te verhelpen of te voorkomen. Deze vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij bestaan alleen uit een of meer van de volgende maatregelen:

4.

Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan de EG, wanneer een product van oorsprong uit een of meer overeenkomstsluitende OZA-staten of OZA-subgroepen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een of meer ultraperifere gebieden van de EG een van de in lid 2 genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot dat gebied of die gebieden.

7.

Voor de tenuitvoerlegging van bovenstaande leden gelden de volgende bepalingen:

8.

Wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen, kan de betrokken invoerende partij, of het hierbij nu gaat om de EG, de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat, voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de eisen van lid 7 te voldoen. Deze maatregelen hebben een maximale duur van 180 dagen wanneer ze door de EG worden genomen, en van 200 dagen wanneer ze door de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat worden genomen of wanneer ze door de EG worden genomen en beperkt zijn tot een of meer van haar ultraperifere gebieden. De duur van een voorlopige maatregel wordt meegerekend als deel van de initiële periode en van eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6. Wanneer voorlopige maatregelen worden genomen, wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen. De betrokken invoerende partij stelt de andere betrokken partij in kennis en verwijst de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité.

9.

Indien een invoerende partij de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het EPO-comité daarvan onverwijld in kennis.

10.

Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig dit artikel te nemen.

TITEL V. ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel 22. Speciale bepaling over administratieve samenwerking
1.

De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.

Wanneer een partij op basis van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking onder meer verstaan:

4.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer de invoer van goederen snel stijgt zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, die invoer de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

5.

Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

6.

Tegelijk met de kennisgeving aan het EPO-comité overeenkomstig lid 5, onder a), publiceert de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een bericht aan de importeurs. In dit bericht wordt aangegeven dat zij voor het betrokken product op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.

Artikel 23. Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregeling een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van protocol 1 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden voor administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd het EPO-comité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 24. Douanewaarde
1.

Artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 zijn van toepassing op de voorschriften inzake de vaststelling van de douanewaarde in de handel tussen de partijen.

2.

De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de douanewaarde.

HOOFDSTUK III. VISSERIJ

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 25
1.

De partijen erkennen dat de visserij een belangrijke economische sector voor de OZA-regio is en aanzienlijk bijdraagt aan de economieën van de overeenkomstsluitende OZA-staten en dat zij grote mogelijkheden biedt voor de toekomstige economische ontwikkeling van de regio en voor vermindering van de armoede. De visserij is ook een belangrijke bron van voedsel en van buitenlandse valuta.

2.

Verder erkennen de partijen dat de visbestanden van groot belang zijn voor zowel de EG als de overeenkomstsluitende OZA-staten en komen zij overeen in hun wederzijdse belang samen te werken bij de duurzame ontwikkeling en het duurzame beheer van de visserijsector, en daarbij rekening te houden met de economische, sociale en milieueffecten.

3.

De partijen zijn het erover eens dat de economische groei van de visserijsector en de vergroting van zijn bijdrage aan de OZA-economie het best kan worden bevorderd door een toename van waardetoevoegende activiteiten binnen deze sector, waarbij de duurzaamheid op lange termijn niet uit het oog mag worden verloren.

Artikel 26. Doelstellingen

De doelstellingen van de samenwerking op visserijgebied zijn:

Artikel 27. Werkingssfeer

De samenwerking bij de handel in visserijproducten en de ontwikkeling van de visserij heeft betrekking op de zeevisserij, de binnenvisserij en de aquicultuur.

Artikel 28. Beginselen
1.

De beginselen van de samenwerking op visserijgebied zijn:

2.

Deze richtsnoeren moeten bijdragen tot een duurzame en verantwoorde ontwikkeling van de visbestanden in binnenwateren en op zee en van de aquicultuur en tot een optimalisering van de baten van deze sector voor huidige en toekomstige generaties, door grotere investeringen, capaciteitsopbouw en een betere markttoegang.

Artikel 29. Preferentiële toegang

De partijen werken samen om ervoor te zorgen dat financiële en andere steun wordt gegeven om het concurrentievermogen en de productiecapaciteit van de visverwerkende industrie te vergroten, de visserijsector te diversifiëren en de havenfaciliteiten te verbeteren.

TITEL II. ZEEVISSERIJ

Artikel 30. Werkingssfeer

De werkingssfeer van deze titel betreft het gebruik, het behoud en het beheer van de zeevisbestanden teneinde de baten van de visserij voor de OZA-regio te optimaliseren door de opbouw van investeringscapaciteit en een verbeterde markttoegang.

Artikel 31. Doelstellingen

De doelstellingen van de samenwerking zijn:

Artikel 32. Samenwerkingsgebieden
1.

Om de doelstellingen van de samenwerking op het gebied van de zeevisserij binnen de omschreven beginselen te bereiken, heeft de samenwerking betrekking op visserijbeheer en instandhouding van visbestanden, schepenbeheer en regelingen voor de behandeling na de vangst, financiële en handelsmaatregelen en ontwikkeling van de visserij, van visserijproducten en van de mariene aquicultuur.

2.

De EG zal bijdragen aan de mobilisatie van de middelen voor de tenuitvoerlegging van de genoemde samenwerkingsgebieden op nationaal en regionaal niveau; dit betreft ook steun voor regionale capaciteitsopbouw. Verder draagt de EG bij aan de maatregelen die zijn beschreven in de afdeling over financiële en handelsmaatregelen en aan die betreffende de ontwikkeling van speciale infrastructuur voor de visserij en de mariene aquicultuur.

a. Visserijbeheer en instandhouding van visbestanden

b. Schepenbeheer en regelingen inzake de behandeling na de vangst

c. Financiële en handelsmaatregelen en ontwikkelingsvraagstukken

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken bij de bevordering van de oprichting van joint ventures voor visserijactiviteiten, visverwerking, havendiensten, vergroting van de productiecapaciteit, verbetering van het concurrentievermogen van de visserij en van aanverwante industrieën en diensten, verdere verwerking, ontwikkeling en verbetering van havenfaciliteiten, diversificatie van de visserij tot andere vissoorten dan tonijn die onderbevist of niet bevist worden.

TITEL III. ONTWIKKELING VAN DE BINNENVISSERIJ EN DE AQUICULTUUR

Artikel 33. Werkingssfeer

Deze titel heeft betrekking op de ontwikkeling van de binnen- en kustvisserij en de aquicultuur in de OZA-regio, wat capaciteitsopbouw, technologieoverdracht, sanitaire en fytosanitaire normen (SPS-normen), investeringen en financiering van investeringen, milieubescherming en wet- en regelgevingskaders betreft.

Artikel 34. Doelstellingen

De doelstellingen van samenwerking bij de ontwikkeling van de binnenvisserij en de aquicultuur zijn bevordering van de duurzame exploitatie van zoetwatervisbestanden, vergroting van de aquicultuurproductie, verwijdering van aanbodbeperkingen, verbetering van de kwaliteit van vis en visproducten zodat ze aan de SPS-normen van de EG voldoen, verbetering van de toegang tot de EG-markt, aanpakken van intraregionale handelsbelemmeringen, aantrekken van kapitaal en investeringen voor de sector, capaciteitsopbouw en verruiming van de toegang tot financiële steun voor particuliere investeerders in de ontwikkeling van de binnenvisserij en de aquicultuur.

Artikel 35. Samenwerkingsgebieden
1.

De samenwerkingsgebieden omvatten bijdragen van de EG op onderstaande gebieden:

2.

Beide partijen dragen bij aan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de handel in vis verenigbaar is met milieubehoud en beschermt tegen uitputting van de visbestanden, alsmede aan het behoud van de biodiversiteit en een voorzichtige invoering van exotische soorten in de aquicultuur (invoering in beheerste/afgesloten ruimten in overleg met alle betrokken buurlanden).

HOOFDSTUK IV. ECONOMISCHE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 36. Algemene bepalingen
1.

De partijen komen overeen de ontwikkelingsbehoeften van de OZA-staten aan te pakken, teneinde een duurzame groei in de OZA-regio te bevorderen, de productie- en aanbodcapaciteit van de betrokken staten te vergroten, de structurele hervorming en het concurrentievermogen van hun economieën en hun diversificatie en waardetoevoeging te stimuleren en regionale integratie te ondersteunen.

2.

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken om de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te vergemakkelijken en steun te verlenen voor regionale integratie en ontwikkelingsstrategieën. De partijen komen overeen de samenwerking te baseren op de OZA-ontwikkelingssamenwerkingsstrategie en de gezamenlijk overeengekomen ontwikkelingsmatrix. De matrix is als bijlage IV aan deze overeenkomst gehecht. De strategie voor de ontwikkeling van de OZA en de matrix voor de ontwikkeling zullen regelmatig worden herzien, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk VI, Vermijden en beslechten van geschillen, institutionele, algemene en slotbepalingen. Deze samenwerking zal worden afgezet tegen gezamenlijk overeengekomen ontwikkelingsbenchmarks die nog moeten worden ontwikkeld en vastgesteld en die als bijlage aan deze overeenkomst zullen worden gehecht. De samenwerking vindt plaats in de vorm van financiële en niet-financiële steun aan de OZA-regio.

3.

De financiering van de ontwikkelingssamenwerking tussen de OZA-regio en de EG ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst geschiedt volgens de in de Overeenkomst van Cotonou neergelegde voorschriften en procedures ter zake, en met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds binnen de opeenvolgende financiële kaders van de EU gedurende de looptijd van deze overeenkomst, en die binnen het kader van de desbetreffende financiële instrumenten die uit de algemene begroting van de EU worden gefinancierd. Gezien de nieuwe uitdagingen als gevolg van een uitbreiding van de regionale integratie en een grotere concurrentie op de wereldmarkt zijn de partijen het erover eens dat steun voor de tenuitvoerlegging van de EPO een van de prioriteiten is.

4.

De partijen zullen samenwerken om, in aanvulling op het financiële kader van de EU, voor de behoeften aan steun voor de tenuitvoerlegging van de EPO en voor de aanpassingskosten in dat verband middelen aan te trekken bij de EU-lidstaten en bij andere donoren, in het bijzonder door uitbreiding van de verbintenissen in het kader van Hulp voor handel. De voorgestelde financieringsprogramma's/-projecten zullen gezamenlijk worden uitgewerkt op basis van een ontwikkelingsmatrix met een gedetailleerde kostenberekening.

5.

Er moeten op een voorspelbare en duurzame basis tijdig voldoende middelen worden aangetrokken, onder meer door schenkingen en concessionele leningen op basis van de ontwikkelingsmatrix. De EG draagt bij aan deze inspanningen in het kader van haar internationale verbintenis de officiële ontwikkelingshulp op te schalen. De partijen komen overeen het gebruik van deze middelen te coördineren en er toezicht op uit te oefenen.

6.

In overeenstemming met de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp komen de partijen overeen om in voorkomend geval voor het kanaliseren en coördineren van de middelen voor de tenuitvoerlegging van de EPO gebruik te maken van en steun te verlenen voor verstrekkingsmechanismen, fondsen of faciliteiten die in nationaal en/of regionaal bezit zijn. De partijen steunen in dat verband de oprichting van een EPO-fonds om middelen die op de EPO betrekking hebben, te kanaliseren. Voorts komen de partijen overeen dat bij alle vormen van steunverlening in verband met hun samenwerking in het kader van deze overeenkomst de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp als leidraad zal dienen.

7.

De in de volledige EPO te regelen handelsgerelateerde vraagstukken worden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking in overeenstemming met dit artikel behandeld met inachtneming van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp.

8.

De partijen komen overeen dat het toezicht op de EPO op basis van overeengekomen indicatoren betrekking moet hebben op alle aspecten van de EPO, met inbegrip van de resultaten op nationaal niveau en op het niveau van de regionale integratie en de ontwikkelingsstrategieën, alsook op de doeltreffendheid van de institutionele regelingen en de mate waarin de doelstellingen met betrekking tot de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, waaronder de voorspelbaarheid van de middelen, dankzij deze regelingen werden gehaald.

9.

De partijen zijn het erover eens dat het herzieningsproces van de Overeenkomst van Cotonou, onverminderd artikel 95, lid 4, van die overeenkomst, voor de partijen een gelegenheid is om na te gaan wat met de in de overeenkomst opgenomen strategieën op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking bereikt is, waar de problemen liggen en wat de vooruitzichten zijn.

Artikel 37. Doelstellingen
1.

Met de economische en de ontwikkelingssamenwerking wordt ernaar gestreefd het concurrentievermogen van de OZA-economieën te vergroten, aanbodcapaciteit op te bouwen en de overeenkomstsluitende OZA-staten in staat te stellen de EPO soepel uit te voeren.

2.

Met de economische en de ontwikkelingssamenwerking wordt ernaar gestreefd de OZA-economieën structureel om te vormen door een sterke, concurrentiegerichte en gediversifieerde economische basis in de OZA-staten te leggen; daartoe worden hun productie-, distributie-, vervoers- en marketingcapaciteit vergroot, hun handelscapaciteit en hun capaciteit om investeringen aan te trekken ontwikkeld, het beleid en de regelgeving van de OZA-staten op het gebied van handel en investeringen versterkt en de regionale integratie verdiept.

Artikel 38. Werkingssfeer
1.

De partijen leggen in verband met de EPO ontwikkelingsdoelstellingen vast die specifiek zijn voor de OZA-regio en die nodig zijn voor het welslagen van regionale integratie op de gebieden en in de sectoren die in dit artikel worden genoemd.

2.

De samenwerking heeft betrekking op de volgende gebieden:

3.

De samenwerking heeft vooral betrekking op de volgende sectoren:

TITEL II. ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

Artikel 39. Werkingssfeer en doelstellingen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van de particuliere sector van de OZA-regio als de belangrijkste motor voor het scheppen van welvaart, teneinde een passend klimaat te creëren dat bevorderlijk is voor investeringen en groei. Bij het verlenen van steun en bij de samenwerking zal de Gemeenschap rekening houden met de economische structuur van de OZA-staten en met hun prioriteiten ten aanzien van de versterking van de productiecapaciteiten en de waardetoevoeging en de toepassing van productie-, marketing-, distributie- en vervoersfuncties om de aanbodcapaciteit en het concurrentievermogen te verbeteren.

2.

De samenwerking bij de ontwikkeling van de particuliere sector bestrijkt onder meer investeringen, industriële ontwikkeling en vergroting van het concurrentievermogen, ontwikkeling van micro-ondernemingen en van kleine en middelgrote ondernemingen, mijnbouw en mineralen en ontwikkeling van het toerisme, alsmede andere productiesectoren, die direct dan wel indirect onder deze overeenkomst vallen.

Artikel 40. Investeringen
1.

De partijen erkennen het belang van investeringen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 41. Industriële ontwikkeling en concurrentievermogen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de industriële ontwikkeling en het concurrentievermogen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 42. Micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 43. Mijnbouw en mineralen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling en het beheer van de sector mijnbouw en mineralen. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 44. Ontwikkeling van het toerisme
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van het toerisme. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

TITEL III. INFRASTRUCTUUR

Artikel 45. Werkingssfeer en doelstellingen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling en het beheer van infrastructuur als middel om obstakels aan de aanbodzijde te boven te komen en de regionale integratie te versterken.

2.

De Gemeenschap houdt bij het verlenen van steun en bij de samenwerking op het gebied van de infrastructurele ontwikkeling rekening met prioritaire ontwikkelingsgebieden, zoals neergelegd in de nationale ontwikkelingprogramma's van de OZA-staten en in regionale ontwikkelingsprogramma's.

3.

De samenwerking op het gebied van de infrastructuur heeft betrekking op de ontwikkeling van materiële infrastructuur: vervoer, energie, informatie- en communicatietechnologie.

Artikel 46. Vervoer
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van de ontwikkeling en het beheer van het vervoer. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 47. Energie
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking in de energiesector als middel ter ondersteuning van het concurrentievermogen van de OZA-economieën op regionaal en mondiaal niveau. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 48. Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van ICT, omdat ICT in de moderne samenleving een belangrijke sector is om het concurrentievermogen en innovatie te bevorderen en te zorgen voor een soepele overgang naar de informatiemaatschappij. Het doel op dit gebied is de ontwikkeling van de ICT-sector en de stimulering van de bijdrage van deze sector aan andere sociaal-economische sectoren.

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

TITEL IV. NATUURLIJKE HULPBRONNEN EN MILIEU

Artikel 49. Werkingssfeer en doelstellingen
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en het milieu. Bij de samenwerking op dit gebied wordt rekening gehouden met de uiteenlopende en grensoverschrijdende behoeften van de OZA-staten.

2.

De samenwerking op het gebied van de natuurlijke hulpbronnen en het milieu bestrijkt natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van watervoorraden, en het milieu, met inbegrip van de biodiversiteit, alsmede de uitbreiding van de relaties tussen handel en milieu. Verder bestrijkt zij de tenuitvoerlegging van internationale milieuovereenkomsten en -verdragen.

Artikel 50. Watervoorraden
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de ontwikkeling van watervoorraden (met inbegrip van irrigatie, waterkracht en watervoorziening) ten behoeve van de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 51. Milieu
1.

De partijen erkennen het belang van samenwerking bij de bescherming en het duurzame beheer van het milieu en de tenuitvoerlegging van een handelsgerelateerd milieubeleid. De doelstellingen op dit gebied zijn als volgt:

2.

Behoudens artikel 36 komen de partijen overeen op de volgende gebieden samen te werken en het verlenen van steun te vergemakkelijken:

Artikel 52. Financiële garanties
1.

De EG stelt de OZA-staten financiële hulp ter beschikking als bijdrage voor de tenuitvoerlegging van de programma's en projecten in het kader van de in deze overeenkomst en de desbetreffende hoofdstukken beschreven samenwerkingsgebieden en van de uitvoerige ontwikkelingsmatrix.

2.

De partijen komen overeen adequate gezamenlijke institutionele regelingen te treffen om doeltreffend toezicht uit te oefenen op de tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking in het kader van deze overeenkomst. Een van die regelingen is de oprichting van een gezamenlijk ontwikkelingscomité.

3.

De partijen komen overeen dat de institutionele regelingen flexibel blijven, zodat zij kunnen worden aangepast aan nieuwe nationale en regionale behoeften.

HOOFDSTUK V. GEBIEDEN VOOR TOEKOMSTIGE ONDERHANDELINGEN

Artikel 53. Rendez-vousclausule

Voortbouwend op de Overeenkomst van Cotonou en rekening houdend met de vorderingen die worden gemaakt bij de onderhandelingen over een volledige EPO komen de partijen overeen de onderhandelingen overeenkomstig artikel 3 voort te zetten met het oog op de sluiting van een volledige EPO, die de volgende gebieden zal bestrijken:

HOOFDSTUK VI. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN, INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

TITEL I. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN

Artikel 54. Overleg
1.

De partijen streven ernaar elk geschil over de uitleg en toepassing van deze overeenkomst op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.

Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel niet in overeenstemming zou zijn.

3.

Het overleg vindt plaats binnen 40 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg blijft vertrouwelijk.

4.

Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

Artikel 55. Geschillenbeslechting
1.

Indien het overleg niet binnen de in artikel 54 genoemde 60 resp. 30 dagen leidt tot beslechting van het geschil, kan elk van beide partijen verzoeken om beslechting van het geschil door arbitrage. Elk van beide partijen benoemt daartoe binnen 30 dagen na het verzoek om arbitrage een scheidsrechter door de andere partij en het EPO-comité hiervan in kennis te stellen. In het verzoek om arbitrage wordt aangegeven om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel volgens de klagende partij niet in overeenstemming is. Wanneer dit niet gebeurt, kan elk van beide partijen de secretaris-generaal van het Permanente Hof van Arbitrage vragen de tweede scheidsrechter te benoemen.

2.

De twee scheidsrechters benoemen vervolgens binnen dertig dagen een derde scheidsrechter. Wanneer dit niet gebeurt, kan elk van beide partijen de secretaris-generaal van het Permanente Hof van Arbitrage vragen de derde scheidsrechter te benoemen.

3.

Behoudens andersluidende beslissing van de scheidsrechters wordt de procedure toegepast die is vastgelegd in het optionele arbitragereglement van het Permanente Hof van Arbitrage voor Internationale Organisaties en Staten. De scheidsrechters nemen binnen 90 dagen bij meerderheid van stemmen een besluit; in spoedeisende gevallen spannen zij zich in om binnen 60 dagen een besluit te nemen.

4.

Elk van beide partijen bij het geschil is verplicht de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de beslissing van de scheidsrechters.

5.

In afwijking van lid 1 is de procedure van artikel 98 van de Overeenkomst van Cotonou van toepassing bij geschillen over de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, als bedoeld in de Overeenkomst van Cotonou.

TITEL II. ALGEMENE UITZONDERINGEN

Artikel 56. Algemene uitzonderingsclausule

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van de internationale handel vormen, wordt geen bepaling in deze overeenkomst uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door de EG, de OZA-staten of een overeenkomstsluitende OZA-staat van maatregelen:

Artikel 57. Uitzonderingen met betrekking tot de nationale veiligheid
1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:

2.

De partijen lichten elkaar zo volledig mogelijk in over maatregelen die krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging daarvan.

Artikel 58. Belastingen
1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling wordt uitgelegd als beletsel voor de EG of voor een overeenkomstsluitende OZA-staat om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van haar (zijn) belastingwetgeving een onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

2.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of doen naleven van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking overeenkomstig de fiscale bepalingen van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of de binnenlandse belastingwetgeving.

3.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de EG of een overeenkomstsluitende OZA-staat uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk verdrag heeft dat verdrag voorrang voor zover het strijdige bepalingen betreft.

TITEL III. INSTITUTIONELE BEPALINGEN, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 59. Relatie tussen deze overeenkomst en de volledige EPO

In geval van strijdigheid tussen de volledige EPO en deze tussentijdse overeenkomst heeft de volledige EPO voorrang voor zover het strijdige bepalingen betreft.

Artikel 60. Ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap
1.

Gezien de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden van de EG en de OZA-staten en ter versterking van de economische en sociale banden tussen deze gebieden en de OZA-staten, streven de partijen ernaar, tussen deze gebieden en de OZA-staten, de samenwerking op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden te vergemakkelijken, de handel in goederen en diensten uit te bouwen en te verbeteren, investeringen aan te moedigen en het vervoer en communicatieverbindingen te stimuleren.

2.

De in lid 1 genoemde doelen worden waar mogelijk ook nagestreefd door de gezamenlijke deelname van de OZA-staten en de ultraperifere gebieden in kaderprogramma's en specifieke programma's van de EG op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

3.

De EG streeft naar coördinatie tussen de verschillende financiële instrumenten van haar cohesie- en ontwikkelingsbeleid, teneinde de samenwerking tussen de OZA-staten en de ultraperifere gebieden van de EG op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.

4.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet de EG toepassing van bestaande maatregelen uit hoofde van artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ter verbetering van de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden.

Artikel 61. Definitie van de partijen en naleving van verplichtingen
1.

De overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst zijn de Unie der Comoren, de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen, de Republiek Zambia en de Republiek Zimbabwe, hierna de „OZA-staten” genoemd, enerzijds, en de EG of haar lidstaten of de EG en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna de „EG” genoemd, anderzijds, waarvoor deze overeenkomst in werking is getreden of voorlopig wordt toegepast.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst stemmen de OZA-staten, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, ermee in gezamenlijk op te treden. Wanneer in het kader van deze overeenkomst een individuele actie voorzien of vereist is om rechten uit te oefenen of verplichtingen na te leven, wordt verwezen naar „overeenkomstsluitende OZA-staat”.

3.

De partijen of, naargelang het geval, de overeenkomstsluitende OZA-staat (OZA-staten) treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen en zien erop toe dat zij de in deze overeenkomst neergelegde doelstellingen in acht nemen.

4.

Op een overeenkomstsluitende OZA-staat waarop de in hoofdstuk II genoemde rechten en plichten niet van toepassing zijn, zijn de rechten en plichten uit hoofde van de andere hoofdstukken van deze overeenkomst wel van toepassing.

Artikel 62. Inwerkingtreding, opzegging en duur
1.

Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd en goedgekeurd volgens de toepasselijke grondwettelijke of interne voorschriften en procedures van de respectieve partijen.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.

Kennisgevingen van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring moeten worden gezonden naar de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en naar de secretaris-generaal van de Gemeenschappelijke Markt van Oostelijk en Zuidelijk Afrika, die de depositarissen voor deze overeenkomst zijn.

4.

De EG en de overeenkomstsluitende OZA-staten komen overeen om, in afwachting van de inwerkingtreding van de overeenkomst, de bepalingen van deze overeenkomst die in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebied vallen, alvast toe te passen, hierna „voorlopige toepassing” genoemd. Dit kan gebeuren door middel van voorlopige toepassing, wanneer dat mogelijk is, of door ratificatie van de overeenkomst.

5.

Van de voorlopige toepassing wordt kennisgegeven aan de depositarissen. Deze overeenkomst wordt voorlopig toegepast vanaf 10 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van voorlopige toepassing van de EG of van de ratificatie of voorlopige toepassing van alle in bijlage II genoemde overeenkomstsluitende OZA-staten, afhankelijk van welke de laatste is.

6.

In afwijking van de leden 2 en 4 kunnen de EG en de overeenkomstsluitende OZA-staten unilateraal stappen nemen om de overeenkomst, voor zover haalbaar, al voor de voorlopige toepassing toe te passen.

7.

De EG of een of meer overeenkomstsluitende OZA-staten kunnen de andere partij schriftelijk kennis geven van hun voornemen deze overeenkomst op te zeggen.

8.

De opzegging wordt een maand na de kennisgeving aan de andere partij van kracht.

9.

Deze overeenkomst blijft van kracht totdat de volledige EPO in werking treedt.

Artikel 63. Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, elk gebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, het gebied van de overeenkomstsluitende OZA-staten. Verwijzingen in deze overeenkomst naar „gebied” worden in deze zin begrepen.

Artikel 64. epo-comité
1.

Hierbij wordt een EPO-comité opgericht.

2.

Het EPO-comité is verantwoordelijk voor het beheer van alle onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden, met inbegrip van de in artikel 36 bedoelde ontwikkelingssamenwerking, en voor de uitvoering van de in deze overeenkomst genoemde taken.

3.

Het EPO-comité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen. Elk van beide partijen stelt de organisatie van haar vertegenwoordiging vast.

4.

Het EPO-comité stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de tussentijdse overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 65. Relatie tot andere overeenkomsten
1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst doet afbreuk aan de toepassing van passend geachte maatregelen als bedoeld in de artikelen 11 ter, 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde procedures.

2.

In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, met uitzondering van de daarin vervatte bepalingen inzake ontwikkelingssamenwerking, en de bepalingen van deze overeenkomst, hebben de bepalingen van deze overeenkomst voorrang.

3.

De partijen erkennen dat enkele overeenkomstsluitende OZA-staten geen lid van de WTO zijn. Verwijzingen in deze overeenkomst naar WTO-overeenkomsten (met inbegrip van de daarin vervatte definities) en WTO-organen of -comités worden niet zo uitgelegd dat zij een overeenkomstsluitende OZA-staat die geen lid van de WTO is, verplichtingen uit hoofde van dergelijke WTO-overeenkomsten of besluiten van dergelijke WTO-organen of -comités opleggen die verder gaan dan de verplichtingen die die overeenkomstsluitende OZA-staat in het kader van deze overeenkomst uitdrukkelijk is aangegaan. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van WTO-overeenkomsten of besluiten van WTO-organen of -comités, enerzijds, en bepalingen van deze overeenkomst, anderzijds, hebben laatstgenoemde bepalingen altijd voorrang voor overeenkomstsluitende OZA-staten die geen lid van de WTO zijn.

4.

De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen of de overeenkomstsluitende OZA-staten verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.

Artikel 66. Toetreding
1.

De volgende OZA-staten, te weten de Republiek Djibouti, de Staat Eritrea, de Federale Democratische Republiek Ethiopië, de Republiek Malawi en de Republiek Sudan, kunnen tot deze overeenkomst toetreden wanneer de partijen hiermee instemmen. Voor de toetredende staat treedt deze overeenkomst in werking in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke procedures van de EG, de OZA-staten en het toetredende land. De EG streeft ernaar deze overeenkomst zo spoedig mogelijk op het toetredende land toe te passen.

2.

Elk verzoek om toetreding tot deze overeenkomst door een niet in lid 1 genoemde staat in de OZA-regio wordt ingediend bij het EPO-comité, dat erover beslist.

3.

Het EPO-comité kan de voorwaarden en specifieke regelingen met het oog op de toetreding van een in lid 2 bedoelde staat vaststellen.

4.

Voor een toetredende staat treedt deze overeenkomst in werking op de datum waarop hij zijn instrument van toetreding heeft neergelegd.

Artikel 67. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie
1.

Het EPO-comité wordt in kennis gesteld van elk verzoek van een derde staat om toe te treden tot de EU. Tijdens de onderhandelingen tussen de EU en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EG de OZA-staten alle relevante informatie en stellen de OZA-staten de EG in kennis van hun problemen, zodat deze daar ten volle rekening mee kan houden. De OZA-staten worden door de EG in kennis gesteld van elke toetreding tot de EU.

2.

Elke nieuwe lidstaat van de EU wordt vanaf de datum van zijn toetreding partij bij deze overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de EU niet voorziet in een automatische toetreding tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij de twee depositarissen, die hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doen toekomen aan de OZA-staten.

3.

De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan de nodige overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

Artikel 68. Wijzigingen
1.

Wijzigingen in deze overeenkomst worden goedgekeurd door het EPO-comité; ze treden in werking wanneer ze zijn geratificeerd.

2.

Het EPO-comité stelt overgangsmaatregelen vast indien deze nodig mochten zijn totdat de gewijzigde bepalingen in werking treden.

Artikel 69. Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 70. Bijlagen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend deel van deze overeenkomst en kunnen worden herzien en/of gewijzigd door het EPO-comité.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2. Algemene voorwaarden
1.

Voor de toepassing van de economische partnerschapsovereenkomst OZA-EU, hierna „de overeenkomst” genoemd, worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit de Gemeenschap:

2.

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een OZA-staat:

Artikel 3. Cumulatie in de Gemeenschap
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd als zij daar zijn verkregen en in die producten materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit een OZA-staat, andere ACS-staten of de LGO's, mits de be- of verwerking in de Gemeenschap ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

2.

Wanneer de be- of verwerking in de Gemeenschap niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de in lid 1 bedoelde andere landen en gebieden. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging in de Gemeenschap zijn gebruikt, voor zijn rekening neemt.

3.

Producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 bedoelde landen of gebieden, die geen be- of verwerking in de Gemeenschap ondergaan, behouden hun oorsprong indien zij naar een van deze landen of gebieden worden uitgevoerd.

4.

Voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder b), worden be- of verwerkingen in een OZA-staat, in de andere ACS-staten of in de LGO's geacht in de Gemeenschap te zijn verricht wanneer de verkregen producten naderhand nog in de Gemeenschap worden be- of verwerkt. Wanneer de van oorsprong zijnde producten op grond van deze bepaling in twee of meer van de betrokken landen of gebieden worden verkregen, worden zij alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen.

5.

Wanneer de be- of verwerking in de Gemeenschap niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de materialen die in een van de in lid 4 bedoelde andere landen en gebieden werden gebruikt. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan bij de vervaardiging gebruikte materialen voor zijn rekening neemt.

6.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan alleen worden toegepast wanneer:

7.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan voor de in bijlage X genoemde producten pas vanaf 1 oktober 2015 worden toegepast en voor rijst bedoeld in tariefpost 1006 pas vanaf 1 januari 2010.

Artikel 4. Cumulatie in de OZA-staten
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit een OZA-staat beschouwd als zij daar zijn verkregen en in die producten materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, andere ACS-staten, de LGO's of andere OZA-staten, mits de be- of verwerking in die OZA-staat ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan.

2.

Wanneer de be- of verwerking in de OZA-staat niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de in lid 1 bedoelde andere landen en gebieden. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging in die OZA-staat zijn gebruikt, voor zijn rekening neemt.

3.

Producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 bedoelde landen of gebieden, die geen be- of verwerking in de OZA-staat ondergaan, behouden hun oorsprong indien zij naar een van die landen of gebieden worden uitgevoerd.

4.

Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, onder b), worden be- of verwerkingen in de Gemeenschap, de andere OZA-staten, de andere ACS-staten of de LGO's geacht in een bepaalde OZA-staat te zijn verricht wanneer de verkregen producten naderhand nog in die OZA-staat worden be- of verwerkt. Wanneer de van oorsprong zijnde producten op grond van deze bepaling in twee of meer van de betrokken landen of gebieden worden verkregen, worden zij alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd indien de be- of verwerking ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen.

5.

Wanneer de be- of verwerking in de OZA-staat niet ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product alleen als van oorsprong uit die OZA-staat beschouwd wanneer de aldaar toegevoegde waarde groter is dan de waarde van de materialen die in een van de in lid 4 bedoelde andere landen en gebieden werden gebruikt. Indien dit niet het geval is, wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land of gebied dat de hoogste waarde aan bij de vervaardiging gebruikte materialen voor zijn rekening neemt.

6.

De in dit artikel bedoelde cumulatie kan alleen worden toegepast wanneer:

7.

De in dit artikel bedoelde cumulatie is niet van toepassing op de in bijlage X genoemde producten. Desalniettemin kan de in dit artikel bedoelde cumulatie pas vanaf 1 oktober 2015 worden toegepast voor de in bijlage X genoemde producten en pas vanaf 1 januari 2010 voor rijst als bedoeld in tariefpost 1006 wanneer de voor de vervaardiging van die producten gebruikte materialen van oorsprong zijn uit of wanneer de be- of verwerking wordt verricht in een OZA-staat of in een andere ACS-staat die partij is bij een economische partnerschapsovereenkomst.

8.

Dit artikel is niet van toepassing op producten van bijlage XII die van oorsprong zijn uit Zuid-Afrika. Op de in bijlage XIII genoemde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika is de in dit artikel bedoelde cumulatie na 31 december 2009 van toepassing.

Artikel 5. Cumulatie met naburige ontwikkelingslanden

In overeenstemming met artikel 41 worden, op verzoek van de OZA-staten, materialen van oorsprong uit een naburig ontwikkelingsland dat geen ACS-staat is maar tot een samenhangende geografische entiteit behoort, waarvan een lijst in bijlage VIII is opgenomen, als materialen van oorsprong uit een OZA-staat beschouwd wanneer zij in een aldaar verkregen product zijn verwerkt. De materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, mits:

De in dit artikel bedoelde cumulatie is niet van toepassing op de lijst van producten die bij besluit van het comité voor douanesamenwerking zal worden opgesteld.

Aan de hand van dit protocol wordt vastgesteld of de producten van oorsprong zijn uit een naburig ontwikkelingsland, zoals gedefinieerd in bijlage VIII.

Artikel 6. Volledig verkregen producten
1.

Als volledig in een OZA-staat of in de Gemeenschap verkregen worden beschouwd:

2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

3.

In afwijking van het bepaalde in lid 2 erkent de Gemeenschap, op verzoek van een OZA-staat, dat door die OZA-staat gecharterde of geleasede vaartuigen worden beschouwd als „zijn schepen” om in zijn exclusieve economische zone visserijactiviteiten uit te oefenen, mits het comité voor douanesamenwerking van oordeel is dat het charter- of leasecontract, dat in eerste instantie aan de Gemeenschap is aangeboden, een geschikte manier is om de capaciteit van de betrokken OZA-staat om voor eigen rekening te vissen, verder te ontwikkelen en met name dat die OZA-staat de verantwoordelijkheid draagt voor het nautische en commerciële beheer van het vaartuig dat hem gedurende langere tijd ter beschikking staat.

4.

Aan de voorwaarden van lid 2 kan worden voldaan in verschillende staten, zolang deze behoren tot de OZA-staten. In dat geval worden de producten geacht de oorsprong te hebben van de staat waarvan onderdanen of ondernemingen overeenkomstig lid 2, onder c), eigenaar zijn van het schip of het fabrieksschip. Wanneer een schip of een fabrieksschip eigendom is van onderdanen of ondernemingen uit staten die partij zijn bij verschillende economische partnerschapsovereenkomsten, worden de producten geacht van oorsprong te zijn uit de staat waarvan de onderdanen of ondernemingen overeenkomstig lid 2, onder c), het grootste aandeel hebben.

Artikel 7. Toereikende be- of verwerking
1.

Voor de toepassing van artikel 2 worden niet volledig verkregen producten geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer aan de voorwaarden in de lijst in bijlage II is voldaan.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen de in bijlage II(a) opgenomen producten worden geacht voor de toepassing van artikel 2 een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer is voldaan aan de in die bijlage genoemde voorwaarden.

3.

De in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden geven voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan, en gelden slechts voor die materialen. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprongsstatus heeft verkregen doordat het aan de in een van beide lijsten genoemde voorwaarden heeft voldaan, bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het is verwerkt daarvoor niet gelden, en ook wordt geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

4.

In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de bijlagen II en II(a) niet bij de vervaardiging van een bepaald product mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, mits:

5.

Lid 4 is niet van toepassing op producten bedoeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

6.

De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 8.

Artikel 8. Ontoereikende be- of verwerking
1.

Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprongsstatus te verkrijgen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 7 is voldaan:

2.

Alle be- en verwerkingen die een product in de Gemeenschap of in de OZA-staten heeft ondergaan, worden tezamen genomen om te bepalen of deze als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd.

Artikel 9. In aanmerking te nemen eenheid
1.

De voor de toepassing van dit protocol in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 10. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 11. Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong beschouwd wanneer alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd wanneer de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 12. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 13. Territorialiteitsbeginsel
1.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 moet zonder onderbreking zijn voldaan aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus in de OZA-staten of in de Gemeenschap.

2.

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 worden goederen van oorsprong die uit een OZA-staat of de Gemeenschap naar een ander land zijn uitgevoerd en dan terugkeren, geacht geen product van oorsprong meer te zijn, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

Artikel 14. Rechtstreeks vervoer
1.

De preferentiële behandeling waarin de overeenkomst voorziet, is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen een OZA-staat en de Gemeenschap worden vervoerd, dan wel via het gebied van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde andere landen waarmee cumulatie mogelijk is. Producten die een enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander gebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dat gebied, mits ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het is evenwel toegestaan producten van oorsprong per pijpleiding door een ander gebied dan dat van een OZA-staat of de Gemeenschap te vervoeren.

2.

Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

Artikel 15. Tentoonstellingen
1.

Op producten van oorsprong die zijn verzonden naar een tentoonstelling in een ander land of gebied dan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden waarmee cumulatie mogelijk is, en die na de tentoonstelling zijn verkocht voor invoer in de Gemeenschap of een OZA-staat, is bij die invoer de overeenkomst van toepassing, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

2.

Overeenkomstig titel IV wordt een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld, dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt ingediend. Op dit bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.

TITEL IV. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 16. Algemene voorwaarden
1.

Producten van oorsprong uit een OZA-staat komen bij invoer in de Gemeenschap en producten van oorsprong uit de Gemeenschap komen bij invoer in een OZA-staat voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking op vertoon van:

2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 27 bedoelde gevallen voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

3.

Voor de toepassing van deze titel streven de exporteurs ernaar een taal te gebruiken die zowel door de OZA-staten als door de Gemeenschap wordt gebruikt.

Artikel 17. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in; modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen. Deze formulieren worden overeenkomstig de bepalingen van dit protocol ingevuld. Indien zij met de hand worden ingevuld, moet dit met inkt en in blokletters gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak zonder dat regels worden opengelaten. Indien het vak niet volledig wordt ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, moeten op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dat certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van een lidstaat of van een OZA-staat afgegeven indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, uit een OZA-staat of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

5.

De met de afgifte van het certificaat belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de producten bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 18. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In afwijking van artikel 17, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, indien:

2.

Voor de toepassing van lid 1 moet de exporteur in zijn aanvraag plaats en datum van uitvoer vermelden voor de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„ISSUED RETROSPECTIVELY”.

5.

De in lid 4 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 19. Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die het certificaat hebben afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„DUPLICATE”.

3.

De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat draagt dezelfde datum van afgifte als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die datum geldig.

Artikel 20. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een OZA-staat of in de Gemeenschap onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong bij verzending van deze producten of van een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen de OZA-staten of de Gemeenschap door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen. Dergelijke certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten en geviseerd door de douaneautoriteit die toezicht houdt op de producten.

Artikel 21. Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring
1.

De in artikel 16, lid 1, onder b), genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld:

2.

Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit een OZA-staat, uit de Gemeenschap of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen of gebieden kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.

3.

De exporteur die een factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

De factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in blokletters geschieden.

5.

De factuurverklaring wordt door de exporteur met de hand ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten van het land van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.

6.

Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 22. Toegelaten exporteur
1.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de bepalingen inzake handelssamenwerking van de overeenkomst van toepassing zijn, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprongsstatus van de producten en de naleving van de overige voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningsnummer toe, dat op de factuurverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 23. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
1.

Een bewijs van oorsprong is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer tien maanden geldig en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 24. Doorvoerprocedure

Wanneer de goederen een in de artikelen 3 en 4 bedoeld land of gebied binnenkomen dat niet het land van oorsprong is, gaat een nieuwe geldigheidsduur van 4 maanden in op de datum waarop de douaneautoriteiten van het land van doorvoer in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1:

Artikel 25. Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst voldoen.

Artikel 26. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 27. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong
1.

Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, mits deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 euro voor kleine colli of 1 200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 28. Informatieprocedure in verband met cumulatie
1.

Wanneer artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 5 worden toegepast, wordt het bewijs dat de materialen in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit een OZA-staat, de Gemeenschap, een andere ACS-staat, een LGO of een ander land waarmee cumulatie mogelijk is, geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V A bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de Gemeenschap indien de materialen uit de Gemeenschap afkomstig zijn.

2.

Wanneer artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 4, worden toegepast, wordt het bewijs van de be- of verwerking in een OZA-staat, de Gemeenschap, een andere ACS-staat of een LGO geleverd door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V B bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat waaruit de materialen afkomstig zijn, dan wel in de Gemeenschap indien de materialen uit de Gemeenschap afkomstig zijn.

3.

Voor elke goederenzending stelt de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring op, hetzij op de handelsfactuur betreffende die zending of op een bijlage bij die factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument betreffende die zending, waarin de betrokken materialen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.

4.

De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.

5.

De leveranciersverklaring wordt door de leverancier met de hand ondertekend. Wanneer de factuur en de leveranciersverklaring met de computer worden opgesteld, behoeft de leveranciersverklaring evenwel niet met de hand te worden ondertekend indien ten genoegen van de douaneautoriteiten in de staat waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld, is verklaard wie binnen de onderneming van de leverancier verantwoordelijk is. Deze douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.

6.

De leveranciersverklaring wordt ingediend bij de douaneautoriteiten in het land van uitvoer waar het verzoek om afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is gedaan.

7.

De leverancier die een verklaring opstelt, moet te allen tijde op verzoek van de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring is opgesteld alle documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de gegevens in zijn verklaring juist zijn.

8.

Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit protocol overeenkomstig artikel 26 van protocol 1 bij de Overeenkomst van Cotonou zijn afgegeven, behouden hun geldigheid.

Artikel 29. Bewijsstukken

De in artikel 17, lid 3, en artikel 21, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring is opgesteld, als producten van oorsprong uit een OZA-staat, uit de Gemeenschap of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

Artikel 30. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken
1.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, bewaren de in artikel 17, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

2.

Exporteurs die een factuurverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze factuurverklaring alsmede de in artikel 21, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

3.

Leveranciers die een leveranciersverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan zijn verklaring werd gehecht alsmede de in artikel 28, lid 7, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven, bewaren het in artikel 17, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie jaar.

5.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de factuurverklaringen die bij hen worden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 31. Verschillen en vormfouten
1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op het bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 32. In euro uitgedrukte bedragen
1.

Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, wordt, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van een OZA-staat, van de lidstaten van de Gemeenschap of van een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen of gebieden jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.

2.

Artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.

3.

De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De bedragen worden de Commissie van de Europese Gemeenschappen uiterlijk op 15 oktober medegedeeld en zijn van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende bedragen.

4.

Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan 5 procent afwijken van het door omrekening verkregen bedrag. Een land mag de tegenwaarde in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven indien bij de omrekening van dat bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder dan 15 procent van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.

5.

De in euro uitgedrukte bedragen worden op verzoek van de Gemeenschap of van de OZA-staten door het comité voor douanesamenwerking herzien. Bij deze herziening onderzoekt dit comité of het wenselijk is de effecten van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 33. Administratieve voorwaarden waaronder producten voor preferenties in aanmerking komen
1.

Producten die in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit de OZA-staten of uit de Gemeenschap, komen op het moment van de douaneaangifte ten invoer alleen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende preferenties in aanmerking indien zij werden uitgevoerd op of na de datum waarop het land van uitvoer aan de bepalingen in lid 2 voldeed.

2.

De overeenkomstsluitende partijen zullen:

Zij doen de in artikel 34 bedoelde kennisgevingen.

Artikel 34. Kennisgeving door de douaneautoriteiten van de partijen
1.

De OZA-staten en de lidstaten van de Gemeenschap doen elkaar via de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het secretariaat van de COMESA de adressen toekomen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte en/of controle van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van factuur- en leveranciersverklaringen, alsmede afdrukken van de stempels die in hun douanekantoren voor de afgifte van die certificaten worden gebruikt.

Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en factuur- en leveranciersverklaringen worden met het oog op de preferentiële behandeling aanvaard vanaf de datum van ontvangst van die informatie door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het secretariaat van de COMESA.

2.

De OZA-staten en de lidstaten van de Gemeenschap stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen in de in lid 1 bedoelde informatie.

3.

De in lid 1 bedoelde autoriteiten handelen onder gezag van de regering van het betrokken land. De met de controle belaste autoriteiten maken deel uit van de overheid van het betrokken land.

Artikel 35. Wederzijdse bijstand
1.

Ten behoeve van de correcte toepassing van dit protocol verlenen de Gemeenschap, de OZA-staten en de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen elkaar, via de bevoegde douaneautoriteiten, bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuur- en leveranciersverklaringen en van de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

2.

De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de omstandigheden waaronder het product is vervaardigd, met name over de omstandigheden waaronder de oorsprongsregels in de verschillende OZA-staten, de Gemeenschap en de in de artikelen 3, 4, en 5 bedoelde betrokken andere landen in acht zijn genomen.

Artikel 36. Controle van het bewijs van oorsprong
1.

Bewijzen van oorsprong worden achteraf op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprongsstatus van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 retourneren de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuur, indien deze werd voorgelegd, en de factuurverklaring of een kopie van deze documenten aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze controleaanvraag alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur of de fabrikant in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een OZA-staat, de Gemeenschap of een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de controleaanvraag geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd, de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.

7.

Wanneer de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit protocol worden geschonden, stelt het land van uitvoer op eigen initiatief of op verzoek van het land van invoer met de nodige spoed een onderzoek in of laat hij een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen; het betrokken land van uitvoer kan het land van invoer verzoeken aan deze controles deel te nemen.

Artikel 37. Controle van leveranciersverklaringen
1.

Leveranciersverklaringen worden op grond van een risicoanalyse en door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land waar die verklaringen in aanmerking zijn genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een factuurverklaring, gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

2.

De douaneautoriteiten waaraan een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad overeenkomstig het model in bijlage VI bij dit protocol. Voorts kunnen de certificeringsautoriteiten waaraan een leveranciersverklaring wordt overgelegd, de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring is opgesteld.

Het kantoor dat het inlichtingenblad heeft afgegeven, bewaart gedurende ten minste drie jaar een kopie hiervan.

3.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de gegevens in de leveranciersverklaring juist zijn, en de resultaten moeten hen in staat stellen te bepalen of en in hoeverre de leveranciersverklaring in aanmerking kan worden genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een factuurverklaring.

4.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land waar de leveranciersverklaring werd opgesteld. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de leverancier in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te controleren.

5.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat is afgegeven of opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring, wordt geacht ongeldig te zijn.

Artikel 38. Geschillenbeslechting

Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 36 en 37 bedoelde controles tussen de douaneautoriteiten die de controle aanvragen en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren die zij niet onderling kunnen regelen en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden voorgelegd aan het comité voor douanesamenwerking.

Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer is in alle gevallen de wetgeving van het land van invoer van toepassing.

Artikel 39. Sancties

Er worden sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel 40. Vrije zones
1.

De OZA-staten en de Gemeenschap nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun gebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere be- of verwerkingen ondergaan dan die welke bedoeld zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit een OZA-staat of uit de Gemeenschap onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone worden ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

Artikel 41. Comité voor douanesamenwerking
1.

Er wordt een comité voor douanesamenwerking, hierna „het comité” genoemd, opgericht, dat belast wordt met de uitvoering van de administratieve samenwerking met het oog op de correcte, uniforme toepassing van dit protocol en van alle andere taken op douanegebied.

2.

Het comité onderzoekt regelmatig de gevolgen van de toepassing van de oorsprongsregels voor de OZA-staten en in het bijzonder de minst ontwikkelde OZA-staten en doet aanbevelingen aan het EPO-comité over passende maatregelen.

3.

Het comité neemt besluiten over cumulatie overeenkomstig artikel 5.

4.

Het comité neemt besluiten over afwijkingen van dit protocol overeenkomstig artikel 42.

5.

Het comité vergadert regelmatig aan de hand van een agenda die vooraf tussen de OZA-staten en de Gemeenschap is overeengekomen.

6.

Het comité bestaat uit deskundigen uit de lidstaten van de Gemeenschap en ambtenaren van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor douanevraagstukken, enerzijds, en uit deskundigen die de OZA-staten vertegenwoordigen en ambtenaren van regionale groeperingen van de OZA-staten die verantwoordelijk zijn voor douanevraagstukken, anderzijds. Zo nodig kan het comité een beroep doen op passende expertise. Het voorzitterschap van het comité wordt beurtelings door elk van de partijen bekleed.

Artikel 42. Afwijkingen
1.

Het comité voor douanesamenwerking, hierna in dit artikel „het comité” genoemd, kan besluiten dat van dit protocol mag worden afgeweken wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën of de oprichting van nieuwe industrieën in de OZA-staten dit rechtvaardigt.

Voordat of wanneer de betrokken OZA-staat of -staten de aangelegenheid aan het comité voorlegt (voorleggen), stelt hij (stellen zij) de Gemeenschap overeenkomstig lid 2 van zijn (hun) verzoek om een afwijking in kennis, onder vermelding van de redenen voor dit verzoek.

De Gemeenschap willigt alle verzoeken van OZA-staten in die overeenkomstig dit artikel naar behoren gemotiveerd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie in de Gemeenschap.

2.

Om het onderzoek van verzoeken om een afwijking door het comité te vergemakkelijken, verstrekken OZA-staten die een verzoek doen, ter staving van hun verzoek op het in bijlage VII bij dit protocol opgenomen formulier zo volledig mogelijke gegevens over met name de volgende punten:

Dezelfde regels zijn van toepassing op verzoeken om een verlenging.

Het formulier kan door het comité worden gewijzigd.

3.

Bij het onderzoek van verzoeken wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

4.

In alle gevallen wordt onderzocht of de regels inzake cumulatie van oorsprong een oplossing voor het probleem bieden.

5.

Wanneer het verzoek om een afwijking een van de minst ontwikkelde OZA-staten of een insulaire OZA-staat betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

6.

Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid de oorsprongsstatus te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit naburige ontwikkelingslanden, de minst ontwikkelde landen of ontwikkelingslanden waarmee een of meer OZA-staten bijzondere banden hebben, mits met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.

7.

Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die aan de in de betrokken OZA-staat gebruikte, niet van oorsprong zijnde producten wordt toegevoegd, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, mits door deze afwijking geen ernstige schade ontstaat voor een economische sector van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten.

8.

Onverminderd en in aanvulling op de leden 1 tot en met 7 worden afwijkingen betreffende ingeblikte tonijn en tonijnzijden toegestaan binnen een contingent van 8 000 ton per jaar voor ingeblikte tonijn en van 2 000 ton per jaar voor tonijnzijden.

Verzoeken om een dergelijke afwijking moeten door de OZA-staten in overeenstemming met bovengenoemd contingent worden ingediend bij het comité, dat de afwijking automatisch verleent en door middel van een besluit in werking doet treden.

9.

Het comité ziet erop toe dat zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EG-medevoorzitter van het comité, een besluit wordt genomen. Indien de Gemeenschap een OZA-staat niet binnen deze termijn van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 43. Bijzondere voorwaarden
1.

De in dit protocol gebruikte term „Gemeenschap” omvat niet Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de Gemeenschap” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.

2.

Dit protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, als van oorsprong uit een OZA-staat kunnen worden aangemerkt.

3.

Wanneer volledig in Ceuta, Melilla of de Gemeenschap verkregen producten in een OZA-staat een be- of verwerking ondergaan, worden zij geacht volledig in een OZA-staat te zijn verkregen.

4.

Be- en verwerkingen in Ceuta en Melilla of de Gemeenschap worden geacht in een OZA-staat te zijn verricht wanneer de materialen in een OZA-staat een verdere be- of verwerking ondergaan.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 8 van dit protocol genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als be- of verwerking beschouwd.

6.

Ceuta en Melilla worden als een enkel gebied beschouwd.

TITEL VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 44. Wijziging van het protocol

Het OZA-comité kan besluiten dit protocol te wijzigen.

Artikel 45. Bijlagen

De bijlagen bij dit protocol maken daarvan een integrerend deel uit.

Artikel 46. Tenuitvoerlegging van het protocol

De Gemeenschap en de OZA-staten nemen elk de nodige stappen om dit protocol ten uitvoer te leggen.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Werkingssfeer
1.

De partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.

2.

De in dit protocol bedoelde bijstand in douaneaangelegenheden geldt voor alle overheidsinstanties van de partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze er vooraf mee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

3.

Bijstand bij de invordering van rechten, belastingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor speciaal toezicht op:

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

Artikel 5. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor:

2.

Verzoeken om de overhandiging van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling van het verzoek noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken ook mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd. Verzoeken kunnen ook in elektronische vorm worden gedaan.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

3.

Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

4.

Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormvereisten voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kan opdracht worden gegeven tot conservatoire maatregelen.

Artikel 7. Uitvoering van verzoeken
1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.

2.

Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de partij waaraan het verzoek is gericht.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden:

Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

2.

Op verzoek kan de in lid 1 bedoelde informatie in elektronische vorm worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een betrokken partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht
1.

Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elk van de partijen. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de desbetreffende wetgeving van de ontvangende partij, dan wel door de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, aan dergelijke gegevens wordt geboden.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de ontvangende partij zich ertoe verbindt die gegevens te beschermen op een passende wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de partij die de gegevens verstrekt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Europese Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van de informatie die zij op grond van dit protocol hebben verkregen en van de documenten waarin zij op grond van dit protocol inzage hebben gekregen. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage in de documenten heeft gegeven, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Wanneer een van de partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften over te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke of administratieve instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging
1.

Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende OZA-staten, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds. Zij stellen alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke praktische maatregelen en regelingen vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming.

2.

De partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die zij op grond van dit protocol vaststellen.

Artikel 14. Wijzigingen

De partijen kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

Artikel 15. Slotbepalingen
1.

Dit protocol is een aanvulling op en geen beletsel voor de toepassing van overeenkomsten inzake wederzijdse administratieve bijstand die tussen de partijen zijn gesloten of kunnen worden gesloten en staat niet in de weg aan uitgebreidere wederzijdse bijstand uit hoofde van dergelijke overeenkomsten.

2.

Dit protocol laat de verplichtingen van de partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet.

3.

Dit protocol laat onverlet de bepalingen van de Europese Gemeenschap betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Gemeenschap.

4.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en een overeenkomstsluitende OZA-staat zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

5.

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het EPO-comité.