Internationaal Verdrag voor de vereenvoudiging van douaneformaliteiten
Wenschende de toepassing te verzekeren van het beginsel van de rechtvaardige behandeling van den handel, zooals dat is neergelegd in artikel 23 van het Volkenbondverdrag;
Overtuigd, dat bevrijding van den internationalen handel van den last van onnoodige, overdreven of willekeurige douane- of dergelijke formaliteiten een belangrijke stap naar de bereiking van dit doel zou beteekenen;
Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is een internationale overeenkomst tot stand te brengen, gegrond op een rechtvaardige wederkeerigheid;
Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten;
Weshalve de Hooge Verdragsluitende Partijen als haar Gevolmachtigden hebben benoemd:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
die, na mededeeling van hunne volmachten, welke in goede orde zijn bevonden, het volgende zijn overeengekomen:
Artikel 1
Teineinde onderling het beginsel en de bepalingen van artikel 23 van het Volkenbondverdrag, voorzoover betreft de rechtvaardige behandeling van den handel, toe te passen, verbinden de Verdragstaten zich hun handelsbetrekkingen niet te belemmeren door overdreven, onnoodige of willekeurige douane- of dergelijke formaliteiten.
Te dien einde verbinden de Verdragstaten zich, door alle gepaste wetgevende of administratieve maatregelen de herziening te bevorderen van de bepalingen, neergelegd in hun wetten of reglementen of in de voorschriften en instructies van hun administratieve autoriteiten, voor zoover betreft de douane- en dergelijke formaliteiten, teneinde deze te vereenvoudigen en van tijd tot tijd aan te passen aan de behoeften van de handelsbetrekkingen met het buitenland en daarbij iedere belemmering te vermijden, die niet noodzakelijk zou zijn voor de bescherming van de wezenlijke belangen van het land.
Artikel 2
De Verdragstaten verbinden zich het beginsel van de rechtvaardige behandeling nauwlettend in acht te nemen, ten aanzien van douane- of dergelijke voorschriften of behandeling, formaliteiten ter zake van het afgeven van consenten, wijze van verificatie of onderzoek of alle andere onderwerpen, bedoeld in dit Verdrag; en overeenkomstig dit beginsel komen zij overeen zich te dezer zake te onthouden van iedere onrechtvaardige achterstelling, die gericht zou zijn tegen den handel van eenigen Verdragstaat.
Het hierboven bedoeld beginsel blijft van toepassing zelfs in de gevallen, waarin zekere Verdragstaten, overeenkomstig hun wetgeving of hun handelsovereenkomsten, elkander nog grootere faciliteiten zouden toekennen dan die, welke voort vloeien uit dit Verdrag.
Artikel 3
Op grond van de ernstige belemmeringen, die verboden en beperkingen van invoer of van uitvoer aan den internationalen handel in den weg leggen, verbinden de Verdragstaten zich om, zoodra de omstandigheden hun dit mogelijk zullen maken, alle maatregelen te nemen en toe te passen, die geschikt zullen zijn om zoodanige verboden en beperkingen tot een minimum terug te brengen en in ieder geval om inzake consenten, die in afwijking van de invoer- of uitvoerverboden worden uitgereikt, alle noodige maatregelen te nemen:
- a). opdat de voorwaarden, waaraan voldaan, en de formaliteiten, welke vervuld moeten worden om deze consenten te verkrijgen, onmiddellijk in zoo duidelijken en zoo nauwkeurigen vorm als mogelijk is ter kennis van het publiek worden gebracht;
- b). opdat de wijze van afgifte van deze stukken zoo eenvoudig mogelijk zij en zoo weinig mogelijk onderhevig aan wijziging;
- c). opdat het onderzoek van de aanvragen en de afgifte van de consenten aan de belanghebbenden met den grootst mogelijken spoed worde verricht;
- d). opdat het stelsel van afgifte van consenten zoodanig worde ingericht, dat een handel in dergelijke documenten worde voorkomen. Te dien einde zullen de consenten, wanneer zij worden afgegeven aan personen, den naam moeten vermelden van den houder en niet door een ander mogen worden gebruikt;
- e). opdat, ingeval van het vaststellen van contingenten, de formaliteiten, die opgelegd worden door het land van invoer, niet zoodanig zijn, dat zij een rechtvaardige toebedeeling van de hoeveelheid goederen, waarvan de invoer wordt toegestaan, beletten.
Artikel 4
De Verdragstaten zullen onverwijld alle reglementen betreffende douane- en dergelijke formaliteiten, evenals alle wijzigingen, die hierin worden aangebracht, voorzoover deze tot dusverre niet zouden zijn bekend gemaakt, op zoodanige wijze publiceeren, dat de betrokken personen hiervan kennis kunnen nemen, en aldus de nadeelen vermijden, die zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van douane-formaliteiten, die zij niet kennen.
De Verdragstaten verbinden zich, geen enkelen maatregel betreffende de douaneregeling in werking te doen treden, die niet van te voren ter kennis van het publiek zal zijn gebracht, hetzij door middel van publicatie in het Staatsblad van het land, of door eenig ander geschikt officieel of particulier middel van publiciteit.
Dezelfde verplichting tot voorafgaande bekendmaking is van toepassing op alles wat betreft de tarieven, evenals de verboden en beperkingen van invoer of van uitvoer.
Intusschen zullen in gevallen van zoo bijzonderen aard, dat voorafgaande bekendmaking nadeel zou kunnen toebrengen aan de wezenlijke belangen van het land, de bepalingen van lid 2 en 3 van dit artikel haar verplichtend karakter verliezen. In zoodanige gevallen zal echter de bekendmaking zooveel mogelijk moeten samenvallen met het in werking treden van den genomen maatregel.
Artikel 5
Iedere Verdragstaat, die door achtereenvolgende toevoegingen of veranderingen zijn douane-tarief voor een belangrijk aantal artikelen zal hebben gewijzigd, zal hiervan aan het publiek een duidelijk overzicht moeten geven door in een gemakkelijk toegankelijken vorm alle rechten, welke van toepassing zijn tengevolge van het geheel der geldende bepalingen, te publiceeren.
Te dien einde zullen alle rechten, welke geheven worden door de douane-autoriteiten op grond van den invoer of van den uitvoer van goederen, op een stelselmatige wijze moeten worden aangeduid, onverschillig of daarbij sprake is van douanerechten, bijkomende onkosten, heffingen op verbruik, op vervoer, kosten van behandeling van goederen of dergelijke kosten, en in het algemeen heffingen van welken aard ook, met dien verstande, dat de hierboven bedoelde verplichting beperkt is tot de rechten en kosten, die voor rekening van den Staat en op grond van de vrijmaking van de ingevoerde of uitgevoerde goederen worden geheven.
Terwijl de heffingen, waaraan de goederen onderworpen zijn, aldus duidelijk worden aangegeven, zal men voorzoover betreft de heffingen op het verbruik en andere heffingen, die voor rekening van den Staat op grond van de vrijmaking van goederen worden geheven, duidelijk moeten aangeven of de buitenlandsche goederen onderhevig zijn aan een bijzondere belasting, voortvloeiende uit het feit, dat bij wijze van uitzondering deze belasting in het geheel niet of slechts gedeeltelijk kan worden geheven van de goederen van het land van invoer.
De Verdragstaten verbinden zich de noodige maatregelen te nemen om de kooplieden in staat te stellen zich officieele inlichtingen te verschaffen omtrent de douane-tarieven, en met name omtrent het bedrag der rechten, die ten opzichte van een bepaalde koopwaar worden geheven.
Artikel 6
Ten einde de Verdragstaten en hun onderdanen in staat te stellen zoo spoedig mogelijk kennis te nemen van alle in de artikelen 4 en 5 bedoelde maatregelen, die van belang zijn voor hun handel, verbindt iedere Verdragstaat zich aan den diplomatieken vertegenwoordiger van ieder van de andere Staten of aan iederen anderen vertegenwoordiger, die voor dit doel wordt aangewezen en op zijn grondgebied verblijf houdt, alle publicaties te doen toekomen, die overeenkomstig de genoemde artikelen worden uitgegeven, met dien verstande, dat deze mededeeling moet geschieden terstond bij de bekendmaking, en in twee exemplaren. Bij gebreke van een diplomatiek of ander vertegenwoordiger zal de mededeeling aan den betrokken Staat geschieden op de wijze, die deze voor dit doel zal aangeven.
Iedere Verdragstaat verbindt zich bovendien alle publicaties, welke plaats hebben overeenkomstig de artikelen 4 en 5, zoodra deze zullen zijn verschenen, in tien exemplaren te doen toekomen aan het Secretariaat van den Volkenbond.
Iedere Verdragstaat verbindt zich eveneens alle douanetarieven of wijzigingen in de tarieven, welke door hem worden vastgesteld, zoodra deze zullen zijn verschenen, in tien exemplaren toe te zenden aan het „Internationaal Bureau voor de bekendmaking van de Douanetarieven” te Brussel, waaraan door het internationale Verdrag van 5 Juli 1890 de vertaling en de bekendmaking der tarieven is opgedragen.
Artikel 7
De Verdragstaten verbinden zich, zoowel door middel van hun wetgeving als van hun administratie, de meest geschikte maatregelen te nemen, teneinde willekeurige of onrechtvaardige toepassing van hun wetten en regelingen op douane- en dergelijk gebied te voorkomen, alsmede een beroep langs den administratieven, rechterlijken of scheidsrechterlijken weg te verzekeren aan hen, die door zoodanige misbruiken zouden kunnen zijn benadeeld.
Alle zoodanige maatregelen, die op dit oogenblik van kracht zijn of die in de toekomst zullen worden genomen, zullen moeten worden bekendgemaakt op de in de artikelen 4 en 5 aangegeven wijze.
Artikel 8
Met uitzondering van de gevallen, waarin goederen zouden kunnen vallen onder een invoerverbod, en voorzoover de aanwezigheid der goederen niet noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil, moeten de goederen, die het voorwerp uitmaken van een geschil met betrekking tot de toepassing van het tarief, de oorsprong, de herkomst of de waarde, op verzoek van den aangever onmiddellijk te zijner vrije beschikking worden gesteld, zonder dat de oplossing van het geschil wordt afgewacht, onder voorbehoud echter van de maatregelen, welke noodig kunnen zijn ter bescherming van de belangen van den Staat. Het is wel te verstaan, dat de terugbetaling van het in bewaring gegeven bedrag der rechten of de opheffing van de zekerheid, die de aangever heeft gesteld, plaats zal hebben, zoodra het geschil tot oplossing zal zijn gebracht, hetgeen in ieder geval zoo spoedig mogelijk zal moeten geschieden.
Artikel 9
Teneinde de vorderingen te doen uitkomen, welke bereikt zijn in alles wat betrekking heeft op de vereenvoudiging van de douane- of dergelijke formaliteiten, als bedoeld in de voorafgaande artikelen, moet ieder van de Verdragstaten, binnen een tijdsverloop van 12 maanden nadat dit Verdrag voor hem zal zijn in werking getreden, aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond een overzicht doen toekomen van de maatregelen, welke hij heeft genomen om de bedoelde vereenvoudiging te verzekeren.
Dergelijke overzichten zullen daarna iedere drie jaar en telkens wanneer de Raad van den Volkenbond het verzoekt, worden overgelegd.
Artikel 10
Monsters en modellen, welke onderhevg zijn aan invoerrechten en niet door een verbod worden getroffen, zullen, wanneer zij worden ingevoerd door fabrikanten of kooplieden, gevestigd in een van de Verdragstaten, hetzij dit persoonlijk, hetzij door tusschenkomst van handelsreizigers geschiedt, met voorloopige vrijstelling van rechten worden toegelaten op het grondgebied van ieder van de Verdragstaten, onder voorbehoud, dat het voor de invoerrechten verschuldigde bedrag worde gestort, of zekerheid worde gesteld voor eventueele betaling van deze rechten.
Om van dit voorrecht gebruik te kunnen maken, moeten de fabrikanten of kooplieden en handelsreizigers zich gedragen overeenkomstig de wetten, reglementen en douaneformaliteiten, welke door de genoemde Staten ter zake zijn vastgesteld; deze wetten en reglementen zullen aan de betrokkenen de verplichting kunnen opleggen, voorzien te zijn van een legitimatie-kaart.
Voor de toepassing van dit artikel worden als monsters of modellen beschouwd alle voorwerpen, bestemd om een bepaalde koopwaar weer te geven, echter onder voorbehoud eerstens, dat het mogelijk is deze voorwerpen behoorlijk te identificeeren, wanneer zij weder worden uitgevoerd, en ten tweede, dat de invoer dier voorwerpen niet in zoodanige hoeveelheden of waarden plaats heeft, dat zij in hun geheel genomen niet meer het gebruikelijke karakter van monsters hebben.
De douane-autoriteiten van elk van de Verdragstaten zullen ten aanzien van de latere herkenning der monsters of modellen genoegen nemen met de merken, die er op zijn aangebracht door de douane-autoriteiten van een anderen Verdragstaat, mits deze monsters of modellen vergezeld zijn van een beschrijvende lijst, welke door de douane-autoriteiten van dien laatsten Staat is gewaarmerkt. Intusschen zullen aanvullende merken kunnen worden aangebracht op de monsters of modellen, door de douane-beambten van het land van invoer in alle gevallen, waarin deze zoodanigen aanvullenden waarborg noodzakelijk zouden achten om de herkenning van de monsters of modellen bij den wederuitvoer te verzekeren. Buiten dit laatste geval zal de verificatie door de douane uitsluitend bestaan in het vaststellen van de identiteit van de monsters en in het bepalen van het bedrag der rechten en kosten, die eventueel geëischt kunnen worden.
De termijn voor wederuitvoer is bepaald op minstens zes maanden, behoudens de bevoegdheid tot verlenging, welke is toegekend aan de douane-administratie van het land van invoer. Wanneer de toegestane termijn is verstreken, zal betaling van rechten over de monsters, die niet weder zijn uitgevoerd, worden verlangd.
Terugbetaling van rechten, gestort bij invoer of opheffing van de gestelde zekerheid in zake de betaling van die rechten, zal onverwijld geschieden bij alle kantoren aan de grens of binnen in het land, waaraan de noodige bevoegdheid daartoe zal zijn verleend, en wel eventueel onder aftrek van de rechten voor de monsters of modellen, die niet voor wederuitvoer zijn aangeboden. De Verdragstaten zullen de lijst van de kantoren, waaraan zoodanige bevoegdheid is verleend, bekend maken.
Ingeval een legitimatiekaart wordt vereischt, moet deze overeenkomen met het model, dat als bijlage is gevoegd bij dit artikel, en worden afgegeven door een autoriteit, te dien einde aangewezen door den Staat, waar de fabrikanten of kooplieden hunne onderneming gevestigd hebben. Op voorwaarde van wederkeerigkeid zullen de legitimatiekaarten vrijgesteld zijn van een consulair of ander visum, met uitzondering van het geval, dat een Staat zou aantoonen, dat bijzondere of uitzonderingsomstandigheden hem verplichten een zoodanig visum te eischen. In zoodanig geval zullen de kosten van het visum op een zoo laag mogelijk bedrag moeten worden gesteld en de kosten der afgifte niet te boven mogen gaan.
De Verdragstaten zullen elkander rechtstreeks binnen zoo kort mogelijken termijn mededeeling doen van de lijst van de autoriteiten, waaraan de bevoegdheid wordt toegekend tot de afgifte van legitimatiekaarten; zij zullen eveneens hiervan mededeeling doen aan het Secretariaat van den Volkenbond.
In afwachting van de totstandkoming van het bovenomschreven stelsel, zullen de faciliteiten, die de Staten thans reeds verleenen, niet beperkt worden.
De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van die, welke betrekking hebben op legitimatiekaarten, zijn op de monsters en modellen, die onderworpen zijn aan invoerrechten, niet onderhevig zijn aan invoerverboden, en ingevoerd worden door de fabrikanten, handelaars of handelsreizigers, gevestigd in één van de Verdragstaten, ook dan toepasselijk, wanneer deze fabrikanten, handelaars of handelsreizigers de monsters of modellen niet vergezellen.
Artikel 11
De Verdragstaten zullen de gevallen, waarin certificaten van oorsprong worden geëischt, zooveel mogelijk beperken.
In overeenstemming met dit beginsel en met dien verstande, dat de douane-administraties haar volle recht van contrôle behouden ten aanzien van den werkelijken oorsprong der goederen en dientengevolge ook het recht om niettegenstaande de overlegging van certificaten alle andere bewijzen te vorderen, welke zij noodig oordeelen, aanvaarden de Verdragstaten de verplichting om zich overeenkomstig de volgende bepalingen te gedragen:
- 1°. de Verdragstaten zullen er naar streven om de voorschriften en de formaliteiten met betrekking tot de afgifte en de erkenning van de certificaten van oorsprong, zo eenvoudig en rechtvaardig mogelijk te maken en zij zullen ter kennis van het publiek brengen in welke gevallen de certificaten worden geëischt en onder welke voorwaarden zij worden afgegeven.
- 2°. De certificaten van oorsprong kunnen niet alleen worden afgegeven door de officieele autoriteiten van de Verdragstaten, maar ook door alle andere organisaties, daartoe bevoegd en de noodige waarborgen biedende, welke van te voren te dien einde door ieder van de betrokken Staten zijn goedgekeurd. Iedere Verdragstaat zal zoo spoedig mogelijk aan het Secretariaat van den Volkenbond een lijst mededeelen van de organisaties, die hij bevoegd zal hebben verklaard tot de afgifte van de certificaten van oorsprong. Iedere Staat behoudt zich het recht voor zijn goedkeuring van een van de aldus opgegeven organisaties in te trekken, wanneer hij vaststelt, dat deze organisatie op ongeoorloofde wijze de bedoelde certificaten heeft afgegeven.
- 3°. Ingeval goederen niet rechtstreeks uit het land van oorsprong worden ingevoerd, maar het land binnenkomen over het grondgebied van een derden Verdragstaat, zullen de douane-administraties de certificaten van oorsprong, zooals deze zijn opgemaakt door de bevoegde organisaties van dit derde land, aanvaarden, waarbij zij zich echter het recht voorbehouden om de juistheid van zoodanige certificaten op dezelfde wijze te verifieeren als ingeval van certificaten, die afgegeven zijn door het land van oorsprong.
- 4°. De douane-administraties zullen het overleggen van een certificaat van oorsprong niet verlangen:
- a). wanneer de betrokkene afziet van de voordeelen van een behandeling, welker toepassing afhankelijk is van het overleggen van een zoodanig certificaat;
- b). wanneer reeds de aard van de goederen onbetwistbaar den oorsprong aanwijst en te dien aanzien een voorafgaande overeenkomst tusschen de betrokken Staten is getroffen;
- c). wanneer de goederen vergezeld zijn van een certificaat, waaruit blijkt, dat zij recht hebben op een regionale benaming, onder voorbehoud, dat dit certificaat afgegeven is door een daartoe bevoegde organisatie, goedgekeurd door het land van invoer.
- 5°. Wanneer de wetgeving van de betrokken landen zich er niet tegen verzet, moeten de douane-administraties, ingeval wederkeerigkeid is verzekerd:
- a). met uitzondering van gevallen waarin misbruik wordt vermoed, eveneens van de overlegging van een bewijs van oorsprong vrijstellen de invoeren, die klaarblijkelijk geen handelskarakter dragen of die, hoewel zij dat karakter dragen, slechts een geringe waarde hebben;
- b). certificaten van oorsprong, afgegeven voor goederen waarvan de uitvoer niet onmiddellijk heeft plaats gehad, aanvaarden, mits de afzending van deze goederen plaats heeft gehad binnen een termijn van een of twee maanden, naar gelang het land van afzending en het land van bestemming al dan niet aan elkander grenzen, met dien verstande, dat deze termijnen vatbaar zijn voor verlenging wanneer de redenen gegeven ter verklaring van de vertraging in het vervoer afdoende voorkomen.
- 6°. Wanneer om een aannemelijke reden de invoerder niet in staat is een certificaat van oorsprong bij den invoer van goederen over te leggen, zal het noodige uitstel voor het overleggen van dit stuk hem kunnen worden toegestaan op de voorwaarden, die de douane-administraties nuttig zullen oordeelen om de betaling van de eventueel verschuldigde rechten te waarborgen. Wanneer het certificaat later wordt overgelegd, zullen de rechten, die te veel betaald of gestort zijn, zoo spoedig mogelijk worden terugbetaald. Bij de toepassing van deze bepaling, zal rekening worden gehouden met de gevolgen van een eventueel overschrijden van de vastgestelde contingenten.
- 7°. De certificaten zullen kunnen worden opgesteld, hetzij in de taal van het land van invoer, hetzij in die van het land van uitvoer; de douane van het land van invoer heeft, ingeval van twijfel over de strekking van het stuk, het recht een vertaling er van te verlangen.
- 8°. De certificaten van oorsprong zullen in beginsel vrijgesteld zijn van het consulair visum, met name wanneer zij uitgaan van de douane-administraties. Wanneer in uitzonderingsgevallen het consulaire visum vereischt blijft, kunnen de betrokken personen te hunner keuze de certificaten van oorsprong doen viseeren, hetzij door den consul van hun ressort, hetzij door den consul van een naburig ressort; de kosten van het visum zullen zoo gering mogelijk moeten zijn en die van de afgifte niet te boven mogen gaan, met name wanneer het zendingen van geringe waarde betreft.
- 9°. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op alle stukken, die dienst doen als certificaten van oorsprong.
Artikel 12
De zoogenaamde consulaire facturen zullen alleen verlangd mogen worden voorzoover het overleggen er van noodzakelijk is, hetzij om den oorsprong van de ingevoerde goederen vast te stellen, wanneer de oorsprong invloed kan hebben op de voorwaarden van toelating van de goederen, hetzij om de waarde er van vast te stellen ingeval van belasting naar de waarde, voor de toepassing waarvan de handelsfactuur niet voldoende zou zijn.
De vorm van de consulaire facturen zal vereenvoudigd worden teneinde alle verwarringen of moeilijkheden te vermijden en het opstellen van deze stukken door belanghebbenden te vergemakkelijken.
De kosten van het visum van de consulaire facturen zullen een vaste som bedragen, welk bedrag zoo laag mogelijk zal moeten zijn en voorts zullen voor eenzelfde factuur niet meer dan drie exemplaren mogen worden verlangd.
Artikel 13
Wanneer de behandeling, die op een bepaalde soort van goederen bij invoer moet worden toegepast, afhankelijk is van de uitvoering van bijzondere technische voorwaarden nopens de samenstelling, den graad van zuiverheid, de hoedanigheid, den gezondheidstoestand, het gebied van productie of andere dergelijke omstandigheden, zullen de Verdragstaten er naar streven overeenkomsten te sluiten, krachtens welke de in het uitvoerende land afgegeven certificaten, evenals de zegels of merken, die daar zijn aangebracht om te waarborgen, dat bedoelde voorwaarden zijn vervuld, worden aanvaard, zonder dat deze goederen aan een tweede onderzoek of een nieuwe keuring in het land van invoer worden onderworpen, onder voorbehoud, dat bijzondere waarborgen kunnen worden verlangd, wanneer er reden bestaat om aan te nemen, dat aan de vereischte voorwaarden niet is voldaan. Het land van invoer zou eveneens alle waarborgen moeten hebben ten aanzien van de autoriteit, die de certificaten afgeeft, evenals ten aanzien van den aard en het karakter van het onderzoek, dat in het land van uitvoer wordt ingesteld. Anderzijds zouden de douane-autoriteiten van het land van invoer het recht moeten behouden om over te gaan tot een nieuw onderzoek, telkens wanneer er bijzondere redenen zouden zijn om dit te doen.
Teneinde de algemeene aanvaarding van zoodanige overeenkomsten te bevorderen, zou het nuttig zijn daarin op te nemen:
- a). De methodes, die gelijkelijk zouden moeten worden gevolgd door alle laboratoria, belast met het verrichten van analyses of andere onderzoekingen, welke methodes periodiek dienen te kunnen worden herzien op verzoek van een of meer Staten, die partij zijn bij zoodanige overeenkomsten;
- b). Aard en karakter van de onderzoekingen, in het land van ieder van de Staten, die partij zijn bij zoodanige overeenkomsten, te verrichten, waarbij in het bijzonder de graad van zuiverheid, welke voor de producten wordt verlangd, zoodanig worde vastgesteld, dat die eisch niet in werkelijkheid zou gelijk staan met een invoerverbod.
Artikel 14
De Verdragstaten zullen de meest geschikte methodes onderzoeken tot het vereenvoudigen, het meer eenvormig en tevens meer redelijk maken — hetzij door individuele, hetzij door gemeenschappelijke actie —- van de formaliteiten, welke betrekking hebben op het snel vrijmaken van goederen, het visiteeren van reizigersbagage, de behandeling van goederen in entrepôt, de pakhuishuren en de andere aangelegenheden als bedoeld in de bijlage van dit artikel.
Voor de toepassing van dit artikel zullen de Verdragstaten de in deze bijlage vervatte aanbevelingen in gunstige overweging nemen.
Organisatie en uitoefening van den dienst.
-
- Teneinde ophooping aan bepaalde grenskantoren te vermijden, is het wenschelijk, dat de praktijk van de vrijmaking aan de kantoren of entrepôts in het binnenland wordt vergemakkelijkt, wanneer de reglementen van den inwendigen dienst, de inrichting der vervoermiddelen en de aard van de goederen dit toelaten.
-
- Het is wenschelijk, dat, behoudens in gevallen dat misbruik wordt vermoed, en onverminderd de rechten welke de Staten krachtens hunne wetgeving bezitten, de douaneloodjes of de zegels, welke door een Staat zijn aangebracht om transitogoederen of goederen die verzonden worden naar een entrepôt, door de andere Staten worden erkend en geëerbiedigd, onder voorbehoud van de bevoegdheid van deze laatste om de looding of verzegeling aan te vullen door nieuwe douanemerken aan te brengen.
In- en uitklaring der goederen.
-
- Het is wenschelijk, dat de Staten, voorzoover dit mogelijk is en onverminderd de bevoegdheid om bijzondere kosten te heffen:
- a). de in- en uitklaring van aan bederf onderhevige goederen buiten de uren, waarop de kantoren geopend zijn en buiten de werkdagen bevorderen;
- b). het laden en lossen van vaartuigen en booten toestaan buiten de gewone werkdagen en diensturen van de douane, voorzoover hun wetgeving dit toelaat.
Faciliteiten toe te staan aan den aangever.
-
- Het is wenschelijk, dat de geadresseerde, met inachtneming van de bepalingen van artikel 10 van de Berner Conventie van 14 October 1890 nopens het vervoer van goederen per spoor, gewijzigd door die van 19 September 1906, steeds vrij zal zijn, zelf de goederen bij de douane aan te geven, of deze aangifte te laten doen door een door hem aan te wijzen persoon.
-
- Het is wenschelijk, dat — daar waar dit stelsel uitvoerbaar zal worden geacht — een formulier wordt aangenomen, dat tegelijkertijd de aangifte voor de douane —- in te vullen door den belanghebbende — het bewijs van verificatie en wanneer het betreffende land dit wenschelijk oordeelt, ook het bewijs van ontvangst voor de betaling van de invoerrechten bevat.
-
- Het is wenschelijk, dat de Staten zich zooveel mogelijk er van onthouden zware straffen op te leggen voor lichte overtredingen inzake de voorgeschreven handelingen of reglementen in douane-aangelegenheden. In het bijzonder zal, ingeval het overleggen van documenten wordt vereischt voor de vrijmaking van goederen, wanneer daarbij een verzuim of een vergissing is begaan, waarbij klaarblijkelijk iedere bedriegelijke bedoeling ontbreekt en welke gemakkelijk hersteld kan worden, de eventueele boete tot een minimum behooren te worden beperkt, opdat deze boete zoo weinig bezwaarlijk mogelijk zij en geen ander karakter drage dan dat van een ordeboete, d.w.z. van een eenvoudige waarschuwing.
-
- Het zou nuttig zijn de mogelijkheid te overwegen om voor de betaling of de zekerheidstelling voor de betaling van invoerrechten gebruik te maken van post- of bankchèques, gedekt door een vooraf gestelde blijvende borgstelling.
-
- Het is wenschelijk, dat de douane-autoriteiten zooveel mogelijk gemachtigd worden om, wanneer de identiteit van de goederen te haren genoegen kan worden vastgesteld, in geval van wederuitvoer van de goederen, de bij den invoer betaalde rechten terug te betalen, mits deze goederen onafgebroken onder de contrôle van de douane zijn gebleven. Het is eveneens wenschelijk, dat geen uitvoerrechten worden geheven bij den wederuitvoer van deze goederen.
-
- Het zou gewenscht zijn gepaste maatregelen te nemen ten einde te bevorderen, dat iedere vertraging wordt vermeden bij de vrijmaking van handelscatalogi en andere gelijksoortige drukwerken, bestemd voor reclame, wanneer deze over de post worden verzonden of verpakt worden met de goederen, waarop zij betrekking hebben.
-
- Het is wenschelijk, dat in die gevallen waarin zekere stukken, die noodig zijn voor de douane-formaliteiten, het visum van een consul of van een andere autoriteit moeten dragen, het kantoor dat belast is met de afgifte van het visum er naar streeft zooveel mogelijk de diensturen aan te nemen, gebruikelijk in de handelskringen van de plaats, waar het kantoor zich bevindt; voorts is het wenschelijk, dat de kosten verschuldigd voor uren buiten den diensttijd, wanneer deze worden geheven, tot een zoo redelijk mogelijk bedrag worden beperkt.
-
- Het is wenschelijk de visitatie van hand-bagage zoo algemeen mogelijk te doen plaats vinden in de treinen, die geheel uit doorloopende wagens bestaan, hetzij tijdens de reis, hetzij tijdens het oponthoud van de treinen aan een grensstation.
-
- Het is wenschelijk, dat de sub 11 aanbevolen handelwijze met betrekking tot de visitatie van reizigersbagage zooveel mogelijk wordt uitgestrekt tot reizen op zee en op rivieren. De visitatie zou, voor zoover dit mogelijk is, aan boord van de schepen moeten plaats hebben, hetzij onderweg, wanneer de overtocht niet lang duurt, hetzij bij aankomst in de haven.
-
- Het is wenschelijk, dat in de douane-lokalen en zooveel mogelijk ook in de spoorwegwagens en aan boord van schepen een opgave van de rechten en lasten, waaraan de voornaamste voorwerpen, die reizigers gewoonlijk bij zich hebben, zijn onderworpen, worde aangeplakt, evenals ook een opgave van artikelen, waarvan de invoer verboden is.
-
- Het is wenschelijk, dat de Staten in wier land instellingen van dezen aard nog niet bestaan, de oprichting van zoogenaamde „fictieve” of bijzondere entrepôts ter hand nemen of toestaan; deze inrichtingen zouden kunnen worden gebruikt voor goederen, die ten gevolge van hun aard bijzondere zorgen vereischen.
-
- Het is wenschelijk, dat de pakhuishuren worden berekend naar billijken grondslag en op zoodanige wijze, dat zij als regel de dekking van de algemeene onkosten vermeerderd met de rente van het betrokken kapitaal niet te boven gaan.
-
- Het is wenschelijk, dat ieder die goederen in een entrepôt heeft bevoegd zij om beschadigde goederen weder uit te slaan; deze goederen zouden in tegenwoordigheid van douanebeambten moeten worden vernietigd of aan den afzender moeten worden teruggezonden zonder aan de betaling van eenig douanerecht onderworpen te zijn.
-
- Het is wenschelijk, dat invoerrechten niet worden vereischt voor die goederen, die, hoewel zij op het manifest voorkomen, niet werkelijk in het land worden ingevoerd, op voorwaarde dat dienaangaande voldoende bewijs wordt geleverd, hetzij door den vervoerder, hetzij door den kapitein, en wel binnen den termijn die daarvoor door de douane-administratie is vastgesteld.
-
- Het is wenschelijk de instelling van internationale spoorwegstations te ontwikkelen en de doeltreffende samenwerking te verwezenlijken tusschen de daarin gevestigde diensten der verschillende Staten. Eveneens zou het aanbeveling verdienen om zooveel mogelijk overeenstemming te bereiken tusschen de bevoegdheden en de uren van openstelling van de naburige kantoren van twee aan elkander grenzende landen, aan weerszijde der grens gelegen, zoowel wanneer het betreft wegen en rivieren, als spoorwegen. De praktijk om douanekantoren van aan elkander grenzende landen in dezelfde plaats te vestigen, en indien doenlijk zelfs in hetzelfde gebouw, zou zooveel mogelijk algemeen moeten worden. Teneinde de aanbevelingen, welke vervat zijn in deze afdeeling E te verwezenlijken, is het wenschelijk, dat een internationale Conferentie wordt bijeengeroepen, waaraan vertegenwoordigers van alle betrokken administraties en organisaties zouden moeten deelnemen.
Artikel 15
Ieder van de Verdragstaten verbindt zich om onder voldoende waarborgen van de zijde van de vervoerders en onder voorbehoud van straffen volgens de wet ingeval van fraude of van onwettigen invoer, toe te staan, dat ingeschreven bagage rechtstreeks en ambtshalve, zonder douane-onderzoek aan de grens, wordt verzonden van de plaats van afzending in het buitenland naar een kantoor dat in het binnenland is gelegen, wanneer dit kantoor daarvoor is aangewezen. De Staten zullen lijsten van de aldus aangewezen kantoren bekendmaken. Het is wel te verstaan, dat de reiziger de bevoegdheid zal behouden zijn bagage aan te geven aan het eerste grenskantoor, waar hij het grondgebied betreedt.
Artikel 16
De Verdragstaten zullen, onder voorbehoud van alle rechten inzake het stelsel van hun eigen wetgeving nopens tijdelijken in- en uitvoer zich zooveel mogelijk laten leiden door de beginselen uiteengezet in de bijlage van dit artikel met betrekking tot de behandeling van goederen die worden in- of uitgevoerd om een verdere bewerking te ondergaan, van voorwerpen die bestemd zijn voor openbare tentoonstellingen, hetzij deze een industrieel, commercieel, artistiek of wetenschappelijk doel hebben, van toestellen en voorwerpen bestemd voor proeven en demonstraties, van voertuigen voor toerisme of van verhuiswagens, van monsters, van verpakkingsmaterialen, van goederen, die uitgevoerd worden onder voorbehoud dat zij teruggezonden zullen worden en van andere dergelijke goederen.
-
- Het is wenschelijk, dat de bepalingen van de wetten en reglementen op den tijdelijken in- en uitvoer, voorzoover de omstandigheden het zullen toelaten, worden vereenvoudigd en dat zij openbaar gemaakt worden op de wijze als voorzien in de artikelen 4 en 5 van dit Verdrag.
-
- Het is wenschelijk, dat de uitvoeringsmaatregelen zoo veel mogelijk het voorwerp zijn van algemeene regelingen, opdat alle betrokken personen of firma's ervan kennis kunnen nemen en ermede kunnen rekening houden.
-
- Het is wenschelijk, dat de wijze waarop de identificeering van goederen geschiedt zoo eenvoudig mogelijk zij en te dien einde wordt aanbevolen,
- a). dat met den waarborg, voortvloeiende uit de aanwezigheid op de goederen van merken, daarop aangebracht door de douane-administraties van andere Staten, rekening worde gehouden;
- b). dat het systeem van identificeering door middel van modellen of monsters en ook door middel van teekeningen of volledige en gedetailleerde beschrijvingen worde toegelaten, in het bijzonder wanneer het aanbrengen van merken onmogelijk zou zijn of bezwaar zou opleveren.
-
- Het is wenschelijk, dat de formaliteiten zoowel van de aangifte als van het verifieeren niet alleen zullen kunnen geschieden aan de grenskantoren, maar ook aan alle kantoren, die gelegen zijn in het binnenland en daartoe zijn aangewezen.
-
- Het is wenschelijk, dat voldoende tijd wordt gegeven voor de uitvoering van werkzaamheden met het oog waarop tijdelijke in- of uitvoer geschiedt en dat rekening wordt gehouden met onvoorziene omstandigheden, die de voltooiing van zoodanig werk kunnen vertragen en dat zoo noodig de gestelde termijn wordt verlengd.
-
- Het is wenschelijk, dat waarborgen worden aanvaard, zoowel in den vorm van een persoonlijke borgstelling als in den vorm van stortingen in geld.
-
- Het is wenschelijk, dat de gegeven borgstellingen worden terugbetaald of opgeheven, zoodra voldaan is aan alle verplichtingen, die zijn aangegaan.
Artikel 17
Dit Verdrag zal geen inbreuk maken op de algemeene of bijzondere maatregelen, welke een Verdragstaat genoodzaakt zou zijn bij uitzondering te nemen ingeval van ernstige gebeurtenissen, welke de veiligheid van het land of zijn levensbelangen raken, met dien verstande dat het beginsel van rechtvaardige behandeling van den handel steeds zooveel mogelijk zal worden in acht genomen. Evenmin zal dit Verdrag mogen worden aangevoerd tegen de maatregelen, welke de Verdragstaten zouden kunnen nemen ter verzekering van de gezondheid van menschen, dieren of planten.
Artikel 18
Dit Verdrag legt aan geen der Verdragstaten een verplichting op, die strijdig zou zijn met zijn rechten en verplichtingen als Lid van den Volkenbond.
Artikel 19
De verplichtingen, die de Verdragstaten op het gebied van douane-regeling hebben aanvaard krachtens verdragen, overeenkomsten of schikkingen, welke zij vóór den datum van 3 November 1923 hebben gesloten, worden tengevolge van het van kracht worden van dit Verdrag niet buiten werking gesteld.
Op grond van deze niet-buitenwerking-stelling, verbinden de Verdragstaten zich, in de aldus van kracht gebleven verbintenissen, welke in strijd komen met de bepalingen van dit Verdrag, zoodra de omstandigheden dit mogelijk zullen maken en althans bij het afloopen van de overeenkomsten, de wijzigingen aan te brengen, noodig om deze met die bepalingen te doen overeenstemmen, met dien verstande, dat deze verplichting niet van toepassing is op de bepalingen van de verdragen, die een einde hebben gemaakt aan den oorlog 1914—1918, verdragen, welke dit Verdrag niet aantast.
Artikel 20
Overeenkomstig artikel 23 e van het Volkenbondverdrag zal iedere Verdragstaat, die tegen de toepassing van een der bepalingen van dit Verdrag op het geheele, of op een gedeelte van zijn grondgebied geldige bezwaren kan inbrengen, op grond van een ernstigen economischen toestand, die het gevolg is van verwoestingen, die op zijn grondgebied zijn aangebracht gedurende den oorlog van 1914—1918, geacht worden tijdelijk te zijn vrijgesteld van de verplichtingen, voortvloeiende uit de toepassing van bedoelde bepaling, met dien verstande dat het beginsel van de rechtvaardige behandeling van den handel, waartoe de Verdragstaten zich verplichten, in zoo ruim mogelijke mate zal moeten worden in acht genomen.
Artikel 21
Het is wel te verstaan, dat dit Verdrag niet mag worden uitgelegd in dien zin, dat het op eenigerlei wijze de rechten en verplichtingen inter se regelt van gebieden, die deel uitmaken van of die geplaatst zijn onder de bescherming van eenzelfden souvereinen Staat, onverschillig of deze gebieden elk voor zich Verdragstaten zijn of niet.
Artikel 22
Wanneer een geschil rijst tusschen twee of meer Verdragstaten inzake de uitlegging of de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, en wanneer dit geschil niet beslecht kan worden, hetzij rechtstreeks tusschen de partijen, hetzij langs eenigen anderen weg van vreedzame beslechting, zullen de bij het geschil betrokken partijen, alvorens haar toevlucht te nemen tot eenige scheidsrechterlijke of gerechtelijke procedure, het geschil ter minnelijke schikking kunnen onderwerpen aan het technisch orgaan, dat de Raad van den Volkenbond tot dit doel zal aanwijzen. Dit orgaan zal, na de partijen te hebben gehoord en zoo noodig tezamen opgeroepen, een advies uitbrengen.
Het door het genoemde orgaan uitgebrachte advies zal de partijen in het geschil niet binden, tenzij het door ieder van haar wordt aanvaard en de partijen zullen de vrijheid behouden, hetzij na de hierboven bedoelde procedure te hebben gevolgd, hetzij in de plaats van deze procedure, over te gaan tot iedere andere scheidsrechterlijke of gerechtelijke procedure van hunne keuze, met inbegrip van het beroep op het Permanente Hof van Internationale Justitie, voor alle vragen, die krachtens de bepalingen van zijn Statuut, tot de bevoegdheid van het Hof behooren.
Indien een geschil rijst van den aard als bedoeld in het eerste lid van dit artikel inzake de uitlegging of de toepassing van lid 2 of 3 van artikel 4, of van artikel 7 van dit Verdrag, zullen de partijen, op verzoek van een harer, het geschil onderwerpen aan de uitspraak van het Permanente Hof van Internationale Justitie, onverschillig of zij al dan niet van tevoren hebben gebruik gemaakt van de procedure, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Het aanvaarden van de procedure voor het hierboven bedoelde orgaan of het door dit orgaan gegeven advies zal in geen geval de opschorting medebrengen van den maatregel, waarop het geschil betrekking heeft; ditzelfde zal gelden in het geval van een geding voor het Permanente Hof van Internationale Justitie, tenzij het Hof krachtens artikel 41 van zijn Statuut anders beslist.
Artikel 23
Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche tekst beide als authentiek zullen gelden, zal de dagteekening dragen van heden en zal tot op 31 October 1924 geteekend kunnen worden door iederen Staat, die op de Conferentie van Genève vertegenwoordigd was, door ieder Lid van den Volkenbond en door iederen Staat, waaraan de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van dit Verdrag zal hebben doen toekomen.
Artikel 24
Dit Verdrag is onderworpen aan bekrachtiging. De bekrachtigingsoorkonden zullen worden overgelegd aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst zal kennis geven aan de Leden van den Volkenbond, die het Verdrag onderteekend hebben, evenals aan de andere Staten, welke het onderteekend hebben.
Artikel 25
Na 31 October 1924 zal iedere Staat, die vertegenwoordigd was op de in artikel 23 bedoelde Conferentie en het Verdrag niet onderteekend heeft, ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat, aan wien de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van het Verdrag heeft doen toekomen, tot dit Verdrag kunnen toetreden.
Deze toetreding zal geschieden door middel van een oorkonde, die aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond wordt overgelegd, teneinde in de archieven van het Secretariaat te worden nedergelegd. De Secretaris-Generaal zal van de ontvangst onmiddellijk kennis geven aan de Leden van den Volkenbond, die het Verdrag onderteekend hebben, alsook aan de andere Staten, welke het onderteekend hebben.
Artikel 26
Dit Verdrag zal slechts in werking treden, wanneer het door vijf Mogendheden bekrachtigd zal zijn. Datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag na ontvangst van de vijfde bekrachtiging door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Daarna zal dit Verdrag van kracht worden voor wat betreft elk der Partijen, negentig dagen na de ontvangst van hare bekrachtiging of de kennisgeving van hare toetreding.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 van het Volkenbondverdrag zal de Secretaris-Generaal dit Verdrag registreeren op den dag, waarop het in werking treedt.
Artikel 27
Een bijzonder register zal gehouden worden door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, aangevend welke Partijen dit Verdrag hebben onderteekend of bekrachtigd, er toe zijn toegetreden of het hebben opgezegd. Dat register zal voortdurend ter inzage zijn voor de Leden van den Bond en zal zoo veelvuldig mogelijk openbaar gemaakt worden volgens de aanwijzigingen van den Raad.
Artikel 28
Dit Verdrag kan worden opgezegd door een schriftelijke kennisgeving, gericht tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. De opzegging zal van kracht worden een jaar na den datum, waarop zij door den Secretaris-Generaal ontvangen is en zal slechts gevolg hebben ten opzichte van het Lid van den Volkenbond of den Staat, die het Verdrag opzegt.
De Secretaris-Generaal van den Volkenbond zal iedere opzegging, welke hij ontvangt, ter kennis brengen van ieder van de Leden van den Volkenbond, die het Verdrag hebben geteekend of tot het Verdrag zijn toegetreden, evenals van de andere Staten, die het Verdrag hebben geteekend of daartoe zijn toegetreden.
Artikel 29
Iedere Staat, die het Verdrag onderteekent of tot dit Verdrag toetreedt, kan, op het oogenblik, hetzij van zijn onderteekening, hetzij van zijn bekrachtiging, hetzij van zijn toetreding, verklaren, dat zijn aanvaarding van dit Verdrag niet bindend is voor alle of eenige zijner protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, welke aan zijne souvereiniteit of gezag zijn onderworpen; zoodanige Staat kan later, overeenkomstig artikel 25, afzonderlijk toetreden voor elk der protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, die in zijn verklaring waren uitgesloten.
Eveneens zal de opzegging afzonderlijk kunnen geschieden voor elk der zoodanige protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden; de bepalingen van artikel 28 zullen op deze opzegging van toepassing zijn.
Artikel 30
De Raad van den Volkenbond wordt uitgenoodigd, de wenschelijkheid te overwegen van het bijeenroepen van een Conferentie tot herziening van dit Verdrag, wanneer een derde van de Verdragstaten dit verzoekt.
In faith whereof the above-named Plenipotentiaries have signed the present Convention.
Done at Geneva, the third day of November one thousand nine hundred and twenty-three, in a single copy, which will remain deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations; certified copies will be transmitted to all the States represented at the Conference.