← Geldende tekst · Geschiedenis

Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Regeringen van het Gemenebest van Australië, het Koninkrijk België, de Verenigde Staten van Brazilië, Birma, Canada, Ceylon, de Republiek Chili, de Republiek China, de Republiek Cuba, de Tsjechoslowaakse Republiek, de Franse Republiek, India, Libanon, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, het Koninkrijk Noorwegen, Pakistan, Zuid-Rhodesia, Syrië, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika;

Erkennende, dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestadig toenemend, reëel inkomen en een grote, gestadig toenemende, effectieve vraag, volledig gebruik van 's werelds hulpbronnen en uitbreiding van de produktie en de goederenruil;

Geleid door de wens bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, zomede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen;

Zijn door middel van hun vertegenwoordigers het volgende overeengekomen:

De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.

DEEL I

Artikel I. Algehele meestbegunstiging
1.

Ten aanzien van in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen terzake van of in verband met in- of uitvoer of terzake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van importen of exporten, alsmede ten aanzien van de wijze van heffing van zodanige rechten en heffingen en voorts ten aanzien van alle regels en formaliteiten nopens in- en uitvoer, alsmede ten aanzien van alle in de leden 2 en 4 van artikel III bedoelde aangelegenheden, zal elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling welke een der verdragsluitende partijen verleent aan enig produkt van oorsprong uit of bestemd voor enig ander land, terstond en onvoorwaardelijk worden verleend aan het overeenkomstige produkt van oorsprong uit of bestemd voor het grondgebied van alle andere verdragsluitende partijen.

2.

De bepalingen van lid 1 van dit artikel vereisen niet de afschaffing van enige preferenties met betrekking tot invoerrechten of -heffingen welke de in lid 4 van dit artikel vastgestelde hoogte niet te boven gaan en onder de volgende categorieën vallen:

3.

De bepalingen van lid 1 zullen niet van toepassing zijn op de preferenties tussen de landen die eertijds een deel van het Ottomaanse Keizerrijk uitmaakten en die op 24 juli 1923 daarvan zijn afgescheiden, op voorwaarde dat zodanige preferenties worden toegestaan krachtens lid 5 van artikel XXV, welk lid in dit opzicht zal worden toegepast met inachtneming van lid 1 van artikel XXIX.

4.

De preferentiële marge voor een produkt ten aanzien waarvan een preferentie is toegestaan ingevolge lid 2 van dit artikel, mag, voor zover niet uitdrukkelijk een maximale marge is vermeld in de desbetreffende aan deze Overeenkomst gehechte Lijst:

Wat betreft de verdragsluitende partijen genoemd in Bijlage G, wordt de onder (a) en (b) van dit lid vermelde datum 10 april 1947 vervangen door de respectieve data welke in voormelde Bijlage zijn vermeld.

Artikel II. Concessielijsten
2.

Geen enkele bepaling van dit artikel belet een verdragsluitende partij bij de invoer van enig artikel te eniger tijd te heffen:

3.

Een verdragsluitende partij mag niet haar methode voor het bepalen van de belastbare waarde of het omrekenen van valuta's zodanig wijzigen, dat daardoor de waarde van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wordt aangetast.

4.

Indien een verdragsluitende partij, hetzij rechtens, hetzij in feite, een monopolie op de invoer van enig produkt omschreven in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst instelt, handhaaft of goedkeurt, mag dit monopolie, tenzij het tegendeel in die Lijst is bepaald of anderszins is overeengekomen tussen de partijen die oorspronkelijk de concessie overeenkwamen, niet ten gevolge hebben, dat zulks gemiddeld een grotere mate van bescherming verschaft dan in die Lijst is voorzien. Het bepaalde in dit lid legt de verdragsluitende partijen geen beperking op met betrekking tot enige vorm van steun aan binnenlandse producenten welke elders in deze Overeenkomst wordt toegestaan.

5.

Indien een verdragsluitende partij van oordeel is, dat een produkt van de zijde van een andere verdragsluitende partij niet een zodanige behandeling geniet als, naar de mening van de eerste verdragsluitende partij, is beoogd op grond van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst, brengt zij de zaak terstond onder de aandacht van de andere verdragsluitende partij. Geeft de laatste toe, dat de beoogde behandeling die is waarop de eerste partij zegt recht te hebben, doch verklaart zij dat zulk een behandeling niet kan worden verleend, aangezien een rechtsprekend orgaan of ander bevoegd lichaam heeft beslist, dat het betrokken produkt krachtens de tariefwetgeving van deze verdragsluitende partij niet zodanig kan worden ingedeeld, dat een behandeling als in deze Overeenkomst bedoeld mogelijk is, dan treden de beide verdragsluitende partijen, tezamen met andere verdragsluitende partijen welke hierbij een aanmerkelijk belang hebben, terstond in nadere onderhandeling teneinde een billijke regeling te treffen welke in de plaats kan treden van de oorspronkelijk overeengekomene.

7.

De aan deze Overeenkomst gehechte Lijsten vormen een integrerend deel van Deel I van deze Overeenkomst.

DEEL II

Artikel III. Nationale behandeling op het gebied van binnenlandse belastingen en regelingen
1.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse belastingen en andere binnenlandse heffingen, evenals wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik van produkten in het binnenland, en binnenlandse kwantitatieve regelingen welke menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen voorschrijven, niet mogen worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse produkten op zodanige wijze dat bescherming aan de binnenlandse produktie wordt verleend.

2.

De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij zijn bij invoer in het grondgebied van enige andere verdragsluitende partij noch rechtstreeks noch middellijk onderworpen aan binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen van welke aard ook hoger dan die welke rechtstreeks of middellijk overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong treffen. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enige andere wijze binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen op geïmporteerde of binnenlandse produkten toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.

3.

Wat betreft een bestaande binnenlandse belasting die onverenigbaar is met het bepaalde in lid 2 doch uitdrukkelijk is toegestaan op grond van een op 10 april 1947 van kracht zijnde handelsovereenkomst krachtens welke het invoerrecht op het belaste produkt niet kan worden verhoogd, staat het de verdragsluitende partij die de belasting heft vrij de toepassing van het bepaalde in lid 2 ten aanzien van deze heffing uit te stellen totdat zij ontheffing kan verkrijgen van de bij deze handelsovereenkomst aangegane verplichtingen en zij, dus het recht heeft verkregen dit invoerrecht in die mate te verhogen als nodig is om het nadeel van de opheffing van de door de belasting verleende bescherming te ondervangen.

4.

De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij mogen bij invoer in het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, wat betreft alle wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik in het binnenland, geen minder gunstige behandeling genieten dan die welke wordt verleend aan overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong. Het bepaalde in dit lid vormt geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven welke uitsluitend berusten op de economische exploitatie van vervoermiddelen en niet op de oorsprong van het produkt.

5.

Geen verdragsluitende partij mag enige binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen uitvaardigen of handhaven die rechtstreeks of middellijk zou vereisen, dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage van een onder de regeling vallend produkt van binnenlandse oorsprong moet zijn. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enigerlei andere wijze binnenlandse kwantitatieve regelingen toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.

6.

Het bepaalde in lid 5 is niet van toepassing op enigerlei binnenlandse kwantitatieve regeling welke, ter keuze van een verdragsluitende partij, op 1 juli 1939, op 10 april 1947 of op 24 maart 1948 binnen het grondgebied van die verdragsluitende partij van kracht is, onder voorwaarde dat een zodanige regeling welke in strijd is met het bepaalde in lid 5 niet ten nadele van de invoer mag worden gewijzigd en dientengevolge zal worden beschouwd als een invoerrecht ter fine van onderhandeling.

7.

Geen binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of percentages mag worden toegepast op zodanige wijze dat bedoelde hoeveelheden of percentages over buitenlandse toevoerbronnen worden verdeeld.

9.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse prijsbeheersing door middel van vaststelling van maximumprijzen, zelfs indien deze in overeenstemming is met de andere bepalingen van dit artikel, nadelige gevolgen kan teweegbrengen voor de belangen van verdragsluitende partijen die importprodukten leveren. Mitsdien dienen de verdragsluitende partijen die dergelijke maatregelen toepassen rekening te houden met de belangen van de exporterende verdragsluitende partijen teneinde zoveel mogelijk deze nadelige gevolgen te vermijden.

10.

De bepalingen van dit artikel beletten een verdragsluitende partij niet binnenlandse kwantitatieve regelingen die betrekking hebben op belichte cinematografische films en voldoen aan de bepalingen van artikel IV, in te stellen of in stand te houden.

Artikel IV. Bijzondere voorschriften nopens cinematografische films

Indien een verdragsluitende partij binnenlandse kwantitatieve regelingen nopens belichte cinematografische films instelt of in stand houdt, dienen deze regelingen de vorm te hebben van projectietijdcontingenten welke aan de volgende eisen moeten voldoen:

Artikel V. Vrijheid van doorvoer
1.

Goederen (met inbegrip van bagage), alsmede schepen en andere vervoermiddelen, worden geacht zich in doorvoer door het grondgebied van een verdragsluitende partij te bevinden, wanneer de doortocht door dit grondgebied, al dan niet gepaard gaande met overlading, opslag, breking van de lading of verandering in de wijze van vervoer, deel uitmaakt van een volledige reis welke begint en eindigt buiten de landsgrenzen van de verdragsluitende partij over het grondgebied waarvan de doortocht plaatsvindt. Verkeer van deze aard wordt hierna in dit artikel „transitoverkeer” genoemd.

2.

Er zal vrije doorvoer zijn door het grondgebied van elke verdragsluitende partij voor het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen, en wel langs de voor het internationale transitoverkeer meest geschikte wegen. Geen onderscheid zal worden gemaakt naar de vlag waaronder de schepen varen, de plaats van oorsprong, vertrek, binnenkomst, uitgang of bestemming, dan wel enige omstandigheid verband houdende met de eigendom der goederen, schepen of andere vervoermiddelen.

3.

Elke verdragsluitende partij mag verlangen, dat het transitoverkeer door haar grondgebied wordt aangegeven aan het daartoe bestemde douanekantoor; dit verkeer zal echter, behalve wanneer wordt verzuimd te voldoen aan de geldende douanewetten en -regelingen, niet aan onnodige vertraging of beperking onderhevig zijn en het moet worden vrijgesteld van alle in-, uit- en doorvoerrechten of andere met de doorvoer in verband staande heffingen, behalve vervoerskosten of andere kosten evenredig aan de administratieve uitgaven verband houdende met de doorvoer, of aan de waarde van verleende diensten.

4.

Alle heffingen en regelingen waaraan verdragsluitende partijen het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen onderwerpen, behoren redelijk te zijn, rekening houdende met de heersende verkeersomstandigheden.

5.

Wat betreft heffingen, regelingen en formaliteiten terzake van doorvoer, behandelt elke verdragsluitende partij het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij niet minder gunstig dan het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit enig derde land.

6.

Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten die door het grondgebied van een andere verdragsluitende partij zijn vervoerd niet minder gunstig dan wanneer zij van de plaats van oorsprong naar hun bestemming waren vervoerd zonder door het grondgebied van die andere verdragsluitende partij te gaan. Aan iedere verdragsluitende partij staat het echter vrij haar op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst bestaande eisen van directe verzending te handhaven met betrekking tot goederen ten aanzien waarvan deze directe verzending een noodzakelijke voorwaarde is om tegen preferentiële invoertarieven te worden toegelaten of betrekking heeft op de door de verdragsluitende partij voorgeschreven methode van waardebepaling met het oog op het invoerrecht.

7.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de exploitatie van luchtvaartuigen in het doorvoerverkeer, doch wel op de doorvoer van goederen (met inbegrip van bagage) door de lucht.

Artikel VI. Anti-dumping- en compenserende rechten
1.

De verdragsluitende partijen erkennen dat dumping, waardoor produkten uit een land tegen een lagere dan hun normale prijs in een ander land aan de markt worden gebracht, moet worden veroordeeld, indien zulks aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde industrie in het gebied van een verdragsluitende partij, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt. Voor de toepassing van dit artikel moet een uit een land naar een ander land geëxporteerd produkt worden beschouwd als tegen een lagere dan de normale prijs op de markt van een importerend land te zijn gebracht, indien de prijs van dit produkt:

Van geval tot geval dient rekening te worden gehouden met verschillen in verkoopvoorwaarden en belasting en met andere verschillen die bij prijsvergelijking van invloed zijn.

2.

Teneinde de werking van dumping teniet te doen of dumping te beletten mag een verdragsluitende partij op elk produkt waarop dumping wordt toegepast een anti-dumpingrecht heffen dat niet hoger mag zijn dan de op dit produkt betrekking hebbende marge van dumping. Voor de toepassing van dit artikel dient onder marge van dumping te worden verstaan het overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vastgestelde prijsverschil.

3.

Van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag geen hoger compenserend recht worden geheven dan het geschatte bedrag van de premie of subsidie waarvan geconstateerd is dat zij in het land van oorsprong of uitvoer op de vervaardiging, produktie of uitvoer van zulk een produkt, rechtstreeks of middellijk, is verleend, daaronder begrepen elke bijzondere subsidie op het vervoer van een bepaald produkt. Onder de term „compenserend recht” dient te worden verstaan een bijzonder recht geheven om de werking van een premie of subsidie welke, rechtstreeks of middellijk, op de vervaardiging, produktie of uitvoer van enig produkt is verleend, teniet te doen.

4.

Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag aan een anti-dumping- of compenserend recht worden onderworpen op grond van het feit dat dit produkt is vrijgesteld van rechten of belastingen waarmede het overeenkomstige produkt is belast, wanneer het bestemd is om in het land van oorsprong of uitvoer te worden verbruikt, of op grond van het feit dat zodanige rechten of belastingen worden gerestitueerd.

5.

Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk wordt ingevoerd in dat van een andere verdragsluitende partij, mag tegelijkertijd aan een anti-dumping- en een compenserend recht worden onderworpen als compensatie voor eenzelfde toestand die is geschapen door dumping of uitvoersubsidiëring.

7.

Een stelsel om, onafhankelijk van het verloop der exportprijzen, hetzij de binnenlandse prijs van een stapelprodukt hetzij de bruto opbrengst voor binnenlandse producenten van een stapelprodukt te stabiliseren, welk stelsel somtijds ten gevolge heeft, dat een produkt voor export wordt verkocht tegen een lagere prijs dan de vergelijkbare prijs voor een overeenkomstig produkt welke aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, wordt niet geacht een aanmerkelijke schade in de zin van lid 6 toe te brengen, indien na overleg tussen de verdragsluitende partijen welke bij het betrokken produkt een aanmerkelijk belang hebben wordt vastgesteld:

Artikel VII. Bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde
1.

De verdragsluitende partijen erkennen de deugdelijkheid van de algemene beginselen ter bepaling der belastbare in- en uitvoerwaarde, neergelegd in de volgende leden van dit artikel, en zij verbinden zich deze beginselen toe te passen ten aanzien van alle produkten welke bij in- of uitvoer zijn onderworpen aan douanerechten of andere heffingen of beperkingen welke op enige wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde. Bovendien stellen zij op verzoek van een andere verdragsluitende partij in het licht van genoemde beginselen een onderzoek in naar de werking van hun wetten en regelingen terzake van de bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen aan verdragsluitende partijen verzoeken verslag uit te brengen omtrent de door hen ingevolge de bepalingen van dit artikel genomen maatregelen.

3.

In de belastbare in- en uitvoerwaarde van enig ingevoerd produkt dient niet te worden begrepen het bedrag van een in het land van oorsprong of uitvoer geldende binnenlandse belasting waarvan het ingevoerde produkt is vrijgesteld of waarvan restitutie is of zal worden verleend.

5.

Vaststaande grondslagen en methoden dienen te worden aangewend voor de waardebepaling van produkten, onderworpen aan rechten of andere heffingen of beperkingen die op enigerlei wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde, en hieraan dient voldoende bekendheid te worden gegeven teneinde de handelaren in staat te stellen de aan te geven waarde bij in- of uitvoer met een redelijke mate van zekerheid te schatten.

Artikel VIII. Retributies en formaliteiten bij in- en uitvoer
2.

Een verdragsluitende partij dient op verzoek van een andere verdragsluitende partij of van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de werking van eigen wetten en voorschriften in het licht van de bepalingen van dit artikel aan een onderzoek te onderwerpen.

3.

Een verdragsluitende partij mag geen strenge boeten opleggen wegens geringe overtredingen van douaneregelingen of -voorschriften. Met name mag een boete wegens een verzuim of abuis in de douanebescheiden, indien gemakkelijk te herstellen en kennelijk zonder bedrieglijke opzet of schromelijke nalatigheid begaan, niet hoger zijn dan nodig is om louter als waarschuwing te dienen.

4.

De bepalingen van dit artikel hebben eveneens betrekking op door de overheid vastgestelde retributies, heffingen, formaliteiten en eisen terzake van in- en uitvoer, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

Artikel IX. Merken van oorsprong
1.

Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten van het grondgebied van andere verdragsluitende partijen met betrekking tot merkingsvoorschriften niet ongunstiger dan de overeenkomstige produkten uit een derde land.

2.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat bij het aanvaarden en ten uitvoer leggen van wetten en voorschriften met betrekking tot merken van oorsprong de moeilijkheden en ongemakken welke zulke maatregelen voor de handel en de industrie van exporterende landen veroorzaken, tot het uiterste dienen te worden beperkt, waarbij rekening dient te worden gehouden met de noodzaak consumenten te beschermen tegen bedrieglijke of misleidende aanduidingen.

3.

In alle gevallen waarin het administratief mogelijk is dienen de verdragsluitende partijen toe te staan, dat de vereiste merken van oorsprong worden aangebracht op het tijdstip van invoer.

4.

De wetten en regelingen van verdragsluitende partijen met betrekking tot het merken van ingevoerde produkten moeten zodanig zijn, dat zij kunnen worden nageleefd zonder dat de produkten daardoor ernstig worden beschadigd of hun waarde aanzienlijk wordt verminderd of hun kostprijs onredelijk wordt verhoogd.

5.

In het algemeen behoort geen der verdragsluitende partijen een bijzonder recht te hebben of een bijzondere boete op te leggen wegens het niet nakomen van de merkingsvoorschriften voordat invoer plaatsvindt, tenzij de correctie der merken onredelijk lang wordt uitgesteld, misleidende merken zijn aangebracht of de vereiste merking met opzet is nagelaten.

6.

De verdragsluitende partijen dienen samen te werken teneinde te voorkomen, dat handelsbenamingen worden gebruikt om een valse voorstelling te geven omtrent de ware oorsprong van een produkt, zulks tot schade van die specifieke gewestelijke of aardrijkskundige benamingen van voortbrengselen van het grondgebied van een verdragsluitende partij welke wettelijke bescherming genieten. Elke verdragsluitende partij dient haar volle en welwillende aandacht te schenken aan de tot haar gerichte verzoeken of vertogen van een andere verdragsluitende partij met betrekking tot de nakoming van de in de vorige zin genoemde verplichting ten aanzien van benamingen van produkten welke haar door de andere verdragsluitende partij zijn medegedeeld.

Artikel X. Bekendmaking en uitvoering van handelsregelingen
1.

Wetten, regelingen, rechterlijke beslissingen en administratieve uitspraken welke algemeen toepasselijk zijn, welke door een verdragsluitende partij worden uitgevoerd of ten uitvoer gelegd en welke betrekking hebben op de indeling of waardebepaling van produkten voor douanedoeleinden, op de hoogte van rechten, belastingen of andere heffingen, of op voorschriften, beperkingen of verboden terzake van in- of uitvoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen of terzake van de verkoop, distributie, het vervoer, de verzekering, opslag, het onderzoek, de uitstalling, be- of verwerking, menging of ander gebruik daarvan, worden terstond bekendgemaakt teneinde de regeringen en handelaren in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen. Overeenkomsten welke de internationale handelspolitiek raken en van kracht zijn tussen de regering of een overheidsorgaan van een verdragsluitende partij en de regering of een overheidsorgaan van een andere verdragsluitende partij, worden eveneens bekendgemaakt. De bepalingen van dit lid verplichten een verdragsluitende partij niet tot bekendmaking van vertrouwelijke gegevens, waardoor de handhaving der wetten zou worden belemmerd, dan wel het openbare belang of de wettige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zouden worden geschaad.

2.

Geen algemeen toepasselijke door een verdragsluitende partij genomen maatregel die een verhoging van een recht of een andere heffing op de invoer krachtens een gevestigd en algemeen gebruik ten gevolge heeft of die een nieuw of drukkender voorschrift, beperking of verbod terzake van de invoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen oplegt, wordt ten uitvoer gelegd voordat deze officieel is bekendgemaakt.

Artikel XI. Algemene afschaffing van kwantitatieve beperkingen
1.

Behalve rechten, belastingen of andere heffingen mag geen verdragsluitende partij enig verbod of enige beperking, toegepast hetzij door middel van contingenten of invoer- of uitvoervergunningen, hetzij door middel van andere maatregelen, opleggen of handhaven op de invoer van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of op de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een produkt dat voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij is bestemd.

2.

Het bepaalde in lid 1 van dit artikel strekt zich niet uit tot de volgende gevallen:

Iedere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde sub (c) van dit lid beperkingen aan de invoer van enig produkt oplegt, dient de totale hoeveelheid of waarde van dit produkt welke gedurende een bepaalde toekomstige periode mag worden ingevoerd, alsmede enige verandering in deze hoeveelheid of waarde, ter algemene kennis te brengen. Bovendien mogen de krachtens dit lid, sub (i), toegepaste beperkingen de totale invoer niet doen verminderen in verhouding tot de totale binnenlandse produktie, zulks in vergelijking met de verhouding welke men redelijkerwijze tussen deze beide hoeveelheden bij afwezigheid van beperkingen zou kunnen verwachten. Bij vaststelling van deze verhouding houdt de verdragsluitende partij terdege rekening met de verhouding welke in een voorafgaande basisperiode bestond, zomede met alle bijzondere factoren welke van invloed kunnen zijn geweest of kunnen zijn op de handel in het betrokken produkt.

Artikel XII. Beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans
1.

Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van artikel XI mag een verdragsluitende partij ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie en haar betalingsbalans de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen beperken, behoudens de bepalingen in de volgende leden van dit artikel.

5.

Indien er voortdurend en op grote schaal krachtens dit artikel invoerbeperkingen worden toegepast, hetgeen duidt op een algehele verstoring van het evenwicht, waardoor de internationale handel wordt beperkt, openen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN besprekingen teneinde te overwegen of er andere maatregelen zouden kunnen worden genomen – hetzij door die verdragsluitende partijen wier betalingsbalans onder druk staat, hetzij door die wier betalingsbalans de neiging heeft bijzonder gunstig te zijn, hetzij door een bevoegde intergouvernementele organisatie – om de oorzaken die aan de evenwichtsverstoring ten grondslag liggen, weg te nemen. Op uitnodiging van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de verdragsluitende partijen deel aan dergelijke besprekingen.

Artikel XIII. Non-discriminatoire toepassing van kwantitatieve beperkingen
1.

Geen verdragsluitende partij mag de invoer van enig produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of de uitvoer van enig produkt bestemd voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij verbieden of beperken, tenzij de invoer van het overeenkomstige produkt van oorsprong uit ieder derde land of de uitvoer daarvan naar ieder derde land eveneens is verboden of beperkt.

2.

Bij de toepassing van invoerbeperkingen op enig produkt streven de verdragsluitende partijen naar een verdeling van de handel in dit produkt welke zo veel mogelijk het aandeel nabij komt dat de verschillende verdragsluitende partijen bij afwezigheid van zulke beperkingen naar alle waarschijnlijkheid hadden kunnen verkrijgen. Te dien einde nemen zij de volgende voorschriften in acht:

4.

Met betrekking tot de overeenkomstig lid 2 (d) van dit artikel of lid 2 (c) van artikel XI toegepaste beperkingen geschieden de keuze van een basisperiode voor een produkt en de waardering van eventuele bijzondere factoren die van invloed zijn op de handel in dit produkt in eerste aanleg door de verdragsluitende partij die de beperking oplegt; nochtans treedt genoemde verdragssluitende partij op verzoek van iedere andere verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang heeft bij de levering van dat produkt, dan wel op verzoek der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, onverwijld met die andere verdragsluitende partij, of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, in overleg nopens de noodzaak van een correctie van de vastgestelde verhouding of de gekozen basisperiode, dan wel nopens de noodzaak van herwaardering van de desbetreffende bijzondere factoren of van afschaffing van voorwaarden, formaliteiten of andere bepalingen welke eenzijdig zijn vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van een billijk contingent of de onbeperkte uitputting hiervan.

5.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk tariefcontingent dat door enige verdragsluitende partij wordt ingesteld of gehandhaafd, terwijl de beginselen van dit artikel, voor zover toepasselijk, zich eveneens uitstrekken tot uitvoerbeperkingen.

Artikel XIV. Uitzonderingen op de regel van non-discriminatie
1.

Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII beperkingen toepast mag bij de toepassing dezer beperkingen op zodanige wijze afwijken van de bepalingen van artikel XIII, dat de uitwerking gelijkwaardig is aan die der beperkingen welke deze verdragsluitende partij op dat tijdstip op betalingen en overmakingen bij lopende internationale transacties mag toepassen krachtens artikel VIII of artikel XIV van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of krachtens hiermede overeenkomende bepalingen van een ingevolge lid 6 van artikel XV aangegane speciale valuta-overeenkomst.

2.

Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII invoerbeperkingen toepast, mag met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tijdelijk afwijken van de bepalingen van artikel XIII met betrekking tot een klein gedeelte van haar buitenlandse handel, in geval de hieruit voortvloeiende voordelen voor de betrokken verdragsluitende partij of verdragsluitende partijen de nadelen welke hierdoor voor de handel van andere verdragsluitende partijen kunnen optreden belangrijk overtreffen.

3.

De bepalingen van artikel XIII beletten niet, dat ingevolge de bepalingen van artikel XII of sectie B van artikel XVIII een groep gebieden die een gemeenschappelijk quotum hebben in het Internationale Monetaire Fonds beperkingen toepassen op de invoer uit andere landen, doch niet op hun onderlinge goederenverkeer, op voorwaarde dat dergelijke beperkingen in ieder ander opzicht verenigbaar zijn met de bepalingen van artikel XIII.

4.

Een verdragsluitende partij die invoerbeperkingen toepast krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII wordt door de artikelen XI tot XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet maatregelen toe te passen om, zonder af te wijken van de bepalingen van artikel XIII, haar uitvoer zodanig te richten, dat haar opbrengsten aan deviezen die zij kan benutten zo hoog mogelijk zijn.

5.

Een verdragsluitende partij wordt door de artikelen XI tot en met XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet kwantitatieve beperkingen toe te passen:

Artikel XV. Valutaregelingen
1.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN streven naar samenwerking met het Internationale Monetaire Fonds teneinde een gecoördineerd beleid te voeren ten aanzien van valuta-aangelegenheden behorende tot de competentie van het Fonds, alsmede ten aanzien van kwantitatieve beperkingen en andere handelsmaatregelen behorende tot de competentie van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

2.

In alle gevallen waarin de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN problemen betreffende monetaire reserves, betalingsbalansen of deviezenregelingen krijgen te beoordelen of te behandelen plegen zij nauw overleg met het Internationale Monetaire Fonds. Bij zulk overleg aanvaarden de VEDRAGSLUITENDE PARTIJEN alle door het Fonds gegeven feitelijke uitspraken op statistisch en ander gebied ten aanzien van deviezen, monetaire reserves en betalingsbalansen, evenals de uitspraak van het Fonds of een door een Verdragsluitende partij genomen maatregel met betrekking tot valuta-aangelegenheden al dan niet in overeenstemming is met de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of met de bepalingen van een speciale valuta-overeenkomst tussen die verdragsluitende partij en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanvaarden bij het nemen van een eindbeslissing in gevallen waarbij de in lid 2 (a) van artikel XII of in lid 9 van artikel XVIII genoemde criteria zijn betrokken, de uitspraak van het Fonds ten aanzien van hetgeen als een aanzienlijke daling, een zeer laag peil of een redelijke toeneming van de monetaire reserves der verdragsluitende partij wordt aangemerkt, zomede ten aanzien van de financiële aspecten van andere aangelegenheden waartoe het overleg zich in dergelijke gevallen uitstrekt.

3.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen met het Fonds tot overeenstemming te komen over de te volgen procedure bij het overleg bedoeld in lid 2 van dit artikel.

4.

De verdragsluitende partijen mogen noch door deviezenmaatregelen de opzet van deze Overeenkomst, noch door maatregelen op het gebied van de handel de opzet van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds verijdelen.

5.

Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te eniger tijd van oordeel zijn, dat een verdragsluitende partij deviezenbeperkingen op betalingen en overmakingen voortvloeiende uit de invoer toepast op een wijze welke onverenigbaar is met de uitzonderingen waarin deze Overeenkomst met betrekking tot kwantitatieve beperkingen voorziet geven zij daarvan kennis aan het Fonds.

6.

Elke verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient, binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN na overleg met het Fonds vast te stellen termijn, lid van het Fonds te worden of, bij gebreke daarvan, een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan te gaan. Een verdragsluitende partij welke ophoudt lid te zijn van het Fonds gaat terstond een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan. Iedere speciale valuta-overeenkomst door een verdragsluitende partij krachtens dit lid aangegaan vormt onmiddellijk daarna een deel van haar verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.

8.

Een verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient in het algemene kader van sectie 5 van artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds alle gegevens te verstrekken die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen verlangen teneinde de hun bij deze Overeenkomst toegewezen taken te kunnen uitoefenen.

9.

Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag een beletsel vormen voor:

Artikel XVI. Subsidies
1.

Indien een verdragsluitende partij enige subsidie, daaronder begrepen elke vorm van bescherming van inkomen of steun aan prijzen, verleent of in stand houdt, welke rechtstreeks of middellijk vermeerdering van de uitvoer van een produkt uit haar gebied of vermindering van de invoer van een produkt in haar gebied ten gevolge heeft, geeft zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis van de omvang en aard van de subsidiëring, van de vermoedelijke uitwerking hiervan op de hoeveelheid der betrokken in of uit te voeren goederen en van de omstandigheden die subsidiëring nodig maken. In alle gevallen waarin wordt vastgesteld, dat aan de belangen van een andere verdragsluitende partij door zulk een subsidiëring ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend, bespreekt de verdragsluitende partij die de subsidie verleent met de betrokken verdragsluitende partij of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op verzoek de mogelijkheid van een beperking der subsidiëring.

2.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat het verlenen van een subsidie op de uitvoer van een produkt door een verdragsluitende partij voor andere verdragsluitende partijen, zowel importerende als exporterende, schadelijke gevolgen kan hebben, hun normale handelsbelangen in te grote mate kan verstoren, zomede de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst kan belemmeren.

3.

Dientengevolge moeten de verdragsluitende partijen trachten de verlening van subsidies op de uitvoer van basisprodukten te vermijden. Indien een verdragsluitende partij toch, rechtstreeks of middellijk, in welke vorm dan ook een subsidie verleent, welke ten doel heeft de uitvoer uit haar grondgebied van een basisprodukt te vergroten, mag deze subsidie niet zodanig worden toegepast, dat deze verdragsluitende partij meer dan een billijk aandeel in de werelduitvoerhandel van dat produkt verwerft, waarbij rekening wordt gehouden met het door de verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode verworven aandeel in die handel in dat produkt, zomede met alle speciale factoren welke de handel in het desbetreffende produkt hebben beïnvloed, dan wel kunnen beïnvloeden.

4.

Voorts verlenen de verdragsluitende partijen van 1 januari 1958 af, of zo spoedig mogelijk nadien, geen enkele subsidie meer, hetzij rechtstreeks hetzij middellijk, in welke vorm dan ook, op de uitvoer van een produkt, geen basisprodukt zijnde, welke subsidie tot gevolg heeft, dat het desbetreffende produkt wordt verkocht tegen een prijs die lager ligt dan de vergelijkbare prijs waartegen het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt wordt aangeboden. Tot 31 december 1957 mag geen verdragsluitende partij de omvang van de door haar verleende subsidies verhogen tot boven die bestaande op 1 januari 1955, door het verlenen van nieuwe subsidies dan wel door verhoging van bestaande.

5.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen de werking van de bepalingen van dit artikel van tijd tot tijd aan een onderzoek teneinde in het licht van de opgedane ervaringen vast te stellen of zij op doelmatige wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en daadwerkelijk verhinderen dat subsidies worden verleend die ernstige schade toebrengen aan de handel of de belangen van de verdragsluitende partijen.

Artikel XVII. Staatshandelsondernemingen
2.

Het bepaalde in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op invoer van produkten welke zijn bestemd voor onmiddellijk of uiteindelijk verbruik door of voor rekening van de overheid en overigens niet bestemd voor wederverkoop of gebruik bij de produktie van ten verkoop bestemde goederen. Ten aanzien van deze invoer kent elke verdragsluitende partij aan de handel van de andere verdragsluitende partijen een behoorlijke en billijke behandeling toe.

3.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat ondernemingen als bedoeld in lid 1 (a) van dit artikel zodanig kunnen werken, dat zij ernstige belemmeringen van de handel kunnen veroorzaken; zodoende is het houden van onderhandelingen, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, om zulke belemmeringen te beperken of te verminderen, van belang voor de uitbreiding van de internationale handel.

Artikel XVIII. Hulp van regeringswege ten bate van de economische ontwikkeling
1.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst zal worden bevorderd door de toenemende ontwikkeling van hun economie, in het bijzonder van die verdragsluitende partijen wier economie de bevolking slechts een lage levensstandaard kan bieden en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert.

2.

De verdragsluitende partijen erkennen voorts, dat het voor genoemde verdragsluitende partijen noodzakelijk kan zijn – teneinde de economische ontwikkelingsprogramma's uit te voeren, welke zijn gericht op de verhoging van de algemene levensstandaard van hun bevolking – beschermende of andere maatregelen te nemen, die de invoer betreffen en dat deze maatregelen gerechtvaardigd zijn voor zover zij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst bevorderen. Zij zijn derhalve van oordeel, dat bovengenoemde verdragsluitende partijen aanvullende faciliteiten dienen te genieten die hen in staat stellen (a) voldoende soepelheid te betrachten bij het hanteren van de tarieven voor invoerrechten, opdat zij de tariefbescherming kunnen verlenen welke vereist is bij de oprichting van een bepaalde industrie, en (b) kwantitatieve beperkingen toe te passen voor betalingsbalansdoeleinden op een wijze die volledig rekening houdt met het voortdurende hoge peil van de vraag naar importen, welke naar alle waarschijnlijkheid door hun economische ontwikkelingsprogramma's zal worden veroorzaakt.

3.

De verdragsluitende partijen erkennen ten slotte, dat dank zij de aanvullende faciliteiten waarin de secties A en B van dit artikel voorzien, de bepalingen van deze Overeenkomst, normaal gesproken, voldoende zijn om de verdragsluitende partijen in staat te stellen aan de behoeften voor hun economische ontwikkeling te voldoen. Zij erkennen echter, dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin het praktisch niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met deze bepalingen te nemen om een verdragsluitende partij die een economisch ontwikkelingsproces doormaakt in staat te stellen van regeringswege de hulp te verlenen die noodzakelijk is om de oprichting van bepaalde industrieën te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen. Speciale regelingen zijn voor deze gevallen vastgesteld in de secties C en D van dit artikel.

5.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat de opbrengsten uit export van verdragsluitende partijen wier economie het karakter heeft als omschreven in lid 4 (a) en (b) hierboven en die steunt op de uitvoer van een klein aantal basisprodukten, een ernstige verlaging kunnen ondergaan door vermindering van de verkoop van deze produkten. Dientengevolge kan een verdragsluitende partij haar toevlucht nemen tot de bepalingen inzake overleg van artikel XXII van deze Overeenkomst, wanneer de export van basisprodukten van deze verdragsluitende partij ernstig door maatregelen van een andere verdragsluitende partij wordt getroffen.

6.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen ieder jaar alle maatregelen welke krachtens de bepalingen van de secties C en D van dit artikel worden toegepast, aan een onderzoek.

8.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat verdragsluitende partijen die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel vallen en een snel ontwikkelingsproces doormaken betalingsbalansmoeilijkheden kunnen ondervinden, welke voornamelijk voortspruiten zowel uit hun pogingen om hun binnenlandse markt uit te breiden als uit de instabiliteit van hun ruilvoet.

9.

Teneinde haar buitenlandse financiële positie te beschermen en een voldoende stand der reserves ter uitvoering van haar programma voor economische ontwikkeling te verzekeren mag een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 10 tot 12, het algehele peil van haar import regelen door de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen te beperken, mits de opgelegde, gehandhaafde of verscherpte invoerbeperkingen niet verder gaan dan nodig is om:

In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of op haar behoefte aan reserves, en met name met de noodzaak om te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere bronnen wanneer deze de verdragsluitende partij ter beschikking staan.

10.

Bij de toepassing van deze beperkingen kan de verdragsluitende partij bepalen in welke mate deze de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, met dien verstande dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke in de lijn van haar beleid ten aanzien van economische ontwikkeling het meest noodzakelijk zijn. Niettemin dient bij de toepassing der beperkingen te worden vermeden, dat onnodige schade aan de commerciële en economische belangen van iedere andere verdragsluitende partij wordt toegebracht en dat zonder redelijke grond de invoer van minimale handelshoeveelheden wordt verhinderd van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; bovendien mogen genoemde beperkingen niet zodanig worden toegepast, dat zij de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.

11.

Bij de uitvoering van haar binnenlands beleid houdt de betrokken verdragsluitende partij terdege rekening met de noodzaak het evenwicht van haar betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te herstellen, alsmede met de wenselijkheid een economisch gebruik van produktieve hulpbronnen te verzekeren. Zij verzacht geleidelijk aan alle krachtens deze sectie toegepaste beperkingen naarmate er in de omstandigheden verbetering optreedt en handhaaft deze slechts voor zover ze volgens de bepalingen van lid 9 van dit artikel nog noodzakelijk zijn; zij heft bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de handhaving daarvan niet meer rechtvaardigen; niettemin is geen verdragsluitende partij gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in haar beleid inzake ontwikkeling de beperkingen welke zij krachtens deze sectie toepast onnodig zou maken.

13.

Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt van oordeel is, dat van regeringswege hulp noodzakelijk is om de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen, maar dat het in de praktijk niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met de andere bepalingen van deze Overeenkomst te nemen om deze doelstelling te verwezenlijken, kan zij gebruik maken van de bepalingen en regelingen van deze sectie.

14.

De betrokken verdragsluitende partij stelt de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis van de bijzondere moeilijkheden die zij ondervindt bij de verwezenlijking van de doelstelling genoemd in lid 13 van dit artikel; zij geeft nauwkeurig de invoerbelemmerende maatregel aan, die zij voornemens is te nemen om deze moeilijkheden te ondervangen. Zij treft deze maatregel niet vóór afloop van de periode bedoeld in lid 15, onderscheidenlijk lid 17, of slechts nadat zij de akkoordbevinding van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeenkomstig het bepaalde in lid 18 heeft verkregen, indien de maatregel de invoer nadelig beïnvloedt van een produkt waarop een concessie opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst is gegeven. Niettemin kan de verdragsluitende partij, indien de industrie die hulp ontvangt reeds is aangevangen met de produktie, zodanige maatregelen treffen, na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te hebben ingelicht, als noodzakelijk zijn om te beletten dat gedurende die periode de import van het produkt of de produkten in kwestie aanzienlijk boven het normale peil stijgen.

15.

Indien binnen dertig dagen na kennisgeving van de maatregel de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de betrokken verdragsluitende partij niet verzoeken met hen te overleggen, heeft deze verdragsluitende partij het recht af te wijken van de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om de voorgenomen maatregel toe te passen.

16.

Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zulks verzoeken, treedt de betrokken verdragsluitende partij met hen in overleg over de strekking van de voorgenomen maatregel, over de andere maatregelen die in het kader van deze Overeenkomst mogelijk zijn en over de vermoedelijke uitwerking van deze maatregel op de commerciële en economische belangen van andere verdragsluitende partijen. Indien als resultaat van dit overleg de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst, om de in lid 13 van dit artikel neergelegde doelstelling te verwezenlijken, en indien zij instemmen met de voorgenomen maatregel, wordt de betrokken verdragsluitende partij ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.

17.

Indien binnen negentig dagen na de datum van kennisgeving van de voorgenomen maatregel overeenkomstig lid 14 van dit artikel, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich niet met deze maatregel hebben kunnen verenigen, kan de betrokken verdragsluitende partij genoemde maatregel nemen na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan op de hoogte te hebben gesteld.

18.

Indien de voorgenomen maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, die is opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, treedt de betrokken verdragsluitende partij in onderhandeling met elke andere verdragsluitende partij met wie deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN stemmen met de maatregel in, indien zij erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst om de in lid 13 van dit artikel omschreven doelstelling te verwezenlijken, en indien zij ervan overtuigd zijn:

De verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie wordt vervolgens ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.

19.

Indien de voorgenomen maatregel van het soort is als omschreven in lid 13 van dit artikel en een industrie betreft waarvan de oprichting in de beginperiode werd bevorderd door een aanvullende bescherming die de betrokken verdragsluitende partij ingevolge de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst had verleend door middel van beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden, kan deze verdragsluitende partij gebruik maken van de bepalingen en procedures van deze sectie, mits zij de voorgenomen maatregel niet treft zonder toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

20.

Geen enkele bepaling van de voorgaande leden van deze sectie geeft het recht af te wijken van de bepalingen van de artikelen I, II en XIII van deze Overeenkomst. De voorbehouden bij lid 10 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op elke beperking ingevolge deze sectie.

21.

Op elk ogenblik gedurende de tijd dat een maatregel wordt toegepast krachtens lid 17 van dit artikel kan elke verdragsluitende partij die daardoor aanmerkelijk is geschaad ten aanzien van de handel van een verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie de toepassing opschorten van verleende concessies van nagenoeg gelijke waarde of van andere bij deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daartegen geen bezwaar maken en onder voorwaarde, dat niet later dan zes maanden nadat de maatregel is getroffen, dan wel aanzienlijk ten nadele van de desbetreffende verdragsluitende partij is gewijzigd, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zestig dagen tevoren van een dergelijke opschorting in kennis worden gesteld. Deze verdragsluitende partij biedt voldoende gelegenheid tot overleg overeenkomstig het bepaalde in artikel XXII van deze Overeenkomst.

22.

Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, in het belang van de ontwikkeling van haar economie een maatregel van het soort als omschreven in lid 13 van dit artikel wenst te nemen met betrekking tot de oprichting van een bepaalde industrie, mag zij een verzoek tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN richten tot goedkeuring van een dergelijke maatregel. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN treden onverwijld met deze verdragsluitende partij in overleg en laten zich bij hun besluit leiden door de in lid 16 omschreven overwegingen. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN instemmen met de voorgenomen maatregel, ontheffen zij de betrokken verdragsluitende partij van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. Indien de voorgestelde maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, is het bepaalde in lid 18 van toepassing.

23.

Iedere maatregel toegepast krachtens deze sectie dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in lid 20 van dit artikel.

Artikel XIX. Noodmaatregelen inzake de invoer van bepaalde produkten
2.

Voordat een verdragsluitende partij maatregelen ingevolge het bepaalde in lid 1 van dit artikel neemt, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo lang mogelijk te voren hiervan schriftelijk in kennis en stelt deze, alsook die verdragsluitende partijen die als exporteurs van het betrokken produkt daarbij een aanmerkelijk belang hebben, in de gelegenheid met hen over de voorgestelde maatregelen te beraadslagen. Wanneer zulk een kennisgeving een concessie terzake van preferentiële behandeling betreft, wordt daarin de naam vermeld van de verdragsluitende partij die om de maatregel heeft verzocht. In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken kunnen maatregelen ingevolge lid 1 van dit artikel voorlopig zonder voorafgaand overleg worden genomen, op voorwaarde dat overleg dan onmiddellijk daarna geschiedt.

Artikel XX. Algemene uitzonderingen

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast, dat zij een middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar dezelfde omstandigheden heersen, hetzij tot een verkapte beperking van de internationale handel, wordt niets in deze Overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het nemen of toepassen door enige verdragsluitende partij van maatregelen:

Artikel XXI. Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid

Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat zij:

Artikel XXII. Overleg
1.

Elke verdragsluitende partij neemt de door een andere verdragsluitende partij eventueel te berde gebrachte bezwaren betreffende enige zaak welke de uitvoering van deze Overeenkomst raakt in welwillende overweging en dient voldoende gelegenheid te bieden tot overleg.

2.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen op verzoek van een verdragsluitende partij in overleg treden met een of meer verdragsluitende partijen betreffende enigerlei kwestie waarvoor een bevredigende oplossing door middel van het overleg bedoeld in lid 1 niet kon worden gevonden.

Artikel XXIII. Bescherming van concessies en voordelen
1.

Indien een verdragsluitende partij meent, dat enig voordeel hetwelk voor haar rechtstreeks of middellijk uit deze Overeenkomst voortvloeit wordt teniet gedaan of uitgehold of dat het bereiken van een in deze Overeenkomst gesteld doel wordt verhinderd doordat (a) een andere verdragsluitende partij in gebreke blijft haar verplichtingen krachtens deze Overeenkomst na te komen of (b) een andere verdragsluitende partij, al dan niet in strijd met de bepalingen van deze Overeenkomst, een maatregel toepast of (c) enige andere omstandigheid aanwezig is, mag die verdragsluitende partij, teneinde tot een bevredigende regeling van de zaak te komen, schriftelijk bezwaren of voorstellen indienen bij de andere verdragsluitende partij of partijen welke naar haar mening hierbij betrokken zijn. Elke verdragsluitende partij tot wie dergelijke bezwaren of voorstellen worden gericht, dient hieraan welwillende aandacht te schenken.

2.

Indien de betrokken verdragsluitende partijen niet binnen redelijke tijd tot een vergelijk komen of indien de moeilijkheid van de in lid 1 (c) bedoelde aard is, kan de zaak worden verwezen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. Deze nemen een aldus naar hen verwezen zaak terstond in onderzoek en doen aan de verdragsluitende partijen die zij erbij betrokken achten passende aanbevelingen of doen een uitspraak terzake. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, indien zij zulks nodig achten, de verdragsluitende partijen, de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en iedere daartoe geschikte intergouvernementele organisatie raadplegen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen, indien zij de omstandigheden daartoe ernstig genoeg achten, een of meer verdragsluitende partijen machtigen ten opzichte van een of meer verdragsluitende partijen zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende concessies of andere verplichtingen op te schorten als zij onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd achten. Indien de toepassing van een concessie of de nakoming van een andere verplichting ten opzichte van een verdragsluitende partij inderdaad is opgeschort, heeft genoemde verdragsluitende partij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de schriftelijke kennisgeving door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen.

DEEL III

Artikel XXIV. Territoriale toepassing – grensverkeer – douane-unies en vrijhandelsgebieden
1.

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het douanegebied van het moederland der verdragsluitende partijen en op ieder ander douanegebied ten aanzien waarvan deze Overeenkomst ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast. Elk van deze douanegebieden wordt uitsluitend voor de territoriale toepassing van deze Overeenkomst als verdragsluitende partij beschouwd, met dien verstande echter dat de bepalingen van dit lid niet worden uitgelegd als scheppende rechten of verplichtingen tussen twee of meer douanegebieden ten aanzien waarvan deze Overeenkomst door een enkele verdragsluitende partij ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast.

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder douanegebied verstaan ieder gebied waarvoor afzonderlijk douanetarieven of andere handelsregelingen gelden ten aanzien van een aanmerkelijk deel van de handel van dat gebied met andere gebieden.

3.

De bepalingen van deze Overeenkomst mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormen voor:

4.

De verdragsluitende partijen erkennen de wenselijkheid de vrijheid van handel te bevorderen door vrijwillige overeenkomsten die een nauwere integratie van de economieën van de daaraan deelnemende landen beogen. Zij erkennen ook, dat het doel van een douane-unie of van een vrijhandelsgebied moet zijn de vergemakkelijking van de handel tussen de samenstellende gebieden en niet de belemmering van de handel van andere verdragsluitende partijen met die gebieden.

5.

Dienovereenkomstig mogen de bepalingen van deze Overeenkomst niet beletten, dat tussen de gebieden van verdragsluitende partijen een douane-unie of een vrijhandelsgebied wordt ingesteld of dat een voorlopige overeenkomst wordt gesloten noodzakelijk tot het instellen van een douane-unie of een vrijhandelsgebied, mits:

6.

Indien bij het voldoen aan de vereisten gesteld sub a van lid 5, een verdragsluitende partij zich voorneemt enig recht in strijd met het bepaalde in artikel II te verhogen, wordt de procedure vermeld in artikel XXVIII toegepast. Bij het vaststellen van een compenserende regeling wordt terdege rekening gehouden met de compensatie die reeds wordt verschaft door de verlagingen van het overeenkomstige invoerrecht van de andere samenstellende delen van de Unie.

8.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

9.

De instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied oefent geen invloed uit op de preferenties bedoeld in lid 2 van artikel I; deze mogen echter worden afgeschaft of aangepast door middel van onderhandelingen met de betrokken verdragsluitende partijen. Deze onderhandelingsprocedure met de betrokken verdragsluitende partijen is in het bijzonder van toepassing op de afschaffing van preferenties nodig om te voldoen aan de bepalingen van lid 8 (a) (i) en lid 8 (b).

10.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen met een meerderheid van twee derde voorstellen goedkeuren die niet geheel voldoen aan de vereisten van de leden 5 tot en met 9, op voorwaarde dat deze voorstellen leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied in de zin van dit artikel.

11.

Rekening houdende met de buitengewone omstandigheden die voortvloeien uit het feit dat India en Pakistan onafhankelijke Staten zijn geworden, en het feit erkennende dat zij reeds lange tijd een economische eenheid hebben gevormd, komen de verdragsluitende partijen overeen, dat de bepalingen van deze Overeenkomst de beide landen niet beletten bijzondere overeenkomsten aan te gaan ten aanzien van hun wederzijdse handel, zulks in afwachting van het definitief vaststellen van hun wederzijdse handelsbetrekkingen.

12.

Elke verdragsluitende partij neemt alle redelijke binnen haar bereik liggende maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst door de gewestelijke en plaatselijke besturen en autoriteiten binnen haar gebied te verzekeren.

Artikel XXV. Gezamenlijk optreden van de verdragsluitende partijen
1.

Er worden periodiek vergaderingen van vertegenwoordigers van de verdragsluitende partijen gehouden teneinde de uitvoering van die bepalingen van deze Overeenkomst welke een gezamenlijk optreden vereisen, te verzekeren en in het algemeen de toepassing van deze Overeenkomst te vergemakkelijken en de verwezenlijking van haar doeleinden te bevorderen. Overal waar in deze Overeenkomst sprake is van de gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen worden deze aangeduid als de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

2.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt verzocht de eerste vergadering van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN uiterlijk tegen 1 maart 1948 bijeen te roepen.

3.

Elke verdragsluitende partij heeft een stem op alle vergaderingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

4.

Tenzij in deze Overeenkomst anders is voorgeschreven, worden de beslissingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij meerderheid der uitgebrachte stemmen genomen.

5.

In buitengewone omstandigheden waarvoor elders in deze Overeenkomst geen voorziening is getroffen, mogen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een verdragsluitende partij ontheffing verlenen van een haar bij deze Overeenkomst opgelegde verplichting, op voorwaarde echter dat zulk een beslissing door een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen wordt goedgekeurd en dat deze meerderheid meer dan de helft van de verdragsluitende partijen omvat. Bij een zodanige stemming kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN eveneens:

Artikel XXVI. Aanvaarding, inwerkingtreding en registratie
1.

De datum van deze Overeenkomst is 30 oktober 1947.

2.

Deze Overeenkomst staat open voor aanvaarding door iedere verdragsluitende partij die op 1 maart 1955 verdragsluitende partij was of in onderhandeling was teneinde tot deze Overeenkomst toe te treden.

3.

Deze Overeenkomst, gedaan in een enkel origineel in de Engelse taal en een enkel origineel in de Franse taal, zijnde beide teksten authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan aan alle belanghebbende regeringen zal verstrekken.

4.

Elke regering die deze Overeenkomst aanvaardt dient een akte van aanvaarding neder te leggen bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die alle belanghebbende regeringen in kennis zal stellen van de datum van nederlegging van elke akte van aanvaarding, alsmede van de datum waarop deze Overeenkomst krachtens lid 6 van dit artikel in werking treedt.

6.

De onderhavige Overeenkomst treedt tussen de regeringen die haar hebben aanvaard in werking op de dertigste dag na de datum waarop de akten van aanvaarding bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn nedergelegd namens die regeringen genoemd in Bijlage H welker gebieden 85 ten honderd vertegenwoordigen van de totale buitenlandse handel van de gebieden van de in die Bijlage genoemde regeringen, berekend volgens de desbetreffende daarin vervatte kolom met percentages. De akte van aanvaarding van elk der overige regeringen heeft rechtsgevolg op de dertigste dag na de datum waarop genoemde akte is nedergelegd.

7.

De Verenigde Naties zijn gemachtigd deze Overeenkomst te registreren zodra zij in werking treedt.

Artikel XXVII. Opschorting of intrekking van concessies

Elke verdragsluitende partij staat het te allen tijde vrij een concessie welke is vermeld in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst geheel of ten dele op te schorten of in te trekken, op grond van het feit dat een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen met een regering die geen verdragsluitende partij is geworden of is opgehouden zulks te zijn. De verdragsluitende partij die zulk een maatregel neemt, is gehouden de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis te stellen en treedt, op daartoe gedaan verzoek, met verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang bij het desbetreffende produkt hebben in overleg.

Artikel XXVIII. Wijziging van de Lijsten
1.

Vanaf de eerste dag van ieder tijdvak van drie jaar, waarbij het eerste tijdvak aanvangt op 1 januari 1958, (of vanaf de eerste dag van ieder ander tijdvak dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN met twee derde der uitgebrachte stemmen vaststellen), mag een verdragsluitende partij (hierna in dit artikel te noemen „verzoekende verdragsluitende partij”) een concessie voorkomende in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wijzigen of intrekken, nadat zij in onderhandeling is getreden en overeenstemming heeft bereikt met de verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, zomede met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de voornaamste leverancier is (deze twee categorieën verdragsluitende partijen worden, evenals de verzoekende verdragsluitende partij, hierna in dit artikel de „voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen” genoemd), en onder voorbehoud van overleg met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij een dergelijke concessie heeft.

2.

Bij dergelijke onderhandelingen en bij een dergelijke overeenstemming, welke laatste compensaties betreffende andere produkten kan bevatten, dienen de betrokken verdragsluitende partijen te trachten de overeengekomen wederkerige en wederzijds voordelige concessies te handhaven op een peil dat voor de handel niet minder gunstig is dan hetgeen was voorzien in deze Overeenkomst voordat bovengenoemde onderhandelingen werden gehouden.

4.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen te allen tijde in buitengewone omstandigheden een verdragsluitende partij machtigen in onderhandeling te treden over de wijziging of de intrekking van een concessie voorkomend in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, en wel overeenkomstig de volgende procedure en voorwaarden:

5.

Een verdragsluitende partij kan vóór 1 januari 1958 en vóór de afloop van elk tijdvak bedoeld in lid 1 zich door kennisgeving aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN het recht voorbehouden om gedurende de volgende periode de desbetreffende Lijst te wijzigen overeenkomstig de in de leden 1 tot 3 voorgeschreven procedures. Indien een verdragsluitende partij zich dit recht voorbehoudt, hebben andere verdragsluitende partijen het recht om gedurende hetzelfde tijdvak en volgens dezelfde procedures concessies te wijzigen of in te trekken welke aanvankelijk werden overeengekomen met die verdragsluitende partij.

Artikel XXVIIIbis. Tariefonderhandelingen
1.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat invoerrechten dikwijls ernstige belemmeringen vormen voor de handel. Van groot belang voor de uitbreiding van de internationale handel zijn derhalve onderhandelingen op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel en gericht op aanmerkelijke verlaging van het algemene peil van de tarieven en van andere heffingen op in- en uitvoer en in het bijzonder op de verlaging van tarieven welke zo hoog zijn dat zij zelfs voor de invoer van minimale hoeveelheden een belemmering vormen, mits gevoerd met inachtneming van de doeleinden van deze Overeenkomst en de onderscheiden behoeften van de afzonderlijke verdragsluitende partijen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen daarom periodiek dergelijke onderhandelingen organiseren.

3.

De onderhandelingen worden gevoerd op een grondslag welke ruimschoots gelegenheid biedt om rekening te houden met:

Artikel XXIX. De verhouding van de onderhavige Overeenkomst tot het Handvest van Havana
1.

De verdragsluitende partijen verplichten zich zover als hun uitvoerend gezag strekt de algemene beginselen van de Hoofdstukken I tot en met VI en van Hoofdstuk IX van het Handvest van Havana in acht te nemen, zulks in afwachting van hun aanvaarding van dit Handvest overeenkomstig hun grondwettelijke procedures.

2.

Deel II van deze Overeenkomst zal worden geschorst op de dag waarop het Handvest van Havana in werking treedt.

3.

Indien op 30 september 1949 het Handvest van Havana niet in werking is getreden, komen de verdragsluitende partijen vóór 31 december 1949 bijeen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd.

4.

Indien op enigerlei tijdstip het Handvest van Havana mocht ophouden van kracht te zijn, zullen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo spoedig mogelijk daarna bijeenkomen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd. In afwachting van een dergelijke overeenstemming treedt Deel II van deze Overeenkomst wederom in werking, met dien verstande echter dat de bepalingen van Deel II, behalve artikel XXIII, mutatis mutandis, worden vervangen in de vorm waarin zij toen in het Handvest van Havana voorkwamen en dat voorts geen verdragsluitende partij is gebonden door enige bepaling welke haar niet bond op het tijdstip waarop het Handvest van Havana ophield van kracht te zijn.

5.

Wanneer een verdragsluitende partij het Handvest van Havana op de dag waarop het in werking treedt niet heeft aanvaard, komen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bijeen teneinde tot overeenstemming te geraken of, en zo ja op welke wijze, deze Overeenkomst dient te worden aangevuld of gewijzigd, voor zover zij de verhouding raakt tussen deze verdragsluitende partij en andere verdragsluitende partijen. In afwachting van een dergelijke overeenstemming blijven de bepalingen van Deel II van deze Overeenkomst, niettegenstaande het bepaalde in lid 2 van dit artikel, van toepassing tussen deze verdragsluitende partij en de andere verdragsluitende partijen.

6.

Verdragsluitende partijen die Lid van de Internationale Handelsorganisatie zijn beroepen zich niet op de bepalingen van deze Overeenkomst teneinde de werking van enige bepaling van het Handvest van Havana te verhinderen. De toepassing van het aan dit lid ten grondslag liggende beginsel op enige verdragsluitende partij die geen Lid van de Internationale Handelsorganisatie is, zal onderwerp uitmaken van een overeenkomst ingevolge lid 5 van dit artikel.

Artikel XXX. Wijzigingen
1.

Voor zover niet elders in deze Overeenkomst voorzieningen inzake wijziging zijn getroffen, worden wijzigingen in de bepalingen van Deel I van deze Overeenkomst of in die van artikel XXIX of in die van dit artikel van kracht, zodra zij door alle verdragsluitende partijen zijn aanvaard, terwijl wijzigingen in andere bepalingen van deze Overeenkomst van kracht worden ten aanzien van die verdragsluitende partijen die ze aanvaarden, na aanvaarding door twee derde der verdragsluitende partijen en vervolgens ten aanzien van elke andere verdragsluitende partij, zodra deze de bedoelde wijzigingen aanvaardt.

2.

Elke verdragsluitende partij die een wijziging in deze Overeenkomst aanvaardt legt een akte van aanvaarding bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties neder binnen een daartoe door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vast te stellen termijn. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen bepalen dat een wijziging die ingevolge dit artikel van kracht wordt van zodanige aard is, dat een verdragsluitende partij die haar niet binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vastgestelde termijn heeft aanvaard, vrij zal zijn deze Overeenkomst op te zeggen of, met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, verdragsluitende partij te blijven.

Artikel XXXI. Opzegging

Onverminderd het bepaalde in artikel XVIII, lid 12, in artikel XXIII of in artikel XXX, lid 2, mag elke verdragsluitende partij deze Overeenkomst opzeggen of zulks afzonderlijk doen namens een of meer der afzonderlijke douanegebieden waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt en die op dat ogenblik volledige autonomie bezitten ten aanzien van hun buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan schriftelijk in kennis is gesteld.

Artikel XXXII. Verdragsluitende partijen
1.

Onder verdragsluitende partijen bij deze Overeenkomst worden verstaan de regeringen die de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen krachtens artikel XXVI of artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing.

2.

Te allen tijde nadat deze Overeenkomst ingevolge lid 6 van artikel XXVI in werking is getreden, mogen de verdragsluitende partijen die deze Overeenkomst ingevolge lid 4 van artikel XXVI hebben aanvaard, bepalen dat een verdragsluitende partij die haar niet op deze wijze heeft aanvaard zal ophouden verdragsluitende partij te zijn.

Artikel XXXIII. Toetreding

Een regering die geen partij bij deze Overeenkomst is of een regering die handelt namens een afzonderlijk douanegebied dat volledige autonomie bezit ten aanzien van zijn buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden kan tot deze Overeenkomst toetreden, hetzij voor zichzelf, hetzij namens dat gebied, op tussen deze regering en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeen te komen voorwaarden. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de beslissingen ingevolge dit lid bij een meerderheid van twee derde.

Artikel XXXIV. Bijlagen

De Bijlagen bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel daarvan.

Artikel XXXV. Niet-toepassing van de Overeenkomst tussen bepaalde verdragsluitende partijen
1.

Deze Overeenkomst of artikel II van deze Overeenkomst is niet van toepassing tussen een verdragsluitende partij en een andere verdragsluitende partij, indien:

2.

Op verzoek van een verdragsluitende partij kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in bijzondere gevallen een onderzoek instellen naar de werking van dit artikel en passende aanbevelingen doen.

DEEL IV. Handel en ontwikkeling

Artikel XXXVI. Beginselen en doelstellingen
1.

De verdragsluitende partijen,

zijn overeengekomen als volgt:

2.

Het is noodzakelijk zorg te dragen voor een snelle en aanhoudende stijging van de inkomsten uit export van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.

3.

Het is noodzakelijk krachtige pogingen in het werk te stellen die erop zijn gericht de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen een deel te doen toevallen in de groei van de internationale handel, dat beantwoordt aan de behoeften van hun economische ontwikkeling.

4.

Aangezien vele minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afhankelijk zullen blijven van de uitvoer van een beperkt aantal basisprodukten, is het noodzakelijk dat deze produkten in zo ruim mogelijke mate tegen gunstiger en aanvaardbare voorwaarden toegang krijgen tot de wereldmarkten; zonodig dienen maatregelen te worden getroffen, die erop zijn gericht de wereldmarkten voor deze produkten te stabiliseren en te verbeteren, en met name de prijzen te stabiliseren op een redelijk en lonend peil, dat een toeneming van de wereldhandel en van de vraag, alsmede een dynamische: en gestadige groei van de reële inkomsten uit export van deze landen mogelijk maakt, teneinde hun aldus steeds ruimere middelen voor hun economische ontwikkeling te verschaffen.

5.

De snelle groei van de economie van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen zal worden vergemakkelijkt door aan hun economische structuur een bredere basis te verlenen en te voorkomen dat zij in te hoge mate afhankelijk blijven van de uitvoer van basisprodukten. Er bestaat derhalve behoefte aan een betere toegang op zo ruim mogelijke schaal en onder gunstige omstandigheden tot de markten voor verwerkte en eindprodukten die van bijzonder belang zijn voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen of dit kunnen zijn.

6.

Wegens het chronische tekort aan inkomsten uit export en aan andere deviezeninkomsten van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, bestaat er een nauw verband tussen de handel en de financiële hulp bij de ontwikkeling. Het is derhalve noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN en de internationale financieringsinstellingen ten nauwste blijven samenwerken, opdat zij op de meest doeltreffende wijze zullen kunnen bijdragen tot het verlichten van de taken die de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen op zich nemen in het belang van hun economische ontwikkeling.

7.

Het is noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, andere intergouvernementele lichamen, alsmede de organen en organisaties van de Verenigde Naties, welker werkzaamheden liggen op het terrein van de handel en de economische ontwikkeling van de minder ontwikkelde landen, op doeltreffende wijze samenwerken.

8.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen verwachten voor de door hen bij de handelsbesprekingen aanvaarde verplichtingen om de douanerechten en andere handelsbelemmeringen te verminderen of af te schaffen, geen wederkerige behandeling van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.

9.

De aanvaarding van maatregelen tot uitvoering van deze beginselen en doelstellingen dient door de verdragsluitende partijen, zowel individueel als gezamenlijk, doelbewust en vastbesloten te worden nagestreefd.

Artikel XXXVII. Verplichtingen
1.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen geven zo veel mogelijk – tenzij hun dit om dwingende redenen, eventueel van juridische aard, onmogelijk is – uitvoering aan de volgende bepalingen:

3.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen dienen:

4.

De minder ontwikkelde verdragsluitende partijen komen overeen doeltreffende maatregelen te nemen voor de uitvoering van de bepalingen van Deel IV in het belang van de handel van andere minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, voor zover dit verenigbaar is met de huidige en toekomstige behoeften van hun ontwikkeling, financiën en handelsverkeer, daarbij rekening houdende met de vroegere ontwikkeling van het handelsverkeer, alsook met de commerciële belangen van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen als geheel.

5.

Bij de uitvoering van de in de leden 1 tot en met 4 vervatte verplichtingen verleent iedere verdragsluitende partij iedere andere belanghebbende verdragsluitende partij of alle andere belanghebbende verdragsluitende partijen alle faciliteiten om overeenkomstig de gebruikelijke procedures van deze Overeenkomst overleg te plegen over elke zich voordoende kwestie of moeilijkheid.

Artikel XXXVIII. Gezamenlijk optreden
1.

De gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen werken in het kader van deze Overeenkomst alsook anderszins, naar gelang de omstandigheden, samen teneinde de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen te bevorderen.

2.

In het bijzonder dienen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN: