Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan inzake luchtdiensten
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan, hierna in dit Verdrag te noemen de Verdragsluitende Partijen,
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944,
Geleid door de wens in aanvulling op bedoeld Verdrag een verdrag te sluiten ten behoeve van de instelling van geregelde luchtdiensten tussen en via de grondgebieden van de Staten van de Verdragsluitende Partijen,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij het zinsverband anders vereist, verstaan onder:
- a. „het Verdrag van Chicago”, het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago ter ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van dat Verdrag zelf overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voorzover deze in werking zijn getreden voor beide Verdragsluitende Partijen;
- b. „luchtvaartautoriteiten”, in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden het ministerie van Verkeer en Waterstaat en in het geval van de Regering van de Republiek Kazachstan het ministerie van Verkeer en Communicatie, of elke andere persoon of instantie die wettig bevoegd is de functies te vervullen die thans door genoemde autoriteiten worden uitgeoefend;
- c. „aangewezen luchtvaartmaatschappij”, een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag;
- d. „tarieven”, de prijzen die moeten worden betaald, rechtstreeks of via agenten, voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht en de voorwaarden waarop deze prijzen van toepassing zijn, met inbegrip van commissies en andere bijkomende vergoedingen voor diensten als agent of de verkoop van vervoersdocumenten, doch met uitzondering van de vergoeding en de voorwaarden voor het vervoer van post;
- e. „Verdrag”, dit Verdrag, de in toepassing daarvan opgestelde Bijlage en eventuele wijzigingen van het Verdrag of van de Bijlage;
- f. „heffingen”, heffingen die aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij worden opgelegd voor het gebruik van luchthavens, luchtvaartvoorzieningen en veiligheid van de luchtvaart, en andere diensten;
- g. „grondgebied”, grondgebieden van een Staat overeenkomstig de begripsomschrijving in artikel 2 van het Verdrag;
- h. „landing anders dan voor verkeersdoeleinden”, een landing anders dan ten behoeve van het in- of uitstappen van passagiers of het laden of lossen van vracht of post;
- i. „capaciteit”, met betrekking tot een luchtvaartuig het nuttig laadvermogen van dat luchtvaartuig op een route of gedeelte van de route;
- j. „uitrustingsstukken van een luchtvaartuig”, artikelen, behoudens boordproviand en reserveonderdelen, bedoeld om aan boord van het luchtvaartuig gedurende de vlucht te worden gebruikt, waaronder voorzieningen voor eerste hulp en reddingmiddelen.
Artikel 2. Verkeersrechten
Elke Verdragsluitende Partij verleent de andere Verdragsluitende Partij de onderstaande rechten ten aanzien van haar geregelde internationale luchtdiensten:
- a. het recht om zonder landen over het grondgebied van haar Staat te vliegen;
- b. het recht op het grondgebied van haar Staat te landen anders dan voor verkeersdoeleinden;
- c. het recht op het genoemde grondgebied op de in de Bijlage bij dit Verdrag genoemde punten passagiers, bagage, vracht en post op te nemen of af te zetten, bestemd voor of komend van punten op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij;
- d. het recht op het grondgebied van derde landen op de in de Bijlage bij dit Verdrag genoemde punten passagiers, bagage, vracht en post op te nemen of af te zetten, bestemd voor of komend van de punten op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag.
Deze diensten en routes, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, worden hierna respectievelijk „de overeengekomen diensten” en „de omschreven routes” genoemd.
Geen van de bepalingen van dit artikel wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene Verdragsluitende Partij het recht te verlenen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij passagiers en vracht, met inbegrip van post, vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van de Staat van die andere Verdragsluitende Partij, aan boord te nemen.
Artikel 3. Vergunningen
Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht schriftelijk aan de andere Verdragsluitende Partij twee luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.
Na ontvangst van deze aanwijzing verlenen de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel, onverwijld de passende exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en).
Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partij, de aanwijzing van deze luchtvaartmaatschappij(en) in te trekken en een of meerdere andere luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen.
Van de door een van de Verdragsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) kan worden verlangd dat zij ten genoegen van de andere Verdragsluitende Partij aantonen dat zij in staat zijn te voldoen aan de voorwaarden voorgeschreven in de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze door die Verdragsluitende Partij worden toegepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag.
Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de verlening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunningen te weigeren of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de in artikel 2 van dit Verdrag genoemde rechten in gevallen waarin niet ten genoegen van bedoelde Verdragsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij(en) berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij(en) aanwijst of bij haar onderdanen.
De aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) aan welke een vergunning is verleend, kan (kunnen) op elk tijdstip de exploitatie van de overeengekomen diensten aanvangen, mits een tarief, vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12 van dit Verdrag, van kracht is.
Artikel 4. Opschorting intrekking
Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de uitoefening van de rechten omschreven in artikel 2 van dit Verdrag door een of meerdere door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen op te schorten of de exploitatievergunning in te trekken dan wel de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden aan de uitoefening van deze rechten te verbinden:
- a. in alle gevallen waarin niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op de luchtvaartmaatschappij(en) berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij haar onderdanen; of
- b. indien genoemde luchtvaartmaatschappij(en) nala(a)t(en) de wetten en voorschriften van de Verdragsluitende Partij die deze rechten verleent, na te leven; of
- c. indien de luchtvaartmaatschappij(en) anderszins nala(a)t(en) de exploitatie te voeren in overeenstemming met de ingevolge dit Verdrag gestelde voorwaarden.
Tenzij onmiddellijke opschorting, intrekking of het opleggen van de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorwaarden van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de wetten of voorschriften, wordt dit recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere Verdragsluitende Partij. Tenzij anders door de Verdragsluitende Partijen is overeengekomen, vangt dit overleg aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek ter zake.
Artikel 5. Toepassing van wetten, voorschriften en procedures
De wetten, voorschriften en procedures van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de binnenkomst in, het verblijf op en het vertrek uit het grondgebied van haar Staat van in internationaal luchtverkeer gebruikte luchtvaartuigen zijn van toepassing op de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij.
De wetten, voorschriften en procedures van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de binnenkomst in, het verblijf op en het vertrek uit het grondgebied van haar Staat van passagiers, bemanning, bagage, vracht of post, zoals de formaliteiten betreffende binnenkomst, vertrek, emigratie en immigratie, alsmede douaneprocedures en sanitaire procedures, zijn van toepassing op passagiers, bemanning, bagage, vracht of post vervoerd door luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij terwijl zij zich op genoemd grondgebied bevinden.
Geen van beide Verdragsluitende Partijen mag haar eigen luchtvaartmaatschappij(en) begunstigen ten opzichte van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij bij de toepassing van haar wetten en voorschriften zoals bedoeld in dit artikel.
Artikel 6. Ten aanzien van de capaciteit geldende beginselen
De op de overeengekomen diensten te exploiteren capaciteit is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
-
- De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elk van beide Verdragsluitende Partijen worden op eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes te exploiteren.
-
- Elke Verdragsluitende Partij treft alle passende maatregelen binnen haar rechtsmacht ter bestrijding van alle vormen van discriminatie of oneerlijke concurrentiepraktijken die de concurrentiepositie van de luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij nadelig beïnvloeden.
Artikel 7. Erkenning van bewijzen en vergunningen
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene Verdragsluitende Partij zijn afgegeven of geldig verklaard en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere Verdragsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten.
Elke Verdragsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven het grondgebied van haar Staat de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een andere Staat aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of door deze geldig zijn verklaard.
Artikel 8. Vrijstelling van douanerechten en andere rechten
Luchtvaartuigen die door de door elke Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) worden gebruikt voor internationale diensten, alsmede hun normale uitrustingsstukken, voorraden brandstof en smeermiddelen en proviand (d.w.z. consumptiegoederen bestemd voor gebruik of verkoop aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord van deze luchtvaartuigen bevinden, zijn vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere rechten of belastingen bij binnenkomst op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij, mits deze uitrusting en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij opnieuw worden uitgevoerd.
Van deze rechten en belastingen en andere vergoedingen, uitgezonderd de vergoedingen voor verleende diensten, zijn voorts vrijgesteld:
- a. proviand aan boord genomen op het grondgebied van de Staat van een van de Verdragsluitende Partijen, binnen door de nationale wetgeving van genoemde Verdragsluitende Partij vastgestelde grenzen, voor gebruik aan boord van de luchtvaartuigen gebruikt op een omschreven route van de andere Verdragsluitende Partij;
- b. reserveonderdelen die in het grondgebied van de Staat van een van de Verdragsluitende Partijen worden binnengebracht voor het onderhoud of herstel van luchtvaartuigen gebruikt op een omschreven route door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij;
- c. brandstof en smeermiddelen bestemd ter bevoorrading van luchtvaartuigen gebruikt op een omschreven route door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze voorraden worden gebruikt op het deel van de vlucht boven het grondgebied van de Staat van de Verdragsluitende Partij waar zij aan boord zijn genomen;
- d. de door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene Verdragsluitende Partij gebruikte noodzakelijke documenten, met inbegrip van vervoersdocumenten, luchtvrachtbrieven en reclamemateriaal, alsmede motorvoertuigen, materialen en uitrustingsstukken die binnen het luchthaventerrein door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) kunnen worden gebruikt voor commerciële en operationele doeleinden, mits deze materialen en uitrustingsstukken worden aangewend ten behoeve van het vervoer van passagiers en vracht.
Ten aanzien van de in het tweede lid, in de letters a, b, c en d bedoelde goederen kan worden verlangd dat deze onder het toezicht of beheer van de douane blijven.
De normale uitrustingsstukken, alsmede de goederen en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen van een van de Verdragsluitende Partijen kunnen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Verdragsluitende Partij. In alle gevallen kunnen zij onder het toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst tot het tijdstip waarop zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.
Artikel 9. Rechtstreeks doorgaand verkeer
Passagiers, bagage, vracht en post in rechtstreeks doorgaand verkeer over het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen die de zone van de luchthaven die daarvoor is gereserveerd niet verlaten, worden, behalve wat veiligheidsmaatregelen tegen geweld, luchtpiraterij en smokkel van verdovende middelen betreft, slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen.
Bagage, vracht en post in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en invoerbelastingen.
Artikel 10. Veiligheid van de luchtvaart
De Verdragsluitende Partijen bevestigen opnieuw, in overeenstemming met hun rechten en plichten krachtens het internationale recht, hun wederzijdse verplichting de veiligheid van de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke gedragingen. Zonder de algemene geldigheid van hun rechten en plichten krachtens het internationale recht te beperken, handelen de Verdragsluitende Partijen in het bijzonder in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen, begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te Den Haag op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971 en het Aanvullend Protocol daarbij tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, alsmede andere verdragen inzake de veiligheid van de luchtvaart waarbij de twee Verdragsluitende Partijen partij worden.
De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle bijstand die nodig is ter voorkoming van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen en elke andere bedreiging van de veiligheid van de burgerluchtvaart.
De Verdragsluitende Partijen handelen in hun onderlinge betrekkingen overeenkomstig de veiligheidsbepalingen voor de luchtvaart die zijn vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de status van Bijlagen bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart hebben gekregen, voor zover deze veiligheidsbepalingen van toepassing zijn op de Verdragsluitende Partijen; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die bij hen geregistreerd staan of exploitanten van luchtvaartuigen die hun hoofdvestiging of vaste verblijfplaats hebben op het grondgebied van hun Staat en exploitanten van luchthavens op het grondgebied van hun Staat handelen in overeenstemming met deze veiligheidsbepalingen voor de luchtvaart.
Elke Verdragsluitende Partij stemt ermee in dat deze exploitanten van luchtvaartuigen kunnen worden verplicht tot inachtneming van de in het derde lid bedoelde veiligheidsbepalingen voor de luchtvaart zoals verlangd door de andere Verdragsluitende Partij voor de binnenkomst in, het vertrek uit of tijdens het verblijf op het grondgebied van de Staat van die andere Verdragsluitende Partij. Elke Verdragsluitende Partij ziet erop toe dat op het grondgebied van haar Staat toereikende maatregelen op doeltreffende wijze worden toegepast ter bescherming van de luchtvaartuigen en ter inspectie van passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden. Elke Verdragsluitende Partij neemt ook ieder verzoek van de andere Verdragsluitende Partij om redelijke bijzondere veiligheidsmaatregelen om het hoofd te bieden aan een bepaalde bedreiging welwillend in overweging.
Wanneer zich een voorval voordoet van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of van andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van dergelijke luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen, of dreigt zich voor te doen, verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar bijstand door de communicatie en andere passende maatregelen die bedoeld zijn om op snelle en veilige wijze aan een dergelijk voorval of de dreiging daarvan een einde te maken, te vergemakkelijken.
Mocht een Verdragsluitende Partij afwijken van de veiligheidsbepalingen voor de luchtvaart in dit artikel, dan kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij verzoeken om onmiddellijk overleg met de luchtvaartautoriteiten van eerstbedoelde Partij.
Artikel 11. Beveiliging
Elke Verdragsluitende Partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake veiligheidsnormen op ieder terrein met betrekking tot bemanning, luchtvaartuigen of de exploitatie ervan als aangenomen door de andere Verdragsluitende Partij. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig dagen na dat verzoek.
Indien, na dergelijk overleg, een Verdragsluitende Partij oordeelt dat de andere Verdragsluitende Partij op een dergelijk gebied niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen, stelt de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij de andere Verdragsluitende Partij in kennis van dit oordeel en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen, en die andere Verdragsluitende Partij neemt passende corrigerende maatregelen. Indien de andere Verdragsluitende Partij nalaat binnen 15 dagen, of zoveel langer als overeengekomen passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor de toepassing van artikel 4 van dit Verdrag.
Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag, wordt overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Verdragsluitende Partij wordt geëxploiteerd op diensten naar of vanuit het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij, terwijl het zich binnen het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie, aan boord van en rond het luchtvaartuig, door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere Verdragsluitende Partij teneinde zowel de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig als die van zijn bemanning en de kennelijke toestand van het luchtvaartuig en zijn uitrustingsstukken (in dit artikel aangeduid als „platforminspectie”) te controleren, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging.
Indien een dergelijke platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:
- a. ernstige bezorgdheid dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet voldoet aan de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen, of
- b. ernstige bezorgdheid dat de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde veiligheidsnormen niet doeltreffend genoeg worden gehandhaafd en toegepast, staat het de Verdragsluitende Partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag, de conclusie te trekken dat de vereisten op grond waarvan de bewijzen of vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten op grond waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd niet gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen.
Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het derde lid van een door de luchtvaartmaatschappij(en) van een Verdragsluitende Partij geëxploiteerd luchtvaartuig door de vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappij(en) wordt geweigerd, staat het de andere Verdragsluitende Partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid als bedoeld in het vierde lid en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.
Elke Verdragsluitende Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van de luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij onmiddellijk op te schorten of daarvan af te wijken in het geval de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij concludeert dat, hetzij naar aanleiding van een platforminspectie, een reeks platforminspecties, weigering van toegang voor platforminspectie, overleg hetzij anderszins, onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij(en).
Een maatregel door een Verdragsluitende Partij in overeenstemming met het tweede of zesde lid wordt opgeschort, zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Artikel 12. Tarieven
De tarieven voor het vervoer naar of van het grondgebied van de Staat van een van de Verdragsluitende Partijen dienen te worden vastgesteld op een redelijk niveau, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle relevante factoren, waaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, de belangen van de consumenten en de kenmerken van de dienst.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde tarieven worden overeengekomen door de desbetreffende aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Verdragsluitende Partijen.
Overeenstemming ingevolge het tweede lid hierboven kan worden bereikt door middel van de procedures van de Internationale Luchtvervoersvereniging („International Air Transport Association”) voor de vaststelling van tarieven.
De aldus overeengekomen tarieven worden ten minste dertig (30) dagen voor de voorgestelde datum van invoering ter goedkeuring voorgelegd aan de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen; in bijzondere gevallen kan deze termijn worden bekort, mits de bedoelde autoriteiten daarmee instemmen.
Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen geen overeenstemming over deze tarieven kunnen bereiken of indien om andere redenen een tarief niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, of indien de luchtvaartautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij tijdens de eerste vijftien (15) dagen van de termijn van dertig (30) dagen bedoeld in het vierde lid van dit artikel, kennis geven van hun ongenoegen over een overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel overeengekomen tarief, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen overeenstemming omtrent de tarieven te bereiken.
Indien de luchtvaartautoriteiten geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent de goedkeuring van een overeenkomstig het vierde lid hierboven aan hen voorgelegd tarief of omtrent de vaststelling van een tarief ingevolge het vijfde lid van dit artikel, wordt het geschil geregeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van dit Verdrag.
Een tarief wordt niet van kracht tenzij de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen het hebben goedgekeurd.
De overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel, maar niet langer dan twaalf (12) maanden na de datum waarop de luchtvaartautoriteiten van een van de Verdragsluitende Partijen hun afkeuring kenbaar hebben gemaakt.
De luchtvaartautoriteiten van elke Verdragsluitende Partij stellen alles in het werk om te verzekeren dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen zich houden aan de aan de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen voorgelegde tarieven en dat een luchtvaartmaatschappij niet op enigerlei wijze, direct of indirect, onrechtmatig korting verleent op een deel van deze tarieven.
Artikel 13. Overmakingen
Elke Verdragsluitende Partij verleent de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij het recht over te gaan tot de rechtstreekse verkoop van luchtvervoer (met inbegrip van de afgifte van tickets en luchtvrachtbrieven) op het grondgebied van haar Staat en, naar keuze van de luchtvaartmaatschappij(en), via agenten. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht dergelijk vervoer te verkopen en het staat iedere persoon vrij dit vervoer te kopen in de munteenheid van dat grondgebied of in vrij inwisselbare munteenheden van andere landen.
Elke Verdragsluitende Partij verleent de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij het recht het batig saldo van de ontvangsten en uitgaven, op het grondgebied van haar Staat verkregen in verband met het vervoer van passagiers, bagage, lading en vracht door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij, vrij over te maken in een vrij inwisselbare munteenheid tegen de officiële wisselkoers op de dag van overmaking. Overmakingen worden onmiddellijk verricht, uiterlijk binnen zestig (60) dagen na de datum van het daartoe ingediende verzoek.
Wanneer er tussen de Verdragsluitende Partijen een bijzondere betalingsovereenkomst bestaat, worden de betalingen verricht in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst.
Artikel 14. Commerciële activiteiten
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke Verdragsluitende Partij worden op gelijke wijze in de gelegenheid gesteld om, onder voorbehoud van de wetten en voorschriften van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij, leidinggevend, commercieel, bedrijfseconomisch en technisch personeel in dienst te hebben voor het exploiteren van de overeengekomen diensten op de omschreven routes en op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij kantoren te vestigen en te exploiteren.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke Verdragsluitende Partij worden voorts op gelijke wijze in de gelegenheid gesteld alle soorten vervoersdocumenten af te geven en te adverteren en de verkoop te bevorderen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 15. Heffingen voor gebruik
Elke Verdragsluitende Partij stelt alles in het werk om te verzekeren dat heffingen voor gebruik die door haar bevoegde autoriteiten worden opgelegd of mogen worden opgelegd aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Verdragsluitende Partij redelijk en billijk zijn.
Artikel 16. Voorlegging van de dienstregeling
De dienstregelingen van de overeengekomen diensten worden ten minste dertig (30) dagen voor de voorgestelde datum van invoering ter goedkeuring voorgelegd aan de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen. In bijzondere gevallen kan deze termijn worden bekort, mits bedoelde autoriteiten daarmee instemmen.
Verzoeken om toestemming voor het uitvoeren van extra vluchten kunnen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) rechtstreeks aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij worden voorgelegd.
Artikel 17. Overleg en wijzigingen
In een geest van nauwe samenwerking plegen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen van tijd tot tijd overleg met elkaar teneinde te verzekeren dat de bepalingen van dit Verdrag worden uitgevoerd en naar tevredenheid worden nageleefd.
Elk van de Verdragsluitende Partijen kan verzoeken om overleg teneinde dit Verdrag of de Bijlage daarbij te wijzigen. Dit overleg vangt aan binnen zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de andere Verdragsluitende Partij, tenzij beide Verdragsluitende Partijen instemmen met een verlenging van deze termijn.
Dit overleg kan in de vorm van discussies of via correspondentie plaatshebben.
Een door de Verdragsluitende Partijen overeengekomen wijziging van dit Verdrag wordt van kracht op de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar er schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat aan hun respectieve constitutionele vereisten is voldaan.
Wijzigingen van de Bijlage van dit Verdrag worden schriftelijk overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden van kracht op een door bedoelde autoriteiten vast te stellen datum.
Artikel 18. Regeling van geschillen
Indien er tussen de Verdragsluitende Partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Verdrag, trachten de Verdragsluitende Partijen dit in de eerste plaats te regelen door middel van rechtstreekse onderhandeling.
Indien de Verdragsluitende Partijen er niet in slagen het geschil te regelen door middel van onderhandeling, kunnen zij overeenkomen het geschil ter beslissing voor te leggen aan een persoon of lichaam; indien zij dit niet overeenkomen, wordt het geschil op verzoek van een van de Verdragsluitende Partijen ter beslissing voorgelegd aan een gerecht van drie scheidsmannen, van wie elke Verdragsluitende Partij er een benoemt, waarna de twee aldus benoemde scheidsmannen de derde benoemen. Elke Verdragsluitende Partij benoemt een scheidsman binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst door die Verdragsluitende Partij van de andere Partij van een kennisgeving langs diplomatieke weg, waarin om een scheidsrechterlijke beslissing van het geschil wordt verzocht, en de derde scheidsman wordt benoemd binnen een volgende termijn van zestig (60) dagen. Indien een van de Verdragsluitende Partijen geen scheidsman benoemt binnen de aangegeven termijn, of indien de derde scheidsman niet binnen de vermelde termijn is benoemd, kan de Voorzitter van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie door een van de Verdragsluitende Partijen worden verzocht een scheidsman of scheidsmannen te benoemen, naar gelang van hetgeen vereist is. In elk geval dient de derde scheidsman onderdaan van een derde Staat te zijn en treedt hij op als voorzitter van het scheidsgerecht.
De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe zich te houden aan elke uitspraak gedaan ingevolge het tweede lid van dit artikel.
Indien en voor zolang als een Verdragsluitende Partij nalaat zich te houden aan een ingevolge het tweede lid van dit artikel gedane uitspraak, kan de andere Verdragsluitende Partij de rechten of voorrechten die zij uit hoofde van dit Verdrag aan de in gebreke blijvende Verdragsluitende Partij heeft verleend, beperken, schorsen of herroepen.
Elke Verdragsluitende Partij draagt de voor haar eigen scheidsman noodzakelijke kosten en bezoldiging; de beloning van de derde scheidsman en de voor hem noodzakelijke kosten, alsmede de kosten van de werkzaamheden van het scheidsgerecht worden in gelijke delen door de Verdragsluitende Partijen gedragen.
Artikel 19. Registratie
Dit Verdrag en alle wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 20. Multilaterale overeenkomsten
De bepalingen van het Verdrag worden op dit Verdrag toegepast.
Indien een door beide Verdragsluitende Partijen aanvaarde multilaterale overeenkomst ter zake van een aangelegenheid die door dit Verdrag wordt bestreken, in werking treedt, vervangen de desbetreffende bepalingen van die overeenkomst de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 21. Toepasselijkheid
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag alleen van toepassing op het Koninkrijk in Europa.
Artikel 22. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de datum van ontvangst van de laatste schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg door de Verdragsluitende Partijen dat de interne procedures vereist voor de inwerkingtreding van het Verdrag zijn voltooid.
Het Verdrag wordt beëindigd twaalf (12) maanden na de datum van ontvangst van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg door een van de Verdragsluitende Partijen aan de andere Verdragsluitende Partij van haar besluit het Verdrag te beëindigen. Een dergelijke kennisgeving wordt tegelijkertijd aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie medegedeeld. Bij gebreke van bevestiging door de Verdragsluitende Partij wordt de kennisgeving geacht te zijn gegeven veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed the present Agreement.
DONE in duplicate at The Hague on 27 November 2002, in the Netherlands, Kazakh, Russian and English languages.
In case of divergence of interpretation of the provisions of the present Agreement, the Contracting Parties shall use the version in English.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) J. G. DE HOOP SCHEFFER
For the Government of the Republic of Kazakhstan
(sd.) K. NAGMANOV