Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds
Onverminderd de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken en onverminderd het recht van de verweerder om op elk gepast tijdstip andere excepties op te werpen, onderzoekt het Gerecht vóór de behandeling ten principale en doet het vóór de behandeling ten principale uitspraak op elke door de verweerder opgeworpen exceptie dat ten aanzien van een overeekomstig artikel 3.6 (indiending van verzoeken bij het Gerecht) ingediend verzoek, of enig onderdeel daarvan, rechtens geen voor de eiser gunstige uitspraak krachtens deze afdeling kan worden gedaan, ook indien de vermeende feiten geacht worden juist te zijn. Het Gerecht kan ook andere relevante, niet in geschil zijnde feiten in aanmerking nemen.
Een exceptie in de zin van lid 1 wordt zo snel mogelijk na de instelling van de formatie van het Gerecht bij het Gerecht opgeworpen, en in ieder geval niet later dan de door het Gerecht vastgestelde datum waarop de verweerder zijn contramemorie of verweerschrift moet indienen dan wel, in geval van een wijziging van het verzoek, de door het Gerecht vastgestelde datum waarop de verweerder zijn antwoord op de wijziging moet indienen. Een exceptie in de zin van lid 1 kan niet worden opgeworpen zolang de procedure uit hoofde van artikel 3.14 (Kennelijk oneigenlijke verzoeken) aanhangig is, tenzij het Gerecht toestemming verleent een exceptie krachtens dit artikel op te werpen, na terdege rekening te hebben gehouden met de omstandigheden van het geval.
Na ontvangst van een exceptie in de zin van lid 1 en tenzij het van oordeel is dat de exceptie kennelijk ongegrond is, schorst het Gerecht de procedure ten gronde, stelt het een tijdschema voor het onderzoek van de exceptie op dat is afgestemd op de tijdschema's die het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld, en neemt het een besluit over of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie, met opgave van redenen.
Artikel 3.16. Transparantie van procedure
Bijlage 8 (Regels inzake de toegang van het publiek tot documenten en zittingen en de mogelijkheid voor derden om opmerkingen in te dienen) is van toepassing op onder deze afdeling vallende geschillen.
Artikel 3.17. Niet bij geschil betrokken partij bij overeenkomst
Het Gerecht aanvaardt mondelinge of schriftelijke opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst over kwesties in verband met verdragsuitlegging, of kan deze partij na overleg met de partijen bij het geschil om haar mondelinge of schriftelijke opmerkingen daarover verzoeken.
Het Gerecht verbindt geen conclusies aan het feit dat geen opmerkingen zijn ingediend of geen gevolg is gegeven aan een verzoek overeenkomstig lid 1.
Het Gerecht ziet erop toe dat eventuele opmerkingen de procedure niet verstoren of onnodig bemoeilijken dan wel een van de partijen bij het geschil op onbillijke wijze benadelen.
Het Gerecht ziet er tevens op toe dat de partijen bij het geschil een redelijke termijn wordt gegeven om hun opmerkingen in te dienen over eventuele opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken partij.
Artikel 3.18. Uitspraken
Wanneer het Gerecht beslist dat de behandeling die in geschil is, een verplichting op grond van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) schendt, kan het uitsluitend, afzonderlijk dan wel in combinatie31)Voor alle duidelijkheid: de uitspraak wordt gedaan op basis van een verzoek van de eiser en nadat eventuele opmerkingen van de partijen bij het geschil in aanmerking zijn genomen.:
- a. een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, toekennen; en
- b. de teruggave van eigendom gelasten, op voorwaarde dat de verweerder over de mogelijkheid beschikt om in plaats daarvan een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, zoals door het Gerecht overeenkomstig hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) bepaald, te betalen.
De financiële schadevergoeding mag niet meer bedragen dan het verlies dat de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming van de eiser heeft geleden door de schending van de betrokken bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen), verminderd met de eventueel reeds door de betrokken partij bij de overeenkomst betaalde schadevergoeding of compensatie. Het Gerecht kent geen punitieve schadevergoeding toe.
Wanneer het geschil namens een plaatselijk gevestigde onderneming aanhangig is gemaakt, is de uitspraak tot deze onderneming gericht.
In de regel geeft het Gerecht een voorlopige uitspraak binnen 18 maanden na de datum waarop het verzoek is ingediend. Als het Gerecht van oordeel is dat het zijn voorlopige uitspraak niet binnen 18 maanden kan geven, deelt het de partijen bij het geschil schriftelijk de redenen voor de vertraging mee, alsmede een raming van de termijn waarbinnen het zijn voorlopige uitspraak zal geven. Een voorlopige uitspraak wordt definitief indien 90 dagen zijn verstreken en geen van de partijen bij het geschil tegen de uitspraak hoger beroep heeft ingesteld bij de Beroepsinstantie.
Artikel 3.19. Beroepsprocedure
Elke partij bij het geschil kan binnen 90 dagen na de datum van een voorlopige uitspraak hoger beroep daartegen instellen bij de Beroepsinstantie. De gronden voor hoger beroep zijn:
- a. dat het Gerecht het toepasselijke recht onjuist heeft uitgelegd of toegepast;
- b. dat het Gerecht de feiten, met inbegrip van het desbetreffende interne recht, kennelijk onjuist heeft beoordeeld; of
- c. de in artikel 52 van het Icsid-Verdrag genoemde gronden voor zover zij niet onder a) of b) vallen.
Indien de beroepsinstantie het hoger beroep afwijst, wordt de voorlopige uitspraak definitief. De Beroepsinstantie kan het hoger beroep ook versneld afwijzen wanneer duidelijk is dat het beroep kennelijk ongegrond is; in dat geval wordt de voorlopige uitspraak definitief.
Als het hoger beroep gegrond is, wijzigt of vernietigt de beroepsinstantie de juridische bevindingen en conclusies in de voorlopige uitspraak geheel of ten dele. De Beroepsinstantie verwijst de zaak terug naar het Gerecht, waarbij zij preciseert hoe zij de desbetreffende bevindingen en conclusies van het Gerecht heeft gewijzigd of vernietigd. Het Gerecht is gebonden aan de bevindingen en conclusies van de Beroepsinstantie en herziet, na in voorkomend geval de partijen bij het geschil te hebben gehoord, dienovereenkomstig zijn voorlopige uitspraak. Het Gerecht tracht zijn herziene uitspraak te geven binnen 90 dagen nadat de zaak ernaar terugverwezen is.
In de regel duurt de procedure in hoger beroep niet langer dan 180 dagen vanaf de datum waarop een partij bij het geschil formeel kennis geeft van haar besluit om hoger beroep in te stellen tot de datum waarop de Beroepsinstantie haar beslissing bekendmaakt. Als de Beroepsinstantie van oordeel is dat zij haar beslissing niet binnen 180 dagen kan nemen, deelt zij de partijen bij het geschil schriftelijk de redenen voor de vertraging mee, alsmede een raming van de termijn waarbinnen zij haar beslissing zal nemen. De procedure duurt in geen geval langer dan 270 dagen.
Een partij bij het geschil die hoger beroep instelt, stelt zekerheid voor de kosten van het hoger beroep. De partij bij het geschil stelt ook enige andere zekerheid die de Beroepsinstantie gelast.
Artikel 3.8 (Financiering door derden), Bijlage 8 (Regels inzake de toegang van het publiek tot documenten en zittingen en de mogelijkheid voor derden om opmerkingen in te dienen), artikel 3.17 (Niet bij geschil betrokken partij bij overeenkomst) en artikel 3.21 (Kosten) zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.
Artikel 3.20. Schadeloosstelling of andere vorm van compensatie
De verweerder mag niet bij wijze van verweer, tegenvordering of compensatierecht dan wel om enige andere reden aanvoeren, en het Gerecht mag niet als zodanig aanvaarden, dat de eiser met betrekking tot de volledige of een deel van de schadevergoeding die in een in het kader van deze afdeling voorgelegd geschil wordt gevorderd, uit hoofde van een verzekerings- of borgstellingsovereenkomst een schadeloosstelling of andere vorm van compensatie heeft of zal ontvangen.
Artikel 3.21. Kosten
Het Gerecht verwijst de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil in de kosten van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Gerecht, indien het zulks in de omstandigheden van het geval passend acht, de kosten over de partijen bij het geschil verdelen.
Andere redelijke kosten, met inbegrip van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand, worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij, tenzij het Gerecht zulks in de omstandigheden van het geval niet passend acht.
Wordt het verzoek slechts op bepaalde onderdelen toegewezen, dan vindt de verwijzing in de kosten plaats naar evenredigheid van het aantal of de omvang van de onderdelen waarop het verzoek is toegewezen.
Wordt een verzoek in zijn geheel dan wel op een of meer onderdelen afgewezen op grond van artikel 3.14 (Kennelijk oneigenlijke verzoeken) of artikel 3.15 (Rechtens ongegronde verzoeken), dan verwijst het Gerecht de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil in alle kosten in verband met (die onderdelen van) het verzoek, waaronder de kosten van de procedure en andere redelijke kosten, met inbegrip van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand.
Het Comité neemt de vaststelling van aanvullende voorschriften inzake honoraria in overweging teneinde een maximum te bepalen van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand die moeten worden gedragen door bepaalde categorieën in het ongelijk gestelde partijen. In het kader van dergelijke aanvullende voorschriften worden de financiële middelen van eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn in aanmerking genomen. Het Comité streeft ernaar die aanvullende voorschriften uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst vast te stellen.
Artikel 3.22. Tenuitvoerlegging van uitspraken
Een uitspraak op grond van deze afdeling is slechts afdwingbaar als zij definitief is geworden overeenkomstig artikel 3.18 (Uitspraak), lid 4, artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 2, of artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 3. Een overeenkomstig deze afdeling gedane definitieve uitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil en is niet vatbaar voor hoger beroep, toetsing, vernietiging, nietigverklaring of enig ander rechtsmiddel32)Voor alle duidelijkheid: dit belet een partij bij het geschil niet om het Gerecht te verzoeken om de revisie, correctie of interpretatie van een uitspraak overeenkomstig de artikelen 50 en 51 van het Icsid-Verdrag of de artikelen 37 en 38 van de arbitragevoorschriften van Uncitral, dan wel soortgelijke bepalingen van andere regelingen als die op de betrokken procedure van toepassing zijn..
Elke partij bij de overeenkomst erkent een op grond van deze overeenkomst gegeven uitspraak als bindend en legt de geldelijke verplichting op haar grondgebied ten uitvoer alsof het een definitieve beslissing van een rechterlijke instantie in die partij was.
De tenuitvoerlegging van de uitspraak is onderworpen aan de wettelijke regeling betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen of uitspraken die geldt op de plaats waar om de tenuitvoerlegging wordt verzocht.
Voor alle duidelijkheid: artikel 4.11 (Geen rechtstreekse werking) van hoofdstuk vier (Institutionele, algemene en slotbepalingen) belet niet dat uitspraken op grond van deze afdeling worden erkend, ten uitvoer gelegd of afgedwongen.
Voor de toepassing van artikel I van het Verdrag van New York is een definitieve uitspraak overeenkomstig deze afdeling een arbitrale uitspraak die verband houdt met een geschil dat geacht wordt voort te vloeien uit een handelsrechtelijke betrekking of een handelstransactie.
Voor alle duidelijkheid en behoudens lid 1: wanneer een geschil overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht), lid 1, onder a), aan geschillenbeslechting is onderworpen, geldt een definitieve uitspraak op grond van deze afdeling als een uitspraak in de zin van afdeling 6 van hoofdstuk IV van het Icsid-Verdrag.
Artikel 3.23. Rol van partijen bij overeenkomst
Geen van beide partijen bij de overeenkomst mag diplomatieke bescherming verlenen of een internationale vordering instellen met betrekking tot een geschil dat door een van haar investeerders en de andere partij bij de overeenkomst in onderlinge overeenstemming aan geschillenbeslechting in het kader van deze afdeling zal worden onderworpen of is onderworpen, tenzij de andere partij bij de overeenkomst de in dat geschil gedane uitspraak niet heeft geëerbiedigd of daaraan niet heeft voldaan. Voor de toepassing van dit lid omvat „diplomatieke bescherming” geen informele diplomatieke uitwisselingen die uitsluitend tot doel hebben de beslechting van het geschil te vergemakkelijken.
Voor alle duidelijkheid: lid 1 sluit niet uit dat een partij bij de overeenkomst in verband met een algemeen toepasselijke maatregel een beroep kan doen op geschillenbeslechtingsprocedures krachtens hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling B (Beslechting van geschillen tussen partijen bij overeenkomst) ook indien wordt gesteld dat die maatregel de overeenkomst heeft geschonden met betrekking tot een specifieke investering ten aanzien waarvan een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) laat artikel 3.17 (Niet bij geschil betrokken partij bij overeenkomst) onverlet.
Artikel 3.24. Voeging
Wanneer in twee of meer overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) afzonderlijk ingediende verzoeken dezelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan een partij bij het geschil verzoeken om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht („formatie die uitspraak over de voeging doet”) en vragen dat die formatie een voegingsbeschikking geeft, op voorwaarde dat:
- a. alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn, toestemming verlenen voor de voeging; in dit geval dienen de partijen bij het geschil een gemeenschappelijk verzoek in overeenkomstig lid 3, of of
- b. de leden 2 tot en met 12 worden nageleefd, indien de voegingsbeschikking tot slechts één verweerder gericht zal zijn.
Een partij bij het geschil die om voeging verzoekt, zendt eerst een kennisgeving aan de andere partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn. In deze kennisgeving wordt het volgende vermeld:
- a. de naam en het adres van alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn;
- b. de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarop de voegingsbeschikking betrekking zal hebben, en
- c. de gronden voor het verzoek om voeging.
De partijen bij het geschil streven ernaar overeenstemming te bereiken over de gevraagde voegingsbeschikking en over de toepasselijke geschillenbeslechtingsregels.
Indien de in lid 2 bedoelde partijen bij het geschil niet binnen 30 dagen na de kennisgeving overeenstemming bereiken over de voeging, kan een van de partijen bij het geschil op grond van de leden 3 tot en met 7 verzoeken om een voegingsbeschikking. Het verzoek wordt schriftelijk meegedeeld aan de president van het Gerecht en aan alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn. In dat verzoek wordt het volgende vermeld:
- a. de naam en het adres van alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn;
- b. de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarop de voegingsbeschikking betrekking zal hebben, en
- c. de gronden voor het verzoek om voeging.
Wanneer de partijen bij het geschil overeenstemming hebben bereikt over de voeging van de verzoeken, dienen zij een gemeenschappelijk verzoek bij de president van het Gerecht in overeenkomstig dit lid.
Tenzij de president van het Gerecht binnen 30 dagen na ontvangst van een verzoek krachtens lid 3 vaststelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, wordt overeenkomstig artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg), lid 8, een formatie van het Gerecht ingesteld die uitspraak over de voeging doet.
De procedure bij de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, verloopt als volgt:
- a. wanneer alle verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, zijn ingediend uit hoofde van dezelfde geschillenbeslechtingsregels, verloopt de procedure bij de formatie die uitspraak over de voeging doet overeenkomstig de betrokken geschillenbeslechtingsregels, tenzij alle partijen bij het geschil anders overeenkomen;
- b. wanneer de verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, niet zijn ingediend uit hoofde van dezelfde geschillenbeslechtingsregels:
- i. kunnen de partijen bij het geschil overeenstemming bereiken over de in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) bedoelde geschillenbeslechtingsregels die op de gevoegde procedures van toepassing zullen zijn; of
- ii. indien de partijen bij het geschil niet binnen 30 dagen na het krachtens lid 3 ingediende verzoek overeenstemming bereiken over de geschillenbeslechtingsregels, zijn de arbitragevoorschriften van Uncitral op de gevoegde procedures van toepassing.
Wanneer de formatie die uitspraak over de voeging doet, vaststelt dat in twee of meer overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediende verzoeken dezelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan die formatie in het belang van een eerlijke en doeltreffende afhandeling van de verzoeken, mede met het oog op de consistentie van de uitspraken, en nadat de partijen bij het geschil zijn gehoord, zich bij beschikking:
- a. bevoegd verklaren om kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken ter fine van de gelijktijdige afhandeling daarvan, of
- b. bevoegd verklaren om kennis te nemen van een of meer verzoeken ter fine van de afhandeling daarvan, wanneer zij van oordeel is dat de afhandeling daarvan de afhandeling van de overige verzoeken zal vergemakkelijken.
Wanneer een formatie is ingesteld die uitspraak over de voeging doet, kan een eiser die een verzoek op grond van artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) heeft ingediend en niet met naam wordt genoemd in een verzoek krachtens lid 3, die formatie schriftelijk verzoeken dat elke krachtens lid 6 gegeven beschikking ook tot hem gericht zal zijn. Dat verzoek dient te voldoen aan de voorschriften van lid 3.
Op verzoek van een partij bij het geschil kan de formatie die uitspraak over de voeging doet, alvorens haar beschikking krachtens lid 6 te geven, gelasten dat de behandeling door een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie wordt geschorst, tenzij laatstbedoelde formatie haar zitting reeds heeft verdaagd.
Een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie van het Gerecht is niet langer bevoegd uitspraak te doen over een verzoek, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan een formatie die uitspraak over de voeging doet, zich bevoegd heeft verklaard, en de behandeling door een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie wordt geschorst dan wel de zitting van die formatie wordt verdaagd.
De uitspraak van de formatie die uitspraak over de voeging doet, over verzoeken, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan zij zich bevoegd heeft verklaard, is voor de op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formaties met betrekking tot die verzoeken bindend vanaf de dag waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 3.18 (Uitspraak), lid 4, artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 2, of artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 3, definitief wordt.
Een eiser kan een in het kader van een voegingsprocedure behandeld verzoek, of onderdeel daarvan, onttrekken aan de geschillenbeslechting krachtens dit artikel, op voorwaarde dat dit verzoek, of onderdeel daarvan, daarna niet opnieuw wordt ingediend overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht).
Op verzoek van een van de partijen bij het geschil kan de formatie die uitspraak over de voeging doet, alle maatregelen nemen die zij geschikt acht om het vertrouwelijke karakter van beschermde informatie van deze partij bij het geschil ten opzichte van andere partijen bij het geschil te waarborgen. Die maatregelen kunnen onder meer inhouden dat bewerkte versies van documenten die beschermde informatie bevatten, worden overgelegd aan de andere partijen bij het geschil, of dat de zitting gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.
AFDELING B. BESLECHTING VAN GESCHILLEN TUSSEN PARTIJEN BIJ OVEREENKOMST
Artikel 3.25. Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op alle meningsverschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3.26. Overleg
De partijen streven ernaar alle meningsverschillen over de interpretatie en toepassing van de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
De partij die overleg wenst te voeren dient daartoe bij de andere partij een schriftelijk verzoek in, van welk verzoek een afschrift aan het Comité wordt gezonden, en vermeldt daarbij de redenen voor het verzoek to overleg, alsmede de maatregelen waarom het gaat, de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde toepasselijke bepalingen en de redenen waarom de maatregelen worden beschouwd als onvernigbaar met deze bepalingen.
Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geopend en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen anders overeenkomen. Het overleg is vertrouwelijk en laat de rechten van elk van beide partijen in latere procedures onverlet.
Overleg over dringende aangelegenheden wordt binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geopend en wordt 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen anders overeenkomen.
Indien de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is niet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, of indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 genoemde termijn wordt geopend of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel overeenkomstig artikel 3.28 (Inleiding van arbitrageprocedure).
Artikel 3.27. Bemiddeling
Overeenkomstig bijlage 10 (Bemiddelingsprocedure voor geschillen tussen partijen) kan elke partij de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de investeringen tussen de partijen ongunstig beïnvloedt.
Artikel 3.28. Inleiding van arbitrageprocedure
Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 3.26 (Overleg) bedoelde overleg op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel in overeenstemming met dit artikel.
Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het Comité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke specifieke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel een inbreuk kan vormen op de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen.
Artikel 3.29. Instelling van arbitragepanel
Een arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.
De partijen treden binnen vijf dagen na de datum waarop de partij waartegen de klacht gericht is het in artikel 3.28 (Inleiding van arbitrageprocedure), lid 1, bedoelde verzoek heeft ontvangen, met elkaar in overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel.
Wanneer de partijen binnen tien dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg geen overeenstemming over de voorzitter van het arbitragepanel bereiken, wijst de voorzitter van het Comité of diens vertegenwoordiger binnen 20 dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg door middel van loting uit de in artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 1, bedoelde lijst een arbiter aan die zal fungeren als voorzitter.
Wanneer de partijen binnen tien dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg geen overeenstemming over de arbiters bereiken,
- a. kan elk van beide partijen binnen 15 dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg uit de in artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 2, bedoelde lijst een arbiter aanwijzen, die niet zal fungeren als voorzitter, en
- b. ingeval een van beide partijen verzuimt een arbiter aan te wijzen op grond van lid 4, onder a), wijst de voorzitter van het Comité of diens vertegenwoordiger binnen 20 dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg door middel van loting de overige arbiter(s) aan uit de personen die door deze partij zijn voorgedragen overeenkomstig artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 2.
Indien de in artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 2, bedoelde lijst op het in lid 4 voorgeschreven tijdstip niet is opgesteld
- a. en hetzij beide partijen overeenkomstig artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 2, personen hebben voorgedragen, kan elk van beide partijen binnen 15 dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg uit de voorgedragen personen een arbiter aanwijzen, die niet zal fungeren als voorzitter. Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, wijst de voorzitter van het Comité of diens vertegenwoordiger door middel van loting de arbiter aan uit de personen die zijn voorgedragen door de partij die verzuimd heeft haar arbiter aan te wijzen; hetzij
- b. slechts één partij overeenkomstig artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 2, personen heeft voorgedragen, kan elk van beide partijen binnen 15 dagen na aanvang van het in lid 2 bedoelde overleg uit de voorgedragen personen een arbiter aanwijzen, die niet zal fungeren als voorzitter. Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, wijst de voorzitter van het Comité of diens vertegenwoordiger door middel van loting de arbiter aan uit de personen die zijn voorgedragen.
Indien de in artikel 3.44 (Lijsten van arbiters), lid 1, bedoelde lijst op het in lid 3 voorgeschreven tijdstip niet is opgesteld, wordt de voorzitter door middel van loting aangewezen uit de voormalige leden van de Beroepsinstantie van de WTO, die geen onderdaan van een van beide partijen mogen zijn.
De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de laatste van de drie arbiters wordt aangewezen.
De arbiters mogen uitsluitend om de in de punten 19 tot en met 25 van bijlage 9 (Procedureregels voor arbitrage) vermelde redenen en overeenkomstig de daarin vastgestelde procedures worden vervangen.
Artikel 3.30. Voorlopige uitspraak inzake dringende aard
Indien een partij daarom verzoekt, doet het arbitragepanel binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak over de vraag of het een zaak dringend acht.
Artikel 3.31. Tussentijds panelverslag
Het arbitragepanel legt uiterlijk 90 dagen na de datum van zijn instelling een tussentijds verslag aan de partijen voor, dat de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst, alsmede de aan zijn bevindingen en aanbevelingen ten grondslag liggende beweegredenen vermeldt. Wanneer het arbitragepanel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Comité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen voorleggen. In geen geval mag het tussentijds verslag later dan honderdtwintig dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.
Elk van beide partijen kan binnen 30 dagen nadat zij van het verslag in kennis is gesteld het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijdse verslag te heroverwegen.
In dringende gevallen stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn tussentijds verslag voor te leggen binnen de helft van de in lid 1 respectievelijk lid 2 genoemde termijn en kan elk van beide partijen het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijds verslag te heroverwegen binnen15 dagen na de kennisgeving.
Het arbitragepanel kan het tussentijds verslag naar aanleiding van schriftelijk commentaar van de partijen wijzigen en, wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. In de definitieve uitspraak van het panel worden de in de tussentijdse fase naar voren gebrachte argumenten afdoende besproken en wordt duidelijk ingegaan op het schriftelijk commentaar van beide partijen.
Artikel 3.32. Uitspraak van arbitragepanel
Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 150 dagen na zijn instelling aan de partijen en aan het Comité bekend. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Comité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn uitspraak denkt te kunnen bekendmaken. In geen geval mag de uitspraak later dan 180 dagen na de instelling van het arbitragepanel plaatsvinden.
In dringende gevallen stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn uitspraak binnen 75 dagen na zijn instelling bekend te maken. In geen geval mag de uitspraak later dan 90 dagen na de instelling van het arbitragepanel plaatsvinden.
Artikel 3.33. Naleving van uitspraak van arbitragepanel
Elk van beide partijen neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de uitspraak van het arbitragepanel te goeder trouw na te leven en beide partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.
Artikel 3.34. Redelijke termijn voor naleving
Uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het Comité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak van het arbitragepanel na te kunnen leven (hierna „redelijke termijn” genoemd) indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is.
Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij binnen 20 dagen na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 1 door de partij waartegen de klacht gericht is, het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Comité. Binnen 20 dagen na de indiening van het verzoek maakt het oorspronkelijke arbitragepanel zijn uitspraak aan de partijen bekend en stelt het het Comité hiervan in kennis.
Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 3.29 (Instelling van arbitragepanel) beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 35 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.
De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij ten minste een maand voor afloop van de redelijke termijn schriftelijk in kennis van de vorderingen die zij maakt bij de naleving van de uitspraak van het arbitragepanel.
De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.
Artikel 3.35. Onderzoek van maatregelen tot naleving van uitspraak van arbitragepanel
De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Comité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.
Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over het bestaan van een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven of over de verenigbaarheid van die maatregel met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek geeft de klagende partij, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, aan om welke specifieke maatregel het gaat en met welke in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen deze maatregel volgens haar onverenigbaar is. In dat verzoek wordt ook uitgelegd waarom deze maatregel onverenigbaar is met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen. Het oorspronkelijke arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.
Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 3.29 (Instelling van arbitragepanel) beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.
Artikel 3.36. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennis geeft van een maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat er geen maatregel is getroffen om aan de uitspraak te voldoen of dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 3.35 (Onderzoek van maatregelen tot naleving van uitspraak van arbitragepanel), lid 1, is kennisgegeven, niet verenigbaar is met de verplichtingen van de partij krachtens de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen, treedt de partij waartegen de klacht gericht is met de klagende partij in onderhandeling, teneinde tot een wederzijds aanvaardbaar akkoord over compensatie te komen.
Indien de partijen geen akkoord over compensatie bereiken binnen 30 dagen na afloop van de redelijke termijn of de bekendmaking van de uitspraak van het arbitragepanel op grond van artikel 3.35 (Onderzoek van maatregelen tot naleving van uitspraak van arbitragepanel) dat er geen maatregel is getroffen om aan de uitspraak te voldoen of dat een maatregel tot naleving daarvan niet verenigbaar is met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij en het Comité hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen te treffen in een mate die overeenstemt met de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. In de kennisgeving moeten dergelijke maatregelen worden gespecificeerd. De klagende partij kan die maatregelen treffen vanaf tien dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is op elk gewenst tijdstip laten ingaan, tenzij de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig lid 3 om arbitrage heeft verzocht.
Indien de partij waartegen de klacht gericht is van oordeel is dat de door de klagende partij getroffen maatregelen niet overeenstemmen met de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode van tien dagen medegedeeld aan de klagende partij en aan het Comité. Het oorspronkelijke arbitragepanel wint zo nodig advies in bij deskundigen en deelt zijn uitspraak over de mate van opschorting van de verplichtingen binnen 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de partijen en aan het Comité mede. De maatregelen worden niet getroffen voordat het oorspronkelijke arbitragepanel zijn uitspraak heeft medegedeeld, en de eventuele maatregel dient in overeenstemming te zijn met de uitspraak van het arbitragepanel.
Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 3.29 (Instelling van arbitragepanel) beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 45 dagen na de indiening van het in lid 3 bedoelde verzoek.
De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn van tijdelijke aard en mogen niet meer worden toegepast nadat:
- a. de partijen ingevolge artikel 3.39 (Onderling overeengekomen oplossing) tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen, of
- b. de partijen overeenstemming hebben bereikt over de vraag of de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 3.37 (Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen tegen niet-naleving), lid 1, is kennisgegeven, ertoe leidt dat de partij waartegen de klacht gericht is in overeenstemming met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen handelt, of
- c. de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet verenigbaar is met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen, is ingetrokken of gewijzigd en overeenkomstig artikel 3.37 (Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen tegen niet-naleving), lid 2, met die bepalingen in overeenstemming is gebracht.
Artikel 3.37. Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen tegen niet-naleving
De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Comité in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, alsmede van haar verzoek om beëindiging van de maatregelen door de klagende partij.
Indien de partijen binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan is kennisgegeven, ertoe leidt dat de partij waartegen de klacht gericht is in overeenstemming met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen handelt, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het Comité binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen, worden de in artikel 3.36 (Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving) bedoelde maatregelen beëindigd.
Artikel 3.38. Opschorting en beëindiging van arbitrageprocedures
Op schriftelijk verzoek van beide partijen schort het arbitragepanel te allen tijde zijn werkzaamheden op gedurende een door de partijen overeengekomen periode, die echter niet meer dan twaalf maanden mag bedragen. Op schriftelijk verzoek van de klagende partij respectievelijk beide partijen hervat het arbitragepanel zijn werkzaamheden aan respectievelijk voor het einde van de overeengekomen periode. Indien de klagende partij niet voor het verstrijken van de overeengekomen opschortingsperiode het arbitragepanel verzoekt zijn werkzaamheden te hervatten, worden de krachtens deze afdeling ingeleide geschillenbeslechtingsprocedures geacht te zijn beëindigd. Behoudens het bepaalde in artikel 3.45 (Verhouding tot WTO-verplichtingen) laten de opschorting en de beëindiging van de werkzaamheden van het arbitragepanel de rechten van elk van beide partijen in andere procedures onverlet.
De partijen kunnen te allen tijde schriftelijk overeenkomen de krachtens deze afdeling ingeleide geschillenbeslechtingsprocedures te beëindigen.
Artikel 3.39. Onderling overeengekomen oplossing
De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder deze afdeling vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het Comité en in voorkomend geval het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Indien ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen voor de oplossing goedkeuring vereist is, wordt in de kennisgeving naar dit vereiste verwezen en worden de krachtens deze afdeling ingeleide geschillenbeslechtingsprocedures opgeschort. Indien dergelijke goedkeuring niet vereist is, of nadat is kennisgegeven van de voltooiing van die interne procedures, wordt de procedure beëindigd.
Artikel 3.40. Procedureregels
Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van deze afdeling is bijlage 9 (Procedureregels voor arbitrage) van toepassing.
Alle bijeenkomsten van het arbitragepanel zijn overeenkomstig bijlage 9 (Procedureregels voor arbitrage) openbaar.
Artikel 3.41. Indiening van informatie
Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, alle informatie inwinnen die het voor de arbitrageprocedure nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Voordat het deskundigen kiest, raadpleegt het arbitragepanel de partijen. Alle op deze manier verkregen informatie moet voor commentaar aan de partijen worden voorgelegd.
Belanghebbende natuurlijke of rechtspersonen van de partijen hebben het recht overeenkomstig bijlage 9 (Procedureregels voor arbitrage) als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel in te dienen.
Artikel 3.42. Interpretatieregels
Het arbitragepanel legt de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Wanneer een verplichting uit hoofde van deze overeenkomst identiek is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, neemt het arbitragepanel alle relevante interpretaties die zijn vastgesteld in uitspraken van het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (Dispute Settlement Body, hierna de „DSB” genoemd) in aanmerking. De uitspraken van het arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van de in artikel 3.25 (Toepassingsgebied) bedoelde bepalingen niet verruimen of beperken.
Artikel 3.43. Besluiten en uitspraken van arbitragepanel
Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen.
De uitspraken van het arbitragepanel zijn bindend voor de partijen en scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke of rechtspersonen. De uitspraak vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen bedoeld in artikel 3.25 (Toepassingsgebied), alsmede de aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggende beweegredenen. Het Comité maakt de volledige uitspraak van het arbitragepanel openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen met het oog op waarborging van de geheimhouding van alle informatie die door een van beide partijen als vertrouwelijk is aangemerkt.
Artikel 3.44. Lijsten van arbiters
De partijen stellen bij de inwerkintreding van deze overeenkomst een lijst op van vijf personen die bereid en in staat zijn om het voorzitterschap van een arbitragepanel als bedoeld in artikel 3.29 (Instelling van arbitragepanel) te bekleden.
Het Comité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste tien personen die bereid en in staat zijn om als arbiter op te treden. Elk van de partijen draagt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten minste vijf personen voor als arbiter.
Het Comité ziet erop toe dat de ingevolge lid 1 respectievelijk lid 2 opgestelde lijst van personen die als voorzitter respectievelijk arbiter in aanmerking komen, bijgewerkt zijn.
De arbiters beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van recht en internationale handel of investeringen, of beslechting van geschillen in het kader van internationale handelsovereenkomsten. Zij dienen onafhankelijk te zijn, op persoonlijke titel op te treden en niet verbonden te zijn aan de regering van een van de partijen, en dienen te voldoen aan de voorschriften van bijlage 11 (Gedragscode voor arbiters en bemiddelaars).
Artikel 3.45. Verhouding tot WTO-verplichtingen
Een beroep op de bepalingen van deze afdeling over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige maatregel in het kader van de WTO, waaronder geschillenbeslechtingsprocedures.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan een partij, wanneer zij in verband met een specifieke maatregel een procedure voor de beslechting van een geschil heeft ingeleid, hetzij krachtens deze afdeling, hetzij krachtens de WTO-Overeenkomst, in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Bovendien mag een partij enkel een procedure voor de beslechting van een geschil krachtens deze afdeling en krachtens de WTO-Overeenkomst inleiden wanneer het geschil betrekking heeft op fundamenteel verschillende verplichtingen uit hoofde van beide overeenkomsten of wanneer het gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen in de procedure ten aanzien van de schending van die verplichting, voor zover de onmogelijkheid van het forum om uitspraak te doen niet het gevolg is van het verzuim van een partij bij het geschil om zorgvuldig te handelen.
Voor de toepassing van lid 2 worden:
- a. procedures voor de geschillenbeslechting krachtens de WTO-Overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 6 van het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, dat is neergelegd in bijlage 2 bij de WTO-Overeenkomst (hierna „DSU” genoemd), een verzoek om instelling van een panel indient en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het DSB overeenkomstig artikel 16 en artikel 17, lid 14, van het DSU het verslag van het panel respectievelijk, in voorkomend geval, het verslag van de Beroepsinstantie goedkeurt, en
- b. procedures voor de geschillenbeslechting krachtens deze afdeling geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 3.28 (Inleiding van arbitrageprocedure), lid 1, een verzoek om instelling van een arbitragepanel indient en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het arbitragepanel overeenkomstig artikel 3.32 (Uitspraak van arbitragepanel), lid 2, zijn uitspraak aan de partijen en aan het Comité bekendmaakt of wanneer de partijen overeenkomstig artikel 3.39 (Onderling overeengekomen oplossing) een onderling overeengekomen oplossing hebben bereikt.
Geen enkele bepaling in deze afdeling belet dat een partij de opschorting van de verplichtingen die is toegestaan door het DSB, ten uitvoer legt. Er kan geen beroep worden gedaan op de WTO-Overeenkomst of de EUSFTA om te beletten dat een partij passende maatregelen treft krachtens artikel 3.36 (Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving) van deze afdeling.
Artikel 3.46. Termijnen
Alle in deze afdeling vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun uitspraken moeten mededelen, worden gerekend in kalenderdagen waarbij de eerste dag de dag is volgende op die waarop de betrokken handelingen of feiten plaatsvonden, tenzij anders wordt bepaald.
Alle in deze afdeling vermelde termijnen kunnen met wederzijdse instemming van de partijen worden gewijzigd.
HOOFDSTUK VIER. INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 4.1. Comité
De partijen richten een Comité op, bestaande uit vertegenwoordigers van de EU-partij en van Singapore (het „Comité”).
Het Comité vergadert in de regel om de twee jaar, beurtelings in de Unie en in Singapore, of zo spoedig mogelijk op verzoek van een van de partijen. Het voorzitterschap van het Comité wordt bekleed door het lid van de Europese Commissie dat bevoegd is voor handel en de minister van Handel en Industrie van Singapore en, of door hun respectieve vertegenwoordigers. Het Comité stelt zelf zijn vergaderrooster en -agenda vast en kan zijn eigen reglement van orde vaststellen.
Het Comité:
- a. ziet toe op de goede werking van deze overeenkomst;
- b. houdt toezicht op en vergemakkelijkt de tenuitvoerlegging en toepassing van deze overeenkomst, en bevordert de algemene doelstellingen ervan;
- c. zoekt naar wegen om de investeringsbetrekkingen tussen de partijen te verbeteren;
- d. onderzoekt de moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van de bepalingen van hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling A (Beslechting van geschillen tussen investeerders en partijen bij overeenkomst), en neemt mogelijke verbeteringen daarvan in overweging, in het bijzonder in het licht van de opgedane ervaring en de ontwikkelingen in andere internationale fora;
- e. evalueert in het algemeen de werking van hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling A (Beslechting van geschillen tussen investeerders en partijen bij overeenkomst), waarbij het mede rekening houdt met kwesties die het gevolg kunnen zijn van de inspanningen om het in artikel 3.12 (Multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme) bedoelde multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme in te stellen;
- f. tracht, onverminderd hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), een oplossing te vinden voor eventuele problemen op de door deze overeenkomst bestreken gebieden of eventuele geschillen in verband met de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst op te lossen, en
- g. buigt zich over alle andere aangelegenheden die van belang zijn met betrekking tot de door deze overeenkomst bestreken gebieden.
Het Comité kan na overleg met de partijen bij de overeenkomst en nadat de respectieve wettelijke vereisten van de partijen bij de overeenkomst zijn vervuld en hun respectieve wettelijke procedures zijn afgesloten, beslissen om:
- a. overeenkomstig artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg), lid 2, en artikel 3.10 (Beroepsinstantie), lid 2, de leden van het Gerecht en van de Beroepsinstantie aan te wijzen, overeenkomstig artikel 3.9, lid 3, en artikel 3.10, lid 3, het aantal leden te verhogen of te verlagen, of overeenkomstig artikel 3.11 (Ethische code), lid 5, een lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie van zijn mandaat te ontheffen;
- b. het maandelijkse voorschot voor de leden van het Gerecht en van de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 3.9, lid 12, en artikel 3.10, lid 11, alsmede de dagvergoeding voor de leden die zitting hebben in een formatie van de Beroepsinstantie en voor de president van het Gerecht en van de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 3.10, lid 12, en artikel 3.9, lid 13, vast te stellen;
- c. overeenkomstig artikel 3.9, lid 15, en artikel 3.10, lid 13, het voorschot en andere honoraria en kostenvergoedingen voor de leden van het Gerecht en van de Beroepsinstantie om te zetten in een reguliere bezoldiging;
- d. overeenkomstig artikel 3.12 (Multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme) de nodige overgangsregelingen vast te stellen;
- e. overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten), lid 5, aanvullende voorschriften inzake honoraria vast te stellen;
- f. interpretaties van de bepalingen van deze overeenkomst aan te nemen, die bindend zijn voor de partijen en alle krachtens deze overeenkomst opgerichte organen, met inbegrip van het Gerecht en de Beroepsinstantie bedoeld in hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling A (Beslechting van geschillen tussen investeerders en partijen bij overeenkomst), en de arbitragepanels bedoeld in hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling B (Beslechting van geschillen tussen partijen bij overeenkomst); en
- g. regels ter aanvulling van de toepasselijke geschillenbeslechtingsregels of de in de bijlagen opgenomen regels vast te stellen. Die regels zijn bindend voor het Gerecht en de Beroepsinstantie bedoeld in hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling A (Beslechting van geschillen tussen investeerders en partijen bij overeenkomst), en de arbitragepanels bedoeld in hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling B (Beslechting van geschillen tussen partijen bij overeenkomst).
Artikel 4.2. Besluitvorming
De partijen kunnen, in de in deze overeenkomst bedoelde gevallen, besluiten in het Comité nemen. De in het Comité genomen besluiten zijn bindend voor de partijen, die de maatregelen treffen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging ervan.
Het Comité kan, in de in deze overeenkomst bedoelde gevallen, passende aanbevelingen doen.
De besluiten en aanbevelingen van het Comité worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.
Artikel 4.3. Wijzigingen
De partijen kunnen overeenkomen deze overeenkomst te wijzigen. Een wijziging van deze overeenkomst treedt in werking nadat de partijen schriftelijke kennisgevingen hebben uitgewisseld waarin zij verklaren dat zij volledig aan hun respectieve toepasselijke wettelijke vereisten en procedures hebben voldaan, zoals bepaald in de akte van wijziging.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 kunnen de partijen, in de in deze overeenkomst bedoelde gevallen, in het Comité een besluit tot wijziging van deze overeenkomst nemen.
Artikel 4.4. Prudentiële uitzonderingsbepaling
Niets in deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat het belet dat een partij redelijke maatregelen handhaaft of vaststelt om prudentiële redenen, zoals:
- a. de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is;
- b. het handhaven van de veiligheid, de solvabiliteit, de integriteit of de financiële aansprakelijkheid van financiële dienstverleners; of
- c. het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële stelsel van de partij.
Deze maatregelen zijn niet belastender dan noodzakelijk is voor het bereiken van het doel ervan en vormen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie van verleners van financiële diensten uit de andere partij in vergelijking met de verleners van financiële diensten van de partij in kwestie, noch een verkapte beperking van de handel in diensten.
Niets in deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat het een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de rekeningen van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of gepatenteerde informatie die in het bezit is van openbare entiteiten.
Artikel 4.5. Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat:
- a. een van de partijen verplicht wordt informatie te verstrekken waarvan zij openbaarmaking in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen;
- b. een van de partijen belet wordt gelijk welke actie te ondernemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk acht en die:
- i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met de handel in andere goederen en materialen en economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
- ii. verband houden met de verlening van diensten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
- iii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd, of
- iv. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen dan wel ter bescherming van kritieke publieke infrastructuur (dit betreft de infrastructuur voor communicatie en voor elektriciteits- en watervoorziening, waarmee de bevolking wordt voorzien van goederen of diensten die aan de eerste levensbehoeften voldoen) tegen opzettelijke pogingen om die onbruikbaar te maken of te ontwrichten;
- c. een van de partijen belet wordt maatregelen te nemen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
Artikel 4.6. Belastingen
Deze overeenkomst is uitsluitend van toepassing op belastingmaatregelen wanneer dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze overeenkomst33)Onder „bepalingen van deze overeenkomst” worden bepalingen verstaan waarbija.aan investeerders een niet-discriminerende behandeling wordt toegekend op de wijze en in de mate als bepaald in artikel 2.3 (Nationale behandeling); enb.aan investeerders en hun investeringen bescherming tegen onteigening wordt toegekend op de wijze en in de mate als bepaald in artikel 2.6 (Onteigening)..
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Unie of een van haar lidstaten of de rechten van Singapore uit hoofde van belastingverdragen tussen de Unie en Singapore of tussen een van de lidstaten van de Unie en Singapore. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk verdrag heeft dat verdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft. Wanneer er een belastingverdrag tussen de Unie en Singapore of tussen een van de lidstaten van de Unie en Singapore bestaat, zijn alleen de krachtens dat verdrag bevoegde autoriteiten bevoegd om vast te stellen of deze overeenkomst strijdig is met dat verdrag.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat een van beide partijen belastingmaatregelen vaststelt of handhaaft waarbij op basis van rationele criteria onderscheid wordt gemaakt tussen belastingbetalers, zoals belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd34)Voor alle duidelijkheid: beide partijen zijn het erover eens dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst in de weg staat aan belastingmaatregelen waarmee doelstellingen van maatschappelijk welzijn of volksgezondheid dan wel andere sociaal-communautaire doelstellingen worden nagestreefd, of die gericht zijn op macro-economische stabiliteit, of aan belastingvoordelen die gekoppeld zijn aan de plaats van oprichting en niet aan de nationaliteit van de eigenaar van de onderneming. Belastingmaatregelen gericht op macro-economische stabiliteit zijn maatregelen die worden genomen als reactie op fluctuaties en trends in de nationale economie, met het doel om systemische onevenwichtigheden aan te pakken of te voorkomen die een ernstige bedreiging vormen voor de stabiliteit van de nationale economie..
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat in de weg aan de vaststelling of handhaving van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de fiscale bepalingen van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of interne belastingwetgeving.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat Singapore belastingmaatregelen vaststelt of handhaaft die noodzakelijk zijn ter bescherming van de hogere belangen van het overheidsbeleid van Singapore die voortvloeien uit de specifieke ruimtelijke beperkingen.
Artikel 4.7. Specifieke uitzondering
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of van enige andere overheidsinstantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.
Artikel 4.8. Staatsinvesteringsfondsen
Elk van beide partijen moedigt haar staatsinvesteringsfondsen aan, de Algemeen aanvaarde beginselen en praktijken – Beginselen van Santiago – te eerbiedigen.
Artikel 4.9. Openbaarmaking van informatie
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat een van de partijen verplicht wordt vertrouwelijke informatie beschikbaar te stellen waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van specifieke openbare of particuliere bedrijven.
Wanneer een partij aan het Comité informatie voorlegt die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, wordt die informatie door de andere partij vertrouwelijk behandeld, tenzij de partij die de informatie voorlegt anders beslist.
Artikel 4.10. Voldoen aan verplichtingen
Elk van beide partijen treft alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen. Zij ziet erop toe dat de in deze overeenkomst genoemde doelstellingen worden bereikt.
Artikel 4.11. Geen rechtstreekse werking
Het is wel verstaan dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst aldus mag worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend door of daarmee verplichtingen worden opgelegd aan personen, anders dan die welke de partijen krachtens internationaal publiekrecht hebben vastgesteld.
Artikel 4.12. Verhouding tot andere overeenkomsten
Deze overeenkomst vormt een integrerend onderdeel van de algemene betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Singapore, anderzijds waarop de Parnterschaps- en samenwerkingsovereenkomst van toepassing is en maakt deel uit van een gemeenschappelijk institutioneel kader. Deze overeenkomst is een specifieke overeenkomst waarmee uitvoering wordt gegeven aan de handels- en investeringsbepalingen van de de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst.
Het is wel verstaan dat de partijen overeenkomen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.
- a. Zodra deze overeenkomst in werking treedt, worden de in bijlage 5 (Overeenkomsten als bedoeld in artikel 4.12) genoemde tussen de lidstaten van de Unie en Singapore gesloten overeenkomsten, met inbegrip van de uit die overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen, beëindigd en zijn zij niet langer van kracht; zij komen te vervallen en worden door deze overeenkomst vervangen.
- b. Ingeval van voorlopige toepassing van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 4.15 (Inwerkingtreding), lid 4, wordt de toepassing van de bepalingen van de in bijlage 5 (Overeenkomsten als bedoeld in artikel 4.12) genoemde overeenkomsten, alsmede van de uit die overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen, opgeschort met ingang van de datum van voorlopige toepassing. Ingeval de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, wordt de opschorting opgeheven en worden de in bijlage 5 (Overeenkomsten als bedoeld in artikel 4.12) genoemde overeenkomsten van kracht.
- c. Onverminderd het bepaalde in lid 3, onder a) en b), kan overeenkomstig de bepalingen van een in bijlage 5 (Overeenkomsten als bedoeld in artikel 4.12) genoemde overeenkomst een vordering worden ingesteld betreffende een behandeling die uit hoofde van de in die overeenkomst vastgestelde voorschriften en procedures is toegekend terwijl die overeenkomst van kracht was, op voorwaarde dat niet meer dan drie jaar zijn verstreken sinds de datum van opschorting van die overeenkomst op grond van lid 3, onder b), of, indien die overeenkomst niet is opgeschort op grond van lid 3, onder b), de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
- d. Onverminderd het bepaalde in lid 3, onder a) en b), kan, wanneer de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, overeenkomstig hoofdstuk drie (Geschillenbeslechting), afdeling A (Beslechting van geschillen tussen investeerders en partijen bij overeenkomst), een verzoek worden ingediend betreffende een behandeling die is toegekend tijdens de periode van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst, op voorwaarde dat niet meer dan drie jaar zijn verstreken sinds de datum van beëindiging van de voorlopige toepassing.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)