← Geldende tekst · Geschiedenis

Tweede aanvullend protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, inzake nauwere samenwerking en verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal

Geldende tekst a fecha 2022-05-12

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (ETS nr. 185, hierna „het verdrag” genoemd), op 23 november 2001 te Boedapest opengesteld voor ondertekening, die dit protocol hebben ondertekend,

Indachtig het feit dat het verdrag betrekking heeft op en gevolgen heeft voor alle delen van de wereld;

Eraan herinnerend dat het verdrag reeds is aangevuld met het aanvullend protocol betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen (ETS nr. 189), voor ondertekening opengesteld op 28 januari 2003 te Straatsburg (hierna „het eerste protocol” genoemd), van toepassing tussen de partijen bij dat protocol;

Gezien de bestaande verdragen van de Raad van Europa inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein, alsmede andere overeenkomsten en regelingen inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein tussen de partijen bij het verdrag;

Gezien tevens het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108), gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (CETS nr. 223), voor ondertekening opengesteld op 10 oktober 2018 te Straatsburg, waartoe iedere staat kan worden uitgenodigd toe te treden;

Erkennende het toenemende gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, met inbegrip van internetdiensten, en de toename van cybercriminaliteit, die een bedreiging vormt voor de democratie en de rechtsstaat en door veel staten ook als bedreiging voor de mensenrechten wordt beschouwd;

Erkennende tevens het groeiende aantal slachtoffers van cybercriminaliteit en het belang om recht te laten geschieden voor die slachtoffers;

Eraan herinnerend dat op overheden de verplichting rust om de samenleving en personen te beschermen tegen misdaad, niet alleen offline maar ook online, onder meer door op doeltreffende wijze strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke vervolging in te stellen;

Beseffende dat bewijzen van strafbare feiten steeds vaker in elektronische vorm worden opgeslagen op computersystemen in verschillende buitenlandse of onbekende rechtsgebieden, en ervan overtuigd dat aanvullende maatregelen vereist zijn om dergelijke bewijzen rechtmatig te verkrijgen, teneinde strafrechtelijk doeltreffend op te treden en de rechtsstaat te handhaven;

Erkennende dat er behoefte is aan meer en efficiëntere samenwerking tussen staten en de particuliere sector, en dat in dit verband meer duidelijkheid en rechtszekerheid moet worden geboden aan serviceproviders en andere entiteiten met betrekking tot de omstandigheden waarin zij kunnen reageren op rechtstreekse verzoeken van strafrechtelijke autoriteiten in andere partijen om verstrekking van elektronische gegevens;

Strevende derhalve naar verdere versterking van de samenwerking op het gebied van cybercriminaliteit en de vergaring van bewijs in elektronische vorm van enig strafbaar feit met het oog op specifieke strafrechtelijke onderzoeken of procedures door middel van aanvullende instrumenten voor efficiëntere wederzijdse bijstand en andere vormen van samenwerking tussen bevoegde autoriteiten; van de samenwerking in noodsituaties; en van rechtstreekse samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en serviceproviders en andere entiteiten die in het bezit zijn van relevante informatie of gerechtigd zijn tot toegang daartoe;

Ervan overtuigd dat doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking voor strafrechtelijke doeleinden, ook tussen de openbare en de particuliere sector, baat heeft bij doeltreffende voorwaarden en waarborgen voor de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

Erkennende dat vergaring van elektronisch bewijsmateriaal voor strafrechtelijk onderzoek vaak betrekking heeft op persoonsgegevens, en erkennende dat veel partijen verplicht zijn privacy en persoonsgegevens te beschermen om hun grondwettelijke en internationale verplichtingen na te komen; en

Indachtig de noodzaak ervoor te zorgen dat doeltreffende strafrechtelijke maatregelen tegen cybercriminaliteit en de vergaring van bewijsmateriaal in elektronische vorm onderworpen zijn aan voorwaarden en waarborgen die voorzien in passende bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van rechten die voortvloeien uit verplichtingen die staten zijn aangegaan in het kader van toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, zoals het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (ETS nr. 5) van de Raad van Europa, het Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Afrikaans Handvest van de rechten van mensen en volken van 1981, het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens van 1969 en andere internationale mensenrechtenverdragen;

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I. – GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1. – Doel

Dit protocol strekt tot aanvulling van:

Artikel 2. – Toepassingsgebied
1.

Tenzij anders bepaald, zijn de in dit protocol omschreven maatregelen van toepassing:

2.

Iedere partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om de in dit protocol genoemde verplichtingen na te komen.

Artikel 3. – Definities
1.

De definities in artikel 1 en artikel 18, lid 3, van het verdrag zijn op dit protocol van toepassing.

2.

Voor de toepassing van dit protocol wordt bovendien verstaan onder:

Artikel 4. – Taal
1.

Verzoeken, bevelen en begeleidende informatie die bij een partij worden ingediend, worden gesteld in een taal die aanvaardbaar is voor de aangezochte partij of de partij waaraan overeenkomstig artikel 7, lid 5, kennisgeving wordt gedaan, of gaan vergezeld van een vertaling in een dergelijke taal.

2.

De in artikel 7 bedoelde bevelen en de in artikel 6 bedoelde verzoeken en de begeleidende informatie daarbij:

HOOFDSTUK II. – MAATREGELEN TER VERSTERKING VAN DE SAMENWERKING

AFDELING 1. – ALGEMENE BEGINSELEN VAN TOEPASSING OP HOOFDSTUK II

Artikel 5. – Algemene beginselen van toepassing op hoofdstuk II
1.

De partijen werken zoveel mogelijk samen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.

Afdeling 2 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 6 en 7. Zij voorziet in procedures ter versterking van de rechtstreekse samenwerking met serviceproviders en entiteiten op het grondgebied van een andere partij. Afdeling 2 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de betrokken partijen.

3.

Afdeling 3 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 8 en 9. Zij voorziet in procedures ter versterking van de internationale samenwerking tussen autoriteiten bij de verstrekking van opgeslagen computergegevens. Afdeling 3 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij.

4.

Afdeling 4 van dit hoofdstuk bestaat uit artikel 10. Zij voorziet in procedures voor wederzijdse bijstand in noodsituaties. Afdeling 4 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij.

5.

Afdeling 5 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 11 en 12. Afdeling 5 is van toepassing wanneer er geen verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving van kracht is tussen de verzoekende en de aangezochte partij. De bepalingen van afdeling 5 zijn niet van toepassing wanneer een dergelijk verdrag of een dergelijke regeling wel bestaat, behoudens het bepaalde in artikel 12, lid 7. De betrokken partijen kunnen evenwel onderling besluiten de bepalingen van afdeling 5 in plaats daarvan toe te passen, indien het verdrag of de regeling dat niet verbiedt.

6.

Wanneer het de aangezochte partij, in overeenstemming met de bepalingen van dit protocol, is toegestaan medewerking afhankelijk te maken van het bestaan van dubbele strafbaarheid, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de gedraging die ten grondslag ligt aan het strafbare feit waarvoor om medewerking wordt verzocht, in haar wetgeving wordt aangemerkt als strafbaar feit, ongeacht of het interne recht het strafbare feit al dan niet in dezelfde categorie plaatst of met dezelfde termen aanduidt als het recht van de verzoekende partij.

7.

De bepalingen van dit hoofdstuk houden geen beperking in van de samenwerking tussen partijen, of tussen partijen en serviceproviders of andere entiteiten, op grond van andere toepasselijke overeenkomsten, regelingen, praktijken of het nationale recht.

AFDELING 2. – PROCEDURES TER VERSTERKING VAN DE RECHTSTREEKSE SAMENWERKING MET SERVICEPROVIDERS EN ENTITEITEN OP HET GRONDGEBIED VAN EEN ANDERE PARTIJ

Artikel 6. – Verzoek om domeinnaamregistratie-informatie
1.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om haar bevoegde autoriteiten in het kader van specifieke strafrechtelijke onderzoeken of procedures de bevoegdheid te verlenen een entiteit die op het grondgebied van een andere partij domeinnaamregistratiediensten aanbiedt, te verzoeken informatie te verstrekken die in haar bezit is of tot toegang waartoe zij gerechtigd is, teneinde de registrant van een domeinnaam te identificeren of met die registrant contact op te nemen.

2.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om een entiteit op haar grondgebied toe te staan dergelijke informatie te verstrekken naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van lid 1, met inachtneming van redelijke voorwaarden waarin het nationale recht voorziet.

3.

In het in lid 1 bedoelde verzoek wordt vermeld:

4.

Indien de instantie daarmee instemt, kan een partij een verzoek uit hoofde van lid 1 in elektronische vorm indienen. Er kan een passend niveau van beveiliging en authenticatie worden vereist.

5.

Indien een entiteit als in lid 1 beschreven geen medewerking verleent, kan de verzoekende partij de entiteit verzoeken te motiveren waarom zij de gevraagde informatie niet verstrekt. De verzoekende partij kan verzoeken om overleg met de partij waar de entiteit is gevestigd, teneinde vast te stellen welke maatregelen getroffen kunnen worden om de informatie te verkrijgen.

6.

Iedere partij deelt bij de ondertekening van het protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring, of op enig ander tijdstip, de secretaris-generaal van de Raad van Europa de namen en adressen mee van de autoriteiten die voor het in lid 5 bedoelde overleg zijn aangewezen.

7.

De secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt een register op van de uit hoofde van lid 6 door de partijen aangewezen autoriteiten en houdt dit bij. Iedere partij zorgt ervoor dat de in het register vermelde gegevens te allen tijde juist zijn.

Artikel 7. – Verstrekking van abonnee-informatie
1.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid te verlenen een bevel uit te vaardigen dat rechtstreeks gericht is tot een serviceprovider op het grondgebied van een andere partij, teneinde die serviceprovider gespecificeerde door hem opgeslagen abonnee-informatie te doen verstrekken die in zijn bezit is of tot toegang waartoe hij gerechtigd is, indien die abonnee-informatie nodig is voor specifieke strafrechtelijke onderzoeken of strafprocedures van de uitvaardigende partij.

3.

In het in lid 1 bedoelde bevel wordt vermeld:

4.

Het in lid 1 bedoelde bevel gaat vergezeld van de volgende aanvullende informatie:

6.

Indien dit voor de serviceprovider aanvaardbaar is, kan een partij bevelen uit hoofde van lid 1 en aanvullende informatie als bedoeld in lid 4 in elektronische vorm indienen. Een partij kan de in lid 5 bedoelde kennisgeving en aanvullende informatie in elektronische vorm verstrekken. Er kan een passend niveau van beveiliging en authenticatie worden vereist.

7.

Indien een serviceprovider de in lid 4, punt c), bedoelde autoriteit meedeelt dat hij de gevraagde abonnee-informatie niet zal verstrekken, of indien hij naar aanleiding van het in lid 1 bedoelde bevel geen abonnee-informatie verstrekt binnen dertig dagen na ontvangst van het bevel of binnen de in lid 4, punt d), vastgestelde termijn, indien deze langer is, kunnen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende partij het bevel uitsluitend via artikel 8 of andere vormen van wederzijdse bijstand ten uitvoer leggen. Partijen kunnen verlangen dat een serviceprovider de reden vermeldt voor zijn weigering de in het bevel gevraagde abonnee- informatie te verstrekken.

8.

Een partij kan, bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring, verklaren dat een uitvaardigende partij de serviceprovider moet verzoeken om verstrekking van abonnee-informatie alvorens actie te ondernemen om deze informatie overeenkomstig artikel 8 te verkrijgen, tenzij de uitvaardigende partij een redelijke verklaring geeft waarom zij dit niet heeft gedaan.

9.

Bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring kan een partij:

AFDELING 3. – PROCEDURES TER VERSTERKING VAN DE INTERNATIONALE SAMENWERKING TUSSEN AUTORITEITEN BIJ DE VERSTREKKING VAN OPGESLAGEN COMPUTERGEGEVENS

Artikel 8. – Uitvoering geven aan bevelen van een andere partij om abonnee-informatie en verkeersgegevens met spoed te verstrekken
1.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om haar bevoegde autoriteiten de bevoegdheid te verlenen een bevel uit te vaardigen dat in het kader van een verzoek bij een andere partij wordt ingediend teneinde een serviceprovider op het grondgebied van de aangezochte partij te verplichten tot verstrekking van gespecificeerde opgeslagen

die in het bezit zijn van die serviceprovider of tot toegang waartoe die serviceprovider gerechtigd is, indien die gegevens noodzakelijk zijn voor een specifiek strafrechtelijk onderzoek of een specifieke strafprocedure van de partij.

2.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om uitvoering te geven aan een door een verzoekende partij krachtens lid 1 ingediend bevel.

3.

In haar verzoek dient de verzoekende partij het in lid 1 bedoelde bevel, de ondersteunende informatie en eventuele bijzondere procedurele instructies in bij de aangezochte partij.

4.

Een partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring en op enig ander tijdstip verklaren dat aanvullende ondersteunende informatie vereist is om uitvoering te gegeven aan bevelen als bedoeld in lid 1.

5.

De aangezochte partij aanvaardt verzoeken in elektronische vorm. Zij mag een passend niveau van beveiliging en authenticatie vereisen alvorens het verzoek te aanvaarden.

7.

Indien de aangezochte partij de in lid 3, punt c), bedoelde instructies niet op de gevraagde wijze kan opvolgen, stelt zij de verzoekende partij daarvan onverwijld in kennis en geeft zij, indien van toepassing, aan onder welke voorwaarden zij aan het verzoek zou kunnen voldoen, waarna de verzoekende partij bepaalt of het verzoek toch moet worden uitgevoerd.

8.

De aangezochte partij mag weigeren een verzoek uit te voeren op de gronden die zijn vastgesteld in artikel 25, lid 4, of artikel 27, lid 4, van het verdrag, of kan voorwaarden opleggen die zij noodzakelijk acht om uitvoering van het verzoek mogelijk te maken. De aangezochte partij mag de uitvoering van verzoeken uitstellen om redenen die uit hoofde van artikel 27, lid 5, van het verdrag zijn vastgesteld. De aangezochte partij stelt de verzoekende partij zo spoedig mogelijk in kennis van de weigering, de voorwaarden of het uitstel. De aangezochte partij stelt de verzoekende partij tevens in kennis van andere omstandigheden die de uitvoering van het verzoek aanzienlijk kunnen vertragen. Artikel 28, lid 2, punt b), van het verdrag is van toepassing op dit artikel.

10.

Iedere partij deelt bij de ondertekening van het protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring de secretaris-generaal van de Raad van Europa de contactgegevens en alle wijzigingen daarvan mee van de autoriteiten die zijn aangewezen:

11.

Een partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat zij verlangt dat verzoeken van andere partijen uit hoofde van dit artikel bij haar worden ingediend door de centrale autoriteit van de verzoekende partij of door een andere autoriteit die in onderling overleg door de betrokken partijen is vastgesteld.

12.

De secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt een register op van de uit hoofde van lid 10 door de partijen aangewezen autoriteiten en houdt dit bij. Iedere partij zorgt ervoor dat de voor opname in het register verstrekte gegevens te allen tijde juist zijn.

13.

Bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring kan een partij zich het recht voorbehouden dit artikel niet toe te passen op verkeersgegevens.

Artikel 9. – Spoedverstrekking van opgeslagen computergegevens in een noodsituatie
2.

Iedere partij stelt de nodige wetgevende en andere maatregelen vast om uit hoofde van lid 1:

3.

In het in lid 1 bedoelde verzoek wordt vermeld:

4.

De aangezochte partij aanvaardt verzoeken in elektronische vorm. Een partij kan ook mondeling verzonden verzoeken aanvaarden en kan bevestiging in elektronische vorm verlangen. Zij kan een passend niveau van beveiliging en authenticatie vereisen alvorens een verzoek te aanvaarden.

5.

Een partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat zij verzoekende partijen, na de uitvoering van het verzoek, ertoe verplicht het verzoek en alle ter ondersteuning daarvan verstrekte aanvullende informatie in te dienen in een formaat en via een kanaal zoals bepaald door de aangezochte partij, mogelijk in het kader van wederzijdse bijstand.

6.

De aangezochte partij stelt de verzoekende partij met spoed in kennis van haar beslissing betreffende het in lid 1 bedoelde verzoek en geeft, indien van toepassing, aan onder welke voorwaarden zij de gegevens zou verstrekken en welke andere vormen van samenwerking er eventueel beschikbaar zijn.

AFDELING 4. – PROCEDURES VOOR WEDERZIJDSE BIJSTAND IN NOODSITUATIES

Artikel 10. – Wederzijdse bijstand in noodsituaties
1.

Iedere partij kan om snelle wederzijdse bijstand verzoeken wanneer zij van mening is dat er sprake is van een noodsituatie. Een verzoek uit hoofde van dit artikel vermeldt, naast de andere vereiste inhoud, een beschrijving van de feiten die aantonen dat er sprake is van een noodsituatie en wat het verband is met de gevraagde bijstand.

2.

De aangezochte partij aanvaardt dergelijke verzoeken in elektronische vorm. De aangezochte partij mag een passend niveau van beveiliging en authenticatie vereisen alvorens het verzoek te aanvaarden.

3.

De aangezochte partij kan met spoed aanvullende informatie opvragen om het verzoek te kunnen beoordelen. De verzoekende partij verstrekt deze aanvullende informatie met spoed.

4.

Zodra de aangezochte partij zich ervan heeft vergewist dat er sprake is van een noodsituatie en aan de andere vereisten voor wederzijdse bijstand is voldaan, beantwoordt zij met spoed het verzoek.

5.

Iedere partij zorgt ervoor dat er bij haar centrale autoriteit, of bij andere autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beantwoorden van verzoeken om wederzijdse bijstand, vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week iemand beschikbaar is voor het beantwoorden van verzoeken uit hoofde van dit artikel.

6.

De centrale autoriteit of andere voor wederzijdse bijstand verantwoordelijke autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte partij kunnen onderling bepalen dat de resultaten van de uitvoering van een verzoek uit hoofde van dit artikel, of een voorlopige versie daarvan, aan de verzoekende partij kunnen worden verstrekt via een ander kanaal dan het voor het verzoek gebruikte kanaal.

7.

Wanneer er tussen de verzoekende en de aangezochte partij geen verdrag inzake wederzijdse bijstand noch een regeling op basis van uniforme of wederkerige wetgeving van kracht is, zijn artikel 27, lid 2, punt b), en de leden 3 tot en met 8, alsmede artikel 28, leden 2 tot en met 4, van het verdrag van toepassing op dit artikel.

8.

Indien er wel een dergelijk verdrag of een dergelijke regeling bestaat, wordt dit artikel aangevuld met de bepalingen van dat verdrag of die regeling, tenzij de betrokken partijen onderling besluiten in plaats daarvan een of meer van de in lid 7 van dit artikel bedoelde bepalingen van het verdrag toe te passen.

9.

Iedere partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat verzoeken ook rechtstreeks kunnen worden gericht aan haar gerechtelijke autoriteiten, via de kanalen van de Internationale Criminele Politieorganisatie (Interpol) of haar 24/7-contactpunt dat is ingesteld krachtens artikel 35 van het verdrag. In een dergelijk geval wordt tegelijkertijd door tussenkomst van de centrale autoriteit van de verzoekende partij een afschrift gezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte partij. Wanneer een verzoek rechtstreeks naar een justitiële autoriteit van de aangezochte partij is gezonden en die autoriteit niet bevoegd is om het verzoek te behandelen, zendt deze het verzoek door naar de bevoegde nationale autoriteit en stelt zij de verzoekende partij daarvan rechtstreeks op de hoogte.

AFDELING 5. – PROCEDURES INZAKE INTERNATIONALE SAMENWERKING BIJ GEBREKE VAN TOEPASSELIJKE INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Artikel 11. – Videoconferentie
1.

Een verzoekende partij kan erom vragen dat getuigenverklaringen en verklaringen van deskundigen door middel van een videoconferentie worden afgenomen, en de aangezochte partij kan dat toestaan. De verzoekende partij en de aangezochte partij plegen overleg om een oplossing voor eventuele problemen in verband met de uitvoering van het verzoek te faciliteren, bijvoorbeeld met betrekking tot: de vraag welke partij als voorzitter optreedt; de autoriteiten en personen die aanwezig zullen zijn; de vraag of een of beide partijen een bepaalde eed afleggen, waarschuwingen uitspreken of instructies geven aan een getuige of deskundige; de wijze waarop de getuige of deskundige wordt gehoord; de wijze waarop de rechten van de getuige of deskundige worden verzekerd; de behandeling van aanspraken op voorrechten of immuniteiten; de behandeling van bezwaren tegen vragen of antwoorden; en de vraag of een van de partijen dan wel beide partijen diensten op het gebied van vertaling, vertolking en transcriptie aanbieden.

3.

Een aangezochte partij die uit hoofde van dit artikel bijstand verleent, spant zich in om te bewerkstelligen dat de persoon wiens getuigenis of verklaring wordt gevraagd, aanwezig is. In voorkomend geval kan de aangezochte partij, voor zover haar recht dit toelaat, de nodige maatregelen nemen om een getuige of deskundige te verplichten op een bepaald tijdstip en op een bepaalde plaats in de aangezochte partij te verschijnen.

4.

De door de verzoekende partij gespecificeerde procedures voor het houden van de videoconferentie worden gevolgd, tenzij dat onverenigbaar is met het nationale recht van de aangezochte partij. In geval van onverenigbaarheid of voor zover de procedure niet door de verzoekende partij is gespecificeerd, past de aangezochte partij de procedure uit hoofde van haar nationale recht toe, tenzij de verzoekende en de aangezochte partij onderling anders bepalen.

5.

Indien de getuige of deskundige tijdens de videoconferentie:

7.

Indien de verzoekende partij en de aangezochte partij zulks onderling overeenkomen:

8.

Indien een aangezochte partij ervoor kiest het horen van een verdachte of beklaagde toe te staan, kan zij bijzondere voorwaarden en waarborgen vereisen met betrekking tot het afnemen van een getuigenis of verklaring van die persoon, het verstrekken van kennisgevingen aan die persoon of het toepassen van procedurele maatregelen ten aanzien van die persoon.

Artikel 12. – Gemeenschappelijke onderzoeksteams en gezamenlijke onderzoeken
1.

In onderlinge overeenstemming kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer partijen, wanneer versterkte coördinatie van bijzonder nut wordt geacht, op hun grondgebied gemeenschappelijke onderzoeksteams instellen en beheren, teneinde strafrechtelijke onderzoeken en strafprocedures te faciliteren. De respectieve betrokken partijen bepalen welke de bevoegde autoriteiten zijn.

2.

De procedures en de voorwaarden voor de werking van gemeenschappelijke onderzoeksteams, zoals de specifieke doelstellingen, de samenstelling, de functies, de duur van de onderzoeksactiviteiten en eventuele verlengingstermijnen, de locatie, de organisatie, de voorwaarden voor het vergaren, doorgeven en gebruiken van informatie en bewijsmateriaal, de vertrouwelijkheidsvoorwaarden en de voorwaarden voor de betrokkenheid van de deelnemende autoriteiten van een partij bij onderzoeksactiviteiten die op het grondgebied van een andere partij plaatsvinden, worden door de bevoegde autoriteiten overeengekomen.

3.

Een partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat haar centrale autoriteit de overeenkomst tot oprichting van het team moet ondertekenen of er anderszins mee moet instemmen.

4.

De bevoegde en deelnemende autoriteiten communiceren rechtstreeks met elkaar, met dien verstande dat de partijen onderling afspraken kunnen maken over andere passende communicatiekanalen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden meer centrale coördinatie vereisen.

5.

Wanneer onderzoeksmaatregelen op het grondgebied van een van de betrokken partijen moeten worden uitgevoerd, kunnen de deelnemende autoriteiten van die partij hun eigen autoriteiten verzoeken deze maatregelen uit te voeren en is het niet noodzakelijk dat de andere partijen een verzoek om wederzijdse bijstand indienen. Deze maatregelen worden door de autoriteiten van die partij op haar grondgebied uitgevoerd onder de voorwaarden die krachtens het nationale recht van toepassing zijn op nationale onderzoeken.

6.

Het gebruik van informatie die of bewijsmateriaal dat door de deelnemende autoriteiten van een partij aan de deelnemende autoriteiten van andere betrokken partijen is verstrekt, kan worden geweigerd of beperkt op de wijze die is uiteengezet in de in de leden 1 en 2 beschreven overeenkomst. Indien in die overeenkomst geen voorwaarden zijn vermeld voor het weigeren of beperken van het gebruik, kunnen de partijen gebruikmaken van de verstrekte informatie of het verstrekte bewijsmateriaal:

7.

Bij gebreke van een overeenkomst als beschreven in de leden 1 en 2, kunnen op onderling overeengekomen voorwaarden per geval gezamenlijke onderzoeken worden ingesteld. Dit lid is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de betrokken partijen.

HOOFDSTUK III. – VOORWAARDEN EN WAARBORGEN

Artikel 13. – Voorwaarden en waarborgen

Overeenkomstig artikel 15 van het verdrag ziet iedere partij erop toe dat de invoering, uitwerking en toepassing van de in dit protocol bedoelde bevoegdheden en procedures onderworpen zijn aan de voorwaarden en waarborgen vervat in haar nationale recht, dat een passende bescherming moet bieden aan de rechten en vrijheden van de mens.

Artikel 14. – Bescherming van persoonsgegevens
1.

Toepassingsgebied

2.

Doel en gebruik

3.

Kwaliteit en integriteit

Iedere partij neemt redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat persoonsgegevens worden bewaard en bijgewerkt met de nauwkeurigheid en volledigheid die voor de rechtmatige verwerking van de persoonsgegevens vereist en passend is, rekening houdend met de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.

4.

Gevoelige gegevens

Een partij mag persoonsgegevens waaruit raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of andere overtuigingen of het lidmaatschap van een vakvereniging blijken, genetische gegevens, biometrische gegevens die gezien de ermee gepaard gaande risico’s als gevoelig worden beschouwd, en persoonsgegevens die gezondheid of seksueel gedrag betreffen, slechts verwerken met inachtneming van passende waarborgen ter voorkoming van het risico van ongerechtvaardigde nadelige gevolgen van het gebruik van dergelijke gegevens, en in het bijzonder ter voorkoming van onwettige discriminatie.

5.

Bewaringstermijnen

Iedere partij bewaart persoonsgegevens niet langer dan nodig en passend is voor de doeleinden van de verwerking van de gegevens overeenkomstig lid 2. Om aan deze verplichting te voldoen, stelt zij in haar nationale rechtskader specifieke bewaringstermijnen vast of voorziet zij in periodieke toetsing van de noodzaak om gegevens langer te bewaren.

6.

Geautomatiseerde besluiten

Besluiten die aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor de relevante belangen van de persoon op wie de persoonsgegevens betrekking hebben, mogen niet uitsluitend gebaseerd zijn op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, tenzij dat is toegestaan uit hoofde van het nationale recht en in passende waarborgen is voorzien, waaronder de mogelijkheid van menselijke tussenkomst.

7.

Gegevensbeveiliging en beveiligingsincidenten

8.

Bijhouden van bestanden

Iedere partij houdt bestanden bij of beschikt over andere passende middelen om aan te tonen hoe de persoonsgegevens van een persoon in een specifiek geval worden geraadpleegd, gebruikt en verstrekt.

9.

Verdere uitwisseling binnen een partij

10.

Verdere doorgifte naar een andere staat of internationale organisatie

11.

Transparantie en kennisgeving

12.

Toegang en rectificatie

13.

Gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtsmiddelen

Iedere partij beschikt over doeltreffende gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtsmiddelen om verhaal te zoeken tegen schendingen van dit artikel.

14.

Toezicht

Iedere partij beschikt over een of meer overheidsinstanties die, alleen of cumulatief, onafhankelijke en effectieve toezichtstaken en -bevoegdheden uitoefenen met betrekking tot de in dit artikel genoemde maatregelen. De taken en bevoegdheden van deze instanties die alleen of cumulatief handelen, omvatten onderzoeksbevoegdheden, de bevoegdheid om naar aanleiding van klachten op te treden en het vermogen corrigerende maatregelen te nemen.

15.

Raadpleging en opschorting

Een partij kan de doorgifte van persoonsgegevens aan een andere partij opschorten indien zij over substantieel bewijs beschikt waaruit blijkt dat de andere partij stelselmatig of wezenlijk inbreuk maakt op de voorwaarden van dit artikel of dat een wezenlijke inbreuk dreigt. Zij schort doorgiften niet op zonder een redelijke termijn in acht te nemen en niet eerder dan nadat de betrokken partijen gedurende een redelijke termijn overleg hebben kunnen plegen zonder dat zij tot een oplossing zijn gekomen. Een partij kan doorgiften echter voorlopig opschorten in geval van een stelselmatige of wezenlijke inbreuk die een aanzienlijk en imminent risico vormt voor het leven of de veiligheid van of voor aanzienlijke reputatieschade of financiële schade aan een natuurlijke persoon, in welk geval zij de andere partij onmiddellijk daarna in kennis stelt en overleg opent. Indien het overleg niet tot een oplossing heeft geleid, kan de andere partij de doorgiften wederkerig opschorten indien zij over substantieel bewijs beschikt dat de opschorting door de partij die tot opschorting is overgegaan, in strijd was met de bepalingen van dit lid. De partij die tot opschorting is overgegaan, heft de opschorting op zodra de inbreuk die de opschorting rechtvaardigde, is beëindigd; Iedere wederkerige opschorting wordt op dat moment opgeheven. Persoonsgegevens die vóór de opschorting zijn doorgegeven, worden ook na de opschorting overeenkomstig het protocol behandeld.

HOOFDSTUK IV. – SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. – Effecten van dit protocol
2.

Artikel 39, lid 3, van het verdrag is van toepassing op dit protocol.

Artikel 16. – Ondertekening en inwerkingtreding
1.

Dit protocol staat open voor ondertekening door partijen bij het verdrag, die kunnen verklaren dat zij ermee instemmen erdoor gebonden te zijn, door:

2.

De akten van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

3.

Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf partijen bij het verdrag, overeenkomstig de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel, hun instemming door het protocol te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.

4.

Ten aanzien van iedere ondertekenende partij bij het verdrag die later zijn instemming door dit protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop de partij haar instemming door het protocol te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 17. – Federale clausule
1.

Een federale staat kan zich het recht voorbehouden de verplichtingen ingevolge dit protocol aan te gaan voor zover deze in overeenstemming zijn met zijn fundamentele beginselen die ten grondslag liggen aan de betrekkingen tussen zijn centrale regering en de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten, mits:

2.

Een andere partij kan autoriteiten, serviceproviders of entiteiten op haar grondgebied beletten medewerking te verlenen naar aanleiding van een rechtstreeks verzoek of bevel van een constituerende staat of andere vergelijkbare territoriale entiteit van een federale staat die een voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in lid 1, tenzij die federale staat de secretaris- generaal van de Raad van Europa ervan in kennis stelt dat een constituerende staat of andere vergelijkbare territoriale entiteit de verplichtingen van dit protocol die op die federale staat van toepassing zijn, toepast. De secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt een register op van dergelijke kennisgevingen en houdt dit bij.

3.

Een andere partij belet autoriteiten, serviceproviders of entiteiten op haar grondgebied niet om op grond van een voorbehoud uit hoofde van lid 1 medewerking te verlenen aan een constituerende staat of andere vergelijkbare territoriale entiteit, indien via de centrale overheid een bevel of verzoek is ingediend of een overeenkomst inzake een gemeenschappelijk onderzoeksteam overeenkomstig artikel 12 is gesloten met medewerking van de centrale regering. In dergelijke situaties voorziet de centrale regering in de vervulling van de toepasselijke verplichtingen van het protocol, op voorwaarde dat met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens die aan de constituerende staten of vergelijkbare territoriale entiteiten worden verstrekt, slechts de voorwaarden van artikel 14, lid 9, of in voorkomend geval de voorwaarden van een overeenkomst of regeling als omschreven in artikel 14, lid l, punt b) of c), van toepassing zijn.

4.

Ten aanzien van de bepalingen van dit protocol waarvan de toepassing onder de rechtsbevoegdheid valt van elk van de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten die, ingevolge het constitutionele stelsel van de federatie, niet verplicht zijn wetgevende maatregelen te nemen, brengt de centrale regering de bevoegde autoriteiten van deze staten op de hoogte van de genoemde bepalingen, vergezeld van een gunstig advies, hen aanmoedigende om passende maatregelen te nemen ter effectuering hiervan.

Artikel 18. – Territoriale toepasselijkheid
1.

Dit protocol is van toepassing op het grondgebied of de grondgebieden vermeld in een verklaring van een partij uit hoofde van artikel 38, lid 1 of lid 2, van het verdrag, voor zover die verklaring niet is ingetrokken uit hoofde van artikel 38, lid 3.

2.

Een partij kan bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat dit protocol niet van toepassing is op een of meer in de verklaring van de partij uit hoofde van artikel 38, lid 1 en/of lid 2, van het verdrag vermelde grondgebieden.

3.

Iedere uit hoofde van lid 2 van dit artikel afgelegde verklaring kan met betrekking tot elk in die verklaring aangegeven grondgebied worden ingetrokken door een aan de secretaris- generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de secretaris-generaal.

Artikel 19. – Voorbehouden en verklaringen
1.

Door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa kan iedere partij bij het verdrag, bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring, verklaren dat zij een of meer van de voorbehouden als bedoeld in artikel 7, lid 9, punten a) en b), artikel 8, lid 13, en artikel 17 van dit protocol maakt. Andere voorbehouden zijn niet toegestaan.

2.

Door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa kan iedere partij bij het verdrag, bij de ondertekening van dit protocol of bij de nederlegging van haar akte van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring, een of meer van de verklaringen afleggen als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), en lid 8, artikel 8, lid 11, artikel 9, lid 1, punt b), en lid 5, artikel 10, lid 9, artikel 12, lid 3, en artikel 18, lid 2, van dit protocol.

3.

Door elke partij bij het verdrag worden de verklaringen, kennisgevingen of mededelingen als bedoeld in artikel 7, lid 5, punten a) en e), artikel 8, lid 4, en lid 10, punten a) en b), artikel 14, lid 7, punt c), en lid 10, punt b), en artikel 17, lid 2, van dit protocol, overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden, afgelegd door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

Artikel 20. – Status en intrekking van voorbehouden
1.

Een partij die overeenkomstig artikel 19. lid 1, een voorbehoud heeft gemaakt, trekt dit voorbehoud geheel of ten dele in zodra de omstandigheden dit toelaten. Deze intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van een aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. Indien in de kennisgeving wordt vermeld dat de intrekking van een voorbehoud van kracht moet worden op een daarin nader aangeduide datum, en deze datum later valt dan de datum waarop de kennisgeving door de secretaris-generaal wordt ontvangen, wordt de intrekking op deze latere datum van kracht.

2.

De secretaris-generaal van de Raad van Europa kan met regelmatige tussenpozen bij de partijen die een of meer voorbehouden overeenkomstig artikel 19, lid 1, hebben gemaakt, informeren naar het mogelijke vooruitzicht op intrekking daarvan.

Artikel 21. – Wijzigingen
1.

Wijzigingen van dit protocol kunnen worden voorgesteld door iedere partij bij dit protocol en worden door de secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa, aan de partijen bij en ondertekenaars van het verdrag, alsmede aan iedere staat die uitgenodigd is toe te treden tot het verdrag.

2.

Iedere door een partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europees comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC), dat zijn advies over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.

3.

Het Comité van Ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door het CDPC voorgelegde advies en kan, na raadpleging van de partij bij het verdrag, de wijziging aannemen.

4.

De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig lid 3 goedgekeurde wijziging wordt aan de partijen bij dit protocol ter aanvaarding toegezonden.

5.

Iedere overeenkomstig lid 3 aangenomen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat alle partijen de secretaris-generaal hebben meegedeeld dat zij de wijziging hebben aanvaard.

Artikel 22. – Beslechting van geschillen

Artikel 45 van het verdrag is van toepassing op dit protocol.

Artikel 23. – Beraadslagingen tussen de partijen en beoordeling van de tenuitvoerlegging
1.

Artikel 46 van het verdrag is van toepassing op dit protocol.

2.

De partijen beoordelen periodiek het feitelijke gebruik en de feitelijke uitvoering van de bepalingen van dit protocol. Artikel 2 van het reglement van orde van het comité Cybercrimeverdrag, zoals herzien op 16 oktober 2020, is van overeenkomstige toepassing. De partijen evalueren aanvankelijk de procedures van dat artikel zoals die van toepassing zijn op dit protocol en kunnen deze bij consensus wijzigen vijf jaar nadat dit protocol in werking is getreden.

3.

De evaluatie van artikel 14 vangt aan zodra tien partijen bij het verdrag hebben verklaard ermee in te stemmen door dit protocol gebonden te zijn.

Artikel 24. – Opzegging
1.

Iedere partij kan dit protocol te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

2.

De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de secretaris-generaal.

3.

Opzegging van het verdrag door een partij bij dit protocol houdt opzegging van dit protocol in.

4.

Informatie die of bewijsmateriaal dat is doorgegeven voorafgaand aan de datum waarop de opzegging van kracht wordt, wordt ook nadien overeenkomstig dit protocol behandeld.

Artikel 25. – Kennisgeving

De secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de partijen bij en ondertekenaars van het verdrag en iedere staat die is uitgenodigd om tot het verdrag toe te treden, in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol.

DONE at Strasbourg on the 12th day of May 2022, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the Parties and Signatories to the Convention, and to any State which has been invited to accede to the Convention.