← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Staat Koeweit

Geldende tekst a fecha 2023-05-01

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten,

en

de Staat Koeweit, (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”),

Geleid door de wens de ontwikkeling van luchtdiensten tussen de Staat Koeweit en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, aan te moedigen en de internationale samenwerking op dit gebied in de ruimst mogelijke mate te bevorderen;

Geleid door de wens dat op deze diensten de beginselen en bepalingen van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en van de Overeenkomst inzake de doortocht van internationale luchtdiensten, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, van toepassing zijn;

Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging van internationale luchtdiensten te waarborgen en opnieuw hun grote zorg uitsprekend over gedragingen of bedreigingen gericht tegen de veiligheid van luchtvaartuigen, die de veiligheid van mensen of goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten nadelig beïnvloeden en het vertrouwen van de bevolking in de veiligheid van de burgerluchtvaart ondermijnen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de tekst anders vereist:

Artikel 2. Toepasselijkheid van het Verdrag van Chicago

De bepalingen van het Verdrag van Chicago zijn van toepassing op de bepalingen van dit Verdrag, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn op internationale luchtdiensten.

Artikel 3. Verlening van rechten en voorrechten
1.

Elke verdragsluitende partij verleent de andere verdragsluitende partij de in dit Verdrag omschreven rechten ten behoeve van de exploitatie van internationale luchtdiensten op de routes die omschreven zijn in de routetabel.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag geniet/genieten de door elke verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen de volgende rechten:

3.

De luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 4 van dit Verdrag, genieten tevens de rechten die omschreven zijn in het tweede lid, onderdelen a en b, van dit artikel.

4.

Geen van de bepalingen in het tweede lid van dit artikel wordt geacht (een) aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene verdragsluitende partij het voorrecht te geven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij tegen vergoeding passagiers, vracht en post op te nemen bestemd voor een ander punt op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.

Artikel 4. Aanwijzing en verlening van vergunningen
1.

Elke verdragsluitende partij heeft het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de luchtvaartautoriteiten van de andere verdragsluitende partij langs diplomatieke weg een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het exploiteren van de overeengekomen diensten in overeenstemming met dit Verdrag en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen.

2.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van de aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen en technische vergunningen, verleent elke verdragsluitende partij de desbetreffende exploitatievergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging teneinde de in artikel 3 van dit Verdrag omschreven rechten te kunnen uitoefenen, mits:

3.

Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning, kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij op elk moment een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten waarvoor zij is aangewezen, mits zij de toepasselijke bepalingen van dit Verdrag naleeft.

Artikel 5. Intrekking, schorsing en oplegging van voorwaarden
1.

De luchtvaartautoriteiten van elke verdragsluitende partij hebben het recht de in het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag vermelde vergunningen voor een door de andere verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, en deze in te trekken, te schorsen of hieraan voorwaarden te verbinden, hetzij tijdelijk, hetzij permanent, wanneer:

2.

Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van inbreuken op de bovengenoemde wetten en voorschriften of tenzij de veiligheid of beveiliging maatregelen vereist in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15 of artikel 16 van dit Verdrag, worden de in het eerste lid van dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg tussen de luchtvaartautoriteiten overeenkomstig artikel 17 van dit Verdrag.

Artikel 6. Gebruikersheffingen
1.

Geen van de verdragsluitende partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij gebruikersheffingen op, of staat toe dat deze worden opgelegd, die hoger zijn dan die worden opgelegd aan haar eigen luchtvaartmaatschappijen die worden gebruikt voor vergelijkbare internationale luchtdiensten.

2.

Elke verdragsluitende partij moedigt overleg aan over gebruikersheffingen tussen haar bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen en de luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de diensten en voorzieningen, waar praktisch uitvoerbaar via de vertegenwoordigende organisaties van deze luchtvaartmaatschappijen. Voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen dienen binnen een redelijke termijn ter kennis van dergelijke gebruikers te worden gebracht zodat deze hun mening kenbaar kunnen maken voordat de wijzigingen plaatsvinden. Elke verdragsluitende partij moedigt haar bevoegde inningsautoriteit, of dienstverlener, en deze gebruikers aan relevante informatie met betrekking tot gebruikersheffingen uit te wisselen.

Artikel 7. Vrijstellingen van douanerechten en andere heffingen
1.

Luchtvaartuigen die in internationaal luchtdiensten worden geëxploiteerd door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een verdragsluitende partij zijn vrijgesteld van alle importbeperkingen, douanerechten, nationale accijnzen en soortgelijke nationale kosten voor douane-inspecties wat betreft de onderstaande goederen:

mits in elk geval deze goederen bestemd zijn voor gebruik aan boord of binnen de grenzen van een internationale luchthaven in verband met het instellen of onderhouden van een internationale luchtdienst door een aangewezen luchtvaartmaatschappij.

2.

De vrijstelling van douanerechten, nationale kosten voor douane-inspecties, accijnzen en soortgelijke nationale kosten is niet van toepassing op heffingen gebaseerd op de kosten van diensten verleend aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een verdragsluitende partij op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.

3.

Ten aanzien van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde uitrusting en voorraden kan verlangd worden dat deze onder toezicht of beheer van de relevante autoriteiten blijven.

4.

In het geval de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een verdragsluitende partij in verband met een noodsituatie een regeling sluit met een andere luchtvaartmaatschappij of met andere luchtvaartmaatschappijen voor het lenen of gebruiken van een van de in het eerste lid van dit artikel vermelde goederen, zijn deze vrijstellingen voor deze luchtvaartmaatschappij beschikbaar.

Artikel 8. Financiële bepalingen

Elke verdragsluitende partij verplicht zich ertoe de aanwezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij het recht te verlenen het batig saldo van inkomsten en uitgaven (met inbegrip van rente over inkomsten die in afwachting van overmaking in deposito worden gegeven) dat deze aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen op haar grondgebied heeft/hebben behaald in verband met het vervoer van passagiers, bagage, post en vracht, vrijelijk over te maken tegen de van toepassing zijnde wisselkoers. Wanneer het betalingsverkeer tussen de verdragsluitende partijen onderworpen is aan een bijzonder verdrag, is dat verdrag van toepassing.

Artikel 9. Technische en commerciële vertegenwoordiging
1.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene verdragsluitende partij heeft/hebben het recht haar/hun eigen vertegenwoordiging aan te houden op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.

2.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene verdragsluitende partij mag/mogen, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere verdragsluitende partij inzake binnenkomst, verblijf en werk, voor het verzorgen van luchtdiensten leidinggevend, technisch, operationeel alsmede ander gespecialiseerd personeel zenden naar en doen verblijven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.

3.

Met inachtneming van de uitzondering in het vierde lid van dit artikel, heeft/hebben de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij het recht gebruik te maken van de diensten en het personeel van elke andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij werkzaam is.

4.

In het geval van de aanwijzing van een algemeen agent of algemeen verkoopagent wordt deze agent benoemd in overeenstemming met de relevante van toepassing zijnde wetten en voorschriften van elke verdragsluitende partij.

5.

In overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van elke verdragsluitende partij, heeft elke aangewezen luchtvaartmaatschappij het recht zich via haar agenten bezig te bezig te houden met de verkoop van luchtvervoer op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij en elke persoon kan dit vervoer kopen.

Artikel 10. Regels inzake binnenkomst en inklaring
1.

De wetten en voorschriften die in elke verdragsluitende partij van kracht zijn met betrekking tot de binnenkomst op of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanningsleden, vracht en post aan boord van luchtvaartuigen (zoals voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine) zijn van toepassing op passagiers, bemanningsleden, vracht en post aan boord van een luchtvaartuig van een door de andere verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij zolang het op het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij verblijft.

2.

De wetten en voorschriften van de ene verdragsluitende partij met betrekking tot de binnenkomst op, het verblijf op of het vertrek uit haar grondgebied van luchtvaartuigen die voor internationale luchtdiensten worden ingezet, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen die zich op haar grondgebied bevinden, worden, zonder onderscheid naar nationaliteit, toegepast op luchtvaartuigen geëxploiteerd door de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij en worden door deze luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen nageleefd zodra deze luchtvaartuigen het grondgebied van de andere verdragsluitende partij binnenkomen, het verlaten of erop verblijven.

Artikel 11. Bepalingen betreffende capaciteit
1.

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij wordt op eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld te concurreren bij het verzorgen van internationale luchtdiensten waarop dit Verdrag betrekking heeft.

2.

Elke verdragsluitende partij treft maatregelen om alle vormen van discriminatie of oneerlijke concurrentiepraktijken die de concurrentiepositie van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij nadelig beïnvloeden uit te bannen.

3.

De voorzieningen voor luchtvervoer die de reizigers ter beschikking staan dienen te voldoen aan de internationale eisen van het publiek wat dergelijk vervoer betreft.

4.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij heeft/hebben een eerlijke en gelijke kans om te concurreren op elke overeengekomen route tussen de grondgebieden van de twee verdragsluitende partijen en deze te exploiteren.

5.

Elke verdragsluitende partij houdt rekening met de belangen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij teneinde te voorkomen dat hun mogelijkheden om de diensten waarop dit Verdrag betrekking heeft aan te bieden onnodig worden belemmerd.

6.

Diensten die geleverd worden door een aangewezen luchtvaartmaatschappij uit hoofde van dit Verdrag hebben als primair doel het leveren van capaciteit die beantwoordt aan de vraag naar vervoer tussen het land waar deze luchtvaartmaatschappij gevestigd is en het land van uiteindelijke bestemming van het vervoer. Het recht aan of van boord te gaan van deze vluchten naar of afkomstig uit derde landen op een punt of punten op de routes die in dit Verdrag zijn omschreven wordt uitgeoefend in overeenstemming met de algemene beginselen van een ordelijke afwikkeling van het internationaal luchtvervoer die beide verdragsluitende partijen onderschrijven en is onderworpen aan het algemene beginsel dat capaciteit afgestemd dient te zijn op:

7.

Elke verdragsluitende partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij de frequentie en capaciteit van de internationale luchtdiensten die zij aanbiedt, bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen. In overeenstemming met dit recht beperkt geen van de verdragsluitende partijen eenzijdig de exploitatie van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij, tenzij in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag of tenzij dit nodig kan zijn om redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.

Artikel 12. Indienen van dienstregelingen en vluchtschema's
1.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen dienen uiterlijk zestig (60) dagen voor de aanvang van de overeengekomen diensten op de omschreven routes in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag de typen diensten, luchtvaartuigen alsmede de vluchtschema’s in bij de relevante autoriteiten van de verdragsluitende partijen. Deze bepaling is eveneens van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.

2.

De relevante autoriteiten die dergelijke vluchtschema's ontvangen keuren deze normaliter goed of stellen wijzigingen ervan voor. De aangewezen luchtvaartmaatschappijen mogen in geen geval met hun diensten aanvangen voordat de vluchtschema's door de betrokken autoriteiten zijn goedgekeurd. Deze bepaling is eveneens van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.

Artikel 13. Informatie en statistieken

De luchtvaartautoriteiten van een verdragsluitende partij voorzien de luchtvaartautoriteiten van de andere verdragsluitende partij op hun verzoek van de periodieke of andere statistische gegevens die redelijkerwijs verlangd kunnen worden. Deze gegevens dienen alle gevraagde informatie te bevatten.

Artikel 14. Vaststelling van tarieven
1.

Elke verdragsluitende partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij tarieven voor luchtdiensten vaststelt op basis van commerciële marktoverwegingen, met inbegrip van de exploitatiekosten, de kenmerken van de dienst, de belangen van gebruikers, een redelijke winst en overige marktoverwegingen.

2.

Elke verdragsluitende partij kan verlangen dat in rekening te brengen tarieven voor vluchten van of naar haar grondgebied door luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij ter kennis worden gebracht van of worden ingediend bij haar luchtvaartautoriteiten. Een dergelijke kennisgeving of indiening door de luchtvaartmaatschappijen van beide verdragsluitende partijen kan verlangd worden uiterlijk op het tijdstip waarop het tarief voor het eerst wordt aangeboden.

3.

Onverminderd de van toepassing zijnde wetten inzake mededinging en consumentenbescherming van elke verdragsluitende partij, neemt geen van de verdragsluitende partijen eenzijdige maatregelen ter voorkoming van het invoeren of handhaven van een tarief dat wordt berekend of voorgesteld door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij ten behoeve van internationale luchtdiensten die uit hoofde van dit Verdrag worden verleend. Het ingrijpen door de verdragsluitende partijen, zoals omschreven in het vierde lid van dit artikel, is beperkt tot:

4.

Onverminderd de bepalingen van het derde lid van dit artikel kunnen de luchtvaartautoriteiten van elk van de verdragsluitende partijen uitdrukkelijk tarieven afwijzen die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij worden ingediend, wanneer deze luchtvaartautoriteiten van mening zijn dat een voorgesteld tarief dat deze luchtvaartmaatschappijen in rekening willen brengen in een van de categorieën vervat in het derde lid van dit artikel valt. In dat geval:

Tenzij beide luchtvaartautoriteiten schriftelijk overeen zijn gekomen het tarief in kwestie af te keuren, wordt het tarief beschouwd als zijnde goedgekeurd.

5.

De luchtvaartautoriteiten van elke verdragsluitende partij kunnen verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere verdragsluitende partij over elk tarief dat door een luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij in rekening wordt gebracht voor internationale luchtdiensten naar of vanuit het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij, met inbegrip van tarieven waarover een kennisgeving van ongenoegen is gedaan. Dit overleg vindt plaats uiterlijk vijftien (15) dagen na de ontvangst van het verzoek. De luchtvaartautoriteiten van beide verdragsluitende partijen werken samen om de gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor een redelijke oplossing van de kwestie. Indien overeenstemming wordt bereikt over een tarief waarover kennisgeving van ongenoegen is gedaan, stellen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen al het mogelijke in het werk om deze afspraak na te komen. Bij gebreke van een dergelijke wederzijdse overeenstemming, wordt of blijft het tarief van kracht.

Artikel 15. Veiligheid van de luchtvaart
1.

Elke verdragsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake door de andere verdragsluitende partij aanvaarde veiligheidsnormen op elk gebied met betrekking tot bemanning, luchtvaartuigen of hun exploitatie. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.

2.

Indien een verdragsluitende partij na dergelijk overleg oordeelt dat de andere verdragsluitende partij op een willekeurig gebied niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld, stelt de eerstgenoemde verdragsluitende partij de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen en neemt die andere verdragsluitende partij passende corrigerende maatregelen. Indien de andere verdragsluitende partij nalaat binnen vijftien (15) dagen, of binnen een langere termijn als overeen te komen, passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor de toepassing van artikel 5 van dit Verdrag.

3.

Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 16 en 33 van het Verdrag van Chicago, wordt overeengekomen dat elk luchtvaartuig dat door een luchtvaartmaatschappij of de luchtvaartmaatschappijen van de ene verdragsluitende partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere verdragsluitende partij, aan boord en rond het luchtvaartuig om zowel de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig als die van zijn bemanning en de kennelijke toestand van het luchtvaartuig en zijn uitrusting te controleren (in dit artikel aangeduid als „platforminspectie”), mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging.

4.

Indien een platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:

staat het de verdragsluitende partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag van Chicago, de conclusie te trekken dat de vereisten krachtens welke het bewijs of de vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten uit hoofde waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd niet gelijk zijn aan of zwaarder dan de minimumnormen die zijn vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.

5.

Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het derde lid van dit artikel van een door een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een verdragsluitende partij geëxploiteerd luchtvaartuig door de vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen wordt geweigerd, staat het de andere verdragsluitende partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid als bedoeld in het vierde lid van dit artikel en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.

6.

Elke verdragsluitende partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij onmiddellijk te schorsen of daarvan af te wijken, ingeval de eerstgenoemde verdragsluitende partij concludeert, hetzij naar aanleiding van een platforminspectie of reeks platforminspecties, weigering van toegang voor platforminspectie, overleg of anderszins, dat onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van de exploitatie van een luchtvaartmaatschappij.

7.

Een maatregel door een verdragsluitende partij in overeenstemming met het tweede of zesde lid van dit artikel wordt beëindigd, zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.

8.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene verdragsluitende partij zijn uitgereikt of geldig zijn verklaard en nog van kracht zijn, worden door de andere verdragsluitende partij als geldig erkend voor de exploitatie van de in dit Verdrag voorziene diensten, mits de eisen op grond waarvan deze bewijzen of vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard gelijk zijn aan of zwaarder dan de in overeenstemming met het Verdrag van Chicago vastgestelde of vast te stellen minimumnormen. Elke verdragsluitende partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven haar eigen grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of ten behoeve van hen geldig zijn verklaard door de andere verdragsluitende partij of door een andere staat.

9.

Indien de voorrechten of voorwaarden van de in het achtste lid van dit artikel bedoelde vergunningen of bewijzen, afgegeven door de luchtvaartautoriteiten van een verdragsluitende partij aan een persoon of aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen of voor een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, een afwijking toestaan van de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde normen, welke afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere verdragsluitende partij verzoeken om overleg in overeenstemming met artikel 17 van dit Verdrag met de luchtvaartautoriteiten van die verdragsluitende partij teneinde zich ervan te vergewissen dat het gebruik in kwestie voor hen aanvaardbaar is. Indien zij er niet in slagen tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor toepassing van artikel 5 van dit Verdrag.

Artikel 16. Beveiliging van de luchtvaart
1.

Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de verdragsluitende partijen opnieuw dat hun verplichtingen jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaken van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de verdragsluitende partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol daarbij tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart waarbij de verdragsluitende partijen partij worden.

2.

De verdragsluitende partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.

3.

De verdragsluitende partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de normen voor de beveiliging van de luchtvaart en, voor zover deze door hen worden toegepast, de aanbevolen werkwijzen vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago, en de verdragsluitende partijen verlangen dat de exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn, de exploitanten die op hun grondgebied hun voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening hebben of permanent zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart. Elke verdragsluitende partij stelt de andere verdragsluitende partij in kennis van verschillen tussen haar nationale voorschriften en praktijken en de normen inzake de beveiliging van de luchtvaart die in het Verdrag van Chicago zijn vastgelegd. Elk van de verdragsluitende partijen kan te allen tijde verzoeken om overleg met de andere verdragsluitende partij over dergelijke verschillen.

4.

Elke verdragsluitende partij ziet erop toe dat op haar grondgebied effectieve maatregelen worden genomen ter bescherming van luchtvaartuigen, voor het controleren van passagiers en hun handbagage en dat er voorafgaand aan en tijdens het aan boord gaan of laden passende controles worden uitgevoerd op de bemanning, de vracht (met inbegrip van ruimbagage) en de boordproviand en dat deze maatregelen bij toenemende dreiging worden aangepast. Elke verdragsluitende partij stemt ermee in dat van haar aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde veiligheidsnormen voor de luchtvaart in acht neemt of nemen die door de andere verdragsluitende partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit of het verblijf op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij. Elke verdragsluitende partij neemt tevens een verzoek van de andere verdragsluitende partij binnen redelijke grenzen bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.

5.

Wanneer zich een voorval voordoet van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van dergelijke luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen, of zich dreigt voor te doen, verlenen de verdragsluitende partijen elkaar bijstand door de communicatie en andere passende maatregelen te vergemakkelijken om zo snel mogelijk en met zo min mogelijk risico's voor mensenlevens aan een dergelijk voorval of de dreiging daarvan een einde te maken.

6.

Elke verdragsluitende partij heeft het recht, in het geval dat de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene verdragsluitende partij begint/beginnen met de exploitatie van de overeengekomen diensten naar het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving (of binnen een kortere termijn die de luchtvaartautoriteiten kunnen overeenkomen), haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij onderzoek te laten doen naar de veiligheidsmaatregelen die worden uitgevoerd, of die volgens plan zullen worden uitgevoerd, door exploitanten van luchtvaartuigen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden gezamenlijk overeengekomen door de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd.

7.

Elke verdragsluitende partij neemt de maatregelen die zij praktisch uitvoerbaar acht om te waarborgen dat een luchtvaartuig dat getroffen wordt door een gedraging van het wederrechtelijk in zijn macht brengen of andere gedragingen van wederrechtelijke inmenging dat op haar grondgebied geland is aan de grond wordt gehouden, tenzij het vertrek hiervan wordt genoodzaakt door de allesoverheersende plicht mensenlevens te beschermen. Waar praktisch uitvoerbaar worden dergelijke maatregelen getroffen op basis van onderling overleg.

8.

Wanneer een verdragsluitende partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere verdragsluitende partij is afgeweken van de bepalingen in dit artikel, kan de eerstgenoemde verdragsluitende partij verzoeken om onmiddellijk overleg. Dergelijk overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek van een van de verdragsluitende partijen. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na aanvang van dergelijk overleg, of een andere termijn als overeengekomen kan worden tussen de verdragsluitende partijen, tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, schorsen of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de vergunningen van de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die door de andere verdragsluitende partij is of zijn aangewezen. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan de eerstgenoemde verdragsluitende partij te allen tijde tussentijdse maatregelen nemen. Maatregelen die in overeenstemming met dit lid zijn genomen, worden stopgezet zodra de andere verdragsluitende partij de beveiligingsbepalingen van dit artikel naleeft.

Artikel 17. Overleg en wijzigingen
1.

Zo nodig vindt overleg plaats tussen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen teneinde tot nauwe samenwerking en overeenstemming te komen aangaande alle zaken die betrekking hebben op de toepassing van dit Verdrag.

2.

Elke verdragsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg met de andere verdragsluitende partij ten behoeve van het wijzigen van dit Verdrag of de Bijlage daarbij. Dergelijk overleg vangt aan binnen een termijn van dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van een dergelijk verzoek. Elke wijziging van dit Verdrag wordt overeengekomen tussen de verdragsluitende partijen en geschiedt bij diplomatieke notawisseling en de wijzigingen treden in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 24 van dit Verdrag.

3.

Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, kunnen wijzigingen van de Bijlage bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd, en treden in werking op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing indien er verkeersrechten worden toegevoegd aan bovengenoemde Bijlage.

Artikel 18. Regeling van geschillen
1.

Indien tussen de verdragsluitende partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de verdragsluitende partijen dit in de eerste plaats te regelen door middel van onderhandelingen.

2.

Indien de verdragsluitende partijen er niet in slagen binnen zestig (60) dagen door middel van onderhandelingen tot een regeling te komen, leggen zij het geschil ter beslissing voor aan een persoon of lichaam, of, op verzoek van een van de verdragsluitende partijen, aan een scheidsgerecht. Het scheidsgerecht wordt als volgt samengesteld:

3.

Elke verdragsluitende partij draagt de kosten van haar eigen lid, alsmede die van haar vertegenwoordiging tijdens de arbitrageprocedure; de kosten van de voorzitter en alle overige kosten worden gelijkelijk gedragen door de verdragsluitende partijen. In alle overige opzichten stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

4.

Het scheidsgerecht zal trachten schriftelijk uitspraak te doen binnen zestig (60) dagen na het afsluiten van de zitting, of, indien geen zitting plaatsvindt, zestig (60) dagen na de datum van indiening van de twee antwoorden.

5.

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. De beslissing van het scheidsgerecht is definitief en bindend voor de partijen bij het geschil.

6.

Indien en zo lang een van de verdragsluitende partijen niet voldoet aan een uit hoofde van het vijfde lid van dit artikel gedane uitspraak, kan de andere verdragsluitende partij alle rechten of voorrechten die zij uit hoofde van dit Verdrag heeft toegekend beperken, schorsen of intrekken.

Artikel 19. Beëindiging

Elke verdragsluitende partij kan te allen tijde de andere verdragsluitende partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Een afschrift van de kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Internationale Burgerluchtvaarorganisatie. Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan treedt dit Verdrag twaalf (12) maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van beëindiging door de andere verdragsluitende partij buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging in onderling overleg tussen de verdragsluitende partijen vóór het verstrijken van deze termijn wordt ingetrokken. Indien de andere verdragsluitende partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de datum van ontvangst van het afschrift van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 20. Overeenstemming met multilaterale verdragen

Indien een door beide verdragsluitende partijen aanvaard algemeen multilateraal luchtvervoersverdrag in werking treedt, hebben de bepalingen van een dergelijk verdrag voorrang. Eventuele besprekingen teneinde te bepalen in welke mate dit Verdrag wordt beëindigd, vervangen, gewijzigd of aangevuld door de bepalingen van het multilaterale verdrag vinden plaats in overeenstemming met het tweede lid van artikel 17 van dit Verdrag.

Artikel 21. Registratie van dit Verdrag

Dit Verdrag en eventuele wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 22. Opschriften

In dit Verdrag zijn omwille van de overzichtelijkheid boven elk artikel verwijzende opschriften geplaatst die op geen enkele wijze de reikwijdte of de bedoeling van dit Verdrag definiëren, beperken of beschrijven.

Artikel 23. Toepasselijkheid van het Verdrag

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Sint Maarten.

Artikel 24. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking nadat elke verdragsluitende partij aan haar nationale wettelijke vereisten heeft voldaan. De verdragsluitende partijen stellen elkaar door middel van een diplomatieke notawisseling ervan in kennis dat aan deze vereisten is voldaan.

Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.

DONE at Kuwait this 19th day of September 2022, in two originals, in the Arabic, Dutch and English languages, all texts being equally authentic. However, in case of divergence of interpretation of this Agreement or its Annex, the English text shall prevail.

For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten,

JOHANNES LAURENTIUS WESTHOFF

Ambassador Extraordinary and

Plenipotentiary to Kuwait

For the State of Kuwait,

ABDULLAH ALI AL-ABDULLAH

AL-SALEM AL-SABAH

President of Civil Aviation