← Geldende tekst · Geschiedenis

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

Geldende tekst a fecha 2012-10-01

Artikel 1

Artikel 2

Toelichting

1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a

1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b

1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b

Artikel 5b

1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e

1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e

1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Toelating

paragraaf 2. Toelating

Artikel 12

paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd

paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd

Artikel 15

Artikel 15a

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’

paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’

Artikel 19

paragraaf 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating

paragraaf 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating

paragraaf 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating

paragraaf 7. Voordeel van de twijfel

paragraaf 7. Voordeel van de twijfel

1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h

1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

Artikel 2

Artikel II RRWN

Artikel III RRWN

Artikel IV RRWN

Artikel V RRWN

Toelichting

Artikel 2

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Van ‘toelating’ in Nederland in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000. De vreemdeling dient dit rechtmatige verblijf aan te tonen aan de hand van een verblijfsdocument. De Minister van Justitie verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000 een verblijfsdocument waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt (artikel 9, eerste lid, Vw 2000).

Een vreemdeling heeft ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000 rechtmatig verblijf:

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN dient de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Nederland te hebben. Dit betekent dat hij in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN dient de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Nederland te hebben. Dit betekent dat hij in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter.

Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, heeft altijd (tenzij er redenen zijn om te denken dat die vergunning moet worden ingetrokken) toelating voor onbepaalde tijd in hier bedoelde zin.

Bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (wordt verleend onder een beperking), dient nader te worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning).

Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie dient een kind op grond van artikel 11 RWN te voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN). Echter, ingevolge artikel 4.21, tweede lid Vb 2000 wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een uittreksel GBA waarop de verblijfstitel-gegevens van het kind vermeld staan.

Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie dient een kind op grond van artikel 11 RWN te voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN). Echter, ingevolge artikel 4.21, tweede lid Vb 2000 wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een uittreksel GBA waarop de verblijfstitel-gegevens van het kind vermeld staan.

Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, tweede lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), veertien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten.8De onafgebroken periode van toelating van vóór 1 april 2003 kan worden meegeteld.Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.

Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, tweede lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), veertien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten.8De onafgebroken periode van toelating van vóór 1 april 2003 kan worden meegeteld.Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.

Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. Ter verduidelijking wordt hierover het volgende opgemerkt. Verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vindt plaats met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden.

Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, tweede lid, RWN als cumulatief:

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 2 en 3 dient gelezen te worden de artikelen 10:61 BW en 10:62 BW. Artikel 10:91 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW van toepassing is op geregistreerde partnerschappen die vanaf 1 januari 2005 zijn aangegaan.

Dit betekent dat op of na 1 januari 2005 voor verkrijging van het Nederlanderschap op gelijke wijze als een huwelijkspartner in aanmerking komt, de partner van een Nederlander als het partnerschap in het buitenland is geregistreerd en op grond van artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW in Nederland wordt erkend.

De gelijkstelling geldt echter niet bij de toepassing van artikel 15A, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Hoofdregel van artikel 15A, RWN is dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg 1. In een aantal gevallen zal dat verlies echter niet intreden. Zo zal het Nederlanderschap niet verloren gaan als het land, waarvan men de nationaliteit heeft verkregen, tevens partij is bij het Tweede Protocol en de betrokkene bovendien gehuwd is met een persoon die de nationaliteit van dat land bezit. Deze uitzondering geldt niet als in plaats van een huwelijk sprake is van een geregistreerd partnerschap. Dat vloeit rechtstreeks voort uit de woorden ‘Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze Rijkswet’ in dit artikellid.

Geen.

2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid

RRWN: artikelen II.1 en V.1

BVVN: artikelen 3.1 t/m 3; 6.2; 6.3; 31.2 en 31.3

BW: Boek 1: artikelen 245; 247.1(oud); 253a.1; 253b t/m 253d; 253g; 253h; 253i.1 en 253n

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid

paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger

Artikel 25

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger

Wie de wettelijk vertegenwoordiger is, wordt bepaald door het Nederlands recht inclusief de regels van internationaal privaatrecht. Het ligt op de weg van de persoon die de verklaring aflegt of het verzoek indient om aan te tonen dat hij of zij de wettelijk vertegenwoordiger is.

Artikel IV RRWN

Artikel V RRWN

Er zijn drie uitzondering op de regel dat minderjarigen van 16 of 17 door tussenkomst van hun wettelijk vertegenwoordiger rechtshandelingen verrichten, namelijk:

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

In het Nederlands recht moet bij de vraag wie de wettelijk vertegenwoordiger is in beginsel worden gedacht aan degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Ingevolge artikel 245 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staan minderjarigen onder gezag. Onder ‘gezag’ wordt verstaan het ouderlijk gezag en de voogdij. Het ouderlijk gezag en de voogdij kunnen zowel door één persoon als door meerdere personen tegelijk (gezamenlijk ouderlijk gezag of gezamenlijke voogdij) worden uitgeoefend. Verwezen wordt naar Boek 1, titel 14, BW. Ook de adoptiefouders hebben gezag en kunnen worden aangemerkt als wettelijk vertegenwoordiger.

3-alg. Toelichting algemeen

Bij gezagsvoorzieningen die niet voortvloeien uit het Nederlands recht geldt in beginsel dat het nationale recht van de minderjarige bepaalt wie het gezag uitoefent. Volgens het Marokkaanse recht bijvoorbeeld berust het gezag over minderjarigen uitsluitend bij de vader. Ingevolge artikel 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (HKV 1961, Trb.1963, 29 en 1968, 101; inwerkingtreding voor Nederland 18 september 1971) wordt een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de staat waarvan de minderjarige onderdaan is in Nederland erkend. Het HKV 1961 heeft weliswaar geen onbeperkte werking (het verdrag is bijvoorbeeld niet van toepassing indien de minderjarige niet in een verdragsland woont), maar de jurisprudentie pleegt de verdragsregels wel als richtsnoer te gebruiken.

Artikel 3 HKV 1961 wordt in de praktijk ook toegepast ten aanzien van minderjarigen die geen onderdaan zijn van een verdragsland. Artikel 3 HKV 1961 verplicht de rechter van het land waar de minderjarige zijn gewone verblijf heeft niet om de uit de nationale wet voortvloeiende gezagsverhouding altijd te eerbiedigen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de reikwijdte van artikel 3 HKV 1961 beperkt is in die zin dat ook de autoriteiten van een land waar het kind zijn gewone verblijf heeft, bevoegd kunnen zijn om –in het belang van het kind –een gezagsvoorziening naar Nederlands recht te treffen (zie voorbeeld 2 bij het vierde lid hierna18HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201: de Hoge Raad overwoog in deze zaak van een van huis weggelopen Marokkaans meisje dat op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming door de Kinderrechter te ’s-Gravenhage onder toezicht was gesteld: “Dit leidt ertoe aan artikel 3 de betekenis toe te kennen van een erkenningsregel, die gericht is op de continuïteit van de gezagsverhouding, doch die er niet aan in de weg staat dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de staat waar een minderjarige zijn ‘résidence habituelle’ heeft, de in hun interne wet voorkomende maatregelen nemen die ter bescherming van de minderjarige noodzakelijk zijn.” Het cassatiemiddel van de Marokkaanse vader waarin gesteld werd dat een ondertoezichtstelling naar Nederlands recht onjuist is, omdat ingevolge artikel 3 HKV 1961 het Marokkaanse recht had moeten worden toegepast, faalde. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bleef hierdoor in stand waardoor het uit het Marokkaanse recht voortvloeiende gezag van de vader werd ingeperkt.HR 18 november 1983, NJ 1984, 343: de Rechtbank ’s-Gravenhage had de Marokkaanse moeder benoemd tot voogdes en de Marokkaanse vader tot toeziend voogd over de uit het – door verstoting ontbonden – huwelijk geboren minderjarige dochter. De Hoge Raad nam wederom het standpunt in dat artikel 3 HKV 1961 er niet aan in de weg staat dat een gezagsvoorziening naar Nederlands recht wordt getroffen. Ook hier faalde het middel van de vader dat ingevolge artikel 3 HKV 1961 het Marokkaans recht van toepassing zou zijn..

Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3 HKV 1961 in beginsel de nationale wet van de minderjarige bepaalt wie het gezag uitoefent, maar dat de uit die wet voortvloeiende gezagsverhouding niet in alle gevallen door de administratieve en rechterlijke instanties als onaantastbaar moet worden beschouwd19Voor een uitgebreide omschrijving van deze problematiek wordt verwezen naar de Kluwerbundel Personen- en familierecht, deel 3, titel 14 internationaal privaatrecht..

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

Uit de wetstekst vloeit voort dat bij de toepassing van dit artikellid een onderscheid dient te worden gemaakt naar leeftijd. Kinderen jonger dan 12 jaar krijgen geen gelegenheid om te verzoeken om een zienswijze te geven. Kinderen tussen de 12 en 16 jaar kunnen desgevraagd wel een zienswijze geven. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met artikel 6, achtste lid, RWN, artikel 11, derde lid, RWN, artikel 26, derde lid, RWN en artikel 28, derde lid, RWN waaruit volgt dat kinderen van zestien jaar of ouder uitdrukkelijk moeten instemmen met de (mede)verkrijging of (mede)verlening (zie ook toelichting bij het tweede lid hiervoor). De (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (als bedoeld in de tweede volzin van dit artikellid) kunnen in alle gevallen (ongeacht de leeftijd van het betreffende kind) vragen om een zienswijze naar voren te brengen. Het artikellid is van toepassing zowel bij zelfstandige verkrijging/verlening als bij medeverkrijging/medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind.

Ingevolge dit artikellid wordt een kind jonger dan twaalf jaar niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening te geven. Dit kind wordt geacht (nog) te jong te zijn om invloed te hebben op zijn nationaliteitsrechtelijke positie. De wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder wordt op zijn of haar verzoek wél in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze kenbaar te maken op de wijze zoals hierboven beschreven. Indien uit de zienswijze blijkt dat de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder zich verzet tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan zal de autoriteit die beslist op de optie of de naturalisatie –na afweging van de gehoorde argumenten –bepalen of het kind het Nederlanderschap verkrijgt. Hierbij zal het belang van het kind voorop staan (gedacht kan worden aan bijvoorbeeld het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit, het lijden van een financieel nadeel of het realiseren van eenheid van nationaliteit binnen het gezin).

Bij opties zal derhalve de burgemeester beslissen of het kind –ondanks de bedenkingen van een wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder –deelt in de verkrijging van de ouder/ zelfstandig het Nederlanderschap verkrijgt.

2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

De (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit artikellid) en het kind worden gewezen op de mogelijkheid hun zienswijze naar voren te brengen op de wijze zoals hierboven omschreven. Indien uit die zienswijze blijkt dat de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind zich verzet tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan zal de autoriteit die beslist op de optie of de naturalisatie –na afweging van de gehoorde argumenten –bepalen of het kind deelt in de verkrijging of verlening dan wel zelfstandig het Nederlanderschap verkrijgt door middel van optie of naturalisatie. Hierbij zal het belang van het kind voorop staan. Dit laat onverlet dat kinderen tot zestien jaar niet verplicht zijn om hun zienswijze omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening te geven.

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

A is twaalf jaar oud en is in het bezit van de Belgische nationaliteit. Zij is geboren staande het huwelijk van haar Belgische vader en Belgische moeder. Dit huwelijk is nog altijd in stand. De vader van A wil Nederlander worden. Hij opteert bij de gemeente van zijn woonplaats voor het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Bij het afleggen van de optieverklaring geeft hij aan dat A moet delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. A en haar moeder zijn niet aanwezig bij het afleggen van de optie.

2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

Verzoeker B is zestien jaar, heeft de Marokkaanse nationaliteit en wil de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Hij is geboren staande het huwelijk van zijn vader en moeder. Zijn beide ouders zijn vier jaar geleden genaturaliseerd tot Nederlander. Omdat hij op dat moment in Marokko verbleef, heeft hij niet gedeeld in de naturalisatie van zijn ouders. Een half jaar geleden is bij uitspraak van de Rechtbank Haarlem het huwelijk van zijn ouders door echtscheiding ontbonden. De rechter heeft daarbij alleen de moeder met het ouderlijk gezag over A belast.

Artikel 3

C is een jaar oud en heeft de Duitse nationaliteit. Bij de geboorte van C is haar Duitse moeder niet gehuwd. De moeder heeft van rechtswege het gezag over C. Kort na haar geboorte wordt C door een Nederlandse man erkend. De erkenner verzoekt vervolgens de kantonrechter om met het gezag over C te worden belast. Dit verzoek wordt afgewezen omdat tijdens deze procedure bekend wordt dat de erkenner verslaafd is aan harddrugs, regelmatig in afkickcentra verblijft en de moeder van C zich verzet tegen toewijzing van het verzoek.

De moeder van C wil de Nederlandse nationaliteit verkrijgen en gaat naar de gemeente van haar woonplaats om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Bij het indienen van het verzoek geeft zij aan dat zij C wil laten meedelen in de verlening van het Nederlanderschap. Aan alle voorwaarden voor naturalisatie en medeverlening wordt voldaan. De man die C heeft erkend, behoeft niet te worden gevraagd om een zienswijze omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap door C. Weliswaar is hij de juridische vader van C, maar hij wordt niet aangemerkt als ‘andere ouder’ als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN. De rechter heeft immers bepaald dat het niet in het belang van het kind is dat hij zeggenschap over C heeft.

RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1h; 4 en 27

De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.

3-alg. Toelichting algemeen

3-alg. Toelichting algemeen

De verklaring van verbondenheid wordt ook door de minderjarige van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Vanwege het persoonlijke karakter van de verklaring kan de minderjarige hierin niet worden vertegenwoordigd.

Artikel 3

RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1h; 4 en 27

BW: artikel 1:199

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

Op een Nederlands (in Nederland te boek gesteld) zeeschip is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Drie jaren later blijkt dat het kind is geboren uit een ongehuwde Franse vrouw en dat het derhalve door geboorte de Franse nationaliteit bezit. Het kind moet hierdoor geacht worden nimmer Nederlander te zijn geweest.

Dit artikel is alleen van toepassing op ná 31 december 1984 geboren kinderen. Vóór 1 januari 1985 geboren kinderen van een Nederlandse moeder waren meestal geen Nederlander. Voor een aantal van deze kinderen was van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988 een overgangsregeling van toepassing (vergelijk artikel 27, tweede lid, RWN (oud)).

3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid

A is in 2004 in Duitsland geboren als kind van een Nederlandse moeder en een Turkse vader. Hij ontleent weliswaar de Turkse nationaliteit aan zijn vader, maar verkrijgt bij geboorte tevens het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN. Dat A niet in Nederland geboren is, speelt geen rol.

3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Van 1 juli 1893 tot 1 januari 1985 gold de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI 1892). Onder de werking van artikel 2 sub a van de WNI 18921De laatste versie van dit artikellid luidde: ‘Nederlanders zijn ook: het kind van een tijdens de geboorte in Nederland of in de Nederlandse Antillen wonende vader of moeder, naar de in artikel 1, eerste lid, onder a en c, gemaakte onderscheidingen, die zelf geboren is uit een in van deze landen wonende moeder.’verkreeg een kind van rechtswege het Nederlanderschap als:

2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

In Rotterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Twee jaren later blijkt dat het kind bij geboorte een Duitse vader en een Nederlandse moeder had. Het kind ontleent dan in elk geval het Nederlanderschap niet langer aan artikel 3, tweede lid, RWN, want het bezit door geboorte een vreemde (de Duitse) nationaliteit. Echter, nu is gebleken dat de moeder van Nederlandse nationaliteit is, moet worden geconcludeerd dat het kind sedert geboorte tevens Nederlander is en wel op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.

paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

In artikel 3, derde lid (oud) RWN2Artikel 3, derde lid (oud) RWN luidde tot 01.04.2003: ‘Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.’is bepaald dat een kind Nederlander is als:

paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Van 1 juli 1893 tot 1 januari 1985 gold de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI 1892). Onder de werking van artikel 2 sub a van de WNI 18921De laatste versie van dit artikellid luidde: ‘Nederlanders zijn ook: het kind van een tijdens de geboorte in Nederland of in de Nederlandse Antillen wonende vader of moeder, naar de in artikel 1, eerste lid, onder a en c, gemaakte onderscheidingen, die zelf geboren is uit een in van deze landen wonende moeder.’verkreeg een kind van rechtswege het Nederlanderschap als:

De WNI 1892 was oorspronkelijk slechts geldig op het grond gebied van het ‘Rijk’, waaronder Nederland moet worden verstaan. Dit duurde van 1893 tot 27 december 1949.

Artikel 4

paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

In artikel 3, derde lid (oud) RWN2Artikel 3, derde lid (oud) RWN luidde tot 01.04.2003: ‘Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.’is bepaald dat een kind Nederlander is als:

Het huidige artikel 3, derde lid, RWN wijkt op drie punten af van het oude artikel 3, derde lid.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, RWN is de huidige redactie van artikel 3, derde lid alleen van toepassing op kinderen geboren op of na 1 april 2003.

Artikel 3, derde lid, zoals dat luidt sinds 1 april 2003, werkt dus niet terug tot 1 januari 1985. Voldeed dan ook een tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 geboren kind niet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, maar achteraf bezien wél aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN zoals die bepaling vanaf 1 april 2003 is komen te luiden, dan is het kind daarmee geen Nederlander geworden.

paragraaf 1. Algemeen

Hoewel dit artikellid geen strikte territorialiteitsbepaling is, ligt het voor de hand dat in de meeste gevallen de geboorte van het kind in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba plaats zal hebben. Geboorte van het kind binnen het Koninkrijk is echter geen vereiste om het Nederlanderschap te verkrijgen op grond van het onderhavige artikellid. Dit om te voorkomen dat een kind, dat min of meer toevallig buiten het Koninkrijk wordt geboren, de Nederlandse nationaliteit niet verkrijgt. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een gezin dat in de grensstreek woont en waarvan het kind in een ziekenhuis over de grens wordt geboren, of aan een (al dan niet onverwachte) geboorte tijdens een vakantie in het buitenland.

Ad artikel 4, tweede lid

Een kind kan het Nederlanderschap zowel via de vader als via de moeder ontlenen aan dit artikellid. Er moet echter wel sprake zijn van een rechte lijn; er mag dus niet halverwege de vaderlijke lijn worden overgesprongen naar de moederlijke lijn of andersom. In feite zijn er dan ook slechts twee – strikt van elkaar gescheiden – mogelijkheden:

2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Voorwaarden verkrijging Nederlanderschap via de moederlijke lijn:

Ad artikel 4, tweede lid

paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Postnatale erkenning of wettiging van een kind door een niet-Nederlandse man leidt echter ook tot verkrijging de Nederlandse nationaliteit, maar dan vanaf de datum van erkenning of wettiging op grond van dit artikellid (en ook op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN).

Indien het een prénatale of postnatale erkenning betreft naar buitenlands recht, dient deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de toelichting bij artikel 4, derde lid RWN).

Hieronder volgt een naar perioden ingedeeld overzicht van de verkrijging van al dan niet de Nederlandse nationaliteit ingevolge het oude en huidige artikel 3, derde lid in geval van postnatale erkenning of wettiging door een niet-Nederlandse man vanaf 1 januari 1985.

De perioden corresponderen met de wetswijzigingen die plaatshebben gehad ten aanzien van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door erkenning als minderjarige door een man met de Nederlandse nationaliteit. Het betreft achtereenvolgens:

2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

4-1. Ad artikel 4, eerste lid

Hieruit volgt dat het kind dat op of na 1 januari 1985 en vóór 1 april 2003 postnataal is erkend door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, (oud) RWN, het Nederlander schap heeft verkregen op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN. De Hoge Raad heeft dit bepaald in zijn beschikking van 10 juli 2009 (nr. 08/02921, LJN: BI 1122).

Ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

Dit geldt ook voor kinderen die tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 zonder erkenning zijn gewettigd door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid (oud) RWN. Deze kinderen verkrijgen het Nederlanderschap vanaf de datum van het (opvolgend) huwelijk op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN.

2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Kinderen die op of na 1 april 2003 en vóór 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of zijn gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN, verkrijgen niet het Nederlanderschap op grond van het huidig artikel 3, derde lid, RWN.

Ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

De beschikking van de Hoge Raad geeft dus geen aanleiding om het beleid rond de toepassing van artikel 3, derde lid RWN gedurende deze periode aan te passen.

5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

Indien het kind op het moment van de erkenning door een Nederlandse man zeven jaar of ouder is, moet worden aangetoond dat deze man zijn biologische vader is. Dit gebeurt door middel van een DNA-test van een laboratorium als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417).

Ad artikel 5, vierde lid

De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt.

De rechter bijvoorbeeld bedoeld in artikel 17 RWN kan deze vaststelling doen.

4-4. Ad artikel 4, vierde lid

Bovendien moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs zo moet zijn dat bij het erkende kind de Nederlandse nationaliteit in de GBA kan worden opgenomen indien sprake is van:

4-6. Ad artikel 4, zesde lid

Artikel 5

Ter zake van overgelegd bewijs dat niet voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) moet worden vastgesteld dat, om reden dat de exacte bewijswaarde niet kan worden beoordeeld door de gemeente, moet worden geoordeeld dat sprake is van onvoldoende bewijslevering van het biologisch vaderschap. Dit betekent dat een verkrijging van van het Nederlanderschap door de erkende niet kan worden opgenomen in de GBA.

Artikel 5a

B, geboren in Nederland, als zoon van een vader die ook in Nederland is geboren, is toch geen Nederlander. Immers, bij zijn geboorte hadden noch hij, noch zijn ouders, hoofdverblijf in Nederland en zijn grootouders hadden dat evenmin toen zijn vader hier te lande werd geboren.

5-alg. Toelichting algemeen

Ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

Het feit dat C ten tijde van de geboorte van A in Marokko verbleef, wil niet zeggen dat zij daardoor geen hoofdverblijf meer had in Nederland. Aangezien haar korte verblijf in Marokko uitsluitend verband hield met de geboorte van A en zij spoedig na die geboorte met het kind naar Nederland is teruggekeerd, moet zij geacht worden haar hoofdverblijf in Nederland te hebben behouden. Nu beide ouders van A ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf hadden in Nederland, heeft ook A op dat tijdstip daar hoofdverblijf.

2.9.2. Afhandeling van de beslissing

5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)

Volgen we de moederlijke lijn, dan moeten we stoppen bij de grootouders. Geen van de ouders van E woonde immers in Nederland ten tijde van haar geboorte.

2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Volgen we de vaderlijke lijn, dan moeten we al bij de vader stoppen, omdat die bij de geboorte van D geen hoofdverblijf had binnen het Koninkrijk (hij woonde in België). Volgen we de moederlijke lijn, dan moeten we stoppen bij de grootouders van moederszijde, omdat die ten tijde van de geboorte van de moeder van D in België woonden.

5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN. De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).

Bijlage 1

Kinderen K en I worden respectievelijk in 1999 en 2001 geboren in Nederland als natuurlijke kinderen van een in Nederland woonachtige Moldavische vrouw.

Artikel 4

Hij is tevens getogen in Nederland en woont en werkt in Nederland. De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met moeder en vader als gezin samen in Nederland.

Bijlage 1

5a-alg. Toelichting algemeen

5b-alg. Toelichting algemeen

4-alg. Toelichting algemeen

4-alg. Toelichting algemeen

Artikel 4

5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

BW: artikel 1:207

Boek 10 BW: artikelen 25 lid 1 onder f, 25 lid 2, 26, 100, 101

Geen.

Indien het kind is geboren vóór 1 januari 1985 en de vaststelling van het vaderschap in beginsel25Met (in beginsel) onherroepelijk wordt de situatie bedoeld dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Dit neemt niet weg dat een onbekend gebleven belanghebbende alsnog de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door middel van een rechterlijke procedure kan aantasten. onherroepelijk is geworden vóór 1 april 2003, heeft het kind het Nederlanderschap niet verkregen. Weliswaar vestigt de vaststelling van het vaderschap een familierechtelijke betrekking tussen vader en kind vanaf de geboorte, maar dit leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Immers, artikel 1, aanhef en onder a, WNI (die gold tot 1 januari 1985) kent een limitatieve opsomming voor verkrijging van het Nederlanderschap, namelijk: “het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind”. In de opsomming wordt niet genoemd de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind, ontstaan door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het ligt daarom niet in de rede om deze rechtsfiguur, die pas in 1998 werd ingevoerd in het Nederlands familierecht, met terugwerkende kracht ‘in te lezen’ in een wet die stamt uit 1892 en die bovendien niet meer van kracht is. De rechtszekerheid, die in het nationaliteitsrecht zware eisen stelt, staat hier geen ruimere dan een grammaticale interpretatie toe. Een andere opvatting zou in strijd zijn met artikel 25 RWN. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen beroep mogelijk is op artikel 1, aanhef en onder b, WNI noch op artikel 2, aanhef en onder a, WNI.

Indien het kind is geboren vóór 1 januari 1985 en de vaststelling van het vaderschap in beginsel25Met (in beginsel) onherroepelijk wordt de situatie bedoeld dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Dit neemt niet weg dat een onbekend gebleven belanghebbende alsnog de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door middel van een rechterlijke procedure kan aantasten. onherroepelijk is geworden vóór 1 april 2003, heeft het kind het Nederlanderschap niet verkregen. Weliswaar vestigt de vaststelling van het vaderschap een familierechtelijke betrekking tussen vader en kind vanaf de geboorte, maar dit leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Immers, artikel 1, aanhef en onder a, WNI (die gold tot 1 januari 1985) kent een limitatieve opsomming voor verkrijging van het Nederlanderschap, namelijk: “het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind”. In de opsomming wordt niet genoemd de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind, ontstaan door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het ligt daarom niet in de rede om deze rechtsfiguur, die pas in 1998 werd ingevoerd in het Nederlands familierecht, met terugwerkende kracht ‘in te lezen’ in een wet die stamt uit 1892 en die bovendien niet meer van kracht is. De rechtszekerheid, die in het nationaliteitsrecht zware eisen stelt, staat hier geen ruimere dan een grammaticale interpretatie toe. Een andere opvatting zou in strijd zijn met artikel 25 RWN. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen beroep mogelijk is op artikel 1, aanhef en onder b, WNI noch op artikel 2, aanhef en onder a, WNI.

Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander (artikel 4 RWN (oud)). Tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 kon een erkende en/of gewettige minderjarige (uitsluitend) na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. De verkrijging van het Nederlanderschap door wettiging is vanaf 1 maart 2009 opgenomen in artikel 4, derde lid RWN. Prénatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) door een Nederlandse man leidt tot onmiddellijke verkrijging van het Nederlanderschap vanaf de geboorte (zie artikel 3, eerste lid RWN).

Sinds 1 april 1998 kan op grond van artikel 1:207 BW gerechtelijk worden vastgesteld wie de vader van een kind is. Door deze vaststelling van het vaderschap komt het kind vanaf de geboorte in familierechtelijke betrekking met de vader te staan (zie artikel 1:207, vijfde lid, BW). Voor de beoordeling of het kind daardoor tevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, moet onderscheid worden gemaakt tussen de volgende situaties.

Vanaf 2 juni 2007, met terugwerkende kracht tot 1 april 2003 werd een postnatale erkenning, in combinatie met een gerechtelijk bewijs van biologisch vaderschap, gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het Nederlanderschap werd verkregen op de in artikel 4, eerste lid RWN genoemde datum. Een gerechtelijk bewijs van biologisch vaderschap is een rechterlijke uitspraak waarin is vastgesteld dat de erkenner ook de biologische vader is. Het kan hierbij gaan om een uitspraak van de artikel 17 RWN-rechter, de vreemdelingenrechter of een buitenlandse rechter, die op grond van DNA onderzoek oordeelt dan wel anderszins uitdrukkelijk vaststelt dat de erkenner de biologische vader van het kind is. Het enkel overleggen van DNA-bewijs volstond derhalve niet.

Vanaf 1 maart 2009 verkrijgt een minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd, het Nederlanderschap van rechtswege. Minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, verkrijgen het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap via een DNA-test bij of binnen een jaar na erkenning aantoont.

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:92 BW tot en met artikel 10:102 BW van toepassing. Artikel 10:102 bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW van toepassing is op erkenningen die na 1 januari 2003 tot stand zijn gekomen.

Ook een buitenlandse erkenning waarbij de biologische afstamming als voorwaarde geldt of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische vaderschap na de erkenning is vastgesteld, kan nationaliteitsrechtelijk gevolg hebben (verkrijging Nederlanderschap). Ten aanzien van een dergelijke rechterlijke uitspraak zijn de zorgvuldigheidseisen van (tot 1 januari 2012 artikel 9 en 10 Wet conflictenrecht afstamming) artikel 10:100 BW en artikel 10:101 BW van overeenkomstige toepassing. Het Nederlanderschap wordt van rechtswege verkregen op de datum van de erkenning, mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan.

De onderhavige bepaling geldt voor vaststellingen van het vaderschap die, in hun algemeenheid, onherroepelijk worden op of ná 1 april 2003. Deze bepaling gaat uit van verkrijging van het Nederlanderschap door de minderjarige op het moment dat de rechterlijke uitspraak waarbij het vaderschap is vastgesteld, in het algemeen, niet meer openstaat voor beroep. Een kind van vreemde nationaliteit wordt Nederlander, indien het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg van een Nederlandse rechter minderjarig was én de vader Nederlander is:

HOOFDSTUK 3. Wet conflictenrecht adoptie

paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Door een Nederlandse vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207 BW verwerft het kind het Nederlanderschap indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

De aandacht wordt gevestigd op artikel 5b, aanhef en onder f, WCN waarvan de tekst luidt:

5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid

Op 9 januari 2001 heeft de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van het op 10 maart 1989 geboren kind A, van vreemde nationaliteit, vastgesteld wie de vader is. Er is geen hoger beroep ingesteld. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander.

Bijlage. bij artikel 5b RWN

4-1. Ad artikel 4, eerste lid

Artikel 5c

4-2. Ad artikel 4, tweede lid

Zou na het hier bedoelde tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap alsnog tegen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap met succes beroep of beroep in cassatie worden ingesteld (door een destijds onbekende belanghebbende), dan gaat, mits het kind dan nog minderjarig is, in principe het verkregen Nederlanderschap verloren op grond van artikel 14, tweede lid, RWN (zie voor verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend, de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN).

4-3. Ad artikel 4, derde lid

4-4. Ad artikel 4, vierde lid

4-5. Ad artikel 4, vijfde lid

De aandacht wordt gevestigd op artikel 10:25, eerste lid aanhef en onder f, BW (tot 1 januari 2012 artikel 5b, aanhef en onder f, WCN) waarvan de tekst luidt:

Artikel 5

Dit betekent dat in geval van een buitenlandse rechterlijke vaststelling van het vaderschap, waarbij voor het betreffende kind, dat door die vaststelling Nederlander is geworden of na de vaststelling Nederlander is gebleven, geen naamskeuze is gedaan, alsnog – binnen twee jaar na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak – door de ouders gezamenlijk ten behoeve van het kind een verklaring van naamskeuze kan worden afgelegd. Was het kind zestien jaar of ouder bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak, dan kan het de verklaring van naamskeuze zelf afleggen. Op grond van artikel 10:25, tweede lid, BW kan de hier bedoelde verklaring worden afgelegd ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand.

Op 9 januari 2001 heeft de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van het op 10 maart 1989 geboren kind A, van vreemde nationaliteit, vastgesteld wie de vader is. Er is geen hoger beroep ingesteld. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander.

5-alg. Toelichting algemeen

Zou de man, van wie het vaderschap is vastgesteld, nimmer Nederlander geweest zijn, maar bij de geboorte van A in Nederland hebben gewoond en zelf zijn geboren uit een in Nederland wonende moeder, dan zou A als gevolg van de vaderschapsvaststelling geacht moeten worden sinds geboorte het Nederlanderschap te ontlenen aan artikel 3, derde lid, RWN.

6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b

Op 28 november 2005 stelt de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van B (geboren op 3 augustus 2000), van vreemde nationaliteit, vast wie de vader is. Er is geen hoger beroep ingesteld. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. B verkrijgt het Nederlanderschap op 1 maart 2006. In een schrikkeljaar ligt de verkrijgingsdatum op 29 februari.

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 1. Algemeen

Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

Zou C zelf een kind hebben gehad, dan zou dat kind eveneens op 12 mei 2004 Nederlander zijn geworden, en wel op grond van artikel 4, tweede lid, RWN.

4-2. Ad artikel 4, tweede lid

RWN: artikel 14.2

4-4. Ad artikel 4, vierde lid

4-5. Ad artikel 4, vijfde lid

RWN: artikel 14.2

6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g

De algemene maatregel van rijksbestuur die hier bedoeld wordt is het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 417). In dit besluit wordt aangegeven dat het vaderschap wordt aangetoond door DNA-bewijs van een laboratorium dat voldoet aan de eisen gesteld in dit besluit. Ook is in dit besluit bepaald dat het DNA-onderzoek ten behoeve van vaderschapsonderzoek moet worden verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van:

5a-alg. Toelichting algemeen

Of een in Nederland gevestigd laboratorium voldoet aan deze normen blijkt uit de ‘scope’: de verklaring voor welke activiteiten de accreditatie van toepassing is. Een laboratorium kan voor sommige activiteiten wél zijn geaccrediteerd en andere activiteiten niet. De ‘scope’ van Nederlandse laboratoria is via een zoekmachine te vinden op de website van de Raad van Accreditatie in Utrecht (www.rva.nl) door de naam van het laboratorium in te vullen. De Raad van Accreditatie controleert de naleving van de ISO/IEC-normen en de aanbevelingen van de ISFG van de Nederlandse laboratoria.

5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)

Als het onderzoek is verricht door een laboratorium in het buitenland moet het laboratorium zijn geaccrediteerd door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of door een bevoegde autoriteit. Veel Raden van Accreditatie of vergelijkbare instanties, waaronder die in Nederland, zijn aangesloten bij de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC). Dit kan worden onderzocht op de website van het ILAC, (www.ilac.org). Als de betreffende buitenlandse organisatie is aangesloten bij het ILAC geldt het als een bevoegde instantie in de zin van het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Als in een land geen Raad voor Accreditatie of vergelijkbare instantie is, kan het zijn dat er een andere instelling is in dat land die bevoegd is om te controleren of een laboratorium zich houdt aan de ISO/IEC-normen. Degene die het vaderschap wenst te bewijzen moet met documenten aantonen dat het laboratorium waarvan bewijs wordt overgelegd, is geaccrediteerd door een buitenlandse bevoegde instantie.

5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

Samenvattend geldt het volgende:

5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid

Deze Raad van Accreditatie of vergelijkbare instantie moet in dat land de bevoegde instantie tot accreditatie zijn. Als deze organisatie is aangesloten bij de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) geldt deze in ieder geval als bevoegde autoriteit. Als dit niet het geval is moet degene die het vaderschap wil aantonen, bewijzen dat het laboratorium is geaccrediteerd door de bevoegde instantie in dat land. Hij kan dit doen door een verklaring te overleggen van de instantie die volgens betrokkene de bevoegde accrediterende organisatie in dat land is.

Artikel 5a

Bijlage. bij artikel 5a RWN

WBRv: artikelen 358 en 426

RWN: artikel 14.2

WBRv: artikelen 358 en 426

Geen.

5-alg. Toelichting algemeen

5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid

Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie artikel 358 respectievelijk artikel 426 WBRv).

5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

Voor buitenlandse adopties van vóór 1 oktober 1998 geldt het volgende.

Artikel 5c

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 9 januari 2004 is A (geboren 15 maart 1986), van vreemde nationaliteit, geadopteerd door twee Nederlanders. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld, echter zonder succes. De uitspraak in hoger beroep is van 12 juli 2004. Tegen die uitspraak wordt geen beroep in cassatie ingesteld.

Bijlage. bij artikel 5a RWN

5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

Het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (Haags Adoptieverdrag) is voor Nederland op 1 oktober 1998 in werking getreden. Het verdrag is in werking getreden voor de volgende staten (situatie 1 december 2009):

Bijlage 1

Awb: artikelen 4:5; 4:7; 4:15 en hoofdstukken 6 t/m 8

5b-alg. Toelichting algemeen

WBRv: artikelen 358 en 426

5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid

Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;

HOOFDSTUK 3. Wet conflictenrecht adoptie

artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.

5c-alg. Toelichting algemeen

Ingevolge artikel 5a, eerste lid, RWN, heeft B het Nederlanderschap verkregen met ingang van 19 mei 2004 (dat is de dag waarop de rechterlijke uitspraak betreffende de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan). Aan alle voorwaarden van artikel 5a, eerste lid, is voldaan; dat zijn in casu de volgende:

5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar het recht van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1. Algemeen

Ingevolge artikel 5a, tweede lid, RWN, heeft C het Nederlanderschap verkregen op 9 september 2004 (dat is de dag nadat drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak met betrekking tot de omzetting zijn verstreken, zonder dat hoger beroep is ingesteld). Aan alle voorwaarden van artikel 5a, tweede lid, is voldaan; dat zijn in casu de volgende:

BW: artikelen 1:5; 1:253aa; 1:253sa en 1:253t

Overzicht van de landen aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag

Het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (Haags Adoptieverdrag) is voor Nederland op 1 oktober 1998 in werking getreden. Het verdrag is in werking getreden voor de volgende staten (situatie 1 december 2009):

Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on private international law’: www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.

artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 6 en 7 dient gelezen te worden de artikelen 10:108 en 10:109 BW. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.

Zie artikel 26 RWN voor tijdelijk soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1 april 2003, de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, onder ‘Erkenning van minderjarigen vóór 1 april 2003’.

Een minderjarige vreemdeling die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 werd erkend door een Nederlander of die zonder erkenning door wettiging het kind werd van een Nederlander, kon in die periode de Nederlandse nationaliteit alleen door optie verkrijgen. Het kind moest dan wel na de erkenning of wettiging en tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaar verzorging en opvoeding hebben genoten van de Nederlandse man door wie het is erkend of wiens kind het door wettiging was geworden. Bovendien mocht het kind niet eerder de Nederlandse nationaliteit door optie hebben verkregen, moesten de bepalingen van artikel 2 RWN in acht zijn genomen en moest het minderjarige kind dat op het moment van het afleggen van de verklaring zestien jaar of ouder was daarmee uitdrukkelijk instemmen. Van verzorging en opvoeding zal sprake zijn indien wordt samengeleefd in gezinsverband. Hierdoor zal over het algemeen een nauwe persoonlijke betrekking zijn ontstaan tussen de vader en het kind. De opvoeding en verzorging impliceert immers dat sprake is van veelvuldig en nauw contact tussen vader en kind (en de eventuele andere opvoeder en verzorger). Indien de vader en het kind (met de andere opvoeder en verzorger) in gezinsverband hebben samengeleefd, mag ervan worden uitgegaan dat het kind (mede) door de vader is verzorgd en opgevoed.

De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de RWN aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Als achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.

Sinds de inwerkingtreding van de RRWN op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie artikel 13, eerste lid, RWN). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 7 RWN.

Minderjarige niet-Nederlandse kinderen delen voortaan onder bepaalde voorwaarden in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouders. Zie de toelichting bij artikel 6, achtste lid, RWN. Dit wijkt sterk af van de situatie vóór 1 april 2003. Toen deelden minderjarige kinderen nooit in de optie van hun ouders.

Alleen een ouder die de wettelijke vertegenwoordiger is, kan op grond van artikel 2, derde lid, RWN voor een kind een optieverklaring afleggen. Een ouder die niet de wettelijke vertegenwoordiger is, kan wél in zijn optieverklaring aangeven dat een kind moet delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. Dit is immers niet een verklaring of verzoek van de minderjarige als bedoeld in artikel 2, derde lid, RWN. Het kind kan dan delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder. Kinderen van twaalf jaar en ouder voor wie een optieverklaring wordt uitgebracht of voor wie wordt verzocht om medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit, alsmede hun wettelijke vertegenwoordiger en de andere ouder als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN, worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen (zie artikel 2, vierde lid, RWN).

In bepaalde gevallen wordt de naam van de optant en van zijn minderjarige kinderen in overleg met de optant vastgesteld in overeenstemming met het Nederlandse namenrecht (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid, RWN). Ook deze situatie wijkt af van de oude situatie. Een bepaling over de vaststelling van namen bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie ontbrak toen geheel. Bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie is naamswijziging in principe niet mogelijk (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid RWN).

Het bestuursorgaan moet binnen dertien weken na inontvangstneming van de optieverklaring schriftelijk besluiten tot bevestiging of tot weigering van de bevestiging. Deze termijn kan eenmaal met maximaal dertien weken worden verlengd (zie artikel 6, vijfde lid, RWN). Op de besluiten van het bestuursorgaan is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Tegen het besluit van het bestuursorgaan kan een bezwaarschrift worden ingediend.

RWN: artikelen 1; 2; 8; 9; 12; 13; 14.1; 21; 22; 23; 26 en 28

RRWN: artikelen IB; II.2 en V.1

BVVN: artikelen 3 t/m 12 en 73

Awb: artikelen 4:5; 4:7; 4:15 en hoofdstukken 6 t/m 8

paragraaf 1. Algemeen

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW

paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW

6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Zie artikel 26 RWN voor tijdelijk soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1 april 2003, de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, onder ‘Erkenning van minderjarigen vóór 1 april 2003’.

6-alg. Toelichting algemeen

6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e

Sinds de inwerkingtreding van de RRWN op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie artikel 13, eerste lid, RWN). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 7 RWN.

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

Alleen een ouder die de wettelijke vertegenwoordiger is, kan op grond van artikel 2, derde lid, RWN voor een kind een optieverklaring afleggen. Een ouder die niet de wettelijke vertegenwoordiger is, kan wél in zijn optieverklaring aangeven dat een kind moet delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. Dit is immers niet een verklaring of verzoek van de minderjarige als bedoeld in artikel 2, derde lid, RWN. Het kind kan dan delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder. Kinderen van twaalf jaar en ouder voor wie een optieverklaring wordt uitgebracht of voor wie wordt verzocht om medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit, alsmede hun wettelijke vertegenwoordiger en de andere ouder als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN, worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen (zie artikel 2, vierde lid, RWN).

paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander

Het bestuursorgaan moet binnen dertien weken na inontvangstneming van de optieverklaring schriftelijk besluiten tot bevestiging of tot weigering van de bevestiging. Deze termijn kan eenmaal met maximaal dertien weken worden verlengd (zie artikel 6, vijfde lid, RWN). Op de besluiten van het bestuursorgaan is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Tegen het besluit van het bestuursorgaan kan een bezwaarschrift worden ingediend.

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen

Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN).

paragraaf 4. Erkenning en wettiging vanaf 1 maart 2009

In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie artikel 6a RWN). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN.

Alle overige voorwaarden gelden onverkort. De overgangsregeling geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten. Zie artikel 26 RWN voor een nadere aanduiding van deze categorieën oud-Nederlanders en hun minderjarige kinderen.

paragraaf 6. Overgangsrecht

B is in Nederland geboren en twintig jaar oud. Hij is uitsluitend in het bezit van de Belgische nationaliteit. Hij woont sinds zijn geboorte in Heerlen. Hij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II). Op zijn veertiende jaar heeft B een gewapende overval gepleegd op een benzinestation in Aken. Hij heeft hiervoor een jaar jeugddetentie opgelegd gekregen in Duitsland. De straf heeft hij uitgezeten in Duitsland. Kort voor zijn zestiende jaar is hij vrijgekomen en onmiddellijk teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd. B kan opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Weliswaar heeft hij niet zijn gehele leven in Nederland verbleven, maar de detentie in Duitsland geldt niet als onderbreking van zijn hoofdverblijf in Nederland aangezien hij onmiddellijk na zijn detentie naar Nederland is teruggekeerd. Dat B in het verleden buiten Nederland een strafbaar feit heeft gepleegd is voor de beoordeling of hij op grond van dit gedrag een gevaar oplevert voor de openbare orde op zichzelf wel relevant. B heeft echter gedurende vier jaar na beëindiging van zijn detentie geen nieuw strafbaar feit gepleegd. Hij heeft daarmee voldaan aan de rehabilitatietermijn (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

De heer A en mevrouw B, beiden van Marokkaanse nationaliteit zijn in 1978 met elkaar gehuwd. De heer A is in 1980 naar Nederland gekomen. In 1985 heeft mevrouw B zich bij hem gevoegd. De heer A en mevrouw B zijn altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Ze gaan om het jaar, drie maanden voor vakantie/ familiebezoek naar Marokko. Zij zijn van onbesproken gedrag. In december 2002 verkrijgt de heer A de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van mevrouw B wordt niet ingewilligd omdat zij de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. In 2004 verstaat en spreekt mevrouw B inmiddels wel eenvoudig Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan ze echter niet. Een verzoek om naturalisatie van mevrouw B zou opnieuw worden afgewezen als zij daarom zou vragen. Zij kan echter wel opteren voor het Nederlanderschap, omdat daarvoor geen taaleisen gelden. Zij is immers (veel) langer dan drie jaar gehuwd met een Nederlander. Dat haar echtgenoot nog geen drie jaar Nederlander is, doet niet ter zake. Voorts heeft mevrouw B al langer dan vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Verblijf voor drie maanden buiten Nederland voor vakantie/familiebezoek geldt niet als onderbreking van het hoofdverblijf. Ook vormt zij op grond van haar gedrag geen gevaar voor de openbare orde.

A is in Nederland geboren uit een Palestijnse ongehuwde vrouw. De vader van A is onbekend. A en zijn moeder staan in de GBA ingeschreven als zijnde ‘staatloos’. A is vijf jaar oud en is sinds zijn geboorte in Nederland. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (verblijfsdocument III) van de moeder van A is niet ingewilligd. Thans is zij daarover in een beroepsprocedure verwikkeld bij de rechtbank. Zowel de moeder van A als A zelf mogen de uitkomst van deze procedure in Nederland afwachten. Een ten behoeve van A afgelegde optieverklaring dient te worden geweigerd. Hij heeft weliswaar gedurende langer dan drie jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij is niet in Nederland toegelaten. De moeder van A wordt vervolgens door de rechter gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Aan de moeder van A wordt daarop, mede ten behoeve van A, alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De verblijfsvergunning wordt echter niet met terugwerkende kracht verleend. Als A en zijn moeder in Nederland hun hoofdverblijf houden en zij verkrijgen –aansluitend op de eerdere vergunning –na drie jaar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument IV) kan wel met succes een optieverklaring ten behoeve van A worden afgelegd. A heeft dan drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Uiteraard moet A op het moment van die optie en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap nog wel in het bezit zijn van een geldigeverblijfsvergunning.

A heeft de Chinese nationaliteit en verblijft sinds zijn veertigste jaar onafgebroken in Nederland. Hij is altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Inmiddels is hij vijfenzestig jaar. Hij is van onbesproken gedrag, maar spreekt in het geheel geen Nederlands. De optieverklaring van A ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit dient te worden bevestigd nu hij aan de terzake geldende voorwaarden voldoet.

Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, bijvoorbeeld als gevolg van een gezagsregeling na echtscheiding of omdat het kind alleen een moeder heeft, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten (artikel 1:253t BW). De niet-ouder moet in zo’n geval in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Als het kind nog een andere ouder heeft, geldt daarnaast nog een aantal andere voorwaarden.

Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Geregistreerde partners krijgen van rechtswege –dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is –gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.

Vóór 1 april 2003 kreeg een minderjarige vreemdeling die tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander werd erkend en door deze erkenning in een familierechtelijke betrekking tot die Nederlander kwam te staan, van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 4, eerste lid, RWN zoals dat tot die datum luidde. Op grond van artikel 4, tweede lid, RWN zoals dit luidde tot 1 april 2003, kreeg ook het kind dat zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander werd, daardoor van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Met dit laatste wordt gedoeld op gevallen waarin Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning aanvaardt op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake de wettiging door huwelijk (Trb.1972, 61).

E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN.

Een minderjarige vreemdeling die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 werd erkend door een Nederlander of die zonder erkenning door wettiging het kind werd van een Nederlander, kon in die periode de Nederlandse nationaliteit alleen door optie verkrijgen. Het kind moest dan wel na de erkenning of wettiging en tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaar verzorging en opvoeding hebben genoten van de Nederlandse man door wie het is erkend of wiens kind het door wettiging was geworden. Bovendien mocht het kind niet eerder de Nederlandse nationaliteit door optie hebben verkregen, moesten de bepalingen van artikel 2 RWN in acht zijn genomen en moest het minderjarige kind dat op het moment van het afleggen van de verklaring zestien jaar of ouder was daarmee uitdrukkelijk instemmen. Van verzorging en opvoeding zal sprake zijn indien wordt samengeleefd in gezinsverband. Hierdoor zal over het algemeen een nauwe persoonlijke betrekking zijn ontstaan tussen de vader en het kind. De opvoeding en verzorging impliceert immers dat sprake is van veelvuldig en nauw contact tussen vader en kind (en de eventuele andere opvoeder en verzorger). Indien de vader en het kind (met de andere opvoeder en verzorger) in gezinsverband hebben samengeleefd, mag ervan worden uitgegaan dat het kind (mede) door de vader is verzorgd en opgevoed.

De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken hoofdverblijf en toelating in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000.

Het ligt op de weg van de optant c.q. zijn wettelijk vertegenwoordiger om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van opvoeding en verzorging gedurende een onafgebroken periode van drie jaar na erkenning of wettiging. Niet iedere optant zal daartoe op gelijke wijze in staat zijn. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de optant dit aannemelijk heeft gemaakt.

Voorwaarde voor deze optie is dat de moeder van de optant de Nederlandse nationaliteit moet bezitten op het tijdstip dat haar kind (optant) geboren werd.

Als volgens de optant sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in Nederland, zal dit over het algemeen aannemelijk kunnen worden gemaakt door het overleggen van een uittreksel uit de GBA. Als sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het buitenland dan dient dit –voorzover mogelijk –aan de hand van een officieel document van een overheidsinstantie, of anderszins genoegzaam, te worden aangetoond. Uit dit/deze document(en) moet blijken dat de vader en het minderjarige kind op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan gedurende een periode van tenminste drie jaar na de erkenning of wettiging van het kind. Behoudens in het geval van contra-indicaties (bijvoorbeeld als uit andere bronnen blijkt dat vader en kind in die periode niet (constant) hebben samengeleefd op hetzelfde adres), kan met het overleggen van (een) dergelijk document worden volstaan.

Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1).

Met ingang van 1 maart 2009 verkrijgen minderjarige kinderen die jonger zijn dan zeven jaar en worden erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap (artikel 4, tweede lid RWN). Hetzelfde geldt voor minderjarige kinderen die zonder erkenning door wettiging het kind worden van een Nederlander (artikel 4, derde lid RWN). Indien een minderjarig kind dat zeven jaar of ouder is wordt erkend door een Nederlander verkrijgt het pas het Nederlanderschap indien het biologische vaderschap bij of binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond via door DNA-bewijs als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4 lid 4 RWN juncto artikel 4 lid 6 RWN). Indien de Nederlander die een kind van zeven jaar of ouder heeft erkend zijn biologische vaderschap niet kan of wil aantonen staat de mogelijkheid open van de optie mogelijkheid van artikel 6, eerste lid onder c RWN.

Ten aanzien van een optant geboren vóór 25 november 1975 in Suriname van wie de ouders in Suriname of het Koninkrijk zijn geboren, mag worden aangenomen dat hij oud-Nederlander is. Ten aanzien van een optant geboren vóór 21 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië, mag worden aangenomen dat hij (ten minste) de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de optant geboren vóór 1 oktober 1962 in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea.

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht namen (WCN) komen te vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW van toepassing.

De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft op zich geen invloed op de geslachtsnaam of op de voornamen van de optant. Dat vloeit voort uit artikel 10:22, tweede lid, BW. Omdat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN rechtstreeks verband houdt met de erkenning of de wettiging (het betreft in feite een uitgestelde verkrijging van de Nederlandse nationaliteit), heeft de wetgever het redelijk geacht de hier bedoelde optanten in de gelegenheid te stellen op het tijdstip van de optie een naamskeuze te doen. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op artikel 10:25, lid 1 onder b BW, waarvan de tekst luidt:

‘Indien een kind dat tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander is erkend of zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander is geworden, door optie het Nederlanderschap verkrijgt en op het tijdstip van de optie tot zijn beide ouders in familierechtelijke betrekkingen staat, kunnen de ouders ter gelegenheid van de optie gezamenlijk verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip van de optie de leeftijd van zestien jaren bereikt, dan verklaart het zelf of het de geslachtsnaam van de vader of moeder zal hebben.’

Voor de toepassing van artikel 1:5 BW geldt dan ook dat als in het geval zoals hier bedoeld, wordt geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit en het kind ten tijde van de optie nog tot beide ouders in familierechtelijke betrekking staat, bij de optie door de ouders gezamenlijk ten behoeve van het kind een verklaring van naamskeuze kan worden afgelegd. Is het kind op het tijdstip van de optie zestien jaar of ouder, dan kan het uitsluitend zélf de verklaring van naamskeuze afleggen. De verklaring van naamskeuze als hier bedoeld kan, volgens artikel 10:25, lid 2 BW, uitsluitend worden afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de optie voor het Nederlanderschap in ontvangst wordt genomen. Op grond van deze verklaring wordt vervolgens door de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van naamskeuze opgemaakt volgens het daarvoor gebruikelijke aktemodel. Wordt bij het afleggen van de optieverklaring geen akte van naamskeuze opgemaakt, dan behoudt het kind de naam die het bij het afleggen van de optieverklaring draagt.

Vermeld zij nog dat uit artikel 1:5, achtste lid, BW voortvloeit dat de ouders de verklaring slechts kunnen afleggen ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan (volgende kinderen van dezelfde ouders hebben namelijk dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind), doch dat dit vereiste van ‘eerstgeborene’ niet geldt bij naamskeuze door een kind van zestien jaar en ouder. Als andere (in het buitenland geboren kinderen) toch een andere geslachtsnaam hebben dan het eerste kind, dan kunnen de ouders voor deze kinderen overigens wel door naamskeuze aan de latere kinderen dezelfde geslachtsnaam als aan het eerste kind geven. Voorts zij vermeld dat in artikel 1:5, negende lid, BW is geregeld dat als één van de ouders is overleden voorafgaand aan het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan, en de naamskeuze niet is gedaan, de andere ouder een verklaring over de naamskeuze kan afleggen. Hetzelfde geldt als één van de ouders wegens geestelijke stoornis onder curatele staat dan wel ten aanzien van hem of haar een mentorschap bestaat.

Behoeft de bij de optie gekozen naam nog aanpassing (vaststelling spelling en/of overbrenging in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens (vergelijk artikel 6, zesde lid, RWN), dan moet dat in een verzoek om naamsvaststelling en in de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap tot uitdrukking te worden gebracht.

Heeft het kind geen geslachtsnaam of voornaam, maar slechts een naam of een naamsketen en wordt geen naamskeuze gedaan, dan volgt vaststelling van de namen overeenkomstig artikel 6, zesde lid, RWN. Wordt voor laatstbedoeld kind wel naamskeuze gedaan, dan worden bij de optie alleen zijn voornamen vastgesteld; zijn geslachtsnaam wordt immers de naam waarvoor in het kader van de verklaring van naamskeuze is gekozen.

De akte van naamskeuze, die gelijktijdig met het afleggen van de optieverklaring wordt opgemaakt, heeft pas rechtsgevolg vanaf de datum waarop de verkrijging van het Nederlanderschap wordt bevestigd en pas (met terugwerkende kracht) nadat het besluit op de naturalisatieceremonie is uitgereikt. Wordt die verkrijging niet bevestigd of niet uitgereikt, dan heeft de akte van naamskeuze geen rechtsgevolg.

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

Om keuze van de geslachtsnaam mogelijk te maken voor kinderen die buiten Nederland zijn erkend of gewettigd, kan gebruik worden gemaakt van artikel 10:25 BW (dit was tot 1 januari 2012, artikel 5b onder a van de WCN). Dit artikel is gewijzigd bij artikel IIA, onder 1 van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 in de tekst zoals deze gold tot 1 april 2003):

‘Indien een kind buiten Nederland rechtsgeldig is erkend of gewettigd, door deze erkenning of wettiging in familierechtelijke betrekkingen tot de vader is komen te staan en daarbij het Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de geslachtsnaam van dat kind niet is bepaald met inachtneming van een naamskeuze in de zin van artikel 5 lid 2 van Boek 1, kunnen de moeder en de erkenner gezamenlijk alsnog, tot twee jaar na de erkenning of de wettiging, verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip van de erkenning of de wettiging de leeftijd van zestien jaren bereikt, dan kan het, tot twee jaar na de erkenning of de wettiging, zelf alsnog verklaren of het de geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben.’

Dit betekent dat in geval van een buitenlandse erkenning of wettiging waarbij voor het betreffende kind dat door die erkenning of wettiging Nederlander is geworden geen naamskeuze is gedaan, alsnog binnen twee jaar na de erkenning of wettiging – door de ouders gezamenlijk ten behoeve van het kind een verklaring van naamskeuze kan worden afgelegd. Was het kind zestien jaar of ouder bij de erkenning of wettiging, dan kan het de verklaring van naamskeuze zelf afleggen.

Artikel 5, achtste lid, van Boek 1 Burgerlijk Wetboek heeft ook betrekking op naamskeuze en is eveneens aangepast bij artikel IIA, onder 2, van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270). De gewijzigde tekst van dit artikel, voor zover in dit kader van belang is:

‘Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind, tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan worden afgelegd. Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind, met dien verstande dat in het geval dat volgende kinderen blijkens de geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam hebben die afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben als het eerste kind’.

In het Nederlandse naamrecht geldt de eenheid van naam als uitgangspunt. Dit betekent dat bij het eerste kind de ouders een naamskeuze doen en eventuele volgende kinderen dezelfde geslachtsnaam krijgen. Het is echter mogelijk dat de totstandkoming van de familierechtelijke betrekkingen tussen de ouders en een volgend kind en de toepasselijkheid van het Nederlandse namenrecht niet op het zelfde moment plaatsvindt, waardoor in de geboorteakte van het kind een andere geslachtsnaam is opgenomen dan die van het eerste kind. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, als een (volgend) kind naar buitenlands recht is erkend of geadopteerd. Om ook in die gevallen de eenheid van naam in een gezin te verkrijgen krijgen ouders de gelegenheid om bij een ambtenaar van de burgerlijke stand te verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben als het eerste kind.

Als een kind dat ouder is dan zeven jaar op of na 1 maart 2009 door een Nederlander wordt erkend, moet naast de erkenningsakte een separate akte van naamskeuze worden opgemaakt. Deze naamskeuze is voorwaardelijk, want dit is afhankelijk van de vraag of het kind Nederlander wordt. Deze akte van naamskeuze krijgt eerst rechtskracht als het biologisch vaderschap van de Nederlander is aangetoond en het kind hierdoor het Nederlanderschap heeft verkregen.

De optieregeling in onderdeel i beoogt deze ongelijkheid in het nationaliteitsrecht tussen man en vrouw zo veel mogelijk ongedaan te maken.

Vrouwen die door het huwelijk vóór 1 maart 1964 de Nederlandse nationaliteit hadden verloren, konden deze herkrijgen ná 1 maart 1964 door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring. Deze opties zijn opgenomen in het Nationaliteitenregister van de IND en zijn relevant indien een kind is geboren nadat de moeder het Nederlanderschap heeft herkregen door deze optie.

Voorwaarde voor deze optie is dat de moeder van de optant de Nederlandse nationaliteit moet bezitten op het tijdstip dat haar kind (optant) geboren werd.

paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

Dat de moeder Nederlandse was op de geboortedag van de optant, die gebruik maakt van de optie uit onderdeel i, moet ten minste aannemelijk zijn gemaakt door één of meer objectieve bronnen. Als eerste zal bekeken moeten worden waar de optant of de moeder is geboren en vervolgens waar de moeder heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is een persoonskaart van optant en de moeder in Nederland aanwezig waaruit nationaliteit van de moeder en de optant zal blijken.

Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, bijvoorbeeld als gevolg van een gezagsregeling na echtscheiding of omdat het kind alleen een moeder heeft, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten (artikel 1:253t BW). De niet-ouder moet in zo’n geval in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Als het kind nog een andere ouder heeft, geldt daarnaast nog een aantal andere voorwaarden.

Als een vrouw vóór de geboorte van haar kind de Nederlandse nationaliteit heeft verloren dan kan haar kind niet opteren voor het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Dit kind is immers niet geboren uit een Nederlandse moeder.

Geregistreerde partners krijgen van rechtswege –dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is –gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.

A is het in Nederland geboren kind van een Marokkaanse vader B en Marokkaanse moeder C. Bij zijn geboorte heeft A uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Een half jaar na de geboorte van A wordt in Nederland de echtscheiding tussen vader B en moeder C uitgesproken. Door de rechter wordt in het belang van kind A vastgesteld dat uitsluitend moeder C met het gezag over A wordt belast. Moeder C trouwt een half jaar nadien met de Nederlander D. Zij voeden samen kind A op. Drie jaar nadat moeder C met het gezag over kind A is belast, dient zij samen met de Nederlander D een verzoek in om gezamenlijk met het gezag over kind A te worden belast. Dit verzoek wordt door de Rechtbank Zwolle toegewezen. Na het verstrijken van een periode van drie jaar opvoeding en verzorging kan door de wettelijk vertegenwoordiger ten behoeve van A een optieverklaring ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit worden afgelegd. Als voorwaarde geldt daarbij dat A op dat moment nog minderjarig moet zijn en geen hoofdverblijf in Marokko mag hebben. Als A op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN.

E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN.

Hij kan geen optieverklaring afleggen op grond artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, omdat zijn moeder op de datum van zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit had. Immers, een Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is niet in het bezit van het Nederlanderschap.

De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken hoofdverblijf en toelating in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000.

Het Nederlanderschap werd door een vrouw tot 1 maart 1964 in beginsel van rechtswege verloren doordat zij vóór 1 maart 1964 staande het huwelijk de nationaliteit van haar vreemde echtgenoot volgde. Vanaf 1 maart 1964 trad geen automatisch verlies van het Nederlanderschap meer op voor de Nederlandse vrouw en kon de gehuwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit.

paragraaf 1. Algemeen

Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, als cumulatief:

Een Nederlandse vrouw verloor door een huwelijk met een niet-Nederlander oorspronkelijk altijd automatisch het Nederlanderschap (artikel 5 (oud) van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 12 december 1892 (Stb. 268) hierna: WNI 1892).

In een aantal gevallen zal uit de GBA blijken of een optant ooit in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit of de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander. Indien dit niet blijkt uit de GBA of indien er twijfels bestaan over de juistheid van de vermelding in de GBA, dient de optant het oud-Nederlanderschap zelf aannemelijk te maken. Dit kan door het overleggen van bijvoorbeeld een in het verleden afgegeven Nederlands paspoort, Nederlandse Europese identiteitskaart, verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, kennisgeving van naturalisatie, een Staatsblad waarin de naturalisatie is vermeld, een optieverklaring (waaruit blijkt dat daaraan rechtsgevolg is verbonden) of een uittreksel of verklaring gebaseerd op het persoonsregister waaruit het (oud)Nederlanderschap van de optant blijkt.

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

Indien het Nederlanderschap is verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN of artikel 14, eerste lid, RWN, zal dit meestal zijn vermeld in de GBA. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. (Zie ook de toelichting bij artikel 22 RWN.)

paragraaf 3. Overgangsregeling

Op grond van artikel 26 RWN geldt voor een aantal categorieën oud-Nederlanders niet het vereiste dat zij gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moeten hebben om het Nederlanderschap door optie te kunnen herkrijgen. Deze overgangsregeling geldt van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2013 (artikel 26, tweede lid, RWN).

Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid

De in 1973 geboren A is van Surinaamse nationaliteit. A heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (Trb.1975,132). Van zijn derde tot zijn 26e jaar heeft A in New York gewoond. Hij verblijft sedert twee jaar in Nederland. Hij heeft sinds anderhalf jaar in Nederland een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) voor verblijf bij zijn partner B, van Britse nationaliteit. B is in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER geldig voor vijf jaar. A is van onbesproken gedrag. Hij spreekt een paar woorden Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan hij niet. Hoewel A de Nederlandse taal niet beheerst, komt hij voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie in aanmerking. Aan alle voorwaarden die voor optie gelden wordt door A voldaan. A is al meer dan een jaar in het bezit van een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter.

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

De nationaliteitswet van een aantal staten verleende niet de nationaliteit aan de vrouw waarmee een onderdaan van die staat huwde (vóór 1 maart 1964): bijvoorbeeld de Verenigde staten, Argentinië, Chili, Cuba, Honduras en Paraguay. Deze vrouw behield dus na het huwelijk de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892, om staatloosheid te voorkomen.

De heer A en mevrouw B, beiden van Marokkaanse nationaliteit zijn in 1978 met elkaar gehuwd. De heer A is in 1980 naar Nederland gekomen. In 1985 heeft mevrouw B zich bij hem gevoegd. De heer A en mevrouw B zijn altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Ze gaan om het jaar, drie maanden voor vakantie/ familiebezoek naar Marokko. Zij zijn van onbesproken gedrag. In december 2002 verkrijgt de heer A de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van mevrouw B wordt niet ingewilligd omdat zij de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. In 2004 verstaat en spreekt mevrouw B inmiddels wel eenvoudig Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan ze echter niet. Een verzoek om naturalisatie van mevrouw B zou opnieuw worden afgewezen als zij daarom zou vragen. Zij kan echter wel opteren voor het Nederlanderschap, omdat daarvoor geen taaleisen gelden. Zij is immers (veel) langer dan drie jaar gehuwd met een Nederlander. Dat haar echtgenoot nog geen drie jaar Nederlander is, doet niet ter zake. Voorts heeft mevrouw B al langer dan vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Verblijf voor drie maanden buiten Nederland voor vakantie/familiebezoek geldt niet als onderbreking van het hoofdverblijf. Ook vormt zij op grond van haar gedrag geen gevaar voor de openbare orde.

Verwezen wordt naar de Elsevier-bundel Nationaliteitswetgeving, deel 3 ‘Overzicht betreffende de nationaliteit van de gehuwde vrouw’.

A heeft de Chinese nationaliteit en verblijft sinds zijn veertigste jaar onafgebroken in Nederland. Hij is altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Inmiddels is hij vijfenzestig jaar. Hij is van onbesproken gedrag, maar spreekt in het geheel geen Nederlands. De optieverklaring van A ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit dient te worden bevestigd nu hij aan de terzake geldende voorwaarden voldoet.

Onder druk van internationale ontwikkelingen kwam geleidelijk een einde aan de nationaliteitsrechtelijke ongelijkheid tussen man en vrouw. Per 1 maart 1964 werd de nationaliteitsrechtelijke positie van de vrouw geheel onafhankelijk van de man. De Nederlandse vrouw die huwde met een niet-Nederlander verloor niet meer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit (zij kon dus bipatride worden).

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die vóór 1 januari 1985 is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was, terwijl de vader ten tijde van die geboorte niet-Nederlander was.

De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1982. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

paragraaf 2.7. Archivering

Het Nederlanderschap kan in eerste instantie blijken uit de persoonskaart of een uittreksel GBA met historische gegevens van de vrouw. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot en een verklaring van de autoriteit van het land waar de optant is geboren, waaruit blijkt dat zij niet die vreemde nationaliteit heeft verkregen, kunnen behulpzaam zijn bij het bepalen of het Nederlanderschap is verloren. Onderzoek naar de Nederlandse nationaliteit van de moeder kan soms ook beperkt worden tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.

De optant moet geboren zijn vóór 1 januari 1985. Voor dit tijdstip kon immers alleen in een aantal specifieke omstandigheden de Nederlandse nationaliteit worden ontleend aan moeder (zie paragraaf 2.1). Onder andere niet-erkende onwettige kinderen van een Nederlandse moeder ontleenden door geboorte de nationaliteit aan hun moeder.

De optieregeling in onderdeel i beoogt deze ongelijkheid in het nationaliteitsrecht tussen man en vrouw zo veel mogelijk ongedaan te maken.

Een kind dat werd geboren uit een ongehuwde Nederlandse vrouw kreeg ook voor 1 januari 1985 de Nederlandse nationaliteit via zijn moeder (zie paragraaf 2.1).

Voorwaarde voor deze optie is dat de moeder van de optant de Nederlandse nationaliteit moet bezitten op het tijdstip dat haar kind (optant) geboren werd.

Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1).

Dat de moeder Nederlandse was op de geboortedag van de optant, die gebruik maakt van de optie uit onderdeel i, moet ten minste aannemelijk zijn gemaakt door één of meer objectieve bronnen. Als eerste zal bekeken moeten worden waar de optant of de moeder is geboren en vervolgens waar de moeder heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is een persoonskaart van optant en de moeder in Nederland aanwezig waaruit nationaliteit van de moeder en de optant zal blijken.

Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892

paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond

paragraaf 2.10. (Hoger) beroep

Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit reeds was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.

Het Nederlanderschap werd door een vrouw tot 1 maart 1964 in beginsel van rechtswege verloren doordat zij vóór 1 maart 1964 staande het huwelijk de nationaliteit van haar vreemde echtgenoot volgde. Vanaf 1 maart 1964 trad geen automatisch verlies van het Nederlanderschap meer op voor de Nederlandse vrouw en kon de gehuwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit.

Van belang is dus of de moeder vóór 1 maart 1964 is gehuwd. Is de moeder niet gehuwd (geweest) met een vreemdeling of pas na 1 maart 1964 gehuwd, dan speelt verlies op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 niet.

Een kind is in 1970 geboren, staande het huwelijk van een Britse, van oorsprong Nederlandse vrouw en een Britse vader. Het huwelijk is gesloten in 1965. Na 1 januari 1949 verkreeg de vrouw, naar het destijds geldende Brits nationaliteitsrecht, door het huwelijk met een Brit niet meer automatisch de Britse nationaliteit. Deze vrouw kon echter wel vrijwillig de Britse nationaliteit verkrijgen. Zijn moeder heeft vrijwillig de Britse nationaliteit verkregen door registratie voordat het kind geboren werd en heeft daardoor de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7 sub 3 WNI 1892. Zij bezat dus niet de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de geboorte van de haar kind. Hij kan niet het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Een Nederlandse vrouw verloor door een huwelijk met een niet-Nederlander oorspronkelijk altijd automatisch het Nederlanderschap (artikel 5 (oud) van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 12 december 1892 (Stb. 268) hierna: WNI 1892).

In gevallen waarin zij door een dergelijk huwelijk niet de nationaliteit van haar man verkreeg of hij staatloos was, had een huwelijk staatloosheid van de vrouw tot gevolg.

Op 1 juli 1937 is, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1893, de WNI 1892 gewijzigd en werd een Nederlandse vrouw niet langer door te huwen staatloos, tenzij zij geen gebruik maakte van een eenvoudige wijze de nationaliteit van haar man te verkrijgen door bijvoorbeeld optie of registratie.

Had de man geen nationaliteit dan geldt dat een vrouw met de Nederlandse nationaliteit sinds 1 juli 1893 altijd in het bezit is gebleven van het Nederlanderschap. Al is dit pas later zo bepaald, het is wel de wijze waarop met het Nederlanderschap van de met een staatloze man huwende Nederlandse vrouw wordt omgegaan.

De Nederlandse vrouw die na 1 april 1953 en tot 24 augustus 1957 met een Duitse man huwde verloor niet automatisch de Nederlandse nationaliteit, omdat zij door haar huwelijk niet automatisch de Duitse nationaliteit verkreeg. Dit volgde uit het vonnis van Bundesverfassungsgericht van 1 april 1953. Het Hof oordeelde dat vanaf die datum een vreemde vrouw die met een Duitser huwde op grond van artikel 3, tweede lid Grundgesetz (dat de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen vastlegt) niet automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.

Een kind dat staande dit huwelijk werd geboren, werd dus geboren uit een Nederlandse moeder en kan gebruik maken van de optieregeling in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, tenzij de moeder voorafgaand aan de geboorte van de optant haar Nederlanderschap had verloren door verkrijging van de Duitse nationaliteit door naturalisatie (Einbürgerung). In dat geval verloor de Nederlandse vrouw het Nederlanderschap op grond van artikel 7, sub 1 WNI 1892 en is optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN niet mogelijk.

Het (openbaar) Nationaliteitenregister van de IND kan door de gemeente of het ministerie van Buitenlandse Zaken worden geraadpleegd om te beoordelen of de moeder voorafgaande aan de geboorte van de optant de Duitse nationaliteit heeft gekregen.

Paragraaf 1.6. Vereiste documenten

Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige

Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Verwezen wordt naar de Elsevier-bundel Nationaliteitswetgeving, deel 3 ‘Overzicht betreffende de nationaliteit van de gehuwde vrouw’.

Een vereiste voor een optie op grond van artikel 6, eerste lid aanhef, onder i RWN is dat de optant is geboren uit een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader.

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Vanaf 1 maart 1964 kon de gehuwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit (artikel 8a WNI 1892), nadat zij de vreemde nationaliteit van haar echtgenoot had verkregen.

Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

Uitgesloten moet worden dat de Nederlandse vrouw niet voor de geboorte van haar kind (nu: de optant) de Nederlanderschap heeft verloren. Immers, dan is de optant geboren uit een vrouw die niet op de dag van zijn geboorte in het bezit van het Nederlanderschap was, en voldoet hij/zij niet aan een voorwaarde om te kunnen opteren.

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Het (openbaar) Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan door de optieautoriteit worden geraadpleegd om te beoordelen of de moeder voorafgaande aan de geboorte van de optant afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 of 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.

Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit

Een kind dat werd geboren uit een ongehuwde Nederlandse vrouw kreeg ook voor 1 januari 1985 de Nederlandse nationaliteit via zijn moeder (zie paragraaf 2.1).

paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Ook optiegerechtigd is de vreemdeling die niet als gevolg van het tot stand komen van de afstammingsrelatie met zijn niet-Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, maar door een andere verliesgrond uit de WNI 1892 dan wel de RWN.

Hier wordt bedoeld dat ook kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder i, RWN, een vreemdeling:

Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

De juridische vader van de optant moet op het moment van zijn geboorte over een andere nationaliteit beschikken dan de Nederlandse nationaliteit. Ook kan hij staatloos zijn geweest op die dag.

Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

Een erkenning in het buitenland, op grond waarvan in het verleden het uit de ongehuwde Nederlandse vrouw geboren kind zijn Nederlanderschap ooit heeft verloren, dient tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de destijds geldende regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht (Wet Algemene Bepalingen). Dit geldt ook voor de buitenlandse gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

Paragraaf 1. Algemeen

Erkenning van buitenlandse wettigingen dient plaats te vinden op grond van de op 13 juli 1977 voor Nederland in werking getreden CIEC-overeenkomst in zake wettiging door huwelijk (Trb. 1872, 61). Hoofdregel van deze overeenkomst is dat de wettiging door het opvolgende huwelijk van de ouders wordt erkend wanneer hetzij het nationale recht van de vader, hetzij het nationale recht van de moeder deze wettiging mogelijk maakt. Wettiging wordt ook geaccepteerd indien zij tot stand komt volgens het recht van de gewone verblijfsplaats van het kind.

Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid

De optant betreft onder meer een kind dat staande het huwelijk tussen een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader is geboren vóór 1 januari 1985. Dit kind heeft dan meestal niet de Nederlandse nationaliteit verkregen, omdat de Nederlands gehuwde vrouw tot 1 januari 1985 niet haar nationaliteit doorgaf aan haar kind. Dit was alleen anders als zij met een staatloze man was gehuwd.

Een kind wordt in 1958 geboren staande huwelijk. Zijn oorspronkelijk Nederlandse moeder heeft door het huwelijk met een Italiaan automatisch de Italiaanse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI. Ten tijde van de geboorte van haar kind bezat zijn moeder niet meer de Nederlandse nationaliteit. Hij kan het Nederlanderschap dus niet verkrijgen door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Een kind is in 1970 geboren, staande het huwelijk van een Britse, van oorsprong Nederlandse vrouw en een Britse vader. Het huwelijk is gesloten in 1965. Na 1 januari 1949 verkreeg de vrouw, naar het destijds geldende Brits nationaliteitsrecht, door het huwelijk met een Brit niet meer automatisch de Britse nationaliteit. Deze vrouw kon echter wel vrijwillig de Britse nationaliteit verkrijgen. Zijn moeder heeft vrijwillig de Britse nationaliteit verkregen door registratie voordat het kind geboren werd en heeft daardoor de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7 sub 3 WNI 1892. Zij bezat dus niet de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de geboorte van de haar kind. Hij kan niet het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

De buitenlandse wettiging wordt erkend op grond van het toen geldende Nederlandse internationaal privaatrecht (i.e. CIEC-overeenkomst inzake wettiging door huwelijk). Het kind wordt door deze wettiging het juridisch kind van deze man vanaf de datum van het huwelijk en verkrijgt daardoor de Australische nationaliteit. Hij wordt door de wettiging geacht nooit de Nederlandse nationaliteit te hebben bezeten op grond van artikel 2ter WNI 1892, en hij wordt hiermee vreemdeling.

Hij kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN omdat hij is geboren uit een moeder die op zijn geboortedag de Nederlandse nationaliteit bezit en een (juridische) vader heeft die niet-Nederlander was op zijn geboortedag.

Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar paragrafen 1.2.1 en 2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.

De optieautoriteit neemt contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen als een persoon is geboren op of na 1 januari 1964 om na te gaan of de optant niet eerder heeft geopteerd ex artikel 27, tweede lid (oud) RWN. Als een persoon na die optieverklaring in de periode 1 januari 1985 tot en met 31 december 1987 verkregen het Nederlanderschap heeft verloren, kan geen gebruik worden gemaakt van de optiemogelijkheid in onderdeel i of j. Betrokkene kan alleen nog opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f RWN (artikel 6, negende lid RWN).

Artikel 27 , tweede lid (oud) RWN bepaalde dat kinderen geboren na 31 december 1963 en voor 1 januari 1985 het Nederlanderschap konden verkrijgen door optie. De overgangsregeling gold van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988.

Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar.

Artikel 27 , tweede lid (oud) RWN bepaalde dat kinderen geboren op of na 1 januari 1964 en voor 1 januari 1985 het Nederlanderschap konden verkrijgen door optie. De overgangsregeling gold van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988.

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in paragrafen 1.2.1.2 en 1.5.

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in paragrafen 1.3 en 1.4.

6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l

De wettelijke bepalingen van verkrijging en verlies van de Nederlandse nationaliteit voor 1 januari 1985 zijn dus van belang, indien onderzoek moet worden gedaan naar de nationaliteit van de moeder.

Casus zoals in voorbeeld 1. Echter, de Belgische adoptiefvader komt te overlijden voordat een adoptieuitspraak wordt gedaan in eerste aanleg. In dat geval heeft het kind op grond van artikel 1 bis WNI de Nederlandse nationaliteit verkregen via de adoptiefmoeder.

Vóór 1 januari 1985 was de verwerving van het Nederlanderschap door afstamming in de regel de nationaliteit van de vader maatgevend (artikel 1 sub a en b WNI 1892).

Artikel 1 WNI 1892 luidde: Nederlanders door geboorte zijn:

Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zes jaar of ouder

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel l gaat uit van afstamming, uitsluitend door postnatale erkenning van een jong minderjarige. Deze persoon (man) moet het kind voor zijn zevende jaar hebben erkend.

Artikel 7

Het Nederlanderschap ging op grond van artikel 7 WNI 1892 op de volgende gronden verloren door:

Deze verliesgronden golden ook voor de van oorsprong Nederlandse vrouw/meisje.

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel k gaat uit van afstamming door geboorte.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: het vóór 1 januari 1985 in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij rechterlijke uitspraak geadopteerde niet-Nederlandse kind van een vrouw die op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen Nederlander was, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.

Is de persoon bedoeld in i of j de vader dan moet worden onderzocht hoe die afstamming tot stand is gekomen. Dat kan zijn door huwelijk, en bij dit wetsonderdeel uitsluitend door prénatale erkenning. Voor postnataal erkende personen geldt of onderdeel l of m en indien afstamming tot stand is gekomen door gerechtelijke vaststelling vaderschap, geldt onderdeel n.

Artikel 6a

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn vader in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Nadat in Nederland in 1956 het instituut van de adoptie werd ingevoerd werd in 1962 artikel 1bis in de WNI gevoegd, waardoor geadopteerde kinderen ook de Nederlandse nationaliteit konden verkrijgen. De voorwaarden waren:

Of, als de vader is overleden, op de dag, dat de adoptie uitspraak in kracht van gewijsde ging, was de moeder Nederlander.

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Alleen wanneer de adoptiefvader was overleden, kon de adoptiefmoeder aan het minderjarig kind het Nederlanderschap doorgeven, mits zij op de dag dat de adoptieuitspraak van een rechter in het Koninkrijk onherroepelijk werd, de Nederlandse nationaliteit bezat. Dit kind ontleende dus aan zijn Nederlandse adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1bis WNI 1892.

Paragraaf 1. Algemeen

Een kind is in 1986 staande het huwelijk van zijn Spaanse ouders geboren. De vader heeft geopteerd op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader (en de moeder) de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.

Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder

De adoptie moet zijn uitgesproken binnen het huidig Koninkrijk en het kind moet minderjarig zijn op het moment van de uitspraak in eerste aanleg.

Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak

Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar

Artikel 27 , tweede lid (oud) RWN bepaalde dat kinderen geboren op of na 1 januari 1964 en voor 1 januari 1985 het Nederlanderschap konden verkrijgen door optie. De overgangsregeling gold van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988.

Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd zijn geweest.

De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd was ten tijde van de erkenning of omdat het kind reeds een juridische vader heeft (artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW). Het kind kan, als sprake is van een nietige erkenning, geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze niet op grond van Nederlandse internationaal privaatrecht erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in paragrafen 1.3 en 1.4.

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of adoptiefouders en/of grootouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefmoeder of adoptiefvader (en/of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Een kind wordt in 1980 op 8-jarige leeftijd geadopteerd bij uitspraak van de Nederlandse rechter door een echtpaar dat is gehuwd in 1972. De adoptiefvader bezit de Belgische nationaliteit en de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken, waar onder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de adoptiefouders en het kind. Hij kan opteren op grond van onderdeel j, indien op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg de adoptiefmoeder nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Tussen 1 maart 1964 en 1 januari 1985 verkreeg de vrouw automatisch de Belgische nationaliteit en behield zij het Nederlanderschap op grond van de destijds geldende Nederlandse nationaliteitswetgeving. Er bestond ook geen eenvoudige optiemogelijkheid voor haar voor de nationaliteit van haar echtgenoot. Gelet op de Belgische nationaliteitswetgeving kan voor de met een Belg huwende buitenlandse vrouw worden aangenomen dat de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg. Optie is dus mogelijk op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN.

Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die is geboren als kind van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.

Paragraaf 1. Algemeen

6-1-m. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte

6-1-n. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n

Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner

Aangetoond moet worden dat deze man (de erkenner) de biologische vader is van het kind.

Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l

6-1-o. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1

Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar

Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

6-1-n. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 1. Algemeen

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn vader in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.

Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap

2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

6-1-m. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Voorts eist onderdeel n dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder i of j voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel m gaat uit van afstamming door postnatale erkenning van een minderjarige. Deze persoon (man) heeft het kind erkend op een moment dat dat kind zeven jaar of ouder was, maar minderjarig was.

Een kind wordt te Rotterdam in 1990 geboren uit een Russische moeder. Bij uitspraak van de Nederlandse rechter op 1 mei 1998 wordt vastgesteld dat een Hongaarse man de vader is van het kind. Deze Hongaarse man heeft geopteerd voor het Nederlanderschap op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken, waar onder de uitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de vader (en moeder) en het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n RWN.

Aangetoond moet worden dat deze man (de erkenner) de biologische vader is van het kind.

In beginsel is de bewijsvoering ter zake van het biologisch vaderschap hierbij vrij.

6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid

Paragraaf 1

Ook met DNA-bewijs kan het biologisch vaderschap van de erkenner worden aangetoond. Geen genoegen kan echter worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling.

Vastgesteld moet worden dat aan op een andere wijze dan volgens de wijze als neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) tot stand gekomen testresultaten niet hetzelfde gewicht kan en mag worden gegeven als aan rapporten die dat wel zijn. De wijze van identiteitsvaststelling van degenen die het DNA-materiaal hebben afgestaan en de wijze waarop en door wie het materiaal wordt afgenomen zijn daarbij wezenlijke verschillen.

Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) er voldoende zekerheid is over het biologisch vaderschap om het Nederlanderschap te verkrijgen via optie door de erkende.

Ter zake van overgelegd bewijs dat niet voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) moet worden vastgesteld dat, om reden dat de exacte bewijswaarde niet kan worden beoordeeld door de optieautoriteit, sprake is van onvoldoende bewijslevering van het biologisch vaderschap. Dit betekent dat verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge onderdeel m niet mogelijk is.

In het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) wordt aangegeven dat het vaderschap moet worden aangetoond aan de hand van DNA-bewijs van een laboratorium, dat voldoet aan de eisen gesteld in dit besluit.

Als DNA-bewijs afkomstig is van andere laboratoria dan die genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap, wordt het bewijs niet geaccepteerd en kan het Nederlanderschap niet worden verkregen door optie.

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd is of omdat het kind reeds een juridische vader heeft (artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW). Het kind kan dan geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze op grond van Nederlands internationaal privaatrecht niet erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn adoptiefouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefouder van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Voorts eist onderdeel m dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder i of j voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.

Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en artikel 3, tweede lid, BVVN). De minderjarige optant die jonger dan twaalf jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn vader in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant

2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

6-1-n. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

Paragraaf 1. Algemeen

4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Er is een periode geweest waarin de RWN een andere “Onze Minister” kende, te weten:

Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo dient bijvoorbeeld te worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN). Voor de toepassing van de RWN dient in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze te worden bepaald. De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie dient in eerste instantie te worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), zulks ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Indien in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand1Vergelijk hoofdstuk B2/6.5.3 Vc 2000.. Pas indien geen geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.

Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo dient bijvoorbeeld te worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN). Voor de toepassing van de RWN dient in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze te worden bepaald. De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie dient in eerste instantie te worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), zulks ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Indien in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand1Vergelijk hoofdstuk B2/6.5.3 Vc 2000.. Pas indien geen geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.

Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de GBA leidend is. Dit betekent dat indien in de GBA alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.

Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander (artikel 4 RWN (oud)). Thans kan een erkende en/of gewettigde minderjarige na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. Zie artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.

Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 is de Minister van Justitie het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen (zie de artikelen 9, 14, 20, 28 en 33 Vw 2000) dan wel te verlengen. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) is bepaald in welke gevallen die bevoegdheid door de Minister is gemandateerd aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.10, 3.15, 3.35 en 3.36 VV 2000).

Van ‘toelating’ in Nederland in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000. De vreemdeling dient dit rechtmatige verblijf aan te tonen aan de hand van een verblijfsdocument. De Minister van Justitie verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000 een verblijfsdocument waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt (artikel 9, eerste lid, Vw 2000).

In het kader van de RWN worden in Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk. Met ingang van 1 januari 2005 worden buiten Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN.

De nationaliteitsrechtelijke gelijkstelling van het in Nederland geregistreerde partnerschap en het buiten Nederland geregistreerde partnerschap dat in Nederland wordt erkend, geldt voor alle landen van het Koninkrijk. Het zojuist gestelde, neemt niet weg dat (tot 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) na 1 januari 2012 artikel 10:60 BW tot en met artikel 10:91 BW alleen in Nederland kan worden toegepast.

In de toelichting bij artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is een en ander verder verduidelijkt; zie aldaar voorbeeld 3, in samenhang met voorbeeld 2.

RWN: artikelen 4; 6.1b t/m d; 6.2; 6.7; 7; 10; 11.3; 11.4; 11.6; 14.1; 16.1b; 26.3; 28.1 en 28.3

Minderjarigen van zestien of zeventien jaar moeten uitdrukkelijk verklaren in te stemmen met de (mede)verkrijging of (mede)verlening.

Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een model 2.3 ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de RWN.

Minderjarigen van zestien of zeventien jaar moeten uitdrukkelijk verklaren in te stemmen met de (mede)verkrijging of (mede)verlening.

Artikel VI RRWN

Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een model 2.3 ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de RWN.

Wie de wettelijk vertegenwoordiger is, wordt bepaald door het Nederlands recht inclusief de regels van internationaal privaatrecht. Het ligt op de weg van de persoon die de verklaring aflegt of het verzoek indient om aan te tonen dat hij of zij de wettelijk vertegenwoordiger is.

N.B. Door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ontstaan familierechtelijke betrekkingen met het kind. Dit is echter niet hetzelfde als het uitoefenen van het gezag over het kind. Een erkenner of degene van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft (nog) geen gezag over het kind en kan derhalve niet worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger. Los van de erkenning of de gerechtelijke vaststelling kan hij dit gezag met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen wel verkrijgen.

paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant

3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

Ook bij kinderen vanaf zestien jaar wordt de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder gewezen op de mogelijkheid een zienswijze naar voren te brengen op de wijze zoals hierboven omschreven. Indien de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder zich blijkens zijn of haar zienswijze verzet tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan zal de autoriteit die beslist op de optie of de naturalisatie –na afweging van de gehoorde argumenten –bepalen of het kind het Nederlanderschap zelfstandig verkrijgt dan wel deelt in de verkrijging of verlening. Bij kinderen van zestien jaar en ouder zal –in het licht van het belang dat de wetgever aan de mening van deze oudere kinderen heeft willen toekennen –aan de zienswijze van de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening een geringere betekenis worden toegekend.

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

Artikel 3

Artikel 3

3-alg. Toelichting algemeen

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie3Zie toelichting bij artikel 60a, derde lid en 60b, derde lid BVVN en artikel 6, tweede en achtste lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid onder e, artikel 11, vierde lid en vijfde lid onder b, artikel 23, tweede en derde lid, artikel 26, derde lid en artikel 28, derde lid, RWN..

De verklaring van verbondenheid wordt afgelegd door meerderjarige optanten en naturalisandi. Daarnaast geldt de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid voor minderjarige optanten van zestien jaar en ouder, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap van een ouder. De verplichting geldt ook voor de minderjarige naturalisandus van zestien jaar en ouder, die op grond van artikel 11, vierde lid, RWN een verzoek om naturalisatie indient. Medenaturalisandi van zestien of zeventien jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht een verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. In alle gevallen geldt de leeftijd op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd dan wel het verzoek om naturalisatie wordt ingediend.

Geen.

3-alg. Toelichting algemeen

In Amsterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Vier jaren later blijkt het kind bij geboorte staatloze ouders te hebben gehad. Weliswaar is binnen vijf jaren na het vinden de afstamming van het kind bekend geworden, doch dat heeft voor het kind niet tot gevolg gehad dat het door geboorte een vreemde nationaliteit bezit. Het kan immers aan de ouders geen nationaliteit ontlenen, omdat die staatloos zijn. In dit geval blijft het kind het Nederlanderschap ontlenen aan artikel 3, tweede lid, RWN.

Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

2.2.4. Af te leggen verklaringen

paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Pas bij Wet van 21 december 1951 (Stb. 593), die in werking trad op 29 december 1951 en terugwerkende kracht werd verleend tot 27 december 1949, werd de werking van de WNI 1892 uitgebreid tot Suriname en de Nederlandse Antillen (destijds nog inclusief Aruba). Onder het begrip Koninkrijk in de WNI 1892 moet met terugwerkende kracht tot 27 december 1949, vanaf 1951 naast Nederland, ook worden verstaan Suriname en de Nederlandse Antillen, waaronder ook Aruba viel dat eerst op 1 januari 1986 status aparte kreeg. Sinds 25 november 1975 valt Suriname niet meer onder het Koninkrijk, omdat het land op dat tijdstip onafhankelijk werd.

2.2.5. (Overige) over te leggen documenten

Voor de toepassing van dit artikellid speelt de geboorteplaats van kind, ouders en grootouders geen enkele rol; uitsluitend het hoofdverblijf is bepalend. Het gaat er hier in feite om dat de derde binnen het Koninkrijk wonende (hoofdverblijf hebbende) generatie van een niet-Nederlandse familie bij geboorte van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, omdat die generatie geacht wordt een (zeer) sterke band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te hebben. Een kind kan dan ook op grond van deze bepaling het Nederlanderschap verkrijgen, zelfs als geen van zijn ouders of grootouders die nationaliteit bezit of ooit heeft bezeten.

2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

Voor de toepassing van dit artikellid heeft een kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf daar waar zijn beide ouders hun gewone verblijfplaats hebben. Hebben beide ouders derhalve hoofdverblijf in Nederland, dan heeft het kind eveneens hoofdverblijf in Nederland, ongeacht de plaats van geboorte. Hebben de ouders ieder een andere verblijfplaats, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de ouder die het kind verzorgt. Zie voor het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN.

2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Voorwaarden voor verkrijging Nederlanderschap via de vaderlijke lijn:

paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

N.B. Indien vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn ingevolge artikel 3, derde lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 4 RWN).

paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Dit betekent dat een minderjarig kind dat tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 is erkend door een ten tijde van zijn geboorte in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse man, die zelf geboren is uit een in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse moeder, Nederlander wordt. In dat geval verkrijgt het kind het Nederlanderschap niet vanaf zijn geboorte, maar vanaf de datum van erkenning, omdat het kind eerst vanaf de datum van de erkenning een juridische vader heeft.

De voorwaarden in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003 zijn dus als volgt.

2.3.2. Ontvangstbevestiging

Dit komt doordat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 een postnatale erkenning en een wettiging (zonder erkenning) door een Nederlandse man ook niet van rechtswege de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg had.

2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Per 1 maart 2009 heeft een postnatale erkenning en wettiging (zonder erkenning) door een Nederlander opnieuw de Nederlandse nationaliteit van rechtswege tot gevolg voor een minderjarig kind (artikel 4, tweede lid, RWN en verder).

2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Voor kinderen die vóór hun meerderjarigheid op of na 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN, geldt dan het volgende.

4-2. Ad artikel 4, tweede lid

4-3. Ad artikel 4, derde lid

Een verzoekschrift ex artikel 17 RWN kan worden ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage of het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen of Aruba. Een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:207 BW, waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van de erkende, is eveneens een voldoende bewijsstuk.

In beginsel is de bewijsvoering ter zake van het biologisch vaderschap hierbij vrij. Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving. Dit betekent echter niet dat ten behoeve van de vermelding van de Nederlandse nationaliteit in de GBA genoegen kan en mag worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling. Vastgesteld moet worden dat aan op een andere wijze dan volgens de wijze als neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (Stb. 2008, 417) tot standgekomen testresultaten niet hetzelfde gewicht kan en mag worden gegeven als aan rapporten die dat wel zijn. De wijze van identiteitsvaststelling van degenen die het DNA-materiaal hebben afgestaan en de wijze waarop en door wie het materiaal wordt afgenomen zijn daarbij wezenlijke verschillen.

Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4, zesde lid, RWN) er voldoende zekerheid is omtrent het biologisch vaderschap om de verkrijging van het Nederlanderschap door de erkende op te nemen in de GBA.

2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

A is (behalve Marokkaan ook) Nederlander ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.

5a-alg. Toelichting algemeen

De geboorteplaats van A of die van zijn ouders, c.q. grootouders, speelt geen enkele rol. A voldoet via de moederlijke lijn aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN. Immers, ten tijde van zijn geboorte hadden hij en zijn moeder C hoofdverblijf in Nederland en C is geboren als kind van een moeder die ten tijde van de geboorte van C hoofdverblijf had in Nederland.

Had de moeder van G haar hoofdverblijf in Nederland, maar is zij uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor slechts korte tijd naar Turkije gegaan en spoedig na de geboorte met G naar Nederland teruggekeerd, dan moeten zij en G geacht worden ten tijde van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben gehad in Nederland, waardoor G dus wel Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN.

Artikel 5a

Op 12 november 2002 worden deze kinderen erkend door een Turkse man. Deze man is geboren in Nederland als zoon van destijds in Nederland wonende Turkse ouders.

Artikel 4

Kind J wordt op drie jarige leeftijd in 2004 gewettigd in Turkije door het opvolgend huwelijk tussen zijn Turkse moeder en een Turkse man. J is geboren in Nederland en woont daar ook. De Turkse wettiging kan worden erkend in Nederland op grond van het CIEC-verdrag van Rome. De Turkse vader wordt de juridische vader van J. Voorts wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid RWN voldaan. Echter, J verkrijgt niet van rechtswege met ingang van datum erkenning het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid RWN, want tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 verkreeg ook het kind dat door een Nederlander was gewettigd van niet rechtswege het Nederlanderschap. Met andere woorden wettiging door een Nederlander had toen niet automatisch de Nederlandse nationaliteit tot gevolg en dus ook niet op grond van artikel 3, derde lid, RWN.

K is Nederlander met ingang van 1 augustus 2009 op grond van artikel 3, derde lid RWN. Immers, voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN.

RWN: artikelen 3.1; 3.3 (oud); 4 (oud) en 14.2

Artikel 5c

5a-alg. Toelichting algemeen

4-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

5c-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

Ook als de vader niet de Nederlandse nationaliteit bezit, kan het Nederlanderschap zijn verkregen op grond van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als bedoeld in de paragrafen 3 en 4. Er kan namelijk sprake kan zijn van verkrijging op grond van het zogenaamde grootouder artikel 3, derde lid, RWN (oud). Als de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap terugwerkt tot geboorte, wordt het kind geacht Nederlander te zijn vanaf geboorte indien bij de geboorte van het kind de niet-Nederlandse man, van wie het vaderschap is vastgesteld, in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba woonde en hij zelf is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte in één van die landen woonde.

Op 28 november 2005 stelt de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van B (geboren op 3 augustus 2000), van vreemde nationaliteit, vast wie de vader is. Er is geen hoger beroep ingesteld. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. B verkrijgt het Nederlanderschap op 1 maart 2006. (In een schrikkeljaar ligt de verkrijgingsdatum op 29 februari.)

De onderhavige bepaling geldt voor vaststellingen van het vaderschap die, in hun algemeenheid, onherroepelijk worden op of ná 1 april 2003. Deze bepaling gaat uit van verkrijging van het Nederlanderschap door de minderjarige op het moment dat de rechterlijke uitspraak waarbij het vaderschap is vastgesteld, in het algemeen, niet meer openstaat voor beroep. Een kind van vreemde nationaliteit wordt Nederlander, als het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg van een Nederlandse rechter minderjarig was én de vader Nederlander is:

Afhankelijk van de omstandigheden verkrijgt het kind het Nederlanderschap op één van de dagen, genoemd onder bovenstaande punten. Dit is in het algemeen de datum waarop de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep. De regel is dat het kind het Nederlanderschap verkrijgt op de eerste dag dat de rechterlijke uitspraak in beginsel onherroepelijk is. Ook uit de zinsnede ‘In afwijking van artikel 3’ vloeit voort dat de gerechtelijke vaststelling nationaliteitsrechtelijk niet terugwerkt tot de geboorte van het kind.

Als het vaderschap ná 1 april 2003 buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld, verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Zou echter het toegepaste buitenlandse recht voor dergelijke uitspraken geen kracht van gewijsde kennen, dan moeten voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verkregen, de voor Nederlandse vaststellingen geldende termijnen worden toegepast.

Is de vader van wie het vaderschap ná 1 april 2003 gerechtelijk is vastgesteld, ten tijde van die vaststelling overleden dan gelden de volgende voorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlanderschap (cumulatief):

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht namen (WCN) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW van toepassing.

‘Indien het vaderschap van een kind buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld en dat kind daardoor het Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de geslachtsnaam van dat kind na de vaststelling van het vaderschap niet is bepaald met inachtneming van een naamskeuze in de zin van artikel 5 lid 2 van Boek 1, kunnen de moeder en de man wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld gezamenlijk alsnog, tot twee jaar na het tijdstip waarop de gerechtelijke beslissing houdende vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde gaat, gezamenlijk verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip waarop de beslissing houdende vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde gaat, de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan kan het, tot twee jaar na dat tijdstip, zelf alsnog verklaren of het de geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben.’

5-alg. Toelichting algemeen

Op 19 januari 2004 heeft de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van B (geboren op 10 maart 1999), van vreemde nationaliteit, vastgesteld wie de vader is. Er is geen hoger beroep ingesteld. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. B verkrijgt het Nederlanderschap op 20 april 2004.

Op grond van artikel 4, eerste lid, RWN verkrijgt B het Nederlanderschap op 16 oktober 2004 (dat is de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep). Aan alle voorwaarden van artikel 4, eerste lid, RWN is voldaan; dat zijn in casu de volgende:

2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW

5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

4-6. Ad artikel 4 zesde lid

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde bewijs.

5a-alg. Toelichting algemeen

Als het onderzoek is verricht conform de aanbevelingen van de ISFG, betekent dit dat het vaderschap slechts is bewezen, als het onderzoek met een aan zekerheidgrenzende waarschijnlijkheid (99,9%) het vaderschap bevestigt.

Bijlage 1

Een meisje van acht jaar, geboren uit een Venezolaanse ongehuwde vrouw, wordt door een Nederlander erkend. Acht maanden later wordt een DNA-bewijs overgelegd waaruit blijkt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de erkenner de biologische vader van het kind is. Het DNA-bewijs is in Nederland afgenomen bij een huisarts en vervolgens is het DNA-onderzoek uitgevoerd door een laboratorium in de VS dat werkt volgens de ISO/IEC normen 17025 en 15189. Dit Amerikaanse laboratorium is tevens geaccrediteerd door de American Council of Independent Laboratories. Deze laatste organisatie is aangesloten bij de ILAC. Dit DNA-bewijs kan evenwel niet worden geaccepteerd, omdat het laboratorium niet is geaccrediteerd conform de aanbevelingen van de ISFG. De monsterafname is evenmin op de juiste wijze geschied.

2. Procedure

Artikel 5b

Per 1 april 2003 zijn in het toenmalige artikel 5 RWN de woorden “de adoptief-vader of adoptief-moeder” gewijzigd in: “ten minste één der adoptiefouders”, zulks in verband met de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht.

5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid

Omstreeks 1997 is geoordeeld dat ook sprake is van verwerving van het Nederlanderschap door de minderjarige, indien door een Nederlandse rechter een verklaring voor recht werd afgegeven, inhoudende dat een buiten het Koninkrijk totstandgekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft, én ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was op het moment van de verklaring voor recht. Dit standpunt is met ingang van 1 oktober 1998 verlaten27Zie in dit verband Handleiding RWN 1999, TBN 2000/4, van 22 september 2000, Stc. 2000, 200 van 16 oktober 2000..

HOOFDSTUK 3. Wet conflictenrecht adoptie

Per 1 april 2003 is de wijze van vaststelling van de dag, waarop het Nederlanderschap door adoptie verkregen wordt, anders geformuleerd. Vóór 1 april 2003 was bepaald, dat het Nederlanderschap verkregen werd op de dag dat de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde had gekregen. De huidige, daarvan afwijkende, formulering houdt verband met het feit dat, sinds het procesrecht in zaken van personen- en familierecht op 1 april 1995 gewijzigd is, een adoptiebeschikking strikt genomen niet meer in kracht van gewijsde gaat, aangezien er altijd een kleine kans bestaat dat een onbekende belanghebbende alsnog hoger beroep instelt.

5c-alg. Toelichting algemeen

B, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat X, is in verdragsstaat X geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is B bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat X aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag tot stand is gekomen, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie verbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 19 maart 2004 op 19 mei 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid

Geen.

Artikel 5a RWN vormde van 1 oktober 1998 tot 1 januari 2004 de leden twee en drie van het toenmalige artikel 5 RWN. Op 1 januari 2004 zijn deze artikelleden vernummerd tot artikel 5a RWN (Stb. 2003, 284).

Artikel 6

RWN: artikelen 1; 2; 8; 9; 12; 13; 14.1; 21; 22; 23; 26 en 28

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

C, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat Y, is in verdragsstaat Y geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is C bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat Y aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag totstandgekomen is, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie nietverbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 5 januari 2004 op 5 maart 2004 in kracht van gewijsde is gegaan. De adoptie is in Nederland bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004 (in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag) omgezet in een adoptie naar Nederlands recht. Er wordt geen hoger beroep ingesteld.

6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

Artikel 5b

5b-alg. Toelichting algemeen

5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid

AFDELING 3 ARTIKEL 10:107 BW TOT EN MET ARTIKEL 10:111 BW

5c-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant

paragraaf 6. Overgangsrecht

BW: artikelen 1:5; 1:253aa; 1:253sa en 1:253t

Boek 10 BW: artikelen 22 lid 2 en 25 lid 1 onder a, 25 lid 1 onder b, 25 lid 2, 29, 58

WRvS: artikelen 37 en 39

Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;

artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;

artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.

E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN.

De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de RWN aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Als achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.

Minderjarige niet-Nederlandse kinderen delen voortaan onder bepaalde voorwaarden in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouders. Zie de toelichting bij artikel 6, achtste lid, RWN. Dit wijkt sterk af van de situatie vóór 1 april 2003. Toen deelden minderjarige kinderen nooit in de optie van hun ouders.

In bepaalde gevallen wordt de naam van de optant en van zijn minderjarige kinderen in overleg met de optant vastgesteld in overeenstemming met het Nederlandse namenrecht (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid, RWN). Ook deze situatie wijkt af van de oude situatie. Een bepaling over de vaststelling van namen bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie ontbrak toen geheel. Bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie is naamswijziging in principe niet mogelijk (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid RWN).

Als hoofdregel geldt dat bevestiging van de optie wordt geweigerd als er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie hieronder de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN als de optant de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Daarnaast wordt een uitzondering gemaakt als het op grond van een volkenrechtelijke verplichting niet is toegestaan om de bevestiging om die reden te weigeren. Voor twee van de in artikel 6 RWN genoemde categorieën van optiegerechtigden is dit het geval. Zie de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b en c, RWN.

De datum op de schriftelijke bevestiging door het bestuursorgaan bepaalt het tijdstip waarop het Nederlanderschap uiteindelijk (na het meestal op een ná die datum gelegen naturalisatieceremonie afleggen van de verklaring van verbondenheid en de uitreiking van het besluit) wordt verkregen. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie heeft geen terugwerkende kracht (zie artikel 2, eerste lid, RWN).

De optant die niet voldoet aan alle voorwaarden, wordt geadviseerd geen optieverklaring af te leggen. Voor de uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden wordt voldaan, is het moment van de bevestiging van de optie bepalend.

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW

Paragraaf 1. Algemeen

6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen

paragraaf 4. Erkenning en wettiging vanaf 1 maart 2009

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

Een ongehuwde Italiaanse vrouw bevalt op 1 april 2000 van een zoon. Op 1 april 2010 erkent een Nederlander, met wie de vrouw al twee jaar een relatie heeft en samenwoont, het minderjarige kind, omdat zij beiden graag willen dat het kind een vader en de Nederlandse nationaliteit krijgt. Omdat het kind echter al ouder is dan zeven jaar moet de Nederlander zijn biologische vaderschap aantonen bij of binnen een jaar na erkenning voordat deze erkenning voor het kind nationaliteitsrechtelijke gevolgen heeft. Omdat de Nederlander weet dat hij onmogelijk de biologische vader kan zijn van het kind, omdat hij op het moment van de geboorte de Italiaanse vrouw nog niet kende, besluit hij geen DNA-onderzoek uit te laten voeren. Nadat hij het kind drie jaar heeft verzorgd en opgevoed kan hij, als hij het gezag heeft over het kind en dus kan optreden als wettelijk vertegenwoordiger van het kind, een optieverklaring afleggen op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder c RWN.

Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e

Van belang is dus of de moeder vóór 1 maart 1964 is gehuwd. Is de moeder niet gehuwd (geweest) met een vreemdeling of pas na 1 maart 1964 gehuwd, dan speelt verlies op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 niet.

Ten aanzien van een optant geboren vóór 25 november 1975 in Suriname van wie de ouders in Suriname of het Koninkrijk zijn geboren, mag worden aangenomen dat hij oud-Nederlander is. Ten aanzien van een optant geboren vóór 21 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië, mag worden aangenomen dat hij (ten minste) de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de optant geboren vóór 1 oktober 1962 in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea.

De Nederlandse vrouw die na 1 april 1953 en tot 24 augustus 1957 met een Duitse man huwde verloor niet automatisch de Nederlandse nationaliteit, omdat zij door haar huwelijk niet automatisch de Duitse nationaliteit verkreeg. Dit volgde uit het vonnis van Bundesverfassungsgericht van 1 april 1953. Het Hof oordeelde dat vanaf die datum een vreemde vrouw die met een Duitser huwde op grond van artikel 3, tweede lid Grundgesetz (dat de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen vastlegt) niet automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.

B, van geboorte Nederlander, is in de jaren vijftig met zijn ouders naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Hij is in 1983 in dienst getreden van het ministerie van Onderwijs van Zuid-Afrika. Hij heeft hierdoor de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, onder 4, WNI. Op zijn zestigste keert B terug naar Nederland. Hier wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard (verblijfsdocument I). In strijd met de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten neemt B van een vakantie in Kenia een horlogebandje van luipaardleer mee. Hij krijgt hiervoor een transactievoorstel van 100 euro. Dit betaalt hij onmiddellijk. B vergeet na een jaar zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vraagt hij alsnog verlenging van de vergunning aan. B wordt daarop opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard. Deze vergunning heeft echter geen terugwerkende kracht. Een maand later meldt B zich bij de burgemeester om een optieverklaring af te leggen. De bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap van B dient te worden geweigerd. Weliswaar is B oud-Nederlander, heeft hij langer dan een jaar hoofdverblijf in Nederland en heeft hij toelating voor onbepaalde tijd en is het transactiebedrag te laag om te concluderen dat B op grond van zijn gedrag een gevaar vormt voor de openbare orde, maar B is op het moment van de bevestiging van de optie nog niet voor ten minste één jaar toegelaten. Hij heeft immers niet tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning gevraagd en hij heeft daardoor een zogenaamd ‘verblijfsgat’ opgelopen. B, die de Nederlandse taal uitstekend beheerst, komt overigens, als oud-Nederlander, wel voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie in aanmerking (zie artikel 8, tweede lid, RWN), omdat hiervoor geen voorafgaande verblijfstermijn wordt gesteld.

Paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind

Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892

Als een vrouw vóór de geboorte van haar kind de Nederlandse nationaliteit heeft verloren dan kan haar kind niet opteren voor het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Dit kind is immers niet geboren uit een Nederlandse moeder.

Degene die is geboren uit een (ongehuwde dan wel gehuwde) vrouw die Nederlands onderdaan niet-Nederlander was ten tijde van de geboorte kan niet opteren op grond van artikel 6, eerste lid en onder i RWN. Zie daarvoor ook bij paragraaf 2 onder artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f.

Een kind wordt in 1948 geboren in Paramaribo staande het huwelijk van zijn moeder, Nederlands onderdaan-niet-Nederlander, en zijn Braziliaanse vader. Het kind heeft de Braziliaanse nationaliteit van zijn vader gekregen.

Hij kan geen optieverklaring afleggen op grond artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, omdat zijn moeder op de datum van zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit had. Immers, een Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is niet in het bezit van het Nederlanderschap.

Paragraaf 1. Algemeen

De Nederlandse vrouw die tussen 24 augustus 1957 en 1 maart 1964 huwde met een Duitser kon bij de huwelijksvoltrekking in Duitsland bij proces-verbaal verklaren dat zij de Duitse nationaliteit wenste te krijgen. Dit was een optieverklaring (‘Drittes Gesetz zur Regelung von Fragen der Staatsangehörigkeit’ van 1957, § 6 lid 2 RuSTAG). De Nederlandse vrouw verloor het Nederlanderschap op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 ook en werd dus staatloos, indien zij naliet een verklaring af te leggen om Duitse te worden. Zij heeft immers geen gebruik gemaakt van een eenvoudige wijze de nationaliteit van haar man te verkrijgen. Zij werd dan staatloos. Haar kind geboren staande het huwelijk kan niet opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892

Paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964

De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1982. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

Het Nederlanderschap kan in eerste instantie blijken uit de persoonskaart of een uittreksel GBA met historische gegevens van de vrouw. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot en een verklaring van de autoriteit van het land waar de optant is geboren, waaruit blijkt dat zij niet die vreemde nationaliteit heeft verkregen, kunnen behulpzaam zijn bij het bepalen of het Nederlanderschap is verloren. Onderzoek naar de Nederlandse nationaliteit van de moeder kan soms ook beperkt worden tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.

Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit reeds was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.

Als ná de geboorte dit kind een juridische vader kreeg, dan kon dat betekenen dat zijn Nederlanderschap verloren ging. Ook deze vreemdelingen kunnen opteren op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder i RWN.

Een kind wordt in 1980 op 8-jarige leeftijd geadopteerd bij uitspraak van de Nederlandse rechter door een echtpaar dat is gehuwd in 1972. De adoptiefvader bezit de Belgische nationaliteit en de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken, waar onder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de adoptiefouders en het kind. Hij kan opteren op grond van onderdeel j, indien op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg de adoptiefmoeder nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Tussen 1 maart 1964 en 1 januari 1985 verkreeg de vrouw automatisch de Belgische nationaliteit en behield zij het Nederlanderschap op grond van de destijds geldende Nederlandse nationaliteitswetgeving. Er bestond ook geen eenvoudige optiemogelijkheid voor haar voor de nationaliteit van haar echtgenoot. Gelet op de Belgische nationaliteitswetgeving kan voor de met een Belg huwende buitenlandse vrouw worden aangenomen dat de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg. Optie is dus mogelijk op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN.

3.5.1. Buitenlands reisdocument

6-1-k. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k

Alleen wanneer de adoptiefvader was overleden, kon de adoptiefmoeder aan het minderjarig kind het Nederlanderschap doorgeven, mits zij op de dag dat de adoptieuitspraak van een rechter in het Koninkrijk onherroepelijk werd, de Nederlandse nationaliteit bezat. Dit kind ontleende dus aan zijn Nederlandse adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1bis WNI 1892.

Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte

paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Een kind wordt in 1976 in Amsterdam geboren als kind van een ongehuwde Nederlandse moeder. Het verkrijgt daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1 sub c WNI 1892. In 1978 trouwt de moeder in Australië met een Australische man. Het kind wordt hierdoor op tweejarige leeftijd gewettigd.

Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak

Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892

In het voorgaande lid wordt onder ‘Koninkrijk’ Nieuw-Guinea niet begrepen.

Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit reeds was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.

Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Toelichting

Artikel 1bis WNI was van kracht sinds 1 oktober 1962. Het was echter ook van toepassing op vóór die datum door Nederlanders geadopteerde kinderen, indien aan alle in het artikel gestelde voorwaarden was voldaan.

6-1-m. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m

Herroeping van de adoptie had, naar algemeen werd aangenomen, geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.

De optiemogelijk in onderdeel j geldt dus alleen voor kinderen die zijn geadopteerd voor 1 januari 1985 door een vrouw met de Nederlandse nationaliteit.

Het Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan worden geraadpleegd om te beoordelen of de adoptiefmoeder voorafgaande aan de onherroepelijk adoptieuitspraak afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 en 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.

De optieautoriteit neemt contact op met de IND om het Nationaliteitenregister te raadplegen als een persoon is geboren op of na 1 januari 1964 om na te gaan of de optant niet eerder heeft geopteerd ex artikel 27, tweede lid (oud) RWN. Als namelijk het Nederlanderschap na deze optie is verloren, kan geen gebruik worden gemaakt van de optiemogelijkheid in onderdeel i of j en kan alleen geopteerd worden op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f RWN (artikel 6, negende lid RWN).

Paragraaf 1.5. Vereiste documenten

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Casus zoals in voorbeeld 1. Echter, de Belgische adoptiefvader komt te overlijden voordat een adoptieuitspraak wordt gedaan in eerste aanleg. In dat geval heeft het kind op grond van artikel 1 bis WNI de Nederlandse nationaliteit verkregen via de adoptiefmoeder.

Paragraaf 1.4. Vereiste documenten

De Turkse erkenning kon tot 1 januari 2012 worden erkend in Nederland op grond van de Wet conflictenrecht afstamming (Wca). Vanaf 1 januari 2012 is artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW van toepassing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden in Turkije. Ook blijkt dat de vader van het kind, had kunnen opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, als hij was blijven leven. Hij is immers geboren uit een Nederlandse moeder en een vader die niet de Nederlandse nationaliteit had. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN, omdat zijn overleden vader optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Let op: in principe kan op grond van artikel 6, achtste lid RWN een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j RWN, indien hij toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk.

Is de persoon bedoeld in onderdeel i of j de moeder, dan blijkt dat op voldoende wijze uit de (binnen- of buitenlandse) geboorteakte van de beoogd optant.

Als het een prénatale erkenning betreft naar buitenlands recht, moet deze uiteraard tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. De Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op erkenningen die op of na 1 januari 2003 tot stand zijn gekomen. Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:92 BW tot en met artikel 10:102 BW van toepassing. Artikel 10:102 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW van toepassing is op erkenningen die na 1 januari 2003 tot stand zijn gekomen.

In ieder geval zal het biologisch vaderschap van de erkenner kunnen worden vastgesteld door de rechter binnen het Koninkrijk of in het buitenland. Een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:207 BW (de gerechtelijke vaststelling vaderschap), waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van de erkende, is een voldoende bewijsstuk.

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of ouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de moeder of vader van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

A, van Israëlische nationaliteit, is optiegerechtigd op grond van artikel 6, eerste lid en onder i RWN. A heeft geen belangstelling voor het Nederlanderschap en wil niet opteren. Haar zoon B, ook van Israëlische nationaliteit, heeft wel belangstelling. A overlijdt in 2017. Pas na het overlijden van A kan B de optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.

Het bovenstaande voorbeeld maakt dus duidelijk dat de ‘overleden ouder’ dus niet op het moment van de inwerkingtreding van deze optiebepalingen al hoeft te zijn overleden.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is, de vader (en de moeder) de juridische ouders zijn van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden. Voorts is gebleken uit een DNA-rapport van Verilabs/Baseclear dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs, maar dat de erkenner niet voor 99,9 % zeker de biologische vader is van het kind. Het kind kan het Nederlanderschap dan niet verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m RWN.

Voorts eist onderdeel l dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel l. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden.

6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid

1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder

4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

6-1-o. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Procedure

Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Een uit een Oekraïnse ongehuwde vrouw geboren kind wordt op 10-jarige leeftijd in 2009 in Rotterdam erkend door een Duitse man. Deze Duitse man is in 1980 in Duitsland geboren staande een huwelijk van een Duitse vader en een Nederlandse moeder. Zij heeft niet de Duitse nationaliteit verkregen na dit huwelijk.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is, de vader (en de moeder) de juridische ouders zijn van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden. Voorts is gebleken uit een DNA-rapport van Verilabs/Baseclear dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs, maar dat de erkenner niet voor 99,9 % zeker de biologische vader is van het kind. Het kind kan het Nederlanderschap dan niet verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m RWN.

Let op: in principe kan op grond van artikel 6, achtste lid RWN een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j RWN, als de minderjarige toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk. In het geval van toepassing van artikel 6, achtste lid RWN is geen bewijs van het biologisch vaderschap nodig.

Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN voor de uitzonderingssituaties.

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Bij deze optiecategorie geldt artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, RWN. Meerderjarig is degene die 18 jaar of ouder is of voor zijn 18e in het huwelijk is getreden.

Uitzonderingen (zie paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon (man) bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel n gaat uit van afstamming door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Van deze persoon (man) is door de rechter vastgesteld dat hij de vader is van de optant.

Als het een gerechtelijke vaststelling vaderschap betreft naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlandse internationaal privaatrecht. De Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op buitenlandse gerechtelijke vaststellingen vaderschap die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Per 1 januari 2012 geldt artikel 10:92 tot en met 10:102 BW.

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Voorts eist onderdeel n dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder i of j voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.

In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder a, BVVN is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de artikelen 3 tot en met 12 en 60a BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn vader in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Een kind wordt te Rotterdam in 1990 geboren uit een Russische moeder. Bij uitspraak van de Nederlandse rechter op 1 mei 1998 wordt vastgesteld dat een Hongaarse man de vader is van het kind. Deze Hongaarse man heeft geopteerd voor het Nederlanderschap op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken, waar onder de uitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de vader (en moeder) en het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n RWN.

Casus zoals in voorbeeld 1. Echter, de Hongaarse vader komt te overlijden nadat de rechter zijn vaderschap heeft vastgesteld. Hij is in 1978 geboren uit een Hongaarse vader en een Nederlandse moeder staande hun in 1974 in Hongarije gesloten huwelijk. Volgens de Hongaarse nationaliteitswetgeving van destijds, verkreeg de vrouw niet automatisch de Hongaarse nationaliteit door huwelijk met een Hongaar, maar kon zij in aanmerking komen voor versnelde naturalisatie. In 1977 naturaliseert zij tot Hongaars staatsburger en verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 1 WNI 1892. Dit betekent dat moeder niet in het bezit was van het Nederlanderschap toen haar zoon werd geboren in 1978. Het in 1990 geboren kind kan niet opteren, omdat zijn overleden vader niet optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

6-1-o. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o

paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

Paragraaf 1

paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant

paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen

Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige

paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Artikel 18

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Geen.

Geen.

Gemeenschapsonderdanen ontlenen hun rechtmatig verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan ontstaat van rechtswege maar eindigt als regel niet van rechtswege. Indien het verblijfsrecht niet van rechtswege is vervallen, is voor de beëindiging van het verblijfsrecht een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nodig.

Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voor een bepaalde periode (onafgebroken) toelating heeft (gehad). De oorzaak hiervan is gelegen in het niet altijd compleet zijn van zowel de elektronische als de fysieke vreemdelingenadministraties. In deze gevallen wordt de bewijslast aangepast en wordt in het BOT voor die bewuste periode vermeld, dat, hoewel de toelating niet (meer) kan worden vastgesteld wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande gegevens, betrokkene geacht wordt te zijn toegelaten geweest. Voorwaarde is wel dat duidelijkheid wordt verschaft omtrent de datum van eerste toelating en dat in de periode waarover de twijfel zich uitstrekt, geen sprake is van enige aanwijzing waaruit een vermoeden van illegaal verblijf kan worden afgeleid. Indien hieraan wordt voldaan en er overigens geen andere gegevens zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode geen verblijfsrecht zou hebben gehad, dan krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel.

RWN: artikelen 4; 6.1b t/m d; 6.2; 6.7; 7; 10; 11.3; 11.4; 11.6; 14.1; 16.1b; 26.3; 28.1 en 28.3

Geen.

In dit artikellid is het beginsel neergelegd dat minderjarigen bij het afleggen van optieverklaringen, verklaringen van afstand van het Nederlanderschap en het indiening van verzoeken om naturalisatie moeten zijn vertegenwoordigd door hun wettelijk vertegenwoordiger, tenzij dit anders is bepaald (zie ook artikel 3, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid en artikel 16, eerste lid RWN). Ook de wettelijk vertegenwoordiger zal in beginsel in persoon dienen te verschijnen teneinde zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over zijn identiteit (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, tweede lid, BVVN).

Een kind wordt op 15 januari 2001 buiten huwelijk geboren uit een niet-Nederlandse vrouw. Bij uitspraak van 30 juni 2003 wordt door de Nederlandse rechter vastgesteld dat een Nederlandse man de vader is. Het rechtsgevolg van de gerechtelijke vaststelling is dat het kind en de man vanaf de geboorte van het kind in familierechtelijke betrekkingen tot elkaar komen te staan. De vaststelling werkt immers terug tot aan de geboorte van het kind. Het kind wordt echter pas Nederlander op het in artikel 4 RWN vermelde tijdstip.

Een kind wordt op 15 januari 2001 buiten huwelijk geboren uit een niet-Nederlandse vrouw. Op 30 januari 2004 wordt het kind erkend door een Nederlandse man. De moeder legt op 1 mei 2007 voor het kind een schriftelijke verklaring af ter verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Aan alle voorwaarden wordt voldaan en de verkrijging van het Nederlanderschap wordt op 10 mei 2007 bevestigd. Tussen het kind en de man zijn op 30 januari 2004 familierechtelijke betrekkingen ontstaan (een erkenning heeft rechtsgevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan). Het kind verkrijgt echter pas het Nederlanderschap op 10 mei 2007, de datum waarop de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd.

Er zijn drie uitzondering op de regel dat minderjarigen van 16 of 17 door tussenkomst van hun wettelijk vertegenwoordiger rechtshandelingen verrichten, namelijk:

In dit artikellid is het beginsel neergelegd dat minderjarigen bij het afleggen van optieverklaringen, verklaringen van afstand van het Nederlanderschap en het indiening van verzoeken om naturalisatie moeten zijn vertegenwoordigd door hun wettelijk vertegenwoordiger, tenzij dit anders is bepaald (zie ook artikel 3, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid en artikel 16, eerste lid RWN). Ook de wettelijk vertegenwoordiger zal in beginsel in persoon dienen te verschijnen teneinde zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over zijn identiteit (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, tweede lid, BVVN).

Op grond van dit artikellid moet een minderjarige bij het afleggen van verklaringen en het indienen van verzoeken betreffende de nationaliteit vertegenwoordigd zijn door zijn wettelijk vertegenwoordiger, tenzij dit anders is bepaald. Minderjarigen vanaf twaalf jaar hebben wel het recht hun mening over een wijziging van hun nationaliteitsrechtelijke positie kenbaar te maken. Op grond van het vierde lid van dit artikel worden deze minderjarigen van twaalf tot zestien jaar dan ook in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de (mede)verkrijging of (mede)verlening van het Nederlanderschap.

Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3 HKV 1961 in beginsel de nationale wet van de minderjarige bepaalt wie het gezag uitoefent, maar dat de uit die wet voortvloeiende gezagsverhouding niet in alle gevallen door de administratieve en rechterlijke instanties als onaantastbaar moet worden beschouwd19Voor een uitgebreide omschrijving van deze problematiek wordt verwezen naar de Kluwerbundel Personen- en familierecht, deel 3, titel 14 internationaal privaatrecht..

Toelichting

Ook bij kinderen vanaf zestien jaar wordt de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder gewezen op de mogelijkheid een zienswijze naar voren te brengen op de wijze zoals hierboven omschreven. Indien de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder zich blijkens zijn of haar zienswijze verzet tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan zal de autoriteit die beslist op de optie of de naturalisatie –na afweging van de gehoorde argumenten –bepalen of het kind het Nederlanderschap zelfstandig verkrijgt dan wel deelt in de verkrijging of verlening. Bij kinderen van zestien jaar en ouder zal –in het licht van het belang dat de wetgever aan de mening van deze oudere kinderen heeft willen toekennen –aan de zienswijze van de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening een geringere betekenis worden toegekend.

Bij naturalisatie zal de burgemeester de Minister van Justitie adviseren over de vraag of het kind al dan niet moet delen in de verlening van het Nederlanderschap dan wel zelfstandig genaturaliseerd moet worden. De beslissing of het kind wordt voorgedragen voor (mede)naturalisatie wordt –na afweging van de gehoorde argumenten –genomen door de Minister van Justitie.

De behandelend ambtenaar Burgerzaken stuurt A en haar moeder (zij kan eveneens optreden als wettelijk vertegenwoordiger) een brief waarin zij worden gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging. A geeft als zienswijze dat zij graag het Nederlanderschap wil verkrijgen, omdat zij al lange tijd in Nederland woont en zich verbonden voelt met de Nederlandse samenleving. De moeder van A geeft aan dat zij niet wenst dat A de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, maar geeft daarvoor geen reden op. De behandelend ambtenaar Burgerzaken moet beslissen of A deelt in de verkrijging van het Nederlanderschap. Aangezien niet duidelijk is waarom de moeder zich niet kan vinden in de verkrijging van het Nederlanderschap door A en daarnaast zowel de vader als A gemotiveerd hebben aangegeven waarom verkrijging van de Nederlandse nationaliteit wenselijk is, beslist hij dat A meedeelt in de verkrijging van het Nederlanderschap.

B en zijn vader gaan samen naar het stadhuis van Haarlem om een verzoek om naturalisatie voor B in te dienen. Aan de vereisten van artikel 11, vierde lid, RWN wordt voldaan. B verklaart uitdrukkelijk dat hij Nederlander wil worden. De vader overhandigt desgevraagd de rechterlijke uitspraak waarbij de echtscheiding is uitgesproken. De behandelend ambtenaar Burgerzaken komt, na het lezen van de uitspraak, tot de conclusie dat bij de echtscheiding de rechter met toepassing van het Nederlandse recht het ouderlijk gezag alleen aan de moeder heeft toegekend en dat de vader derhalve niet bevoegd is om als wettelijk vertegenwoordiger voor B op te treden. Op grond hiervan ontraadt hij de vader om het verzoek om naturalisatie voor B in te dienen. De vader en B zijn het hiermee niet eens en het verzoek om naturalisatie wordt toch ingediend. Het verzoek wordt door de ambtenaar Burgerzaken met een negatief advies doorgestuurd naar de IND. De IND stuurt de vader van B een brief met de mededeling om binnen een bepaalde termijn het gebrek te herstellen. De vader reageert niet op deze brief. Het verzoek wordt vervolgens met inachtneming van de bepalingen in artikel 4:5 Awb buiten behandeling gesteld. Het verzoek voldoet immers niet aan het wettelijk vereiste in artikel 2, derde lid, RWN.

A is in 2004 in Duitsland geboren als kind van een Nederlandse moeder en een Turkse vader. Hij ontleent weliswaar de Turkse nationaliteit aan zijn vader, maar verkrijgt bij geboorte tevens het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN. Dat A niet in Nederland geboren is, speelt geen rol.

Op 1 januari 1985 trad de RWN in werking en deze is nog steeds geldig. Het op 1 januari 1985 inwerking getreden artikel 3, derde lid RWN is op 1 april 2003 wezenlijk gewijzigd, doordat ook de ‘grootvader’, naast ‘grootmoeder’ een rol kreeg in het artikel.

Om te bezien of van rechtswege de Nederlandse nationaliteit is verkregen, moet worden gekeken op welke datum de erkenning dan wel de wettiging heeft plaatsgehad.

Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 werd van rechtswege Nederlander het minderjarig kind dat door een Nederlandse man postnataal werd erkend of door hem werd gewettigd zonder erkenning als gevolg van een opvolgend huwelijk tussen de ouders (artikel 4 (oud) RWN).

In 2004 wordt in Marokko kind A geboren, zoon van een te Rotterdam wonend Marokkaans echtpaar. De moeder is uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor slechts korte tijd naar Marokko gegaan en spoedig na de geboorte met het kind naar Nederland teruggekeerd. Toen vader B geboren werd woonden zijn ouders in Frankrijk en toen moeder C geboren werd woonde haar vader in België en haar moeder in Nederland.

D is in 2004 in Nederland geboren als kind van de in Nederland wonende Turkse moeder E en de in België wonende Turkse vader F. De moeder is in België geboren uit aldaar wonende ouders en de vader is geboren uit een in Nederland wonende moeder.

Ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

Niet mag worden gesteld dat D Nederlander is vanwege het feit dat hij bij geboorte een in Nederland wonende moeder (E) heeft en zijn grootmoeder van vaderszijde ten tijde van de geboorte van zijn vader (F) in Nederland woonde. Die redenering gaat niet op, omdat dan van de moederlijke lijn wordt overgesprongen naar de vaderlijke lijn, hetgeen niet is toegestaan.

Conclusie is dan ook, dat D noch via de moederlijke, noch via de vaderlijke lijn, Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid, RWN. Hij heeft bij zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit verkregen.

5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid

Kind K is in 2000 geboren in Amsterdam uit een aldaar wonende Surinaamse moeder. Op 1 augustus 2009 wordt K erkend te Amsterdam door een Ghanese man, wiens vader hoofdverblijf had in Nederland ten tijde van zijn geboorte. De Ghanese man heeft hoofdverblijf in Nederland vanaf zijn geboorte. Bij de gemeente wordt vrijwillig DNA-bewijs overgelegd van Baseclear/Verilabs, waaruit blijkt dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs en dat de Ghanese vader voor 99,9 % de biologische vader is van K.

Per 1 april 2003 kan immers een kind ingevolge dit artikellid ook het Nederlanderschap verkrijgen via de vaderlijke lijn. Daarnaast verkrijgt per 1 maart 2009 een minderjarige van zeven jaar en ouder weer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit als hij door een Nederlander is erkend en DNA-bewijs wordt overgelegd. Het overgelegd DNA-bewijs, waaruit biologisch vaderschap van de erkenner blijkt, voldoet tenslotte aan de eisen gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap.

Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander (artikel 4 RWN (oud)). Tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 kon een erkende en/of gewettige minderjarige (uitsluitend) na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. De verkrijging van het Nederlanderschap door wettiging is vanaf 1 maart 2009 opgenomen in artikel 4, derde lid RWN. Prénatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) door een Nederlandse man leidt tot onmiddellijke verkrijging van het Nederlanderschap vanaf de geboorte (zie artikel 3, eerste lid RWN).

paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Indien het vaderschap ná 1 april 2003 buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld26Voor de bedoeling of buiten Nederland het vaderschap rechtsgeldig is vastgesteld, wordt hier verwezen naar de Wet conflictenrecht afstamming (Stb. 2002, 153). De beoogde inwerkingstredingsdatum van deze wet is 1 januari 2003., verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Zou echter het toegepaste buitenlandse recht voor dergelijke uitspraken geen kracht van gewijsde kennen, dan dienen voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verkregen, de voor Nederlandse vaststellingen geldende termijnen te worden toegepast.

Indien naar Nederlands internationaal privaatrecht vóór 1 april 2003 in het buitenland het vaderschap rechtsgeldig is vastgesteld, is van belang of die buitenlandse vaststelling –net als een vaststelling ex artikel 1:207 BW –terugwerkende kracht heeft tot de geboorte van het kind. Als dat het geval is, is het hierboven in paragraaf 3 vermelde van overeenkomstige toepassing. Heeft de buitenlandse vaststelling van het vaderschap geen terugwerkende kracht, dan heeft de vaststelling geen verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg.

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

Op grond van artikel 4, eerste lid, RWN verkrijgt C het Nederlanderschap op 12 mei 2004. Immers, C was op 12 maart 2004 (de dag van de uitspraak in eerste aanleg) minderjarig, de rechterlijke uitspraak is op 12 mei 2004 in kracht van gewijsde gegaan en de vader was toen Nederlander. Dat C al meerderjarig was op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, speelt geen rol. Wat dat betreft is uitsluitend de dag van de uitspraak in eerste aanleg bepalend en op die dag was C nog minderjarig.

B is in Nederland geboren en twintig jaar oud. Hij is uitsluitend in het bezit van de Belgische nationaliteit. Hij woont sinds zijn geboorte in Heerlen. Hij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II). Op zijn veertiende jaar heeft B een gewapende overval gepleegd op een benzinestation in Aken. Hij heeft hiervoor een jaar jeugddetentie opgelegd gekregen in Duitsland. De straf heeft hij uitgezeten in Duitsland. Kort voor zijn zestiende jaar is hij vrijgekomen en onmiddellijk teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd. B kan opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Weliswaar heeft hij niet zijn gehele leven in Nederland verbleven, maar de detentie in Duitsland geldt niet als onderbreking van zijn hoofdverblijf in Nederland aangezien hij onmiddellijk na zijn detentie naar Nederland is teruggekeerd. Dat B in het verleden buiten Nederland een strafbaar feit heeft gepleegd is voor de beoordeling of hij op grond van dit gedrag een gevaar oplevert voor de openbare orde op zichzelf wel relevant. B heeft echter gedurende vier jaar na beëindiging van zijn detentie geen nieuw strafbaar feit gepleegd. Hij heeft daarmee voldaan aan de rehabilitatietermijn (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

4-3. Ad artikel 4, derde lid

Geen.

Op dit moment zijn Sanquin, het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), Mocite B.V. en Baseclear door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd conform de bovengenoemde normen. Baseclear werkt samen met Verilabs. Verilabs is niet geaccrediteerd volgens bovengenoemde normen, maar onderhoudt de klantcontacten voor Baseclear. Als Verilabs het DNA bewijs heeft afgenomen op het laboratorium (rechtsgeldig DNA-onderzoek, dus niet via een thuiskit) en Baseclear heeft het DNA-onderzoek gedaan (het onderzoeksrapport staat op briefpapier van Baseclear), dan kan het DNA-bewijs geaccepteerd worden.

5a-alg. Toelichting algemeen

Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on private international law’: www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.

Bijlage. bij artikel 5a RWN

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g

6-1-i. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985

paragraaf 6. Overgangsrecht

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

Alle overige voorwaarden gelden onverkort. De overgangsregeling geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten. Zie artikel 26 RWN voor een nadere aanduiding van deze categorieën oud-Nederlanders en hun minderjarige kinderen.

Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

6-1-i. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i

Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.6. Vereiste documenten

Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit

Als de optant in het buitenland is geboren of als de moeder nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van de ouders van de moeder relevant om te bepalen of zij het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.

Het is dus voor de beoordeling van deze optiemogelijkheid van belang om te bekijken of een moeder, die gehuwd is met een vreemdeling, wellicht de Nederlandse nationaliteit door dat huwelijk heeft verloren of door één van de andere gronden van artikel 7 WNI.

Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)

Vrouwen die door het huwelijk vóór 1 maart 1964 de Nederlandse nationaliteit hadden verloren, konden deze herkrijgen ná 1 maart 1964 door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring. Deze opties zijn opgenomen in het Nationaliteitenregister van de IND en zijn relevant als een kind is geboren nadat de moeder het Nederlanderschap heeft herkregen door deze optie.

De nationaliteitswetten van een groot aantal andere staten bood wel een mogelijkheid (vóór 1 maart 1964) om de nationaliteit van de echtgenoot te verkrijgen door het huwelijk.

Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.6. Vereiste documenten

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of (groot)ouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als moeder of vader (of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Een vereiste voor een optie op grond van artikel 6, eerste lid aanhef, onder i RWN is dat de optant is geboren uit een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader.

Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige

6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l

Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar paragrafen 1.2.1 en 2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Hij kan dan het Nederlanderschap, als hij dat inmiddels verloren heeft, herkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN.

6-1-k. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k

Een vreemdeling (meerderjarig of minderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning geldig is vader (en de moeder) de juridische ouders zijn van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden. Voorts is gebleken uit een DNA-rapport van Verilabs/Baseclear dat het DNA-materiaal is afgenomen op het kantoor van Verilabs, maar dat de erkenner niet voor 99,9 % zeker de biologische vader is van het kind. Het kind kan het Nederlanderschap dan niet verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m RWN.

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel k gaat uit van afstamming door geboorte.

Is de persoon bedoeld in i of j de vader, dan moet worden onderzocht hoe die afstamming tot stand is gekomen. Dat kan zijn door huwelijk, en bij dit wetsonderdeel uitsluitend door prénatale erkenning. Voor postnataal erkende personen geldt of onderdeel l of m en indien afstamming tot stand is gekomen door gerechtelijke vaststelling vaderschap, geldt onderdeel n.

Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap

Onderdeel k eist dat eerst de optiegerechtigde ouder van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel k. Alleen als deze optiegerechtigde ouder is overleden en dus niet het Nederlanderschap meer kan verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder i of j voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.

Een kind is in 1986 staande het huwelijk van zijn Spaanse ouders geboren. De vader heeft geopteerd op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader (en de moeder) de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.

Een kind is in 2000 prenataal erkend te Nijmegen door een Deense man A, die nadien is overleden. Zijn moeder B bezit de Duitse nationaliteit. De Deense man A is geboren staande het huwelijk van zijn Nederlandse moeder C en zijn Deense vader D. Het huwelijk is gesloten in 1980 te Eindhoven. De Nederlandse vrouw C behield de Nederlandse nationaliteit (zij verkreeg niet automatisch de Deense nationaliteit door het huwelijk, noch bestond er kennelijk een eenvoudige optiemogelijkheid voor de Deense nationaliteit). Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader A is geboren uit een Nederlandse moeder C, terwijl zijn vader B niet Nederlander was. De vader A is daardoor geen Nederlander geworden. De vader A had dus, als hij was blijven leven, kunnen opteren op grond van onderdeel i. De vader A is voorts de juridische ouder van het kind. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN, omdat zijn overleden vader A optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die voor de leeftijd van zeven jaar is erkend door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: het in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, indien hij op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel l gaat uit van afstamming, uitsluitend door postnatale erkenning van een jong minderjarige. Deze persoon (man) moet het kind voor zijn zevende jaar hebben erkend.

Als het gaat om een postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. De Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op buitenlandse erkenningen die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Vanaf 1 januari 2012 is dit artikel 10:92 tot en met 10:102 BW.

De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd was ten tijde van de erkenning of omdat het kind reeds een juridische vader heeft (artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW). Het kind kan, als sprake is van een nietige erkenning, geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze niet op grond van Nederlandse internationaal privaatrecht erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.

De Turkse erkenning kon tot 1 januari 2012 worden erkend in Nederland op grond van de Wet conflictenrecht afstamming (Wca). Vanaf 1 januari 2012 is artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW van toepassing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden in Turkije. Ook blijkt dat de vader van het kind, had kunnen opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, als hij was blijven leven. Hij is immers geboren uit een Nederlandse moeder en een vader die niet de Nederlandse nationaliteit had. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN, omdat zijn overleden vader optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.

Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving.

Als het een postnatale erkenning betreft naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. De Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op buitenlandse erkenningen die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:92 BW tot en met artikel 10:102 BW van toepassing. Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) vervallen. Artikel 10:102 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW van toepassing is op erkenningen die na 1 januari 2003 tot stand zijn gekomen.

Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (artikel 6, derde lid, BVVN). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie paragraaf 2.2.5.1. te legitimeren (zie ook hierna paragraaf 2.2.1.5.). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die door een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kind is van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, indien hij op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, BVVN dient de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:

paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

Daarnaast kan de niet-Nederlandse nationaliteit van de vader van de optant bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j, RWN worden aangetoond aan de hand van een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteiten van het land van nationaliteit van deze vader.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: het in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, indien hij op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.

Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij paragraaf 2.2.5.1. te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder paragrafen 2.2.3 en 2.2.5 bij onderhavig artikellid).

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Bij deze optiecategorie geldt artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, RWN. Meerderjarig is degene die 18 jaar of ouder is of voor zijn 18e in het huwelijk is getreden.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel o gaat uit van afstamming door adoptie. Deze persoon heeft het kind als minderjarige geadopteerd bij een uitspraak van een rechter in het huidig Koninkrijk. Deze uitspraak moet onherroepelijk zijn.

paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn adoptiefouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefouder van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).

Een kind, geboren in 1995 in Colombia, is in 1998 bij Arubaanse uitspraak geadopteerd door een echtpaar, in 1998 beiden van Surinaamse nationaliteit. De adoptiefmoeder heeft geopteerd voor het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN. Uit de overgelegde stukken, waar onder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen adoptiefmoeder (en adoptiefvader) en het kind en dat zijn adoptiefmoeder inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o RWN.

Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen.

Bij het afleggen van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap verklaart de meerderjarige vreemdeling en de minderjarige vreemdeling die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt tevens bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekendgemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

Voor optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en artikel II RRWN (2008) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. Model 1.14 hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, dient model 1.14 ondertekend te worden.

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN).

Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverzoek ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN heeft ingediend of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 6, zesde lid, BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 1.14-1a en model 1.14-1b. Deze laatste verklaring moet alleen ondertekend worden door onderdanen van Egypte, Zuid-Afrika of Oostenrijk.

paragraaf 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten

Voor zoveel mogelijk verstrekt de optant dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken (artikel 6, tweede lid, BVVN).

Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN).

Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN voor de uitzonderingssituaties.

4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.

paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Daarnaast kan de niet-Nederlandse nationaliteit van de vader van de optant bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j, RWN worden aangetoond aan de hand van een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteiten van het land van nationaliteit van deze vader.

paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Behoudens in het geval dat toelating van de optant geen voorwaarde is voor de bevestiging (zie hierboven), moet de optant zijn verblijfsrechtelijke status (onderdeel f) aantonen door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Toelating voor onbepaalde tijd, zoals vereist bij de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN, kan ook worden aangetoond door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken (zie de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘toelating voor onbepaalde duur’).

paragraaf 1. Algemeen

In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder a, BVVN is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de artikelen 3 tot en met 12 en 60a BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.

BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72

Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3

Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De burgemeester informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.

** Het ondertekenen van de bereidverklaring en afleggen van de verklaring van verbondenheid is niet van toepassing op de (mede)optant die opteert op grond van de overgangsregeling gegeven in artikel II, eerste lid, onder a, b of c van Stb. 2008, 270 en op zijn kind dat in die optie deelt.

Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de GBA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger in de GBA van een andere gemeente is ingeschreven.

Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 6, vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag (model 1.14) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen (artikel 6, vierde lid, BVVN) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en artikel 3, tweede lid, BVVN). De minderjarige optant die jonger dan twaalf jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Naar analogie van artikel 6, derde lid, BVVN dient de minderjarige optant vanaf zestien jaar in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven model 1.14 niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.

De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder van het kind kan op verzoek een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap naar voren brengen. Verschijning in persoon is niet voorgeschreven, maar verdient wel de voorkeur. De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder wordt mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of schriftelijk gewezen op de mogelijkheid een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging te geven (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde

Indien in gevallen, waarin verschijning in persoon is voorgeschreven, dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de optieverklaring of de verklaring van al dan niet instemming met de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de persoon wiens nationaliteit in het geding is (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een medische verklaring van een medisch specialist (zie de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN).

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

De optieverklaring dient op schrift te worden gesteld (artikel 6, eerste lid, RWN) en door de betrokkene of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde te worden ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). In de verklaring dienen de minderjarige kinderen en de kindskinderen, voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, te worden vermeld (artikel 6, achtste lid, RWN). Als beide ouders op hetzelfde moment een optieverklaring afleggen, worden in beide optieverklaringen alle kinderen opgenomen waarvoor medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt gewenst. Hierdoor wordt voorkomen dat een kind niet in de verkrijging van het Nederlanderschap deelt, omdat het bij toeval in de optieverklaring is vermeld van de ouder die niet aan de voorwaarden voldoet.

Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf 2.2.5.4 en paragraaf 2.2.5.5):

Op grond van artikel 6, eerste lid, BVVN moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:

paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

De informatie over de gegevens genoemd bij a tot en met e, zal bij iedere optieverklaring moeten worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de optieverklaring afgelegd op grond van artikel 6, eerste lid, RWN als artikel 28 RWN. Deze gegevens komen dan ook in ieder model optieformulier terug. De noodzakelijkheid van verstrekking van gegevens genoemd in de onderdelen f tot en met l is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo is het verstrekken van gegevens over de verblijfsstatus (f) wel nodig bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, e, f, g en h, RWN maar niet bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN en artikel 28 RWN. Het verstrekken van gegevens over het huwelijk of de ontbinding daarvan (h) is bijvoorbeeld met name bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en artikel 28 RWN van belang. Daarnaast kan het feit of een huwelijk is gesloten of een geregistreerd partnerschap is aangegaan uiteraard van belang zijn voor de vraag of de optant wel of niet meerderjarig is. De gegevens bij onderdeel j zijn met name van belang bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN.

Het verdient mede gelet op het bepaalde in artikel 4:7 Awb aanbeveling deze gegevens met betrekking tot de optant zelf (en als van toepassing met betrekking tot in de optieverklaring genoemde (kinds)kinderen) onmiddellijk in overleg met de optant te vergelijken met de beschikbare gegevens in de GBA. Hiermee kunnen onnodige procedures worden voorkomen.

De duur van het hoofdverblijf zal over het algemeen uit de (historische adresgegevens in de) GBA afgeleid kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, wordt van de optant (aanvullend) ander bewijs verlangd. Met betrekking tot in de optieverklaring genoemde minderjarige kinderen is het van belang dat uit de GBA blijkt of anderszins wordt aangetoond wat de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders van de minderjarige kinderen zijn en wie het gezag over de kinderen uitoefent. Voorts zal over het algemeen uit de GBA (moeten) blijken dat de in de optieverklaring genoemde kinderen hoofdverblijf in Nederland hebben.

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

Dit betekent dat een gemeente aan een persoon, die wil opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN, een kopie van de persoonskaart van de (groot)ouders dan wel een uittreksel met historische gegevens van de (groot)ouders op diens verzoek moet verstrekken.

paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000

Ook kan een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van de nationaliteit van de echtgenoot van moeder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, en een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van geboorte van de optant worden verlangd, waaruit blijkt dat de moeder van de optantniet de nationaliteit van een van deze landen bezat op de dag van de geboorte van de optant. Ten aanzien van de adoptiefmoeder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN, kan worden volstaan met de eerste verklaring.

Behoudens in het geval dat toelating van de optant geen voorwaarde is voor de bevestiging (zie hierboven), moet de optant zijn verblijfsrechtelijke status (onderdeel f) aantonen door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Toelating voor onbepaalde tijd, zoals vereist bij de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN, kan ook worden aangetoond door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken (zie de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘toelating voor onbepaalde duur’).

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 6, vijfde lid, BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:

Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet worden beëindigd.

Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 7, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 7, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de burgemeester aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de burgemeester verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De burgemeester is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.

** Het ondertekenen van de bereidverklaring en afleggen van de verklaring van verbondenheid is niet van toepassing op de (mede)optant die opteert op grond van de overgangsregeling gegeven in artikel II, eerste lid, onder a, b of c van Stb. 2008, 270 en op zijn kind dat in die optie deelt.

Als de optant de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).

Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 6, vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.

Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant op dat moment is ingeschreven in de GBA, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de GBA wordt verwerkt.

Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag (model 1.14) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen (artikel 6, vierde lid, BVVN) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen.

Voor optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, juncto artikel 26 RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008) geldt geen eis van toelating en hoofdverblijf in Nederland.

paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant

Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

Indien naamsvaststelling heeft plaatsgevonden, worden ook de Centrale Justitiële documentatiedienst en – indien in Nederland de ambtenaar van de burgerlijke stand een geboorteakte heeft opgemaakt – de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte gesteld. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant, van welke kinderen in Nederland bij de ambtenaar van de burgerlijke stand geboorteakten zijn opgemaakt.

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 2.9. Bezwaar

Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.

paragraaf 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een onafgebroken periode van toelating, dan kan dit worden beoordeeld aan de hand van het verblijfsdocument van optant in combinatie met de gegevens in de GBA dan wel uit een bericht omtrent toelating (artikel 3 BOT). Indien het verblijfsdocument in combinatie met de verblijfstitelgegevens in de GBA onvoldoende antwoord geven op de vraag of sprake is van een onafgebroken periode van toelating, zal de burgemeester een bericht omtrent toelating bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opvragen (artikel 4 BOT). Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.

paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

Daarna onderzoekt de burgemeester of er op grond van het gedrag van de minderjarige optant van zestien jaar of ouder, de meerderjarige optant of dat van zijn minderjarige kinderen van zestien jaar of ouder voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (artikel 10, tweede lid, BVVN).

Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen

Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist

Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).

paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een optieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.

Ingevolge artikel 7, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de burgemeester uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:

paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in de GBA van een gemeente zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in die gemeente. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de burgemeester van hun hoofdverblijf. Dit betreft dan in het bijzonder personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen dienen hun optieverklaring af te leggen bij de burgemeester van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in artikel 7, tweede lid, BVVN. Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008).2RRWN van 27 juni 2008, stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.

paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond

Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd, worden niet door de burgemeester in ontvangst genomen (artikel 7, vijfde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de burgemeester aan de optant mee bij welke gemeente of diplomatieke post in het buitenland de verklaring wel in persoon kan worden afgelegd.

paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 7, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 7, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de burgemeester aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de burgemeester verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De burgemeester is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Nadat de burgemeester de optieverklaring voor ontvangst heeft getekend en een kopie van de voor ontvangst getekende verklaring aan de optant heeft afgegeven, beoordeelt de burgemeester voorafgaand aan de verdere behandeling van de optieverklaring of de optant al dan niet dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de optant optiegelden is verschuldigd, wordt hem de hoogte van het bedrag meegedeeld en wordt hij terstond in de gelegenheid gesteld de betaling te verrichten (artikel 8, tweede lid, BVVN). Zie ook de toelichting onder artikel 13 RWN.

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt de burgemeester de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 4:5, eerste lid, Awb, artikel 8, tweede lid, BVVN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door de burgemeester gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan de burgemeester besluiten de verklaring buiten behandeling te stellen met toepassing van artikel 4:5 Awb. Ingevolge artikel 4:15 Awb wordt door het in verzuim stellen de beslistermijn van dertien weken opgeschort tot de dag waarop de aanvulling van de verklaring is ontvangen of de verzuimtermijn is verstreken.

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.

paragraaf 2.12.1. De oproeping

De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie paragraaf 2.3.1) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.

Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van de betreffende vreemdelingen zo mogelijk binnen tien weken te toetsen (artikel 9, derde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de burgemeester door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).

Ad b: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de optant. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:

paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:

paragraaf 2.12.1. De oproeping

Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een onafgebroken periode van toelating, dan kan dit worden beoordeeld aan de hand van het verblijfsdocument van optant in combinatie met de gegevens in de GBA dan wel uit een bericht omtrent toelating (artikel 3 BOT). Indien het verblijfsdocument in combinatie met de verblijfstitelgegevens in de GBA onvoldoende antwoord geven op de vraag of sprake is van een onafgebroken periode van toelating, zal de burgemeester een bericht omtrent toelating bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opvragen (artikel 4 BOT). Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing

Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

– Hoofdoptant verschijnt niet

Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan

– Hoofdoptant verschijnt wel, medeoptant van 16 of 17 jaar verschijnt niet

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Het niet uitreiken is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door optie.

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging

De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook paragraaf 2.12.2.)

Als de optant de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).

paragraaf 2. Procedure

Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant op dat moment is ingeschreven in de GBA, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de GBA wordt verwerkt.

paragraaf 2.7. Archivering

Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de RWN weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BVVN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.

paragraaf 2.8. Weigering bevestiging

De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor paragraaf 2.12.3). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.

paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie artikel 60a, vierde lid BVVN.

De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60a, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel oproepen en uitreiken).

paragraaf 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag

Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd (artikel 7:10, eerste lid, Awb). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na ommekomst van de bezwaartermijn (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb bezwaartermijn van toepassing.

paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling

Als de burgemeester niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift en/of het besluit niet kan uitreiken op de ceremonie, kan de burgemeester wellicht één van de in artikel 4:15 Awb of artikel 7:10 Awb genoemde opschortingsgronden gebruiken om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, maar er is wel binnen deze termijn een beslissing op bezwaar genomen, kan de burgemeester om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van artikel 60a lid 7 BVVN).

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

Ad b: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de optant. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:

paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:

Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).

Ad e: een voorbeeld van het naleven van een wettelijk voorschrift in de optieprocedure (alleen in de bezwaarfase) is het afwachten van een naturalisatieceremonie.

paragraaf 6. Procedure

Indien de minderjarige medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen weigert om de verklaring van verbondenheid af te leggen, dan wordt de uitreiking voor alle in het besluit genoemde personen aangehouden16Zie artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 60a, tiende lid, BVVN.. Na herhaalde oproepen wordt de optiebevestiging vervolgens aan deze omstandigheid aangepast en zo gewijzigd dat de betreffende medeoptant niet meer in het bevestigingsbesluit wordt genoemd. Tijdens de eerstvolgende ceremonie wordt de aangepaste optiebevestiging uitgereikt aan de hoofdoptant en eventuele andere medeoptanten. De wijziging van het bevestigingsbesluit moet plaatsvinden vóór de vervaldatum van een jaar na ondertekening van de optiebevestiging (zie toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN, stb. 2006, 250).

De Nederlandse openbare orde verzet zich tegen het polygaam gehuwd zijn van Nederlanders. Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 1:33 BW. Dit artikel bepaalt dat een persoon slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in artikel 3 WCH (Wet Conflictenrecht Huwelijk). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen. De Nederlandse openbare orde verzet zich daarmee tevens tegen het bestaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap zou verkrijgen.

Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 2.7).

Het besluit tot bevestiging treedt als regel in werking door uitreiking ervan in persoon aan de opgeroepen optant/wettelijk vertegenwoordiger. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van de bevestiging. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 2.7).

Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.

Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd18Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrond- of niet-ontvankelijkverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb met betrekking tot de beroepsprocedure zijn van toepassing. (Zie voor de adressering het hoofdstuk Voorlichting.)

paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook paragraaf 2.12.2.)

paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging pas in werking door uitreiking daarvan aan de betrokkene, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap in werking. Vanaf 1 maart 2009 zijn ook de (mede)optanten, die op het tijdstip van afleggen van de optieverklaring, zestien jaar of ouder waren, verplicht op een naturalisatieceremonie te verschijnen9Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Vanaf 1 maart 2009 moet de minderjarige medeoptant, die zestien jaar of ouder was op het tijdstip van het afleggen van de optieverklaring, verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen om aldaar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de burgemeester (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 2.12.2).

De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.

De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.

Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking (artikel 60a, negende lid BVVN). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.

paragraaf 2.3.1. Inleiding

De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor paragraaf 2.12.3). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.

Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging (artikel 60a, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60a, elfde lid, BVVN).

De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie artikel 60a, vierde lid BVVN.

De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60a, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel oproepen en uitreiken).

De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. artikel 2 BVVN). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Voor optanten die op of na 1 maart 2009 een optieverklaring afleggen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.

De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat de optiebevestiging wordt uitgereikt. De burgemeester bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid op de naturalisatieceremonie nader wordt ingevuld10Zie artikel 60a, vierde lid, BVVN.. Het is derhalve aan de burgemeester overgelaten te bepalen of de verklaring van verbondenheid geheel of gedeeltelijk collectief of individueel wordt afgelegd. Ook andere organisatorische zaken, zoals wel of niet onderscheid maken tussen een groep die de verklaring bevestigt met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en een groep die de verklaring aflegt met ‘Dat verklaar en beloof ik’, is aan de burgemeester ter nadere invulling overgelaten.

De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

– Hoofdoptant verschijnt niet

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

– Hoofdoptant verschijnt wel, medeoptant van 16 of 17 jaar verschijnt niet

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

Het niet uitreiken is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door optie.

2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.

paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrij staat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de bevestiging en de uitreiking daarvan, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.

Artikel 6a

De burgemeester moet binnen dertien weken na ontvangst van de optieverklaring beslissen of een bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap kan worden afgegeven of niet. De termijn van dertien weken begint pas te lopen na ontvangst van de verschuldigde optiegelden of de beslissing tot gehele ontheffing van die betaling en na verstrekking, onderscheidenlijk overlegging van de verzochte aanvullende gegevens of documenten, nodig voor de beoordeling van de optieverklaring. Als het onderzoek na dertien weken niet is afgerond, kan de termijn eenmaal worden verlengd met ten hoogste dertien weken. De optant wordt van de verlenging van de termijn op de hoogte gebracht. Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn (dus de termijn van 13 weken of 26 weken, als de termijn is verlengd) nog geen beslissing is genomen, betekent dit niet dat het Nederlanderschap dan stilzwijgend is bevestigd. Wel kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn sinds 1 oktober 2009 de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Als twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd18Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie paragraaf 2.12.4.1.

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de optant in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat in persoon de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd20Zie artikel 60a, zesde lid, BVVN..

paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam

Met betrekking tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn de volgende, niet limitatieve, scenario’s denkbaar:

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

De IND zal de optant vervolgens schriftelijk meedelen dat hij binnen een termijn van drie maanden een verzoek moet doen tot afstand van die andere nationaliteit(en).

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

Verlenen de autoriteiten van het land van herkomst geen of onvoldoende medewerking aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan beslist de IND over de gevolgen daarvan voor de afstandsverplichting.

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

De optieverklaring wordt niet bevestigd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit is een imperatieve weigeringgrond. De burgemeester heeft geen beleidsvrijheid. Dit volgt uit de tekst van de wet.

Artikel 6a

De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de RWN en de daarop gebaseerde regelgeving. Op grond van artikel 21 RWN kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur onder meer nadere voorschriften worden gesteld betreffende de administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN). In artikel 10, tweede lid van het BvvN is opgenomen dat de burgemeester onderzoekt of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de RWN, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, als zij zestien jaar of ouder zijn. In het BvvN is vervolgens bepaald dat bij ministeriele regeling nadere regels kunnen worden gesteld in de uitvoering van dit besluit. Deze ministeriele regeling is de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN). In artikel 2 van de RvvN is onder meer opgenomen dat, tenzij in de regeling anders is bepaald, de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap opgedragen werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. In de regeling is op dit punt niets anders bepaald. Dit betekent dat de burgemeester de richtlijnen zoals deze beschreven staan bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN moet volgen. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.

Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag (model 1.14) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam gehuwd zijn.

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

Optanten worden door de RWN impliciet geacht ingeburgerd te zijn; daarom stelt de wet niet expliciet aan hen een aanvullend inburgeringsvereiste. Wel mag van een optant des te meer worden verwacht dat zijn persoonlijke situatie in overeenstemming is met de Nederlandse openbare orde. Op het moment dat hij het Nederlanderschap verkrijgt, is de Nederlandse rechtssfeer volledig op hem van toepassing. Daarmee komt een einde aan de noodzaak van erkenning van een huwelijk dat naar Nederlands recht niet zou bestaan. Het is in strijd met de openbare orde om met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden te zijn. Iemand die met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden is, kan derhalve het Nederlanderschap niet verkrijgen. Er is dan sprake van gevaar voor de civielrechtelijke openbare orde.

Bijlage 8

In geval van het bestaan van meervoudige huwelijken (polygaam gehuwd) is de persoonlijke situatie van de optant niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare orde en wordt op die grond de optiebevestiging geweigerd.

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

Artikel 10:58 BW geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, dus: eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is. Bovendien moet de vrouw met de verstoting (uitdrukkelijk of stilzwijgend) hebben ingestemd of zich bij de verstoting hebben neergelegd. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, kan ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw worden overgelegd. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht echtscheiding worden analoog behandeld.

Als de optant de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de GBA nagaan of sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de GBA blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van optant om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting. De burgemeester zal bij het afleggen van een optieverklaring aan een optant als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de GBA zijn opgenomen. Als dat het geval is, zal aan de hand van de door optant overgelegde documenten moeten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.4).

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

De burgemeester moet binnen dertien weken na ontvangst van de optieverklaring beslissen of een bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap kan worden afgegeven of niet. De termijn van dertien weken begint pas te lopen na ontvangst van de verschuldigde optiegelden of de beslissing tot gehele ontheffing van die betaling en na verstrekking, onderscheidenlijk overlegging van de verzochte aanvullende gegevens of documenten, nodig voor de beoordeling van de optieverklaring. Als het onderzoek na dertien weken niet is afgerond, kan de termijn eenmaal worden verlengd met ten hoogste dertien weken. De optant wordt van de verlenging van de termijn op de hoogte gebracht. Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn (dus de termijn van 13 weken of 26 weken, als de termijn is verlengd) nog geen beslissing is genomen, betekent dit niet dat het Nederlanderschap dan stilzwijgend is bevestigd. Wel kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn sinds 1 oktober 2009 de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Als twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de burgemeester door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

Ad c: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de optant. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

Als overmacht wordt in ieder geval niet worden aangemerkt:

De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba en daar ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

De verkrijging van het Nederlanderschap heeft op zich geen invloed op iemands geslachtsnaam of voornamen. Dat vloeit voort uit artikel 10:22, tweede lid BW, waarvan de tekst luidt:

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

Let op! Artikel 10:22 lid 2 BW verwijst onjuist naar artikel 6 lid 5 RWN. Naamsvaststelling bij een optiebevestiging geschiedt sinds 1 maart 2009 op grond van artikel 6 lid 6 RWN.

paragraaf 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

In de onderhavige bepaling is geregeld dat wanneer de optant geen geslachts- of voornamen heeft, deze in overleg met hem worden vastgesteld. Wijziging van de geslachtsnaam is, anders dan bij naturalisatie, bij de bevestiging van optie niet mogelijk.

Vaststelling van de naam of de spelling daarvan vindt uitsluitend in twee gevallen plaats:

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

Van de kinderen die delen in de verkrijging van het Nederlanderschap en die ook geen geslachtsnaam of voorna(a)m(en) hebben of waarvan de spelling van de namen niet vaststaat, moeten de geslachtsnaam en de voorna(a)m(en) eveneens door de burgemeester worden vastgesteld.

Is bij de optie een akte van naamskeuze opgemaakt (vergelijk de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, onder ‘Naamskeuze voor/door de optant’) en behoeft de bij de optie gekozen naam nog aanpassing (vaststelling spelling en/of overbrenging in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens), dan moet dat in een verzoek om naamsvaststelling en in de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap tot uitdrukking worden gebracht.

Zal het kind dat geen geslachtsnaam of voornaam heeft (maar slechts een naam of een naamsketen) door een bij de optie opgemaakte akte van naamskeuze een geslachtsnaam krijgen, dan word(t)(en) bij de optie, behoudens vorenbedoelde aanpassing van de naam, alleen zijn voorna(a)m(en) vastgesteld; zijn geslachtsnaam wordt immers de naam waarvoor in het kader van de akte van naamskeuze is gekozen.

Als de optant het niet eens is met de wijze waarop zijn namen of die van zijn minderjarige kinderen zijn vastgesteld in de bevestiging van de optieverklaring, kan hij daartegen bezwaar maken bij de burgemeester. De Awb is op deze procedure van toepassing. De bezwaartermijn van zes weken vangt aan met ingang van de dag na die waarop de bevestiging is uitgereikt dan wel is toegezonden aan de betrokkene. Als het bezwaar gegrond wordt verklaard, wordt de juiste naam in een separaat besluit vastgesteld. Een gewaarmerkte kopie van dit besluit wordt gestuurd naar de instanties die ook een gewaarmerkte kopie van de oorspronkelijke bevestiging hebben ontvangen.

De optiebevestiging van een optieverklaring geschiedt door de bevoegde autoriteit.

De autoriteit beoordeelt of de optant, die gebruik maakt van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN en die tevens een andere nationaliteit of nationaliteiten bezit, al het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit(en) te verliezen, bereid is hiertoe het mogelijke te zullen doen, of dat aan hem een beroep toekomt op de in het eerste of tweede lid genoemde uitzonderingen. Als dit het geval is en ook aan de overige vereisten voor optie is voldaan, bevestigt de autoriteit het Nederlanderschap.

Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld en het, behoudens in de gevallen waarin de verklaring wordt afgelegd op grond van het eerste lid, onder c of d, sedert het tijdstip van het afleggen van de verklaring toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt en jegens hem geen vermoedens bestaan als in het derde lid bedoeld.

Heeft het kind, dat in de verkrijging van het Nederlanderschap heeft gedeeld, zelf een kind, dan kan ook dat kind delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor zijn op het moment van de bevestiging minderjarige ouder.

Dus:

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

Aan de vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap door optie heeft verkregen, staat van de in het eerste lid genoemde mogelijkheden tot herkrijging van het Nederlanderschap door optie alleen die bedoeld onder f, open.

paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

Artikel 6a

paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

Awb: artikelen 4:5; 4:7; 4:15 en hoofdstukken 6 t/m 8

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Boek 10 BW: artikelen 22 lid 2 en 25, lid 1 onder b

Artikel 7

paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;

artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;

artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.

De afstandsverplichting geldt alleen voor optanten die op of na 1 oktober 2010 een optieverklaring hebben afgelegd.

Awb: artikel 4:5 en hoofdstukken 6 t/m 8

De in artikel 6, tweede lid, bedoelde bevestiging wordt geweigerd indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, een andere nationaliteit bezit en niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de bevestiging, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft als één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:

Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap.

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

Voor wat betreft de voorwaardenvoor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9, eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.

Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265).

paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument

Momenteel zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat momenteel geen vreemdeling onder de bepaling valt.

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31, vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van een ander huwelijk dan is vermeld op zijn persoonslijst in de GBA en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen.

Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft.

paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Indien reeds in het verleden gelegaliseerde (en soms tevens geverifieerde) documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde documenten te worden overgelegd.

paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende optant afstandsplichtig is.

Voor een optant die gehuwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de optant die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan een beroep doen op deze uitzondering. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk -anders dan door overlijden- tussen het afleggen van de optieverklaring en de optiebevestiging door echtscheiding is ontbonden, zal de optant alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de optiebevestiging is doorslaggevend voor de beoordeling of optant aan de voorwaarden voldoet. Voor de optant die met een ongehuwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester

Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die tezamen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een optieverzoek indient, waarbij één van hen op grond van artikel 6a, tweede lid, onder a, b of d RWN dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN) niet afstandsplichtig is.

Dit betreft de hoofdregel: verzoeken om naturalisatie dienen te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene is ingeschreven in de GBA. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten deze gemeente, doet hier niet aan af.

Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba erkend is als vluchteling.

paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

Op grond van artikel 31, eerste lid, BVVN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

De optiebevestiging van een optieverklaring geschiedt door de bevoegde autoriteit.

De autoriteit beoordeelt of de optant, die gebruik maakt van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN en die tevens een andere nationaliteit of nationaliteiten bezit, al het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit(en) te verliezen, bereid is hiertoe het mogelijke te zullen doen, of dat aan hem een beroep toekomt op de in het eerste of tweede lid genoemde uitzonderingen. Als dit het geval is en ook aan de overige vereisten voor optie is voldaan, bevestigt de autoriteit het Nederlanderschap.

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden besloten.

Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van model 1.50. Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.

Als de optant een beroep doet op het rederlijkerwijs niet van hem kunnen verlangen om afstand te doen, dan is het raadzaam om hem een eigen risico verklaring te laten ondertekenen. Het is immers niet bekend of het beroep wordt gehonoreerd en of de optant alsnog afstand moet doen. Het is belangrijk dat de optant hier op is gewezen.

Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.2.4.3.1). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.

Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van artikel 6, vijfde lid, RWN dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt artikel 6a, zesde lid, RWN de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies (model 1.50) de autoriteit hierover adviseren.

Het advies is een advies als bedoeld in afdeling 3.3. Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wordt gemotiveerd. Het advies is geen besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat. De optant kan wèl bezwaar en beroep aantekenen tegen het (weigerings)besluit van de tot optie bevoegde autoriteit.

Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader reeds rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes in het beleid voor naturalisatie, mogelijk tot verschillende sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan de Minister van Justitie bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd indien een verzoeker om naturalisatie meerderjarig zou zijn geweest.2Vergelijk ABRvS, 31 januari 2007, nr. 200604978/1 - LJN AZ7454, JV ; 2007, 103 en ABRvS, 25 juni 2003, nr. 200200853/1 – JV 2003/429

De autoriteit besluit na ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap.

De autoriteit besluit niet eerder dan na de ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap. Het advies is niet bindend, omdat een advies namelijk nooit bindend is; want dat is de aard van een advies namelijk niet. Als de autoriteit afwijkt van het advies van Onze Minister, dan moet de autoriteit wel gemotiveerd in de optiebevestiging of optieweigering aangeven waarom hij afwijkt van het advies van Onze Minister (artikel 3:50 Awb). Als de autoriteit het advies van Onze Minister overneemt in haar besluit, dan kan zij ter motivering van dit besluit volstaan met een verwijzing naar het advies (artikel 3:49 Awb). Het advies moet dan worden meegezonden aan de optant.

Vervolgens onderzoekt de burgemeester (artikel 36 BVVN):

De beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt met vier weken verlengd, indien de autoriteit Onze Minister verzoekt om advies, bedoeld in het vierde lid.

paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Artikel 7

paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

RRWN: artikel VII.2

BNT: artikelen 2 t/m 5

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

BVVN: artikelen 2 t/m 5; 31 t/m 38 en 73

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

WRvS: artikelen 37 en 39

Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 3.13.

Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt.

7-alg. Toelichting algemeen

Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Aangezien deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)

De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.

paragraaf 3.11. Bezwaar

Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN; zie ook paragraaf 3.2.5). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie paragraaf 3.5.1). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie paragraaf 3.5).

Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht, maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3.

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

N.B. Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige, hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.

Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.

De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een naturalisatieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift, dan zal de IND een in artikel 4:15 Awb of artikel 7:10 Awb genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, dan zal de IND om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van artikel 60b lid 2 BVVN). Hiervoor zal de IND in overleg treden met de gemeente die het besluit moet uitreiken.

Paragraaf 5.12. Gratie

In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Het verzoek om naturalisatie dient op schrift te worden gesteld en te worden ondertekend door de verzoeker of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde (artikel 3, derde lid, BVVN). In het verzoek dienen de minderjarige kinderen en kindskinderen, voor wie medeverlening wordt gevraagd, te worden vermeld (artikel 11, eerste lid, RWN; artikel 31, tweede lid, BVVN). Een model van een verzoek om naturalisatie is opgenomen als model 2.1.

De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging (artikel 36, vijfde lid, BVVN. Zie model 2.22).

paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie

De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de uittreksels uit de GBA en het advies aan het betreffende kantoor van de IND (artikel 37, eerste lid, BVVN). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.4Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit dienen door de gemeenten permanent bewaard te worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij artikel 9, vierde lid, RWN). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, eerste lid, BVVN).

Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.

Tekst van de verklaring van verbondenheid: twee varianten voor de bevestiging

paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie

paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31, vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van een ander huwelijk dan is vermeld op zijn persoonslijst in de GBA en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen.

De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag (model 2.3) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen (artikel 31, vierde lid, BVVN), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1).

Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een model 2.3 volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.

In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.

Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester –voor zover mogelijk –de verzoeker of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de verzoeker een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 32 BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 2.4 respectievelijk model 2.5. Zie voor de afstandsverplichting verder de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument

paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Ad b: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:

Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).

paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing. Wanneer een houder van een verblijfsvergunning asiel, bezwaar maakt tegen het aanvragen van documenten in het land van herkomst, wordt van overlegging van die documenten afgezien. Hiervan kan echter worden afgeweken indien zich een van de situaties voordoet op grond waarvan bezwaar tegen legalisatie niet zou hoeven worden gehonoreerd.

paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.

Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.

Op grond van artikel 33, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de burgemeester verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:

Dit betreft de hoofdregel: verzoeken om naturalisatie dienen te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene is ingeschreven in de GBA. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten deze gemeente, doet hier niet aan af.

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Aangezien deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.

De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op (artikel 60b, tweede lid BVVN). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend (artikel 2, derde lid RWN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).

De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.

Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens paragraaf 3.9).’

Is een jaar na de dag van ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de naturalisandus (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit (artikel 60b, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).

paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.

De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven (artikel 4 BNT) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT. Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in artikel 5 BNT te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing paragraaf 2.4.

De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht, maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3.

BW: artikelen 1:33; 1:63 en 1:69

Algemeen

Artikel 8

De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..

Vervolgens onderzoekt de burgemeester (artikel 36 BVVN):

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’.

De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de uittreksels uit de GBA en het advies aan het betreffende kantoor van de IND (artikel 37, eerste lid, BVVN). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.4Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit dienen door de gemeenten permanent bewaard te worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij artikel 9, vierde lid, RWN). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, eerste lid, BVVN).

Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek

8-alg. Toelichting algemeen

Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge artikel 60b, twaalfde lid, BVVN deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000

paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen

In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.

Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken

Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd (artikel 7:10, eerste lid, Awb). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb-bezwaartermijn van toepassing.

De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een naturalisatieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift, dan zal de IND een in artikel 4:15 Awb of artikel 7:10 Awb genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, dan zal de IND om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van artikel 60b lid 2 BVVN). Hiervoor zal de IND in overleg treden met de gemeente die het besluit moet uitreiken.

Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).

Ad b: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:

Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:

Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).

Ad e: een voorbeeld van het naleven van een wettelijk voorschrift in de naturalisatieprocedure (alleen in de bezwaarfase) is het afwachten van een naturalisatieceremonie.

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

Rgdr: artikel 2

paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie

Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.

Het naturalisatiebesluit dat vóór 1 oktober 2006 is getekend door Hare Majesteit de Koningin (het maakt daarbij niet uit of het ministeriële contraseign van ná 1 oktober 2006 is), treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door toezending door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van de kennisgeving betreffende naturalisatie aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig.

Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt de minister dit aan de burgemeester. Met behulp van dit bericht verkrijgt de burgemeester inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.

De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die worden ingediend op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste naturalisandi bij de indiening van het verzoek om naturalisatie ook een bereidverklaring ondertekenen. Deze naturalisandi moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom moet vanaf 1 maart 2009 een onderscheid gemaakt worden tussen de naturalisandus die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de naturalisandus die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen om de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.

Wet gba: artikel 43

paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning

paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen

paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

8-alg. Toelichting algemeen

Is een jaar na de dag van ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de naturalisandus (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit (artikel 60b, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.

paragraaf 1. Algemeen

De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.

paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.6. Molukkers

Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.

paragraaf 3.7. Minderjarigen

De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.

paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep

Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Verblijfgever = degene van wie het verblijfsrecht in Nederland afhankelijk is.

Bijlage 1

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen

Bijlage 4

EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:

paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.

paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel

De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De burgemeester hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterd exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de burgemeester nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), alwaar het wordt vernietigd.

Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken

** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1

RRWN: artikelen II en VII.2

BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7

BON: artikel 3 en volgende

BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72

paragraaf 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

Bdr: artikelen 5; 6; 8 en 9

BW: artikelen 1:33; 1:63 en 1:69

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

Vb 2000: artikelen 3.4; 3.5; 3.59; 3.89; 3.93 en 8.12

Vc 2000: hoofdstuk B5

Vw 2000: artikelen 3; 14; 20 en 28

Boek 10 BW: artikelen 29 en 58

WCH: artikel 3

WNI: artikel 7

Wet gba: artikel 43

EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96

EG-Verdrag: artikel 50

Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN.

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

De verzoeker die een beroep doet op vrijstelling van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) dient nog wel het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) af te leggen. Dit toont verzoeker aan door de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) te overleggen, met het resultaat ‘geslaagd’.

Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw 2000 gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.

Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verblijven of gedurende zes jaar afwezig zijn geweest van het Nederlands grondgebied. Uitzonderingen hierop zijn:

Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:

Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief.

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling

In het onderhavige artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Evenals voorheen geschiedt dit aan de hand van een tweedeling: enerzijds moet de vreemdeling beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Nieuw is het vereiste dat de vreemdeling zich kennis van de staatsinrichting en maatschappij moet hebben toegeëigend en dat hij de onderwerpen taal, staatsinrichting en maatschappij op een algemene maatregel van rijksbestuur bepaald niveau moet beheersen. Ook moet hij kunnen lezen en schrijven. Er is dus sprake van een verzwaring van de vereisten voor inburgering.

Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

Hoewel de verzoeker bij de indieningvan het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissingop het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geenbedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing welbedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie37Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028 (zie deel G Jurisprudentie). . Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.

Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die middels een Verklaring Educatie van het ROC kan aantonen dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal bij de onderdelen lezen, luisteren, spreken en schrijven ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject.

paragraaf 3.5. Beslissing

De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst naar de exameninstellingen. De exameninstellingen en meer informatie over het examen zijn terug te vinden op de site www.inburgeren.nl of www.kce.nl. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen dienen te zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.

Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt –om bovengenoemde redenen –dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van Bijlagen 2 en 3 beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.

Het praktijkdeel van het examen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide.

EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.

EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:

Indien verzoeker een beroep doet op ontheffing wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder paragraaf 2.3).

Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.

Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Ook controleert de burgemeester aan de hand van een door de DUO te Groningen samengesteld modellenboek van diploma’s en getuigschriften. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij niet Nederlandse diploma’s.

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.

De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:

Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel 2000) in Nederland. Zij dienen zich in te schrijven in de GBA en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Indien een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.

paragraaf 3.6. Molukkers

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling

De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:

Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).

paragraaf 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve –aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen –beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

certificaat oudkomers, gewaarmerkte kopie verklaring onderwijsinstelling en het Certificaat naturalisatietoets waaruit blijkt dat het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) met goed gevolg is afgesloten.

Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Indien de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, indien de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben indien de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).

De minderjarige A is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De moeder van A is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan A.

De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van A afhankelijk is van zijn vader, komt A wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor A verzocht.

Bijlage 1

Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).

** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

Het niveau van het onderdeel Nederlands als Tweede Taal wordt als voldoende beoordeeld indien hiervoor ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij het Certificaat Inburgering Nieuwkomers én de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit dit blijkt. Indien uit het Certificaat Inburgering blijkt dat de verzoeker voor alle vier taalonderdelen ten minste niveau 2 heeft behaald, dan moet hij in het kader van de naturalisatieprocedure nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) van het centrale deel van het inburgeringsexamen behalen. Indien betrokkene slaagt voor het examen KNS, dan ontvangt hij hiervan een resultaatbrief.

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

Verblijfgever = degene van wie het verblijfsrecht in Nederland afhankelijk is.

** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

**** In deze gevallen dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld, te worden geraadpleegd om te bezien of het verblijfsrecht al dan niet-tijdelijk is.

Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CnaVT):

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen behalen. Indien de verzoeker hiervoor slaagt, dan ontvangt hij hiervan een resultatenbrief.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker één van de vier certificaten zoals hierboven omschreven én:

Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verblijven of gedurende zes jaar afwezig zijn geweest van het Nederlands grondgebied. Uitzonderingen hierop zijn:

Indien de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening “kopie van origineel” op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.

De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen indien hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.

Indien de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform paragraaf 2.1.2 gehandeld.

In het geval de burgemeester de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document wil onderzoeken, kan hij daaromtrent advies van de DUO inwinnen. In het geval advies van de DUO wordt ingewonnen, wordt het origineel document tijdelijk ingenomen.

N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

In het onderhavige artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Evenals voorheen geschiedt dit aan de hand van een tweedeling: enerzijds moet de vreemdeling beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Nieuw is het vereiste dat de vreemdeling zich kennis van de staatsinrichting en maatschappij moet hebben toegeëigend en dat hij de onderwerpen taal, staatsinrichting en maatschappij op een algemene maatregel van rijksbestuur bepaald niveau moet beheersen. Ook moet hij kunnen lezen en schrijven. Er is dus sprake van een verzwaring van de vereisten voor inburgering.

De naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003 in Nederland en voor verzoekers om naturalisatie die buiten het Koninkrijk wonen, is per 1 april 2007 vervangen door het inburgeringsexamen van de Wet inburgering. Uit het inburgeringsdiploma moet blijken dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk Vreemde talen zijn behaald.

12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid

Indien het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.

Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.

Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel geschiedt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.

De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst naar de exameninstellingen. De exameninstellingen en meer informatie over het examen zijn terug te vinden op de site www.inburgeren.nl of www.kce.nl. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen dienen te zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.

Het examen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

paragraaf 2.3. Belangenafweging

Voorts verwijst de burgemeester de aspirant-verzoeker naar de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), voorheen de Informatie Beheer groep (IB-groep, dan wel IBG). De examens van het centraal deel van het examen worden enkel afgenomen door de DUO. Hiertoe heeft de DUO verspreid door het land meerdere examenlocaties ingericht. Deze zijn te vinden op de site van de DUO: www.inburgeren.nl Het praktijkgedeelte van het examen kan worden afgenomen door exameninstellingen die door de Minister van WWI daartoe zijn aangewezen (assessment, portfolio of combinatie van een assessment en portfolio) en door de DUO (alleen portfolio). Meer informatie over het examen en naturalisatie is te vinden in de speciaal daarvoor ontwikkelde brochure, getiteld ‘inburgeringsexamen: voorwaarde voor naturalisatie’.

16-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving

paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen

Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

paragraaf 3.1. Polygamie

10.

Degene die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende zes onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.

Betrokkene is ontheven van het examen, indien hij een verklaring overlegt van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Voorts zal bij indiening van een naturalisatieverzoek de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’ moeten worden overgelegd.

paragraaf 3.1. Polygamie

De verzoeker die een beroep doet op vrijstelling van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) dient nog wel het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) af te leggen. Dit toont verzoeker aan door de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) te overleggen, met het resultaat ‘geslaagd’.

Bij indiening van het verzoek om naturalisatie dient betrokkene gelet op het vorenstaande de volgende documenten te overleggen: certificaat oudkomers, gewaarmerkt kopie verklaring onderwijsinstelling en de resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS).

Indien verzoeker een Certificaat naturalisatietoets, overlegt, waaruit blijkt dat het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) met goed gevolg is afgesloten, overlegt hij bij indiening van het verzoek om naturalisatie, gelet op het bovenstaande, de volgende documenten:

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die kan aantonen dat hij op grond van de Regeling naturalisatietoets, zoals deze gold voor 1 april 2007, het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) van de naturalisatietoets zoals deze gold voor 1 april 2007, heeft behaald.

Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief.

Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij de resultatenbrief en het certificaat naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald.

Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd

Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).

Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met niveau 2 KSE is beoordeeld én:

Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij in het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (1998–2006) behaalde Certificaat Inburgering Nieuwkomers, het onderdeel Nederlands als Tweede Taal heeft behaald met een voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken voldoende niveau voor de naturalisatie.

Bijlage 8

Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers, en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat de taalonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld én:

Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die middels een Verklaring Educatie van het ROC kan aantonen dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal bij de onderdelen lezen, luisteren, spreken en schrijven ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject.

Toetsen waarvan gebruik gemaakt kan worden zijn de NIVOR-toets (Cito), de Trajecttoets NT2 (Bureau ICE), de Profieltoets NT2 of eigen toetsen van ROC’s. Het NT2-taaltraject kan als zelfstandig traject zijn aangeboden of onderdeel zijn van een bredere cursus, traject, opleiding of module. In alle gevallen betreft het een traject dat in ieder geval is bekostigd uit middelen voor de Wet educatie en beroepsonderwijs, al dan niet in combinatie met middelen voor de Wet werk en bijstand of andere middelen. Het traject wordt vaak aangeduid als ‘educatietraject’. Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, kunnen niet leiden tot een vrijstelling. Deze verklaringen worden veelal ‘bewijzen van deelname’ genoemd.

paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam

De verklaring dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten:

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker de Verklaring Educatie die aan bovengenoemde eisen voldoet, en waaruit blijkt dat verschillen taalonderdelen tenminste op niveau 2 zijn behaald en

Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CnaVT):

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen behalen. Indien de verzoeker hiervoor slaagt, dan ontvangt hij hiervan een resultatenbrief.

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens paragraaf 3.13.3Afleggen verklaring van verbondenheid).

Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Ook controleert de burgemeester aan de hand van een door de DUO te Groningen samengesteld modellenboek van diploma’s en getuigschriften. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij niet Nederlandse diploma’s.

Indien de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening “kopie van origineel” op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.

De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen indien hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Indien het contact met de DUO leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening “kopie van origineel”, alsook een aantekening omtrent de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.

In het geval dat verzoeker slechts een kopie van een hiervoor genoemd document kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor (gedeeltelijke) vrijstelling indien hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma.

In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester - alvorens het verzoek te doen indienen - ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.

Indien het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.

paragraaf 1. Algemeen

D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets, van het examen ontheven.

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.

2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen is ontheven van de verplichting het examen te behalen. Voor een medische advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen medisch adviseur. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.

Indien betrokkene inburgeringsplichtig is geweest conform de Wet inburgering is het mogelijk dat er in het kader van deze wet een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het examen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.

Telefonisch overleg met de IND inzake overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.

Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.

Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Artikel 9

Wel dient betrokkene de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau te behalen om het kunnen spreken en verstaan van het Nederlands op het voor naturalisatie gewenste niveau aan te tonen. Separaat hieraan zal betrokkene dienen aan te tonen welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

Artikel 9

Dit zogenaamde ‘haalbaarheidsonderzoek’ vindt conform artikel 6, tweede lid, Regeling naturalisatietoets Nederland uitsluitend plaats bij het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op niveau 2 van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene dient zelf voor het haalbaarheidsonderzoek te betalen. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek bedragen vanaf 1 januari 2012 € 293.

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

Om administratieve lasten te voorkomen wordt het bedrag afgerond. De datum aanmelding ROC is bepalend voor de vaststelling van de vraag welk tarief geldt.

Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving (KNS) en elektronisch praktijkexamen (EPE) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door betrokkene worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands (TGN) geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde verzoeker derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands (TGN) afleggen.

Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de DUO een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.

In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen alvorens betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.

Indien de (aspirant)-verzoeker tot naturalisatie een verklaring van het ROC Amsterdam overlegt met het advies dat betrokkene wegens het niet gealfabetiseerd zijn (met eventueel de combinatie van beperkte educatieve vaardigheden) in een tijdsbestek van vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen te halen en betrokkene heeft de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behaald en dit blijkt uit de resultatenbrief, tekent de burgemeester op het adviesblad naturalisatie aan dat ‘ontheffing’ van het inburgeringsexamen wordt geadviseerd.

Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, indien:

Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het examen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn .

Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) in het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die in beginsel op model 2.28 aangeeft dat hij in het land van herkomst geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft geen stukken te overleggen. Indien echter later blijkt dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch een opleiding heeft afgerond, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie van het ROC-advies afgeweken.

9-alg. Toelichting algemeen

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

Voor een betrokkene die niet op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers,verplicht is geweest de inburgeringscursus te doen , geldt in het kader van ‘extra inspanning’ een zelfde maatstaf. Ook hier moet betrokkene kunnen aantonen dat hij zich (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands heeft ingespannen om te leren lezen en schrijven. De eis van ‘extra inspanning’ dient betrokkene door middel van bescheiden, afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, aan te kunnen tonen bij het ROC van Amsterdam.

9-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.

Voor het aanmelden voor het ‘haalbaarheidsonderzoek’ meldt betrokkene zich door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij dat ROC. De (aspirant-)verzoeker meldt zich zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam. In een aantal gevallen kan de hulp van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn aanmeldingsformulier. Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op het niet gealfabetiseerd zijn door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een traject in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien van een gemeente- of dienststempel.

Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.

Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.

Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.

Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.

paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, dienen de ambtenaren van de GBA steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door de wet gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:54 BW tot en met artikel 10:59 BW van toepassing. Op grond van artikel 10:58 BW wordt een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen in Nederland erkend als:

De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:

De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.

Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.3 en 3.5.4).

WvSr: artikelen 74a en 92 t/m 423

Paragraaf 4. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van –of afzet tegen –alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.

Paragraaf 5.1. Misdrijven

Beslissing: Om als analfabeet voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw niet een verklaring van de arts of haar man te overleggen maar een verklaring van het ROC. Op het ROC kan door deskundigen de mogelijkheid worden onderzocht of de vrouw ondanks haar ongeletterdheid het voor de naturalisatietoets vereiste taal- en kennisniveau zou kunnen behalen. Het ROC houdt bij haar advies rekening met de leeftijd en vooropleiding van de vrouw en onderzoekt of de vrouw reeds een serieuze poging heeft ondernomen zich de taal en materie eigen te maken.

Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.

Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN. Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.

Bijlage 8

24-alg. Toelichting algemeen

Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen (artikel 74a WvSr) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen (€ 453,78 of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € 226,89 of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens artikel 11, vijfde lid, Vw 2000 gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.

Paragraaf 5.1. Misdrijven

Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.

2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van artikel 11, vierde lid, RWN wordt ingediend zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.

Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.

Paragraaf 5.5. Taakstraffen

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in paragraaf 3.4.1Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30) in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

(zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.

Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.

Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de burgemeester57Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).

Paragraaf 5.4. Voeging

Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vier jaar. In dat geval zou de verzoeker moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren indien de verzoeker is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de verzoeker nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vier jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die verzoekers die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij dienen in dat geval immers langer te wachten voordat zij voor naturalisatie in aanmerking komen. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vier jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete of transactie is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De verzoeker moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.

Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.

Daarbij is niet van belang:

Het verzoek wordt afgewezen, indien er binnen vier jaren voor de indiening van het verzoek of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:

Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:

Het is van belang dat de verzoeker zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de verzoeker in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.

Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:

paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk artikel 1, tweede lid, RWN) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.

A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft A de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). A kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen bij de burgemeester van zijn woonplaats. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Zodra A een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.

Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering.

De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongehuwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

In ieder geval zal het biologisch vaderschap van de erkenner kunnen worden vastgesteld door de rechter binnen het Koninkrijk of in het buitenland. Een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:207 BW (de gerechtelijke vaststelling vaderschap), waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische vader is van de erkende, is een voldoende bewijsstuk.

paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Voorts eist onderdeel o dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder i of j voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens paragraaf 2.2.4.1. en 2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)

De duur van het hoofdverblijf zal over het algemeen uit de (historische adresgegevens in de) GBA afgeleid kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, wordt van de optant (aanvullend) ander bewijs verlangd. Met betrekking tot in de optieverklaring genoemde minderjarige kinderen is het van belang dat uit de GBA blijkt of anderszins wordt aangetoond wat de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders van de minderjarige kinderen zijn en wie het gezag over de kinderen uitoefent. Voorts zal over het algemeen uit de GBA (moeten) blijken dat de in de optieverklaring genoemde kinderen hoofdverblijf in Nederland hebben.

paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

Uitzonderingen (zie paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.

6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid

Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een periode van toelating (onderdeel g) dan kan dit blijken uit het verblijfsdocument van de optant in combinatie met de gegevens in de GBA dan wel uit een bericht omtrent toelating (artikel 3 BOT). Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.

paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij paragraaf 2.2.5.1. te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder paragrafen 2.2.3 en 2.2.5 bij onderhavig artikellid).

paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant

Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (artikel 6, derde lid, BVVN). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie paragraaf 2.2.5.1. te legitimeren (zie ook hierna paragraaf 2.2.1.5.). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen

De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie paragraaf 2.3.1) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst (artikel 9, vijfde lid, BVVN).

paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Voor zoveel mogelijk verstrekt de optant dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken (artikel 6, tweede lid, BVVN).

paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Voor de optanten bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN geldt dat zij naast de afstamming ook de nationaliteit van hun (groot)ouders moeten aantonen. Hiervoor kan in sommige gevallen vereist zijn, dat de optant een persoonskaart of een uittreksel met historische gegevens van één van de (groot)ouders of van beiden overlegt. Dit document kan worden opgevraagd bij de gemeente. Een gemeente mag echter niet zomaar aan een kind de gegevens van de (groot) ouders verstrekken en is daarbij gebonden aan de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (wet GBA). Artikel 98, eerste lid, van de Wet GBA vereist voor de verstrekking van deze gegevens een grondslag in een algemeen verbindend voorschrift. Artikel 6, eerste lid, onderdeel j, van het BVVN voorziet in deze grondslag.

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester

Daarnaast kan de niet-Nederlandse nationaliteit van de vader van de optant bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j, RWN worden aangetoond aan de hand van een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteiten van het land van nationaliteit van deze vader.

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een periode van toelating (onderdeel g) dan kan dit blijken uit het verblijfsdocument van de optant in combinatie met de gegevens in de GBA dan wel uit een bericht omtrent toelating (artikel 3 BOT). Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.

paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

Voor optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en artikel II RRWN (2008) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. Model 1.14 hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.

Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand

Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 6, zesde lid, BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 1.14-1a en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.

paragraaf 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten

De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BVVN.

paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

In beginsel dient de optant een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. Dit niet alleen in verband met de identificatie maar ook om de nationaliteit van de optant te kunnen ‘vaststellen’ en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.

paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf 2.2.5.4 en paragraaf 2.2.5.5):

paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien indien deze in eerdere instantie reeds zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de GBA/burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis van, indien nodig, gelegaliseerde documenten.

paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie en inhoudelijke verificatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient de optant zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing. Wanneer een houder van een verblijfsvergunning asiel, bezwaar maakt tegen het aanvragen van documenten in het land van herkomst, wordt van overlegging van die documenten afgezien. Hiervan kan echter worden afgeweken indien zich een van de situaties voordoet op grond waarvan bezwaar tegen legalisatie niet zou hoeven worden gehonoreerd.

paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid, BVVN). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop paragraaf 2.12.) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester

Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de GBA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger in de GBA van een andere gemeente is ingeschreven.

Bijlage 2

Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008).

paragraaf 2.7. Archivering

Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de RWN weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BVVN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.

paragraaf 2.8. Weigering bevestiging

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing

** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.

paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de GBA van zijn gemeente zijn opgenomen (artikel 9, eerste lid, BVVN). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering aangaande Curaçao en Sint Maarten en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.

Bijlage 6

Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst (artikel 9, vijfde lid, BVVN).

paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie paragraaf 2.8Weigering bevestiging).’.

paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

Behoudens bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008)3RRWN van 27 juni 2008, stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6. , onderzoekt de burgemeester de verblijfsrechtelijke gegevens van de optant en van de kinderen die met het oog op medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd (artikel 10, eerste lid, BVVN). Aan de hand van het verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken in combinatie met de gegevens in de GBA kan worden beoordeeld of er sprake is van ‘toelating’ dan wel ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Indien optant dan wel een van de kinderen die in de optieverklaring wordt genoemd niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling in de GBA is ingeschreven dan wel hoofdverblijf heeft, om zijn verblijfsrechtelijke positie te regelen.

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Daarna onderzoekt de burgemeester of er op grond van het gedrag van de minderjarige optant van zestien jaar of ouder, de meerderjarige optant of dat van zijn minderjarige kinderen van zestien jaar of ouder voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (artikel 10, tweede lid, BVVN).

paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond

Bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (als de optant minderjarig is) RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (als de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt) en bij opties op grond van artikel II RRWN(2008) (als de optant op het moment van het afleggen van de optie nog minderjarig is) blijft onderzoek naar de eventuele antecedenten van de optant achterwege. Er wordt ook geen onderzoek gedaan naar de eventuele antecedenten van minderjarige kinderen van wie het de bedoeling is dat zij delen in de optie en die op het moment van de optieverklaring de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt. Bovendien onderzoekt de burgemeester of de optant polygaam gehuwd is (zie toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN).

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven (artikel 6, zesde lid, RWN), overlegt de burgemeester met de optant over de vast te stellen geslachtsna(a)m(en) en/of voorna(a)m(en), alsmede over de vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de burgemeester over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht (artikel 10, derde lid, BVVN). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is van overeenkomstige toepassing (zie de toelichting bij artikel 12 RWN).

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken (artikel 10, vierde lid, BVVN). Zie ook hiervoor bij 2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’ en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.

paragraaf 2.5. Bevestiging

Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid, BVVN). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop paragraaf 2.12.) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.

Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.

paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen

De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.

paragraaf 2.12.1. De oproeping

De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel: oproepen en uitreiken).

paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant

Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de Awb. Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van artikel 4:7 Awb belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel –indien van toepassing –zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.

paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

paragraaf 2.9. Bezwaar

De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De hoofdstukken 6 en 7 Awb zijn van toepassing.

paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een optieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.

6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag

Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de burgemeester door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 4:17 Awb). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen (artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12 Awb). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb, per 1 oktober 2009 vervallen.

paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

In voorkomende gevallen heeft de burgemeester (meestal) reeds bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring beoordeeld dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen21Idem.. De beoordeling door de burgemeester van de onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid vindt plaats op grond van ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken)22Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN.. De burgemeester heeft dan ook in gevallen als hier bedoeld bij het afleggen van de optieverklaring afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring door de optant.

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel: oproepen en uitreiken).

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

Heeft de optant het verzoek tot afstand dan wel een verklaring van afstand bij de autoriteiten van het land van herkomst ingediend of aangeboden, maar daarover is nog geen beslissing genomen, dan verzoekt de IND na zes maanden de optant de IND te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het doen van afstand.

paragraaf 3.1. Polygamie

De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de RWN en de daarop gebaseerde regelgeving. Ingevolge artikel 21 RWN kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur onder meer nadere voorschriften worden gesteld betreffende de administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN). In artikel 10, tweede lid van het BvvN is opgenomen dat de burgemeester onderzoekt of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de RWN, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij zestien jaar of ouder zijn.2Dit is niet van toepassing op de minderjarige die (mede)opteert op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b RWN, de minderjarige optant die op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder c RWN zelfstandig een optieverklaring aflegt en de minderjarige optant onder de zestien jaar die zelfstandig opteert op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. In het BvvN is vervolgens bepaald dat bij ministeriele regeling nadere regels kunnen worden gesteld in de uitvoering van dit besluit. Deze ministeriele regeling is de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN). In artikel 2 van de RvvN is onder meer opgenomen dat, tenzij in de regeling anders is bepaald, de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap opgedragen werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. In de regeling is op dit punt niets anders bepaald. Dit betekent dat de burgemeester de richtlijnen zoals deze beschreven staan bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN dient te volgen. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.

3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens paragraaf 2.12.5Procedurele aspecten na de terugmelding). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Omdat de optiebevestiging zowel de optant als de minderjarigen die met hem het Nederlanderschap verkrijgen betreft, kan de bevestiging niet worden uitgereikt indien één van de opgeroepen personen die de verklaring van verbondenheid moet afleggen niet verschijnt. De uitreiking van de optiebevestiging wordt in dat geval aangehouden11Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Alle betrokkenen worden opnieuw uitgenodigd voor een volgende naturalisatieceremonie en bij die naturalisatieceremonie kunnen de in de optiebevestiging genoemde personen alsnog de verklaring van verbondenheid afleggen12Zie tevens paragrafen 2.12.1 en 2.12.2 van paragraaf ‘Toelichting ad artikel 6, derde lid, RWN.. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal bij aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Indien de (hoofd)optant na herhaalde oproepen niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan13Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN..

Artikel 6a

Hetzelfde geldt wanneer een medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet op de naturalisatieceremonie is verschenen om daar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook in dit geval wordt de uitreiking aangehouden14Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Indien de medeoptant binnen één jaar na ondertekening van de optiebevestiging nog altijd niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd) vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan15Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN.. Dit geldt ook voor alle andere in de optiebevestiging genoemde personen.

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

Indien de minderjarige medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen weigert om de verklaring van verbondenheid af te leggen, dan wordt de uitreiking voor alle in het besluit genoemde personen aangehouden16Zie artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 60a, tiende lid, BVVN.. Na herhaalde oproepen wordt de optiebevestiging vervolgens aan deze omstandigheid aangepast en zo gewijzigd dat de betreffende medeoptant niet meer in het bevestigingsbesluit wordt genoemd. Tijdens de eerstvolgende ceremonie wordt de aangepaste optiebevestiging uitgereikt aan de hoofdoptant en eventuele andere medeoptanten. De wijziging van het bevestigingsbesluit moet plaatsvinden vóór de vervaldatum van een jaar na ondertekening van de optiebevestiging (zie toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN, stb. 2006, 250).

paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.4).

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.

paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

In voorkomende gevallen heeft de burgemeester (meestal) reeds bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring beoordeeld dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen21Idem.. De beoordeling door de burgemeester van de onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid vindt plaats op grond van ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken)22Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN.. De burgemeester heeft dan ook in gevallen als hier bedoeld bij het afleggen van de optieverklaring afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring door de optant.

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap.

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

Heeft de optant het verzoek tot afstand dan wel een verklaring van afstand bij de autoriteiten van het land van herkomst ingediend of aangeboden, maar daarover is nog geen beslissing genomen, dan verzoekt de IND na zes maanden de optant de IND te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het doen van afstand.

paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Voor de toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel bij artikel 9, derde lid, RWN.

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

Bij de beoordeling of ernstige vermoedens bestaan, hanteert de burgemeester, om redenen van rechtszekerheid en gelijke behandeling, dezelfde normen als bij naturalisatie (zie de Nota van toelichting bij artikel 10 van het Besluit van 15 april 2002 (Stb. 231) tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Deze normen staan beschreven in de toelichting op artikel 9, eerste lid onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap in deze Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Op 1 januari 2012 is de Wet Conflictenrecht Huwelijk (WCH) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:27 BW tot en met artikel 10:53 BW van toepassing.

1. Algemeen

De Nederlandse openbare orde verzet zich tegen het polygaam gehuwd zijn van Nederlanders. Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 1:33 BW. Dit artikel bepaalt dat een persoon slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in artikel 10:29 BW. Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen. De Nederlandse openbare orde verzet zich daarmee tevens tegen het bestaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap zou verkrijgen.

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

De vraag of een optant mogelijk polygaam gehuwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1 bij dit artikellid.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Bij de behandeling van een optieverklaring kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de WCE) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo’n lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen. De burgemeester dient steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

Naast polygamie zijn er ook andere gronden op grond waarvan ernstige vermoedens bestaan dat de optant een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. De richtlijnen om vast te stellen of op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan zijn dezelfde als in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, RWN bij naturalisatie. De bevestiging van de optieverklaring van de optant die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (als de optant minderjarig is) of c, RWN kan niet worden geweigerd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Verdragsverplichtingen verzetten zich in die gevallen tegen een weigering. Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN gaat het daarbij om artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149). Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN is de weigering niet toegestaan op grond van artikel 6, eerste lid 1, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit.

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

De beslistermijn van een optieverklaring eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.

2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Ad b: de wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet dus een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de optant schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.

3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Ad d: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.

Artikel 7

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht namen (WCN) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW van toepassing.

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

‘De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens artikel 25, onder b, van dit Boek en de artikelen 6 lid 5 en 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.’

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

Dus, bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie is in principe geen sprake van wijziging van de namen, tenzij:

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

De vaststelling van de naam vindt plaats in overleg met de optant. Uit de optieverklaring moet blijken welke naam door de optant wordt gewenst. Vervolgens worden de namen in de bevestiging van de optieverklaring vermeld. Zonodig worden de namen daarbij in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht.

7-alg. Toelichting algemeen

Als besloten wordt dat een kind niet kan delen in de verkrijging van het Nederlanderschap van zijn ouder(s), terwijl dit wel is verzocht, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd meegedeeld aan de wettelijke vertegenwoordiger en (eventueel) aan de ouder die om medeverkrijging heeft verzocht (die behoeft niet tevens te kunnen worden aangemerkt als de wettelijke vertegenwoordiger). Dit is een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking in de zin van de Awb.

paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

De vreemdeling die de Nederlandse nationaliteit ooit door optie heeft verkregen en de Nederlandse nationaliteit vervolgens weer is verloren, bijvoorbeeld door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit of door het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit, kan de Nederlandse nationaliteit slechts door optie herkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN. Deze oud-Nederlander kan het Nederlanderschap dus niet herkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, e, g, h, i, j, k, l, m, n en o, RWN ook al voldoet hij wel aan de voorwaarden genoemd in deze subleden. Hiermee wordt met name voorkomen dat minderjarigen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN die het Nederlanderschap door bevestiging van de optieverklaring hebben verkregen en daarna het Nederlanderschap hebben verloren op grond van artikel 16 RWN, in een gunstiger positie komen te verkeren dan de minderjarige oud-Nederlander die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verkregen op grond van artikel 3, 4 of 5 RWN.

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

BW: artikelen 1:5; 1:253aa; 1:253sa en 1:253t

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

WRvS: artikelen 37 en 39

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

Een vreemdeling die een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN aflegt (vanaf het vierde levensjaar toelating en hoofdverblijf in een land van het Koninkrijk), moet in beginsel afstand doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders als het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem verlangd kan worden. Daarnaast zijn er categorieën optanten waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (zie artikel 6a, tweede lid, RWN).

7-alg. Toelichting algemeen

Een optant die in de GBA is ingeschreven als staatloze en daarom wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN (zie de toelichting bij toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een optant die in de GBA is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Eerst indien deze optant aan de hand van de doorvoor geldende regels (artikel 43 Wet GBA) in de GBA wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

Het doen van afstand wordt in dit geval niet verlangd. Immers bij de verkrijging van het Nederlanderschap verliest de optant automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963, tenzij de eigen wetgeving het behoudt toestaat (en dat kan alleen in de gevallen die genoemd zijn in het tweede protocol). De vreemdeling hoeft daarom geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

Voor de toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel bij artikel 9, derde lid, RWN.

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

De afstandsverplichting geldt niet voor de optant die is geboren in Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba en daar ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zijn hoofdverblijf heeft. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die gehuwd is met een Nederlander.

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Personen die afstand moeten doen en die na de optiebevestiging huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie artikel 1, tweede lid, RWN) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op deze uitzondering. Huwen ze vóór de optiebevestiging (maar na het afleggen van de optieverklaring), dan kan alsnog met succes een beroep op deze uitzondering worden voldaan.

paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

De autoriteit bedoeld in artikel 6, derde lid, beoordeelt of de vreemdeling heeft voldaan aan het vereiste, genoemd in het eerste lid, of dat de vreemdeling een beroep toekomt op een van de uitzonderingen, genoemd in het tweede lid. Indien dit het geval is en ook aan de overige vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

Schema wel/niet verplicht bereidverklaring en verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester

Als de autoriteit Onze Minister om advies vraagt, dan wordt de beslistermijn van de optieverklaring met vier weken verlengd (zie artikel 6a, lid 6, RWN). De beslistermijn wordt dus 13 weken + 4 weken of 26 weken + 4 weken). Als door de autoriteit advies is gevraagd aan Onze Minister, dan moet de autoriteit dit schriftelijk aan de optant meedelen.

paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

BON: artikel 8.1

paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

Awb: artikel 4:5 en hoofdstukken 6 t/m 8

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester

Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet staan ingeschreven in de GBA van die gemeente. Dit betreft in het bijzonder personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, alsmede hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).

paragraaf 1. Algemeen

Hieronder wordt de procedurebeschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.

paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN

Artikel 21 RWN bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BVVN. Artikel 2, aanhef en onder a, BVVN bepaalt dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor Nederland geregeld in artikel 2 tot en met 5 BVVN en artikel 31 tot en met 38 BVVN.

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten (artikel 34, tweede lid, BVVN). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven (artikel 4 BNT) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT. Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in artikel 5 BNT te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing paragraaf 2.4.

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie paragraaf 3.5.1.

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.

Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies

Op grond van artikel 31, eerste lid, BVVN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

Schema wel/niet verplicht bereidverklaring en verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.13.1. De oproeping

Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.

9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b

Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd (artikel 7:10, eerste lid, Awb). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb-bezwaartermijn van toepassing.

paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.4):

paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Indien reeds in het verleden gelegaliseerde (en soms tevens geverifieerde) documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde documenten te worden overgelegd.

paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet staan ingeschreven in de GBA van die gemeente. Dit betreft in het bijzonder personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, alsmede hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).

paragraaf 3.13.1. De oproeping

Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten (artikel 34, tweede lid, BVVN). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.

paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

WCE: artikel 3

Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies

De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging (artikel 36, vijfde lid, BVVN. Zie model 2.22).

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

Hoofdregel: mondeling afleggen in persoon

paragraaf 3.1. Advisering

Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (Model 1.35a) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.

paragraaf 3.11. Bezwaar

Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend (de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb zijn van toepassing). Voorts kan in de volgende gevallen bezwaar worden ingediend:

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

N.B. Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige, hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.

Artikel 8

Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op (artikel 60b, tweede lid BVVN). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend (artikel 2, derde lid RWN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

paragraaf 3.6. Molukkers

Dit kan bijvoorbeeld spelen indien betrokkene heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de burgemeester geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de burgemeester is afgewezen.

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping (artikel 60b, vierde lid BVVN). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de burgemeester of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax voor de uitreiking.

paragraaf 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. DeVw 2000 is niet op hen van toepassing (net zoals de Vw 1965 niet op hen van toepassing was). Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten

De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..

Bijlage 1

In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.

paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.

paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Hoofdregel: mondeling afleggen in persoon

paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht

De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens paragraaf 3.13.4.1).

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge artikel 60b, twaalfde lid, BVVN deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Bijlage 3

Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.

Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan

De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.

Artikel 8

Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Rgdr: artikel 2

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

**** In deze gevallen dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld, te worden geraadpleegd om te bezien of het verblijfsrecht al dan niet-tijdelijk is.

paragraaf 1. Algemeen

In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.

paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

Vanaf 1 april 2007 is het niet meer mogelijk om de naturalisatietoets te doen welke gold vanaf 1 april 2003. Enkel de verzoeker die op 1 april 2007 het onderdeel kennis van staatsinrichting en maatschappij (deel I) heeft behaald, alsmede ten minste één onderdeel van de toets kennis van de Nederlandse taal (deel II) van de naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003, wordt tot 1 oktober 2007 éénmalig in de gelegenheid gesteld om bij een Regionaal Opleidings Centrum (ROC), genoemd in artikel 3, eerste lid, van de regeling naturalisatietoets zoals deze gold tot 1 april 2007, de resterende onderdelen van de toets kennis van de Nederlandse taal te behalen.

paragraaf 2. Procedure

Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in Bijlage 6 bij dit artikel een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.

paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht

Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. DeVw 2000 is niet op hen van toepassing (net zoals de Vw 1965 niet op hen van toepassing was). Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen

10.

Degene die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende zes onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.

paragraaf 3.7. Minderjarigen

Bij indiening van het verzoek om naturalisatie dient betrokkene gelet op het vorenstaande de volgende documenten te overleggen: certificaat oudkomers, gewaarmerkt kopie verklaring onderwijsinstelling en de resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS).

paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij bij het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (1998–2006) behaalde Certificaat Inburgering het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met een voor de naturalisatie voldoende niveau heeft behaald.

Bijlage 2

N.B. Altijd dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld door de Vreemdelingendienst of IND te worden geraadpleegd op eventuele uitzonderingen op het schema. Let in het bijzonder op toepassingen van artikel 3.5, derde lid, Vb 2000!

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

*** Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, indien dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

Vanaf 1 april 2007 is het niet meer mogelijk om de naturalisatietoets te doen welke gold vanaf 1 april 2003. Enkel de verzoeker die op 1 april 2007 het onderdeel kennis van staatsinrichting en maatschappij (deel I) heeft behaald, alsmede ten minste één onderdeel van de toets kennis van de Nederlandse taal (deel II) van de naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003, wordt tot 1 oktober 2007 éénmalig in de gelegenheid gesteld om bij een Regionaal Opleidings Centrum (ROC), genoemd in artikel 3, eerste lid, van de regeling naturalisatietoets zoals deze gold tot 1 april 2007, de resterende onderdelen van de toets kennis van de Nederlandse taal te behalen.

paragraaf 2. Procedure

Het praktijkdeel van het examen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide.

paragraaf 3.1. Polygamie

Indien verzoeker een beroep doet op ontheffing wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder paragraaf 2.3).

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving

certificaat oudkomers, gewaarmerkte kopie verklaring onderwijsinstelling en het Certificaat naturalisatietoets waaruit blijkt dat het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) met goed gevolg is afgesloten.

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij bij het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (1998–2006) behaalde Certificaat Inburgering het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met een voor de naturalisatie voldoende niveau heeft behaald.

Bijlage 8

Het niveau van het onderdeel Nederlands als Tweede Taal wordt als voldoende beoordeeld indien hiervoor ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij het Certificaat Inburgering Nieuwkomers én de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit dit blijkt. Indien uit het Certificaat Inburgering blijkt dat de verzoeker voor alle vier taalonderdelen ten minste niveau 2 heeft behaald, dan moet hij in het kader van de naturalisatieprocedure nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) van het centrale deel van het inburgeringsexamen behalen. Indien betrokkene slaagt voor het examen KNS, dan ontvangt hij hiervan een resultaatbrief.

1. Algemeen

De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie, of de DUO raadplegen. De DUO geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan de DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.

Uitzonderingen (zie tevens paragraaf 3.13.4.2 Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker één van de vier certificaten zoals hierboven omschreven én:

Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling

Indien de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform paragraaf 2.1.2 gehandeld.

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

Indien verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. Verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.

Artikel 9

In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven. De door de burgemeester aangewezen arts is bekend bij de afdeling inburgering van de betreffende gemeente. De gemeente gaat bij de afdeling die belast is met het uitvoeren van de Wet inburgering na of het medische advies is opgemaakt door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen medisch adviseur. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.

8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid

(zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Uitzonderingen (zie tevens paragraaf 3.13.4.2 Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Betrokkene is ontheven van het examen, indien hij een verklaring overlegt van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Voorts zal bij indiening van een naturalisatieverzoek de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’ moeten worden overgelegd.

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Het tarief voor het haalbaarheidsonderzoek wordt jaarlijks geïndexeerd (artikel 6, lid 5, Regeling Naturalisatietoets Nederland). Hierbij is gekozen voor een berekening analoog aan die van de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden, waarbij wordt gekeken naar de loonontwikkeling.

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Betrokkene dient aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan te tonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht niveau A2 op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de Wet inburgering. Het moet wel ten minste gaan om een Nederlandse taalcursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

De gemeente heeft hierbij een voorlichtende taak, die eruit bestaat betrokkene erop te wijzen dat hij bij zijn aanmelding bij het ROC van Amsterdam zal moeten kunnen aantonen dat hij (onverplicht) een cursus Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het degene die niet kan aantonen (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de ‘extra inspanning’ te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin hem door te verwijzen naar dat ROC voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes het inburgeringsexamen zal kunnen afleggen.

paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam

BVVN: artikelen 31; 32; 34 en 38

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.

Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Een vrouwelijke verzoeker stelt analfabeet te zijn en derhalve te zijn ontheven van de naturalisatietoets. De vrouw kan –als analfabeet –slechts in aanmerking komen voor ontheffing van de onderdelen lezen en schrijven en niet voor de overige onderdelen van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning van een en ander overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De vrouw –zij is van middelbare leeftijd –heeft geen enkele vooropleiding gevolgd. De burgemeester verwijst de vrouw naar het nabijgelegen ROC. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar model 2.21 invullen.

9-alg. Toelichting algemeen

Daarbij is niet van belang:

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

1. Algemeen

De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:

Paragraaf 5.4. Voeging

Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van artikel 11, vierde lid, RWN wordt ingediend zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.

Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten

De vreemdeling mag niet worden genaturaliseerd als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de verzoeker, indien zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer kan worden genaturaliseerd. Omdat het openbare-ordebeleid voor naturalisatie anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN) bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.

Paragraaf 4. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Indien de verzoeker in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt het verzoek afgewezen.

Paragraaf 5.1. Misdrijven

B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan € 453,78 ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 453,78 wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 453,78 of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 226,89 vastgesteld. Deze ondergrens van € 226,89 is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 680,67 is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

RWN: artikelen 1.1f; 1.2; 6; 7; 8; 10; 11.6; 13; 15.1d en 16.1

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Als het een gerechtelijke vaststelling vaderschap betreft naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlandse internationaal privaatrecht. De Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op buitenlandse gerechtelijke vaststellingen vaderschap die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Per 1 januari 2012 geldt artikel 10:92 tot en met 10:102 BW.

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

paragraaf 2.2.4.3. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag

paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

paragraaf 2. Procedure

paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de GBA van zijn gemeente zijn opgenomen (artikel 9, eerste lid, BVVN). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering aangaande Curaçao en Sint Maarten en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.

Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen

paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen

Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven model 1.14 niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.

Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, dan vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Zie hiervoor de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a, vierde lid, RWN.

paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

paragraaf 2.10. (Hoger) beroep

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

Voor optanten die op of na 1 maart 2009 een optieverklaring afleggen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.

paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist

1. Algemeen

paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Het besluit tot bevestiging treedt als regel in werking door uitreiking ervan in persoon aan de opgeroepen optant/wettelijk vertegenwoordiger. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van de bevestiging. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

Artikel 6a

Het is mogelijk dat tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de optant is gewijzigd. Het is aan de burgemeester om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheid wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een optant na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, kan hij de verklaring van verbondenheid niet langer afleggen. In dit geval wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking (artikel 60a, negende lid BVVN). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.

Zij weigert de bevestiging indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:54 tot en met artikel 10:59 BW van toepassing.

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

Een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen wordt in Nederland erkend als:

Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Artikel 7

paragraaf 1. Algemeen

Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.2.4.3.1). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.

Voor wat betreft de voorwaardenvoor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9, eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.

Wet gba: artikel 43, 98

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

Let op! De verwijzing naar artikel 6, tweede lid in de hierboven opgenomen wettekst is niet juist. Hier wordt het derde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd.

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

Op gelijktijdige optieverklaringen van twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder Nederlander wordt, zodat de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Let op! In het wetsartikel wordt nu verwezen naar de beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vierde lid. Hier wordt echter het vijfde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd.

paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 5.12. Gratie

Voor wat betreft de voorwaardenvoor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9, eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.

paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een naturalisatieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift, dan zal de IND een in artikel 4:15 Awb of artikel 7:10 Awb genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, dan zal de IND om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van artikel 60b lid 2 BVVN). Hiervoor zal de IND in overleg treden met de gemeente die het besluit moet uitreiken.

paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

paragraaf 3.12. (Hoger) beroep

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken

paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.

paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing (artikel 38, eerste lid, BVVN). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook paragraaf 3.13.) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.

Bezwaar tegen een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de Awb en zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de kennisgeving van naturalisatie, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht. Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:

paragraaf 1. Algemeen

Vc 2000: hoofdstuk B5

paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).

paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000

Algemeen

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep

paragraaf 1. Algemeen

De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:

Bijlage 6

Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet worden beëindigd.

paragraaf 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is

paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel

Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd jegens verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (Stb.1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen.

11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid

paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Bijlage 4

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens die met behulp van een computer worden afgenomen: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en toets gesproken Nederlands (TGN).

De tarieven voor het centraal deel van het examen zijn geregeld in de Regeling inburgering en staan ook op de site van de DUO . De door de Minister van WWI aangewezen exameninstellingen die het praktijkdeel afnemen stellen hun eigen tarieven vast.

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling

Bijlage 8

1. Algemeen

3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

paragraaf 1. Algemeen

In het geval de burgemeester de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document wil onderzoeken, kan hij daaromtrent advies van de DUO inwinnen. In het geval advies van de DUO wordt ingewonnen, wordt het origineel document tijdelijk ingenomen.

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 2.3.1. Inleiding

3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking. Het gaat hier om een verzoeker die:

Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.

paragraaf 1. Algemeen

Dit betekent bijvoorbeeld voor iemand die op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers verplicht is geweest een inburgeringscursus te doen en die voor de eindtoets niet het niveau heeft gehaald waarop hij (ingevolge artikel 3, eerste lid, onder d Besluit naturalisatietoets) vrijstelling van het inburgeringsexamen zou hebben gekregen, dat hij zich door het volgen van de cursus voldoende heeft ingespannen te leren lezen en schrijven in de Nederlandse taal.

Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.

Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.

Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)

paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit

3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens paragraaf 3.13.3Afleggen verklaring van verbondenheid).

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

Paragraaf 5.5. Taakstraffen

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 92 tot en met 423 WvSr), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de Wet Economische Delicten (WED) en de Opiumwet. Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.

8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid

Artikel 9

BVVN: artikelen 31; 32; 34 en 38

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester

paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon

Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand

paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)

paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond

paragraaf 2.12.1. De oproeping

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

Uitzonderingen (zie tevens paragraaf 3.13.4.2 Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Indien de optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, stuurt de autoriteit na uitreiking van de optiebevestiging het optiedossier naar de Minister van Justitie (IND) om de afstandsprocedure uit te voeren.

Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

RWN: artikelen 1; 2; 8; 9; 12; 13; 14.1; 21; 22; 23; 26 en 28

Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.4):

RWN: artikelen 2; 8 t/m 13 en 21

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst

paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument te overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de GBA is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

paragraaf 3.13.1. De oproeping

Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor paragraaf 3.13.3). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60b, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.

Bijlage 4

Bijlage 6

Bijlage 1

paragraaf 3.1. Advisering

Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan

paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten

In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.

paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen

paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

paragraaf 2.3.1. Inleiding

paragraaf 2. Algemeen

De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.

De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:

Artikel 13

Indien de burgmeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen, in dat geval wordt gehandeld conform paragraaf 2.1.2. Indien verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.

Bijlage 8

4. Afleggen verklaring van verbondenheid

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

Uitzonderingen (zie tevens paragraaf 3.13.4.2 Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.

Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties

Awb: artikelen 4:5; 4:7; 6:2; 7:1; 8:1 en8:7.2

Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten

Rgdr: artikelen 2.2 en 5.3

WBRv: artikel 183

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant

1. Algemeen

paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

RRWN: artikelen IB; II.2 en V.1

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000

In voorkomende gevallen geeft de burgemeester (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 645Zie hiervoor paragraaf 3.4.1 onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring’. reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker.46Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de burgemeester ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken)47Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. toegevoegd. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van de burgemeester.

paragraaf 3.6. Molukkers

paragraaf 3.7. Minderjarigen

Bijlage 2

Bijlage 3

11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid

Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

Bijlage 5

Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan

De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van artikel 5, BNT bedoelde inburgeringsdiploma over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (artikel 34, eerste lid, BVVN). Indien verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daaromtrent moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).

De verzoeker kan een beroep doen op de vrijstellingsgrond geformuleerd in artikel IV van de wijziging van het Besluit naturalisatietoets die is ingegaan op 1 april 2007 (certificaat naturalisatietoets).

paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.

paragraaf 1. Algemeen

Bdr: artikelen 1b; 1c en 5 t/m 9

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Wet gba: artikel 43

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

Let op: in principe kan op grond van artikel 6, achtste lid RWN een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j RWN, indien hij toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk.

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, tijdens zijn minderjarigheid is erkend, terwijl hij aangetoond heeft dat die persoon de biologische vader is.

Paragraaf 1.4. Vereiste documenten

paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand

Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

paragraaf 2.10. (Hoger) beroep

Voor de toelichtingen wordt verwezen naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 3. Zie tevens artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap.

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

BVVN: artikelen 3 t/m 12, 24, 30a t/m 30d, 32, 57 t/m 69 en 73

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn

paragraaf 3.11. Bezwaar

paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

Bijlage 6

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.

paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving

1. Algemeen

9-alg. Toelichting algemeen

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Paragraaf 5.5. Taakstraffen

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

WRB: artikelen 34.2 en 34.3

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW

Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander

Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging

6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g

paragraaf 2.7. Archivering

Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie

Paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964

paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 2.12.1. De oproeping

Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892

Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

Paragraaf 1.5. Vereiste documenten

3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)

Het juridische vaderschap hoeft niet te zijn ontstaan met ingang van de geboorte. De niet-Nederlandse man kan ook na de geboorte juridische vader zijn geworden van de optant door postnatale erkenning, wettiging of gerechtelijke vaststelling vaderschap in het buitenland die niet terugwerkt tot de geboorte van de optant.

De Wet A.B. bepaalt dat de bevoegdheid tot erkenning alsook de voor erkenning geldende voorwaarden dienen te worden beoordeeld naar het nationale recht van de erkenner. Een buitenlandse gerechtelijke vaststelling vaderschap kan ook worden erkend in Nederland als deze overeenkomstig de eisen van de nationale wet van de vader is tot stand gekomen.

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte

Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

3.11. Bezwaar

Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder

Het bovenstaande voorbeeld maakt dus duidelijk dat de ‘overleden ouder’ dus niet op het moment van de inwerkingtreding van deze optiebepalingen al hoeft te zijn overleden.

Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

1. Algemeen

5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

paragraaf 2. Procedure

2.2. Vrijstelling van het examen

6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid

paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

paragraaf 2.8. Weigering bevestiging

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

paragraaf 2.3.1. Inleiding

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid

paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen

8-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

Paragraaf 4. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn

Paragraaf 5.12. Gratie

WvSr: artikelen 74a en 92 t/m 423

paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand

paragraaf 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging

Ingevolge overgangsbepaling artikel II, tweede lid, RRWN (Stb. 2010, 242) geldt overgangsrecht voor artikel 9, derde lid, onder c, RWN.

Paragraaf 7. Afwijzing indien ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk

Als een verzoeker (op model 2.3) of optant (op model 1.14) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het verzoek zitten. De verzoeker of optant moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de verzoeker of optant beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.

Artikel 9, eerste lid, RWN stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in artikel 8 RWN gestelde voorwaarden.

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.

Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, indien:

Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:

Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag

De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:

Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.

Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.

Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.

De vreemdeling mag niet worden genaturaliseerd als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de verzoeker, indien zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer kan worden genaturaliseerd. Omdat het openbare-ordebeleid voor naturalisatie anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN) bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

De woorden ‘ernstige vermoedens’ in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de verzoeker al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.

Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.

Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen verzoeker wegens misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit het Opsporingsregister of het register van de herkenningsdienst) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van misdrijf. Ook indien de verzoeker reeds is veroordeeld voor een misdrijf of jegens hem ter zake van een misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, maar hij tegen het vonnis in hoger beroep is gegaan of verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat verzoeker in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf. Verder is er sprake van ernstige vermoedens indien de verzoeker zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als verzoeker zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.

Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de verzoeker geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij niet worden genaturaliseerd. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.

Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:

Daarbij is niet van belang:

paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)

Paragraaf 8. Procedure

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden

Indien de verzoeker in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt het verzoek afgewezen.

Iedere meerderjarige verzoeker en iedere minderjarige medenaturalisant van 16 jaar en ouder moet bij het verzoek een verklaring verblijf en gedrag (model 2.3) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de (mede)verzoeker aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie moeten leiden.

Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 92 tot en met 423 WvSr), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de Wet Economische Delicten (WED) en de Opiumwet. Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.

De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

paragraaf 3.12. (Hoger) beroep

paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)

paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen

Artikel 12

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde

paragraaf 2.3.1. Inleiding

Artikel 13

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

Ingevolge overgangsbepaling artikel VII, tweede lid, RRWN geldt overgangsrecht voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw).

Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.

9-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 8. Procedure

De verzoeker komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie.

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.

Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.

paragraaf 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging

Paragraaf 8.3. Bericht van de korpschef

Paragraaf 4. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

paragraaf 1. Algemeen

Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de verzoeker of optant om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De verzoeker kan op model 2.3 (bij naturalisatie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De optant kan bij het afleggen van de optieverklaring dat doen op model 1.14. Bij het nemen van de beslissing beoordeelt de IND (bij naturalisatie) namens Onze Minister de eventueel aangevoerde omstandigheden. Bij optie wordt die beoordeling gedaan door de burgemeester.

Het verzoek wordt ook afgewezen, indien er in die periode van vier jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:

Het is van belang dat de verzoeker zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de verzoeker in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.

Indien er sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de verzoeker in aanmerking kan komen voor naturalisatie. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld.

Schuldig zonder straf: misdrijven waarbij in het vonnis sprake is van een schuldigverklaring, maar waarbij de rechter met toepassing van art. 9a Wetboek van Strafrecht geen (voorwaardelijke) straf of maatregel heeft opgelegd blijven ook buiten beschouwing bij een beoordeling in het kader van art. 9, eerste lid, onder a RWN.

Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst

Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de geldboete € 453,78 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 226,89 leiden tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop ten minste € 680,67 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).

Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.

De beoordeling van de door de verzoeker of optant naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.

De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.

Paragraaf 5.5. Taakstraffen

Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.

De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb.1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in artikel 9, derde lid, RWN, zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

paragraaf 3.13.1. De oproeping

paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

Artikel 8

Bijlage 3

Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken

14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid

Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn

In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.

9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b

9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

Paragraaf 7. Afwijzing indien ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk

Het verzoek wordt afgewezen, indien er binnen vier jaren voor de indiening van het verzoek of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:

Paragraaf 5.1. Misdrijven

paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)

Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen (artikel 74a WvSr) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen (€ 453,78 of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € 226,89 of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens artikel 11, vijfde lid, Vw 2000 gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.

Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering.

Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de optant (op model 1.14) of de verzoeker om naturalisatie (op model 2.3) zelf heeft verklaard, dan wordt de optant door de burgemeester en de verzoeker om naturalisatie door de IND in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (artikel 4:7 Awb). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.

Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan € 453,78 ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 453,78 wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 453,78 of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 226,89 vastgesteld. Deze ondergrens van € 226,89 is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 680,67 is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.

paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij artikel 9, derde lid, RWN.

Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.

Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vier jaar. In dat geval zou de verzoeker moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren indien de verzoeker is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de verzoeker nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vier jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die verzoekers die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij dienen in dat geval immers langer te wachten voordat zij voor naturalisatie in aanmerking komen. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vier jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete of transactie is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De verzoeker moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.

paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

Op een verzoeker die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in artikel 14, tweede lid, RWN is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de verzoeker derhalve zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatieverzoek tegengeworpen.

Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.

Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de verzoeker. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën verzoekers gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de verzoeker opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor het verzoek om naturalisatie.

Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.

Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde verzoeker zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de verzoeker zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Indien de verzoeker zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, dient de verzoeker zelf aan te geven hoe dat komt en zulks met bescheiden te onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de verzoeker zelf. Indien verzoeker meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, dient hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren te brengen en te onderbouwen.

paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel

De verzoeker komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie.

Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 5.12. Gratie

Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 680,67, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € 226,89 bedraagt.

Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen

Paragraaf 5.4. Voeging

Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:

15a-alg. Toelichting algemeen

Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.

Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering

Paragraaf 8.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag

paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

In Amsterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Vier jaren later blijkt het kind bij geboorte staatloze ouders te hebben gehad. Weliswaar is binnen vijf jaren na het vinden de afstamming van het kind bekend geworden, doch dat heeft voor het kind niet tot gevolg gehad dat het door geboorte een vreemde nationaliteit bezit. Het kan immers aan de ouders geen nationaliteit ontlenen, omdat die staatloos zijn. In dit geval blijft het kind het Nederlanderschap ontlenen aan artikel 3, tweede lid, RWN.

B wordt in 2004 geboren uit een ongehuwde Duitse vrouw. Twee maanden voor zijn geboorte is hij (als ongeboren vrucht) erkend door een Nederlander, die een maand voor de geboorte van B is overleden. B ontleent weliswaar de Duitse nationaliteit aan zijn moeder, maar verkrijgt bij zijn geboorte tevens het Nederlanderschap op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat zijn vader vóór zijn geboorte als Nederlander is overleden.

Een erkenning van een kind vóór zijn geboorte (als ongeboren vrucht) heeft ook nationaliteitsrechtelijke gevolg (verkrijging van het Nederlanderschap bij de geboorte), indien het kind is erkend door een niet-Nederlandse man en hij aan alle voorwaarden van dit artikellid voldoet. In dat geval heeft het kind, als een kind dat staand het huwelijk van zijn ouders is geboren, vanaf de geboorte een juridische vader.

Toelichting

paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

Tijdens de vakantie in Nederland van een in Duitsland wonend Duits echtpaar wordt in Haarlem hun zoon A geboren. A trouwt in 2000 met een Française, die geboren is in Frankrijk uit aldaar wonende ouders. Tijdens de vakantie van A en zijn echtgenote, die beiden in Frankrijk wonen, wordt in 2004 in Vlissingen zoon B geboren.

Toelichting

4-1. Ad artikel 4, eerste lid

Indien het kind is geboren vóór 1 januari 1985 en de vaststelling van het vaderschap in beginsel25Met (in beginsel) onherroepelijk wordt de situatie bedoeld dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Dit neemt niet weg dat een onbekend gebleven belanghebbende alsnog de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door middel van een rechterlijke procedure kan aantasten. onherroepelijk is geworden vóór 1 april 2003, heeft het kind het Nederlanderschap niet verkregen. Weliswaar vestigt de vaststelling van het vaderschap een familierechtelijke betrekking tussen vader en kind vanaf de geboorte, maar dit leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Immers, artikel 1, aanhef en onder a, WNI (die gold tot 1 januari 1985) kent een limitatieve opsomming voor verkrijging van het Nederlanderschap, namelijk: “het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind”. In de opsomming wordt niet genoemd de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind, ontstaan door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het ligt daarom niet in de rede om deze rechtsfiguur, die pas in 1998 werd ingevoerd in het Nederlands familierecht, met terugwerkende kracht ‘in te lezen’ in een wet die stamt uit 1892 en die bovendien niet meer van kracht is. De rechtszekerheid, die in het nationaliteitsrecht zware eisen stelt, staat hier geen ruimere dan een grammaticale interpretatie toe. Een andere opvatting zou in strijd zijn met artikel 25 RWN. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen beroep mogelijk is op artikel 1, aanhef en onder b, WNI noch op artikel 2, aanhef en onder a, WNI.

In 2001 kende de RWN nog geen aparte regeling voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en werkte die vaststelling ook nationaliteitsrechtelijk terug tot de geboorte van het kind. A moet dan ook geacht worden het kind te zijn waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander is en daardoor het Nederlanderschap vanaf zijn geboorte te bezitten op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.

Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

WBRv: artikelen 358 en 426

5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

Het is mogelijk dat een laboratorium geaccrediteerd is conform de hiervoor genoemde normen, maar ook DNA-onderzoek verricht op basis van een zogenaamde thuis-‘kit’. Sanquin heeft bijvoorbeeld de Q en Q home test en Verilabs heeft ook een thuistest. Bij een thuis-‘kit’ nemen mensen zelf (dus geen arts) DNA-materiaal af bij zichzelf/de erkenner en het kind en stuurt dit vervolgens op naar het laboratorium. Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met de aanbevelingen van de ISFG. Hierin wordt onder meer beschreven dat de identiteit van degene waarvan het DNA wordt afgenomen volgens een vaste procedure wordt vastgesteld, opdat de identiteit van de betrokkenen kan worden gewaarborgd. DNA-bewijs op basis van een thuis-‘kit’ kan daarom niet worden geaccepteerd. Als een laboratorium ook DNA-onderzoek doet op basis van thuis-‘kits’ moet uit het DNA-onderzoeksrapport of begeleidend schrijven te blijken dat de monsterafname is verricht conform de normen van de ISFG. Ook deze bewijslast rust op de betrokkene. Dit kan hij aantonen door de ‘scope’ van het betreffende laboratorium te overleggen. Hieruit moet blijken dat niet alleen de afname, analyse, interpretatie en rapportage van vaderschapsonderzoek volgens de aanbevelingen van de ISFG is gebeurd, maar ook de identificatie van degenen van wie DNA-materiaal wordt afgenomen volgens deze aanbevelingen heeft plaatsgevonden.

Uit het rapport van een laboratorium moet blijken dat het laboratorium geaccrediteerd is conform

Een Nederlandse ongehuwde man heeft op 1 mei 2009 een 12-jarige jongen erkend. De man wil binnen een jaar na de erkenning zijn biologische vaderschap aantonen, zodat de jongen alsnog het Nederlanderschap verkrijgt. De man wendt zich tot de gemeente en vraagt of hij via een goedkope thuistest van Verilabs, zijn biologisch vaderschap zoals bedoeld in artikel 4, zesde lid, kan aantonen. De gemeente informeert hem dat Baseclear weliswaar geaccrediteerd is om vaderschapsonderzoeken uit te voeren, maar dat dit niet geldt voor een thuistest van deze organisatie, omdat de identiteitsvaststelling dan niet in overeenstemming is met de ISFG-aanbevelingen. Vervolgens vraagt de man bij Verilabs een vaderschapsonderzoek aan dat wel voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek. Nadat de identiteit is vastgesteld conform de ISFG-aanbevelingen wordt bij het laboratorium van Baseclear het onderzoek uitgevoerd. Volgens het rapport van Baseclear bevestigt het onderzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (99,9%) het vaderschap van de man. Aan B&W wordt het rapport op 17 november 2009 overgelegd. Dit is dus ruim binnen de vereiste termijn van een jaar. De jongen verkrijgt aldus vanaf 1 mei 2009 het Nederlanderschap.

Artikel 5

Indien een kind buiten Nederland rechtsgeldig is erkend of gewettigd, door deze erkenning of wettiging in familierechtelijke betrekkingen tot de vader is komen te staan en daarbij het Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de geslachtsnaam van dat kind na de erkenning of de wettiging niet is bepaald met inachtneming van een naamskeuze in de zin van artikel 5, tweede lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de moeder en de erkenner gezamenlijk alsnog, tot twee jaar na de erkenning of de wettiging verklaren welke van hun beider geslachtsnaam het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip van de erkenning of de wettiging de leeftijd van zestien jaren bereikt, dan kan het, tot twee jaar na de erkenning of de wettiging, zelf alsnog verklaren of het de geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben.

paragraaf 1. Algemeen

Bijlage. bij artikel 5b RWN

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

A is in Nederland geboren en is 27 jaar oud. Zij is uitsluitend in het bezit van de Duitse nationaliteit. Van haar zestiende tot haar zeventiende jaar bezocht zij de high schoolin de Verenigde Staten van Amerika. Ze was dat jaar niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De rest van haar leven heeft zij altijd in Amsterdam bij haar Duitse ouders gewoond. Zij is van onbesproken gedrag en in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER. A kan niet opteren voor de Nederlandse nationaliteit, omdat zij niet sedert haar geboorte hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Van haar zestiende tot haar zeventiende jaar had zij immers hoofdverblijf in de Verenigde Staten.

paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant

paragraaf 3. Overgangsregeling

Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

Paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW

Paragraaf 1. Algemeen

De nationaliteitswet van een aantal staten verleende niet de nationaliteit aan de vrouw waarmee een onderdaan van die staat huwde (vóór 1 maart 1964): bijvoorbeeld de Verenigde staten, Argentinië, Chili, Cuba, Honduras en Paraguay. Deze vrouw behield dus na het huwelijk de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892, om staatloosheid te voorkomen.

3.6.1. Bevoegdheid burgemeester

Paragraaf 1.5. Vereiste documenten

6-1-k. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k

Als het een postnatale erkenning betreft naar buitenlands recht, dient deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht (de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is van toepassing op buitenlandse erkenningen die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen).

paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 1. Algemeen

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Geen.

3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

Op een Nederlands (in Nederland te boek gesteld) zeeschip is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Drie jaren later blijkt dat het kind is geboren uit een ongehuwde Franse vrouw en dat het derhalve door geboorte de Franse nationaliteit bezit. Het kind moet hierdoor geacht worden nimmer Nederlander te zijn geweest.

4-1. Ad artikel 4, eerste lid

4-2. Ad artikel 4, tweede lid

4-5. Ad artikel 4, vijfde lid

5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)

K en I zijn Nederlander vanaf 12 november 2002 (datum van de erkenning) op grond van artikel 3, derde lid (oud) RWN, nu zij als minderjarigen vóór 1 april 2003 zijn erkend door een ten tijde van hun geboorte in Nederland wonende man die zelf geboren is uit in Nederland wonende (Turkse) moeder.

4-2. Ad artikel 4, tweede lid

4-6. Ad artikel 4 zesde lid

paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW

5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)

5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)

Artikel 6

paragraaf 3. Overgangsregeling

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

Paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die door een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kind is van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, indien hij op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.

Een uit een Duitse ongehuwde vrouw geboren kind wordt op zesjarige leeftijd in 2004 in Turkije erkend door een in Nederland wonende Turkse man A. Na de erkenning is deze Turkse man A overleden in Turkije. Deze Turkse man A is in 1984 in Duitsland geboren staande het huwelijk van een Turkse vader C en een Nederlandse moeder D. De Nederlandse moeder D heeft niet vrijwillig de Turkse nationaliteit verkregen na dit huwelijk en is dus in het bezit gebleven van de Nederlandse nationaliteit.

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

4-alg. Toelichting algemeen

Op 9 januari 2004 heeft de Rechtbank Den Haag ten aanzien van B (geboren 11 augustus 1995), van vreemde nationaliteit, vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. Tegen de vaderschapsvaststelling wordt door een destijds onbekende belanghebbende hoger beroep ingesteld, echter zonder succes. De uitspraak in hoger beroep is van 15 juli 2004. Tegen die uitspraak wordt geen beroep in cassatie ingesteld.

5a-alg. Toelichting algemeen

B, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat X, is in verdragsstaat X geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is B bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat X aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag totstandgekomen is, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie verbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 19 maart 2004 op 19 mei 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

Paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964

Paragraaf 1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985

Onder druk van internationale ontwikkelingen kwam geleidelijk een einde aan de nationaliteitsrechtelijke ongelijkheid tussen man en vrouw. Per 1 maart 1964 werd de nationaliteitsrechtelijke positie van de vrouw geheel onafhankelijk van de man. De Nederlandse vrouw die huwde met een niet-Nederlander verloor niet meer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit (zij kon dus bipatride worden).

Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap

Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader reeds rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes in het beleid voor naturalisatie, mogelijk tot verschillende sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan de Minister van Justitie bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd indien een verzoeker om naturalisatie meerderjarig zou zijn geweest.2Vergelijk ABRvS, 31 januari 2007, nr. 200604978/1 - LJN AZ7454, JV ; 2007, 103 en ABRvS, 25 juni 2003, nr. 200200853/1 – JV 2003/429

paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)

Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.

Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:

16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d

Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Indien de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Indien dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid bij naturalisatie.

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom dient bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd te worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.

Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie

Artikel 18

Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek om naturalisatie of optieverklaring dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen of geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker of optant een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de verzoeker of optant geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker of optant een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij niet worden genaturaliseerd of Nederlander worden door optie. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken.

Paragraaf 7. Afwijzing indien ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk

Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.

Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.

paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

Als voor de indiening van het verzoek al duidelijk is dat de verzoeker (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van betrokkene.

Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag

Iedere meerderjarige verzoeker en iedere minderjarige medenaturalisant van 16 jaar en ouder moet bij het verzoek een verklaring verblijf en gedrag (model 2.3) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de (mede)verzoeker aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie moeten leiden.

Als een verzoeker (op model 2.3) of optant (op model 1.14) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het verzoek zitten. De verzoeker of optant moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de verzoeker of optant beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.

paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de optant (op model 1.14) of de verzoeker om naturalisatie (op model 2.3) zelf heeft verklaard, dan wordt de optant door de burgemeester en de verzoeker om naturalisatie door de IND in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (artikel 4:7 Awb). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.

Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.

Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de verzoeker of optant voorkomt in:

paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar

Als sprake is van een openstaande strafzaak neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de verzoeker of optant voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf of een boete van € 453,78 of meer kan worden gevorderd. Als de verzoeker of optant een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 453,78 of meer (dan wel, als aan de verzoeker of optant al eerder vermogenssancties zijn opgelegd: € 226,89 of meer) kan zijn. Als de zaak zal worden geseponeerd, moet worden nagegaan of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn. De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

De beoordeling van de door de verzoeker of optant naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.

A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.

B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit

Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 9, derde lid, RWN).

Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in artikel 11 RWN. Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.52Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.

Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In artikel 9, derde lid, RWN wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:

Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij artikel 9, derde lid, RWN.

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:

Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.

paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)

In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.

Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.

Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.

Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.

Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.

A = automatisch verlies

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor artikel 9 lid 3 RWN en artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (Stcrt. 2003, 54).

Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.

In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de Zorgverzekeringswet en de AWBZ, verhaalsbedragen in het kader van de Wwb en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk artikel 1, onder b, Bdr en artikel 7 Bdr).

In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (vergelijk artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand).

Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is

Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.

Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie

9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid

Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 3.4.1).

Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.

A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. Topsporters

B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.

Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in artikel 11 RWN. Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.52Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.

paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)

Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.

Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.

paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen

De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:

paragraaf 3. Topsporters

paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)

Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.

Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.

B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.

Geen.

Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.

Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is artikel 9, vijfde lid, RWN van toepassing.

Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in artikel 8, 9 of 11 RWN afwijking wordt verzocht.

11-alg. Toelichting algemeen

Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.

Artikel 11

paragraaf 4. Bewijsstukken

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

Op 1 april 2003 is aan artikel 10 RWN toegevoegd dat ook van de in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN, genoemde termijn kan worden afgeweken.

Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in artikel 11 RWN niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op artikel 10 RWN bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’. Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van artikel 10 RWN kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN, kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.

Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.

Bovendien geldt ingeval van een beroep op artikel 10 RWN dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, par. 3.5.5 en 3.5.6).

Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.

In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).

paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)

57 Het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit, is op 2 februari 1993 totstandgekomen.

Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.

Voor een geslaagd beroep op toepassing van artikel 10 RWN wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:

Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.

A = automatisch verlies

paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

paragraaf 3. Topsporters

D = partij bij het Verdrag van Straatsburg

paragraaf 3.1. Advisering

Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van artikel 12, tweede lid RWN, weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.

Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:

paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen

Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.

paragraaf 3.4. Advies VWS

Bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker door naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest, speelt het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4) een belangrijke rol (het verdrag is op 10 juni 1985 in werking getreden voor het gehele Koninkrijk). Hoofdregel van dit verdrag is dat een onderdaan van een verdragsstaat die vrijwillig de nationaliteit van een andere verdragsstaat verkrijgt, daardoor van rechtswege zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest. Aangezien dit verdrag rechtstreekse werking heeft, gaat de nationaliteit in deze gevallen ook verloren als het nationale recht van de verdragsstaat dit verlies niet regelt. Bij hoofdstuk 1 (Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) van dit verdrag zijn aangesloten: Denemarken, Nederland (voor het gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk.

12-alg. Toelichting algemeen

In het geval dat de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een verdragspartij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.

12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid

Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.

Artikel 11

Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

BOT: artikel 3

Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen

Awb: artikel 4:5.1

paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van artikel 11, derde lid, RWN mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling artikel II, lid 2a, RRWN (Stb.2010, 242 )).

Een minderjarig kind waarvan de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Indien gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van betrokkene is (en dus als zodanig in de GBA is geregistreerd op grond van een geboorteakte of Voe).

56 Bij minderjarige EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen kan het voorkomen dat zij rechtstreeks verblijfsrecht ontlenen aan het EG-verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, maar niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument. Om te kunnen beoordelen of een minderjarige EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht, is toegelaten, dient in beginsel ook door een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een verblijfsdocument te worden overgelegd. Echter, ingevolge artikel 4.21, tweede lid Vb 2000 wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een uittreksel GBA waarop de verblijfstitel-gegevens van het kind vermeld staan.

57 Het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit, is op 2 februari 1993 totstandgekomen.

58 Zie ook Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 2

RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 6.1c; 6.1d; 6.7; 7; 8; 9; 11.2 t/m 11.5; 26.3 en 28.3

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker (artikel 36, derde lid, BVVN). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.

paragraaf 1. Algemeen

Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de Rijkswet zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.

12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid

Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in artikel 8, 9 of 11 RWN afwijking wordt verzocht.

Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid

Uit de wetstekst blijkt dat met artikel 10 RWN ook kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, 9 en 11 RWN nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.

Hoewel dit niet expliciet in de tekst van artikel 10 RWN is opgenomen, blijkt uit de parlementaire behandeling van de RRWN dat ook van de verkorte termijnen genoemd in artikel 8, derde, vierde en vijfde lid, RWN, kan worden afgeweken.

Op 1 april 2003 is aan artikel 10 RWN toegevoegd dat ook van de in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN, genoemde termijn kan worden afgeweken.

paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN

Artikel 10 RWN geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste

Bovendien geldt ingeval van een beroep op artikel 10 RWN dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, par. 3.5.5 en 3.5.6).

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Voor het onderzoek naar ongeletterdheid

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten

De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.

Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren. Bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling van dading voor de naturalisatiepraktijk wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van € 453,78 of meer (ingeval van herhaalde misdrijven € 226,89 of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen. Ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Indien de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Indien alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen indien een geldboete van € 453,78 of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de voorgestelde beoordeling van dading.

Paragraaf 5.12. Gratie

Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 680,67, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € 226,89 bedraagt.

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.

paragraaf 4. Bewijsstukken

Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.

Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef

Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.

9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 1. Algemeen

De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb.1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in artikel 9, derde lid, RWN, zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).

Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.

Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.

paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).

Artikel 10

Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen

Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.

B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen 3.4.2,3.4.3 en 3.4.4 van overeenkomstige toepassing.

Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).

10-alg. Toelichting algemeen

A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

Uit de wetstekst blijkt dat met artikel 10 RWN ook kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, 9 en 11 RWN nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.

In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.

paragraaf 2.4. Na-naturalisatie

11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid

Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor artikel 9 lid 3 RWN en artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (Stcrt. 2003, 54).

De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.

Artikel 10

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.

Let op! De artikel 10 RWN procedure is geen verkorte procedure. Ook bij een artikel 10 RWN verzoek geldt de beslistermijn zoals genoemd in artikel 9, vierde lid, RWN. De verkorting zit in het feit dat van de verblijfstermijnen kan worden afgeweken, en niet van de wettelijke beslistermijn. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat voor een artikel 10 RWN verzoek vaak advies moet worden ingewonnen bij een vakministerie, dat vervolgens een onderzoek verricht. Dit onderzoek kan enige tijd in beslag nemen.

Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens

Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in artikel 11 RWN niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op artikel 10 RWN bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’. Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van artikel 10 RWN kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN, kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige

De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de betrokkene nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

paragraaf 4. Bewijsstukken

Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de verzoeker of optant om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De verzoeker kan op model 2.3 (bij naturalisatie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De optant kan bij het afleggen van de optieverklaring dat doen op model 1.14. Bij het nemen van de beslissing beoordeelt de IND (bij naturalisatie) namens Onze Minister de eventueel aangevoerde omstandigheden. Bij optie wordt die beoordeling gedaan door de burgemeester.

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

In beginsel adviseert de burgemeester over de vraag of de verzoeker dan wel een minderjarig kind van hem/haar voor wie medeverlening is verzocht aan de naturalisatievoorwaarden voldoet/voldoen aan Onze Minister. Met betrekking tot de aanwezigheid van criminele antecedenten in de zin van artikel 9 lid 1 onder a RWN, adviseert de burgemeester niet. Tot 1 januari 2012 gaf de burgemeester daarover wel advies. De burgemeester moet de verzoeker, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst verzoeker, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de verzoeker, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de verzoeker of van de medenaturalisant.

paragraaf 4. Bewijsstukken

De verzoeker/optant of de medenaturalisant/medeoptant van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de verzoeker of optant zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de verzoeker of optant in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.

Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de optant (op model 1.14) of de verzoeker om naturalisatie (op model 2.3) zelf heeft verklaard, dan wordt de optant door de burgemeester en de verzoeker om naturalisatie door de IND in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (artikel 4:7 Awb). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.

9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid

In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, Stcrt.1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

paragraaf 2.4. Na-naturalisatie

Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;

paragraaf 3.4. Advies VWS

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.

11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg

paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen

Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op artikel 10 RWN zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Voor het onderzoek naar ongeletterdheid

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

Paragraaf 8. Procedure

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst

paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e

Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

C = geen automatisch verlies; het doen van afstand is niet mogelijk

12-alg. Toelichting algemeen

9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op

Paragraaf 1. Algemeen

Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:

paragraaf 3.5. Beslissing

Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in artikel 11 RWN. Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.52Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.

paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.

paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen

10; 13 en 14.1

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

Geen.

10-alg. Toelichting algemeen

Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.

De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is artikel 9, vijfde lid, RWN van toepassing.

23-1. Ad artikel 23, eerste lid

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Indien de verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt, indien de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar zijn, indien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.

paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden

Artikel 10

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

Artikel 12

Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.

Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.

Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.

paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim

Voor een geslaagd beroep op toepassing van artikel 10 RWN wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:

Aangezien artikel 10 RWN geen afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie toelichting bij artikel 7 en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de toelichting op artikel 7, par. 3.5.5 en 3.5.6). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Voor het onderzoek naar ongeletterdheid

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

Geen.

In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.

paragraaf 2.4. Na-naturalisatie

Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van artikel 10 RWN worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in artikel 11, vierde lid, RWN.

De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:

De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:

Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.

Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.

De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.

Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.

paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)

Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.

Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:

Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:

Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen

paragraaf 3.4. Advies VWS

Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:

Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;

paragraaf 3.5. Beslissing

In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.

paragraaf 1. Optiegelden

Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie artikel 4, vijfde lid, BON). Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.27 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.28 beschikbaar.

RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1g; 1.1h; 2.2 t/m 4; 7; 8.1c; 8.2; 9.1a; 9.1c; 9.2;

Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens

BOT: artikel 3

25-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 2. Naamswijziging

BW: artikelen 1:233 en 1:253ha

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.

56 Bij minderjarige EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen kan het voorkomen dat zij rechtstreeks verblijfsrecht ontlenen aan het EG-verdrag of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, maar niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument. Om te kunnen beoordelen of een minderjarige EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht, is toegelaten, dient in beginsel ook door een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een verblijfsdocument te worden overgelegd. Echter, ingevolge artikel 4.21, tweede lid Vb 2000 wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een uittreksel GBA waarop de verblijfstitel-gegevens van het kind vermeld staan.

57 Het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit, is op 2 februari 1993 totstandgekomen.

58 Zie ook Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 2

Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend indien dit voor de inburgering van belang is.

Indien de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zonodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank (artikel 1:4, vierde lid, BW).

11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid

Definitie gemeenschappelijk verzoek

In paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:

Paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Het kan voorkomen dat de andere ouder reeds is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, indien daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid

RRWN: artikel V.1

RWN: artikel 6.5

RRWN: artikel IB.A

BVVN: artikel 36.3; 36.4 en 36.5

BW: Boek 1, titel 2

Boek 10 BW: artikelen 22 en 25

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.

De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.

Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht namen (WCN) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.

Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit artikel 10:22, lid 2 BW waarvan de tekst luidt:

’De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens artikel 25, onder b, van dit Boek en de artikelen 6 lid 5 en 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.’

Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van artikel 12 RWN, overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht (artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van model 2.6 ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

Artikel 14

Zie voor de betalingsprocedure verder paragraaf 3 (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van artikel 12, tweede lid RWN, weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.

paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen

Ingevolge artikel 4, derde lid, BON bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:

Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie artikel 4, vijfde lid, BON). Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.27 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.28 beschikbaar.

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij artikel 4 BON). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.

paragraaf 2. Algemeen

In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.

12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid

De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij titel XII WvSr (valsheid in geschriften) en bij artikel 3:44 BW (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)

Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:

Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen

In paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.

Artikel 14

Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van betrokkene én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden éérder dan betrokkene tot Nederlander zijn genaturaliseerd.

De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.

Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:

De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.

WvSr: artikel 83 (Eerste Boek), titels I tot en met IV, artikel 205 en titel XII (Tweede Boek)

Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker (artikel 36, derde lid, BVVN). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.

Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges

Personen die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:

paragraaf 2. Algemeen

Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.

paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

Indien de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zonodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank (artikel 1:4, vierde lid, BW).

Verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. Hij Verzoeker staat ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (Gba) met het patronymicum ingevuld bij de categorie ‘voornamen’. Verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.

Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout heeft gemaakt, deze fout hersteld moet worden zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf te wijten is, bijvoorbeeld indien er sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de naturalisatiegelden verleend.

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in paragraaf 2 Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de GBA zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.

Het kan voorkomen dat de andere ouder reeds is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, indien daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.

RWN: artikelen 6; 7; 11.4 en 28

RRWN: artikel V.1

BON: artikelen 1 t/m 12

Awb: artikel 4:5

TOI: artikel 10

TOS: artikel 7.2

Geen.

Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de zes-wekentermijn opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.

Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.

De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.

Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie artikel 9, eerste lid, BON) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.

De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.

Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Nederland dragen rechtstreeks af aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND). Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Stafdirectie Middelen en Control van de IND.

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:

De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Zie voor de betalingsprocedure verder paragraaf 3 (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).

Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.

Optanten die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld zijn ingevolge artikel 4, eerste lid, BON vrijgesteld van leges.

RRWN: artikelen II en IIIBVVN: artikelen 65 t/m 70

Ingevolge artikel 4, derde lid, BON bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:

Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie artikel 4, vijfde lid, BON). Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.27 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.28 beschikbaar.

Ad a

In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij artikel 4 BON). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.

Ad b

Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout in de beoordeling van het bezit van het Nederlanderschap heeft gemaakt, én betrokkene kan opteren, de fout moet kunnen worden hersteld zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf is te wijten, bijvoorbeeld indien sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de optiegelden verleend.

Artikel 7, tweede lid, BON voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden.

Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.

Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het BON en het BVVN niet van toepassing.

De Minister kan het Nederlanderschap intrekken indien de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.

De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij titel XII WvSr (valsheid in geschriften) en bij artikel 3:44 BW (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden paragraaf 2.5 en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen paragraaf 2.6.

Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van artikel 14 RWN mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.

Bepaling normaal dan wel verlaagd tarief

Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie paragraaf 2.3), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.

Definitie gemeenschappelijk verzoek

Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie is ingediend door twee met elkaar gehuwden of door twee wederzijds geregistreerde partners dan wel door twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven.

Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform artikel 14, eerste lid, RWN worden ingetrokken.

Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:

Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN, is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.

Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.

Personen die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.

Het uitgangspunt van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 ( Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad dient te worden aangeven dat het een verzoek van een Molukker betreft die ingevolge genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

Overzicht van de landen aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag

5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid

Artikel 5a

RWN: artikel 14.2

Artikel 5c

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e

12-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen

paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen

Awb: artikel 4:5

paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen

paragraaf 3. Topsporters

paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

In paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:

Een minderjarig kind waarvan de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Indien gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van betrokkene is (en dus als zodanig in de GBA is geregistreerd op grond van een geboorteakte of Voe).

Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.

Artikel 11

10; 13 en 14.1

Paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

BVVN: artikelen 2; 3; 6.2; 31.1 t/m 31.3; 32 en 51 t/m 56

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in artikel 11, derde lid, RWN met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op artikel 11, vijfde lid, RWN. De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.

Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.

Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:

Artikel 12

Artikel II RRWN

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

Paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Geen.

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1. Optiegelden

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op artikel 12, tweede lid RWN. Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de GBA. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door betrokkene afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als betrokkene desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de GBA is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.

De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister (artikel 36, vijfde lid, BvvN).

paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen

In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.

V RRWN-alg. Toelichting Algemeen

De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld (ingevolge de in paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen) op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester in ontvangst wordt genomen.

paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen

Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.

Artikel 7, tweede lid, BON voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden.

Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het BON en het BVVN niet van toepassing.

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren (artikel 1:9 BW).

paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde

Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden paragraaf 2.5 en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen paragraaf 2.6.

Paragraaf 2.2. Tarieven D en E

Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk indien de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van betrokkene is (en dus als zodanig in de GBA is geregistreerd).

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens

Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.

Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.

Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.

ad a.

Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend indien dit voor de inburgering van belang is.

In paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:

Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6 RWN of artikel 28 RWN dan wel artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270).

Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening bij optie als bedoeld in artikel 6, achtste lid, RWN. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te opteren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening bij optie wordt ingediend.

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:

1. Verzoek om naturalisatie

2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)

3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)

4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)

Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief dient betrokkene in de GBA te staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is betrokkene in de GBA opgenomen met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij betrokkene houder is van een verblijfsvergunning asiel.

5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)

6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)

7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)

8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)

Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).

Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:

9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)

Een minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie indient

ad b

Een persoon die als gevolg van een administratieve vergissing al meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt

Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout heeft gemaakt, deze fout hersteld moet worden zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf te wijten is, bijvoorbeeld indien er sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de naturalisatiegelden verleend.

ad c

Een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt

1. Verzoek om naturalisatie

2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)

3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)

4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)

De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het BON). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).

De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld (ingevolge de in paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen) op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester in ontvangst wordt genomen.

Vrijgesteld van en ingelicht over de optiegelden (model 1.25) en naturalisatiegelden (model 2.8 en model 2.8a)

Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25, model 2.8 en model 2.8a. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 6:3 Awb en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.

Buiten behandelingstelling

Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25, model 2.8 en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.

Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de zes-wekentermijn opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.

Tegen de buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan binnen zes weken bezwaar worden aangetekend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het bezwaar wordt behandeld door het regiokantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst waar de gemeente onder valt.

Stelt de burgemeester een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan de Minister. Zowel indien de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester het dossier inzake het verzoek om naturalisatie aan de IND.

Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.

Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Nederland dragen rechtstreeks af aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND). Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Stafdirectie Middelen en Control van de IND.

De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan de IND.

De gemeente behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 170, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND) (€ 628 bij standaard tarief en € 423 bij verlaagd tarief).

Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 289 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 730 bij het standaard tarief en € 526 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de gemeente € 20 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 97) wordt afgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND). Indien de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente die de leges geïnd heeft het gemeentelijke deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.

Vanaf 1 januari 2012 gelden de volgende afdrachtcodes:

In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek dient te worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Stafdirectie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Indien het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 170 voor een enkelvoudig verzoek en € 289 voor een gemeenschappelijk verzoek.

Voorts kan het Nederlanderschap, indien er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In artikel 14, tweede lid, wordt immers algemeen gesproken over de persoon wiens Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.

De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.

RRWN: artikelen II en IIIBVVN: artikelen 65 t/m 70

Algemene termijnenwet: artikel 1

BW: artikelen 1:202.1 en 3:44

WCN: artikelen 1 en 4.1

WvSr: artikel 83 (Eerste Boek), titels I tot en met IV, artikel 205 en titel XII (Tweede Boek)

Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, vierde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.

RRWN: artikelen IV en V

BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72

Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.

A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.

Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in hoofdstuk 5 (artikelen 14 t/m 16A RWN).

De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij titel XII WvSr (valsheid in geschriften) en bij artikel 3:44 BW (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.

Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.

Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618 en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie ( Stb. 284 ). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap ( Stb. 268 ).

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat ‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.Hiervan is sprake wanneer ‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’.

De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van artikel III RRWN 2000 heeft de redactie van het huidige artikel 14, vierde lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, vierde lid, RWN, paragraaf 2.

Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform artikel 14, eerste lid, RWN worden ingetrokken.

Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:

Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid

paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging

Paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964

Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim

Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

Awb: artikel 4:5.1

Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van artikel 11, derde lid, RWN mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling artikel II, lid 2a, RRWN (Stb.2010, 242 )).

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken (artikel 36, vierde lid, BvvN). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van model 2.9 ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’

paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit

Een minderjarig kind waarvan de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Indien gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van betrokkene is (en dus als zodanig in de GBA is geregistreerd op grond van een geboorteakte of Voe).

12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen

VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN

paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. Zie artikel 4, vijfde lid, BON.

ad a.

5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)

6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)

7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)

8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)

9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)

10. Verzoeker heeft geen hoofdverblijf in het land waarvan hij onderdaan is (artikel 9 lid 1, onder c RWN)

11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)

12. Naamsvaststelling of naamswijziging (artikel 12 RWN)

13. Betaling leges (artikel 15 RWN)

14. Advies van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post

15. Toelichting (bij ruimtegebrek extra bladzijde toevoegen)

In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:

A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.

Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.

Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.

Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.

Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).

Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.

Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN 2000 heeft artikel 14, vierde lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, vierde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.

Meldplicht fraude

Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.

A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.

Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN. De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.

B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.

Volgens artikel 69 BVVN dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In artikel 68, eerste lid, BVVN is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, Stb. 2002, 231).

Artikel 68, tweede lid, BVVN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.

Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.

C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkregen heeft ingevolge het toen geldende artikel 4 RWN. Sedertdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan voormeld artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in artikel 14, eerste lid, RWN of in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN, gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:

De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in artikel 22 RWN, aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten (artikel 64, eerste lid, BVVN). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.

Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:

Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in hoofdstuk 5 (artikelen 14 t/m 16A RWN).

Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:

De terugwerkende kracht van een intrekkingsbesluit op grond van artikel 14, eerste lid, RWN ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.

Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.

Artikel 10:19 BW luidt:

Artikel 10:22, lid 1 BW luidt:

In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.

BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72

Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:

Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.

De rijkswet van 29 juni 2010 (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In artikel 14 RWN is een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN treedt per 1 oktober 2010 in werking.

Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in artikel 14, tweede aanhef en onder a t/m d RWN, indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk indien sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon reeds het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.

Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.

De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.

Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.

De Minister kan het Nederlanderschap intrekken indien de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.

Het betreft dus een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.

Hiervan is sprake indien de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN.

Uitgangspunt voor artikel 14, tweede lid, RWN is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan indien de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk indien de betrokken persoon staatloos wordt. Hij dient dus ten tijde van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) te beschikken.

Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van artikel 14 RWN mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.

Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.

Voorts kan het Nederlanderschap, indien er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In artikel 14, tweede lid, wordt immers algemeen gesproken over de persoon wiens Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.

De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.

A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van artikel 3, derde lid RWN (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen Hare Majesteit de Koningin (artikel 92 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van het artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN, ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos wordt. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.

Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb.1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).

In artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.

Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is dat sprake moet zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).

Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.

Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.

RWN: artikel 1.2

Geen.

Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b, en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.

De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.

Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester (artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (artikel 70, eerste lid, BVVN).

Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.

De verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.2) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.

De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge artikel 16 RWN minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap (artikel 62, eerste lid, BVVN). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn (artikel 63, tweede lid, BVVN) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.

RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16ARRWN: artikelen III en V

Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618 en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie ( Stb. 284 ). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap ( Stb. 268 ).

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.

De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van artikel III RRWN 2000 heeft de redactie van het huidige artikel 14, vierde lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, vierde lid, RWN, paragraaf 2.

Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge artikel 3, 4, 5 oud, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).

Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 is de Minister van Justitie het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen (zie de artikelen 9, 14, 20, 28 en 33 Vw 2000) dan wel te verlengen. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) is bepaald in welke gevallen die bevoegdheid door de Minister is gemandateerd aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.10, 3.15, 3.35 en 3.36 VV 2000).

Gemeenschapsonderdanen ontlenen hun rechtmatig verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan ontstaat van rechtswege maar eindigt als regel niet van rechtswege. Indien het verblijfsrecht niet van rechtswege is vervallen, is voor de beëindiging van het verblijfsrecht een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nodig.

Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voor een bepaalde periode (onafgebroken) toelating heeft (gehad). De oorzaak hiervan is gelegen in het niet altijd compleet zijn van zowel de elektronische als de fysieke vreemdelingenadministraties. In deze gevallen wordt de bewijslast aangepast en wordt in het BOT voor die bewuste periode vermeld, dat, hoewel de toelating niet (meer) kan worden vastgesteld wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande gegevens, betrokkene geacht wordt te zijn toegelaten geweest. Voorwaarde is wel dat duidelijkheid wordt verschaft omtrent de datum van eerste toelating en dat in de periode waarover de twijfel zich uitstrekt, geen sprake is van enige aanwijzing waaruit een vermoeden van illegaal verblijf kan worden afgeleid. Indien hieraan wordt voldaan en er overigens geen andere gegevens zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode geen verblijfsrecht zou hebben gehad, dan krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel.

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 1. Algemeen

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

RWN: artikelen 6; 7; 11.4 en 28

De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:

paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

Artikel 13

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

paragraaf 1.1. Overgangsrecht

paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit

paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

Artikel 14

paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

paragraaf 2. Algemeen

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

In gevallen waarin iemand op grond van staatsbelang of zijn verdiensten voor de Staat genaturaliseerd wordt, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatiegelden vanwege dat staatsbelang en die verdiensten voor de Staat.

paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.

Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.

14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid

15-alg. Toelichting algemeen

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 1.1. Overgangsrecht

paragraaf 2. Algemeen

paragraaf 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 1. Algemeen

Artikel 14

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a

Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)

Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d

paragraaf 2. Algemeen

paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN

paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling

paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003

paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

Artikel 15

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht

paragraaf 2. Algemeen

15-1-f. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

15a-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid

14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid

paragraaf 1. Algemeen

Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie artikel 358 WBRv en artikel 426 WBRv):

Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.

Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.

Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.

De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.

Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, vierde lid

Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN 2000 heeft artikel 14, vierde lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, vierde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, vierde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, 4 of 5 RWN. De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.

paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003

Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede, dat in 2010 is vernummerd in het vierde lid, RWN. Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.

B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede, dat in 2010 is vernummerd in het vierde lid, RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN hij bezat het via de vader op grond van uitsluitend die bepaling.

Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.

C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkregen heeft ingevolge het toen geldende artikel 4 RWN. Sedertdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan voormeld artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.

In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.

Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.

Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in hoofdstuk 5 (artikelen 14 t/m 16A RWN).

Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.

paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar

Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, RWN (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.

Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.

RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

BVVN: artikelen 3; 61 t/m 70 en 72

Boek 10 BW: artikel 19

Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.

Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (artikel 70, eerste lid, BVVN).

De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.

De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1 en 1.2.

De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.

Als een andere nationaliteit, anders dan de in paragraaf 1 genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.

Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is artikel 15, tweede lid RWN ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.

Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van artikel 15, tweede lid en onder a RWN heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.

Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.

15a-alg. Toelichting algemeen

Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen isna de verkrijging van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.

Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de RWN. Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:

Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb.1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).

Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).

paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging

16-2-alg. Toelichting algemeen

Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.

15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 1. Algemeen

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand

De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge artikel 16 RWN minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap (artikel 62, eerste lid, BVVN). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn (artikel 63, tweede lid, BVVN) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.

De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in artikel 22 RWN, aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten (artikel 64, eerste lid, BVVN). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.

De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, indien hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4Met de woorden ‘adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid’, is hier bedoeld dat, indien de minderjarige de nationaliteit van de adoptiefouder bezit, daarmee alleen rekening mag worden gehouden indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken. (als bedoeld in artikel 11, achtste lid, RWN). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk artikel 62, derde lid, BVVN).

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Ingevolge artikel 2, derde lid, RWN, wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.

paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar

De verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.2) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.

Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. In het document moet op grond van artikel 3, zesde lid Paspoortwet het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:

18-alg. Toelichting algemeen

Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 2.3) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.

De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.

16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b

Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt geacht niet te zijn onderbroken.

paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003

Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Met betrekking tot het huidige artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN kent de RRWN twee overgangsbepalingen, namelijk artikel IV RRWN voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en artikel V RRWN voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.

16-2-alg. Toelichting algemeen

Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).

A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, lid 4, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.

RWN: artikelen 6; 7.1 en 9.1b

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.

17-alg. Toelichting algemeen

Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.

Anders wordt de situatie indien vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, hetgeen wél verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.

Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is dat sprake moet zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

15-1-f. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f

16a-alg. Toelichting algemeen

Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.

Van de optant die een optieverzoek indient op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) (artikel 30b BVVN).

23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid

19-alg. Toelichting algemeen

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (artikel 70, eerste lid, BVVN).

In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1 en 1.2.

Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.

Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.

De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

Geen.

B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.

De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.

Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de RWN. Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.

Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).

Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb. 1994, nr. 265) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.

15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan artikel 3, eerste lid, RWN als aan artikel 3, derde lid, RWN.

RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16ARRWN: artikelen III en V

BVVN: artikelen 3 en 62 t/m 64

Artikel 23

16-alg. Toelichting algemeen

Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in artikel 14, tweede lid, RWN. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:

Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.

25-alg. Toelichting algemeen

Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.

Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

paragraaf 1. Algemeen

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, indien hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4Met de woorden ‘adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid’, is hier bedoeld dat, indien de minderjarige de nationaliteit van de adoptiefouder bezit, daarmee alleen rekening mag worden gehouden indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken. (als bedoeld in artikel 11, achtste lid, RWN). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk artikel 62, derde lid, BVVN).

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

Ingevolge artikel 2, derde lid, RWN, wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.

In het BVVN is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze (artikel 60a, vierde, lid BVVN en 60b, vierde lid, BVVN) .

De verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.2) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.

Ten slotte is in het BVVN opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd (artikel 60a, zesde lid en 60b, zesde lid, BVVN). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.

Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.

Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 2.3) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.

Minderjarige is aanwezig

Artikel 25

Minderjarige is niet aanwezig

17-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar

Artikel 18

Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig

Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.

Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig

Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.

Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op (zie tevens paragraaf 3 Geen verlies Nederlanderschap).

RWN: artikel 24.1

26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid

Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van artikel 26 RWN tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.

Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN

Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in artikel 26, eerste lid, RWN bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.

Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit artikel 16, eerste en tweede lid, RWN wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.

Geen verlies treedt in indien:

Het in de bevestiging7De bevestiging is een bevestiging dát er een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren. opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN.

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

Artikel 21

Artikel 27

Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, is niet gehoord

Artikel 29

In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.

Artikel III RRWN

In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van artikel 16, tweede lid, RWN verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.

27-alg. Toelichting algemeen

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.

23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid

Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).

Artikel 28

Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.

Artikel IV RRWN

Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid

Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.

In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd. Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.

De in artikel 23, derde lid RWN bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231, gewijzigd bij Stb. 2009, 2).

A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.

A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van artikel 3, eerste lid, RWN. Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.

Artikel VI RRWN

Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN. De vader van A is Nederlander.

Artikel 24

RWN: hoofdstuk 6

16-2-alg. Toelichting algemeen

Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

Geen.

Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

RWN: artikelen 6.1f; 6.3; 11.8; 15.1a en 15A WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3

Geen.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de RRWN op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.

RWN: artikelen 11.8; 15.1c en 24.1

RWN: artikel 24.1

Geen.

Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN moet als volgt worden gelezen:

Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.

De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.

RWN: artikel 24.1

Geen.

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.

Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.

RWN: artikel 24.1

Geen.

Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6 RWN.

Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

RWN: artikel 24.1

Geen.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

In hoofdstuk 6 RWN is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.

RWN: artikelen 6; 7.1 en 9.1b

BVVN: artikelen 2; 7; 13; 19; 25; 33; 39; 45; 51 en 63

Geen.

.....

De in artikel 21 RWN bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)

RRWN: artikel VI

RWN: artikelen 6.2; 8; 9.1b; 14.1; 15.1d en 28

BVVN: artikelen 12.1; 18.1; 24.1; 30.1 en 64.1

Geen.

Geen.

Vervallen.

De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed (artikel 1:149 BW). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:163, eerste lid, BW en artikel 1:183, eerste lid, BW). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.

RWN: artikelen 8.1d; 13.1; 13.2 en 21

Geen.

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.

De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.

De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.

De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.

Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.

Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.

De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

Indien de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de verklaring van verbondenheid schriftelijk kan worden afgelegd (zie artikel 23, derde lid, RWN), wordt de schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid wordt door de burgemeester in het bij de gemeente aanwezige optiedossier of naturalisatiedossier gevoegd.

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

De in artikel 23, derde lid RWN bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231, gewijzigd bij Stb. 2009, 2).

In artikel 60a en 60b van het BVVN is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.

In het BVVN is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze (artikel 60a, vierde, lid BVVN en 60b, vierde lid, BVVN) .

Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt (artikel 60a, vijfde lid en 60b, vijfde lid, BVVN). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het BVVN reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont (artikel 60a, negende lid en 60b, negende lid, BVVN). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).

Ten slotte is in het BVVN opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd (artikel 60a, zesde lid en 60b, zesde lid, BVVN). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.

RWN: artikelen 3; 4; 5; 14.2 en 16

RWN: hoofdstuk 6

RRWN: artikel V.2

Geen.

onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.

Geen.

Geen.

Let op! Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26,– hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.

t.n.v. Stichting ROCvA inzake Educatie

RWN: artikelen 6.1f; 6.3; 11.8; 15.1a en 15A WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3

Geen.

Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.

Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de RRWN op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.

De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN eindigde op 31 maart 2005.

Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892, Stb. 268 , op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:

Let op! Voor 1 januari 1985 was de WNI van toepassing. Bij de beoordeling of iemand voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad moet op grond van het op dat moment geldende Nederlandse Burgerlijk Wetboek onderscheid gemaakt worden tussen het begrip meerderjarig tot 1 januari 1985 (21 jaar) en vanaf 1 januari 1985 (18 jaar).

Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN moet als volgt worden gelezen:

Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:

De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.

Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:

Artikel 26 RWN geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten.

Onder vermelding van ‘HHO’

Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van artikel 26 RWN tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.

Nadere toelichting kosten en procedure:

Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in artikel 26, eerste lid, RWN bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.

Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of artikel 15, aanhef en onder a, RWN kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.

Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6 RWN.

De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.

De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling artikel 26 RWN. Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.

Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.

Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

RWN: artikel 3

Geen.

t.n.v. Stichting ROCvA inzake Educatie

Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van artikel 27, tweede lid, RWN, viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.

Artikel VII, tweede lid RRWN, nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van artikel 8 lid 1 en onder c RWN op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de leden 3, 4 en 5 van artikel 8, moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.

Nadat u een uitnodiging hebt ontvangen van het ROC, zult u op een afgesproken datum en tijdstip een haalbaarheidsonderzoek hebben met een gespecialiseerde medewerker van het ROC. U zult een aantal testen moeten afleggen. Het ROC zal vervolgens in een advies aangeven of het voor u mogelijk is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te halen op A2-niveau. Het advies zal binnen 4 weken naar u worden toegestuurd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt van het ROC geen afschrift van het advies. Indien u het advies gebruikt voor een verzoek om naturalisatie, mag de IND de authenticiteit van het advies controleren bij het ROC Amsterdam. Het ROC is niet verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Een afgegeven advies heeft slechts tot doel een oordeel te geven over het analfabetisme en niet over het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

Moedertaal (ik spreek thuis):

RWN: artikelen 1.1c; 2; 3.1; 6.2 t/m 6.5; 11.5 en 11.8

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

Ingevolge artikel 16 RWN wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.

21-alg. Toelichting algemeen

C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN.

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

BVVN: artikelen 12.1; 18.1; 24.1; 30.1 en 64.1

Artikel II RRWN

Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.

22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid

BW: artikelen 1:133; 1:163.1; 1:253ha en 1:183.1

23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN

Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.

Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.

RRWN: artikel V.2

WNI: artikel 2.a

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

Artikel 16a

IV RRWN-alg. Toelichting algemeen

Geen.

V RRWN-alg. Toelichting Algemeen

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling artikel 26 RWN. Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.

RWN: artikel 3

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.

Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.

4. Opsturen

RRWN: artikel VI

BVVN: artikelen 2; 3.1; 3.2 en 6.1 t/m 6.3

BW: artikelen 1:133; 1:163.1; 1:253ha en 1:183.1

WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964

Geen.

plaats en datum

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen

Verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. Hij Verzoeker staat ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (Gba) met het patronymicum ingevuld bij de categorie ‘voornamen’. Verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.

11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

Paragraaf 2. Naamswijziging

paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

paragraaf 2.3. Belangenafweging

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)

Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

Paragraaf 2.2. Tarieven D en E

Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

Voorbeeld

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

Artikel 15

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, vierde lid

13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid

paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid

paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

15-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Artikel 16

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c

14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.

paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2004 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.

Artikel 15

RRWN: artikelen IV en V

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een komende verkrijging van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.

paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.

Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging

De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.

Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.

16a-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling

In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.

paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar

Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen (artikel 15, vierde lid, RWN). Dus, als men er - steeds binnen tien jaren - voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk artikel IV RRWN). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig

16a-alg. Toelichting algemeen

Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:

Artikel 18

Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.

Geen.

Artikel 19

Artikel 23

Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen (artikel 30d BVVN).

Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.

23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid

15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid

RWN: artikel 1.2

15a-alg. Toelichting algemeen

Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.

In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

21-alg. Toelichting algemeen

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.

De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.

16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar

Geen.

Artikel 17

Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.

Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.

Artikel 26

Artikel 28

Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:

26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid

In hoofdstuk 6 RWN is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.

Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord

26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid

Artikel 22

Artikel III RRWN

B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.

Artikel II RRWN

RWN: artikelen 3; 4; 5; 14.2 en 16

26-alg. Toelichting algemeen

16a-alg. Toelichting algemeen

17-alg. Toelichting algemeen

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

(gemeente)nummer:.....
Ondergetekende,
(geslachts)na(a)m(en) : .....
voorna(a)m(en) : .....
geboortedatum : .....
geboorteplaats en geboorteland : .....
nationaliteit(en) : .....
adres : .....
postcode en woonplaats : .....

verklaart dat hij/zij in het kader van de verkrijging en het behoud van zijn/haar verblijfsvergunning en de verblijfsstatus van de overige in het verzoek om naturalisatie genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt en geen relevante gegevens heeft verzwegen;

verklaart voorts dat:

verklaart dat bovenstaande verklaring betreffende de verblijfsstatus tevens geldt voor de in het verzoek om naturalisatie genoemde kinderen en bovenstaande verklaring betreffende het gedrag tevens geldt voor de in het verzoek om naturalisatie genoemde kinderen die op het moment van de indiening van het verzoek de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt;**

verklaart dat hij/zij niet, tevens naar vreemd recht, getrouwd is met een ander persoon dan vermeld in het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (zie bijlage van deze verklaring);**

verklaart dat het openbare orde aspect hem/haar/het kind* niet kan worden tegengeworpen vanwege de volgende bijzondere feiten of omstandigheden:

.....

.....

Ik ben mij ervan bewust dat het verstrekken van onjuiste gegevens of het verzwijgen van relevante gegevens kan

leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.

..... .....
(plaats) (datum) (handtekening)

bijlage: ja/nee *

alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden

alsook:Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit

paragraaf 3.1. Advisering

11-alg. Toelichting algemeen

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

paragraaf 1.1. Overgangsrecht

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 2.3. Tarieven F en G

paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit

paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling

paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d

paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand

paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling

paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene

14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid

paragraaf 1.1. Overgangsrecht

paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling

16-alg. Toelichting algemeen

Artikel 16

Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar

15-1-f. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.

Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens artikel 14, vierde lid, RWN niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk artikel 62, tweede lid, BVVN). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN delen in de afstand.

Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:

Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester (artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.

Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.

Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.

Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:

Uit artikel 61 BVVN volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 15, vierde lid, RWN en in artikel V, tweede lid, RRWN geldt:

Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 Geen verlies Nederlanderschap)

Artikel 16a

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

Artikel 16a

15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid

Artikel 15a

Artikel 20

Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.

16a-alg. Toelichting algemeen

Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 Geen verlies Nederlanderschap)

De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.

Artikel 19

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

Artikel 26

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan artikel 3, eerste lid, RWN als aan artikel 3, derde lid, RWN.

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.

28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

Artikel III RRWN

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

RWN: artikelen 6.1f; 8.2 en 14.1

Artikel 18

IV RRWN-alg. Toelichting algemeen

Artikel V RRWN

V RRWN-alg. Toelichting Algemeen

19-alg. Toelichting algemeen

Artikel 20

27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid

21-alg. Toelichting algemeen

Artikel 22

VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN

VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN

22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid

paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

3. Onderteken dit formulier

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

4. Opsturen

3. Onderteken dit formulier

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

4. Opsturen

3. Onderteken dit formulier

4. Opsturen

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen

paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden

paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden

Paragraaf 1.1. Tarieven

paragraaf 2.3. Belangenafweging

Paragraaf 2.4. Tarief H

Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges

Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, vierde lid

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit

15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid

Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a

paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid

15-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid

15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en schriftelijk (artikel 62, eerste lid, BVVN) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon (artikel 63, tweede lid, BVVN). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.

paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar

A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

21-alg. Toelichting algemeen

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid

De in artikel 23, derde lid RWN bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231, gewijzigd bij Stb. 2009, 2).

Artikel 16a

26-alg. Toelichting algemeen

23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid

In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).

28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid

29-alg. Toelichting algemeen

Artikel VI RRWN

VI RRWN-alg. Toelichting algemeen

Artikel VII RRWN

20-alg. Toelichting algemeen

VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN

Artikel 21

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

3. Onderteken dit formulier

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)

Paragraaf 1.1. Tarieven

Paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden

paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d

paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid

Artikel 15a

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet dienen te worden verstaan groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijden de parlementaire behandeling van de wet. Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000-2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is het intreden van het verlies van het Nederlanderschap beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als verliesgrond voor het Nederlanderschap.

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar

18-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

20-alg. Toelichting algemeen

Ingevolge artikel 16 RWN dient een minderjarige van twaalf jaar en ouder gehoord te worden, om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.

Geen.

Artikel 17

18-alg. Toelichting algemeen

Artikel 19

Artikel 27

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid

28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid

28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid

Artikel 29

29-alg. Toelichting algemeen

Artikel II RRWN

II RRWN-alg. Toelichting algemeen

Artikel III RRWN

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN

24-alg. Toelichting algemeen

Artikel IV RRWN

25-alg. Toelichting algemeen

Artikel 26

V RRWN-alg. Toelichting Algemeen

V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN

V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN

26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid

26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid

Artikel VII RRWN

VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN

VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN

paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)

27-alg. Toelichting algemeen

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van artikel 28, derde lid, RWN in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.

Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.

3. Onderteken dit formulier

Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.

Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.

De gemeente heeft mij er op gewezen dat een advies van het ROC niet altijd gevolgd wordt door de IND. Als ik heb aangegeven dat ik nooit (basis)onderwijs heb gevolgd en als dan later blijkt dat ik wel (basis)onderwijs heb gevolgd, dan volgt de IND het advies van het ROC niet op.

4. Opsturen

Stuur dit formulier (nadat de € 26,– is overgemaakt) met de verplichte bijlagen naar:

RWN: artikelen 1, 6, 8, 10, 11, 26 en 28

RvvN: artikel 14.3

Postjesweg 1

Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.

Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De verplichte bijlagen zijn:

RWN: artikelen 6.1f; 8.2 en 14.1

De totale kosten voor de aanmelding en het onderzoek bedragen € 293,–. De aanmelding wordt alleen in behandeling genomen wanneer de eerste € 26,– is overgemaakt op:

Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN. Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.

t.n.v. Stichting ROCvA inzake Educatie

RWN: artikelen 3; 4; 5; 14.2 en 16

WNI: artikel 2.a

Nadat u een uitnodiging hebt ontvangen van het ROC, zult u op een afgesproken datum en tijdstip een haalbaarheidsonderzoek hebben met een gespecialiseerde medewerker van het ROC. U zult een aantal testen moeten afleggen. Het ROC zal vervolgens in een advies aangeven of het voor u mogelijk is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te halen op A2-niveau. Het advies zal binnen 4 weken naar u worden toegestuurd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt van het ROC geen afschrift van het advies. Indien u het advies gebruikt voor een verzoek om naturalisatie, mag de IND de authenticiteit van het advies controleren bij het ROC Amsterdam. Het ROC is niet verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Een afgegeven advies heeft slechts tot doel een oordeel te geven over het analfabetisme en niet over het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.

Let op! Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26,– hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

RWN: artikel 15.1c

Dit zijn vier voorwaarden voor deelname aan een onderzoek naar analfabetisme en leervermogen. Alleen als alle vier de voorwaarden op u van toepassing zijn, komt u in aanmerking voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie. Het heeft dus alleen zin om de € 26,– over te maken en dit formulier in te sturen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet.

3. Onderteken dit formulier

Ik meld mij aan voor een onderzoek naar ongeletterdheid/analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie (dit onderzoek kost in totaal € 293,–).

RWN: artikelen 11.8; 15.1c en 24.1

De diplomatieke post heeft mij er op gewezen dat een advies van het ROC niet altijd gevolgd wordt door de IND. Als ik heb aangegeven dat ik nooit (basis)onderwijs heb gevolgd en als dan later blijkt dat ik wel (basis)onderwijs heb gevolgd, dan volgt de IND het advies van het ROC niet op.

4. Opsturen

Stuur dit formulier (nadat de € 26,– is overgemaakt) met de verplichte bijlagen naar:

De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN eindigde op 31 maart 2005.

tav. Werkmaatschappij 9, Educatie & Inburgering Eenheid Leren&Werken Projecten

F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.

E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.

G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.

G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.

Rekeningnummer 7832658

RWN: artikel 28

onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.

Nadat u een uitnodiging hebt ontvangen van het ROC, zult u op een afgesproken datum en tijdstip een haalbaarheidsonderzoek hebben met een gespecialiseerde medewerker van het ROC. U zult een aantal testen moeten afleggen. Het ROC zal vervolgens in een advies aangeven of het voor u mogelijk is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te halen op A2-niveau. Het advies zal binnen 4 weken naar u worden toegestuurd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt van het ROC geen afschrift van het advies. Indien u het advies gebruikt voor een verzoek om naturalisatie, mag de IND de authenticiteit van het advies controleren bij het ROC Amsterdam. Het ROC is niet verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Een afgegeven advies heeft slechts tot doel een oordeel te geven over het analfabetisme en niet over het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap

HKV 1961: artikel 3

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

12-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 1. Optiegelden

paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar

15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid

Artikel 16

16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d

Artikel 23

23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid

23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid

23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid

Artikel 24

Artikel 25

26-alg. Toelichting algemeen

26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid

Artikel 27

27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

Artikel 28

28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid

De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed (artikel 1:149 BW). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:163, eerste lid, BW en artikel 1:183, eerste lid, BW). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.

Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.

28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid

28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid

Artikel 29

29-alg. Toelichting algemeen

Artikel II RRWN

II RRWN-alg. Toelichting algemeen

Artikel III RRWN

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.

Artikel IV RRWN

IV RRWN-alg. Toelichting algemeen

Ingevolge artikel IV, eerste lid, RRWN vangt de verliestermijn van tien jaren uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.

Artikel V RRWN

V RRWN-alg. Toelichting Algemeen

Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.

V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN

V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN

Artikel VI RRWN

VI RRWN-alg. Toelichting algemeen

Artikel VII RRWN

RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5BNT: artikel 7BVVN: artikelen 34.1; 36.1 en 73.1

VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN

VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN

paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)

Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

Artikel VII RRWN voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. Artikel 11 RWN vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.

De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.

paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN

Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):

Artikel VII, tweede lid RRWN, nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van artikel 8 lid 1 en onder c RWN op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de leden 3, 4 en 5 van artikel 8, moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie

Let op! Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26,– hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

(kruis aan wat van toepassing is)

Dit zijn vier voorwaarden voor deelname aan een onderzoek naar analfabetisme en leervermogen. Alleen als alle vier de voorwaarden op u van toepassing zijn, komt u in aanmerking voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie. Het heeft dus alleen zin om de € 26,– over te maken en dit formulier in te sturen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet.

3. Onderteken dit formulier

Ik meld mij aan voor een onderzoek naar ongeletterdheid/analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie (dit onderzoek kost in totaal € 293,–).

Ik verklaar hierbij het aanmeldingsformulier volledig en naar waarheid te hebben ingevuld. Ook verklaar ik dat ik me er van bewust ben dat het niet volledig invullen van de aanvraag, het niet meesturen van de verplichte bijlagen of het achterhouden van informatie tot gevolg heeft dat ik niet in aanmerking komt voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen en dat het bedrag van € 26,– in dat geval niet wordt terugbetaald.

De gemeente heeft mij er op gewezen dat een advies van het ROC niet altijd gevolgd wordt door de IND. Als ik heb aangegeven dat ik nooit (basis)onderwijs heb gevolgd en als dan later blijkt dat ik wel (basis)onderwijs heb gevolgd, dan volgt de IND het advies van het ROC niet op.

4. Opsturen

Stuur dit formulier (nadat de € 26,– is overgemaakt) met de verplichte bijlagen naar:

ROC van Amsterdam

tav. Werkmaatschappij 9, Educatie & Inburgering Eenheid Leren & Werken Projecten

Postjesweg 1

1057 DT Amsterdam

Onder vermelding van ‘HHO’

De verplichte bijlagen zijn:

Nadere toelichting kosten en procedure:

De totale kosten voor de aanmelding en het onderzoek bedragen € 293,–. De aanmelding wordt alleen in behandeling genomen wanneer de eerste € 26,– is overgemaakt op:

Rekeningnummer 7832658

t.n.v. Stichting ROCvA inzake Educatie

onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

Naar aanleiding van uw aanmelding zal beoordeeld worden of uw aanmelding compleet is en goedgekeurd kan worden. Voor deze goedkeuringsfase bent u een bedrag ad € 26,– verschuldigd dat u vooraf moet voldoen. U krijgt geen verzoek tot betaling van het ROC en dus ook geen herinnering voor de betaling. Na ontvangst van het verschuldigde bedrag gebeurt het volgende:

Nadat u een uitnodiging hebt ontvangen van het ROC, zult u op een afgesproken datum en tijdstip een haalbaarheidsonderzoek hebben met een gespecialiseerde medewerker van het ROC. U zult een aantal testen moeten afleggen. Het ROC zal vervolgens in een advies aangeven of het voor u mogelijk is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te halen op A2-niveau. Het advies zal binnen 4 weken naar u worden toegestuurd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt van het ROC geen afschrift van het advies. Indien u het advies gebruikt voor een verzoek om naturalisatie, mag de IND de authenticiteit van het advies controleren bij het ROC Amsterdam. Het ROC is niet verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Een afgegeven advies heeft slechts tot doel een oordeel te geven over het analfabetisme en niet over het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

Voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie, ingediend buiten het Koninkrijk

Let op! Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26,– hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):

2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?

(kruis aan wat van toepassing is)

Dit zijn vier voorwaarden voor deelname aan een onderzoek naar analfabetisme en leervermogen. Alleen als alle vier de voorwaarden op u van toepassing zijn, komt u in aanmerking voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie. Het heeft dus alleen zin om de € 26,– over te maken en dit formulier in te sturen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet.

3. Onderteken dit formulier

Ik meld mij aan voor een onderzoek naar ongeletterdheid/analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie (dit onderzoek kost in totaal € 293,–).

Ik verklaar hierbij het aanmeldingsformulier volledig en naar waarheid te hebben ingevuld. Ook verklaar ik dat ik me er van bewust ben dat het niet volledig invullen van de aanvraag, het niet meesturen van de verplichte bijlagen of het achterhouden van informatie tot gevolg heeft dat ik niet in aanmerking komt voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen en dat het bedrag van € 26,– in dat geval niet wordt terugbetaald.

De diplomatieke post heeft mij er op gewezen dat een advies van het ROC niet altijd gevolgd wordt door de IND. Als ik heb aangegeven dat ik nooit (basis)onderwijs heb gevolgd en als dan later blijkt dat ik wel (basis)onderwijs heb gevolgd, dan volgt de IND het advies van het ROC niet op.

4. Opsturen

Stuur dit formulier (nadat de € 26,– is overgemaakt) met de verplichte bijlagen naar:

ROC van Amsterdam

tav. Werkmaatschappij 9, Educatie & Inburgering Eenheid Leren&Werken Projecten

Postjesweg 1

1057 DT Amsterdam

Onder vermelding van ‘HHO’

De verplichte bijlagen zijn:

Nadere toelichting kosten en procedure:

De totale kosten voor de aanmelding en het onderzoek bedragen € 293,–. De aanmelding wordt alleen in behandeling genomen wanneer de eerste € 26,– is overgemaakt op:

Rekeningnummer 7832658

t.n.v. Stichting ROCvA inzake Educatie

onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum

Naar aanleiding van uw aanmelding zal beoordeeld worden of uw aanmelding compleet is en goedgekeurd kan worden. Voor deze goedkeuringsfase bent u een bedrag ad € 26,– verschuldigd dat u vooraf moet voldoen. U krijgt geen verzoek tot betaling van het ROC en dus ook geen herinnering voor de betaling. Na ontvangst van het verschuldigde bedrag gebeurt het volgende:

Nadat u een uitnodiging hebt ontvangen van het ROC, zult u op een afgesproken datum en tijdstip een haalbaarheidsonderzoek hebben met een gespecialiseerde medewerker van het ROC. U zult een aantal testen moeten afleggen. Het ROC zal vervolgens in een advies aangeven of het voor u mogelijk is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te halen op A2-niveau. Het advies zal binnen 4 weken naar u worden toegestuurd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt van het ROC geen afschrift van het advies. Indien u het advies gebruikt voor een verzoek om naturalisatie, mag de IND de authenticiteit van het advies controleren bij het ROC Amsterdam. Het ROC is niet verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Een afgegeven advies heeft slechts tot doel een oordeel te geven over het analfabetisme en niet over het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap