11 AVRIL 2005. - Loi adaptant la version française et établissant la version néerlandaise de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques
Article 1. La présente loi règle une matière visée à I'article 78 de la Constitution.
Article 2. Dans la version française de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, telle qu'elle a été modifiée à ce jour, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'article 6, A, alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les services civils ou judiciaires, rendus par suite de nominations faites en exécution des lois ou émanées du gouvernement et rétribués par le Trésor public. Les surnuméraires dûment commissionnés ne sont pas soumis à cette condition de nomination. Il en est de même des seconds secrétaires de légation pour le temps pendant lequel ils seront employés, soit à l'étranger, soit à l'intérieur près du département des Affaires étrangères. ";
2° l'article 26 est abrogé;
3° dans l'article 29, alinéa 2, les mots " des articles 8 et 9 " sont remplacés par les mots " de l'article 8 ";
4° dans l'article 38, les mots " de la dette publique " sont remplacés par les mots " des pensions ";
5° dans l'intitulé du Titre III, Chapitre Ier, Section II, le mot " Cumul " est supprimé;
6° à l'article 48 sont apportées les modifications suivantes :
l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Toute personne jouissant d'une pension et qui a été ou est condamné à une peine d'emprisonnement est tenue, sous peine de déchéance, de résider dans le Royaume, à moins d'une autorisation expresse du Roi. ";
l'alinéa 2 est abrogé;
7° l'intitulé du Titre III, Chapitre II et les articles 51 à 54, 56 et 57 sont abrogés;
8° l'intitulé du Titre IV et les articles 58 à 65 sont abrogés.
Article 3. Les dispositions qui suivent forment le texte néerlandais de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, telle qu'elle a été expressément modifiée et complétée jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Le texte néerlandais ci-après, des dispositions qui ont modifié et complété la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, postérieurement à la loi du 18 avril 1898, remplace le texte néerlandais antérieur de ces dispositions.
Les contestations basées sur la divergence des textes français et néerlandais sont décidées d'après la volonté du législateur, déterminée suivant les règles ordinaires d'interprétation, sans prééminence de l'un des textes sur l'autre.
(" ALGEMENE WET VAN 21 JULI 1844 OP DE BURGERLIJKE EN KERKELIJKE PENSIOENEN.
TITEL I. - Rustpensioenen.
HOOFDSTUK I. - Rustpensioenen in het algemeen.
Afdeling I. - Toelating tot pensioen.
Artikel 1. Aan magistraten, ambtenaren en personeelsleden, die, ingevolge een vaste benoeming of ingevolge een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming, deel uitmaken van het algemene bestuur en uit de Staatskas worden bezoldigd, kan pensioen worden verleend op de leeftijd van vijfenzestig jaar en na twintig jaar dienst.
De minimumdiensttijd is dertig jaar wanneer bijzondere bepalingen onder verwijzing naar de bij deze wet ingestelde regeling, voor enig ander persoon wiens pensioen ten laste komt van de Staatskas, voorzien in de mogelijkheid van pensionering op een lagere leeftijd dan vijfenzestig jaar, zonder een minimumdiensttijd te bepalen.
Voor provinciegouverneurs en arrondissements- commissarissen wordt die minimumdiensttijd evenwel bepaald op zeven, respectievelijk vijftien jaar, in die hoedanigheid.
L'alinéa 1er ainsi remplacé par l'article 29 de la loi du 5 août 1968 et ensuite ainsi modifié par l'article 1er de la loi du 17 juin 1971 et l'article 39 de la loi du 23 décembre 1974; l'alinéa 2 ainsi remplacé par l'article 29 de la loi du 5 août 1968 et l'alinéa 3 ajouté par l'article 1er de la loi du 25 mars 1937.
Art. 2. Personen als bedoeld in artikel 1, die, bij een vaste benoeming of bij een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming, met een hoofdbetrekking zijn bekleed, kunnen, ongeacht hun leeftijd of diensttijd, worden gepensioneerd wanneer zij blijken niet in staat te zijn om hun ambt te blijven uitoefenen.
Ainsi remplacé par l'article 2 de la loi du 17 juin 1971.
Art. 3. Uit hoofde van een bijbetrekking kan pensioen wegens ongeschiktheid niet worden verleend dan na ten minste tien jaar dienst.
Deze tijd wordt tot vijf jaar verminderd indien de ongeschiktheid het gevolg is van gebrekkigheid te wijten aan de uitoefening van het ambt.
Vloeit de ongeschiktheid voort uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk, of uit een beroepsziekte, dan is geen minimum aan dienstjaren vereist.
Ainsi remplacé par l'article 2 de la loi du 17 juin 1971.
Art. 4. De Koning bepaalt wat een hoofdbetrekking of een bijbetrekking is in de zin van deze wet.
Ainsi remplacé par l'article 2 de la loi du 17 juin 1971.
Art. 4bis. Voor de toepassing van de artikelen 1 en 3 wordt diensttijd, bezoldigd uit de Staatskas van Belgisch-Congo en van Ruanda-Urundi, meegerekend bij de bepaling van het minimum aantal jaren dat recht geeft op pensioen aan in Rijksbesturen in dienst getreden magistraten van Belgisch-Congo of van Ruanda-Urundi en aan ambtenaren van het Bestuur in Afrika of van de Weermacht, die niet behoren tot de actieve kaders van het moederlandse leger.
Hetzelfde geldt voor dienst bij het Hoofdbestuur van Belgisch-Congo en van Ruanda-Urundi, verricht door tijdelijke ambtenaren die nadien de hoedanigheid van rijksambtenaar hebben verkregen.
Inséré par l'article 1er de la loi du 14 mars 1960; l'alinéa 1er ensuite ainsi modifié par l'article 1er de la loi du 4 juillet 1966 et l'article 3, § 1er de la loi du 17 juin 1971.
Art. 5. (...). Abrogé par l'article 3, § 2, de la loi du 17 juin 1971.
Art. 6. Recht op pensioen kunnen geven :
A. Burgerlijke of gerechtelijke dienst, verricht ingevolge benoemingen ter uitvoering van de wet of vanwege de Regering, en uit de Staatskas bezoldigd. Personeelsleden behoorlijk bij een besluit aangesteld in overtal, zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van benoeming. Hetzelfde geldt voor tweede ambassade-secretarissen voor de tijd gedurende welke zij in dienst zijn, hetzij buitenslands, hetzij binnenslands bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Dubbel aangerekend wordt de tijd gedurende welke magistraten, ambtenaren of personeelsleden zijn gevangengehouden of weggevoerd wegens hun vaderlandslievend gedrag of hun weigering te gehoorzamen aan de bevelen van de Duitse overheid, bij of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt.
Voor het pensioen wordt de tijd meegerekend gedurende welke personeelsleden bij het Departement van Financiën in de hoedanigheid van aangenomen klerk een niet door de Staat bezoldigde proeftijd hebben vervuld vóór hun benoeming in vast verband.
Voor het pensioen wordt eveneens meegerekend :
- de tijd waarvoor de betrokkene de hoedanigheid heeft van agent van de inlichtingendiensten of gedeporteerde van de oorlog 1914-1918, op voorwaarde dat hij vóór 1 juli 1924 in dienst is getreden en die tijd niet reeds om een andere reden in aanmerking komt.
Van de werkelijke duur van de medewerking aan de inlichtingendiensten of van de deportatie wordt het bewijs geleverd zoals inzake oorlogsrente.
- de tijd waarvoor de betrokkene het statuut geniet van lid van het burgerlijk verzet, van werkweigeraar of van gedeporteerde voor verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945, op voorwaarde dat hij vóór 1 augustus 1955 in dienst is getreden of dat de koloniale dienst die hij kan doen gelden voor het recht op, of de berekening van zijn moederlands pensioen, vóór die datum is aangevat, en dat die tijd niet reeds om een andere reden in aanmerking komt.
Van de werkelijke duur waarvoor het beoogde statuut is erkend, wordt het bewijs geleverd zoals inzake oorlogsrente.
B. Werkelijke militaire dienst voor de tijd van werkelijke aanwezigheid bij het korps, evenals de dienst verricht bij de Civiele Bescherming of besteed aan taken van openbaar nut overeenkomstig de wetten betreffende het statuut van gewetensbezwaarde, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 20 februari 1980; de tijd van werkelijke aanwezigheid bij het korps, doorgebracht bij de legers op oorlogsvoet, wordt dubbel of driemaal aangerekend volgens de regels gesteld betreffende het verkrijgen van het militair pensioen wegens dienstjaren.
Hetzelfde geldt ten aanzien van gevangenhouding of deportatie ten gevolge van veroordelingen uitgesproken jegens degenen die tijdens het vervullen van hun ambt of hun betrekking meewerkten aan inlichtingendiensten of het vertrek uit België vergemakkelijkten van jongelieden die zich bij de geallieerde legers hebben vervoegd.
C. Voltijdse dienst door vrijwilligers kosteloos in griffies of parketten verricht vóór 17 augustus 1955.
Het bewijs van die dienstverrichting kan worden geleverd door alle rechtsmiddelen, met inbegrip van getuigenissen.
D. De tijd waarvoor de betrokkene het voordeel geniet van de wet van 21 november 1974 houdende statuut van weerstander tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden, voor zover hij vóór 1 augustus 1955 in dienst is getreden of vóór dat tijdstip de koloniale dienst heeft aangevat, die hij kan doen gelden voor het recht op of de berekening van zijn moederlands pensioen. Indien het voormelde statuut geheel of ten dele is toegekend overeenkomstig artikel 2, 1°, 3° of 5°, van de wet van 21 november 1974, wordt de in aanmerking te nemen tijd dubbel aangerekend bij het berekenen van het pensioen overeenkomstig de regels gesteld voor aanrekening van de militaire oorlogsdienst bedoeld in artikel 73 van de wetten op de militaire pensioenen, gecoördineerd op 11 augustus 1923.
Het voorgaande is alleen van toepassing in de mate waarin de enkel of dubbel aan te rekenen tijd aan de betrokkene niet een ten minste evenwaardig voordeel heeft opgeleverd.
Voor het pensioen wordt aangerekend, voorzover daarmee niet reeds om een andere reden rekening is gehouden :
- de tijd waarvoor de betrokkene gerechtigd is op het statuut van politiek gevangene van de oorlog 1914-1918, voorzover hij vóór 1 juli 1924 in dienst is getreden;
- de tijd waarvoor de betrokkene gerechtigd is op het statuut van politiek gevangene van de oorlog 1940-1945, voorzover hij vóór 1 augustus 1955 in dienst is getreden of vóór dat tijdstip de koloniale dienst heeft aangevat, die hij kan doen gelden voor het recht op of de berekening van zijn moederlands pensioen.
De werkelijke duur van de hechtenis als politiek gevangene van de oorlog 1914-1918 of van het genot van het statuut van politiek gevangene van de oorlog 1940- 1945 wordt bewezen zoals inzake oorlogsrente, en de in aanmerking komende tijd wordt dubbel aangerekend bij het berekenen van het pensioen overeenkomstig de regels gesteld voor aanrekening van de militaire oorlogsdienst bedoeld in artikel 73 van de wetten op de militaire pensioenen, gecoördineerd op 11 augustus 1923, met uitzondering van de tijd die aan de betrokkene reeds ten minste een evenwaardig voordeel heeft opgeleverd.
Sous A. initialement modifié par l'article 1er de la loi du 10 janvier 1886; l'alinéa 1er ensuite ainsi modifié par l'article 67, § 1er, 1° de la loi du 15 mai 1984 et par la présente loi; l'alinéa 2 inséré par l'article 1er de la loi du 3 juin 1920 et ensuite ainsi modifié par l'article 39 de la loi du 23 décembre 1974; l'alinéa 3 inséré par l'article 2 de la loi du 9 juin 1947 et ensuite ainsi modifié par l'article 67, § 1er, 2° de la loi du 15 mai 1984; l'alinéa 4 inséré par l'article 16 de la loi du 27 décembre 1977, le début de cet alinéa ensuite ainsi modifié par l'article 67, § 1er, 3° de la loi du 15 mai 1984, le premier tiret ainsi modifié par l'article 37 de la loi du 3 juin 1982 et le deuxième tiret ainsi modifié par les articles 30 et 37 de la loi du 3 juin 1982; sous B. initialement modifié par l'article 1er, § 2, de la loi du 17 février 1849; l'alinéa 1er ensuite ainsi rem- placé par l'article 110 de la loi du 22 décembre 1977 et ensuite ainsi modifié par les articles 67, § 1er, 4°, et 91 de la loi du 15 mai 1984; l'alinéa 2 inséré par l'article 1er de la loi du 3 juin 1920 et l'alinéa 3 abrogé par l'article 67, § 2, de la loi du 15 mai 1984; sous C. ajouté par l'article 1er de la loi du 11 juillet 1973; sous D. l'alinéa 1er ajouté par l'article 31 de la loi du 3 juin 1982 et ensuite ainsi modifié par l'article 67, § 1er, 5°, de la loi du 15 mai 1984 et l'article 28 de la loi du 25 juin 1987; l'alinéa 2 inséré par l'article 31, l'alinéa 3 et l'alinéa 4 insérés par l'article 32 de la loi du 3 juin 1982; l'alinéa 3 ensuite ainsi modifié par l'article 67, § 1er, 6°, de la loi du 15 mai 1984.
Art. 7. Een magistraat, ambtenaar of personeelslid, die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn ambt, kan bij inruststelling door de Regering worden gemachtigd om de titel van zijn ambt eershalve te voeren.
Ainsi modifié par l'article 39 de la loi du 23 décembre 1974.
Afdeling II. - Berekening van pensioenen.
Art. 8. § 1. Het rustpensioen wordt berekend op de grondslag van, voor elk jaar dienst, 1/60 van de referentiewedde.
De referentiewedde is de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan of van de volledige duur van de loopbaan als die minder dan vijf jaar bedraagt. De gemiddelde wedde wordt bepaald op basis van de wedden zoals die vastgelegd zijn in de weddenschalen verbonden aan de ambten waarin de betrokkene vast was benoemd. Indien de betrokkene, die vast was benoemd in een ambt, gedurende de hiervoor bedoelde tijd een ander ambt heeft uitgeoefend waarin hij niet vast was benoemd, worden alleen de wedden verbonden aan het ambt waarin hij vast was benoemd, in aanmerking genomen. Indien de betrokkene niet vast was benoemd gedurende de hele hiervoor bedoelde tijd, worden de wedden verbonden aan de tijdelijk of krachtens overeenkomst uitgeoefende betrekkingen die aan de vaste benoeming zijn voorafgegaan, eveneens in aanmerking genomen. In dat geval mogen die wedden evenwel niet hoger zijn dan die welke toegekend zouden zijn indien de tijdelijk of krachtens overeenkomst uitgeoefende bedieningen door de betrokkene zouden zijn gepresteerd in het ambt waarin hij vast was benoemd. Indien de vaste benoeming in een bevorderingsambt eerst kon plaatsvinden na een proeftijd, en de betrokkene na die tijd vast is benoemd in dat bevorderingsambt, wordt hij geacht vanaf het begin van de proeftijd vast benoemd te zijn.
Voor de toepassing van deze wet wordt met een vaste benoeming gelijkgesteld, een mandaat verleend met toepassing, hetzij van artikel 74bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, hetzij van artikel 22 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen. De Koning kan, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, andere mandaten van vergelijkbare aard die Hij aanwijst, met een vaste benoeming gelijkstellen.
Voor het bepalen van de in het tweede lid bedoelde referentiewedde wordt in voorkomend geval eveneens rekening gehouden met de in § 2 bepaalde weddenbijslagen die verbonden zijn aan de ambten waarin de betrokkene vast was benoemd of waarin de betrokkene overeenkomstig de artikelen 182 en 261 van het Gerechtelijk Wetboek was aangewezen. Deze bijslagen worden in aanmerking genomen voor de perioden gedurende welke zij werkelijk werden toegekend, en ten belope van het bedrag of de bedragen die gedurende diezelfde perioden toegekend werden. Indien de weddenbijslag toegekend werd in de vorm van een bepaald percentage van de wedde, wordt de in aanmerking te nemen bijslag evenwel vastgesteld op grond van de weddenschaal die werd toegekend of zou toegekend zijn onder de voorwaarden bepaald door het geldelijk statuut dat van kracht was op de ingangsdatum van het pensioen en ten belope van het percentage of de percentages die werkelijk toegekend werden.
In afwijking van het vierde lid :
1° is de in aanmerking te nemen bijslag die welke zou zijn toegekend als de wedde niet was verminderd of geschorst, indien een wedden- bijslag wegens met dienstactiviteit gelijkgesteld verlof, terbeschikkingstelling of gedeeltelijke of volledige loopbaanonderbreking werd verminderd in dezelfde verhouding als de wedde, of werd geschorst;
2° wordt, ingeval een weddenbijslag geheel of gedeeltelijk is opgenomen in de weddenschaal, de bijslag die of het gedeelte van de bijslag dat is opgenomen, niet in aanmerking genomen.
Voor het bepalen van de in het tweede lid bedoelde referentiewedde :
1° worden voordelen in natura niet in aanmerking genomen, behalve die toegekend aan personen vast benoemd of aangesteld als conciërge, voor wie deze voordelen in aanmerking komen overeenkomstig door de Koning bepaalde nadere regels;
2° wordt de weddenschaal verbonden aan het ambt van hypotheekbewaarder vervangen door het maximum van de weddenschaal verbonden aan het ambt van gewestelijk directeur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, vierde lid, worden de volgende weddenbijslagen in aanmerking genomen :
1° de weddentoeslag bepaald in artikel 152bis van de wet van 15 juni 1899 houdende titel II van het Wetboek van Strafrechtspleging voor het Leger;
2° de anciënniteitsbijslag toegekend met toepassing van het koninklijk besluit van 22 april 1952 betreffende de anciënniteitsbijslag bepaald bij artikel 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947, bij de wet van 14 februari 1955 en bij het koninklijk besluit nr. 6 van 21 januari 1957;
3° de jaarlijkse toelagen bepaald bij artikel 46 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs van de Staat;
4° de weddenbijslagen toegekend met toepassing van artikel 3, §§ 2 en 3, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State;
5° het veranderlijk bezoldigingsgedeelte bepaald bij het koninklijk besluit van 3 augustus 1955 tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden en het bezoldigingsstelsel van het bijzonder personeel van het loodswezen van het Bestuur van het Zeewezen, ten belope van het bedrag bepaald in artikel 10, § 1, van dat besluit;
6° de weddenbijslag toegekend met toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 1965 houdende toekenning van een weddenbijslag aan sommige leden van het door de Staat bezoldigd personeel wier indiensttreding door de oorlog 1940-1945 merkelijk is vertraagd;
La consultation de ce document ne se substitue pas à la lecture du Moniteur belge correspondant. Nous déclinons toute responsabilité pour d'éventuelles inexactitudes résultant de la transcription de l'original dans ce format.