Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 2075
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 404

Buiten de gevallen, waarin de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, heeft het beroep in cassatie schorsende kracht.

Artikel 405

Vervallen

Artikel 406

Vervallen

Artikel 407
1.

Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als in eerste aanleg, behoudens de volgende leden:

2.

De dagvaarding behelst, in plaats van hetgeen in artikel 111, tweede lid, onder d, is vermeld, de omschrijving van de middelen, waarop het beroep steunt. Artikel 111, tweede lid, onder i, en derde lid, is niet van toepassing. In aanvulling op artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding ook de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht.

3.

De eiser is gehouden in het exploit van dagvaarding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe van nietigheid.

4.

Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij die advocaat, tenzij het exploit een andere gekozen woonplaats in Nederland uitdrukt.

afdeling Vijfde. Van beroep in cassatie tegen beschikkingen op rekest

Boek Tweede. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten

titel Eerste. Algemene regels

afdeling Eerste. Van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn

Eerste afdeling B. Van executoriaal beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

afdeling Tweede. Van executoriaal beslag onder derden

Tweede afdeling B. Van executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf

Tweede afdeling c. Van executoriaal beslag op de rechten uit een sommenverzekering

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Beslag ten laste van de verzekeringnemer op diens rechten uit een levensverzekering

afdeling Derde. Van de verdeling van de opbrengst der executie

afdeling Vierde. Van executie tot afgifte van roerende zaken, die geen registergoederen zijn

titel Derde. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

afdeling Vierde. Van executie tot afgifte van roerende zaken, die geen registergoederen zijn

afdeling Derde. Van opvordering door derden

titel Vierde. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van schepen en luchtvaartuigen

titel Vijfde. Van lijfsdwang en deszelfs tenuitvoerlegging en van dwangsom

afdeling Tweede. Van executoriaal beslag op en executie van luchtvaartuigen

afdeling Tweede. Tenuitvoerlegging en ontslag

titel Zevende. Van het stellen van zekerheid

Boek Derde. Van regtspleging van onderscheiden aard

titel Eerste. Van rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer

Afdeling Tweede. Van rechtspleging inzake beperking van aansprakelijkheid van scheepseigenaren

titel Tweede. Van procedures betreffende een nalatenschap of een gemeenschap

afdeling Derde. Van boedelbeschrijving

titel Vierde. Van middelen tot bewaring van zijn recht

afdeling Derde. Van conservatoir beslag op aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn

afdeling Vijfde. Van conservatoir beslag onder de schuldeiser zelf

Afdeling Negende. Van middelen tot bewaring van zijn recht op goederen der gemeenschap

titel Vijfde. Rekenprocedure

Titel Zesde. Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht

afdeling Eerste. Rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken

§ 1. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

§ 4. Ontbinding van een geregistreerd partnerschap

titel Zevende. Enige bijzondere rechtsplegingen

afdeling Eerste. Afschrift, uittreksel en inzage van akten en andere bewijsmiddelen

Afdeling 1A. Toegang tot bescheiden in zaken betreffende schending van mededingingsrecht

afdeling Tweede. Van gerechtelijke bewaring

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Tweede. Bijzondere bepalingen

titel Negende. Van de formaliteiten, vereist voor de tenuitvoerlegging van in vreemde Staten tot stand gekomen executoriale titels

titel Elfde. Van rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen

Titel 14. Van rechtspleging in zaken betreffende de verbindendverklaring van overeenkomsten strekkende tot collectieve schadeafwikkeling

Titel 17. Van rechtspleging in deelgeschillen betreffende letsel- en overlijdensschade

Boek Vierde. Arbitrage

Titel 15. Van rechtspleging in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom

afdeling Eerste A. De overeenkomst tot arbitrage en de bevoegdheid van de gewone rechter

afdeling Eerste B. Het scheidsgerecht

afdeling Vijfde. De vernietiging en de herroeping van het arbitraal vonnis

afdeling Derde. Het arbitraal vonnis

titel Tweede. Arbitrage buiten Nederland

Artikel 22a
1.

De rechter kan, indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen.

2.

De rechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen.

3.

De rechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. Artikel 1019ib, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22b

De rechter kan door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is.

afdeling Derde A. Algemene voorschriften voor procedures

Artikel 30a
1.

De eiser of verzoeker stelt zijn vordering in of dient zijn verzoek in door middel van een procesinleiding.

2.

De procedures waarin een vordering wordt ingesteld, worden in dit wetboek aangeduid als vorderingsprocedures. De procedures waarin een verzoek wordt ingediend, worden in dit wetboek aangeduid als verzoekprocedures.

3.

De procesinleiding vermeldt ten minste:

  • a. de naam en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de woonplaats van eiser en de door hem gekozen woonplaats in Nederland, respectievelijk de woonplaats of, bij gebreke daarvan, het werkelijk verblijf van de verzoeker,
  • b. de naam en woonplaats van de verweerder bij de vordering, dan wel de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van belanghebbenden,
  • c. de dag waarop in de vorderingsprocedure de verweerder ten laatste als verweerder kan verschijnen, welke dag ligt ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter, dan wel in geval van toepassing van artikel 113, ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van betekening van de procesinleiding bij de verweerder,
  • d. de vordering of het verzoek en de gronden daarvan,
  • e. de naam en het kantooradres van de gemachtigde of de advocaat, indien die door de eiser of verzoeker wordt gesteld,
  • f. de door de verweerder tegen de vordering of de door de belanghebbende tegen het verzoek aangevoerde verweren en de gronden daarvoor,
  • g. de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker kan beschikken tot staving van de betwiste gronden van zijn vordering of verzoek, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen, alsmede
  • h. de aanwijzing van de bevoegde rechter die van de zaak kennisneemt.
4.

De procesinleiding wordt ondertekend. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de advocaat.

Artikel 30c
1.

De eiser of verzoeker dient de procesinleiding langs elektronische weg in bij de rechter. Partijen dienen gedurende de procedure ook overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de rechter anders bepaalt. Anderen dan partijen, die bij de procedure worden betrokken, dienen stukken langs elektronische weg in, tenzij de wet of de rechter anders bepaalt.

2.

Waar dit wetboek voorschrijft dat handelingen schriftelijk geschieden, wordt hieraan langs elektronische weg voldaan, tenzij dit wetboek of de rechter anders bepaalt.

3.

Waar in dit wetboek ondertekening is voorgeschreven, is tevens aan dit vereiste voldaan indien het stuk is ondertekend met een elektronische handtekening die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Een stuk dat langs elektronische weg is ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten geldt als ondertekend. Dit lid is niet van toepassing op akten als bedoeld in artikel 156 en op de ondertekening van documenten in een arbitrageprocedure ingevolge het Vierde Boek.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden gemaakt, en kan indiening of terbeschikkingstelling van stukken en mededelingen langs elektronische weg worden uitgesloten.

5.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

6.

Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 30f, stelt de rechter de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.

7.

In afwijking van het voorgaande lid kan de rechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.

8.

Niet-ontvankelijkverklaring wegens het ten onrechte indienen van een procesinleiding op papier of het buiten beschouwing laten van een stuk omdat het ten onrechte op papier of na afloop van een termijn is ingediend, blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 30d
1.

Als tijdstip waarop een bericht door de rechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt. Na elke indiening langs elektronische weg ontvangt de indiener een ontvangstbevestiging in het digitale systeem voor gegevensverwerking.

2.

Als tijdstip waarop een bericht dat door de rechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de rechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.

3.

Als tijdstip waarop een bericht dat door een partij of een andere betrokkene bij de procedure is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de andere partijen en betrokkenen bij de procedure is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de rechter de betrokkenen hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.

4.

Indien een partij of andere betrokkene bij de procedure afziet van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking als bedoeld in het eerste lid, zodat de kennisgeving bedoeld in het tweede en derde lid niet kan worden gezonden, geldt als tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking.

Artikel 30e
1.

Oproepingen door de rechter, processen-verbaal en afschriften van een vonnis of beschikking, alsmede andere berichten tussen het gerecht en partijen worden langs elektronische weg ter beschikking gesteld, tenzij artikel 30c, vijfde lid, van toepassing is.

2.

Oproepingen die bij brief geschieden, vermelden de datum van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet slechts op de envelop.

Artikel 30f

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het elektronisch verkeer met de rechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten of van de toegang tot dit systeem.

Artikel 30g

Oproepingen van derden als partij in het geding geschieden met inachtneming van de termijnen die gelden voor de betekening van de procesinleiding bij de belanghebbende of verweerder. Indien de oproeping niet geschiedt bij dezelfde procesinleiding waarmee de belanghebbende of verweerder in de procedure is betrokken, wordt de procesinleiding, waarmee de belanghebbende of verweerder in de procedure is betrokken, met de oproeping bij de derde betekend. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, d, e, en g, artikel 128, tweede, derde en vierde lid en artikel 276 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 112 is niet van toepassing.

Artikel 30h

Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van of mededeling aan diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter zitting waren medegedeeld, achterwege.

Artikel 30i
1.

Iedere verweerder in een vorderingsprocedure en iedere belanghebbende in een verzoekprocedure kan binnen de daarvoor geldende termijn zijn met redenen omkleed verweer schriftelijk bij de rechter indienen.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, van het recht om dat alsnog te doen.

5.

In afwijking van het vierde lid kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van Boek 1 of van artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.

6.

Het verweerschrift vermeldt de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen.

7.

Het verweerschrift wordt ondertekend. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de advocaat.

8.

Het verweerschrift mag een tegenvordering of tegenverzoek bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Artikel 30a, derde lid, onder f en g, is van overeenkomstige toepassing.

9.

De eiser of verzoeker en overige verweerders of belanghebbenden kunnen tegen een tegenvordering of tegenverzoek een verweerschrift indienen indien zij elkaars wederpartij zijn. De termijn voor het indienen van dit verweerschrift bedraagt in vorderingsprocedures voor de kantonrechter vier weken, in andere vorderingsprocedures zes weken, tenzij de wet of de rechter anders bepaalt. In verzoekzaken is artikel 282, eerste lid, van toepassing. De zaken betreffende de vordering of het verzoek en de tegenvordering of het tegenverzoek worden tegelijk behandeld en bij vonnis of beschikking beslist, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 30j
1.

Zo spoedig mogelijk nadat verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114, dan wel na ontvangst van de procesinleiding in een verzoekprocedure, bepaalt de rechter de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt. Met inachtneming van de dag waarop verweerder ten laatste zijn verweerschrift kan indienen als bedoeld in artikel 111, tweede lid, onder c, bedraagt de termijn tussen de uitnodiging van partijen en de mondelinge behandeling ten minste drie weken, tenzij sprake is van een behandeling in kort geding.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

De griffier roept de eiser of verzoeker en de verweerder of belanghebbenden, bedoeld in het tweede lid, op voor de plaats en de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt.

4.

De oproepingen van belanghebbenden gaan vergezeld van een afschrift van de procesinleiding, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het verzoek.

5.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de rechter zich in een verzoekprocedure aanstonds onbevoegd verklaart, de eiser of verzoeker aanstonds niet-ontvankelijk in zijn vordering of verzoek verklaart, of het verzoek toewijst.

6.

De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen de mondelinge behandeling achterwege laten en uitspraak doen.

Artikel 30k
1.

Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter:

  • a. partijen verzoeken hem inlichtingen te geven,
  • b. partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen,
  • c. een schikking beproeven,
  • d. met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en
  • e. die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht,

voor zover de rechter dit in overeenstemming acht met de eisen van een goede procesorde.

2.

Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, onverminderd artikel 284, eerste lid.

3.

Voor zover mogelijk bericht de griffier partijen tevoren over het doel van de mondelinge behandeling.

4.

In zaken waarin zij niet in persoon kunnen procederen, verschijnen zij bij advocaat, met uitzondering van belanghebbenden. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is de gemachtigde een advocaat.

5.

Onverminderd artikel 85, dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij de indiening van de procesinleiding onderscheidenlijk het verweerschrift en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling te worden ingediend, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij artikel 30c, achtste lid, van toepassing is of de goede procesorde zich daartegen verzet.

6.

Indien met het oog op de mondelinge behandeling een bevel als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de stukken uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de datum van de mondelinge behandeling zijn ingediend en aan de wederpartij ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 30l
1.

Tijdens de mondelinge behandeling ondervraagt de rechter partijen. Partijen kunnen elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.

2.

Een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de afgelegde verklaringen, uit een niet-verschijnen op de mondelinge behandeling of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens artikel 154.

Artikel 30m
1.

Indien een schikking tot stand komt, eindigt de procedure. Van de zitting waarop een schikking is bereikt, wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter en partijen of hun tot dat doel bijzonderlijk gevolmachtigden wordt ondertekend en waarin de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden neergelegd. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm.

2.

Indien geen schikking tot stand komt, bepaalt de rechter wat de volgende proceshandeling zal zijn.

Artikel 30n
1.

De rechter maakt van de mondelinge behandeling proces-verbaal op:

  • a. indien hij dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of
  • b. op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad.
2.

Het proces-verbaal bevat ten minste de namen van de rechter of de rechters die de zaak behandelt onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de mondelinge behandeling zijn verschenen, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de mondelinge behandeling zijn verschenen.

3.

Het proces-verbaal houdt een zakelijke samenvatting in van het verhandelde ter zitting.

4.

De rechter kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgehouden. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.

5.

Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.

6.

De griffier stelt het proces-verbaal ter beschikking van partijen.

7.

De rechter kan bepalen dat het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en derde lid en in de artikelen 180, eerste lid, 198, vijfde lid, en 201, vierde lid, wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname. In dat geval kan de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad alsnog verzoeken om een schriftelijke weergave van het proces-verbaal.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van beeld- en geluidsopnamen.

Artikel 30o
1.

Indien dit met het oog op artikel 19 of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, kan de rechter op verzoek van een partij toestaan of ambtshalve bepalen dat, in afwijking van of aanvulling op hetgeen in deze afdeling is bepaald:

  • a. termijnen worden verlengd of verkort,
  • b. partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten,
  • c. de mondelinge behandeling wordt aangehouden of in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling of andere zitting wordt gehouden,
  • d. voor, tijdens of na een mondelinge behandeling stukken worden ingediend en dat partijen daarop schriftelijk reageren.
2.

De rechter bepaalt de termijnen voor proceshandelingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d.

Artikel 30p
1.

De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.

2.

In afwijking van de artikelen 230 en 287 bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.

3.

Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt.

4.

Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.

5.

De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt.

Artikel 30q
1.

Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de rechter in kantonzaken binnen vier weken en in andere zaken binnen zes weken na afloop van de mondelinge behandeling of na het verrichten van de laatste proceshandeling schriftelijk uitspraak.

2.

In bijzondere omstandigheden kan de rechter de termijnen, genoemd in het eerste lid, verlengen. Bij een verlenging wordt mededeling gedaan aan partijen van de datum van de uitspraak.

3.

Op gezamenlijk verlangen van de in het geding verschenen partijen kan de rechter de uitspraak uitstellen of achterwege laten.

afdeling Zesde. Exploten

afdeling Vijfde. Het openbaar ministerie en de procureur-generaal bij de Hoge Raad

afdeling Vijfde A. De Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie

afdeling Zesde. Exploten

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Achtste. Verbeteren of aanvullen van de procesinleiding en verwijzing

titel Tweede. De vorderingsprocedure in eerste aanleg

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Vierde. Dagvaarding

afdeling Vijfde. Verloop van de procedure

afdeling Zesde. Reconventie

afdeling Zevende. Verstek

afdeling Achtste. Verzet

afdeling Negende. Bewijs

§ 2. Akten en vonnissen

§ 6. Zekerheidstelling voor proceskosten

§ 1. Doorhaling op de rol

§ 1. Doorhaling ter griffie

§ 2. Afstand van instantie

§ 3. Verval van instantie

titel Derde. De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg

afdeling Eerste. Algemene bepaling

afdeling Derde. Oproeping

afdeling Vierde. Verloop van de procedure

titel Vierde

titel Vijfde

titel Zesde. Prorogatie van rechtspraak aan het gerechtshof

titel Zevende. Hoger beroep

afdeeling Eerste. Van de zaken aan hooger beroep onderworpen

afdeeling Tweede. Van den termijn van beroep

afdeeling Derde. Van de regtspleging in hooger beroep en de gevolgen van hetzelve

titel Negende. Verzet door derden

titel Tiende A. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

titel Elfde. Cassatie

afdeling Tweede. De termijn van beroep in cassatie in vorderingsprocedures en de schorsende kracht daarvan

Artikel 402
1.

Het beroep in cassatie moet - behoudens in de gevallen waarin de wet een kortere cassatietermijn voorschrijft - worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.

2.

In de gevallen, waarin de wet voor het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven, wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort en gesteld op het dubbele van de termijn in die gevallen voor het hoger beroep bepaald.

3.

Indien in de vorige instantie een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het beroep in cassatie daarvan open tot het moment dat in de hoofdzaak in cassatie het verweerschrift is ingediend.

Artikel 403
1.

Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de cassatietermijn vangt voor de erfgenamen of rechtverkrijgenden een nieuwe termijn aan op de dag na die van het overlijden.

2.

In ieder geval kan het beroep in cassatie nog worden ingesteld binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 404

Buiten de gevallen, waarin de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, heeft het beroep in cassatie schorsende kracht.

Artikel 405

Vervallen

Artikel 406
1.

De artikelen 30c, vierde lid, 30h, 30i, 30p en 30q zijn niet van toepassing op de procedure in cassatie.

2.

De Hoge Raad kan een mondelinge behandeling gelasten, waarop de artikelen 30j en 30k van overeenkomstige toepassing kunnen zijn.

afdeling Derde. Van de rechtspleging in cassatie in vorderingsprocedures

Artikel 407
1.

Het beroep in cassatie wordt ingesteld door het indienen van een procesinleiding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als in eerste aanleg, behoudens de volgende leden:

2.

De procesinleiding behelst, in afwijking van artikel 30a, derde lid, onder d, de omschrijving van de middelen, waarop het beroep in cassatie steunt. Artikel 30a, derde lid, onder f en g is niet van toepassing.

3.

De eiser is gehouden in de procesinleiding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe van nietigheid.

4.

Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij die advocaat, tenzij de procesinleiding een andere gekozen woonplaats in Nederland uitdrukt.

5.

Op het oproepingsbericht van de griffier is artikel 111, tweede lid, onder d, niet van toepassing. In aanvulling op artikel 111, tweede lid, vermeldt het oproepingsbericht wel de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht.

Artikel 408

Vervallen

Artikel 409
1.

De verweerder kan alleen verschijnen vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, die verklaart als zodanig op te treden.

2.

De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijn advocaat. Hij kan echter ook een andere woonplaats in Nederland opgeven.

Artikel 410
1.

De verweerder, die in cassatie wil komen, doet dit, op straffe van verval van het recht daartoe, bij verweerschrift, dat alsdan een omschrijving behelst van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt.

2.

De verweerder is in dit incidentele beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel 402 gestelde termijnen en zelfs na berusting in de uitspraak.

3.

De afstand van instantie laat de mogelijkheid incidenteel cassatieberoep in te stellen onverlet. De afstand van instantie wordt op dezelfde wijze als het oproepingsbericht in hoger beroep betekend bij de nog niet verschenen verweerder. De verweerder kan binnen twee weken na de kennisgeving van de afstand van instantie aan de Hoge Raad verzoeken een termijn te bepalen voor het instellen van incidenteel cassatieberoep. De gronden van het incidenteel cassatieberoep moeten binnen twee weken na het instellen ervan bij exploot aan de wederpartij worden betekend.

Artikel 411
1.

De verweerder dient zijn verweerschrift in op een door de Hoge Raad te bepalen datum. Voor de indiening wordt een termijn van vier weken verleend. Indiening geschiedt niet dan nadat de verweerder het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Indien de verweerder het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, vervalt zijn recht om verweer in cassatie te voeren of om van zijn zijde in cassatie te komen.

2.

Artikel 30i, vierde lid, is van toepassing in cassatie. Alleen de in artikel 30i, vijfde lid, bedoelde exceptie wordt op straffe van verval afzonderlijk voor alle weren van rechten voorgedragen.

Artikel 412
1.

Ingeval van incidenteel cassatieberoep of indien door de verweerder een exceptie tegen het principale beroep wordt aangevoerd, wordt aan de eiser, op zijn verlangen, een termijn van ten hoogste vier weken verleend om het incidentele beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.

2.

Is het een noch het ander het geval en geeft de Hoge Raad geen toepassing aan artikel 80a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dan wordt onmiddellijk na het indienen van het verweerschrift de dag van pleidooi bepaald.

Artikel 413

Vervallen

Artikel 414
1.

Artikel 224 is van toepassing in cassatie.

2.

Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eiser zijnde in cassatie, niet gehouden tot zekerheidstelling.

3.

De verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel cassatieberoep.

4.

De in vroegere instanties gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.

5.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van rechten.

Artikel 415
1.

De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie.

2.

De verweerder in het incident dient tegelijk met de vorderingen als bedoeld in het eerste lid of op een nader door de Hoge Raad te bepalen datum zijn verweerschrift in het incident in, waarop door de Hoge Raad, na partijen, zo zij dit verlangen, en de procureur-generaal bij de Hoge Raad te hebben gehoord, afzonderlijk wordt beslist.

Artikel 416

De aangewezen advocaat blijft de partij vertegenwoordigen totdat hetzij door haar een andere advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen bij aan de wederpartij betekend exploit, hetzij de advocaat zelf aan deze laatste bij betekend exploot of ter zitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere behandeling der zaak onttrekt.

Artikel 417

De pleidooien kunnen ook worden gehouden door andere dan de volgens de artikelen 407 en 409 aangewezen advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is.

Artikel 418
1.

Na de pleidooien neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad conclusie, hetzij onmiddellijk, hetzij op een daartoe te bepalen dag.

2.

Tenzij de Hoge Raad dadelijk uitspraak doet, bepaalt hij de dag, waarop dit zal geschieden.

Artikel 419
1.

De Hoge Raad bepaalt zich bij zijn onderzoek tot de middelen waarop het beroep in cassatie steunt.

2.

De feitelijke grondslag der middelen kan alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding.

3.

De Hoge Raad is gebonden aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld.

4.

De Hoge Raad geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij vermeent te behoren.

Artikel 420

Bij vernietiging van de bestreden uitspraak doet de Hoge Raad het geding zelf af, voor zover er niet op de voet van de navolgende bepalingen gronden zijn voor verwijzing.

Artikel 421

Indien na de vernietiging dient te worden beslist over feiten, waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan, verwijst de Hoge Raad het geding, tenzij het een punt van ondergeschikte aard betreft, waarover de Hoge Raad op grond van de stukken van het geding een beslissing kan geven.

Artikel 422

Indien na de vernietiging dient te worden beslist over rechtspunten, waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan, zal de Hoge Raad naar bevind van omstandigheden daaromtrent een beslissing geven dan wel daartoe het geding verwijzen.

Artikel 423

De Hoge Raad kan, in stede van het geding te verwijzen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is, het verwijzen naar een andere rechter en wel:

  • 1°. wanneer de vernietigde uitspraak was gewezen door een rechtbank, naar het gerechtshof van het ressort;
  • 2°. wanneer de vernietigde uitspraak was gewezen door een gerechtshof, naar een ander gerechtshof.
Artikel 424

De rechter, naar wie het geding is verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Artikel 425

Er wordt geen verzet toegelaten tegen arresten door de Hoge Raad bij verstek in cassatie gewezen, dan alleen wanneer er gronden waren tot nietigverklaring van de dagvaarding of het beroep was ingesteld na verloop van de wettelijke termijn en mits het verzet geschiedde binnen veertien dagen na de betekening van het arrest.

afdeling Vijfde. Van beroep in cassatie tegen beschikkingen op rekest

Artikel 426
1.

Tegen beschikkingen op rekest kan beroep in cassatie worden ingesteld door degenen, die in een der vorige instantiën verschenen zijn, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.

2.

In de gevallen, waarin de wet voor het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven, wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort en gesteld op het dubbele van de termijn in die gevallen voor het hoger beroep bepaald.

3.

In de gevallen, waarin de wet voor het hoger beroep een ander aanvangstijdstip heeft voorgeschreven dan de dag van de uitspraak, geldt dat andere aanvangstijdstip ook voor de termijn van het beroep in cassatie.

4.

De artikelen 399, 400, en 401a en de artikelen 79 en 80 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.

Boek Tweede. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten

titel Eerste. Algemene regels

titel Tweede. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn

Tweede afdeling A. Van executoriaal beslag onder derden in zaken betreffende levensonderhoud en uitkering voor de huishouding

Tweede afdeling B. Van executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

titel Derde. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

afdeling Eerste. Van executoriaal beslag op onroerende zaken

afdeling Vierde. Van executie door een hypotheekhouder

afdeling Vijfde. Van de verdeling van de opbrengst van de executie

titel Vijfde. Van lijfsdwang en de tenuitvoerlegging van lijfsdwang en van dwangsom

afdeling Eerste. Lijfsdwang

afdeling Derde. Van dwangsom

titel Zesde. Van het vereffenen van schadevergoeding

titel Zevende. Van het stellen van zekerheid

Boek Derde. Van rechtspleging van onderscheiden aard

titel Eerste. Van rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer

Afdeling Eerste. Algemene bepalingen

Afdeling Tweede. Van rechtspleging inzake beperking van aansprakelijkheid van scheepseigenaren

titel Tweede. Van procedures betreffende een nalatenschap of een gemeenschap

afdeling Tweede. Van ontzegeling

afdeling Vierde. Van geschillen in verband met verzegeling, ontzegeling en boedelbeschrijving

titel Vierde. Van middelen tot bewaring van zijn recht

Vijfde afdeling A. Van conservatoir beslag op de rechten uit een sommenverzekering

afdeling Vijfde. Van conservatoir beslag onder de schuldeiser zelf

afdeling Zesde. Van conservatoir beslag op onroerende zaken

Zesde afdeling A. Van conservatoir beslag op schepen

afdeling Achtste. Van conservatoir beslag tegen schuldenaren zonder bekende woonplaats in Nederland

titel Vijfde. Rekenprocedure

Titel Zesde. Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht

afdeling Eerste. Rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken

afdeling Tweede. Rechtspleging in scheidingszaken

§ 1. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

§ 3. Nevenvoorzieningen

§ 4. Ontbinding van een geregistreerd partnerschap

titel Zevende. Enige bijzondere rechtsplegingen

Afdeling 1A. Toegang tot bescheiden in zaken betreffende schending van mededingingsrecht

afdeling Tweede. Van gerechtelijke bewaring

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Tweede. Bijzondere bepalingen

titel Twaalfde. Van rechtspleging in zaken betreffende onredelijk bezwarende bedingen in algemene voorwaarden

Titel 15a. Van rechtspleging in zaken betreffende bescherming van bedrijfsgeheimen

Titel 18. Van rechtspleging in zaken betreffende een arbeidsovereenkomst op grond waarvan de werknemer arbeid verricht op het continentaal plat

Boek Vierde. Arbitrage

Titel 16. Van rechtspleging in pachtzaken

afdeling Eerste B. Het scheidsgerecht

afdeling Derde. Het arbitraal vonnis

afdeling Derde. Het arbitraal vonnis

afdeling Derde. Het arbitraal vonnis

afdeling Derde. Het arbitraal vonnis

afdeling Zesde. Het arbitraal vonnis, houdende een vergelijk tussen de partijen

afdeling Derde A. Arbitraal hoger beroep

titel Tweede. Arbitrage buiten Nederland

Artikel 475ab
1.

In de artikelen 475a, 475d, 475da, 475db, 475dc, 475e, 475ga, 475gb, 475i en 478 wordt verstaan onder:

  • coördinerende deurwaarder: deurwaarder die op grond van artikel 478 bevoegd is tot inning;
  • woonkosten: door de geëxecuteerde verschuldigde rekenhuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, dan wel de door de geëxecuteerde maandelijks verschuldigde hypotheekrente, erfpacht en, tot ten hoogste 0,057% van de WOZ-waarde, de maandelijkse overige kosten.
2.

In de artikelen 475aa, 475g, 475ga en 475gb wordt onder schuldenaar mede verstaan degene met wie hij in enige gemeenschap van goederen als bedoeld in de eerste afdeling van de zevende titel van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is gehuwd dan wel op die voorwaarden een geregistreerd partnerschap is aangegaan.

Artikel 475da
1.

De beslagvrije voet bedraagt ten hoogste:

  • a. voor een alleenstaande: € 2.191,42;
  • b. voor een alleenstaande ouder: € 2.526,69;
  • c. voor gehuwden zonder kinderen: € 2.881,41;
  • d. voor gehuwden met een of meer kinderen: € 3.155,31.
2.

Met inachtneming van het eerste lid bedraagt de beslagvrije voet:

  • a. voor een alleenstaande (95% x A) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (F / 12), of, als dat minder is, H-J);
  • b. voor een alleenstaande ouder: (95% x A) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J) + (((C - D) / 12) x K);
  • c. voor gehuwden zonder kinderen: (95% x B) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J);
  • d. voor gehuwden met een of meer kinderen: (95% x B) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J) + (((C - (D + L)) / 12) x K).

Hierbij staat

  • •. C voor het tot een jaarinkomen herleide belastbaar inkomen zoals dit is vastgesteld op basis van artikel 475d, eerste lid, van de geëxecuteerde, en, indien van toepassing, zijn echtgenoot;
3.

De uitkomst van het onderdeel (C – D) / 12) x E) in het tweede lid bedraagt ten hoogste een bedrag gelijk aan de standaardpremie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag herleid naar een maandbedrag onder aftrek van het bij de desbetreffende leefsituatie horende bedrag genoemd in artikel 23, tweede lid, van de Participatiewet.

4.

Indien de geëxecuteerde op grond van de basisregistratie personen geen woonadres in Nederland heeft, bedraagt de beslagvrije voet 47,5% van de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet. Indien de geëxecuteerde buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, wordt de beslagvrije voet vermenigvuldigd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde factor.

5.

Indien de geëxecuteerde woonkosten heeft die ten minste 10% meer bedragen dan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag opgenomen rekenhuur, wordt de beslagvrije voet op verzoek van de geëxecuteerde voor de duur dat de geëxecuteerde deze woonkosten heeft, doch ten hoogste gedurende een bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen termijn, verhoogd met het bedrag waarmee de woonkosten de eerder genoemde rekenhuur vermeerderd met 10% ophoging overstijgen. Indien de geëxecuteerde gehuwd is, wordt dit verzoek gehonoreerd, voor zover de niet onder beslag liggende inkomsten van de echtgenoot onvoldoende zijn om de hogere woonkosten te betalen.

6.

Op verzoek van de geëxecuteerde kan de op grond van het vijfde lid verhoogde beslagvrije voet voor ten hoogste zes maanden worden verlengd, indien binnen die termijn de vordering waarvoor het beslag is gelegd volledig kan worden voldaan.

7.

Indien de geëxecuteerde eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning of huurder van een door hemzelf bewoonde woning die niet voldoet aan artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag en hij een belastbaar inkomen heeft dat lager is dan € 55.682,78, indien de geëxecuteerde alleenstaand is, of € 71.089,09, indien de geëxecuteerde een meerpersoonshuishouden heeft, wordt de beslagvrije voet op verzoek van de geëxecuteerde verhoogd met een bedrag waarvan de wijze van vaststelling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Indien de geëxecuteerde gehuwd is, wordt onder belastbaar inkomen als bedoeld in de vorige zin tevens verstaan het belastbaar inkomen van de echtgenoot. In geval een huurder verzoekt om verhoging van de beslagvrije voet kan de beslaglegger van de geëxecuteerde verlangen dat een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bewijsstuk overgelegd wordt.

8.

De bedragen, genoemd in het eerste lid, zijn gelijk aan de beslagvrije voet die bij de desbetreffende leefsituatie hoort, indien de uitkomst van (I x (F / 12)) respectievelijk (I x (G / 12)) gelijk is aan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. De bedragen worden met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar gewijzigd en door of namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid medegedeeld in de Staatscourant.

9.

De bedragen, genoemd in het zevende lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari gewijzigd door (I x (F / 12)) en (I x (G / 12)) gelijk te stellen aan de maximale normhuur. Daarbij staan F, G en I voor de normen, bedoeld in het tweede lid, en wordt de maximale normhuur berekend door het bedrag van de kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, te vermeerderen met het in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van die wet bedoelde percentage van het verschil tussen het bedrag van de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrens, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met het in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van die wet bedoelde percentage van het verschil tussen het bedrag van de aftoppingsgrens en het bedrag van de rekenhuur, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van die wet. De gewijzigde bedragen worden door of namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid medegedeeld in de Staatscourant.

Artikel 475db
1.

De beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475da en 475e, tweede lid, wordt in de onderstaande volgorde verminderd met:

  • c. de over het voordeel bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 verschuldigde loonbelasting ten gevolge van het voor privédoeleinden aan de geëxecuteerde ter beschikking gestelde vervoermiddel, indien de geëxecuteerde heeft nagelaten om de inhouding bij aanvang van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het beslag is gelegd te doen eindigen.
2.

De hoogte van het op basis van het eerste lid, onderdelen a en b, in mindering te brengen bedrag wordt berekend op basis van het meest recente maandinkomen zoals dat blijkt uit de polisadministratie op het moment van beslaglegging, tenzij dit maandinkomen geen reële afspiegeling vormt van het belastbaar inkomen op het moment van beslaglegging omdat het maandinkomen fluctueert of er sprake is van een incidentele betaling. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van het in mindering te brengen bedrag wordt berekend. Artikel 475d, eerste lid, derde en vierde zin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 475dc
1.

In afwijking van de artikelen 475da en 475db bedraagt de beslagvrije voet 95% van het maandelijkse inkomen inclusief vakantiebijslag dat de geëxecuteerde op basis van zijn vorderingen tot periodieke betaling, genoemd in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, ontvangt, indien toepassing van de artikelen 475da en 475db leidt tot een beslagvrije voet die hoger is dan 95% van het maandelijkse inkomen inclusief vakantiebijslag.

2.

Indien sprake is van beslag op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitkeringen geeft de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, bij toepassing van het eerste lid aan de derde-beslagene op dat de beslagvrijevoet 95% bedraagt van de voor de geëxecuteerde geldende bijstandsnorm inclusief vakantiebijslag, verminderd met het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet.

Artikel 475fa

Indien de toepassing van de artikelen 475da tot en met 475e leidt tot een kennelijk onevenredige hardheid als gevolg van een omstandigheid waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de beslagvrije voet, kan de kantonrechter op verzoek van de geëxecuteerde de beslagvrije voet voor een door hem te bepalen termijn verhogen.

Artikel 475ga
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van een schuldenaar beslag te leggen, ten behoeve van het leggen van dit beslag gegevens die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de schuldenaar verwerkt in de polisadministratie, voor zover die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de beslagvrije voet, en de aard van de periodieke inkomsten van de schuldenaar en overige gegevens die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de administratie worden verwerkt, voor zover die vereist zijn voor het vaststellen van de identiteit van degene die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht. Indien de schuldenaar gehuwd is, verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op gelijke wijze gegevens met betrekking tot de hoogte van het belastbaar inkomen van de echtgenoot van de schuldenaar.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt een schuldenaar aangemerkt als alleenstaande, tenzij uit de basisregistratie personen blijkt dat hij gehuwd is en zijn echtgenoot woonachtig is op zijn adres. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afwijken van de vorige zin, indien de deurwaarder op basis van andere gegevens een andere leefsituatie kan aantonen.

3.

Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, nader bepaald.

Artikel 475gb

De deurwaarder is bevoegd het burgerservicenummer van de schuldenaar en zijn echtgenoot te gebruiken voor zover dit noodzakelijk is voor:

  • a. het identificeren van de schuldenaar bij het leggen van beslag onder personen of instanties, bedoeld in de artikelen 475g en 475ga, die zelf gerechtigd zijn tot het gebruik van het burgerservicenummer;
  • b. het verkrijgen van de in de artikelen 475g en 475ga bedoelde gegevens bij de in deze artikelen genoemde personen en instanties, die zelf gerechtigd zijn tot het gebruik van het burgerservicenummer;
  • c. het geven van kennisgevingen die strekken tot uitvoering van zijn wettelijke taken in het kader van het beslag.

Tweede afdeling c. Van executoriaal beslag op de rechten uit een sommenverzekering

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Beslag ten laste van de verzekeringnemer op diens rechten uit een levensverzekering

afdeling Vierde. Van executie tot afgifte van roerende zaken, die geen registergoederen zijn

titel Derde. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

afdeling Vierde. Van executie door een hypotheekhouder

afdeling Zesde. Van gedwongen ontruiming

afdeling Eerste. Lijfsdwang

afdeling Tweede. Tenuitvoerlegging en ontslag

Boek Derde. Van regtspleging van onderscheiden aard

titel Eerste. Van rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer

titel Vierde. Van middelen tot bewaring van zijn recht

afdeling Derde. Van conservatoir beslag op aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn

Vijfde afdeling A. Van conservatoir beslag op de rechten uit een sommenverzekering

afdeling Zesde. Van conservatoir beslag op onroerende zaken

afdeling Achtste. Van conservatoir beslag tegen schuldenaren zonder bekende woonplaats in Nederland

Afdeling Negende. Van middelen tot bewaring van zijn recht op goederen der gemeenschap

titel Vijfde. Rekenprocedure

Titel Zesde. Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht

afdeling Tweede. Rechtspleging in scheidingszaken

§ 1. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

§ 2. Voorlopige voorzieningen

§ 3. Nevenvoorzieningen

§ 4. Ontbinding van een geregistreerd partnerschap

titel Zevende. Enige bijzondere rechtsplegingen

afdeling Eerste. Afschrift, uittreksel en inzage van akten en andere bewijsmiddelen

Afdeling 1A. Toegang tot bescheiden in zaken betreffende schending van mededingingsrecht

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)