Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet
8.2. Alle reparaties en onderhoud aan hulpverleningsboten in opgeblazen toestand moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant. Noodreparaties mogen aan boord van het schip worden uitgevoerd; permanente reparaties en periodiek onderhoud moeten worden uitgevoerd in een erkend keuringsstation als bedoeld in lid 8.1.2.
Periodieke keuring van automatische hydrostatische ontkoppelingsmechanismen
Automatische hydrostatische ontkoppelingsmechanismen moeten periodiek worden gekeurd:
Afdeling II. Aanvullende voorschriften voor passagiersschepen
Artikel 20. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten
Groepsreddingmiddelen
1.1. Passagiersschepen die internationale reizen maken geen korte internationale reizen zijnde, moeten aan boord hebben:
1.2. Passagiersschepen die korte internationale reizen maken en voldoen aan de bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling, omschreven in artikel 6, lid 5, van bijlage II, moeten aan boord hebben:
1.3. Passagiersschepen die korte internationale reizen maken en niet voldoen aan de bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling, omschreven in artikel 6, lid 5, van bijlage II, moeten groepsreddingmiddelen aan boord hebben als bepaald in lid 1.1.
1.4. Alle groepsreddingmiddelen die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, moeten met hun volle bezetting en volledige uitrusting te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 30 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
1.5. Passagiersschepen van minder dan 500 ton en bestemd voor het vervoer van minder dan 200 opvarenden, mogen, in plaats van te voldoen aan het bepaalde in lid 1.1, 1.2 of 1.3, volstaan met het volgende:
1.6.1 Bij de plaatsing van de groepsreddingmiddelen aan boord van passagiersschepen wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 13, onderdeel 1.2, vluchtwegen als bedoeld in artikel 28 van bijlage IV, de afmetingen van het schip, en de weercondities die kunnen worden ondervonden gedurende de voorgenomen reizen.
1.6.2 Van reddingmiddelen die worden bediend door een tewaterlatingsmiddel mag de afstand van de kop van de kraan of davit tot aan het wateroppervlak bij de geringste diepgang van het schip, voorzover praktisch uitvoerbaar is, niet meer bedragen dan 15 meter. Indien hieraan niet wordt voldaan, worden de reddingvlotten bediend door evacuatie-glijbanen.
Hulpverleningsboten
2.1. Passagiersschepen van 500 ton of meer moeten aan iedere zijde ten minste één hulpverleningsboot hebben, die voldoet aan het bepaalde in artikel 47.
2.2. Passagiersschepen van minder dan 500 ton moeten ten minste een hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan het bepaalde in artikel 47.
2.3. Een reddingboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot, mits tevens wordt voldaan aan de voorschriften voor een hulpverleningsboot.
Bij elkaar brengen van reddingvlotten
3.1. Aan boord van passagiersschepen moet een voldoende aantal reddingboten en hulpverleningsboten zijn geplaatst, om bij het ontschepen van het totale aantal opvarenden ervan verzekerd te zijn dat iedere reddingboot of hulpverleningsboot niet meer dan zes reddingvlotten bij elkaar behoeft te brengen.
3.2. Aan boord van passagiersschepen die korte internationale reizen maken en die voldoen aan de bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling, omschreven in artikel 6, lid 5, van bijlage II, moet een voldoende aantal reddingboten en hulpverleningsboten zijn geplaatst, om bij het ontschepen van het totale aantal opvarenden ervan verzekerd te zijn dat iedere reddingboot of hulpverleningsboot niet meer dan negen reddingvlotten bij elkaar behoeft te brengen.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 58 van deze bijlage.
Artikel 21. Persoonlijke reddingmiddelen
Reddingboeien
1.1. Een passagiersschip moet ten minste het aantal reddingboeien, die voldoen aan het bepaalde in artikel 7, lid 1, aan boord hebben, voorgeschreven in de onderstaande tabel:
1.2. In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1.3, moeten passagiersschepen met een lengte van minder dan 60 m ten minste 6 reddingboeien voorzien van zelfontbrandend licht aan boord hebben.
Reddinggordels
Naast de reddinggordels voorgeschreven in artikel 7, lid 2, moet ieder passagiersschip extra reddinggordels aan boord hebben voor ten minste 5 percent van het totale aantal opvarenden. Deze reddinggordels moeten op opvallende plaatsen aan dek of bij de verzamelplaatsen zijn geborgen.
Lichten op reddinggordels
3.1. Dit lid is van toepassing op alle passagiersschepen, met dien verstande dat passagiersschepen gebouwd voor 1 juli 1986 uiterlijk met ingang van 1 juli 1991 moeten voldoen aan het bepaalde in dit lid.
3.2. Aan boord van passagiersschepen die internationale reizen maken geen korte internationale reizen zijnde, moet iedere reddinggordel zijn voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 32, lid 3.
Overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies
4.1. Dit lid is van toepassing op alle passagiersschepen, met dien verstande dat passagiersschepen gebouwd voor 1 juli 1986 uiterlijk met ingang van 1 juli 1991 moeten voldoen aan het bepaalde in dit lid.
4.2. Passagiersschepen moeten voor iedere reddingboot aan boord ten minste 3 overlevingspakken hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 33, en daarnaast voor elke persoon waarvoor in de reddingboot ruimte is berekend en waarvoor geen overlevingspak aanwezig is, een hulpmiddel tegen warmteverlies dat voldoet aan het bepaalde in artikel 34. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord aanwezig te zijn voor personen waarvoor ruimte is in geheel of gedeeltelijk overdekte reddingboten.
4.3. Het bepaalde in de laatste volzin van lid 4.2 is eveneens van toepassing indien er sprake is van geheel of gedeeltelijk overdekte reddingboten, die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 42, 43 of 44, en die zijn geplaatst aan boord van passagiersschepen gebouwd voor 1 juli 1986.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 56 van deze bijlage.
Artikel 22. Voorzieningen voor inscheping in groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten
Aan boord van passagiersschepen moeten de voorzieningen ten behoeve van het inschepen in groepsreddingmiddelen zo zijn ontworpen dat:
De voorzieningen betreffende de hulpverleningsboot moeten zodanig zijn dat de hulpverleningsboot rechtstreeks vanaf de opstellingsplaats kan worden bemand en te water gelaten met het daartoe aangewezen aantal bemanningsleden aan boord. Indien de hulpverleningsboot tevens reddingboot is, en de andere reddingboten vanaf het inschepingsdek ingescheept en te water gelaten kunnen worden, moeten de voorzieningen betreffende de hulpverleningsboot zodanig zijn dat deze boot ook ingescheept en te water gelaten kan worden vanaf het inschepingsdek.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 23. Plaatsing van de reddingvlotten
Aan boord van passagiersschepen moet elk reddingvlot geplaatst zijn met de vanglijn permanent aan het schip bevestigd en met een voorziening voor vrij opdrijven die voldoet aan het bepaalde in artikel 38, lid 6, en wel zodanig dat wanneer het schip zinkt, het reddingvlot vrij opdrijft en, indien het een opblaasbaar reddingvlot betreft, automatisch opblaast.
Artikel 24. Verzamelplaatsen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 11, moet ieder passagiersschip verzamelplaatsen voor de passagiers hebben die:
Artikel 25. Oefeningen
Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle passagiersschepen.
Op passagiersschepen moeten ten minste eenmaal per week een oefening "schip verlaten" en een oefening in het blussen van brand worden gehouden.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Afdeling III. Aanvullende voorschriften voor vrachtschepen
Artikel 26. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten
Groepsreddingmiddelen
1.1. Vrachtschepen moeten aan boord hebben:
1.2. Vrachtschepen mogen, in plaats van te voldoen aan het bepaalde in lid 1.1, aan boord hebben:
1.3. Vrachtschepen geen olietankschepen, chemicaliëntankers of gastankers zijnde, met een lengte van minder dan 85 m mogen, in plaats van te voldoen aan het bepaalde in lid 1.1 of 1.2, volstaan met het volgende:
1.4. Aan boord van vrachtschepen waar de groepsreddingmiddelen meer dan 100 m van de voor- of achtersteven zijn geplaatst, moet naast de reddingvlotten, voorgeschreven in lid 1.1.2 of 1.2.2, een reddingvlot zover mogelijk naar voren of naar achteren worden geplaatst of in geval van 2 reddingvlotten, een zover mogelijk naar voren en de ander zover mogelijk naar achteren, als redelijk en uitvoerbaar is. In afwijking van het bepaalde in artikel 29, behoeven deze reddingvlotten geen voorziening voor vrij opdrijven te hebben; zij moeten wel met de hand van hun sjorringen ontdaan kunnen worden en behoeven niet van het strijkbare type te zijn.
1.5. Met uitzondering van de groepsreddingmiddelen, bedoeld in artikel 15, lid 1.1, moeten alle groepsreddingmiddelen die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, met hun volle bezetting en volledige uitrusting te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 10 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
1.6. Chemicaliëntankers en gastankers, die ladingen vervoeren die giftige dampen of gassen afgeven, moeten in plaats van reddingboten die voldoen aan het bepaalde in artikel 44, reddingboten hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 45.
1.7. Olietankschepen, chemicaliëntankers en gastankers, die ladingen vervoeren met een vlampunt van niet meer dan 60° C, moeten in plaats van reddingboten die voldoen aan het bepaalde in artikel 44, reddingboten hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 46.
1.8. Schepen die zijn ingericht en uitgerust voor het verblijf aan boord gedurende een periode van ten minste 6 uur van duikers onder overdruk, moeten naast de groepsreddingmiddelen voorgeschreven in de overige bepalingen van dit lid, een of meer reddingboten aan boord hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 44 en die tevens zodanig zijn ingericht en uitgerust dat daarin duikers onder overdruk kunnen worden opgenomen in geval van "schip verlaten". Deze reddingboten moeten voldoende ruimte bieden aan het totale aantal duikers dat aan boord onder overdruk kan verblijven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de inrichting en uitrusting van bedoelde reddingboten.
Hulpverleningsboten
Vrachtschepen moeten ten minste een hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan het bepaalde in artikel 47. Een reddingboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot, mits tevens wordt voldaan aan de voorschriften voor een hulpverleningsboot.
Vrachtschepen gebouwd vóór 1 juli 1986 moeten uiterlijk met ingang van 1 juli 1991 naast hun reddingboten aan boord hebben:
Met betrekking tot kleine vaartuigen, geen tanker zijnde, geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 59 van deze bijlage.
Artikel 27. Persoonlijke reddingmiddelen
Reddingboeien
1.1. Vrachtschepen moeten ten minste het aantal reddingboeien, die voldoen aan het bepaalde in artikel 7, lid 1, aan boord hebben, voorgeschreven in de onderstaande tabel:
1.2. Op tankschepen moeten de zelfontbrandende lichten, voorgeschreven in artikel 7, lid 1.3, van een type met een elektrisch element zijn.
1.3. Op vrachtschepen van minder dan 500 ton is het bepaalde in artikel 7, lid 1.3, met betrekking tot zelfwerkende rooksignalen niet van toepassing.
Lichten op reddinggordels
2.1. Dit lid is van toepassing op alle vrachtschepen, met dien verstande dat vrachtschepen gebouwd voor 1 juli 1986 uiterlijk met ingang van 1 juli 1991 moeten voldoen aan het bepaalde in dit lid.
2.2. Aan boord van vrachtschepen moet iedere reddinggordel zijn voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 32, lid 3.
Overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies
3.1. Dit lid is van toepassing op alle vrachtschepen, met dien verstande dat vrachtschepen gebouwd voor 1 juli 1986 uiterlijk met ingang van 1 juli 1991 moeten voldoen aan het bepaalde in dit lid.
3.2. Vrachtschepen moeten voor iedere reddingboot aan boord ten minste 3 overlevingspakken hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 33, of, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dat noodzakelijk en uitvoerbaar vindt, een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33 voor iedere opvarende; het schip moet echter naast de hulpmiddelen tegen warmteverlies, voorgeschreven in de artikelen 38, lid 5.1.24, 41, lid 8.31 en 47, lid 2.2.13, hulpmiddelen tegen warmteverlies die voldoen aan het bepaalde in artikel 34, aan boord hebben voor de opvarenden die niet zijn voorzien van overlevingspakken. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord te zijn indien het schip:
3.3. Vrachtschepen die voldoen aan het bepaalde in artikel 26, lid 1.3, moeten overlevingspakken die voldoen aan het bepaalde in artikel 33, aan boord hebben voor alle opvarenden, tenzij het schip:
3.4. De overlevingspakken, voorgeschreven in dit artikel, kunnen worden gebruikt om te voldoen aan het bepaalde in artikel 7, lid 3.1.
3.5. Het bepaalde in lid 3.2.1 of 3.2.2 is eveneens van toepassing indien er sprake is van geheel overdekte reddingboten, die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 44 en die zijn geplaatst aan boord van vrachtschepen gebouwd voor 1 juli 1986.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 56 van deze bijlage.
Artikel 28. Voorzieningen voor inscheping in en tewaterlating van groepsreddingmiddelen
Aan boord van vrachtschepen moeten de voorzieningen ten behoeve van het inschepen in groepsreddingmiddelen zo zijn ontworpen dat de reddingboten ingescheept en te water gelaten kunnen worden vanaf de opstellingsplaats en dat de reddingvlotten van het strijkbare type ingescheept en te water gelaten kunnen worden vanaf een plaats direct nabij de opstellingsplaats, of vanaf een plaats waarheen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13, lid 5, het reddingvlot wordt overgebracht voorafgaand aan het te water laten.
Aan boord van vrachtschepen van 20 000 ton of meer moeten de reddingboten te water gelaten kunnen worden, waar nodig met gebruikmaking van een vanglijn, terwijl het schip met een snelheid tot 5 zeemijl per uur in kalm water vooruit vaart.
Artikel 29. Plaatsing van de reddingvlotten
Aan boord van vrachtschepen moeten alle reddingvlotten, met uitzondering van de reddingvlotten voorgeschreven in artikel 26, lid 1.4, geplaatst zijn met de vanglijn permanent aan het schip bevestigd en met een voorziening voor vrij opdrijven die voldoet aan het bepaalde in artikel 38, lid 6, en wel zodanig dat wanneer het schip zinkt, het reddingvlot vrij opdrijft en, indien het een opblaasbaar reddingvlot betreft, automatisch opblaast.
Hoofdstuk C. Bepalingen ten aanzien van reddingmiddelen en -voorzieningen
Afdeling I. Algemeen
Artikel 30. Algemene eisen voor reddingmiddelen en -voorzieningen
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald of tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met de bijzondere reizen die het schip voortdurend maakt, andere voorschriften passend zijn, moeten alle in dit hoofdstuk beschreven reddingmiddelen aan de volgende eisen voldoen:
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt het tijdvak vast gedurende hetwelk reddingmiddelen waarvan de kwaliteit in belangrijke mate vermindert naarmate zij ouder worden, voor gebruik aan boord mogen worden gehandhaafd. Deze reddingmiddelen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding van de datum van fabricage. Hiertoe kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels stellen.
Afdeling II. Persoonlijke reddingmiddelen
Artikel 31. Reddingboeien
Reddingboeien
Een reddingboei moet aan de volgende eisen voldoen:
Zelfontbrandende lichten voor reddingboeien
Een zelfontbrandend licht als voorgeschreven in artikel 7, lid 1.3, moet voldoen aan de volgende eisen:
Zelfwerkende rooksignalen voor reddingboeien
Een zelfwerkend rooksignaal als voorgeschreven in artikel 7, lid 1.3, moet voldoen aan de volgende eisen:
Drijvende lijnen voor reddingboeien
Een drijvende lijn als voorgeschreven in artikel 7, lid 1.2, moet voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 32. Reddinggordels
Algemene eisen voor reddinggordels
1.1. Een reddinggordel mag niet blijven branden of doorgaan met smelten indien hij niet langer dan 2 seconden volledig in vuur gehuld is geweest.
1.2. Een reddinggordel moet zo zijn vervaardigd dat:
1.3. Een reddinggordel moet voldoende drijfvermogen en stabiliteit in kalm, zoet water hebben om:
1.4. Een reddinggordel moet een drijfvermogen hebben dat niet meer dan 5 percent afneemt na onderdompeling in zoet water gedurende 24 uur.
1.5. Een reddinggordel moet de drager in staat stellen een korte afstand ermee te zwemmen en in een groepsreddingmiddel te klimmen.
1.6. Een reddinggordel moet zijn voorzien van een signaalfluit, stevig met een koord eraan bevestigd.
1.7. Een reddinggordel bestemd voor een kind tot een leeftijd van 12 jaar, moet zoveel mogelijk voldoen aan het bepaalde in lid 1 en moet aan de binnen- en buitenzijde of alleen aan de buitenzijde indien de reddinggordel uitsluitend op één manier kan worden gedragen, voorzien zijn van een ongeveer 15 cm brede, horizontale, opvallende band, waarop in duidelijke letters het woord "KIND" of "CHILD" is aangebracht.
Opblaasbare reddinggordels
Een reddinggordel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van opblazen, moet niet minder dan twee gescheiden compartimenten hebben en moet, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, tevens voldoen aan de volgende eisen:
Lichten voor reddinggordels
3.1. Een licht voor een reddinggordel moet voldoen aan de volgende eisen:
3.2. Indien het licht als genoemd in lid 3.1 een flikkerlicht is, moet het bovendien voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 33. Overlevingspakken
Algemene eisen voor overlevingspakken
1.1. Het overlevingspak moet uit waterdicht materiaal zijn vervaardigd en wel zodanig dat:
1.2. Een overlevingspak moet de drager in staat stellen om:
1.3. Een overlevingspak moet zijn voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 32, lid 3, waarbij het bepaalde in artikel 21, lid 3, en in artikel 27, lid 2, van overeenkomstige toepassing is, en een fluit als voorgeschreven in artikel 32, lid 1.6.
Thermische eisen voor overlevingspakken
2.1. Een overlevingspak moet vervaardigd zijn uit materiaal dat zelf isolerend is, en moet de drager een zodanige thermische isolatie bieden dat de lichaamstemperatuur van de drager niet meer dan 2° C daalt na een sprong vanaf een hoogte van 4,5 m in het water en een daarop aansluitend verblijf van 6 uur in rustig stromend water met een temperatuur tussen 0° C en 2° C.
2.2. Het overlevingspak moet de drager in staat stellen met de handen bedekt, een potlood op te pakken en te schrijven na een verblijf van 1 uur in water van 5° C.
Eisen voor het drijfvermogen van overlevingspakken
3.1. Een overlevingspak moet voldoende inherent drijfvermogen en stabiliteit in kalm, zoet water hebben om:
Artikel 34. Hulpmiddelen tegen warmteverlies
Een hulpmiddel tegen warmteverlies moet gemaakt zijn van waterdicht materiaal dat een thermische geleiding van niet meer dan 0,25 W/mK heeft, en moet zo zijn vervaardigd dat het, wanneer het wordt gebruikt om een persoon te omhullen, het verlies aan lichaamswarmte, zowel door convectie als door verdamping, vermindert.
Een hulpmiddel tegen warmteverlies moet voldoen aan de volgende eisen:
Een hulpmiddel tegen warmteverlies moet goed functioneren bij temperaturen van minus 30° C tot plus 20° C.
Afdeling III. Zichtbare signalen
Artikel 35. Valschermsignalen
Een valschermsignaal moet voldoen aan de volgende eisen:
Een valschermsignaal moet, wanneer het loodrecht omhoog wordt afgeschoten, een hoogte bereiken van ten minste 300 m. Op of nabij het hoogtepunt van de baan moet de raket een valschermsignaal afgeven dat:
Artikel 36. Handstakellichten
Een handstakellicht moet voldoen aan de volgende eisen:
Een handstakellicht moet:
Artikel 37. Drijvende rooksignalen
Een drijvend rooksignaal moet voldoen aan de volgende eisen:
Een drijvend rooksignaal moet:
Afdeling IV. Groepsreddingmiddelen
Artikel 38. Algemene eisen voor reddingvlotten
Constructie van reddingvlotten
1.1. Een reddingvlot moet zo zijn vervaardigd dat het drijvende, gedurende 30 dagen bestand is tegen blootstelling aan invloeden van weer en zee in alle toestanden van zeegang.
1.2. Een reddingvlot moet zo zijn vervaardigd dat, indien het van een hoogte van 18 m in het water wordt geworpen, het vlot en de uitrusting naar behoren blijven werken. Wanneer het reddingvlot op een hoogte van meer dan 18 m boven de waterlijn bij de geringste diepgang van het schip in zeewater wordt geplaatst, moet het van een type zijn dat een valproef van ten minste die hoogte met goed gevolg heeft ondergaan.
1.3. Het drijvende reddingvlot moet bestand zijn tegen herhaalde sprongen daarop, vanaf een hoogte van ten minste 4,5 m boven de vloer van het vlot, zowel met als zonder opstaande overkapping.
1.4. Een reddingvlot met toebehoren moet zo zijn vervaardigd dat het met zijn volle bezetting en volledige uitrusting, en met een van de drijfankers uitgebracht, in kalm water met een vaart van 3 zeemijl per uur kan worden gesleept.
1.5. Het reddingvlot moet een overkapping hebben, die automatisch wordt opgezet wanneer het vlot te water wordt gelaten, ten einde de inzittenden te beschermen tegen weersinvloeden. De overkapping moet aan de volgende eisen voldoen:
Minimum draagvermogen en massa van reddingvlotten
2.1. Een reddingvlot bestemd voor minder dan zes personen, is niet toegestaan.
2.2. Tenzij een reddingvlot te water gelaten wordt door een goedgekeurd tewaterlatingsmiddel dat voldoet aan het bepaalde in artikel 47, en zulk een reddingvlot bovendien niet draagbaar behoeft te zijn, mag de totale massa van een reddingvlot, de verpakking en de uitrusting niet meer dan 185 kg bedragen.
Voorzieningen voor reddingvlotten
3.1. Langs de binnen- en buitenzijde van het reddingvlot moeten stevig vastgezette grijplijnen zijn aangebracht.
3.2. Het reddingvlot moet zijn uitgerust met een doelmatige vanglijn met een lengte van niet minder dan 15 m of van tweemaal de afstand vanaf de opstellingsplaats tot de waterlijn bij geringste diepgang van het schip in zeewater, welke van beide het grootste is.
Reddingvlotten van het strijkbare type
4.1. In aanvulling op de bovenstaande bepalingen moet een reddingvlot van het strijkbare type aan de volgende eisen voldoen:
4.2. Ieder reddingvlot van het strijkbare type, geplaatst aan boord van een passagiersschip, moet zo zijn ingericht dat snel in het vlot kan worden ingescheept door het volledige aantal personen waarvoor het is bestemd.
4.3. Ieder reddingvlot van het strijkbare type, geplaatst aan boord van een vrachtschip, moet zo zijn ingericht dat het volledige aantal personen waarvoor het vlot is bestemd, zich kan inschepen in niet meer dan 3 minuten vanaf het moment dat het bevel tot inscheping wordt gegeven.
Uitrusting
5.1. De standaarduitrusting van ieder reddingvlot moet bestaan uit:
5.2. De aanduiding betreffende het bij het reddingvlot verpakte type noodpakket, voorgeschreven in de artikelen 39, lid 7.3.5, en 40, lid 7.7, op reddingvlotten die overeenkomstig lid 5.1 zijn uitgerust, moet zijn: "SOLAS-A-PACK" in blokletters.
5.3. Wanneer een passagiersschip korte internationale reizen maakt, waarvan de aard en duur zodanig zijn dat naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet alle uitrustingsartikelen genoemd in lid 5.1 noodzakelijk zijn, kan genoemd Hoofd toestaan dat de reddingvlotten die op deze schepen staan opgesteld voorzien zijn van de uitrusting als aangegeven in de leden 5.1.1 tot en met 5.1.6, 5.1.8, 5.1.9, 5.1.13 tot en met 5.1.16, 5.1.21 tot en met 5.1.24, en de helft van de uitrusting als aangeduid in de leden 5.1.10 tot en met 5.1.12. De aanduiding betreffende het bij het reddingvlot verpakte type noodpakket, voorgeschreven in de artikelen 39, lid 7.3.5 en 40 , lid 7.7, op die reddingvlotten moet zijn: «SOLAS-B- PACK» in blokletters.
5.4. De daartoe geschikte onderdelen van de uitrusting moeten worden geborgen in een verpakking die, wanneer deze geen volledig onderdeel is van of blijvend bevestigd is aan het reddingvlot, moet worden geborgen en vastgezet binnen het reddingvlot, en die ten minste 30 minuten in het water moet kunnen drijven zonder dat de inhoud wordt beschadigd.
6.Voorzieningen voor het vrij opdrijven van reddingvlotten
6.1. Vanglijnsysteem
Het vanglijnsysteem van een reddingvlot moet een verbinding tussen het schip en het reddingvlot vormen, en moet zo zijn ingericht dat het reddingvlot, wanneer het ontkoppeld is en, in het geval van een opblaasbaar reddingvlot, wanneer het opgeblazen is, niet door het zinkende schip ondergetrokken kan worden.
6.2. Breekdraad
Indien in de voorziening voor vrij opdrijven een breekdraad wordt toegepast, moet deze aan de volgende eisen voldoen:
6.3. Hydrostatisch ontkoppelingssysteem
Indien in de voorziening voor vrij opdrijven een hydrostatisch ontkoppelingssysteem wordt toegepast, moet dit aan de volgende eisen voldoen:
Artikel 39. Automatisch opblaasbare reddingvlotten
Naast het bepaalde in artikel 38, moeten automatisch opblaasbare reddingvlotten tevens voldoen aan het bepaalde in dit artikel.
Constructie van automatisch opblaasbare reddingvlotten
2.1. De hoofddrijfkamer moet in ten minste twee afzonderlijke compartimenten zijn verdeeld, die ieder via een terugslagklep worden opgeblazen.
De drijfkamers moeten zo zijn ontworpen dat, wanneer een van de compartimenten is beschadigd of zich niet opblaast, de overige compartimenten die nog intact zijn, het reddingvlot drijvend kunnen houden met positief vrijboord rondom en met het aantal personen waarvoor het reddingvlot is bestemd, ieder met een massa van 75 kg en zittend op de normale plaats.
2.2. De vloer van een reddingvlot moet waterdicht zijn en moet voldoende bescherming kunnen bieden tegen koude, hetzij:
2.3. Het reddingvlot moet worden opgeblazen met een niet-giftig gas. Het opblazen moet bij een omgevingstemperatuur tussen 18° C en 20° C binnen 1 minuut en bij een omgevingstemperatuur van minus 30° C binnen 3 minuten zijn voltooid. Na het opblazen moet het reddingvlot zijn vorm behouden, ook wanneer het beladen is met de volle bezetting en volledige uitrusting.
2.4. Ieder opblaasbaar compartiment moet een druk van ten minste driemaal de werkdruk kunnen doorstaan; door middel van een overdrukventiel of door beperkte gastoevoer moet worden voorkomen dat een druk groter dan tweemaal de werkdruk, wordt bereikt. Er moeten voorzieningen zijn om de luchtpomp of blaasbalg, voorgeschreven in lid 10.1.2, zodanig aan te sluiten dat de werkdruk gehandhaafd kan worden.
Draagvermogen van automatisch opblaasbare reddingvlotten
Het aantal personen waarvoor een reddingvlot wordt goedgekeurd, is gelijk aan het kleinste van de volgende getallen:
3.1. het grootste gehele getal verkregen door de inhoud van de opgeblazen hoofddrijfkamers, waarbij noch de bogen noch de doften, indien aangebracht, mogen worden meegerekend, uitgedrukt in kubieke meters, te delen door 0,096;
3.2. het grootste gehele getal verkregen door de oppervlakte van de vloer van het opgeblazen reddingvlot, gemeten tot de binnenste rand van de drijfkamer, waarbij de doft of doften, indien aangebracht, wel mogen worden meegerekend, uitgedrukt in vierkante meters, te delen door 0,372; of
3.3. het aantal personen met een gemiddelde massa van 75 kg per persoon, allen met een reddinggordel aan, dat gemakkelijk en met voldoende hoofdruimte, zittend plaats kan nemen, zonder het gebruik van enig uitrustingsstuk van het reddingvlot te belemmeren.
Toegang tot automatisch opblaasbare reddingvlotten
4.1. Ten minste één ingang moet zijn voorzien van een in vorm blijvende inklimsteun om personen in staat te stellen vanuit zee in het reddingvlot te klimmen; deze inklimsteun moet zo zijn aangebracht dat bij beschadiging van de steun aanzienlijk leeglopen van het reddingvlot wordt voorkomen. Bij reddingvlotten van het strijkbare type met meer dan een ingang moet de inklimsteun zijn aangebracht bij de ingang tegenover de aanhaaltalies en inschepingsvoorzieningen.
4.2. Ingangen die niet zijn voorzien van een inklimsteun, moeten een inschepingsladder hebben, waarvan de onderste trede ten minste 0,4 m beneden de waterlijn van het lege reddingvlot moet kunnen reiken.
4.3. Aan de binnenzijde van het reddingvlot moeten middelen zijn aangebracht waarmee personen zichzelf vanaf de inschepingsladder in het reddingvlot kunnen trekken.
Stabiliteit van automatisch opblaasbare reddingvlotten
5.1. Een opblaasbaar reddingvlot moet zo zijn geconstrueerd, dat het in opgeblazen toestand en drijvend met opgezette overkapping, in zeegang voldoende stabiliteit bezit.
5.2. De stabiliteit van een reddingvlot in omgekeerde toestand moet zodanig zijn dat het door één persoon zowel in zeegang als in kalme zee gekeerd kan worden.
5.3. De stabiliteit van een reddingvlot beladen met de volle bezetting en volledige uitrusting, moet zodanig zijn dat het in kalme zee gesleept kan worden met een snelheid van 3 zeemijl per uur.
Voorzieningen voor automatisch opblaasbare reddingvlotten
6.1. De breeksterkte van het vanglijnsysteem, de wijze van bevestiging aan het reddingvlot inbegrepen, maar met uitzondering van de breekdraad voorgeschreven in artikel 38, lid 6, moet ten minste 10,0 kN zijn voor een reddingvlot dat is goedgekeurd voor negen of meer personen en ten minste 7,5 kN voor een reddingvlot dat is goedgekeurd voor minder dan 9 personen. Het opblaasmechanisme van een reddingvlot moet door één persoon bediend kunnen worden.
6.2. Op het hoogste punt van de overkapping van het reddingvlot moet een met de hand in- en uitschakelbare lamp zijn aangebracht, die bij donkere nacht en heldere atmosfeer over een afstand van ten minste 2 zeemijl gedurende ten minste 12 uur zichtbaar is. Indien die lamp een flikkerlicht geeft, moet de frequentie ten minste 50 flikkeringen per minuut bedragen gedurende de eerste 2 van de 12 gebruiksuren. De lamp moet worden gevoed door een door zeewater geactiveerde batterij of door een droge batterij, en moet automatisch gaan branden wanneer het reddingvlot wordt opgeblazen. De batterij moet van een type zijn dat niet door vocht of vochtigheid in het ingepakte reddingvlot wordt aangetast.
6.3. Aan de binnenzijde van het reddingvlot moet een met de hand in- en uitschakelbare lamp zijn aangebracht, die ten minste 12 uur onafgebroken kan branden. De lamp moet automatisch gaan branden wanneer het reddingvlot wordt opgeblazen, en moet voldoende licht geven om daarbij aanwijzingen en instructies te kunnen lezen.
Containers van automatisch opblaasbare reddingvlotten
7.1. Het reddingvlot moet zijn verpakt in een container die voldoet aan de volgende eisen:
7.2. Het reddingvlot moet zodanig in de container worden verpakt dat, voor zover mogelijk, verzekerd is dat het reddingvlot in het water recht overeind wordt opgeblazen, zodra het vrijkomt van de container.
7.3. Op de container moet zijn aangegeven:
Merken op automatisch opblaasbare reddingvlotten
Op het reddingvlot moet zijn aangegeven:
9.Automatisch opblaasbare reddingvlotten van het strijkbare type
9.1. Naast het bepaalde in de leden 1 tot en met 8 moet een reddingvlot van het strijkbare type, wanneer het aan de ontkoppelingshaak of spruit hangt, tevens voldoen aan de volgende eisen:
9.2. Containers van vlotten van het strijkbare type moeten zo zijn geborgd, dat voorkomen wordt dat de container of delen daarvan in zee vallen tijdens en na het opblazen en te water laten van het reddingvlot.
Uitrusting van automatisch opblaasbare reddingvlotten
10.1. In aanvulling op de uitrusting, voorgeschreven in artikel 38, lid 5, moet een automatisch opblaasbaar reddingvlot tevens zijn voorzien van:
10.2. De messen voorgeschreven in artikel 38, lid 5.1.2, moeten veiligheidsmessen zijn.
Artikel 40. Vaste reddingvlotten
Naast het bepaalde in artikel 38, moeten vaste reddingvlotten tevens voldoen aan het bepaalde in dit artikel.
Constructie van vaste reddingvlotten
2.1. Het drijfvermogen van het reddingvlot moet worden geleverd door goedgekeurd zelfdrijvend materiaal dat zo dicht mogelijk bij de zijden van het reddingvlot is aangebracht. Het drijvend materiaal moet brandvertragend zijn of beschermd zijn door een brandvertragende laag.
2.2. De bodem van het reddingvlot moet het binnendringen van water voorkomen, de inzittenden doeltreffend uit het water houden en hen tegen de koude beschermen.
Draagvermogen van vaste reddingvlotten
Het aantal personen waarvoor een reddingvlot wordt goedgekeurd is gelijk aan het kleinste van de volgende getallen:
4.Toegang tot vaste reddingvlotten
4.1. Ten minste één ingang moet zijn voorzien van een vaste inklimsteun om personen in staat te stellen vanuit zee in het reddingvlot te klimmen. Bij reddingvlotten van het strijkbare type met meer dan één ingang, moet de inklimsteun zijn aangebracht bij de ingang tegenover de aanhaaltalies en inschepingsvoorzieningen.
4.2. Ingangen die niet zijn voorzien van een inklimsteun, moeten een inschepingsladder hebben, waarvan de onderste trede ten minste 0,4 m beneden de waterlijn van het lege reddingvlot moet kunnen reiken.
4.3. Aan de binnenzijde van het reddingvlot moeten middelen zijn aangebracht waarmede personen zichzelf vanaf de inschepingsladder in het reddingvlot kunnen trekken.
Stabiliteit van vaste reddingvlotten
5.1. Tenzij het reddingvlot veilig kan worden gebruikt ongeacht welke zijde boven drijft, moeten de sterkte en stabiliteit zodanig zijn dat het zelfrichtend is of gemakkelijk door één persoon zowel bij zeegang als in kalme zee gekeerd kan worden.
5.2. De stabiliteit van een reddingvlot beladen met volle bezetting en volledige uitrusting moet zodanig zijn dat het in kalme zee gesleept kan worden met een snelheid van 3 zeemijl per uur.
Voorzieningen voor vaste reddingvlotten
6.1. Het reddingvlot moet zijn uitgerust met een doelmatige vanglijn. De breeksterkte van het vanglijnsysteem, de wijze van bevestiging aan het reddingvlot inbegrepen, maar met uitzondering van de breekdraad voorgeschreven in artikel 38, lid 6, moet ten minste 10,0 kN zijn voor een reddingvlot dat is goedgekeurd voor negen of meer personen en ten minste 7,5 kN voor een reddingvlot dat is goedgekeurd voor minder dan 9 personen.
6.2. Op het hoogste punt van de overkapping van het reddingvlot moet een met de hand in- en uitschakelbare lamp zijn aangebracht, die bij donkere nacht en heldere atmosfeer over een afstand van ten minste 2 zeemijl gedurende ten minste 12 uur zichtbaar is. Indien die lamp een flikkerlicht geeft, moet de frequentie ten minste 50 flikkeringen per minuut bedragen gedurende de eerste 2 van de 12 gebruiksuren. De lamp moet worden gevoed door een door zeewater geactiveerde batterij of door een droge batterij, en moet automatisch gaan branden wanneer de overkapping wordt opgezet. De batterij moet van een type zijn dat niet door vocht of vochtigheid in het ingepakte reddingvlot wordt aangetast.
6.3. Aan de binnenzijde van het reddingvlot moet een met de hand in- en uitschakelbare lamp zijn aangebracht, die ten minste 12 uur onafgebroken kan branden. De lamp moet automatisch gaan branden wanneer de overkapping wordt opgezet, en moet voldoende licht geven om daarbij de aanwijzingen en instructies te kunnen lezen.
Merken op vaste reddingvlotten
Op het reddingvlot moet zijn aangegeven:
Vaste reddingvlotten van het strijkbare type
Naast het bepaalde in de leden 1 tot en met 7 moet een vast reddingvlot van het strijkbare type, wanneer het aan de ontkoppelingshaak of spruit hangt, een belasting van 4 maal de massa van de volle bezetting en de volledige uitrusting kunnen doorstaan.
Uitrusting voor vaste reddingvlotten
In aanvulling op de uitrusting, voorgeschreven in artikel 38, lid 5, moet een vast reddingvlot tevens zijn voorzien van het nodige reparatiemateriaal.
Artikel 41. Algemene eisen voor reddingboten
Constructie van reddingboten
1.1. Alle reddingboten moeten deugdelijk zijn gebouwd en moeten van zodanige vorm en afmetingen zijn, dat zij in zeegang een ruime mate van stabiliteit en voldoende vrijboord hebben wanneer zij zijn beladen met volle bezetting en volledige uitrusting. Alle reddingboten moeten een vaste romp hebben en moeten, recht overeind liggend in kalm water en beladen met volle bezetting en volledige uitrusting, een positieve stabiliteit behouden wanneer er ergens beneden de waterlijn een gat is ontstaan, aangenomen dat daarbij geen verlies van drijfmateriaal of andere beschadiging optreedt.
1.2. Alle reddingboten moeten sterk genoeg zijn om:
1.3. Rompen en vaste overkappingen moeten van brandvertragend of onbrandbaar materiaal zijn.
1.4. Zitplaatsen moeten worden gesitueerd op dwars- en langsdoften of als vaste zetels, die zo laag mogelijk in de reddingboot moeten zijn aangebracht, en zo zijn vervaardigd dat zij het aantal personen, ieder met een massa van 100 kg, waarvoor ruimte is bestemd in overeenstemming met het bepaalde in lid 2.2.2, kunnen dragen.
1.5. Iedere reddingboot moet sterk genoeg zijn om onderstaande belasting te doorstaan, zonder blijvende vervorming na het verwijderen van de belasting:
1.6. Iedere reddingboot moet sterk genoeg zijn om, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting en met, waar dat van toepassing is, glijspanten of stootdempers op hun plaatsen, een zijdelingse slag tegen de scheepszijde met een stootsnelheid van ten minste 3,5 m/s en tevens een val op het water vanaf een hoogte van ten minste 3 m te doorstaan.
1.7. De verticale afstand tussen het vloeroppervlak en de binnenzijde van de overkapping over 50 percent van dat vloeroppervlak moet zijn:
Draagvermogen van reddingboten
2.1. Een reddingboot bestemd voor meer dan 150 personen is niet toegestaan.
2.2. Het aantal personen waarvoor in een reddingboot ruimte wordt toegestaan, is gelijk aan het kleinste van de volgende getallen:
2.3. Iedere zitplaats in de reddingboot moet duidelijk zijn aangegeven.
Figuur 1
Toegang tot reddingboten
3.1. Ieder reddingboot aan boord van een passagiersschip moet zo zijn ingericht dat het volledige aantal daarvoor bestemde personen zich snel kan inschepen. Snelle ontscheping moet eveneens mogelijk zijn.
3.2. Iedere reddingboot aan boord van een vrachtschip moet zo zijn ingericht dat het volledige aantal daarvoor bestemde personen binnen 3 minuten vanaf het moment dat het bevel daartoe wordt gegeven, zich kan inschepen. Snelle ontscheping moet eveneens mogelijk zijn.
3.3. Reddingboten moeten een inschepingsladder hebben die aan beide zijden van de reddingboot gebruikt kan worden, om personen in staat te stellen vanuit het water in de reddingboot te klimmen. De onderste trede van de ladder moet tot ten minste 0,4 m beneden de waterlijn van de lege reddingboot reiken.
3.4. De reddingboot moet zo zijn ingericht dat hulpbehoevende personen, zowel vanuit zee als per draagbaar, aan boord gebracht kunnen worden.
3.5. Alle oppervlakken waarop personen kunnen lopen, moeten van een antisliplaag zijn voorzien.
Drijfvermogen van reddingboten
Alle reddingboten moeten een eigen drijfvermogen hebben, of moeten zijn voorzien van drijvend materiaal dat niet nadelig wordt beïnvloed door zeewater, olie en olieprodukten, en dat voldoende is om de reddingboot met volledige uitrusting drijvende te houden wanneer zij vol water staat en de zee vrij kan binnendringen. Bovendien moet er voor het aantal personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, drijvend materiaal met een opdrijvend vermogen gelijk aan 280 N per persoon, zijn aangebracht. Het voorgeschreven drijvend materiaal mag niet aan de buitenzijde van de romp van de reddingboot zijn aangebracht.
Vrijboord en stabiliteit van reddingboten
Alle reddingboten moeten, beladen met 50 percent van het aantal personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, gezeten op hun normale plaatsen aan één zijde van de reddingboot, een vrijboord hebben, gemeten vanaf de waterlijn tot aan de laagst gelegen opening waardoor de reddingboot kan vollopen, van ten minste 1,5 percent van de lengte van de reddingboot of 100 mm, welke van beide het grootste is.
Voortstuwing van reddingboten
6.1. Iedere reddingboot moet worden aangedreven door een dieselmotor. Voor een reddingboot mag geen motor worden gebruikt, waarvan de brandstof een vlampunt van 43° C of lager heeft.
6.2. De motor moet zijn voorzien van een handstartinrichting of een bekrachtigde startinrichting met twee onafhankelijk werkende oplaadbare krachtbronnen. Voorts moet de motor zijn voorzien van alle voor het starten benodigde hulpmiddelen. De startinrichting van de motor en de hulpmiddelen voor het starten moeten bij een omgevingstemperatuur van minus 15° C de motor kunnen starten binnen 2 minuten vanaf het moment waarop de handelingen daarvoor zijn begonnen, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, met inachtneming van de bijzondere reizen die het schip met die reddingboot voortdurend maakt, een andere temperatuur van toepassing is. De startinrichtingen mogen niet worden belemmerd door de motoromkasting, doften of andere obstakels.
6.3. De motor moet ook gedurende ten minste 5 minuten na de koude start, met de reddingboot uit het water, kunnen draaien.
6.4. De motor moet ook kunnen draaien indien de reddingboot tot aan de hartlijn van de krukas is volgelopen met water.
6.5. De inrichting van de schroefas moet zodanig zijn dat de schroef kan worden ontkoppeld van het voortstuwingswerktuig. Er moeten voorzieningen zijn aangebracht waardoor het mogelijk is met de reddingboot zowel voor- als achteruit te varen.
6.6. De uitlaat van de motor moet zo zijn ingericht dat onder normaal gebruik wordt voorkomen dat water de motor binnendringt.
6.7. Alle reddingboten moeten zo zijn ontworpen dat rekening is gehouden met de veiligheid van personen in het water, en dat mogelijke beschadiging van de schroef door in het water drijvend materiaal wordt voorkomen.
6.8. De snelheid van een reddingboot in kalm water vooruit varend moet, indien beladen met volle bezetting en volledige uitrusting en met alle door de motor aangedreven hulpuitrusting in bedrijf, ten minste 6 zeemijl per uur kunnen zijn en, wanneer een 25-persoons reddingvlot beladen met volle bezetting en volledige uitrusting of gelijkwaardige massa wordt gesleept, 2 zeemijl per uur. Er moet voldoende brandstof, geschikt voor gebruik bij de temperaturen die in het vaargebied van het schip te verwachten zijn, aanwezig zijn om de volbeladen reddingboot gedurende ten minste 24 uur met een vaart van 6 zeemijl per uur te laten varen.
6.9. De motor van de reddingboot, de overbrenging en de motoraccessoires moeten zijn omgeven door een brandwerende omkasting of door geschikte voorzieningen die soortgelijke bescherming bieden.
Dergelijke voorzieningen moeten tevens bescherming bieden tegen onopzettelijke aanraking van hete of bewegende delen van de motor door personen en moeten de motor beschermen tegen blootstelling aan weersinvloeden en zeewater. Er moeten doeltreffende maatregelen zijn getroffen om het lawaai van de motor te beperken. Startaccumulatoren moeten zijn aangebracht in omkastingen die een waterdichte ruimte vormen rondom de bodem en de zijden van de accumulatoren. De omkastingen moeten goed sluitende deksels hebben, waarin voorzieningen zijn aangebracht waardoor gassen kunnen ontsnappen.
6.10. De motor van de reddingboot en de accessoires moeten zo zijn ontworpen dat geen elektromagnetische velden ontstaan, die een storende invloed hebben op de radio-apparatuur die in de reddingboot wordt gebruikt.
6.11. Er moeten voorzieningen zijn om alle accumulatoren ten behoeve van het starten van de motor, de radio-apparatuur en het zoeklicht opnieuw op te laden. De radio-accumulatoren mogen niet worden gebruikt om stroom te leveren voor het starten van de motor. Er moeten voorzieningen zijn om de accumulatoren van de reddingboot door middel van het scheepsnet op te kunnen laden met een voedingsspanning die niet hoger is dan 55 V, en die op de inschepingsplaats van de reddingboot ontkoppeld kunnen worden.
6.12. Er moeten waterbestendige start- en bedieningsvoorschriften van de motor voorhanden zijn, die duidelijk waarneembaar nabij de bedieningsplaats van de motor zijn aangebracht.
Toebehoren van reddingboten
7.1. Alle reddingboten moeten zijn voorzien van ten minste één afvoerklep, aangebracht bij het laagste punt in de romp, die automatisch opent om water uit de boot te lozen wanneer de reddingboot niet in het water ligt, en die automatisch afsluit om te voorkomen dat er water binnendringt wanneer de reddingboot in het water ligt. Om de afvoerklep te kunnen afsluiten moet deze zijn voorzien van een dop of prop die met een lijn, ketting of ander geschikt middel aan de reddingboot verbonden is. De afvoerkleppen moeten in de reddingboot gemakkelijk bereikbaar zijn en de plaats ervan moet duidelijk zijn aangegeven.
7.2. Alle reddingboten moeten een roer en een helmstok hebben, ook indien er een stuurrad of een ander mechanisme voor afstandsbesturing is aangebracht. Het roer moet permanent aan de reddingboot zijn bevestigd. De helmstok moet permanent zijn aangebracht op of zijn verbonden met de roerkoning; indien de reddingboot een mechanisme voor afstandsbesturing heeft, is een afneembare helmstok toegestaan, die vast opgeborgen kan worden nabij de roerkoning. Het roer en de helmstok moeten zo zijn uitgevoerd dat zij niet beschadigd worden bij het gebruik van het ontkoppelingsmechanisme of van de schroef.
7.3. Uitgezonderd in de omgeving van roer en schroef, moet langs de buitenzijde van de reddingboot een in bochten hangende en tot op het water komende drijvende grijplijn zijn aangebracht.
7.4. Niet-zelfrichtende reddingboten moeten doelmatige handgrepen aan de onderzijde van de romp hebben, zodat personen zich aan de reddingboot in omgeslagen toestand kunnen vastklampen. De handgrepen moeten zodanig aan de reddingboot zijn bevestigd dat, indien deze door een kracht van buiten afbreken, dit geschiedt zonder de reddingboot te beschadigen.
7.5. Alle reddingboten moeten zijn uitgerust met voldoende waterdichte kasten of compartimenten om bergruimte te bieden aan kleine uitrustingsstukken, water en andere benodigdheden, voorgeschreven in lid 8. Er moeten voorzieningen aanwezig zijn voor het opslaan van opgevangen regenwater.
7.6. Iedere reddingboot die door middel van een loper of lopers te water wordt gelaten, moet zijn uitgerust met een ontkoppelingsmechanisme dat aan de volgende eisen voldoet:
7.7. Iedere reddingboot moet zijn uitgerust met een ontkoppelingsmiddel om de voorvanglijn te kunnen ontkoppelen wanneer daar kracht op staat.
7.8. Iedere reddingboot, die wordt uitgerust met en vast aangebrachte VHF radio-installatie en een apart op te stellen antenne, moet beschikken over voorzieningen om de antenne doelmatig in de gebruiksopstelling te kunnen plaatsen en vastzetten.
7.9. Reddingboten bestemd om langs de zijden van het schip te water te worden gelaten, moeten de noodzakelijke glijspanten en stootdempers hebben om het te water laten mogelijk te maken en schade aan de reddingboot te voorkomen.
7.10. Op het hoogste punt van de overkapping moet een met de hand in- en uitschakelbare lamp zijn aangebracht, die bij donkere nacht en heldere atmosfeer over een afstand van ten minste 2 zeemijl gedurende ten minste 12 uur zichtbaar is. Indien de lamp een flikkerlicht geeft, moet de frequentie ten minste 50 flikkeringen per minuut bedragen gedurende de eerste 2 van de 12 gebruiksuren.
7.11. Aan de binnenzijde van de reddingboot moet een lamp of andere lichtbron zijn aangebracht, die gedurende ten minste 12 uur voldoende licht geeft om daarbij de aanwijzingen en instructies te kunnen lezen; olielantaarns zijn voor dit doel niet toegestaan.
7.12. Tenzij anders bepaald, moet iedere reddingboot zijn voorzien van doelmatige middelen om te lozen of automatisch zelflozend zijn.
7.13. Iedere reddingboot moet zo zijn ingericht dat men vanaf de stuurstand voldoende uitzicht vooruit, achteruit en naar de zijden heeft in verband met het veilig te water laten en het manoeuvreren.
Uitrusting van reddingboten
Alle uitrustingsstukken van een reddingboot, of die nu in dit lid of elders in deze bijlage worden voorgeschreven, met uitzondering van de boothaken die beschikbaar moeten blijven om de reddingboten af te houden, moeten in de reddingboot zijn vastgezet door middel van sjorringen, opgeborgen in kasten of compartimenten, bevestigd in beugels of soortgelijke armaturen of op andere geschikte wijze. De uitrusting moet zo zijn vastgezet dat zij geen belemmering vormt bij "schip verlaten". Alle uitrustingsstukken moeten zo klein mogelijk zijn, een zo gering mogelijke massa hebben, en moeten op doeltreffende en compacte wijze verpakt zijn. Tenzij anders bepaald, moet de normale uitrusting van elke reddingboot bestaan uit:
Merken op reddingboten
9.1. De afmetingen van de reddingboot en het aantal personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, moeten in duidelijke, onuitwisbare tekens daarop zijn aangegeven.
9.2. De naam en thuishaven van het schip waartoe de reddingboot behoort, moeten aan beide zijden van de voorsteven van de reddingboot zijn aangebracht in blokletters.
9.3. Middelen ter identificatie van het schip waartoe de reddingboot behoort en het nummer van de reddingboot, moeten zodanig zijn aangebracht dat zij vanuit de lucht zichtbaar zijn.
9.4. Reddingboten moeten doorlopend zijn genummerd.
Artikel 42. Gedeeltelijk overdekte reddingboten
Naast het bepaalde in artikel 41, moeten gedeeltelijk overdekte reddingboten voldoen aan het bepaalde in dit artikel.
Overkapping
2.1. Gedeeltelijk overdekte reddingboten moeten zijn voorzien van permanent aangebrachte, vaste overkappingen die zich uitstrekken over ten minste 20 percent van de lengte van de reddingboot vanaf de voorsteven en ten minste 20 percent van de lengte van de reddingboot vanaf het achterste gedeelte van de reddingboot.
2.2. De open gedeelten van de reddingboot moeten zijn uitgerust met een permanent aangebrachte opvouwbare overkapping die zodanig moet zijn ingericht dat:
2.3. De overkapping gevormd door het vaste en het opvouwbare gedeelte moet zo zijn uitgevoerd dat:
Toebehoren
Een gedeeltelijk overdekte reddingboot moet zijn voorzien van doelmatige middelen om te lozen of automatisch zelflozend zijn.
Indien de reddingboot is uitgerust met een vast aangebrachte VHF radio-installatie, moet deze installatie zijn opgesteld in een afzonderlijke beschutte ruimte, groot genoeg om zowel aan het toestel als aan de bedienende persoon plaats te bieden. Er is geen afzonderlijke beschutte ruimte vereist, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de constructie van de reddingboot voldoende beschutte ruimte biedt.
Artikel 43. Zelfrichtende, gedeeltelijk overdekte reddingboten
Naast het bepaalde in de artikelen 41 en 42 moeten zelfrichtende, gedeeltelijk overdekte reddingboten voldoen aan het bepaalde in dit artikel.
Overkapping
2.1. De vaste overkappingen moeten zijn voorzien van vensters of doorzichtige panelen, die voldoende daglicht binnen de reddingboot kunnen toelaten met de ingangen of de opvouwbare overkappingen gesloten, zodat kunstlicht onnodig is.
2.2. De vaste overkappingen moeten handgrepen hebben, die houvast bieden aan personen die zich langs de buitenkant van de reddingboot verplaatsen.
Omslaan en weer oprichten
3.1. Bij iedere aangegeven zitplaats moet een veiligheidsgordel zijn aangebracht. De veiligheidsgordel moet zo zijn ontworpen dat een persoon met een massa van 100 kg vast op zijn plaats wordt gehouden wanneer de reddingboot in omgeslagen toestand verkeert.
3.2. De stabiliteit van de reddingboot moet zodanig zijn dat deze automatisch zelfrichtend is, indien zij beladen is met volle of gedeeltelijke bezetting en volledige of gedeeltelijke uitrusting, en de personen met hun veiligheidsgordel zijn vastgesjord.
Voortstuwing
4.1. De motor en de overbrenging moeten vanaf de bestuurdersplaats kunnen worden bediend.
4.2. De motor en motorinstallatie moeten kunnen blijven draaien in iedere stand tijdens het omslaan en nadat de reddingboot zich weer heeft opgericht, dan wel automatisch stoppen bij het omslaan en gemakkelijk opnieuw te starten zijn nadat de reddingboot zich weer heeft opgericht en het water uit de reddingboot is geloosd.
De brandstof- en smeersystemen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen brandstofolie en niet meer dan 250 ml smeerolie uit de motor wordt verloren tijdens het omslaan.
4.3. Luchtgekoelde motoren moeten zijn voorzien van een systeem om koellucht aan te zuigen uit en af te voeren naar de buitenlucht. Met de hand bedienbare kleppen moeten zijn aangebracht om koellucht aan te zuigen uit en af te voeren in de reddingboot.
Constructie en stootdempers
Onverminderd het bepaalde in artikel 41, lid 1.6, moet een zelfrichtende, gedeeltelijk overdekte reddingboot zo zijn gebouwd en van stootdempers zijn voorzien, dat zeker wordt gesteld dat de reddingboot aan inzittenden bescherming biedt tegen schadelijke versnellingen als gevolg van een slag van de reddingboot, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting, tegen de scheepszijde met een stootsnelheid van ten minste 3,5 m/s.
Toebehoren
In afwijking van het bepaalde in artikel 42, lid 3, moet een zelfrichtende, gedeeltelijk overdekte reddingboot automatisch zelflozend zijn.
Artikel 44. Geheel overdekte reddingboten
Naast het bepaalde in artikel 41, moeten geheel overdekte reddingboten voldoen aan het bepaalde in dit artikel.
Overkapping
Iedere geheel overdekte reddingboot moet zijn uitgerust met een waterdichte overkapping die de gehele reddingboot overdekt. De overkapping moet zo zijn uitgevoerd dat:
Omslaan en weer oprichten
3.1. Er moet bij iedere aangegeven zitplaats een veiligheidsgordel zijn aangebracht. De veiligheidsgordel moet zo zijn ontworpen dat een persoon met een massa van 100 kg vast op zijn plaats wordt gehouden wanneer de reddingboot in omgeslagen toestand verkeert.
3.2. De stabiliteit van de reddingboot moet zodanig zijn dat deze automatisch zelfrichtend is, indien zij beladen is met de volle of gedeeltelijke bezetting en volledige of gedeeltelijke uitrusting, alle toegangen en openingen waterdicht afgesloten zijn en de personen met hun veiligheidsgordel zijn vastgesjord.
3.3. De reddingboot moet de volle bezetting en de volledige uitrusting kunnen dragen wanneer de reddingboot in de in artikel 41, lid 1.1, omschreven, beschadigde toestand verkeert, en de stabiliteit moet zodanig zijn dat in het geval de reddingboot omslaat, zij automatisch een stand verkrijgt waarbij ontsnapping boven water voor de inzittenden mogelijk is.
3.4. Het ontwerp van de motoruitlaatpijpen, luchtkanalen en andere openingen moet zodanig zijn dat water buiten de motor wordt gehouden wanneer de reddingboot omslaat en zich weer opricht.
Voortstuwing
4.1. De motor en de overbrenging moeten vanaf de bestuurdersplaats kunnen worden bediend.
4.2. De motor en motorinstallatie moeten kunnen blijven draaien in iedere stand tijdens het omslaan en nadat de reddingboot zich weer heeft opgericht, dan wel automatisch stoppen bij het omslaan en gemakkelijk opnieuw te starten zijn nadat de reddingboot zich weer heeft opgericht. De brandstof- en smeersystemen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen brandstofolie en niet meer dan 250 ml smeerolie uit de motor wordt verloren tijdens het omslaan.
4.3. Luchtgekoelde motoren moeten zijn voorzien van een systeem om koellucht aan te zuigen uit en af te voeren naar de buitenlucht. Met de hand bedienbare kleppen moeten aangebracht zijn om koellucht aan te zuigen uit en af te voeren in de reddingboot.
Constructie en stootdempers
Onverminderd het bepaalde in artikel 41, lid 1.6, moet een geheel overdekte reddingboot zo zijn gebouwd en van stootdempers zijn voorzien, dat zeker wordt gesteld dat de reddingboot aan inzittenden bescherming biedt tegen schadelijke versnellingen als gevolg van een slag van de reddingboot, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting, tegen de scheepszijde met een stootsnelheid van ten minste 3,5 m/s.
Reddingboten die door middel van vrije val te water worden gelaten
6.1. Een reddingboot ingericht voor tewaterlating door middel van vrije val, moet zo zijn gebouwd dat zij in staat is aan inzittenden bescherming te bieden tegen schadelijke versnellingen als gevolg van het te water laten, met volle bezetting en volledige uitrusting, vanaf ten minste de maximum hoogte waarop de boot mag worden opgesteld boven de waterlijn behorende bij de geringste diepgang van het schip in zeewater, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast van 10 graden en met een slagzij van het schip van 20 graden naar enige kant. Ingeval het een reddingboot betreft aan boord van een olietankschip, chemicaliëntanker of gastanker dient zij zulk een bescherming te bieden met een slagzij in de eindtoestand die groter is dan 20 graden indien berekend in overeenstemming met het Besluit voorkoming olieverontreiniging door Schepen ( Stb. 1986, 160) dan wel in overeenstemming met de nadere regels, bedoeld in artikel 130g van dit besluit.
6.2. Het bepaalde in artikel 41, leden 1.6 en 7.7, is niet van toepassing op een reddingboot ingericht voor tewaterlating door middel van vrije val.
Artikel 45. Reddingboten met een onafhankelijk luchttoevoersysteem
Naast het bepaalde in de artikelen 41 en 44 moet een reddingboot met een onafhankelijk luchttoevoersysteem zo zijn ingericht dat, wanneer zij vaartloopt met alle ingangen en openingen gesloten, de lucht in de reddingboot veilig in te ademen blijft en de motor ten minste 10 minuten normaal blijft lopen. Gedurende deze periode mag de atmosferische druk binnen de reddingboot nooit lager worden dan de atmosferische druk van de buitenlucht, of meer dan 20 mbar daarboven komen. Het systeem moet zijn voorzien van meters die te allen tijde de druk in het luchttoevoersysteem aangeven en die op goed zichtbare plaatsen zijn aangebracht.
Artikel 46. Brandbestendige reddingboten
Naast het bepaalde in de artikelen 41, 44 en 45 moet een brandbestendige reddingboot, in het water liggend, het aantal personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, bescherming kunnen bieden wanneer zij wordt blootgesteld aan een aanhoudende oliebrand die de reddingboot gedurende ten minste 8 minuten omhult.
Watersproeisysteem
Een reddingboot die ten behoeve van de brandbescherming is voorzien van een watersproeisysteem, moet aan de volgende eisen voldoen:
Afdeling V. Hulpverleningsboten
Artikel 47. Hulpverleningsboten
Algemene eisen
1.1. Naast het bepaalde in dit artikel, moeten alle hulpverleningsboten voldoen aan het bepaalde in artikel 41, lid 1 tot en met lid 7.4, lid 7.6, lid 7.7, lid 7.9, lid 7.12 en lid 9.
1.2. Hulpverleningsboten mogen van een vaste constructie zijn of van een constructie van het opblaasbare type, of van een constructie waarin beide mogelijkheden gecombineerd zijn, en moeten:
1.3. Hulpverleningsboten die zijn uitgevoerd als een combinatie van een vaste constructie en een constructie van het opblaasbare type, behoeven aan de volgende bepalingen van dit artikel slechts te voldoen voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit bepaalt.
1.4. Tenzij de hulpverleningsboot voldoende zeeg heeft, moet de boot zijn voorzien van een boegbedekking die zich over ten minste 15 percent van de lengte uitstrekt.
1.5. Hulpverleningsboten moeten kunnen manoeuvreren bij een snelheid tot 6 zeemijl per uur en moeten gedurende ten minste 4 uur die snelheid kunnen aanhouden.
1.6. Hulpverleningsboten moeten voldoende handelbaar en manoeuvreerbaar zijn om bij zeegang personen uit het water te kunnen halen, reddingvlotten bij elkaar te kunnen brengen, en het grootste type reddingvlot dat aan boord is, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting of een gelijkwaardige massa, met een vaart van ten minste 2 zeemijl per uur te kunnen slepen.
1.7. Een hulpverleningsboot moet met een binnenboord- of buitenboordmotor zijn uitgerust. Indien een buitenboordmotor is toegepast, mogen het roer en de helmstok een onderdeel van de motor vormen. In afwijking van het bepaalde in artikel 41, lid 6.1, kunnen buitenboordbenzinemotoren met een goedgekeurd brandstofsysteem worden toegepast in hulpverleningsboten, mits de brandstoftanks op bijzondere wijze tegen brand en explosie worden beschermd.
1.8. Er moeten permanente sleepvoorzieningen in de hulpverleningsboot zijn aangebracht en deze moeten sterk genoeg zijn om reddingvlotten bij elkaar te brengen of te slepen, als voorgeschreven in lid 1.6.
1.9. Hulpverleningsboten moeten zijn uitgerust met een berging voor kleinere uitrustingsstukken, die dicht is tegen weer en wind.
Uitrusting van hulpverleningsboten
2.1. Alle uitrustingsstukken van een hulpverleningsboot, met uitzondering van de boothaak die beschikbaar moet blijven om de boot af te houden, moeten in de hulpverleningsboot zijn vastgezet door middel van sjorringen, opgeborgen in kasten of compartimenten, bevestigd in beugels of soortgelijke armaturen of op andere geschikte wijze. De uitrusting moet zo zijn vastgezet dat zij geen belemmering vormt bij de handelingen voor het te water laten of het weer terugzetten. Alle uitrustingsstukken moeten zo klein mogelijk zijn, een zo gering mogelijke massa hebben en moeten op doeltreffende en compacte wijze zijn verpakt.
2.2. De normale uitrusting van een hulpverleningsboot moet bestaan uit:
2.3. Naast de uitrusting voorgeschreven in lid 2.2, moet de normale uitrusting van iedere vaste hulpverleningsboot bestaan uit:
2.4. Naast de uitrusting voorgeschreven in lid 2.2, moet de normale uitrusting van iedere hulpverleningsboot in opgeblazen toestand bestaan uit:
Aanvullende eisen voor hulpverleningsboten in opgeblazen toestand
3.1. Het bepaalde in artikel 41, leden 1.3 en 1.5, is niet van toepassing op hulpverleningsboten in opgeblazen toestand.
3.2. Een hulpverleningsboot in opgeblazen toestand moet zo zijn vervaardigd dat, wanneer deze aan zijn spruit of haak hangt:
3.3. Hulpverleningsboten in opgeblazen toestand moeten zo zijn vervaardigd dat ze bestand zijn tegen blootstelling aan invloeden van weer en zee:
3.4. Naast het bepaalde in artikel 41, lid 9, moeten hulpverleningsboten in opgeblazen toestand gemerkt zijn met het serienummer, de naam of het handelsmerk van de fabrikant en de datum van fabricage.
3.5. Het drijfvermogen van een hulpverleningsboot in opgeblazen toestand moet worden geleverd hetzij door een enkel drijflichaam onderverdeeld in ten minste vijf verschillende compartimenten van nagenoeg dezelfde inhoud, hetzij door twee verschillende drijflichamen die geen van beide groter zijn dan 60 percent van het totale volume. De drijflichamen moeten zo zijn ontworpen dat wanneer een van de compartimenten is beschadigd, de compartimenten die nog intact zijn, de hulpverleningsboot drijvend kunnen houden met het aantal personen waarvoor de hulpverleningsboot is bestemd, ieder met een massa van 75 kg en zittend op de normale plaats, met een positief vrijboord rondom de boot.
3.6. De buitenste drijflichamen van de hulpverleningsboot moeten in opgeblazen toestand een inhoud hebben van ten minste 0,17 m3 voor elke persoon waarvoor de hulpverleningsboot is bestemd.
3.7. Ieder drijflichaam moet zijn voorzien van een terugslagklep ten behoeve van het opblazen met de hand en van middelen om het drijflichaam te laten leeglopen. Tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie oordeelt dat een dergelijk middel niet noodzakelijk is, moet er tevens een overdrukventiel zijn aangebracht.
3.8. Aan de onderzijde van de bodem en op kwetsbare plaatsen aan de buitenzijde van een hulpverleningsboot van het opblaasbare type, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie schavielstrippen zijn aangebracht.
3.9. Indien de hulpverleningsboot met een spiegelplaat is uitgerust, mag deze niet verder naar binnen zijn aangebracht dan 20 percent van de lengte over alles van de hulpverleningsboot.
3.10. Er moeten doelmatige bevestigingspunten zijn aangebracht om de vanglijnen voor en achter, en de grijplijnen langs de binnenzijde en de buitenzijde van de boot aan te bevestigen.
3.11. Een hulpverleningsboot van het opblaasbare type moet te allen tijde in volledig opgeblazen toestand worden gehouden.
Afdeling VI. Tewaterlatings- en inschepingsmiddelen
Artikel 48. Tewaterlatings- en inschepingsmiddelen
1.Algemene eisen
1.1. Ieder tewaterlatingsmiddel met inbegrip van al het vier- en hijsgerei, moet zo zijn uitgevoerd dat het volledig uitgeruste groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot, die daarmee wordt bediend, met een kop- of stuurlast van 10 graden en met een slagzij van 20 graden naar enige kant, veilig afgevierd kan worden:
1.2. In afwijking van het bepaalde in lid 1.1 moeten tewaterlatingsmiddelen voor de reddingboten van olietankschepen, chemicaliëntankers en gastankers, met een slagzij in de eindtoestand, berekend in overeenstemming met het Besluit voorkoming olieverontreiniging door Schepen ( Stb. 1986, 160) dan wel in overeenstemming met de nadere regels, bedoeld in artikel 130g van dit besluit, die groter is dan 20 graden, kunnen worden gebruikt aan de lage kant bij de maximale slagzij in de eindtoestand.
1.3. Een tewaterlatingsmiddel mag, bij het afvieren van een groepsreddingmiddel of een hulpverleningsboot in de toestand omschreven in lid 1.1.1 of 1.1.2, alleen afhankelijk zijn van zwaartekracht of opgeslagen mechanische kracht die onafhankelijk is van de energievoorziening van het schip.
1.4. Een tewaterlatingsmiddel moet zo zijn ingericht dat het vanaf een plaats aan dek en vanaf één plaats in het groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot door een persoon in werking gesteld kan worden; het groepsreddingmiddel en de hulpverleningsboot moeten zichtbaar zijn voor degene die het tewaterlatingsmiddel aan dek bedient.
1.5. Ieder tewaterlatingsmiddel moet zo zijn geconstrueerd dat er een minimum aan onderhoud nodig is. Alle onderdelen die regelmatig onderhoud door de bemanning behoeven, moeten goed bereikbaar en gemakkelijk te onderhouden zijn.
1.6. De lierremmen van het tewaterlatingsmiddel moeten sterk genoeg zijn om:
1.7. Een tewaterlatingsmiddel met toebehoren, met uitzondering van de lierremmen, moet sterk genoeg zijn om een statische beproeving met een proefbelasting van ten minste 2,2 maal de maximale werkbelasting te doorstaan.
1.8. Structurele onderdelen en alle blokken, lopers, ogen, sluitingen, bevestigingen en alle andere benodigheden die in verband met het te water laten worden gebruikt, moeten zijn ontworpen met een minimum veiligheidsfactor gebaseerd op de vastgestelde maximum werkbelasting en de treksterkte van het materiaal dat voor de constructie werd toegepast. Voor alle structurele onderdelen van davits en lieren moet een minimum veiligheidsfactor van 4,5 en voor alle lopers, kettingen, sluitingen en blokken moet een minimum veiligheidsfactor van 6 worden toegepast.
1.9. Ieder tewaterlatingsmiddel moet, voor zover uitvoerbaar, ook bij ijsafzetting doeltreffend blijven werken.
1.10. Een tewaterlatingsmiddel voor een reddingboot moet die reddingboot met zijn bedieningsbemanning kunnen ophijsen.
1.11. Een tewaterlatingsmiddel moet zodanig zijn ingericht dat de inscheping in het groepsreddingmiddel, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 38, leden 4.2 en 4.3, en artikel 41 , leden 3.1 en 3.2, mogelijk is.
Tewaterlatingsmiddelen waarbij gebruik gemaakt wordt van lopers en lieren
2.1. Lopers moeten van draaivrij en corrosiebestendig staaldraad zijn vervaardigd.
2.2. Tenzij een doeltreffende compensatie is aangebracht, moeten de lopers bij het gebruik van een meervoudige trommellier zo zijn ingericht dat zij bij het vieren met dezelfde snelheid van de trommel afwinden en dat ze bij het ophijsen gelijkmatig met dezelfde snelheid opwinden.
2.3. Ieder tewaterlatingsmiddel voor een hulpverleningsboot moet zijn uitgerust met een motorlier met een zodanig vermogen dat de hulpverleningsboot met volle bezetting en volledige uitrusting uit het water opgehesen kan worden.
2.4. Ten einde ieder groepsreddingmiddel en iedere hulpverleningsboot weer op te kunnen hijsen, moet er een doeltreffende handbediening zijn.
Zwengels en tandwielen van de handbediening mogen niet meedraaien met de bewegende delen van de lier wanneer het groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot wordt afgevierd of werktuiglijk wordt opgehesen.
2.5. Indien davits werktuiglijk binnenboord worden gehieuwd, moeten er veiligheden op worden aangebracht, die automatisch de drijfkracht uitschakelen voordat de davits de eindstand bereiken, om te vermijden dat de lopers of de davits overbelast worden, tenzij de motor zodanig is ontworpen dat een dergelijke overbelasting wordt voorkomen.
2.6. De snelheid waarmee het groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot te water gelaten wordt, mag niet minder zijn dan die verkregen volgens de formule:
S = 0,4 + (0,02 P H)
waarin:
S = afviersnelheid in meters per seconde
H = hoogte in meters vanaf de davitkop tot aan de waterlijn behorende bij de geringste diepgang van het schip in zeewater.
2.7. De maximale afviersnelheid wordt door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld, met inachtneming van het ontwerp van het groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot, de bescherming van de inzittenden tegen buitensporige krachten en de sterkte van de tewaterlatingsvoorzieningen, en rekening houdend met de traagheidskrachten bij een noodstop. Het tewaterlatingsmiddel moet zodanig zijn ingericht dat wordt verzekerd dat deze snelheid niet zal worden overschreden.
2.8. Ieder tewaterlatingsmiddel voor de hulpverleningsboot moet de hulpverleningsboot beladen met volle bezetting en volledige uitrusting met een snelheid van ten minste 0,3 m/s kunnen ophijsen.
2.9. Op ieder tewaterlatingsmiddel moeten remmen zijn aangebracht die het afvieren van het groepsreddingmiddel of de hulpverleningsboot kunnen stoppen en deze met volle bezetting en volledige uitrusting beladen veilig kunnen vasthouden; de remblokken moeten waar nodig worden beschermd tegen water en olie.
2.10. Met de hand bedienbare remmen moeten zo zijn aangebracht dat de rem altijd in werking staat, tenzij de bediener daarvan, of een mechanisme dat door de bediener in werking wordt gesteld, de rem in de afvier-stand houdt.
Tewaterlating door middel van vrij opdrijven
Wanneer voor een groepsreddingmiddel een tewaterlatingsmiddel is voorgeschreven, terwijl het groepsreddingmiddel ook vrij moet kunnen opdrijven, moet de desbetreffende ontkoppeling van het groepsreddingmiddel op de opstellingsplaats automatisch zijn.
Ieder tewaterlatingsmiddel voor vrije val dat gebruik maakt van een hellend vlak, moet naast de van toepassing zijnde bepalingen van lid 1, ook voldoen aan de volgende eisen:
Tewaterlating en inscheping met evacuatieglijbanen
Ieder tewaterlatingsmiddel in de vorm van een evacuatieglijbaan moet, naast de van toepassing zijnde bepalingen in lid 1, ook voldoen aan de volgende eisen:
Tewaterlatingsmiddelen voor reddingvlotten
Ieder tewaterlatingsmiddel voor reddingvlotten moet voldoen aan het bepaalde in de leden 1 en 2, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van zwaartekracht om het middel naar buiten te draaien, op het inschepen op de opstellingsplaats, en het weer ophijsen van het beladen reddingvlot. Het tewaterlatingsmiddel moet zo zijn ingericht dat voortijdige ontkoppeling tijdens het afvieren wordt voorkomen, en dat het reddingvlot automatisch wordt ontkoppeld wanneer dit het water raakt.
Inschepingsladders
7.1. Er moeten handgrepen zijn aangebracht om een veilig overstappen van het dek op de bovenste treden van de ladder en omgekeerd te waarborgen.
7.2. De treden van de ladder moeten:
7.3. De zijleiders van de ladder dienen aan elke zijde te bestaan uit twee onbeklede manilla-einden met een omtrek van ten minste 65 mm. Elk eind dient uit één stuk te bestaan zonder verbindingen beneden de bovenste trede. Ander materiaal kan worden gebruikt op voorwaarde dat de afmetingen, breeksterkte, verwering, rek- en grijpeigenschappen ten minste gelijkwaardig zijn aan die van manillatouwwerk. Alle touweinden dienen zo te zijn afgewerkt dat ze niet kunnen rafelen.
Afdeling VII. Overige reddingmiddelen
Artikel 49. Lijnwerptoestellen
Ieder lijnwerptoestel moet voldoen aan de volgende eisen:
Het projectiel, in het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel, of het projectiel en de lijn wanneer die een geheel vormen, moeten zijn geborgen in een waterbestendige houder. In het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel moeten de lijnen en projectielen, tezamen met de ontstekingsmiddelen bovendien zijn geborgen in een verpakking die bescherming biedt tegen weersinvloeden.
Artikel 50. Algemeen alarm-installatie
De algemeen alarm-installatie bestaat uit een elektrische installatie, die vanaf de brug en vanaf andere strategisch gelegen punten aan boord bediend kan worden, en waarmee in alle ruimten voor accommodatie, in ruimten waarin door de bemanning gewoonlijk wordt gewerkt en op het open dek door middel van bellen, claxons of andere gelijkwaardige waarschuwingssystemen, het algemeen alarm hoorbaar gemaakt kan worden. De algemeen alarm-installatie is in staat zowel een doorlopend signaal als het signaal «schip verlaten» voort te brengen. Het signaal «schip verlaten» bestaat uit zeven of meer korte stoten gevolgd door een lange stoot. Het algemeen alarm-signaal moet vanaf de brug ook gegeven kunnen worden op de scheepsfluit of sirene.
De algemeen alarm-installatie wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron van het schip en door de elektrische noodkrachtbron, bedoeld in de artikelen 42, 43 of 43a en 64 van bijlage II.
Aan boord van een schip, geen passagiersschip zijnde, van 500 ton of meer en aan boord van elk passagiersschip is de algemeen alarm- installatie zodanig uitgevoerd dat deze, na te zijn ingeschakeld, bij voortduring alarmeert totdat de installatie met de hand wordt afgezet of wordt onderbroken voor een bericht over de algemene omroepinstallatie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot alarmsignalen en de daarbij behorende geluidsniveaus.
Afdeling VIII. Diversen
Artikel 51. Handboek voor opleiding
Het handboek voor opleiding, dat uit verschillende banden kan bestaan, dient instructies en informatie te bevatten, gesteld in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en waar mogelijk geïllustreerd, ten aanzien van de aan boord geplaatste reddingmiddelen en de beste overlevingsmethoden. In plaats van in dit handboek kan de informatie of enig deel daarvan ook met behulp van audio-visuele middelen worden verstrekt.
De volgende punten dienen uitvoerig te worden toegelicht:
Artikel 52. Instructies voor onderhoud aan boord
Instructies voor het onderhoud van reddingmiddelen aan boord moeten gemakkelijk te begrijpen zijn, waar mogelijk geïllustreerd zijn en al naar gelang de volgende gegevens voor elk reddingmiddel omvatten:
Artikel 53. Alarmrol en instructies voor noodgevallen
De alarmrol moet bijzonderheden bevatten inzake het algemeen alarmsignaal, voorgeschreven in artikel 50, en moet tevens de maatregelen aangeven die door bemanning en passagiers genomen moeten worden wanneer dit signaal gegeven wordt. Op de alarmrol moet ook aangegeven worden hoe het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
Op de alarmrol moeten de taken worden vermeld die aan de verschillende bemanningsleden worden opgedragen, waaronder:
Op de alarmrol moet aangegeven zijn welke officieren aangewezen zijn om er voor te zorgen dat de redding- en brandbestrijdingsmiddelen in goede staat en klaar voor onmiddellijk gebruik worden gehouden.
Op de alarmrol moeten plaatsvervangers aangegeven zijn voor de belangrijkste personen, indien deze niet tot handelen in staat zouden zijn, rekening houdende met het gegeven dat verschillende noodsituaties verschillende maatregelen noodzakelijk maken.
Op de alarmrol moeten de aan de bemanning opgedragen taken in noodsituaties ten aanzien van de passagiers worden aangegeven.
Deze taken moeten onder meer omvatten:
De alarmrol moet zijn opgemaakt voordat het schip een reis onderneemt. Nadat de alarmrol eenmaal is opgemaakt, moet, wanneer een verandering in de samenstelling van de bemanning wijziging van de alarmrol noodzakelijk maakt, de rol worden herzien of een nieuwe rol worden opgemaakt.
De alarmrol van passagiersschepen moet ter keuring worden ingediend bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Hoofdstuk D. Bepalingen voor kleine vaartuigen
Artikel 54. Toepasselijkheid
De artikelen 55 tot en met 59 zijn uitsluitend van toepassing op kleine vaartuigen.
Artikel 55. Communicatie op kleine vaartuigen
VHF radio-installaties
Ten behoeve van de radiocommunicatie tussen de groepsreddingmiddelen onderling en het schip, alsmede tussen het schip en de hulpverleningsboot, moeten aan boord van schepen VHF radio-installaties die voldoen aan het bepaalde in artikel 14c van bijlage XIII, aan boord zijn. Het is niet noodzakelijk dat er voor ieder groepsreddingmiddel een afzonderlijke VHF radio-installatie is, maar er moeten op schepen van 300 ton of meer ten minste twee VHF radio-installaties aan boord zijn en op schepen van minder dan 300 ton ten minste één VHF radio-installatie.
Aan deze bepaling kan ook worden voldaan door toepassing van andere draagbare communicatie-apparaten die aan boord worden gebruikt, mits die apparaten voldoen aan het bepaalde in artikel 14c van bijlage XIII.
2.1. Noodsignalen
Op of in de nabijheid van de brug moeten ten minste zes valschermsignalen aanwezig zijn, die voldoen aan het bepaalde in artikel 35.
2.2. Aan boord van elk schip moet een algemeen alarminstallatie zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in artikel 50. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hiervan vrijstelling verlenen, indien de inrichting van het schip zodanig is dat het voorschrift kennelijk overbodig is.
Artikel 56. Persoonlijke reddingmiddelen aan boord van kleine vaartuigen
Reddingboeien
1.1. Aan boord van elk schip moeten ten minste drie reddingboeien aanwezig zijn die voldoen aan het bepaalde in artikel 31, eerste lid, en zij moeten:
1.2. Ten minste twee van de voorgeschreven reddingboeien moeten zijn voorzien van een zelfontbrandend licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 31, tweede lid. Op tankschepen moeten de zelfontbrandende lichten van een type met een elektrisch element zijn.
1.3. Op iedere reddingboei moet de naam en thuishaven van het schip waarop de boei is geplaatst, in blokletters zijn aangegeven.
Reddinggordels
2.1. Voor elke opvarende moet een reddinggordel aan boord zijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 32, eerste of tweede lid, en die is voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 32, derde lid. Bovendien moet:
2.2. De reddinggordels moeten zo zijn opgeborgen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en hun bergplaats moet duidelijk zijn aangegeven. Wanneer, vanwege de bijzondere indeling van het schip, de reddinggordels, voorgeschreven in lid 2.1, onbereikbaar kunnen worden, moeten andere maatregelen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden genomen, welke kunnen inhouden dat een groter aantal reddinggordels aan boord moet zijn.
Overlevingspakken
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)