Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet
3.1. Voor elke opvarende die deel uitmaakt van de bemanning moet een overlevingspak van de juiste maat, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33, aan boord zijn.
3.2. Een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33, mag worden meegeteld als reddinggordel bij de toepassing van het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 57. Instructies voor noodgevallen aan boord van kleine vaartuigen
Ieder bemanningslid moet ten minste eenmaal per vier maanden deelnemen aan een oefening "schip verlaten", alsmede aan een oefening in het blussen van brand.
Iedere oefening "schip verlaten" moet ten minste omvatten:
Iedere oefening in het blussen van brand omvat ten minste:
Alle oefeningen "schip verlaten" en alle oefeningen in het blussen van brand moeten worden uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie.
Iedere oefening moet tevens worden gebruikt om instructie te geven ten aanzien van de taken van elk bemanningslid in geval van een noodsituatie. Deze instructie moet, naast de in het tweede lid genoemde onderwerpen, omvatten:
De data waarop appels en oefeningen worden gehouden, de bijzonderheden van oefeningen "schip verlaten" en van oefeningen in het blussen van brand moeten worden opgetekend in het scheepsjournaal.
Indien de inrichting en de afmetingen van het schip, het aantal bemanningsleden, de beschikbaarheid van het schip en bemanning het uitvoeren van oefeningen als hierboven genoemd onredelijk of onpraktisch maken, kunnen met bemanningsleden van andere soortgelijke schepen en aflosbemanningen gezamenlijk eenmaal per vier maanden de hierboven bedoelde oefeningen worden gehouden aan boord van een schip of in een daartoe ingerichte instelling aan de wal.
Voor de bemanningen van schepen die onder de Nederlandse kust opereren en die vanwege het bedrijf een jaarlijkse herhaling van de veiligheidscursus volgen, kunnen de oefeningen die in het eerste tot en met het zesde lid zijn genoemd achterwege blijven.
Artikel 58. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten aan boord van passagiersschepen, zijnde een klein vaartuig
Groepsreddingmiddelen
1.1. Alle reddingvlotten die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, moeten te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 15 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
1.2. Voor passagiersschepen geldt het volgende:
Hulpverleningsboot
Passagiersschepen moeten ten minste één hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan artikel 47. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met het vrijboord en de manoeuvreerbaarheid van het schip, alsmede met de aanwezigheid van middelen om drenkelingen aan boord te halen, vaststellen dat van de hulpverleningsboot kan worden afgezien.
Artikel 59. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten aan boord van een klein vaartuig, geen passagiersschip zijnde
Groepsreddingmiddelen
1.1. Alle reddingvlotten die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen moeten te water gelaten kunnen worden binnen een tijdsbestek van 10 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
1.2. Voor kleine vaartuigen, geen passagiersschepen zijnde, geldt het volgende:
Hulpverleningsboten
Vrachtschepen moeten ten minste één hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan het bepaalde in artikel 47. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met het vrijboord en de manoeuvreerbaarheid van het schip, alsmede met de aanwezigheid van middelen om drenkelingen aan boord te halen, vaststellen dat van de hulpverleningsboot kan worden afgezien.
Indien het aantal bemanningsleden minder is dan vier, behoeft eveneens geen hulpverleningsboot aan boord aanwezig te zijn.
Bijlage XII
Vervallen.
Bijlage XIII
Vervallen.
Bijlage XIV
Vervallen.
Bijlage XV
Vervallen.
Bijlage XVI. Geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota
Artikel 1. Bewaren van de medische uitrusting
De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.
Artikel 2. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota, van verplegingsartikelen
De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, zijn zij door een tussenschot gescheiden.
De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.
Artikel 3. Nummering, afschrift lijst, benamingen
Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 93, eerste lid. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in de in artikel 1 van deze Bijlage bedoelde kisten, kasten of ruimten.
Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen, zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.
Artikel 4. Levering van geneesmiddelen en antidota
De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.
Artikel 5. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota
Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de in deze Bijlage genoemde voorschriften van toepassing.
Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.
Artikel 6. Geneeskundig handboek
Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.
Bijlage XVII. Vervoer van verpakte of gestorte gevaarlijke stoffen
Artikel 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is deze bijlage van toepassing op gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 130 van dit besluit, die in verpakte of gestorte vorm worden geladen, vervoerd en gelost in en uit passagiers- en vrachtschepen.
Artikel 2. Verpakking
De verpakking van gevaarlijke stoffen moet:
Waar het noodzakelijk is bij de verpakking van vloeistoffen in houders absorberend materiaal of materiaal dat beschermt tegen schokken, te gebruiken, moet dat materiaal:
Houders die gevaarlijke vloeistoffen bevatten, moeten bij de vultemperatuur een zodanig voldoende vrije ruimte hebben, dat de hoogste temperatuur die in de loop van normaal vervoer kan optreden, kan worden ondergaan.
Gasflessen of andere houders die gassen onder druk bevatten, moeten doelmatig zijn geconstrueerd, beproefd en onderhouden en op de juiste wijze zijn gevuld.
Lege, niet gereinigde houders die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, moeten voldoen aan de bepalingen voor gevulde houders, tenzij doelmatige voorzieningen zijn getroffen om elk gevaar op te heffen.
Artikel 3. Merken en gevaarsetiketten
Ieder collo dat een gevaarlijke stof bevat, moet duurzaam zijn gemerkt met de juiste technische benaming van de stof; handelsnamen mogen niet als enige benaming worden gebezigd.
Ieder collo dat een gevaarlijke stof bevat, moet op een duidelijk zichtbare plaats zijn voorzien van een aangehecht of opgedrukt gevaarsetiket, op zodanige wijze dat de gevaarlijke aard van de stof duidelijk opvalt.
De methode waarop colli die gevaarlijke stoffen bevatten, zijn gemerkt met de juiste technische benaming en zijn voorzien van het gevaarsetiket, moet zodanig zijn dat deze informatie nog herkenbaar is op colli die ten minste 3 maanden onderdompeling in zeewater hebben doorstaan; bij het bepalen van zulk een geschikte methode van merken en etiketteren moet rekening worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en met het uitwendige oppervlak van de colli.
Ieder collo dat een gevaarlijke stof bevat, moet afzonderlijk worden gemerkt. Tevens moet ieder collo afzonderlijk worden geëtiketteerd, met uitzondering van:
Artikel 4. Bescheiden
In alle bescheiden die betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee, wordt vermeld:
De door de verscheper opgemaakte ladingpapieren moeten inhouden of zijn vergezeld van een ondertekend certificaat of een ondertekende verklaring, dat de voor verscheping aangeboden partij deugdelijk is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd, voor zover van toepassing, en zich in een deugdelijke toestand voor vervoer bevindt.
De personen die verantwoordelijk zijn voor het stuwen van gevaarlijke stoffen in een vrachtcontainer of een voertuig, geven een ondertekend container-beladingscertificaat of een ondertekende voertuig-beladingsverklaring af, waarin wordt verklaard dat de lading in de laadeenheid deugdelijk is gestuwd en vastgezet, en dat aan alle van toepassing zijnde vervoersvoorschriften is voldaan. Dit certificaat of deze verklaring mag worden gecombineerd met het ondertekend certificaat of de ondertekende verklaring, bedoeld in het tweede lid.
Indien een vermoeden bestaat dat een vrachtcontainer of een voertuig met gevaarlijke stoffen is beladen op een wijze die niet in overeenstemming is met de voorschriften, bedoeld in het tweede of derde lid, of indien geen ondertekend container-beladingscertificaat of een ondertekende voertuig-beladingsverklaring als bedoeld in het derde lid aanwezig is, wordt de vrachtcontainer of het voertuig niet voor verscheping geaccepteerd.
Elk schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, moet een speciale lijst of manifest aan boord hebben, waarin in overeenstemming met de in artikel 130 van dit besluit vermelde klasse-indeling, de gevaarlijke stoffen aan boord en de plaats waar deze zich bevinden, worden omschreven. In plaats van zulk een speciale lijst of manifest kan een gedetailleerd stuwplan worden gebezigd, waarin naar klasse en plaats van stuwage alle aan boord aanwezige gevaarlijke stoffen zijn aangegeven. Een afschrift van één van deze bescheiden wordt voor vertrek door de kapitein, de exploitant of de agent van het schip aan de desbetreffende bevoegde autoriteit afgegeven.
Laadeenheden, vrachtcontainers inbegrepen, zijn gedurende de gehele reis geladen, gestuwd en zeevast gezet overeenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde «Handleiding vastzetten van lading» («Cargo Securing Manual»).
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de «Handleiding vastzetten van lading», bedoeld in het zesde lid.
Artikel 5. Stuwagevoorschriften
Gevaarlijke stoffen worden, in overeenstemming met de eigenschappen van de stoffen, veilig en op doelmatige wijze geladen, gestuwd en zeevast gezet. Stoffen die elkaar niet verdragen, worden op zodanige afstand van elkaar geladen, gestuwd en zeevast gezet, dat redelijkerwijs deze stoffen niet met elkaar in aanraking kunnen komen.
Ontplofbare stoffen en voorwerpen, uitgezonderd munitie, die een ernstig gevaar kunnen opleveren, moeten worden gestuwd in een kruitkamer die tijdens de reis goed gesloten en op slot moet worden gehouden. Zulke stoffen en voorwerpen moeten voldoende ver van ontstekingsmiddelen worden gestuwd. Elektrische uitrusting en kabels in een ruimte waarin ontplofbare stoffen of voorwerpen worden vervoerd, moeten zodanig zijn ontworpen en worden gebruikt, dat zij geen brand of ontploffing kunnen veroorzaken.
Verpakte gevaarlijke stoffen die gevaarlijke dampen kunnen afgeven, moeten in een mechanisch geventileerde ruimte of aan dek worden gestuwd. Gestorte gevaarlijke stoffen die gevaarlijke dampen kunnen afgeven, moeten in een goed geventileerde ruimte worden gestuwd.
Op schepen waarmee ontvlambare vloeistoffen of gassen worden vervoerd, moeten, indien noodzakelijk, bijzondere voorzorgsmaatregelen worden getroffen tegen brand of explosie.
Stoffen die aan spontane verhitting of aan broei of zelfontbranding onderhevig kunnen zijn, mogen niet worden vervoerd tenzij doeltreffende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om de kans dat brand zal uitbreken tot een minimum terug te brengen.
Artikel 6. Ontplofbare stoffen en voorwerpen aan boord van passagiersschepen
Aan boord van passagiersschepen mogen ontplofbare stoffen en voorwerpen behorende tot klasse 1.4, samenladingsgroep S, in iedere hoeveelheid worden vervoerd. Andere ontplofbare stoffen en voorwerpen mogen niet worden vervoerd met uitzondering van de volgende:
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat grotere hoeveelheden of andere soorten ontplofbare stoffen of voorwerpen worden vervoerd aan boord van een passagiersschip, wanneer daartoe bijzondere en naar zijn oordeel voldoende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen.
Bijlage XVIII
Vervallen.
Bijlage XIX. Vervoer van lading
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Toepassing
Deze bijlage is van toepassing op het vervoer van ladingen die ten gevolge van hun bijzondere gevaren voor het schip en de personen aan boord bijzondere voorzorgsmaatregelen vereisen, met uitzondering van het vervoer van ladingen die bestaan uit vloeistoffen of gassen in bulk, voor het vervoer waarvan in artikel 130g van dit besluitregels zijn gesteld.
Artikel 2. Ladinggegevens
De verscheper verschaft de kapitein of zijn vertegenwoordiger tijdig en voorafgaand aan het laden de ladinggegevens, bedoeld in het tweede lid, om maatregelen voor een passende stuwage en een veilig vervoer van de lading te kunnen treffen. Dergelijke gegevens worden, voorafgaand aan de belading van het schip, op een door de havenautoriteiten toegelaten wijze bevestigd door middel van toepasselijke scheepsdocumenten.
De ladinggegevens bestaan bij de verschillende hieronder aangegeven soorten lading uit:
Voorafgaand aan het laden van lading in laadeenheden vergewist de verscheper zich er van dat de brutomassa van de laadeenheden in overeenstemming is met de op de scheepsdocumenten vermelde brutomassa.
Artikel 3. Zuurstofmeting en gasdetectie-apparatuur
Bij het vervoer van bulkladingen die giftige of brandbare gassen kunnen afgeven, of die een tekort aan zuurstof in het ruim kunnen veroorzaken, is een passend en goedgekeurd instrument voor het meten van de concentratie van het gas of de zuurstof aanwezig. Het instrument gaat vergezeld van gedetailleerde instructies voor het gebruik.
De bemanning is geoefend in het gebruik van dit instrument.
Artikel 4. Gebruik van pesticiden op schepen
Voor het gassen worden passende voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van pesticiden aan boord van schepen getroffen.
Artikel 5. Stuwage en zeevast zetten
Aan of onder dek vervoerde lading en lading in laadeenheden worden zodanig geladen, gestuwd en zeevast gezet, dat gedurende de gehele reis schade of gevaar voor schip en opvarenden en verlies van lading zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Lading in laadeenheden zijn zodanig verpakt en zeevast gezet, dat gedurende de gehele reis schade of gevaar voor het schip en opvarenden wordt voorkomen.
Zowel tijdens het laden als het vervoer van zware ladingstukken of ladingen met buitengewone afmetingen worden passende voorzorgsmaatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat geen schade aan de scheepsconstructie optreedt en de stabiliteit tijdens de reis steeds toereikend is.
Zowel tijdens het laden als het vervoer van lading in laadeenheden worden aan boord van ro/roschepen passende voorzorgsmaatregelen getroffen, in het bijzonder ten aanzien van de vastzetvoorzieningen aan boord van dergelijke schepen, de lading in laadeenheden en de sterkte van de bevestigingspunten en de sjorringen.
Containers mogen niet zwaarder worden beladen dan het maximum brutogewicht, zoals aangegeven op of nabij het merk van goedkeuring, bedoeld in het Besluit containers.
Laadeenheden, vrachtcontainers inbegrepen, zijn gedurende de gehele reis geladen, gestuwd en zeevast gezet overeenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde «Handleiding vastzetten van lading» («Cargo Securing Manual»).
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de «Handleiding vastzetten van lading», bedoeld in het zesde lid.
Hoofdstuk 2. Bijzondere voorzieningen voor bulkladingen anders dan graan
Artikel 6. Aanvaarden van lading voor verscheping
Voor het laden van een bulklading is de kapitein in het bezit van uitgebreide gegevens betreffende de stabiliteit van het schip en de verdeling van de lading voor de kenmerkende beladingstoestanden. Deze gegevens voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde nadere regels.
Concentraten of andere verpappende ladingen worden uitsluitend voor belading aanvaard als het werkelijke vochtgehalte van de lading minder is dan het, voor een veilig vervoer benodigde, maximum toelaatbare vochtgehalte. Dergelijke concentraten en andere ladingen mogen echter, zelfs indien het vochtgehalte het voornoemde maximum toelaatbare vochtgehalte overschrijdt, voor belading worden geaccepteerd indien veiligheidsvoorzieningen zijn getroffen om een toereikende stabiliteit in geval van overgaan van de lading te waarborgen en mits de scheepsconstructie dat toelaat.
Voor het laden van een bulklading met potentieel gevaarlijke chemische eigenschappen, doch die niet in overeenstemming met artikel 130 van dit besluit in een daar genoemde klasse is ingedeeld, worden bijzondere voorzorgsmaatregelen voor een veilig vervoer getroffen.
Artikel 7. Stuwen van bulklading
Bulkladingen worden zodanig geladen en, indien noodzakelijk, geheel vlak en horizontaal getrimd, dat het gevaar van overgaan van de lading tot een minimum wordt teruggebracht en dat wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele reis een voldoende stabiliteit kan worden gehandhaafd.
Indien bulkladingen in tussendeksruimten worden vervoerd zijn de luiken in dergelijke tussendekken gesloten in die gevallen waarin de beladingsgegevens een onaanvaardbare spanning van de bodemconstructie tonen bij geopende luiken. De lading wordt zo goed mogelijk vlak getrimd en strekt zich van zijde tot zijde uit of er zijn aanvullende langsschotten van voldoende sterkte aangebracht. De veilige dekbelasting van een tussendek wordt in acht genomen teneinde te waarborgen dat de dekconstructie niet wordt overbelast.
Hoofdstuk 3. Vervoer van graan
Artikel 8
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
«graan»: tarwe, maïs, haver, rogge, gerst, rijst, peulvruchten en zaden, alsmede de bewerkte vormen daarvan indien het gedrag gelijk is aan dat van graan in onbewerkte staat.
Artikel 9. Eisen aan het vervoer van graan
Een schip dat graan vervoert, voldoet, onverminderd de overige van toepassing zijnde bepalingen, aan bij ministeriële regeling gestelde regels met betrekking tot onder meer de graan-stabiliteit, graan-ladinggegevens, berekening van de kenterende momenten, de wijze waarop het graan moet worden beladen, en is voorzien van een document van machtiging.
Artikel 10
Vervallen.
Artikel 11
Vervallen.
Artikel 12
Vervallen.
Artikel 13
Vervallen.
Artikel 14
Vervallen.
Artikel 15
Vervallen.
Artikel 16
Vervallen.
Artikel 17
Vervallen.
Artikel 18
Vervallen.
Artikel 19
Vervallen.
Artikel 20
Vervallen.
Artikel 21
Vervallen.
Artikel 22
Vervallen.
Artikel 23
Vervallen.
Bijlage XX. Vervoer van dieren
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
dieren: paarden, rundvee, varkens, schapen en geiten;
Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst: De Inspecteur, districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, in wiens district de haven waar het vervoer van dieren aanvangt, is gelegen;
stallen: hokken, boxen, stallen en dergelijke, waarin de dieren worden vervoerd.
Hoofdstuk II. Vervoer anders dan als deklading
Artikel 2. Verzorging, plaatsing en onderbrenging van dieren
Elk dier moet voldoende ruimte hebben om het in staat te stellen te drinken, te eten en te rusten gedurende de reis.
Paarden, en rundvee met een levend gewicht van 125 kilogram en daarboven, moeten steeds dwarsscheeps worden geplaatst.
Dieren moeten worden vervoerd in stallen die niet op luiken mogen zijn geplaatst, tenzij afdoende voorzieningen zijn getroffen om te beletten dat water, urine en andere afvalstoffen door deze luiken in onderliggende ruimten zouden komen.
De constructie, inrichting en afwerking van de stallen, alsmede de materialen waarvan deze zijn vervaardigd, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.
Artikel 3. Ruimte voor dieren
Stallen moeten de volgende afmetingen hebben, waarbij breedte langsscheeps en diepte dwarsscheeps dienen te worden gemeten:
Voor elke reis stelt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast hoeveel dieren in één stal mogen worden geplaatst, met dien verstande dat de hieronder als ten hoogste genoemde aantallen daarbij in acht dienen te worden genomen:
Bij de vaststelling van deze aantallen moet in acht worden genomen, dat per dier ten minste de volgende breedte beschikbaar dient te zijn:
Wanneer één volwassen rund in één stal wordt vervoerd, moet de beschikbare breedte ten minste 0,90 meter zijn; voor een niet volwassen rund kan in dat geval met ten minste 0,70 meter worden volstaan.
Elke stier moet steeds in een afzonderlijke stal worden geplaatst. De stallen voor stieren mogen, in afwijking van bovenstaande algemeen gestelde maten voor volwassen rundvee, zonodig een diepte van ten hoogste 3,00 meter hebben.
Bij de vaststelling van de aantallen rundvee moet verder in acht worden genomen, dat voor zwaar melkvee en voor drachtig vee extra ruimte beschikbaar dient te zijn. Tevens moet bij de vaststelling van het aantal dieren dat in één stal mag worden geplaatst rekening worden gehouden met de reisduur en de bestemming der te vervoeren dieren.
Artikel 4. Vervoer van drachtig rundvee
Drachtig rundvee waarvan het afkalven tijdens de voorgenomen reis waarschijnlijk moet worden geacht, moet zodanig worden gestald, dat het te allen tijde mogelijk is voldoende ruimte voor het afkalven gemakkelijk beschikbaar te maken.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt het aantal plaatsen vast, dat beschikbaar moet worden gehouden voor rundvee dat tijdens de te ondernemen reis waarschijnlijk zal afkalven.
Artikel 5. Luchtverversing
Elk ruim waarin dieren worden vervoerd, moet zijn voorzien van goede natuurlijke en kunstmatige ventilatie waardoor onder alle weersomstandigheden de aanvoer van zuurstofrijke buitenlucht en de afvoer van zuurstofarme stallucht zijn verzekerd.
Daartoe moeten doelmatige mechanische ventilatoren zijn aangebracht, die zowel lucht in het ruim kunnen persen, als lucht uit het ruim kunnen afzuigen.
De capaciteit van de ventilatoren moet zo groot zijn, dat onder alle weersomstandigheden voor elk volwassen paard en rund ten minste 70 kubieke meter verse lucht per uur beschikbaar is.
Bovendien moet voor elk ruim waarin dieren worden vervoerd, ten minste één koelzeil aanwezig zijn.
In de ruimen mogen geen dieren worden geplaatst op meer dan 3 meter afstand van de uitmondingen van op de ventilatoren aangesloten luchtleidingen.
In overdekte en ingesloten ruimten waarin dieren worden vervoerd, moet aan boord van een stoomschip ter hoogte van de stookplaats en van de machinekamer, tussen de ketelkoelkast, de machinekamerschacht en de beschieting van de stalruimten, een isolerende luchtlaag aanwezig zijn van ten minste 75 millimeter dikte.
Artikel 6. Verlichting
Alle ingesloten dekken waarover dieren worden geleid of waarop deze in stallen zijn ondergebracht, moeten van een elektrische verlichting zijn voorzien. De lichtpunten moeten op onderlinge afstanden van ten hoogste 6 meter zijn aangebracht. In elk lichtpunt moet een lamp van ten minste 40 watt zijn geplaatst.
Artikel 7. Gangpaden
Tussen elke twee rijen dieren en bij elke enkele rij moet een langsscheeps gangpad worden vrijgehouden, zodat een goede verzorging van de dieren onder alle weersomstandigheden mogelijk is. Daartoe moeten deze gangpaden een breedte van ten minste 0,75 meter hebben en steeds vrij worden gehouden. In het uiterste voor- en achterschip en daar, waar constructiedelen over een lengte van niet meer dan 1 meter in het gangpad uitsteken, mag deze breedte tot 0,45 meter afnemen.
Twee of meer langsscheepse gangpaden in één ruimte moeten door ten minste één dwarsscheeps pad van ten minste 0,50 meter breedte zijn verbonden.
Artikel 8. Afvoer
Doeltreffende voorzieningen moeten zijn getroffen voor de afvoer van urine en water van alle dekken waarop dieren worden vervoerd. Daartoe moeten voldoende spuikleppen, spuigaten of afvoerpijpen aanwezig zijn. Steeds moet de vrije toegang tot deze spuikleppen, spuigaten en afvoerpijpen zijn verzekerd.
Afvoerpijpen naar de vullings moeten zijn voorzien van een rooster of korf, waardoor stro, hooi en andere vaste stoffen worden tegengehouden.
Artikel 9. Drinkwater, voer en ligmateriaal
De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat het schip is bevoorraad met een hoeveelheid drinkwater, voldoende voor het drenken van de dieren gedurende de te ondernemen reis; hij is tevens verplicht zich te vergewissen, dat de afzender voldoende voer aan boord heeft gebracht voor het voeren van de dieren gedurende de te ondernemen reis.
In verband met de mogelijkheid van onvoorziene vertraging tijdens de reis door slecht weer of andere oorzaken, moet ten minste 10 percent van het te berekenen verbruik extra worden medegenomen voor reizen van één week of van langere duur en ten minste 20 percent voor reizen van kortere duur. Bij de beoordeling of de hoeveelheid drinkwater voldoende is, mag rekening worden gehouden met de mogelijkheid van aanvulling gedurende de reis, eventueel door distilleren. Bij de beoordeling of de hoeveelheid voer voldoende is, mag rekening worden gehouden met de mogelijkheid van aanvulling gedurende de reis. Goede, waterdicht afgedekte berging moet aan boord beschikbaar zijn voor het voer.
Het drenken en voeren moet op voor de dieren gemakkelijke wijze geschieden. De dieren moeten ten minste "s morgens en "s avonds worden gedrenkt en gevoerd.
De drinkwatervoorziening moet zodanig zijn uitgevoerd, dat onder alle weersomstandigheden op elke plaats waar dieren zijn ondergebracht, voldoende vers drinkwater beschikbaar is. Voor het drenken van de dieren moet een voorraad vers drinkwater beschikbaar zijn, voldoende om elk paard of rund gemiddeld 50 liter per etmaal, elk varken, schaap of elke geit gemiddeld 10 liter per etmaal te geven.
Het voer moet zodanig zijn geborgen, dat onder alle weersomstandigheden op elke plaats waar dieren zijn ondergebracht, voldoende voer beschikbaar is. Voor het voeren van de dieren moet een voorraad voedsel beschikbaar zijn, voldoende om elk paard of volwassen rund gemiddeld 10 kilogram hooi per etmaal, elk niet volwassen rund 6 kilogram hooi per etmaal, elk kalf jonger dan 3 maanden gemiddeld 1 kilogram meelvoer of één vierde kilogram volle melkpoeder, elk varken gemiddeld 2 kilogram meelvoer, en elk schaap of elke geit gemiddeld 2 kilogram hooi per etmaal te geven.
Aan boord moet een voorraad stro of ander doeltreffend ligmateriaal aanwezig zijn, voldoende voor de ligging van de dieren in de stallen gedurende de reis.
Artikel 10. Vastmaken der dieren
Paarden, en rundvee met een levend gewicht van 125 kilogram en daarboven, horenloos of niet, moeten gedurende het vervoer met de hoofden goed worden vastgebonden op zodanige wijze, dat geen onnodig leed of onnodige kwelling wordt veroorzaakt. Voor het vastmaken van paarden en rundvee moeten sterke zachte halsters worden gebruikt. De kapitein kan van het voorschrift tot vastmaken afwijken, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maken.
Stieren mogen niet aan de neusring worden vastgemaakt op zodanige wijze, dat bij plaatsing in een stal het trekken aan het halstertouw wordt overgebracht op de neusring.
De achterijzers van éénhoevige dieren moeten vóór de reis worden afgenomen.
Artikel 11. Oppassers
De afzender moet ervoor zorg dragen, dat een aantal terzake kundige, zo mogelijk bevaren, oppassers die belast zijn met de verzorging van de dieren gedurende de reis aan boord zijn en wel voor paarden en voor rundvee ten minste één op dertig stuks, voor varkens, schapen en geiten ten minste één op honderd stuks.
Indien geen volle aantallen als genoemd in het eerste lid van dit artikel, of veelvouden daarvan worden vervoerd, mag één oppasser met de verzorging van ten hoogste 35 stuks paarden of rundvee worden belast, dan wel met de verzorging van ten hoogste 120 varkens, schapen of geiten.
3.
Bij het vervoer van melkkoeien en verse koeien moet op elke 15 koeien een vakbekwame melker aanwezig zijn. Bij het vervoer van drachtig rundvee moeten onder de oppassers steeds enige vakbekwame melkers aanwezig zijn.
Indien een zending dieren bestaat uit ten hoogste 5 paarden of 10 stuks rundvee of 15 varkens of 30 schapen of geiten, kan de verzorging, in afwijking van het hierboven bepaalde, worden opgedragen aan leden van de bemanning van het schip, wanneer zulks naar het oordeel van de kapitein geen bezwaar oplevert.
De verzorging van dieren waarvan verwacht kan worden dat zij tijdens de reis zullen werpen, valt nimmer onder de afwijking als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel.
De oppassers mogen niet in de stalruimten worden gehuisvest. Hun zal huisvesting en voeding worden verstrekt door de vervoerder onder de voorwaarden, overeengekomen tussen de afzender en de vervoerder.
Artikel 12. Reiniging en ontsmetting
Alle afdelingen van het schip, bestemd voor het vervoer van dieren, moeten vóór de inscheping grondig worden schoongemaakt en ontsmet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Tijdens de reis moeten alle stallen waarin dieren worden vervoerd, geregeld worden gereinigd. In de tropen moeten de stallen ten minste tweemaal per etmaal worden gereinigd.
Artikel 13. Inscheping
Dieren mogen alleeen worden ingescheept na goedkeuring door de Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst voor de te ondernemen reis en na goedkeuring voor export.
Gedurende de inscheping is de kapitein verplicht zorg te dragen dat het aantal en de soort dieren, dat in de stallen wordt gebracht, niet het aantal overschrijdt dat overeenkomstig het bepaalde in deze bijlage door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor de verschillende stallen werd vastgesteld.
Bij de inscheping moeten maatregelen worden genomen dat de dieren niet kunnen uitglijden op loopplanken, loopbruggen, in doorgangen en dergelijke van het schip, waarover en waardoor zij worden geleid.
Artikel 14. Medicamenten
Op elk schip waarmede dieren worden vervoerd, moet een beperkte hoeveelheid medicamenten en hulpmiddelen aan boord zijn, die voor de te ondernemen reis noodzakelijk kan worden geacht.
Artikel 15. Instrumenten voor het doden van dieren
Op elk schip waarmede dieren worden vervoerd, moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd schietmasker dan wel een pistool of revolver met een kaliber van ten minste 7,65 millimeter met bijbehorende munitie aanwezig zijn. Tevens moet op elk schip waarmede dieren worden vervoerd, een scherp mes met aanzetstaal aanwezig zijn voor het verrichten van de halssnede.
Artikel 16. Reserveplaatsen
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt voor elk dierentransport het aantal stallen vast, dat beschikbaar moet worden gehouden voor zieke of gekwetste dieren.
Hoofdstuk III. Vervoer als deklading
Artikel 17. Geldende bepalingen
Bij het vervoer van dieren als deklading gelden de voorschriften opgenomen in hoofdstuk II van deze bijlage, met uitzondering van die vermeld in de artikelen 5 tot en met 8.
Artikel 18. Bescherming van dieren
De kapitein van een schip dat dieren als deklading vervoert, is verplicht voor de aanvang van de reis de plaats en het aantal van de te vervoeren dieren te bepalen in verband met het jaargetijde, de te bevaren route en de diepgang van het schip.
Artikel 19. Verlichting
Op de plaatsen waar de dieren in hun stallen worden vervoerd, moet voor een goede dekverlichting worden zorg gedragen.
Bijlage XXI. Reglement betreffende de verkrijging van het getuigschrift als geïntegreerd scheepsgezel
Vervallen
Bijlage XXII. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma als sloepsgast
Vervallen
Bijlage XXIIA. Bemanningseisen voor tankschepen
Vervallen
Bijlage XXIII. Reglement houdende de verkrijging van geneeskundige verklaringen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan
Vervallen
Bijlage XXIV
Vervallen.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en het Publikatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk.
Artikel 72. Deuren en (toegangs-)luiken op kleine vaartuigen
De deuren en toegangsluiken moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten. De afsluitinrichtingen van de deuren en luiken moeten blijvend aan het schot of aan de deuren of de luiken zelf zijn bevestigd en deze moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat de deuren en de luiken, met uitzondering van vluchtluiken, aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten.
Artikel 73. Openingen boven de voortstuwingsruimte op kleine vaartuigen
Artikel 74. Diverse openingen in het vrijboorddek en in het dek van een bovenbouw of dekhuis op kleine vaartuigen
Artikel 75. Luchtkokers op kleine vaartuigen
Artikel 76. Luchtpijpen op kleine vaartuigen
Artikel 77. Spuipijpen, inlaat- en uitlaatopeningen op kleine vaartuigen
Indien een terugslagklep geplaatst is, behoeft de wanddikte niet groter te zijn dan aangegeven in kolom I.
waarin l: de lengte van de verschansing aan één zijde in meters is, welke niet groter behoeft te worden genomen dan 0,7 L.
Artikel 80. Bescherming van bemanning en passagiers op kleine vaartuigen
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan of kan hij toestaan dat met geheel of gedeeltelijk wegneembaar relingwerk, bestaande uit scepters, staaldraad en spanschroeven of dergelijke, wordt volstaan.
Op elk schip moet deklading ter plaatse van openingen die toegang geven tot de verblijven, voortstuwingsruimten en andere ruimten die in verband met de werkzaamheden aan boord moeten worden gebruikt, zodanig zijn gestuwd, dat deze openingen behoorlijk kunnen worden bereikt, geopend en afgesloten tegen het binnendringen van water.
Artikel 81. Typen kleine vaartuigen
Kleine vaartuigen worden onderscheiden in twee typen, namelijk schepen van het type A en schepen van het type B.
Een schip van het type A is een schip dat:
Schepen van het type B
Schepen zonder eigen voortstuwing
Artikel 82. Grondslag voor het aan kleine vaartuigen toe te kennen zomervrijboord
Artikel 83. Toeslag op het basisvrijboord voor kleine vaartuigen
Voor een schip van het type B, waarvan de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw kleiner is dan 35 percent van de scheepslengte, moet het basisvrijboord volgens artikel 82 van deze bijlage worden vermeerderd met:
L: de scheepslengte in meters en
Artikel 84. Correctie voor de volheidscoëfficiënt van kleine vaartuigen
Artikel 85. Kleinst toelaatbare boeghoogte op een klein vaartuig ter plaatse van de voorloodlijn
10 ∗ Bf ∗ L mm, waarin
Het vrijboord, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, echter zonder de correctie voor de plaats van de deklijn zoals bepaald in artikel 32 van deze bijlage, mag in zout water niet minder zijn dan 50 mm.
Bijlage II. Constructie - waterdichte indeling en stabiliteit, inrichting van de machinekamer en elektrische installaties
Hoofdstuk D. Elektrische installaties
Artikel 43a. Elektrische noodkrachtbron aan boord van vrachtschepen van minder dan 500 ton
Hoofdstuk F. Bepalingen voor kleine vaartuigen
Artikel 55. Toepasselijkheid
Artikel 56. Stabiliteit van passagiersschepen, een klein vaartuig zijnde, in beschadigde toestand
Asymmetrisch vollopen moet zoveel mogelijk worden beperkt als in overeenstemming is te brengen met een doelmatige indeling. Wanneer het noodzakelijk is om grote hellingshoeken te corrigeren, moeten middelen daartoe automatisch werken. De overvloei-inrichtingen, evenals de maximum slagzij die voor het overvloeien ontstaat, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Indien de overvloei-inrichtingen nodig zijn, mag de tijd die het overvloeien in beslag neemt niet meer zijn dan 15 minuten.
Artikel 57. Waterdichte schotten aan boord van passagiersschepen, een klein vaartuig zijnde
Artikel 58. Aanvaringsschotten aan boord van kleine vaartuigen, geen passagiersschip zijnde
Artikel 59. Stuurinrichting en roer op kleine vaartuigen
2.1. Alle onderdelen van de stuurinrichting, het roer en de roerkoning moeten van een doelmatige en betrouwbare constructie zijn zulks ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de geschiktheid en deugdelijkheid van ieder belangrijk onderdeel dat niet in duplo is uitgevoerd. Bij deze onderdelen moet op passende wijze gebruik worden gemaakt van antifrictielagers zoals kogellagers, rollagers of lagerbussen, welke voortdurend worden gesmeerd of voorzien moeten zijn van aansluitingen om deze te smeren.
3.3. De hoofdstuurinrichting moet door een krachtwerktuig aangedreven worden indien dit nodig is om aan het bepaalde in lid 3.2 te kunnen voldoen en in ieder geval wanneer door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een roerkoning met een grotere middellijn dan 120 mm ter plaatse van de helmstok wordt voorgeschreven, waarbij een eventuele versterking in verband met het varen in ijs buiten beschouwing wordt gelaten.
6.1. Indien de hoofdstuurinrichting met twee of meer identieke krachtwerktuigen is uitgevoerd behoeft een hulpstuurinrichting niet te zijn aangebracht, mits de hoofdstuurinrichting zodanig is uitgevoerd dat bij een enkelvoudige fout in het pijpleidingensysteem of aan een van de krachtwerktuigen, het defecte gedeelte zodanig buiten bedrijf kan worden gesteld dat de goede werking van de stuurinrichting kan worden gehandhaafd of snel kan worden hersteld.
10.1. Deugdelijke voorzieningen moeten zijn aangebracht om de reinheid van de hydraulische vloeistof voor hydraulisch gedreven stuurinrichtingen te waarborgen, daarbij rekening houdend met het type en het ontwerp van het hydraulische systeem.
Deze voorzieningen moeten tevens handleiders en roosters of andere slipvrije oppervlakken omvatten teneinde aanvaardbare werkomstandigheden te waarborgen in het geval van olielekkage.
Artikel 60. Aanvullende voorzieningen voor elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen opkleine vaartuigen
Aan boord van elk schip moet het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen op de brug worden aangegeven.
Artikel 61. Bediening hoofd- en hulpwerktuigen, noodzakelijk voor de voortstuwing op kleine vaartuigen
Artikel 62. Communicatie tussen brug en machinekamer op kleine vaartuigen
1.4. Indien transformatoren een essentieel onderdeel vormen van de volgens dit lid vereiste stroomvoorziening, moeten deze zodanig zijn ingericht dat dezelfde continuïteit van de stroomvoorziening als genoemd in dit lid verzekerd is.
Artikel 64. Elektrische noodkrachtbron aan boord van kleine vaartuigen
Artikel 65. Aanzetinrichtingen voor noodgeneratoraggregraten op kleine vaartuigen
Artikel 66. Voorzorgsmaatregelen tegen gevaren van elektrische oorsprong op kleine vaartuigen
2.1. Hoofd- en noodschakelborden moeten zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat zij zonder gevaar voor het aanwezige personeel gemakkelijk toegang geven tot de apparatuur en verdere uitrusting.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan bij uitzondering toestaan dat aan boord van een tankschip voor draaistroominstallaties met een lijnspanning van 3000 V of hoger het sterpunt wordt geaard, mits elke mogelijke resulterende stroom niet rechtstreeks door enige gevaarlijke ruimte kan vloeien.
9.1. In alle ruimten waar brandbare gasmengsels zich zouden kunnen verzamelen, met inbegrip van die aan boord van tankschepen, in elke afgescheiden ruimte voornamelijk bestemd voor accumulatorenbatterijen, in verfhutten, opslagplaatsen voor acetyleen of soortgelijke ruimten, mogen geen elektrische inrichtingen zijn aangebracht tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat deze:
9.2. In tanks en kofferdammen, alsmede voor tijdelijke verlichting van andere gevaarlijke ruimten, mag slechts gebruik worden gemaakt van een elektrische veiligheidslamp van een goedgekeurd type.
Artikel 67. Elektrotechnische voorzieningen voor werktuiglijke installaties op kleine vaartuigen
Artikel 69. Afstandbediening van voortstuwingswerktuigen vanaf de brug op kleine vaartuigen
Op de brug moeten aanwijsinstrumenten zijn aangebracht voor:
Artikel 70. Alarminstallatie op kleine vaartuigen
3.2. Een alarmtoestand moet gehandhaafd blijven totdat deze is geaccepteerd, terwijl de zichtbare aanduidingen van afzonderlijke alarmen zichtbaar moet blijven totdat de storing verholpen is, waarna het alarmsysteem automatisch moet terugkeren in de normale bedrijfstoestand.
Artikel 71. Bijzondere voorzieningen voor werktuigen, ketels en elektrische installaties op kleine vaartuigen
Automatisch regel- en alarmsysteem
3.3. Een alarmsysteem dat voldoet aan het bepaalde in artikel 70, moet zijn aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters.
3.4.2. Nabij de bedieningsplaats waar het voortstuwingswerktuig ter plaatse kan worden bediend, moeten ten minste de volgende instrumenten zijn aangebracht, welke aangeven:
Bijlage III. Lens- en ballastinrichtingen
Vervallen
Bijlage IV. Bescherming tegen, opsporing en bestrijding van brand
Hoofdstuk E. Bepalingen voor kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde
Artikel 64. Toepasselijkheid
De artikelen 65 tot en met 76 zijn uitsluitend van toepassing op kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde.
Artikel 65. Brandbluspompen, hoofdbrandblusleidingen, brandkranen en brandslangen aan boord van kleine vaartuigen
2.2. Elke voorgeschreven brandbluspomp moet een capaciteit hebben van niet minder dan 80 percent van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het minimum aantal vereiste brandbluspompen, doch in geen geval minder dan 10 m3/uur. Deze brandbluspompen moeten in staat zijn de hoofdbrandblusleiding onder de voorgeschreven voorwaarden van water te voorzien.
4.2. Wanneer de in lid 4.1 genoemde opbrengst, geleverd door de aldaar genoemde pomp of pompen, wordt verwerkt door straalpijpen als omschreven in lid 8, gekoppeld aan slangen aangesloten op in elkaars nabijheid gelegen brandkranen, moet bij alle brandkranen ten minste een druk kunnen worden gehandhaafd van 0,20 N/mm2, met dien verstande dat aan boord van een klein vaartuig, niet zijnde een passagiersschip, deze druk moet kunnen worden gehandhaafd bij verwerking van de voorgeschreven opbrengst door één straalpijp als bovenbedoeld.
Brandblusleidingen en brandkranen
Straalpijpen
Artikel 66. Vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof aan boord van kleine vaartuigen
3.5. Automatisch werkende brandbluseenheden zoals omschreven in lid 3.4, welke zijn aangebracht in ruimten voor machines boven uitrusting met een groot brandrisico, in aanvulling op en onafhankelijk van enige voorgeschreven, vast aangebrachte brandblusinstallatie, kunnen worden toegestaan, mits zij voldoen aan het bepaalde in de leden 3.4.3 tot en met 3.4.7, 3.4.9 en 3.4.10 alsmede aan de navolgende bepalingen:
Artikel 67. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines op kleine vaartuigen
Brandblusinrichtingen in andere ruimten voor machines
Artikel 68. Bijzondere voorzieningen in ruimten voor machines op kleine vaartuigen
Artikel 69. Brandweerbijl
Artikel 70. Constructie, brandwerendheid van schotten, dekken, wanden, beschietingen en plafonds
Schotten en dekken die de scheiding vormen tussen het stuurhuis en ruimten voor accommodatie of dienstruimten moeten ten minste van klasse B-O zijn.
Begrenzingswanden en dekken of plafonds van afzonderlijke kombuizen moeten ten minste van klasse B-O zijn.
Op passagiersschepen moeten, onverminderd het gestelde in het eerste lid, de wanden, beschietingen en plafonds ten minste van klasse C zijn.
boven de begintemperatuur uitstijgt. Indien wordt aangetoond dat de toe te passen versterkte kunststof bij aanmerkelijk hogere temperaturen dan 150° C wordt aangetast, kan van de onder b. genoemde temperatuur worden afgeweken.
Artikel 71. Voorzieningen voor ontsnapping op kleine vaartuigen
Artikel 72. Bescherming van trappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations op kleine vaartuigen
Trappen moeten zijn beschermd door schotten van klasse B-O. Indien de trap niet meer dan twee dekken bedient, kan worden volstaan met een bescherming op slechts één niveau.
Artikel 73. Deuren in brandwerende schotten en luiken in brandwerende dekken op kleine vaartuigen
Artikel 74. Ventilatiesystemen op kleine vaartuigen
Artikel 75. Beperking in het gebruik van brandbare materialen op kleine vaartuigen
Artikel 76. Brandontdekkings- en brandalarminstallaties aan boord van kleine vaartuigen
Bijlage IVa
Vervallen
Bijlage V. Radio-communicatie
Vervallen
Bijlage VI. INTERNATIONALE VEILIGHEIDSCODE VOOR DE SCHEEPVAART EN TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING (INTERNATIONAL SAFETY MANAGEMENT (ISM)-CODE)
Vervallen
Bijlage VII
Vervallen
Bijlage VIII
Vervallen
Bijlage IX
Vervallen
Bijlage X
Vervallen
Bijlage XI
Vervallen
Bijlage XIA. Reddingmiddelen en voorzieningen
Artikel 54. Toepasselijkheid
De artikelen 55 tot en met 59 zijn uitsluitend van toepassing op kleine vaartuigen.
Artikel 55. Communicatie op kleine vaartuigen
VHF radio-installaties
Aan deze bepaling kan ook worden voldaan door toepassing van andere draagbare communicatie-apparaten die aan boord worden gebruikt, mits die apparaten voldoen aan het bepaalde in artikel 14c van bijlage XIII.
Op of in de nabijheid van de brug moeten ten minste zes valschermsignalen aanwezig zijn, die voldoen aan het bepaalde in artikel 35.
1.1. Aan boord van elk schip moeten ten minste drie reddingboeien aanwezig zijn die voldoen aan het bepaalde in artikel 31, eerste lid, en zij moeten:
1.3. Op iedere reddingboei moet de naam en thuishaven van het schip waarop de boei is geplaatst, in blokletters zijn aangegeven.
2.1. Voor elke opvarende moet een reddinggordel aan boord zijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 32, eerste of tweede lid, en die is voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 32, derde lid. Bovendien moet:
Overlevingspakken
3.2. Een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33, mag worden meegeteld als reddinggordel bij de toepassing van het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 57. Instructies voor noodgevallen aan boord van kleine vaartuigen
Ieder bemanningslid moet ten minste eenmaal per vier maanden deelnemen aan een oefening "schip verlaten", alsmede aan een oefening in het blussen van brand.
Iedere oefening in het blussen van brand omvat ten minste:
Iedere oefening moet tevens worden gebruikt om instructie te geven ten aanzien van de taken van elk bemanningslid in geval van een noodsituatie. Deze instructie moet, naast de in het tweede lid genoemde onderwerpen, omvatten:
Indien de inrichting en de afmetingen van het schip, het aantal bemanningsleden, de beschikbaarheid van het schip en bemanning het uitvoeren van oefeningen als hierboven genoemd onredelijk of onpraktisch maken, kunnen met bemanningsleden van andere soortgelijke schepen en aflosbemanningen gezamenlijk eenmaal per vier maanden de hierboven bedoelde oefeningen worden gehouden aan boord van een schip of in een daartoe ingerichte instelling aan de wal.
1.1. Alle reddingvlotten die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, moeten te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 15 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
Hulpverleningsboot
Passagiersschepen moeten ten minste één hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan artikel 47. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met het vrijboord en de manoeuvreerbaarheid van het schip, alsmede met de aanwezigheid van middelen om drenkelingen aan boord te halen, vaststellen dat van de hulpverleningsboot kan worden afgezien.
Artikel 59. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten aan boord van een klein vaartuig, geen passagiersschip zijnde
1.1. Alle reddingvlotten die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen moeten te water gelaten kunnen worden binnen een tijdsbestek van 10 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein "schip verlaten" wordt gegeven.
Bijlage XII
Vervallen
Bijlage XIII
Vervallen
Bijlage XIV
Vervallen
Bijlage XV
Vervallen
Bijlage XVI. Geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota
Artikel 1. Bewaren van de medische uitrusting
Artikel 2. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota, van verplegingsartikelen
Artikel 4. Levering van geneesmiddelen en antidota
Artikel 5. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota
Artikel 6. Geneeskundig handboek
Bijlage XVII. Vervoer van verpakte of gestorte gevaarlijke stoffen
Vervallen
Bijlage XVIII
Vervallen
Bijlage XIX. Vervoer van lading
Vervallen
Bijlage XX. Vervoer van dieren
Vervallen
Bijlage XXI. Reglement betreffende de verkrijging van het getuigschrift als geïntegreerd scheepsgezel
Vervallen
Bijlage XXII. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma als sloepsgast
Vervallen
Bijlage XXIIA. Bemanningseisen voor tankschepen
Vervallen
Bijlage XXIII. Reglement houdende de verkrijging van geneeskundige verklaringen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan
Vervallen
Bijlage XXIV
Vervallen
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en het Publikatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)