Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet

Type Rijks Kb
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 703
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

2.3. Voor ruimten voor machines moeten de vaste pijpleidingen van de installatie zodanig zijn uitgevoerd dat 85 percent van de voorgeschreven hoeveelheid gas binnen twee minuten in de betrokken ruimte kan worden toegelaten.

2.4 Kooldioxide-brandblusinstallaties die zijn geïnstalleerd op of na 1 oktober 1994 voldoen aan de volgende voorschriften:

3.

Brandblusinstallaties met gehalogeniseerde koolwaterstoffen

3.1 Het gebruik van de gehalogeniseerde koolwaterstoffen halon 1301 en halon 1211 als blusstof in vast aangebrachte brandblusinstallaties is uitsluitend toegestaan:

3.2. Indien gehalogeniseerde koolwaterstoffen worden gebruikt als blusstof in vast aangebrachte systemen waarmee de benodigde hoeveelheid blusstof in korte tijd in de beschermde ruimte wordt toegevoegd:

3.3. Alleen voor ruimten voor machines welke door de installatie worden beschermd, mag de blusstof in zulke ruimten zijn opgeslagen; in zulk een geval mag uitsluitend Halon 1301 worden gebruikt. De afzonderlijke drukhouders moeten dan zodanig zijn opgesteld dat de gehele ruimte doelmatig is beschermd terwijl tevens aan de navolgende voorschriften moet zijn voldaan:

3.4. Plaatselijke, vast aangebrachte automatisch werkende brandbluseenheden met Halon 1301 en 1211 als blusstof, welke zijn aangebracht in omsloten ruimten met een groot brandrisico binnen ruimten voor machines, kunnen worden aanvaard in aanvulling op en onafhankelijk van enige voorgeschreven vast aangebrachte brandblusinstallatie, mits aan de navolgende voorschriften is voldaan:

3.5. Automatisch werkende brandbluseenheden zoals omschreven in lid 3.4, welke zijn aangebracht in ruimten voor machines boven uitrusting met een groot brandrisico, in aanvulling op en onafhankelijk van enige voorgeschreven, vast aangebrachte brandblusinstallatie, kunnen worden toegestaan, mits zij voldoen aan het bepaalde in de leden 3.4.3 tot en met 3.4.7, 3.4.9 en 3.4.10 alsmede aan de navolgende bepalingen:

Artikel 67. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines op kleine vaartuigen

1.

Ruimten waarin oliegestookte ketels of oliestookinrichtingen zijn opgesteld

1.1. Ruimten voor machines van categorie A waarin oliegestookte ketels of oliestookinrichtingen zijn opgesteld, moeten zijn voorzien van één van de volgende vast aangebrachte brandblusinstallaties:

Indien de machinekamers en ketelruimen niet volkomen van elkaar zijn gescheiden, of wanneer brandstofolie van het ketelruim in de machinekamer kan vloeien, moeten de betrokken machine- en ketelruimen tezamen als één afdeling worden beschouwd.

1.2. Op elke stookplaats van elk ketelruim en in elke ruimte waarin een deel van de oliestookinrichting is ondergebracht, moeten ten minste twee draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardige toestellen aanwezig zijn. In elk ketelruim moet ten minste één schuimbrandblustoestel van een goedgekeurd type met een inhoud van ten minste 135 l of een daaraan gelijkwaardig toestel aanwezig zijn. Deze toestellen moeten zijn voorzien van op haspels aangebrachte slangen die lang genoeg zijn om elk deel van het ketelruim te kunnen bereiken.

In het geval van ketels voor huishoudelijk gebruik met een vermogen van minder dan 175 kW kan voor het bepaalde in dit lid worden volstaan met ten minste een draagbaar schuimbrandblustoestel of een daaraan gelijkwaardig toestel.

1.3. Op elke stookplaats moeten één of meer bakken, tezamen inhoudende 0,3 m3 zand, met soda doordrenkt zaagsel of andere goedgekeurde droge stoffen, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden, aanwezig zijn. Een goedgekeurd draagbaar brandblustoestel kan hiervoor in de plaats worden gesteld.

1.4. Van een ketel met geforceerde trek moeten onder overdruk staande luchtkanalen, indien zich daarin lekolie kan verzamelen, zijn voorzien van een stoombrandblusinrichting.

2.Ruimten waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld

Ruimten voor machines van categorie A waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld moeten zijn voorzien van:

3.

Brandblusinrichtingen in andere ruimten voor machines

Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in het eerste en het tweede lid moet in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen van een goedgekeurd type of andere brandblusmiddelen zijn opgesteld als door hem voldoende wordt geacht.

4.

Vast aangebrachte brandblusinrichtingen niet vereist in deze bijlage

Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in deze bijlage wordt voorgeschreven, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Het bepaalde in artikel 105 van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 68. Bijzondere voorzieningen in ruimten voor machines op kleine vaartuigen

1.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op ruimten voor machines van categorie A en, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit wenselijk acht, ook op andere ruimten voor machines.

2.1. Het aantal schijnlichten, deuren, ventilatoren, openingen in schoorstenen voor afzuigventilatie en andere openingen van ruimten voor machines, moet zijn beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de behoeften met betrekking tot ventilatie en de goede bedrijfsvoering van het schip.

2.2. Schijnlichten moeten van staal zijn. Ramen, patrijspoorten of lichtranden mogen daarin niet zijn aangebracht. Geschikte voorzieningen moeten zijn getroffen voor de afvoer van rook uit de te beschermen ruimten in geval van brand.

2.3. Aan boord van passagiersschepen moeten deuren, andere dan mechanisch bewogen waterdichte deuren, bij brand in de ruimte voor machines doeltreffend kunnen worden gesloten. Dit sluiten dient te geschieden door middel van een mechanische sluitinrichting, dan wel door toepassing van zelfsluitende deuren die kunnen worden gesloten tegen een helling van 3½ graad in en die zijn voorzien van doeltreffende haken, voorzien van een op afstand te bedienen inrichting voor het vrijmaken daarvan.

3.

In schachten van ruimten voor machines mogen geen ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht. Dit sluit evenwel het gebruik van glas in wanden van controlekamers, die geheel binnen ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit.

4.

Bedieningsmiddelen moeten aanwezig zijn voor:

5.

De bedieningsmiddelen, vereist ingevolge het vierde lid van dit artikel en lid 2.5 van artikel 15 van deze bijlage, moeten buiten de betreffende ruimte zijn aangebracht, waar zij niet gemakkelijk onbereikbaar worden in geval van een brand in de ruimte welke zij bedienen.

Aan boord van passagiersschepen moeten dergelijke bedieningsmiddelen, alsmede de bedieningsmiddelen van alle voorgeschreven, vast aangebrachte brandblussystemen zijn aangebracht op één bedieningsplaats of gegroepeerd op zo weinig mogelijk plaatsen, dit ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Een dergelijke plaats of dergelijke plaatsen moeten een veilige toegang hebben vanaf het open dek.

6.

Indien een ruimte voor machines van categorie A op een laag niveau toegankelijk is vanuit een aangrenzende schroefastunnel, moet in de schroefastunnel en nabij de waterdichte deur een lichte stalen brandwerende deur zijn aangebracht, die aan beide zijden geopend en gesloten moet kunnen worden.

7.

Voor tijdelijk onbemande machinekamers aan boord van vrachtschepen moet, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, bijzondere aandacht worden gegeven aan de handhaving van de brandwerendheid van de ruimten voor machines, aan de plaats en de centrale opstelling van de bedieningsmiddelen van de brandblussystemen en aan de voorgeschreven middelen voor het stoppen van onder meer ventilatiesystemen en brandstofoliepompen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan aanvullende brandblussystemen en andere brandblusuitrusting verlangen, zomede aanvullende ademhalingstoestellen voor tijdelijk onbemande machinekamers. Aan boord van passagiersschepen moet door zulke eisen zekergesteld zijn dat de veiligheid gelijkwaardig is aan die van machinekamers waar een normale wachtbezetting wordt onderhouden.

8.

Een ventilatiesysteem van een ruimte voor machines van categorie A moet volledig gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. Een ventilatiesysteem van een ruimte voor machines anders dan van categorie A moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen.

Artikel 69. Brandweerbijl

Een klein vaartuig moet een brandweerbijl aan boord hebben.

Artikel 70. Constructie, brandwerendheid van schotten, dekken, wanden, beschietingen en plafonds

1.

Algemeen

Wanden en plafonds van gangen en portalen moeten ten minste van klasse B-O zijn.

2.

Schotten en dekken die de scheiding vormen tussen het stuurhuis en ruimten voor accommodatie of dienstruimten moeten ten minste van klasse B-O zijn.

3.

Begrenzingswanden en dekken of plafonds van afzonderlijke kombuizen moeten ten minste van klasse B-O zijn.

4.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de isolatie van stutten en andere lastdragende constructies van aluminium of van versterkte kunststof.

5.

Op passagiersschepen moeten, onverminderd het gestelde in het eerste lid, de wanden, beschietingen en plafonds ten minste van klasse C zijn.

6.

De bevestiging van wanden en plafonds van klasse B en C mogen bij brand niet worden aangetast.

7.

Schepen vervaardigd van staal

Schotten en dekken, die de scheiding vormen tussen de machinekamer en stuurhuis, dienstruimten of ruimten voor accommodatie moeten ten minste van klasse A-30 zijn.

8.

Schotten en dekken, die de scheiding vormen tussen een ruimte voor de opslag van blusstof als bedoeld in artikel 66, en de machinekamer, stuurhuis, dienstruimten of ruimten voor accommodatie moeten ten minste van klasse A-30 zijn.

9.

Schepen vervaardigd van aluminium of van versterkte kunststof

De huid, schotten en dekken die de machinekamer omgeven moeten aan de zijde van de machinekamer van een zodanige isolatie zijn voorzien dat de temperatuur van de aluminium danwel van de versterkte kunststoffen constructie gedurende het eerste halfuur van de standaardbrandproef te eniger tijd niet meer dan:

boven de begintemperatuur uitstijgt. Indien wordt aangetoond dat de toe te passen versterkte kunststof bij aanmerkelijk hogere temperaturen dan 150° C wordt aangetast, kan van de onder b. genoemde temperatuur worden afgeweken.

De isolatie op de huid moet zich uitstrekken van het dek tot ten minste 100 mm onder het niveau van de lastlijn behorende bij het ledige bedrijfsklare schip.

10.

De huid, schotten en dekken die een ruimte voor de opslag van blusstof als bedoeld in artikel 66 omgeven, moeten aan de buitenzijde van die ruimte zijn geïsoleerd, overeenkomstig het bepaalde in het negende lid.

11.

Stutten of andere constructies ter ondersteuning van het dek van de machinekamer dienen, indien van aluminium of van versterkte kunststof, eveneens te worden geïsoleerd, overeenkomstig het bepaalde in het negende lid.

12.

In onderdeks gelegen ruimten voor accommodatie en dienstruimten moet worden voorkomen dat bij brand de scheepsconstructie van aluminium of van versterkte kunststof direct wordt aangetast. Daartoe moeten beschietingen en plafonds zijn aangebracht van ten minste klasse C, met een minimum dikte van 10 mm, tenzij de scheepsconstructie is geïsoleerd.

Artikel 71. Voorzieningen voor ontsnapping op kleine vaartuigen

1.

Trappen en ladders moeten zodanig zijn aangebracht dat vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, het open dek en vervolgens de reddingmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder moet aan de volgende algemene bepalingen zijn voldaan:

2.

In ruimten voor machines van categorie A moet een voorziening voor ontsnapping, bestaande uit een stalen trap of stalen ladder, zijn aangebracht.

Artikel 72. Bescherming van trappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations op kleine vaartuigen

1.

Trappen moeten zijn beschermd door schotten van klasse B-O. Indien de trap niet meer dan twee dekken bedient, kan worden volstaan met een bescherming op slechts één niveau.

2.

Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander gelijkwaardig materiaal toestaat.

Artikel 73. Deuren in brandwerende schotten en luiken in brandwerende dekken op kleine vaartuigen

1.

De brandwerendheid van deuren respectievelijk luiken moet gelijkwaardig zijn aan die van het schot of dek waarin zij zijn aangebracht.

2.

Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van de machinekamer, niet leidend naar het open dek, moeten zelfsluitend en redelijk gasdicht zijn.

3.

Deuren of toegangsluiken van de machinekamer, die leiden naar het open dek, moeten van staal zijn.

4.

In gangwanden mogen ventilatie-openingen slechts zijn aangebracht in en onder de deuren van hutten en ruimten voor algemeen gebruik. De openingen mogen uitsluitend in de onderste helft van een deur zijn aangebracht en de totale oppervlakte van deze opening of openingen mag niet meer bedragen dan 0,05 m².

Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, moet deze zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.

5.

Waterdichte deuren behoeven niet te zijn geïsoleerd.

Artikel 74. Ventilatiesystemen op kleine vaartuigen

1.

Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m² bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:

3.

Kanalen voor de ventilatie van ruimten voor machines van categorie A, van afzonderlijke kombuizen of van andere ruimten met gelijke brandgevaarlijkheid mogen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen, tenzij deze kanalen:

4.

Kanalen voor ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen niet door ruimten voor machines van categorie A, door afzonderlijke kombuizen of door andere ruimten met gelijke brandgevaarlijkheid lopen, tenzij de kanalen:

5.

Ventilatiekanalen, waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m² bedraagt, welke door schotten van klasse "B" gaan, moeten zijn voorzien van stalen van ommantelingskokers. De ommantelingskoker moet een dikte hebben van ten minste 1,5 mm en een lengte van ten minste 900 mm. De lengte van de ommantelingskoker moet zijn verdeeld in 450 mm aan iedere zijde van het schot. Een ommantelingskoker behoeft niet te worden aangebracht indien de betreffende kanalen over dezelfde lengte van staal met een dikte van ten minste 1,5 mm zijn vervaardigd.

6.

Al het mogelijke dient te worden gedaan om te bereiken dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin gecontroleerd kunnen worden en op deugdelijke wijze blijven werken. Bijzondere voorzieningen behoeven niet te worden getroffen indien het controlestation gelegen is op, en uitgang verleend naar het open dek.

7.

Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij zijn geconstrueerd als schotten van klasse "A". Elke zodanige afvoerkoker moet zijn uitgerust met:

8.

De hoofdinlaten en -uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimte die wordt geventileerd, kunnen worden gesloten.

9.

Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten van een gemakkelijk bereikbare plaats, buiten de ruimte die zij bedienen, kunnen worden gestopt. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.

Artikel 75. Beperking in het gebruik van brandbare materialen op kleine vaartuigen

1.

Alle blootgestelde oppervlakken in gangen, ingesloten ruimten voor trappen en ruimten voor passagiers moeten een laag vlamspreidend vermogen hebben.

Plafonds in nachtverblijven en in het stuurhuis moeten eveneens een laag vlamspreidend vermogen hebben.

2.

Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, mogen geen, naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onnodig, brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of andere giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.

3.

De onderste laag van dekbedekkingen, aangebracht in gangen, portalen en het stuurhuis moet van materiaal zijn dat niet gemakkelijk ontbrandt of aanleiding geeft tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.

4.

Alle isolatiematerialen, ook indien niet voorgeschreven uit hoofde van brandbescherming, dienen van onbrandbare kwaliteit te zijn.

Artikel 76. Brandontdekkings- en brandalarminstallaties aan boord van kleine vaartuigen

1.

Een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie moet zijn aangebracht in:

2.

De installatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat in geval van brand een hoorbaar en zichtbaar alarm in het stuurhuis wordt gegeven. Ook in eventuele nachtverblijven dient dit alarm hoorbaar te zijn. (∗)Verwezen wordt naar de aanbevelingen gepubliceerd door de Internationale Elektrotechnische Commissie en in het bijzonder Publicatie 92 - Elektrische Installaties aan boord van schepen.∗Met een veilige ruimte wordt bedoeld een ruimte waarin het toetreden van koolwaterstofdampen gevaren zou oproepen met betrekking tot brand of vergiftiging.∗Met een veilige ruimte wordt bedoeld een ruimte waarin het toetreden van koolwaterstofdampen gevaren zou oproepen met betrekking tot brand of vergiftiging.

Bijlage IVa

Vervallen.

Bijlage V. Radio-communicatie

Artikel 1. Toepassing

1.

Ieder schip moet uiterlijk op 1 augustus 1993 voldoen aan het bepaalde in artikel 6, onder punt vier en zes.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moet ieder schip dat voor 1 februari 1995 is gebouwd:

3.

Ieder schip dat op of na 1 februari 1995 is gebouwd moet voldoen aan alle van toepassing zijnde bepalingen van deze bijlage.

4.

Het bepaalde in deze bijlage is niet van toepassing op een schip dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, met dien verstande dat, indien het schip is bemand, radiocommunicatie met het slepende schip mogelijk moet zijn.

Artikel 2. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 3. Ontheffingen

1.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan gedeeltelijke of voorwaardelijke ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 13, onder voorwaarde dat:

2.

Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden verleend:

Artikel 4. Functionele eisen

Ieder schip moet in staat zijn om:

Artikel 5. Radio-installaties

1.

Ieder schip moet zijn uitgerust met radio-installaties die in staat zijn om:

2.

Iedere radio-installatie moet:

3.

De bediening van de VHF-kanalen, die ten behoeve van de veiligheid van de navigatie zijn voorgeschreven, moet op de brug, nabij de plaats waar de navigatie wordt gevoerd, direct mogelijk zijn. Waar nodig, moeten voorzieningen zijn getroffen om de radiocommunicatie vanaf de brugvleugels te kunnen afhandelen. Hiertoe mogen draagbare VHF radio-installaties worden gebruikt.

Artikel 6. Algemene bepalingen voor de radio-uitrusting

Ieder schip moet zijn uitgerust met:

Artikel 7. Radiotelefonie-luisterwachtontvanger

Tot 1 februari 1999, of tot een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen datum, moet ieder schip in aanvulling op het bepaalde in artikel 6 zijn uitgerust met een radiotelefonie-luisterwachtontvanger werkend op de noodfrequentie van 2182 KHz.

Artikel 8. Radiotelefonie-alarmseingever

Tot 1 februari 1999 moet ieder schip, tenzij het uitsluitend bestemd is om reizen in het zeegebied A1 te ondernemen, zijn uitgerust met een middel om het radiotelefonie-alarmsein automatisch op te wekken.

Artikel 9. Ontheffingen

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan schepen die op of na 1 februari 1997 zijn gebouwd ontheffen van het bepaalde in de artikelen 7 en 8.

Artikel 10. Radio-uitrusting voor het zeegebied A1

1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 6 moet ieder schip dat bestemd is om uitsluitend reizen in het zeegebied A1 te ondernemen, zijn uitgerust met een radio-installatie die vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd het verzenden van noodalarmering naar de wal kan starten door middel van hetzij:

2.

De in artikel 6, eerste lid, voorgeschreven VHF radio-installatie moet ook geschikt zijn voor algemene radioberichtgeving met gebruik van radiotelefonie.

3.

In plaats van een satellietnoodradiobaken als voorgeschreven in artikel 6, zesde lid, kunnen schepen welke bestemd zijn om uitsluitend reizen in zeegebied A1 te ondernemen volstaan met een noodradiobaken dat:

Artikel 11. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1 en A2

1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 6 moet ieder schip dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten het zeegebied A1, maar binnen het zeegebied A2, zijn voorzien van:

2.

Het starten van de uitzending van noodalarmering door middel van de radioinstallatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, moet mogelijk zijn vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

3.

Het schip moet tevens in staat zijn om algemene radioberichten uit te zenden en te ontvangen met gebruik van radiotelefonie of DPT door middel van:

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, voor schepen gebouwd voor 1 februari 1997, welke uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in zeegebied A2, mits deze schepen een ononderbroken luisterwacht houden op VHF kanaal 16. Deze wacht moet gehouden worden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 12. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2 en A3

1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 6 moet ieder schip dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen het zeegebied A3, voldoen aan het bepaalde in het tweede of derde lid.

2.

Het schip moet zijn voorzien van:

3.

Het schip moet zijn voorzien van:

4.

Het starten van de uitzending van noodalarmering door middel van de radio-installaties bedoeld in het tweede lid, onderdeel a , b en d , en het derde lid, onderdeel a en c , moet mogelijk zijn vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

5.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, voor schepen gebouwd voor 1 februari 1997, welke uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2 en A3, mits deze schepen een ononderbroken luisterwacht houden op VHF kanaal 16. Deze wacht moet gehouden worden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 13. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2, A3 en A4

1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 6, moet een schip dat bestemd is om reizen te ondernemen in alle zeegebieden voldoen aan het bepaalde in artikel 12, derde lid, met dien verstande dat de apparatuur bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel c, onder 2°, niet aanvaard wordt als een alternatief voor de apparatuur bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel c, onder 1°. Bovendien moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 12, vierde lid.

2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, voor schepen gebouwd voor 1 februari 1997, welke uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2, A3 en A4, mits deze schepen een ononderbroken wacht houden op VHF kanaal 16. Deze wacht moet gehouden worden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 14. Radiowachten

1.

Aan boord van ieder schip moet buitengaats een ononderbroken wacht worden gehouden:

2.

Aan boord van ieder schip moet buitengaats een radiowacht worden gehouden, ten behoeve van uitzendingen van maritieme veiligheidsinformatie, op de hiervoor bestemde frequentie of frequenties waarop deze informatie wordt uitgezonden voor het gebied waarin het schip vaart.

3.

Aan boord van ieder schip moet buitengaats, tot 1 februari 1999 of tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader vast te stellen datum, voor zover uitvoerbaar een ononderbroken wacht op kanaal 16 worden gehouden.

4.

Aan boord van ieder schip moet buitengaats, tot 1 februari 1999 of tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader vast te stellen datum, een ononderbroken wacht op de radiotelefonienoodfrequentie van 2182 kHz worden gehouden.

5.

De in de voorgaande leden genoemde radiowachten moeten worden gehouden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 15. Krachtbronnen

1.

Buitengaats moet altijd een elektrische krachtbron beschikbaar zijn van voldoende vermogen om de radio-installaties te doen werken en de aanwezige batterijen gebruikt voor de reservekrachtbron of krachtbronnen ten behoeve van de radio-installaties te laden.

2.

Aan boord van ieder schip moeten een of meer reservekrachtbronnen aanwezig zijn om de radio-installaties te voeden, teneinde de nood- en veiligheidsberichten te kunnen afhandelen in het geval dat de hoofd- en noodkrachtbronnen uitvallen. De reserve krachtbron of -krachtbronnen moeten in staat zijn de volgende radio-installaties gelijktijdig te voeden:

3.

De voeding, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats gedurende ten minste:

Onafhankelijke HF en MF radio-installaties behoeven niet gelijktijdig door de reservekrachtbron of -krachtbronnen te kunnen worden gevoed.

4.

De reservekrachtbron of -krachtbronnen moeten onafhankelijk zijn van de voortstuwingsinstallatie en de elektrische installatie van het schip.

5.

Indien naast de VHF radio-installatie twee of meer van de andere radio-installaties, als bedoeld in het tweede lid, kunnen worden aangesloten op de reservekrachtbron of -krachtbronnen, moeten deze krachtbron of krachtbronnen in staat zijn om gedurende de van toepassing zijnde periode bedoeld in het derde lid, onder a of b, de VHF radio-installatie te kunnen voeden gelijktijdig met:

6.

De reservekrachtbron of krachtbronnen mogen gebruikt worden om de elektrische verlichting bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d, te voeden.

7.

Indien een reservekrachtbron bestaat uit oplaadbare accumulatorenbatterij of -batterijen moet:

8.

De plaatsing en installatie van accumulatorenbatterijen die als reserve krachtbron dienen, moet zodanig zijn dat:

9.

Indien een ononderbroken invoer van informatie vanuit de navigatie-apparatuur of andere uitrusting in de voorgeschreven radio-installatie noodzakelijk is voor de goede werking van deze installatie, moeten er voorzieningen zijn om de voortdurende levering van zulke informatie zeker te stellen bij het uitvallen van de hoofd- en noodkrachtbron van het schip.

Artikel 16. Overgangsbepaling

Apparatuur geïnstalleerd voor de datum van in werking treding, zoals vermeld in artikel 1 van deze bijlage, moet tenminste voldoen aan de voorschriften, zoals die tot die datum van toepassing waren.

Artikel 17. Onderhoud en beschikbaarheid van radio-installaties

1.

Radio-installaties moeten zodanig zijn ontworpen dat de hoofdonderdelen op eenvoudige wijze, zonder uitgebreide hercalibratie of afregeling, kunnen worden vervangen.

2.

Waar van toepassing moeten de installaties zodanig zijn vervaardigd en geïnstalleerd dat deze gemakkelijk toegankelijk zijn voor inspecties en onderhoud aan boord.

3.

Voor de bediening en het onderhoud van de installaties moet voldoende, doelmatige informatie aan boord aanwezig zijn.

4.

Teneinde de beschikbaarheid van de radio-installaties zeker te stellen moeten voor het onderhoud, dat door de houder(s) van een certificaat maritieme radiocommunicatie kan worden uitgevoerd, voldoende reservedelen en doelmatig gereedschap aan boord aanwezig zijn.

5.

De radio-installaties, zoals in deze bijlage zijn voorgeschreven, worden zodanig onderhouden dat, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, de beschikbaarheid van de voorgeschreven functies, zoals omschreven in artikel 4, wordt gewaarborgd en dat is voldaan aan de uitvoeringsnormen voor de uitrusting.

6.

Op elk schip dat bestemd is reizen te ondernemen binnen de zeegebieden A1 en A2 is de beschikbaarheid van de voorgeschreven functies gewaarborgd door methoden als duplicering van de installaties of het uitvoeren van onderhoud door een walorganisatie, dan wel door een combinatie van deze methoden. De gebruikte methode is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

7.

In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 6 en 12, is elk schip dat bestemd is reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen zeegebied A3, ten minste uitgerust met:

8.

In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 6 en 13, is elk schip dat bestemd is reizen te ondernemen in alle zeegebieden, uitgerust met een VHF radio-installatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a en b, en een MF/HF radio-installatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 12, derde lid, onder a. Indien het schip slechts incidenteel in het zeegebied A4 reizen onderneemt en voldoet aan het bepaalde in artikel 13, eerste lid, mag de bovengenoemde uitrusting vervangen worden door een INMARSAT scheepssatellietstation, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, onder a, onderdelen 1°, 2° en 3°.

9.

In aanvulling op het gestelde in het zevende en achtste lid, moet ieder schip dat bestemd is reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende voorzieningen hebben getroffen voor de uitvoering van onderhoud van de radio-installatie door een walorganisatie.

10.

De aanvullende apparatuur zoals omschreven in het zesde tot en met het achtste lid en hierna aangeduid als "gedupliceerde uitrusting", moet onafhankelijk van de overige radio-installaties kunnen functioneren en dient te zijn voorzien van een eigen antenne-inrichting. De bediening van deze apparatuur moet op de brug nabij de plaats waar de navigatie wordt gevoerd, direct mogelijk zijn. De gedupliceerde uitrusting moet aangesloten kunnen worden op de reserve-krachtbronnen, vereist in artikel 15 van bijlage V, tezamen met de in de artikelen 6, 10, 11, 12 en 13 van bijlage V voorgeschreven radio-installaties, hierna aangeduid als "basisuitrusting". De capaciteit van de reserve-krachtbron(nen) dient voldoende te zijn om die onderdelen van de basisuitrusting of van de corresponderende gedupliceerde uitrusting met het grootste vermogen gelijktijdig te voeden zoals aangegeven in artikel 15, derde lid onder a en b, van deze bijlage. De energievoorziening van de basisuitrusting en de gedupliceerde uitrusting moet zodanig zijn dat een enkelvoudig defect in de reservekrachtbron, niet kan leiden tot het gelijktijdig uitvallen van de basisuitrusting en de gedupliceerde uitrusting, wanneer de hoofdkrachtbron of de noodkrachtbron van het schip normaal functioneert.

11.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het gestelde in het zesde tot en met achtste lid, indien naar zijn oordeel voldoende voorzieningen zijn getroffen voor volledig onderhoud aan boord.

12.

De voor het schip getroffen onderhoudsvoorzieningen dienen te zijn aangegeven in het uitrustingsoverzicht behorende bij het betreffende radioveiligheidscertificaat dan wel het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen.

13.

Hoewel in redelijkheid maatregelen zijn genomen om de installaties in een goede staat te houden teneinde te voldoen aan de functionele eisen, bedoeld in artikel 4, wordt een storing van de installatie die zorgdraagt voor de algemene radioberichtgeving, zoals voorgeschreven in artikel 4, onderdeel 8, niet uitgelegd als ware het schip niet zeewaardig of als een reden om het schip in een haven op te houden in het geval van het niet direct voorhanden zijn van reparatie-faciliteiten, mits het schip te allen tijde in staat is alle nood- en veiligheidsfuncties ten uitvoer te brengen.

Bijlage VI. INTERNATIONALE VEILIGHEIDSCODE VOOR DE SCHEEPVAART EN TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING (INTERNATIONAL SAFETY MANAGEMENT (ISM)-CODE)

VOORWOORD

1.

Doel van deze Code is internationale veiligheidsnormen vast te stellen voor de scheepvaart en ter voorkoming van verontreiniging.

2.

De Vergadering van de IMO heeft Resolutie A.443 (XI) aangenomen, waarbij alle regeringen wordt verzocht de nodige stappen te nemen om te garanderen dat de kapitein zich behoorlijk kan kwijten van zijn verantwoordelijkheden met betrekking tot de veiligheid op zee en de bescherming van het zeemilieu.

3.

De Vergadering heeft tevens Resolutie A.680 (17) aangenomen, waarbij nogmaals de noodzaak erkend wordt van een behoorlijk georganiseerd beleid ten einde tegemoet te kunnen komen aan de behoeften van zeevarenden wier taak het is de voorzieningen voor veiligheid en milieubescherming op een hoog peil te brengen en te houden.

4.

De Vergadering beseft dat er altijd onderlinge verschillen tussen rederijen en scheepseigenaren zullen bestaan en dat schepen in de meest uiteenlopende omstandigheden worden gebruikt, reden waarom de Code op algemene beginselen en doelstellingen gebaseerd is.

5.

De Code is met het oog op een ruim toepassingsgebied in algemene termen geformuleerd. Uiteraard zal op de verschillende beleidsniveaus, aan wal dan wel aan boord, een uiteenlopende mate van bekendheid met de aangegeven punten vereist zijn.

6.

Wil een veiligheidsbeleid succes hebben, dan is het in de eerste plaats nodig dat de bedrijfsleiding hier achter staat. In zaken van veiligheid en vervuilingspreventie zijn het de inzet, de vakkennis, de mentaliteit en motivatie van de betrokkenen op alle niveaus die het uiteindelijke resultaat bepalen.

1. ALGEMEEN

1.1. Definities

1.1.1. Met «International Safety Management (ISM) Code» wordt de door de Vergadering goedgekeurde internationale veiligheidscode voor de scheepvaart en ter voorkoming van verontreiniging bedoeld, zoals eventueel door de IMO gewijzigd.

1.1.2. Onder «rederij» wordt de scheepseigenaar verstaan, of iedere andere organisatie of persoon, zoals de manager of de rompbevrachter die de verantwoordelijkheid voor het gebruik van het schip van de scheepseigenaar heeft overgenomen en die zich, door deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, bereid heeft verklaard alle uit de Code voortvloeiende plichten en verantwoordelijkheden op zich te nemen.

1.1.3. Onder «overheid» wordt de regering verstaan van de Staat waarvan het schip de vlag mag voeren.

1.2. Doelstellingen

1.2.1. Doel van de Code is de veiligheid op zee te verzekeren en te bereiken dat er niemand gewond raakt, dat er geen mensenlevens verloren gaan en dat er geen schade aan het milieu - met name het zeemilieu - en aan eigendommen wordt toegebracht.

1.2.2. Met haar veiligheidsbeleid dient de rederij onder meer na te streven:

1.2.3. Met dit veiligheidsbeleidssysteem moet bereikt worden:

1.3. Toepassing

De vereisten van de Code kunnen op alle schepen worden toegepast.

1.4. Functionele vereisten voor een veiligheidsbeleidssysteem (Safety Management System; SMS)

Iedere rederij moet een veiligheidsbeleidssysteem (SMS) ontwikkelen, uitvoeren en onderhouden waarin de volgende functionele vereisten zijn verwerkt:

2. VEILIGHEIDS- EN MILIEUBESCHERMINGBELEID

2.1. De rederij moet een veiligheids- en milieubeschermingsbeleid vaststellen waarmee beschreven wordt hoe de in punt 1.2 aangegeven doelstellingen bereikt zullen worden.

2.2. De rederij moet erop toezien dat dit beleid op alle administratieve niveaus, zowel aan wal als aan boord, uitgevoerd en gehandhaafd wordt.

3. VERANTWOORDELIJKHEDEN EN AUTORITEIT VAN DE REDERIJ

3.1. Indien de voor het gebruik van het schip verantwoordelijke persoon of instantie niet de eigenaar is, moet de eigenaar de overheid van de volledige naam van deze persoon of instantie en alle gegevens betreffende deze persoon of instantie in kennis stellen.

3.2. De rederij dient precies aan te geven hoe de verantwoordelijkheden verdeeld zijn van alle personeelsleden die belast zijn met het verrichten van of met het toezicht op werkzaamheden in verband met en van invloed zijnde op veiligheid en vervuilingspreventie en hoe het met de gezagsverhoudingen en onderlinge betrekkingen tussen deze personeelsleden gesteld is, alsmede één en ander naar behoren te documenteren.

3.3. De rederij dient erop toe te zien dat de aangewezen persoon of personen over voldoende middelen en assistentie van het walpersoneel kunnen beschikken om hun functies te kunnen uitoefenen.

4. AANGEWEZEN PERSOON (PERSONEN)

Ten einde de veiligheid aan boord van elk schip te kunnen verzekeren en een verbinding tot stand te brengen tussen de rederij en het boordpersoneel, moet iedere rederij, volgens de behoeften, aan de wal één of meerdere personen aanwijzen die rechtstreeks met de hoogste autoriteit in het bedrijf in contact kan (kunnen) treden. Deze aangewezen persoon (of personen) moet(en) tevens de verantwoordelijkheid en bevoegdheid krijgen om te verifiëren of een schip nog aan de gestelde veiligheids- en vervuilingspreventievereisten voldoet en erop toezien dat er, zoals vereist, op voldoende middelen en assistentie van de wal gerekend kan worden.

5. VERANTWOORDELIJKHEID EN GEZAG VAN DE KAPITEIN

5.1. De rederij moet duidelijk de verantwoordelijkheden van de kapitein afbakenen en documenteren met betrekking tot:

5.2. De rederij moet erop toezien dat het aan boord van het schip gehanteerde SMS een duidelijke verklaring bevat waarin het gezag van de kapitein benadrukt wordt. De rederij moet in dit SMS ook vastleggen dat de kapitein het hoogste gezag alsmede de verantwoordelijkheid heeft om besluiten te nemen met betrekking tot veiligheid en vervuilingspreventie en om de rederij, zo nodig, om assistentie te vragen.

6. MIDDELEN EN PERSONEEL

6.1. De rederij moet erop toezien dat de kapitein:

6.2. De rederij moet erop toezien dat elk schip, in overeenstemming met nationale en internationale voorschriften, bemand wordt met personeelsleden die de nodige kwalificaties en getuigschriften hebben en in goede gezondheid verkeren.

6.3. De rederij dient procedures vast te stellen om te verzekeren dat nieuwe personeelsleden en met nieuwe taken in verband met veiligheid en milieubescherming belaste personeelsleden naar behoren met hun nieuwe functies vertrouwd gemaakt worden. Wanneer het van essentieel belang is dat bepaalde instructies vóór het tijdstip van de afvaart gegeven worden, dienen deze, als zodanig genoemd, geregistreerd en metterdaad gegeven te worden.

6.4. De rederij dient erop toe te zien dat alle bij de tenuitvoerlegging van het door de rederij gehanteerde SMS betrokken personeelsleden een voldoende begrip van de desbetreffende regels, voorschriften, codes en richtsnoeren hebben.

6.5. De rederij moet procedures vaststellen en handhaven waarmee moet worden nagegaan of en in hoeverre er behoefte bestaat aan extra onderricht ter ondersteuning van het bestaande SMS en moet ervoor zorgen dat alle betrokken personeelsleden deze bijscholing krijgen.

6.6. De rederij dient procedures vast te stellen waardoor de bemanningsleden voorlichting over het gehanteerde SMS ontvangen in een werktaal of -talen die zij begrijpen.

6.7. De rederij moet ervoor zorgen dat de bemanningsleden bij de uitvoering van hun met het SMS verband houdende taken doeltreffend met elkaar kunnen communiceren.

7. UITWERKING VAN PLANNEN VOOR WERKZAAMHEDEN AAN BOORD

De rederij dient procedures vast te stellen voor de voorbereiding van plannen en instructies voor essentiële werkzaamheden aan boord in verband met de veiligheid van het schip en ter voorkoming van verontreiniging. De verschillende desbetreffende taken moeten als zodanig worden omschreven en aan gekwalificeerde personeelsleden worden toegewezen.

8. NOODSITUATIES

8.1. De rederij dient procedures vast te stellen waarmee potentiële noodsituaties aan boord als zodanig kunnen worden onderkend en beschreven en waarmee de in deze situaties vereiste maatregelen kunnen worden genomen.

8.2. De rederij dient programma’s vast te stellen voor oefeningen ter voorbereiding op noodsituaties.

8.3. Het door de rederij gehanteerde SMS dient te voorzien in maatregelen waarmee verzekerd kan worden dat haar bedrijf te allen tijde op potentieel gevaarlijke situaties, ongevallen en noodsituaties waarbij schepen van de rederij betrokken zijn, kan reageren.

9. RAPPORTEREN EN ANALYSEREN VAN INBREUKEN, ONGEVALLEN EN GEVAARLIJKE SITUATIES

9.1. Het SMS dient procedures te omvatten waarmee verzekerd kan worden dat inbreuken, ongevallen en gevaarlijke situaties aan de rederij worden gerapporteerd en verder onderzocht en geanalyseerd worden met het doel de veiligheid en vervuilingspreventie te verbeteren.

9.2. De rederij dient procedures vast te stellen voor het nemen van corrigerende maatregelen.

10. ONDERHOUD VAN SCHIP EN UITRUSTING

10.1. De rederij dient procedures vast te stellen waarmee verzekerd moet worden dat het schip voortdurend in overeenstemming is met het bepaalde in de desbetreffende regels en voorschriften, alsmede met eventueel door de rederij vast te stellen bijkomende vereisten.

10.2. Met het oog op deze vereisten moet de rederij ervoor zorgen:

10.3. De rederij dient in het kader van haar SMS procedures vast te stellen voor het aanwijzen van uitrustingsstukken en technische systemen die tot gevaarlijke situaties aanleiding kunnen geven, wanneer zij plotseling dienst weigeren. Het SMS moet voorzien in specifieke maatregelen ter bevordering van de betrouwbaarheid van deze uitrustingsstukken of systemen. De maatregelen dienen ook het geregeld testen te omvatten van reservevoorzieningen en -uitrustingsstukken of van technische hulpsystemen die niet voortdurend in gebruik of bedrijf zijn.

10.4. De in punt 10.2 genoemde inspecties, alsmede de in punt 10.3 genoemde maatregelen moeten een integrerend onderdeel van de normale onderhoudswerkzaamheden aan boord vormen.

11. DOCUMENTATIE

11.1. De rederij dient procedures vast te stellen en te handhaven voor de controle van alle documenten en gegevens die voor haar SMS van belang zijn.

11.2. De rederij moet er zorg voor dragen:

11.3. De documenten ter beschrijving en uitvoering van het SMS kunnen met de term «Handboek voor het Veiligheidsbeleid» worden aangeduid. De desbetreffende documentatie dient in de door de rederij meest geschikt geachte vorm te worden bewaard. Ieder schip dient alle voor dat schip relevante documentatie aan boord te hebben.

12. INSPECTIES, HERZIENINGEN EN EVALUATIE DOOR DE REDERIJ

12.1. De rederij dient interne veiligheidscontroles te houden om na te gaan of de met betrekking tot veiligheid en vervuilingspreventie genomen maatregelen met het SMS in overeenstemming zijn.

12.2. De rederij moet op gezette tijden het SMS op zijn doeltreffendheid toetsen en zo nodig herzien, zulks overeenkomstig de door de rederij vastgestelde procedures.

12.3. De controles en eventuele corrigerende maatregelen moeten in overeenstemming met gedocumenteerde procedures worden uitgevoerd.

12.4. De met de controles belaste personeelsleden mogen generlei binding hebben met de afdelingen waarop de inspecties betrekking hebben, tenzij omvang en aard van de rederij het onmogelijk maken aan deze regel de hand te houden.

12.5. De resultaten van de controles en herzieningen dienen ter kennis van alle personeelsleden met verantwoordelijkheden in de geïnspecteerde afdelingen te worden gebracht.

12.6. Het met de leiding van de geïnspecteerde afdeling belaste personeel dient bij eventueel gevonden tekortkomingen tijdig corrigerende maatregelen te nemen.

13. CERTIFICATIE, VERIFICATIE EN CONTROLE

13.1. Om een schip te exploiteren dient de rederij in het bezit te zijn van een voor het schip afgegeven conformiteitsdocument.

13.2. Voor iedere rederij die voldoet aan de vereisten van de ISM-code moet door de overheid, door een door de overheid erkende organisatie, dan wel - namens de overheid - door de regering van het land waarin de rederij haar bedrijf wenst uit te oefenen, een conformiteitsdocument worden afgegeven. Dit document moet aanvaard worden als bewijs dat de rederij in staat is zich aan de vereisten van de Code te conformeren.

13.3. Een exemplaar van dit document moet aan boord worden bewaard, zodat de kapitein het, desgevraagd, kan tonen wanneer de overheid of door de overheid erkende organisaties hiervan inzage wensen.

13.4. De overheid of de door de overheid erkende organisatie moet voor elk schip een veiligheidsmanagementcertificaat afgeven. Bij de afgifte van dit certificaat dient de overheid zich ervan te vergewissen dat de rederij en het leidinggevend personeel aan boord in overeenstemming met het goedgekeurde SMS handelen.

13.5 De overheid of de door de overheid erkende organisatie moet op gezette tijden nagaan of het aan boord gehanteerde SMS nog altijd voldoet aan de vereisten uitgaande waarvan dit SMS is goedgekeurd.

Bijlage VII

Vervallen.

Bijlage VIII

Vervallen.

Bijlage IX

Vervallen.

Bijlage X

Vervallen.

Bijlage XI

Vervallen.

Bijlage XIA. Reddingmiddelen en voorzieningen

Hoofdstuk A. Algemeen

Artikel 1. Toepasselijkheid

1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is deze bijlage van toepassing op schepen gebouwd op of na 1 juli 1986.

2.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt:

3.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een vrachtschip geen tankschip zijnde, met een lengte als omschreven in artikel 2 van bijlage I van minder dan 24 m, en varend in een beperkt vaargebied, verlichtingen toestaan van het bepaalde in deze bijlage, indien naar zijn oordeel de algemene inrichting van zulk een schip het verantwoord maakt zulke verlichtingen zonder bezwaar voor de veiligheid van schip en opvarenden toe te staan.

Artikel 2. Gesleepte schepen

Het bepaalde in deze bijlage is niet van toepassing op een schip dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, met dien verstande dat, indien het schip is bemand, het moet zijn uitgerust met reddingmiddelen en -voorzieningen zoals deze door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven.

Artikel 3. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze bijlage wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:

Artikel 4. Beoordeling, beproeving en keuring van reddingmiddelen en -voorzieningen

1.

Behoudens het bepaalde in lid 5 dienen de reddingmiddelen en -voorzieningen die in deze bijlage zijn voorgeschreven, van een goedgekeurd type te zijn.

2.

Alvorens een goedkeuring te kunnen verkrijgen, dienen de reddingmiddelen en -voorzieningen te worden beproefd om vast te stellen of zij aan het bepaalde in deze bijlage voldoen, op een wijze als nader voorgeschreven door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

3.

Alvorens een goedkeuring te kunnen verkrijgen, dienen reddingmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp te worden beoordeeld en beproefd om vast te stellen of zij voldoen aan normen van veiligheid die ten minste gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in deze bijlage. De beproeving dient te geschieden op een wijze als nader voorgeschreven door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

4.

De door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afgegeven goedkeuringen vermelden tevens de voorwaarden waaronder de goedkeuring geldig blijft.

5.

Reddingmiddelen en -voorzieningen die ingevolge het bepaalde in deze bijlage zijn voorgeschreven, doch waarvoor geen nadere voorschriften in Hoofdstuk C zijn opgenomen, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn.

Artikel 5. Produktiecontrole

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen omtrent de produktiecontrole van reddingmiddelen, teneinde zeker te stellen dat deze middelen worden vervaardigd volgens dezelfde normen als het goedgekeurde prototype.

Hoofdstuk B. Bepalingen ten aanzien van het schip

Afdeling I. Passagiersschepen en vrachtschepen

Artikel 6. Communicatie

1.

Het bepaalde in het tweede lid is van toepassing op alle schepen, met dien verstande dat schepen gebouwd voor 1 februari 1992 uiterlijk op 1 februari 1995 moeten voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.

2.

Radio-appartuur voor groepsreddingmiddelen

2.1. VHF radio-installaties:

Alle passagiersschepen en alle vrachtschepen van 500 ton of meer, moeten zijn uitgerust met ten minste drie draagbare VHF radio-installaties. Vrachtschepen van minder dan 500 ton moeten zijn uitgerust met ten minste twee draagbare VHF radio-installaties.

2.2. Radartransponders:

Alle passagiersschepen en alle vrachtschepen van 500 ton of meer moeten zijn uitgerust met ten minste een radartransponder aan iedere zijde van het schip. Vrachtschepen van minder dan 500 ton moeten zijn uitgerust met ten minste één radartransponder. De radartransponders moeten op zodanige wijze zijn geplaatst dat zij snel in ieder groepsreddingsmiddel, met uitzondering van het reddingvlot of de reddingvlotten bedoeld in artikel 26, lid 1.4, kunnen worden gezet. Het is ook toegestaan om ieder groepsreddingmiddel, met uitzondering van die bedoeld in artikel 26, lid 1.4, uit te rusten met een radartransponder. De radartransponder vereist volgens artikel 6, derde lid, van bijlage V van dit besluit, mag worden meegerekend als radartransponder bedoeld in dit lid.

3.

Noodsignalen

Op of in de nabijheid van de brug dienen ten minste twaalf valschermsignalen die voldoen aan het bepaalde in artikel 35, aanwezig te zijn.

4.

Communicatie aan boord en alarminstallaties

4.1. Ten behoeve van de communicatie tussen noodcontrolestations, verzamel- en inschepingsplaatsen en overige strategische punten aan boord, moet er een noodcommunicatiesysteem aanwezig zijn, vast aangebracht dan wel draagbaar, of een combinatie van beide.

4.2. Aan boord van elk schip moet een algemeen alarminstallatie zijn aangebracht die voldoet aan het bepaalde in artikel 50, en die dient te worden gebruikt om de passagiers en de bemanning naar de verzamelplaatsen te roepen wanneer het sein "schip verlaten" wordt gegeven, alsmede om de in de alarmrol vermelde handelingen te doen aanvangen. De installatie moet worden aangevuld met een omroepinstallatie of ander doelmatig middel voor berichtgeving.

4.3. Bij de aanleg van elektrische leidingen van systemen en installaties als bedoeld in de leden 4.1 en 4.2, moet worden voldaan aan het ter zake bepaalde in hoofdstuk D van bijlage II.

4.4. Het bepaalde in lid 4.1 en het bepaalde in lid 4.2 voor wat betreft een omroepinstallatie of ander doelmatig middel voor berichtgeving, is niet van toepassing op vrachtschepen van minder dan 500 ton.

5.

Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in de plaats van de vorige leden, uitgezonderd lid 2.2, artikel 55 van deze bijlage.

Artikel 7. Persoonlijke reddingmiddelen

1.

Reddingboeien

1.1. Reddingboeien dienen te voldoen aan het bepaalde in artikel 31, lid 1, en moeten:

1.2. Aan iedere zijde van het schip moet ten minste één reddingboei zijn voorzien van een drijvende reddinglijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 31, lid 4, met een lengte van ten minste 30 m of tweemaal de hoogte waarop de reddingboei geplaatst is boven de waterlijn behorend bij de geringste diepgang van het schip in zeewater, welke van beide het grootste is.

1.3. Ten minste de helft van het totale aantal reddingboeien moet zijn voorzien van een zelfontbrandend licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 31, lid 2; ten minste twee van deze reddingboeien moeten bovendien zijn voorzien van een zelfwerkend rooksignaal dat voldoet aan het bepaalde in artikel 31, lid 3, en deze reddingboeien moeten vanaf de brug snel ontkoppeld kunnen worden; reddingboeien met licht en die met licht en rooksignaal moeten gelijkelijk verdeeld zijn over beide zijden van het schip en mogen niet zijn voorzien van reddinglijnen als bedoeld in lid 1.2.

1.4. Op iedere reddingboei moet de naam en thuishaven van het schip waarop de boei is geplaatst, in blokletters zijn aangegeven.

2.

Reddinggordels

2.1. Voor elke opvarende dient een reddinggordel die voldoet aan het bepaalde in artikel 32, lid 1, of artikel 32, lid 2, aan boord te zijn; bovendien dient

2.2. De reddinggordels moeten zo zijn opgeborgen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en hun bergplaats moet duidelijk zijn aangegeven. Wanneer, vanwege de bijzondere indeling van het schip, de reddinggordels, voorgeschreven in lid 2.1, onbereikbaar kunnen worden, moeten andere maatregelen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden genomen, welke kunnen inhouden dat een groter aantal reddinggordels aan boord moet zijn.

3.

Overlevingspakken

3.1. Voor elke persoon die is aangewezen om de hulpverleningsboot te bemannen, dient een overlevingspak van de juiste maat, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33, aan boord te zijn.

3.2.1. Een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 33, mag worden meegeteld als reddinggordel bij de toepassing van het bepaalde in lid 2.

3.2.2. Het bepaalde in lid 3.2.1 is van toepassing op alle schepen.

4.

Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 56 van deze bijlage.

Artikel 8. Alarmrol en instructies voor noodgevallen

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle schepen.

2.

Voor elke opvarende dienen duidelijke instructies aan boord aanwezig te zijn, die in geval van nood gevolgd moeten worden.

3.

Op in het oog vallende plaatsen aan boord van het schip, met inbegrip van de brug, de machinekamer en de bemanningsverblijven, moeten exemplaren van de alarmrol die voldoen aan het bepaalde in artikel 53, zijn opgehangen.

4.

Afbeeldingen en aanwijzingen in toepasselijke talen moeten zijn aangebracht in de passagiershutten en duidelijk zichtbaar zijn opgehangen op de verzamelplaatsen en in andere passagiersruimten, teneinde de passagiers in te lichten omtrent:

5.

Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 57 van deze bijlage.

Artikel 9. Bedieningsaanwijzingen

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle schepen.

2.

Op of nabij de groepsreddingmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingsmiddelen dienen instructieplaten of aanduidingen te zijn aangebracht, die:

Artikel 10. Bezetting van groepsreddingmiddelen en het toezicht daarop

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle schepen.

2.

Er moet een voldoend aantal geoefende bemanningsleden aan boord zijn om het verzamelen te leiden en om ongeoefende personen bijeen te brengen en behulpzaam te zijn bij "schip verlaten".

3.

Er moet een voldoend aantal gediplomeerde sloepsgasten aan boord zijn om de groepsreddingmiddelen en de tewaterlatingsvoorzieningen, die vereist zijn om alle opvarenden te ontschepen, te bedienen.

Aan boord van een passagierschip moet voor elke reddingboot die aan boord is geplaatst een aantal gediplomeerde sloepsgasten aanwezig zijn dat ten minste gelijk is aan dat aangegeven in de volgende tabel:

4.

Over elk te gebruiken groepsreddingmiddel dient een gediplomeerde sloepsgast de leiding te hebben. Rekening houdend met de aard van de reis, het aantal opvarenden en het soort schip kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie evenwel toestaan dat personen met ervaring in de behandeling en bediening van reddingvlotten, met de leiding over reddingvlotten worden belast in plaats van de bovengenoemde gediplomeerde sloepsgasten. Bij reddingboten dient tevens een plaatsvervanger van de sloepscommandant te zijn aangewezen.

5.

Degene die de leiding heeft over een groepsreddingmiddel, moet beschikken over een lijst met namen van de hem toegewezen bemanning van het groepsreddingmiddel en moet er op toezien dat die bemanningsleden hun taken kennen. De plaatsvervangende sloepscommandant moet ook over een lijst van de bemanning van de reddingboot beschikken.

6.

Voor iedere motorreddingboot moet iemand zijn aangewezen die de motor kan bedienen en kleine herstellingen daaraan kan verrichten.

7.

Het aantal personen bedoeld in de leden 2, 3 en 4 moet gelijkelijk over de groepsreddingmiddelen worden verdeeld.

Artikel 11. Verzamel- en inschepingsvoorzieningen

1.

Reddingboten en reddingvlotten waarvoor goedgekeurde tewaterlatingsmiddelen zijn voorgeschreven, moeten zo dicht mogelijk bij ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn geplaatst.

2.

De verzamelplaatsen moeten dicht bij de inschepingsplaatsen zijn gelegen. Elke verzamelplaats moet voldoende ruimte bieden om alle daar te verzamelen personen te kunnen bevatten.

3.

Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de ruimten voor accommodatie en dienstruimten.

4.

Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten een doelmatige noodverlichting hebben, welke moet worden gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 42, 43 of 43a van bijlage II.

5.

Gangen, trappen en uitgangen die leiden naar de verzamel- en inschepingsplaatsen moeten een doelmatige noodverlichting hebben, welke moet worden gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 42, 43 of 43 a van bijlage II.

6.

Verzamel- en inschepingsplaatsen voor groepsreddingmiddelen van het strijkbare type moeten zo zijn ingericht dat het mogelijk is om een gewonde op een draagbaar in het groepsreddingmiddel te plaatsen.

7.

Op iedere tewaterlatingsplaats of op iedere twee naast elkaar gelegen tewaterlatingsplaatsen moet een inschepingsladder aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 48, lid 7, bestaat uit één lengte en lang genoeg is om aan de hoge zijde bij de geringste diepgang van het schip in zeewater tot op het water te reiken, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en bij een slagzij van 20 graden.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke ladders worden vervangen door goedgekeurde middelen om inscheping in de groepsreddingmiddelen wanneer deze in het water liggen, mogelijk te maken, op voorwaarde dat er ten minste één inschepingsladder aan iedere zijde van het schip aanwezig is. Voor de reddingvlotten voorgeschreven in artikel 26, lid 1.4, kunnen andere middelen voor inscheping worden toegestaan.

8.

Waar nodig moeten middelen aanwezig zijn om groepsreddingmiddelen van het strijkbare type tegen het scheepsboord te brengen en daar te houden opdat personen veilig kunnen worden ingescheept.

Artikel 12. Tewaterlatingsplaatsen

Tewaterlatingsplaatsen moeten zodanig zijn gelegen dat de groepsreddingmiddelen veilig te water kunnen worden gelaten; daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de afstand tot de schroef en aan sterk terugwijkende gedeelten van de romp, zodat de groepsreddingmiddelen, uitgezonderd groepsreddingmiddelen speciaal ontworpen voor tewaterlating door middel van vrije val, zoveel mogelijk langs het verticale gedeelte van de zijden van het schip afgevierd kunnen worden. Bij plaatsing op het voorschip moeten de groepsreddingmiddelen op een beschermde plaats achter het aanvaringsschot zijn gelegen en in dit geval moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de sterkte van het tewaterlatingsmiddel.

Artikel 13. Plaatsing van groepsreddingmiddelen

1.

Ieder groepsreddingmiddel moet zijn geplaatst:

2.

Reddingboten die langs de scheepszijden afgevierd worden, moeten zo ver mogelijk als praktisch uitvoerbaar voor de schroef zijn geplaatst. Op vrachtschepen met een lengte van 80 m of meer doch minder dan 120 m, moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste éénmaal de lengte van de reddingboot bedraagt. Op vrachtschepen met een lengte van 120 m of meer en op passagiersschepen met een lengte van 80 m of meer moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste 1½ maal de lengte van de reddingboot bedraagt. Waar toepasselijk moet het schip zo zijn ingericht dat de reddingboten op hun opstellingsplaatsen beschermd zijn tegen schade door overkomende zeeën.

3.

Reddingboten moeten zijn verbonden met bijbehorende tewaterlatingsmiddelen.

4.

In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 23 en 29 moeten reddingvlotten zodanig zijn geplaatst dat het mogelijk is ze met de hand van hun sjorringen te ontdoen.

5.

Reddingvlotten van het strijkbare type moeten binnen bereik van de hijshaken zijn geplaatst, tenzij er middelen voor overbrenging van de reddingvlotten zijn aangebracht, die niet buiten werking kunnen geraken binnen de gestelde grenzen van kop- of stuurlast en slagzij, omschreven in lid 1.2, of door de bewegingen van het schip of door het uitvallen van de krachtbron.

6.

Reddingvlotten bestemd voor tewaterlating door overboord werpen, moeten zo zijn geplaatst dat zij gemakkelijk aan beide zijden van het schip te water kunnen worden gelaten, tenzij de capaciteit van de reddingvlotten aan elke zijde van het schip afzonderlijk, gelijk is aan de gezamenlijke capaciteit van de vlotten, voorgeschreven in artikel 26, lid 1.

Artikel 14. Plaatsing van hulpverleningsboten

Hulpverleningsboten moeten zijn geplaatst:

Artikel 15. Voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten van groepsreddingmiddelen

1.

Tewaterlatingsmiddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 48, moeten beschikbaar zijn voor alle groepsreddingmiddelen, behalve voor:

2.

Elke reddingboot moet zijn voorzien van een middel dat de reddingboot te water kan laten en weer terug kan zetten.

3.

De middelen voor het te water laten en weer terugzetten moeten zo zijn uitgevoerd dat de bediener daarvan aan boord te allen tijde in staat is het groepsreddingmiddel bij het te water laten, en voor de reddingboten tevens bij het weer terugzetten, te zien.

4.

Voor gelijksoortige groepsreddingmiddelen aan boord van één schip mag slechts één type ontkoppelingsmechanisme worden gebruikt.

5.

Het gereedmaken en bedienen van een groepsreddingmiddel op een tewaterlatingsplaats mag het gereedmaken en bedienen van andere groepsreddingmiddelen of hulpverleningsboten op andere tewaterlatingsplaatsen niet belemmeren.

6.

Lopers, wanneer toegepast, moeten van voldoende lengte zijn om aan de hoge zijde met de groepsreddingmiddelen het water te kunnen bereiken indien het schip bij de geringste diepgang in zeewater onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast een slagzij van 20 graden heeft.

7.

Gedurende het gereedmaken en te water laten moeten het groepsreddingmiddel, het daarbij behorende tewaterlatingsmiddel en de omgeving van het wateroppervlak waarin het wordt afgevierd of te water wordt geworpen, doelmatig kunnen worden verlicht door middel van noodverlichting gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 42, 43 of 43a van bijlage II.

8.

Teneinde te voorkomen dat waterlozing op de groepsreddingmiddelen plaatsvindt tijdens "schip verlaten", moeten de werktuiglijk gedreven pompen die overboord kunnen spuien en die niet door het hoofdvoortstuwingswerktuig worden aangedreven, buiten werking kunnen worden gesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hiervoor nadere regels geven.

9.

Wanneer er gevaar bestaat dat de groepsreddingmiddelen beschadigd zullen worden door de scheepsstabilisatoren, moeten middelen beschikbaar zijn, gevoed door een noodkrachtbron, om die stabilisatoren binnenboord te brengen; op de brug moet een aanwijzer, gevoed door een noodkrachtbron, aanwezig zijn die de stand van de stabilisatoren aangeeft.

10.

Wanneer aan boord reddingboten aanwezig zijn die voldoen aan het bepaalde in artikel 42 of 43, dient tussen de davitkoppen een middenleider te zijn aangebracht, voorzien van ten minste twee, van knopen of verdikkingen voorziene reddinglijnen die lang genoeg zijn om aan de hoge zijde tot op het water te reiken indien het schip bij de geringste diepgang in zeewater onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast een slagzij van 20 graden heeft.

Artikel 15a. Uniformiteit van groepsreddingmiddelen en voorzieningen voor tewaterlating

De in artikel 13 bedoelde groepsreddingmiddelen en de in artikel 15 bedoelde voorzieningen voor tewaterlating van die middelen moeten per gelijksoortig middel of voorziening van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn.

Artikel 16. Voorzieningen voor inscheping in, tewaterlating en terugzetten van hulpverleningsboten

1.

De voorzieningen voor inscheping in en tewaterlating van hulpverleningsboten moeten zo zijn uitgevoerd dat in de kortst mogelijke tijd de hulpverleningsboot kan worden bemand en te water gelaten.

2.

Indien de hulpverleningsboot een van de groepsreddingmiddelen van het schip is, moeten de inschepingsvoorzieningen en de tewaterlatingsplaats voldoen aan het bepaalde in de artikelen 11 en 12.

3.

De tewaterlatingsvoorzieningen moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 15. Alle hulpverleningsboten moeten bovendien te water gelaten kunnen worden, waar nodig met gebruikmaking van een vanglijn, terwijl het schip met een snelheid tot 5 zeemijl per uur in kalm water vooruit vaart.

4.

Het snel weer terugzetten van de hulpverleningsboot met volle bezetting en volledige uitrusting moet mogelijk zijn. Indien de hulpverleningsboot tevens dienst doet als reddingboot, dan moet snel terugzetten mogelijk zijn wanneer de boot is voorzien van de voor een reddingboot voorgeschreven uitrusting en een bezetting van ten minste 6 personen.

Artikel 17. Lijnwerptoestellen

1.

Aan boord van een schip, geen vrachtschip zijnde van minder dan 500 ton, moet een lijnwerptoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 49.

2.

Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.

Artikel 18. Instructies en oefeningen in "schip verlaten" en in “het blussen van brand”

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle schepen.

2.

Handboeken voor opleiding

In ieder bemanningsverblijf of in iedere hut voor bemanningsleden moet een handboek voor opleiding voorhanden zijn, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 51.

3.

Appels en oefeningen

3.1. Ieder bemanningslid moet ten minste eenmaal per maand deelnemen aan een oefening "schip verlaten" en een oefening in het blussen van brand.

Deze oefeningen voor de bemanning moeten tevens in ieder geval plaatsvinden binnen 24 uur nadat het schip een haven heeft verlaten, wanneer meer dan 25 percent van de bemanning in de voorafgaande maand niet heeft deelgenomen aan dergelijke oefeningen aan boord van dat schip.

3.2. Aan boord van een passagiersschip dat een internationale reis maakt welke geen korte internationale reis is, moet appel voor de passagiers binnen 24 uur na inscheping plaatsvinden. De passagiers moeten worden voorgelicht over het gebruik van reddinggordels en de te verrichten handelingen in geval van nood. Indien er slechts een klein aantal passagiers inscheept in een haven nadat appel reeds gehouden werd, is het voldoende om, in plaats van opnieuw appel te houden, de aandacht van deze passagiers te vestigen op de instructies bij noodgevallen, voorgeschreven in artikel 8, leden 2 en 4.

3.3. Wanneer op een passagiersschip dat een korte internationale reis maakt, geen appel voor de passagiers wordt gehouden bij vertrek, moet de aandacht van de passagiers worden gevestigd op de instructies bij noodgevallen, voorgeschreven in artikel 8, leden 2 en 4.

3.4. Iedere oefening "schip verlaten" moet onder meer omvatten:

3.5. Bij het afvieren als voorgeschreven in lid 3.4.5 moeten, voor zover uitvoerbaar, bij opeenvolgende oefeningen de reddingboten afwisselend worden gebruikt.

3.6. Iedere reddingboot moet ten minste eenmaal in de drie maanden tijdens een oefening "schip verlaten" met de aangewezen bemanning aan boord te water worden gelaten, waarbij tevens met de boot moet worden gevaren. Voor passagiersschepen die korte internationale reizen maken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de reddingboten aan één zijde niet te water worden gelaten wanneer de voorzieningen op de ligplaats in de haven en het vaarschema het te water laten aan die zijde niet mogelijk maken. Al deze reddingboten moeten echter eenmaal per drie maanden afgevierd worden en eenmaal per jaar te water worden gelaten.

3.7. Voor zover dat redelijk en uitvoerbaar is moeten hulpverleningsboten, andere dan hulpverleningsboten die tevens dienstdoen als reddingboten, iedere maand met hun aangewezen bemanning te water worden gelaten waarbij tevens moet worden gevaren. In ieder geval moet dit ten minste éénmaal in de drie maanden geschieden.

3.8. Wanneer oefeningen met het te water laten van reddingboten en hulpverleningsboten gehouden worden met een vaartlopend schip, moeten deze oefeningen in verband met de gevaren die daaraan verbonden zijn, uitsluitend uitgevoerd worden in beschutte wateren en onder toezicht van een scheepsofficier met ervaring in dergelijke oefeningen.

3.9. De noodverlichting ten behoeve van het verzamelen en het "schip verlaten" moet bij iedere oefening "schip verlaten" worden beproefd.

3.10 Iedere oefening in het blussen van brand omvat ten minste:

3.11 De opzet van de brandblusoefeningen is zodanig, dat voldoende aandacht wordt geschonken aan het regelmatig oefenen in de diverse noodsituaties die zich, afhankelijk van het type schip en lading, kunnen voordoen.

3.12 De tijdens de oefeningen gebruikte uitrusting wordt direct weer gebruiksklaar gemaakt en iedere tijdens de oefeningen naar voren gekomen fout of gebrek wordt zo spoedig mogelijk verholpen.

3.13 Voorzover uitvoerbaar worden de oefeningen uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie.

4.

Opleiding en instructie aan boord

4.1 Opleiding en instructie aan boord in het gebruik van de reddingmiddelen, met inbegrip van de uitrusting van de groepsreddingmiddelen, en in het gebruik van de brandblusmiddelen, worden zo snel mogelijk gegeven, echter uiterlijk twee weken nadat een bemanningslid aan boord is gekomen. Wanneer echter het bemanningslid op een regelmatig aflosschema aan boord is geplaatst, wordt deze opleiding gegeven binnen twee weken nadat hij voor het eerst aan boord is gekomen. Individuele instructie kan verschillende onderdelen van de reddingmiddelen en brandblusmiddelen omvatten, met dien verstande dat alle redding- en brandblusmiddelen binnen een tijdsbestek van twee maanden zijn behandeld.

4.2 Ieder bemanningslid krijgt ten minste instructie betreffende:

4.3. Wanneer een schip is uitgerust met reddingvlotten van het strijkbare type, moet, met tussenpozen van niet meer dan 4 maanden, opleiding in het gebruik van zulke reddingvlotten worden gegeven. Deze opleiding moet omvatten de behandeling van een tewaterlatingsmiddel en een reddingvlot, alsmede het afvieren en het tewaterlaten van het reddingvlot. Ten minste eenmaal in de 12 maanden dient dit afvieren en tewaterlaten te geschieden met de aangewezen bemanning ingescheept in het reddingvlot. De oefeningen met het automatisch opblaasbare reddingvlot van het strijkbare type mogen eveneens aan wal worden gehouden in naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikte faciliteiten.

Indien het schip is uitgerust met automatisch opblaasbare reddingvlotten van het strijkbare type, moet het opblazen en het tewaterlaten geschieden voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, en in ieder geval eenmaal in de 12 maanden. Het voor de opleiding gebruikte automatisch opblaasbare reddingvlot kan hetzij een van de voorgeschreven reddingvlotten zijn, hetzij een speciaal oefenvlot dat geen deel uitmaakt van de reddingmiddelen van het schip en dat duidelijk als zodanig gemerkt moet zijn. Zulk een oefenvlot moet periodiek worden gekeurd overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, lid 8.1.

5.

Aantekening in het scheepsdagboek

De data waarop appels worden gehouden, de bijzonderheden van oefeningen "schip verlaten" en oefeningen in het blussen van brand, oefeningen met andere reddingmiddelen en opleiding aan boord moeten in het scheepsdagboek worden aangetekend. Wanneer een volledig appel, oefening of opleiding niet op de vastgestelde tijd plaatsvindt; moet dat worden aangetekend in het scheepsdagboek, waarbij vermeld moet worden onder welke omstandigheden en in welke mate het appel, de oefening of de opleiding wèl is gehouden.

6.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.

Artikel 19. Gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties

1.

Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op alle schepen.

2.Gereedheid voor gebruik

Alvorens een reis te ondernemen en gedurende de gehele reis moeten alle reddingmiddelen in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

3.

Onderhoud

3.1. Instructies voor het onderhoud van de reddingmiddelen aan boord, die voldoen aan het bepaalde in artikel 52, moeten aanwezig zijn en het onderhoud moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.

3.2. In plaats van de in lid 3.1 voorgeschreven instructies kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een voor het schip opgesteld onderhoudsprogramma toestaan, waarin de bepalingen van artikel 52 zijn opgenomen.

4.

Onderhoud van de lopers

Lopers die bij het afvieren van de reddingmiddelen worden gebruikt, moeten met tussenpozen van niet meer dan 30 maanden gekeerd worden en moeten worden vernieuwd wanneer ze gebreken vertonen dan wel na niet meer dan 5 jaar.

5.

Reserve-onderdelen en reparatiegereedschap

Voor de reddingmiddelen en hun onderdelen die onderhevig zijn aan uitzonderlijke slijtage of intering en regelmatig vervangen dienen te worden, moeten aan boord reserve-onderdelen en reparatiegereedschap aanwezig zijn.

6.

Wekelijkse inspectie

De volgende beproevingen en inspecties moeten wekelijks worden uitgevoerd:

7.

Maandelijkse inspecties

Een inspectie van de reddingmiddelen met inbegrip van de reddingbootuitrusting moet maandelijks worden uitgevoerd, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de in artikel 52, lid 1, voorgeschreven controlelijst, teneinde zeker te stellen dat de middelen en de uitrusting volledig zijn en in goede staat verkeren. Een verslag van de inspectie moet in het scheepsdagboek worden opgenomen.

8.Periodieke keuring van automatisch opblaasbare reddingvlotten, automatisch opblaasbare reddinggordels en hulpverleningsboten in opgeblazen toestand

8.1. Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot en de daarbij behorende medische uitrusting en iedere automatisch opblaasbare reddinggordel moeten worden gekeurd:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)