Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet

Type Rijks Kb
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 703
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Aan boord van een schip waar brandstofolie wordt gebruikt, moeten de inrichtingen voor de opslag, de verdeling en het gebruik van brandstofolie zodanig zijn dat de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen is verzekerd. Zij moeten tenminste voldoen aan de onderstaande bepalingen:

3.

Inrichtingen voor smeerolie aan boord van schepen gebouwd op of na 1 februari 1992

De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie in smeeroliesystemen onder druk, moeten zodanig zijn dat de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen is verzekerd. De inrichtingen, aangebracht in ruimten voor machines van categorie A en, waar mogelijk, in andere ruimten voor machines, moeten ten minste voldoen aan het bepaalde in de leden 2.1, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7 en 2.8 van dit artikel, met dien verstande:

4.

Inrichtingen voor andere ontvlambare oliën

De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van andere ontvlambare oliën die onder druk worden gebruikt in systemen voor het overbrengen van vermogen, bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten zodanig zijn dat de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen is verzekerd. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in de leden 2.4 en 2.6 en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in de leden 2.7 en 2.8.

5.

Aanvullende voorschriften voor ruimten voor machines

In aanvulling op het bepaalde in lid 1 tot en met 4 moeten brandstofoliesystemen en smeeroliesystemen in ruimten voor machines aan het navolgende voldoen:

6.

Verbod van het vervoer van ontvlambare oliën in voorpiektanks

Brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën mogen niet in voorpiektanks worden vervoerd.

Artikel 16. Ventilatiesystemen

1.

Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m² bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden is voldaan:

2.

Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m² bedraagt, door schotten of dekken van klasse "A" gaan, moet de opening zijn voorzien van een stalen ommantelingskoker tenzij de kanalen, die door de schotten of dekken gaan, ter plaatse van de doorvoeringen door het dek of schot vervaardigd zijn van staal. Ventilatiekokers of ommantelingskokers over dat gedeelte van het kanaal moeten voldoen aan onderstaande voorwaarden:

3.

Kanalen voor de ventilatie van ruimten voor machines van categorie A, van kombuizen, van gesloten autorijdekken, van ro/ro laadruimten of van ruimten van bijzondere aard mogen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen, tenzij deze kanalen hetzij:

met dien verstande dat doorvoeringen door hoofdbrandschotten en -dekken tevens moeten voldoen aan het bepaalde in lid 8.

4.

Kanalen voor ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen niet door ruimten voor machines van categorie A, door kombuizen, door gesloten autorijdekken, door ro/ro laadruimten of door ruimten van bijzondere aard lopen, tenzij hetzij:

met dien verstande dat doorvoeringen door hoofdbrandschotten en -dekken tevens moeten voldoen aan het bepaalde in lid 8.

5.

Ventilatiekanalen, waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m² bedraagt, welke door schotten van klasse "B" gaan, moeten zijn voorzien van stalen ommantelingskokers die een lengte van ten minste 900 mm moeten hebben, welke lengte waar mogelijk moet zijn verdeeld in 450 mm aan iedere zijde van het schot, tenzij de kanalen over dezelfde lengte van staal zijn vervaardigd.

6.

Al het mogelijke dient te worden gedaan om te bereiken dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin gecontroleerd kunnen worden en op deugdelijke wijze blijven werken. Een extra gescheiden systeem van luchttoevoer dient te zijn aangebracht; de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer moeten zo zijn gelegen dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen, tot een minimum beperkt blijft. Dergelijke eisen behoeven niet te worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijk afsluitmiddelen zijn aangebracht die even doeltreffend zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

7.

Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij zijn geconstrueerd als schotten van klasse "A". Elke zodanige afvoerkoker moet zijn uitgerust met:

8.

Indien het aan boord van een passagiersschip nodig is dat een ventilatiekoker door een hoofdbrandschot of -dek wordt gevoerd moet een doelmatige, automatisch sluitende brandklep direct bij het schot of dek zijn aangebracht. De klep moet tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. De bedieningsplaatsen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en met een rode, reflecterende kleur zijn aangegeven. Het gedeelte van de koker tussen het schot of dek en de klep moet van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, en indien nodig, zodanig zijn geïsoleerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in lid 1.1 van artikel 18. De klep moet aan ten minste één zijde van het schot of dek zijn voorzien van een zichtbare standaanwijzer die aangeeft of de klep de doorgang openlaat.

9.

De hoofdinlaten en -uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimte die wordt geventileerd, kunnen worden gesloten.

10.

Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, laadruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten van een gemakkelijk bereikbare plaats, buiten de ruimte die zij bedienen, kunnen worden gestopt. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.

Artikel 17. Brandweeruitrusting

1.

Een brandweeruitrusting dient te bestaan uit:

2.

Bij elk persluchttoestel dient voor elke tot het toestel behorende luchtcilinder ten minste een reservecilinder met samengeperste lucht aanwezig te zijn.

Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers zijn voor elk persluchttoestel ten minste twee reservecilinders met samengeperste lucht aanwezig. De luchtcilinders voor de persluchttoestellen zijn onderling uitwisselbaar.

3.

Met inachtneming van het bepaalde in lid 5 dienen alle schepen te zijn uitgerust met ten minste twee brandweeruitrustingen welke voldoen aan het bepaalde in lid 1.

3.1. Bovendien moet zijn voorzien in:

3.2. Aan boord van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers, moet voor elke twee persluchttoestellen een nevellans aanwezig zijn die moet worden opgeborgen in de nabijheid van deze toestellen.

3.3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, afhankelijk van de grootte en het type van een schip, aanvullende stellen persoonlijke uitrusting en persluchttoestellen voorschrijven.

4.

De brandweeruitrustingen en stellen persoonlijke uitrusting moeten zodanig worden bewaard dat zij gemakkelijk bereikbaar en gereed voor gebruik zijn. Zij moeten op ver uiteenliggende plaatsen worden bewaard. Aan boord van passagiersschepen moeten op elke zodanige plaats ten minste twee brandweeruitrustingen en één aanvullend stel persoonlijke uitrusting beschikbaar zijn.

In elke verticale hoofdsectie zijn ten minste twee brandweeruitrustingen opgeborgen.

5.

Alle vrachtschepen van minder dan 500 ton en met een voortstuwingsvermogen van niet meer dan 750 kW, geen tankschepen zijnde, dienen te zijn uitgerust met ten minste een brandweerbijl als bedoeld in lid 1.1.5.

6.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven betreffende de onderdelen van de brandweeruitrusting.

7.

Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 69 van deze bijlage.

Artikel 18. Diverse onderwerpen

1.1. Wanneer schotten van klasse "A" zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers, enzovoort of voor langsdragers, balken of andere verbanddelen, moeten met inachtneming van het bepaalde in lid 5 van artikel 30 zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten niet vermindert.

1.2. Wanneer schotten van klasse "B" zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers enz. of voor de aanleg van uitlaten van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen, dat de brandwerendheid van de schotten niet vermindert.

2.1. Pijpen die schotten van klasse "A" of van klasse "B" doorboren, moeten van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten weerstand moeten kunnen bieden.

2.2. Leidingen waardoor olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar.

2.3. Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou medebrengen.

2.4. Voor de bescherming van ladingtanks op schepen gebouwd op of na 1 februari 1992, waarin ruwe olie en minerale olieprodukten worden vervoerd met een vlampunt van niet meer dan 60 °C, mogen voor afsluiters, appendages, tankdeksels, ladingontluchtingsleidingen en laad- en losleidingen geen materialen worden toegepast die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte teneinde te voorkomen dat de brand overslaat op de lading.

3.1. Indien elektrische kachels worden gebruikt, moeten deze vast zijn bevestigd en zo zijn ingericht, dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze kachels mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of dergelijke stoffen kan doen schroeien of in brand doen geraken door de door het element geleverde hitte.

3.2. De constructie van oliekachels en -fornuizen, alsmede de opstelling daarvan, moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.

4.

Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag aan boord niet in cinematografische installaties worden gebruikt.

5.

Prullenmanden moeten zijn gemaakt van onbrandbare materialen en dichte zijkanten en bodems hebben.

6.

In ruimten waarin olieprodukten aanwezig kunnen zijn, moet het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar zijn voor olie en oliedampen.

7.

Bergkasten voor verf en ontbrandbare vloeistoffen moeten worden beschermd door een doelmatige brandblusinrichting. Deze inrichting moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

8.

Helicopterdekken op schepen gebouwd op of na 1 februari 1992 moeten van een stalen of een daarmee gelijkwaardige brandwerende constructie zijn. Indien de ruime onder het helicopterdek in hoge mate brandgevaarlijk is, moet de isolatie met betrekking tot de klasse van brandwerendheid ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Elke voorziening voor de ontvangst van helicopters moet beschikken over een handboek met operationele voorschriften met inbegrip van een beschrijving en een controlelijst van veiligheidsmaatregelen, handelingen en eisen met betrekking tot de uitrusting. Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een constructie van aluminimum toestaat of van een ander laagsmeltend metaal dat niet gelijkwaardig is aan staal, moet het volgende in acht worden genomen:

Artikel 19. Internationale walaansluiting

1.

Een schip van 500 ton of meer moet zijn uitgerust met ten minste één internationale walaansluiting die voldoet aan het bepaalde in lid 3 en 4.

2.

Voorzieningen moeten aanwezig zijn om een dergelijke aansluiting aan beide zijden van het schip te kunnen gebruiken.

3.

De standaardafmetingen van flenzen voor de internationale walaansluiting moeten overeenstemmen met de onderstaande tabel:

4.

Het verbindingsstuk moet zijn vervaardigd van staal of een ander geschikt materiaal en moet zijn ontworpen voor een werkdruk van 1,0 N/mm2. De flens moet aan één zijde vlak zijn; op de andere zijde moet een koppeling, passend op de brandkranen en brandslangen van het schip, permanent zijn aangebracht. Het verbindingsstuk moet aan boord van het schip worden bewaard, tezamen met een flenspakking geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2alsmede met vier bouten met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm, alsmede met acht sluitringen.

Artikel 20. Brandbeveiligingsplannen en oefeningen in het blussen van brand

1.

Aan boord van een schip geen passagiersschip zijnde, met een lengte als omschreven in artikel 2 van bijlage I van dit besluit, van 24 m of meer, en aan boord van elk passagiersschip, moeten ter instructie van de scheepsofficieren algemene plannen permanent zijn opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen, waarop voor elk dek duidelijk zijn aangegeven de controlestations, de verschillende brandsecties omgeven door schotten van klasse "A", de secties omgeven door schotten van klasse "B" (indien aanwezig), alsmede aanwijzingen betreffende de brandontdekkingsinstallaties, de brandalarminstallaties, de sprinklerinstallatie (indien aanwezig), de brandblusmiddelen, de toegangen tot de verschillende afdelingen, dekken, enzovoort en het ventilatiesysteem met inbegrip van bijzonderheden omtrent de plaatsen waar de ventilatoren kunnen worden bediend, de plaatsen van de brandkleppen en de nummers van de ventilatoren die elke sectie bedienen. In plaats daarvan mogen, ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, de genoemde details zijn opgenomen in een boekje, waarvan een exemplaar moet worden verstrekt aan iedere officier, terwijl één exemplaar steeds aan boord op een toegankelijke plaats beschikbaar moet zijn. Plannen en boekjes moeten goed worden bijgehouden door veranderingen zo spoedig mogelijk daarin aan te brengen. Een vertaling in het Engels dient te worden opgenomen. Bovendien moeten instructies betreffende het onderhoud en de werking van alle uitrusting en installaties aan boord voor het alarmeren en ontdekken, voor het insluiten en voor de bestriding van brand in één verzamelband worden bijeengebracht, die op een toegankelijke plaats voor onmiddellijk gebruik beschikbaar moet zijn.

2.

Aan boord van een schip als bedoeld in lid 1 moet bovendien een stel brandbeveiligingsplannen of een boekje dat zulke plannen bevat, permanent zijn opgeborgen in een duidelijk gemerkte en weerbestendige bergplaats aan de buitenzijde van het dekhuis ter informatie van het personeel van havenbrandweerkorpsen.

3.

Op schepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers bevatten brandbeveiligingsplannen en -boekjes informatie met betrekking tot brandbescherming, brandontdekking en brandblussen volgens bij ministeriële regeling gestelde nadere regels.

4.

Oefeningen in het blussen van brand worden uitgevoerd volgens artikel 18 van bijlage XIA.

5.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.

Artikel 21. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen

Brandbestrijdingsmiddelen zijn goed onderhouden en te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.

Artikel 22. Toelating van vervangende middelen

Waar in deze bijlage een speciaal toestel, apparaat, blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven, kan elk ander toestel, apparaat, blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat zulks niet minder doeltreffend is.

Hoofdstuk B. Brandbescherming voor passagiersschepen, niet zijnde kleine vaartuigen

Artikel 22a. Toepasselijkheid

De artikelen 23 tot en met 41 zijn niet van toepassing op kleine vaartuigen.

Artikel 23. Constructie

1.

De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd. Voor de toepassing van de omschrijving van staal of ander gelijkwaardig materiaal zoals die is gegeven in lid 7 van artikel 3, dient de "brandproef welke van toepassing is" in overeenstemming te zijn met de normen van brandwerendheid en voor isolatie zoals die zijn vermeld in de tabellen van de artikelen 26 en 27. Indien bijvoorbeeld schotten, dekken of zijden en eindschotten van dekhuizen brandwerendheid "B-O" mogen hebben, is de "brandproef welke van toepassing is" een half uur.

2.

In gevallen waar een deel van de constructie van een aluminiumlegering is, gelden echter de volgende voorschriften:

3.

Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A moeten van staal zijn en naar behoren zijn geïsoleerd, terwijl de openingen daarin, indien aanwezig, doeltreffend moeten zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.

Artikel 24. Verticale hoofdsecties en horizontale secties

1.1. Van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers zijn de romp, de bovenbouw en de dekhuizen onderverdeeld in verticale hoofdsecties door schotten van klasse «A-60». Waar aan deze schotten ruimten van categorie (5), (9) of (10) zoals bedoeld in artikel 26 van deze bijlage zijn gelegen, mogen de schotten ter plaatse van klasse «A-0» zijn.

1.2. Van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers, moeten de romp, de bovenbouw en de dekhuizen ter plaatse van accommodatie en dienstruimten zijn onderverdeeld in verticale hoofdsecties door schotten van klasse "A". Deze schotten moeten een isolerend vermogen hebben overeenkomstig de van toepassing zijnde tabellen in artikel 27.

2.

De schotten die de begrenzing vormen van verticale hoofdsecties boven het schottendek, liggen zoveel mogelijk in één vlak met de schotten voor de waterdichte indeling onmiddellijk onder het schottendek. De lengte en de breedte van verticale hoofdsecties, waaronder wordt verstaan de grootste afstand tussen de verst uiteen gelegen punten van de begrenzingsschotten, mag worden vergroot tot maximaal 48 meter om de uiteinden van de verticale hoofdsecties te laten samenvallen met de schotten voor de waterdichte indeling of om een grote ruimte voor algemeen gebruik, zich uitstrekkend over de gehele lengte van de verticale hoofdsectie, te kunnen onderbrengen, mits het totale oppervlak van de verticale hoofdsectie niet meer bedraagt dan 1600 m2 op elk dek. De lengte of breedte van een verticale hoofdsectie is de maximumafstand tussen de verste punten van de er aan grenzende schotten.

3.

Deze schotten moeten van dek tot dek zijn doorgetrokken en doorlopen tot de huid of tot andere begrenzingswanden.

4.

Indien een verticale hoofdsectie door horizontale schotten van klasse "A" is onderverdeeld in horizontale secties teneinde een passende scheiding aan te brengen tussen gedeelten van het schip die wel en gedeelten die niet van een sprinklersysteem zijn voorzien, moeten de schotten zijn doorgetrokken tussen de aangrenzende verticale hoofdbrandschotten en tot de huid of tot uitwendige begrenzingswanden van het schip en moeten zij zijn geïsoleerd volgens de normen voor brandwerendheid en isolerend vermogen zoals vermeld in tabel 27.2.

5.1. Op schepen die voor bijzondere doeleinden zijn ontworpen, zoals veerboten voor het vervoer van motorvoertuigen of spoorwegwagons, waar het aanbrengen van verticale hoofdbrandschotten het doel waarvoor het schip is bestemd, zou belemmeren, moeten gelijkwaardige middelen tot het onder controle houden van brand en het voorkomen van uitbreiding daarvan, ter vervanging van deze schotten zijn aangebracht. Deze middelen moeten door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.

5.2. Op een schip met ruimten van bijzondere aard moeten echter al die ruimten voldoen aan de van toepassing zijnde bepalingen van artikel 37; voor zover zulks strijdig zou zijn met andere voorschriften van dit hoofdstuk, prevaleren de voorschriften van artikel 37.

Artikel 25. Schotten binnen een verticale hoofdsectie

1.1. Van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers, moeten alle schotten die niet van klasse "A" behoeven te zijn, ten minste van klasse "B" of "C" zijn, zoals voorgeschreven in de tabellen in artikel 26.

1.2. Van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers, moeten alle schotten die niet van klasse "A" behoeven te zijn, ten minste van klasse "B" of "C" zijn, zoals voorgeschreven in de tabellen in artikel 27.

1.3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 34 mogen al deze schotten zijn bekleed met brandbare materialen.

2.

Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers zijn alle schotten van gangen, indien zij niet van klasse «A» behoeven te zijn, schotten van klasse «B» en opgetrokken van dek tot dek, behalve:

Alle deuren en kozijnen in dergelijke schotten moeten van onbrandbaar materiaal zijn en moeten zodanig zijn geconstrueerd en opgesteld dat zij een aanmerkelijke brandwerendheid bezitten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, worden alle schotten die van klasse «B» zijn, opgetrokken van dek tot dek en strekken zich uit tot de huid of andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van het schot plafonds of beschietingen zijn aangebracht met ten minste een mate van brandwerendheid als het schot, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.

Artikel 26. Brandwerendheid van schotten en dekken van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers

1.

Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in de artikelen van dit hoofdstuk worden genoemd, moet de brandwerendheid van alle schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in de tabellen 26.1 en 26.2. Indien op grond van een bijzondere constructieve inrichting van het schip moeilijkheden worden ondervonden bij de bepaling uit de tabellen van de minimumwaarde voor de brandwerendheid voor schotten, moeten die waarden ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden bepaald.

2.

De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen:

3.

Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse "B" kunnen, tezamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.

4.

De uitvoering van details inzake de constructieve brandbescherming dient zodanig te zijn dat het gevaar van geleiding van warmte bij kruisingen en eindpunten van de vereiste brandschotten, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Tabel 26.1. Schotten, andere dan die verticale hoofdsecties of horizontale secties begrenzen.

NOTEN:

a. Indien aan elkaar grenzende ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de noot a in de tabellen staat vermeld, behoeft er geen schot of dek tussen dergelijke ruimten te worden aangebracht wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit onnodig acht. In categorie (12) bij voorbeeld behoeft er geen schot te worden geëist tussen een kombuis en de daarbij behorende pantries, mits de schotten en de dekken van de pantries de brandwerendheid van die begrenzingswanden van het kombuis in stand houden. Er is evenwel een schot vereist tussen een kombuis en een ruimte voor machines, zelfs wanneer beide ruimten onder categorie (12) vallen.

b. De brandwerendheid van de zijden van dekhuizen en bovenbouwen en de scheepszijden tot aan de waterlijn behorende bij de operationele beladingstoestand met de kleinste diepgang in zeewater, voorzover gelegen onder en naast de inschepingsplaatsen voor reddingvlotten en ontsnappingsglijbanen, mag worden gereduceerd tot klasse «A-30».

c. Waar toiletten voor algemeen gebruik geheel binnen de trapomsluiting zijn gelegen, mogen de schotten van het toilet voor algemeen gebruik binnen de trapomsluiting van klasse «B» zijn. Tabel 26.2 Dekken, andere dan die verticale hoofdsecties trapsgewijs doen verspringen of horizontale secties begrenzen.

Tabel 26.2. Dekken, andere dan die verticale hoofdsecties trapsgewijs doen verspringen of horizontale secties begrenzen.

Zie voor noot a tabel 26.1.

Artikel 27. Brandwerendheid van schotten en dekken van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers

1.

Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in de artikelen van dit hoofdstuk worden genoemd, moet de brandwerendheid van schotten en dekken tenminste zijn als voorgeschreven in tabel 27.1 en tabel 27.2.

2.

De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen:

In gevallen waarin een wel en een niet van een sprinkler voorziene sectie in ruimten voor accommodatie en dienstruimten aan elkaar grenzen, geldt de hoogste van de beide in de tabellen aangegeven waarden voor de scheidingswand tussen de secties.

3.

Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse "B" kunnen tezamen met de desbetreffende dekken of schotten worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.

4.

In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in lid 1 van artikel 23 van staal of gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in dit hoofdstuk is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse "A" moeten hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse "A" behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Tabel 27.1 Brandwerendheid van schotten welke aangrenzende ruimten scheiden

c Schotten welke het stuurhuis en de kaartenkamer van elkaar scheiden, mogen van klasse ‘B-0' zijn.

e Voor de toepassing van lid 1.2 van artikel 24 moeten in tabel 27.1 de waarden ‘B-0' en ‘C' worden vervangen door ‘A-0'.

a Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is: zie de artikelen 25 en 29.

d Zie onder 2.3 en 2.4 van dit artikel.

b Indien aan elkaar grenzende ruimten in dezelfde nummercategorie vallen en de noot b in de tabellen staat vermeld, behoeft een schot of dek met een brandwerendheid als aangegeven in de tabellen slechts dan te zijn aangebracht wanneer de aangrenzende ruimten voor verschillende doeleinden zijn bestemd zoals in categorie (9). Indien een kombuis grenst aan een kombuis, is daartussen geen schot vereist; indien evenwel een kombuis grenst aan een verfhut, moet daartussen een ‘A-0' schot zijn aangebracht.

Noten: van toepassing op de tabellen 27.1 en 27.2 waar deze staan aangegeven.

∗ Waar een sterretje in de tabellen staat vermeld moet het scheidingsschot of -dek van staal of gelijkwaardig materiaal zijn doch het behoeft niet van klasse "A" te zijn. Voor de toepassing van lid 1.2 van artikel 24 moet een sterretje, waar dit voorkomt in tabel 27.2, behalve voor de categorieën (8) en (10) worden vervangen door "A-0".

Tabel 27.2 Brandwerenheid van dekken welke aangrenzende ruimten scheiden

d Zie onder 2.3 en 2.4 van dit artikel.

f Geen brandisolatie behoeft te worden toegepast indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ruimten voor machines in categorie (7) weinig of geen brandrisico hebben.

Artikel 28. Voorzieningen voor ontsnapping

1.

Trappen en ladders moeten zijn aangebracht, waarlangs het inschepingsdek voor de reddingboten en reddingvlotten gemakkelijk kan worden bereikt vanuit alle voor passagiers en bemanning bestemde ruimten en vanuit ruimten, andere dan ruimten voor machines, waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedan. In het bijzonder moet aan de volgende bepalingen zijn voldaan:

2.1. In ruimten van bijzondere aard moeten het aantal en de plaatsing van de voorzieningen voor ontsnapping zowel boven als onder het schottendek ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn en over het algemeen moet de veiligheid van de toegang tot het inschepingsdek ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke is voorgeschreven ingevolge het bepaalde in lid 1.1, 1.2, 1.5 en 1.6.

2.2. Eén van de voorzieningen voor ontsnapping uit ruimten voor machines waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, mag geen rechtstreekse toegang bieden tot een ruimte van bijzondere aard.

3.1. In iedere ruimte voor machines moeten twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht. In het bijzonder moet aan de volgende bepalingen zijn voldaan:

3.2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een schip van minder dan 1000 ton toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping is aangebracht, indien de afmetingen en algemene inrichting van het bovenste gedeelte van de ruimte daartoe aanleiding geven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een schip van 1000 ton of meer toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping uit een dergelijke ruimte is aangebracht, indien hetzij een deur hetzij een stalen ladder in een veilige vluchtweg naar het inschepingsdek voor de reddingmiddelen voorziet, rekening houdende met de aard en de ligging van de ruimte en of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.

3.3 Een controlekamer die in een ruimte voor machines is gelegen, is voorzien van twee voorzieningen voor ontsnapping, waarvan ten minste één ononderbroken bescherming tegen brand biedt naar een buiten de ruimte voor machines gelegen veilige plaats.

4.

Onder geen beding mogen liften worden beschouwd als één van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.

Artikel 28a. Breedte van trappen, deuropeningen en hoofdgangen

Vervallen.

Artikel 28b. Bioscopen

1.

Een bioscoop moet ten minste twee uitgangen hebben, zo mogelijk gelegen aan tegenovergestelde zijden daarvan. Door middel van deze uitgangen moet het inschepingsdek voor de reddingboten en reddingvlotten gemakkelijk kunnen worden bereikt. De minimaal vereiste twee uitgangen moeten elk een breedte hebben van ten minste 1,10 m per 100 toeschouwers of gedeelte daarvan. De deuren van de uitgangen moeten naar buiten open gaan.

2.

In een bioscoop mogen niet meer toeschouwers worden toegelaten dan het aantal zitplaatsen bedraagt.

3.

Tussen de rijen zitplaatsen moet ten minste 0,75 m ruimte zijn, gemeten van rugleuning tot rugleuning. De rijen mogen uit niet meer dan 15 zitplaatsen bestaan indien aan weerszijden een gangpad aanwezig is, en uit niet meer dan 7 zitplaatsen indien alleen een middengangpad aanwezig is.

4.

De breedte van de gangpaden moet ten minste 0,75 m bedragen. De zitplaatsen moeten vast op het dek worden bevestigd of per rij aan elkaar worden gekoppeld. Indien als bioscoop een ruimte wordt gebruikt, die niet uitsluitend is ingericht voor het houden van filmvoorstellingen, kan worden afgezien van het vastzetten of koppelen van de zitplaatsen.

Artikel 29. Bescherming van trappen en liften in ruimten voor accommodatie en in dienstruimten

1.

Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander gelijkwaardig materiaal toestaat; zij moeten in een ruimte zijn ondergebracht die omgeven is door schotten van klasse "A"; alle openingen in deze schotten moeten van doeltreffende middelen tot sluiting zijn voorzien; hierbij gelden de volgende uitzonderingen:

2.

De ingesloten ruimten waarin de trappen zijn ondergebracht geven directe toegang tot de gangen en zijn van voldoende oppervlakte om opstopping te voorkomen, waarbij rekening is gehouden met het aantal personen dat in geval van nood daarvan gebruik moet maken. Binnen de begrenzing van dergelijke trapomsluitingen bevinden zich uitsluitend toiletten voor algemeen gebruik, kasten van onbrandbaar materiaal voor de berging van veiligheidsuitrusting en open informatiebalies. Tot dergelijke trapomsluitingen hebben uitsluitend ruimten voor algemeen gebruik, gangen, toiletten voor algemeen gebruik, ruimten van bijzondere aard, andere vluchttrappen als bedoeld in artikel 28, onderdeel 1.5, en in de buitenlucht gelegen ruimten, directe toegang.

3.

Liftschachten dienen zo te zijn aangebracht dat zij doordringen van rook en vlammen van het ene dek naar het andere beletten. Zij moeten zijn voorzien van sluitmiddelen waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden.

Artikel 30. Openingen in schotten van klasse "A"

1.

Alle openingen moeten zijn voorzien van vast aangebrachte afsluitmiddelen die ten minste even doeltreffend zijn voor het weren van brand als de schotten waarin zij voorkomen, met uitzondering van luiken tussen ruimten voor lading, ruimten van bijzondere aard, ruimten voor voorraden en bagage en tussen deze ruimten en de aan weer en wind blootgestelde dekken.

2.

De constructie van alle deuren en deurkozijnen in schotten van klasse "A" en de middelen die deze gesloten houden, moeten zoveel als praktisch mogelijk is even doeltreffend zijn voor het weren van brand en van de doortocht van rook en vlammen als de schotten waarin zij zijn aangebracht. Dergelijke deuren en deurkozijnen moeten zijn geconstrueerd van staal of ander gelijkwaardig materiaal.

Waterdichte deuren behoeven niet te zijn geïsoleerd.

3.

Elke deur moet aan beide zijden van het schot door één persoon kunnen worden geopend en gesloten.

4.

De brandwerende deuren in verticale hoofdsecties en in ingesloten trapruimten voldoen aan de volgende eisen:

5.

Op schepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers zijn, indien een ruimte wordt beschermd door een automatische sprinklerinstallatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 12, of indien een ruimte is voorzien van een doorlopend plafond van klasse «B», openingen in dekken, andere dan die verticale hoofdsecties begrenzen, redelijk dicht. Deze dekken voldoen aan de voorschriften van klasse «A» inzake brandwerendheid, voorzover dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie redelijk en uitvoerbaar is.

6.

De voorschriften inzake brandwerendheid van klasse "A" voor de buitenste begrenzingswanden van het schip zijn niet van toepassing op glazen scheidingswanden, ramen en patrijspoorten; evenmin zijn de voorschriften inzake brandwerendheid van klasse "A" van toepassing op buitendeuren in bovenbouwen en dekhuizen.

7.

Deuren van klasse «A» in ingesloten trapruimten, in ruimten voor algemeen gebruik en in begrenzingsschotten van verticale hoofdsecties gelegen in vluchtwegen, zijn voorzien van een zelfsluitend luikje voor het doorvoeren van brandslangen. Dit luikje is van een materiaal, constructie en een brandwerendheid, die gelijkwaardig is aan die van de deur waarin het is aangebracht. Het luikje heeft een vrije doorlaat van 0,15 meter in het vierkant indien de deur is gesloten en is geplaatst in de onderrand van de deur tegenover de scharnieren, of, in geval van schuifdeuren, nabij de opening die ontstaat bij het openen van de deur.

Artikel 31. Openingen in schotten van klasse "B"

1.

Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «B» en middelen om deze vast te zetten, hebben, indien de deur is gesloten, een brandwerend vermogen dat gelijkwaardig is aan die van de schotten waarin zij zijn aangebracht, behalve dat in het onderste gedeelte van dergelijke deuren ventilatie-openingen mogen zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van een dergelijke opening of openingen niet meer bedragen dan 0,05 m². Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, moet deze zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal. Deuren moeten onbrandbaar zijn.

2.

De deuren van hutten in schotten van klasse «B» zijn van een zelfsluitend type. Vastzetinrichtingen worden niet toegepast.

3.

Indien op schepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers een automatische sprinklerinstallatie is aangebracht, die voldoet aan artikel 12, moeten:

Artikel 32. Ventilatiesystemen

(1). Passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers

1.1. Ventilatiesystemen van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers moeten, naast het bepaalde in dit lid, tevens voldoen aan artikel 16, tweede tot en met zesde, achtste en negende lid.

1.2. In het algemeen moeten de fans voor ventilatie zo zijn geplaatst, dat de ventilatiekanalen voor de verschillende ruimten binnen dezelfde verticale hoofdsectie blijven.

1.3. Indien ventilatiesystemen dekken doorboren moeten naast de maatregelen betreffende de brandwerendheid van het dek vereist in lid 1.1 van artikel 18 en lid 5 van artikel 30, voorzorgsmaatregelen zijn genomen om de mogelijkheid te verminderen dat rook en hete gassen door het systeem van de ene tussendekse ruimte naar de andere stromen. Naast de eisen ten aanzien van isolatie gesteld in dit artikel, moeten verticale kanalen zonodig zijn geïsoleerd als voorgeschreven in de van toepassing zijnde tabellen in artikel 26.

1.4. Uitgezonderd in laadruimten moeten ventilatiekanalen zijn geconstrueerd uit de volgende materialen:

1.5 Een ingesloten trapruimte wordt geventileerd en bediend door een onafhankelijke ventilator en door ventilatiekanalen die geen enkele andere ruimte bedienen.

1.6. Alle toestellen voor mechanische ventilatie, met uitzondering van die voor laadruimten, ruimten voor machines en voor de extra systemen die volgens lid 6 van artikel 16 vereist kunnen zijn, moeten op twee plaatsen centraal buiten werking kunnen worden gesteld; deze twee plaatsen moeten zo ver als praktisch mogelijk is van elkaar zijn verwijderd. Ook de mechanische ventilatie van de ruimten voor machines moet op twee plaatsen centraal bediend kunnen worden; een van deze bedieningsplaatsen moet buiten deze ruimten zijn gelegen. Ventilatoren, behorend tot mechanische ventilatiesystemen voor laadruimten, moeten vanuit een veilige plaats buiten deze ruimten buiten werking kunnen worden gesteld.

1.7 Op schepen gebouwd op of na 1 januari 1994 zijn ruimten voor algemeen gebruik die zich uitstrekken over drie of meer dekken en die ingesloten ruimten, zoals winkels, kantoren en restaurants, en brandbare onderdelen, zoals meubilair, bevatten, uitgerust met een afzuiginstallatie voor rook. Deze afzuiginstallatie wordt geactiveerd door een voorgeschreven rookontdekkingsinstallatie als bedoeld in artikel 13 en is geschikt voor handbediening. De capaciteit van de ventilatoren is zodanig, dat het gehele volume binnen de ruimte kan worden afgezogen in 10 minuten of minder.

1.8 Ventilatiekanalen zijn, waar dit redelijk en praktisch uitvoerbaar is, voorzien van op geschikte plaatsen aangebrachte luiken voor inspectie en reiniging.

1.9 Kokers van afvoerkappen boven fornuizen, waarin zich vet kan verzamelen, voldoen aan de eisen, bedoeld in de onderdelen 3.2.1 en 3.2.2 van artikel 16, en zijn uitgerust met:

(2).Passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers

2.1. Ventilatiesystemen van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 16.

Artikel 33. Ramen en patrijspoorten

1.

Alle ramen en patrijspoorten in schotten binnen ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, andere dan die waarop het bepaalde in lid 6 van artikel 30 en in lid 2 van artikel 31 van toepassing is, moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij eenzelfde brandwerendheid hebben als is voorgeschreven voor het schot waarin zij zijn aangebracht.

2.

Onverminderd de voorschriften opgenomen in de tabellen van de artikelen 26 en 27, zijn de randen van alle ramen en patrijspoorten die ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van de buitenlucht scheiden, van staal of ander geschikt materiaal. Het glas wordt door een metalen rand of profiel opgesloten.

3.

De ramen die uitzien op de reddingmiddelen, de inschepings- en verzamelplaatsen, buitentrappen en open dekruimten gebruikt als vluchtweg, en de ramen gelegen onder de inschepingsplaatsen voor de vlotten of de ontsnappingsglijbanen, hebben een brandwerendheid zoals voorgeschreven in de tabellen 26.1 en 26.2. Indien voor dergelijke ramen is voorzien in speciaal hiervoor bestemde automatische sprinklerkoppen, worden ramen met een brandwerendheid die overeenkomt met klasse «A-0» geaccepteerd. De in de scheepszijden geplaatste ramen onder de inschepingsplaatsen van de reddingboten hebben een brandwerendheid die ten minste overeenkomt met klasse «A-0».

Artikel 34. Beperking in het gebruik van brandbaar materiaal

1.

Uitgezonderd in laadruimten, postkamers, bagageruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten, zijn alle beschietingen, stijlen, afstoppingen die de trek tegengaan, plafonds en isolaties van onbrandbaar materiaal. Gedeeltelijke schotten of dekken, die dienen om een ruimte onder te verdelen voor nuttige doeleinden of met artistieke oogmerken, moeten eveneens van onbrandbaar materiaal zijn.

2.

Dampwerende lagen en kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen voor koud-watersystemen, behoeven niet onbrandbaar te zijn, doch het gebruik ervan moet tot het praktisch mogelijke minimum worden beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

3.

De navolgende oppervlakken moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie:

4.

De gezamenlijke inhoud van brandbare bekleding, lijstwerk, decoratieve versieringen en fineerhout in enige ruimte voor accommodatie of dienstruimte, mag niet groter zijn dan het volume dat overeenkomt met een fineerbekleding van 2,5 mm op de totale oppervlakte van de wanden en het plafond. Op schepen die zijn uitgerust met een automatische sprinklerinstallatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 12, mag dit volume enig brandbaar materiaal omvatten dat wordt gebruikt bij het opstellen van scheidingswanden van klasse "C".

5.

Fineerlagen welke zijn aangebracht op oppervlakken en beschietingen die moeten voldoen aan het bepaalde in lid 3, mogen geen calorische waarde hebben hoger dan 45 MJ/m², betrokken op de oppervlakte waarop de fineerlaag in een bepaalde dikte is aangebracht.

6.

Meubilair in ingesloten ruimten waarin trappen zijn ondergebracht bestaat uitsluitend uit zitgelegenheden. Het is vast aangebracht en is beperkt tot 6 zitplaatsen op elk dek in elk trappenhuis. Het is van beperkte brandgevaarlijkheid en belemmert de vluchtweg van de passagiers niet. In de hoofdontvangstruimte binnen een ingesloten trapruimte zijn meer zitplaatsen toegestaan, indien ze vast zijn aangebracht, onbrandbaar zijn en de vluchtweg van de passagiers niet belemmeren. Meubilair is niet toegestaan in gangen voor passagiers en de bemanning die vluchtwegen vormen in ruimten waarin hutten zijn ondergebracht. Kasten van onbrandbaar materiaal, bestemd voor de voorgeschreven veiligheidsuitrusting, zijn toegestaan.

7.

Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, mogen geen, naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overmatige, hoeveelheden rook of andere giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.

8.

De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet, indien toegepast, van goedgekeurd materiaal zijn dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.

Artikel 35. Constructiedetails

1.

In ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, gangen en ingesloten ruimten voor trappen:

2.

De constructie van plafonds en schotten moet zodanig zijn dat de brandrondedienst elke rookontwikkeling, ontstaan in verborgen en ontoegankelijke plaatsen, kan ontdekken zonder dat de doeltreffendheid van de brandbeveiliging wordt verminderd, met uitzondering van die plaatsen die naar het inzicht van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen gevaar voor het ontstaan van brand opleveren.

3.

Verfhutten zijn voorzien van een deugdelijke onafhankelijke ventilatie-inrichting en staan niet in rechtstreekse verbinding met enige ruimte.

Artikel 36. Vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallaties en automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallaties

1.

Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers zijn in elke afzonderlijke verticale of horizontale sectie, in alle ruimten voor accommodatie en dienstruimten en, indien dit door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk wordt geacht, in controlestations, uitgezonderd ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, waaronder begrepen lege ruimten en sanitaire ruimten, aangebracht:

2.

schepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers zijn uitgerust met een automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallatie van een goedgekeurd type, die voldoet aan artikel 12 of aan bij ministeriële regeling gestelde nadere regels betreffende een gelijkwaardige sprinklerinstallatie, in alle dienstruimten, controlestations en ruimten voor accommodatie, met inbegrip van gangen en trappenhuizen. Als alternatief mogen controlestations waar water aan essentiële uitrusting schade kan veroorzaken, zijn uitgerust met een goedgekeurde vast aangebrachte brandblusinstallatie van een ander type. Een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie van een goedgekeurd type, die voldoet aan artikel 13 en die de aanwezigheid van rook ontdekt, is aangebracht in dienstruimten, controlestations en ruimten voor accommodatie, met inbegrip van gangen en trappenhuizen. Rookmelders behoeven niet te zijn aangebracht in badruimten voor privé-gebruik en in kombuizen. Ruimten die niet of in geringe mate brandgevaarlijk zijn, met inbegrip van lege ruimten en toiletten voor algemeen gebruik, behoeven niet te zijn voorzien van een automatische sprinklerinstallatie of een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie.

Artikel 37. Bescherming van ruimten van bijzondere aard

1.

Bepalingen betreffende ruimten van bijzondere aard zowel boven als onder het schottendek

1.1. Algemeen

1.1.1. Aangezien de normale indeling in verticale hoofdsecties in ruimten van bijzondere aard niet uitvoerbaar kan zijn, is het fundamentele beginsel dat aan het bepaalde in dit artikel ten grondslag ligt, dat gelijkwaardige bescherming in dergelijke ruimten moet worden bereikt op basis van een indeling in horizontale secties en de installatie van een doeltreffende vast aangebrachte brandblusinstallatie. Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel kan een horizontale sectie ingevolge deze opvatting ruimten van bijzondere aard omvatten die op meer dan een dek zijn gelegen, mits de totale vrije doorrijhoogte voor voertuigen niet meer dan 10 m bedraagt.

1.1.2. Alle voorschriften van de artikelen 16, 18, 30 en 32 inzake de handhaving van de brandwerendheid van verticale secties, zijn ook van toepassing op dekken en schotten die de begrenzingen vormen welke horizontale secties van elkaar en van het overige gedeelte van het schip scheiden.

1.2. Constructieve bescherming

1.2.1 Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers zijn de begrenzingsschotten en -dekken van ruimten van bijzondere aard geïsoleerd in overeenstemming met klasse «A-60». Indien echter een ruimte van categorie (5), (9) of (10) als bedoeld in artikel 26, onderdeel 2.2, onmiddellijk gelegen is aan een zijde van de begrenzing, kan worden volstaan met klasse« A-0».

1.2.2 Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers zijn de begrenzingsschotten van ruimten van bijzondere aard geïsoleerd op de wijze zoals voorgeschreven in tabel 27.1 voor ruimten van categorie (11), en de horizontale begrenzingen zoals voorgeschreven in tabel 27.2 voor ruimten van categorie (11).

1.2.3. Op de navigatiebrug moeten standaanwijzers zijn aangebracht die aangeven wanneer een brandwerende deur die toegang geeft tot ruimten van bijzondere aard, is gesloten.

1.3. Vast aangebrachte brandblusinstallatie

1.3.1. Elke ruimte van bijzondere aard moet zijn voorzien van een vast aangebrachte sproei-installatie voor water onder druk, die met de hand kan worden bediend en die alle delen van elk dek en elk eventueel aanwezig tussendek voor voertuigen, in een zodanige ruimte beschermt. Een dergelijke installatie dient te voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.

1.3.2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het gebruik van een andere vast aangebrachte brandblusinstallatie als bedoeld in lid 1.3.1 toestaan, mits door een proefneming op ware grootte, onder omstandigheden waarin een brand van een benzinestroom in een ruimte van bijzondere aard wordt nagebootst, is aangetoond dat deze installatie niet minder doeltreffend is bij het bedwingen van branden die in een dergelijke ruimte kunnen worden verwacht.

1.4. Rondedienst en brandontdekking

1.4.1. In ruimten van bijzondere aard moet een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht die voldoet aan het bepaalde in artikel 13, tenzij in dergelijke ruimten een brandrondedienst wordt onderhouden door een voortdurend aanwezige brandwacht gedurende de gehele reis. De vast aangebrachte brandontdekkingsinstallatie moet het begin van een brand snel kunnen ontdekken. De onderlinge afstand en de plaats van de detectors moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden beproefd, waarbij rekening moet worden gehouden met de invloed van de ventilatie en andere van belang zijnde faktoren.

1.4.2. Met de hand te bedienen brandmelders moeten naar behoefte in de ruimten van bijzondere aard zijn aangebracht; één van dergelijke brandmelders moet worden geplaatst dicht bij elke uitgang uit bedoelde ruimten.

1.5. Brandblusuitrusting

Iedere ruimte van bijzondere aard moet zijn voorzien van:

1.6. Ventilatiesysteem

1.6.1. De ruimten van bijzondere aard moeten zijn voorzien van een doeltreffend mechanisch ventilatiesysteem dat voldoende capaciteit heeft om ten minste tien luchtwisselingen per uur te geven. Het systeem voor dergelijke ruimten moet geheel gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een groter aantal luchtwisselingen eisen voor de toestand waarbij de voertuigen aan of van boord worden gereden. Ventilatiekanalen welke ruimten van bijzondere aard bedienen, die deugdelijk kunnen worden afgesloten, moeten onderling zijn gescheiden voor elke zodanige ruimte. Het systeem moet kunnen worden bediend vanaf een plaats welke buiten zodanige ruimten is gelegen.

1.6.2. De ventilatie moet zodanig zijn dat de vorming van luchtlagen en luchtzakken wordt voorkomen.

1.6.3. In het stuurhuis moeten middelen aanwezig zijn die verlies of vermindering van de vereiste ventilatiecapaciteit aangeven.

1.6.4. Voorzieningen moeten aanwezig zijn door middel waarvan, in geval van brand, het systeem snel kan worden gestopt en doeltreffend kan worden afgesloten, rekening houdend met de weersomstandigheden en de toestand van de zee.

1.6.5. Ventilatiekanalen, met inbegrip van dempers, moeten van staal zijn en hun inrichting moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

2.Extra voorzieningen die uitsluitend van toepassing zijn op ruimten van bijzondere aard boven het schottendek

2.1. Spuipijpen

Met het oog op het ernstige verlies aan stabiliteit dat zou kunnen worden veroorzaakt door de opeenhoping van grote hoeveelheden water op het dek of de dekken na het in gebruik stellen van de vast aangebrachte sproei-inrichting voor water onder druk, zijn spuipijpen aangebrach, zoals vereist in artikel 7a van bijlage III, teneinde zeker te stellen dat dit water snel rechtstreeks buitenboord wordt afgevoerd.

2.2. Voorzorgsmaatregelen tegen ontsteking van ontvlambare dampmengsels

2.2.1. Op elk dek of tussendek, indien aangebracht, waarop voertuigen worden vervoerd en waarop te verwachten is dat ontplofbare dampen zich kunnen verzamelen, met uitzondering van tussendekken waarin openingen van voldoende afmetingen zijn aangebracht waardoor benzinedampen naar beneden kunnen worden afgevoerd, moet uitrusting die een ontstekingsbron voor ontvlambare dampmengsels zou kunnen vormen, in het bijzonder elektrische apparatuur en leidingen, ten minste 450 mm boven het dek of tussendek zijn aangebracht.

Elektrische apparatuur die 450 mm of meer boven het dek of tussendek is aangebracht, moet zodanig zijn gesloten en beschermd dat geen vonken kunnen uittreden. Wanneer ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat de installatie van deze elektrische apparatuur en leidingen op een geringere hoogte nodig is voor de veilige behandeling van het schip, moeten deze apparatuur en leidingen van een type zijn dat is goedgekeurd voor gebruik in een ontplofbaar mengsel van benzine en lucht.

2.2.2. Indien elektrische apparatuur en leidingen zijn aangebracht in een afzuigkoker van de ventilatie, moeten deze zijn goedgekeurd voor gebruik in ontplofbare mengsels van benzine en lucht; de uitlaat van een afzuigkoker moet op een veilige plaats zijn gelegen, waarbij gelet dient te worden op andere mogelijke ontstekingsbronnen.

3.

Extra voorzieningen die uitsluitend van toepassing zijn op ruimten van bijzondere aard beneden het schottendek

3.1.Lenspompen en afvoer

Met het oog op het ernstige verlies aan stabiliteit dat zou kunnen worden veroorzaakt door de opeenhoping van grote hoeveelheden water op het dek of op de tanktop ten gevolge van het in werking zijn van de vast aangebrachte sproei-inrichting voor water onder druk, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvullende voorzieningen voor het wegpompen en afvoeren van water voorschrijven naast die welke zijn vereist volgens het bepaalde in de hoofdstukken I en II van bijlage III van dit besluit.

3.2. Voorzorgsmaatregelen tegen de ontsteking van ontvlambare dampmengsels

3.2.1. Indien elektrische apparatuur en leidingen zijn aangebracht, moeten deze geschikt zijn voor gebruik in ontplofbare mengsels van benzine en lucht. Andere uitrusting die een ontstekingsbron van ontvlambare dampmengsels zou kunnen vormen, is niet toegestaan.

3.2.2. Indien elektrische apparatuur en leidingen in een afzuigkoker van de ventilatie zijn aangebracht, moeten zij zijn goedgekeurd voor gebruik in ontplofbare mengsels van benzine en lucht; de uitlaat van de afzuigkoker moet op een veilige plaats zijn gelegen, waarbij gelet dient te worden op andere mogelijke ontstekingsbronnen.

Artikel 38. Bescherming van laadruimten, andere dan ruimten van bijzondere aard, bestemd voor het vervoer van motorvoertuigen met brandstof in de tank voor eigen aandrijving

In elke laadruimte andere dan ruimten van bijzondere aard, waarin motorvoertuigen zijn ondergebracht met brandstof in hun tank voor eigen aandrijving, moet zijn voldaan aan de volgende bepalingen:

1.

Vast aangebrachte brandontdekking

Aan boord van schepen gebouwd op of na 1 februari 1992 moet een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie aanwezig zijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 13 of een rookmeldsysteem dat voldoet aan de voorschriften van artikel 13a. Bij het ontwerp en de inrichting van het systeem moet rekening worden gehouden met de samenhang die bestaat met de eisen ten aanzien van de ventilatie, vermeld in het derde lid.

2.

Brandblusinstallaties

2.1. Er moet een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig zijn die moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5, met dien verstande dat wanneer een kooldioxyde-brandblusinstallatie is aangebracht, de beschikbare hoeveelheid gas ten minste zo groot moet zijn dat het vrije gas een volume heeft van ten minste 45 percent van de bruto-inhoud van de grootste laadruimte die luchtdicht kan worden afgesloten; de voorzieningen moeten zodanig zijn dat zeker wordt gesteld dat ten minste twee derde van de hoeveelheid gas die voor de betreffende ruimte is vereist, daarin binnen 10 minuten kan worden ingebracht. Er mag een andere vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of een vast aangebrachte schuimbrandblusinstallatie met hoog verschuimingsgetal worden aangebracht, mits deze gelijkwaardige bescherming biedt. Bovendien mag elke ladingruimte, welke uitsluitend is bestemd voor voertuigen zonder enige lading, zijn voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gehalogeniseerde koolwaterstof, welke installatie moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.

2.2. Als een gelijkwaardige voorziening mag een brandblusinstallatie die voldoet aan het bepaalde in lid 1.3 van artikel 37 zijn aangebracht, echter onder voorwaarde dat tevens aan het bepaalde in lid 2.1 of 3.1 van artikel 37, al naar gelang van toepassing, is voldaan.

2.3. Het aantal draagbare brandblustoestellen in iedere dergelijke ruimte dient ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn. Bij elke toegang tot zulke ruimten moet echter ten minste één draagbaar brandblustoestel zijn geplaatst.

3.

Ventilatiesystemen

3.1. Elke dergelijke laadruimte moet zijn voorzien van een doeltreffend mechanisch ventilatiesysteem dat voldoende capaciteit heeft om ten minste tien luchtwisselingen per uur te geven voor passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers en zes luchtwisselingen per uur voor passagiersschepen bestemd voor het vervoer van niet meer dan 36 passagiers. Het systeem voor deze laadruimten moet volledig gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. Ventilatiekanalen welke dergelijke laadruimten bedienen die deugdelijk kunnen worden afgesloten, moeten onderling zijn gescheiden voor elke zodanige ruimte. Het systeem moet kunnen worden bediend vanaf een plaats welke buiten zodanige ruimten is gelegen.

3.2. De ventilatie moet zodanig zijn dat de vorming van luchtlagen en luchtzakken wordt voorkomen.

3.3. In het stuurhuis moeten middelen aanwezig zijn die verlies of vermindering van de vereiste ventilatiecapaciteit aangeven.

3.4. Voorzieningen moeten aanwezig zijn door middel waarvan, in geval van brand, het systeem snel kan worden gestopt en doeltreffend kan worden afgesloten, rekening houdend met de weersomstandigheden en de toestand van de zee.

3.5. Ventilatiekanalen, met inbegrip van dempers, moeten van staal zijn en hun inrichting moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

4.

Voorzorgsmaatregelen tegen ontsteking van ontvlambare dampen

4.1. Indien elektrische apparatuur en leidingen zijn aangebracht, moeten deze geschikt zijn voor gebruik in ontplofbare mengsels van benzine en lucht. Andere uitrusting die een ontstekingsbron kan vormen voor ontvlambare dampmengsels, is niet toegestaan.

4.2. Indien elektrische apparatuur en leidingen zijn aangebracht in een afzuigkoker van de ventilatie, moeten zij zijn goedgekeurd voor gebruik in ontplofbare mengsels van benzine en lucht; de uitlaat van de afzuigkoker moet op een veilige plaats zijn gelegen, waarbij gelet dient te worden op andere mogelijke ontstekingsbronnen.

4.3. Spuipijpen mogen niet naar ruimten voor machines of andere ruimten leiden waar ontstekingsbronnen aanwezig kunnen zijn.

Artikel 39. Vast aangebrachte brandblusinstallaties voor laadruimten

1.1. De laadruimten van schepen van 1000 ton of meer, waarmee geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moeten zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof, die voldoet aan het bepaalde in artikel 5, of door een vast aangebrachte schuimbrandblusinstallatie met een hoog verschuimingsgetal, die gelijkwaardige bescherming biedt.

1.2. Wanneer ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat een schip als bedoeld in lid 1.1 voor reizen van zo korte duur wordt gebezigd, dat het onredelijk zou zijn het bepaalde in lid 1.1 toe te passen, moet de bescherming van de laadruimten ten genoegen van genoemd Hoofd zijn.

2.

De bescherming van de laadruimten van schepen van minder dan 1000 ton, waarmee geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

3.

De laadruimten van schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moeten zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof die voldoet aan het bepaalde in artikel 5, of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor de te vervoeren ladingen een gelijkwaardige bescherming biedt.

Artikel 40. Brandrondedienst en brandontdekking, alarmtoestellen en omroepinstallaties

1.

Handbrandmelders welke voldoen aan het bepaalde in artikel 13, moeten zijn aangebracht.

2.

Aan boord van schepen gebouwd op of na 1 februari 1992 moet in ieder laadruim, dat naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet toegankelijk is, een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie aanwezig zijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 13 of een rookmeldsysteem dat voldoet aan de voorschriften van artikel 13a, behalve wanneer ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat het schip reizen van zo"n korte duur maakt dat het niet redelijk is dit artikel toe te passen.

3.

Voorzieningen dienen te zijn getroffen die het mogelijk maken dat een lid van de bemanning als bedoeld in artikel 139, eerste lid, onder d, van dit besluit, elk eerste brandalarm onmiddellijk ontvangt.

4.

Een speciale alarminstallatie die vanaf de brug of het controlestation kan worden bediend, moet zijn aangebracht voor het oproepen van de bemanning. Dit alarm mag een deel zijn van de algemene alarminstallatie van het schip, doch moet onafhankelijk van het alarm naar de passagiersruimten in werking kunnen worden gesteld.

5.

In alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en op open dek is een omroepinstallatie of een ander doelmatig middel voor berichtgeving beschikbaar. Elk lid van de brandrondedienst is uitgerust met een draagbare radiotelefooninstallatie.

6.

Aan boord van passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers, dienen maatregelen te zijn getroffen om de brandrondedienst als bedoeld in artikel 139, eerste lid, onder b en c, van dit besluit, doeltreffend te kunnen onderhouden.

7.

Op schepen gebouwd op of na 1 januari 1994 waar ruimten voor algemeen gebruik zich uitstrekken over drie of meer dekken en die ingesloten ruimten, zoals winkels, kantoren en restaurants, en brandbare onderdelen, zoals meubilair, bevatten, is de gehele verticale hoofdsectie die de ruimte omvat in zijn geheel beschermd door een rookontdekkingsinstallatie die voldoet aan artikel 13, met uitzondering van onderdeel 1.9.

7.1 Op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers zijn de ontdekkingsalarmen voor de installaties, bedoeld in artikel 36, tweede lid, gecentraliseerd ondergebracht in een doorlopend bemand centraal controlestation. In deze ruimte is voorts de afstandsbediening voor het sluiten van branddeuren en het afzetten van de ventilatoren gecentraliseerd ondergebracht. De ventilatoren kunnen door de bemanning weer worden aangezet in het doorlopend bemand centraal controlestation. Het controlepaneel in het centraal controlestation moet de open en gesloten posities van branddeuren en de aan of uit stand van de detectoren, alarmen en ventilatoren kunnen aangeven. Het controlepaneel wordt onafgebroken gevoed en schakelt bij het wegvallen van de normale stroomvoorziening automatisch over op een noodstroomvoorziening. Het controlepaneel wordt gevoed vanaf de hoofdkrachtbron en de noodkrachtbron, bedoeld in artikel 42 van bijlage II, tenzij hiervan op grond van deze bepaling kan worden afgeweken.

7.2 Het controlepaneel is zodanig ontworpen dat gebreken in het controlesysteem worden gemeld, met dien verstande dat een open detector-circuit een alarm veroorzaakt als bedoeld in artikel 13, onderdeel 1.2, van deze bijlage en artikel 51, onderdeel 1.4, van bijlage II.

Artikel 41. Bijzondere voorschriften voor passagiersschepen welke gevaarlijke stoffen vervoeren

Voor zover van toepassing geldt op passagiersschepen welke gevaarlijke stoffen vervoeren, het bepaalde in artikel 54.

Artikel 41a. Voorschriften voor passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers en gebouwd voor 1 oktober 1994.

1.

Dit artikel is van toepassing op passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers en gebouwd voor 1 oktober 1994.

2.

Passagiersschepen die niet geheel voldoen aan de voorschriften betreffende de bescherming tegen brand, zoals gesteld in dit besluit voor passagiersschepen die zijn gebouwd op of na 25 mei 1980, voldoen aan de volgende bepalingen op de daarbij aangegeven datum:

3.

Passagiersschepen die voldoen aan de daarvoor geldende voorschriften betreffende de bescherming tegen brand, zoals gesteld in dit besluit voor passagiersschepen die zijn gebouwd op of na 25 mei 1980, voldoen aan de volgende bepalingen op de daarbij aangegeven datum:

Artikel 41b. Voorschriften voor passagiersschepen bestemd voor het vervoer van meer dan 36 passagiers en gebouwd voor 1 oktober 1994.

1.1 De in artikel 20 voorgeschreven plannen en boekjes verschaffen informatie over brandbescherming, brandontdekking en brandbestrijding overeenkomstig de gestelde voorschriften.

1.2 Elk lid van de brandrondedienst heeft de beschikking over een draagbare radiotelefooninstallatie.

1.3 Nevellansen zijn beschikbaar in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7, zesde lid, artikel 17, onderdeel 3.2, en artikel 37, onderdeel 1.5.1.

1.4 Draagbare schuimbrandblusinstallaties zijn beschikbaar in overeenstemming met artikel 7, onderdelen 1.2 en 2.2, en artikel 37, onderdeel 1.5.2.

1.5 Straalpijpen zijn voorzien van een inrichting die het mogelijk maakt tijdens het blussen met een eenvoudige handbeweging over te gaan van spuiten op sproeien en omgekeerd, zonder dat daarvoor de watertoevoer naar de straalpijp behoeft te worden onderbroken. Tevens is de straalpijp voorzien van een inrichting om de watertoevoer te onderbreken.

2.

Accommodatie- en dienstruimten, ingesloten trapruimten en gangen zijn uitgerust met een rookmeld- en alarmsysteem van een goedgekeurd type, dat voldoet aan artikel 13. Een dergelijk systeem behoeft niet te zijn aangebracht in badkamers die deel uitmaken van hutten en in ruimten met een geringe brandgevaarlijkheid of zonder brandgevaar, met inbegrip van lege ruimten. Detectors, werkend op hitte in plaats van op rook, zijn aangebracht in kombuizen.

3.

In ruimten waar plafonds van een brandbare samenstelling zijn aangebracht, worden de aan het rookdetectie- en alarmsysteem verbonden rookdetectors in de plafonds van de trappen en gangen geplaatst.

4.1 Scharnierende branddeuren in ingesloten trapruimten, schotten van de verticale hoofdsecties en begrenzingswanden van kombuizen die normaliter open worden gehouden, zijn zelfsluitend en kunnen zowel ter plaatse als vanuit een centraal controlestation worden vrijgemaakt.

4.2 Een paneel waarop wordt aangegeven of de branddeuren in de trapomsluitingen, de begrenzingsschotten van de hoofdbrandsecties en de begrenzingswanden van kombuizen zijn gesloten, is aangebracht in een doorlopend bemand centraal controlestation.

4.3 Ventilatiekokers van afvoerkappen boven fornuizen, waarin zich vet kan verzamelen en die door accommodatieruimten of door ruimten met brandbare materialen lopen, zijn geconstrueerd als schotten van klasse «A». Elke zodanige afvoerkoker is voorzien van:

4.4 In ingesloten ruimten waarin trappen zijn aangebracht bevinden zich uitsluitend toiletten voor algemeen gebruik, liften, kasten van onbrandbaar materiaal voor de berging van veiligheidsuitrusting en open informatiebalies. Andere bestaande ruimten in een ingesloten trapruimte zijn:

4.5 Ruimten, anders dan ruimten voor algemeen gebruik, gangen, toiletten voor algemeen gebruik, ruimten van bijzondere aard, andere trappen, vereist ingevolge artikel 28, onderdeel 1.5, open dekruimten en ruimten omschreven in onderdeel 4.4.b, hebben geen directe toegang tot ingesloten ruimten waarin trappen zijn aangebracht.

4.6 Bestaande ruimten voor machines, categorie (10), omschreven in artikel 26, onderdeel 2.2, en bestaande kantoorruimten achter informatiebalies die directe toegang hebben tot de ingesloten ruimte waarin trappen zijn aangebracht, mogen ongewijzigd blijven, mits deze ruimten zijn voorzien van rookdetectors en de kantoorruimten achter de informatiebalies uitsluitend meubilair van geringe brandgevaarlijkheid bevatten.

4.7 In aanvulling op de noodverlichting, vereist ingevolge artikel 42 van bijlage II en artikel 11, vijfde lid, van bijlage XIA, zijn de voorzieningen voor ontsnapping, met inbegrip van trappen en uitgangen op alle punten van de vluchtweg, waaronder hoeken en kruisingen, gemarkeerd door middel van verlichting of fotoluminescerende strippen die op niet meer dan 0,30 meter boven het dek zijn geplaatst. De markering stelt de passagiers in staat alle vluchtwegen te herkennen en gemakkelijk de vluchtuitgangen te vinden. Als elektrische verlichting wordt gebruikt, wordt de elektriciteit geleverd door de noodkrachtbron en is de verlichting zodanig aangebracht dat het uitvallen van een enkele lamp of een onderbreking in de strip niet resulteert in het niet functioneren van de markering. Bovendien zijn alle vluchtwegaanduidingen en aanduidingen voor de plaats van de brandbestrijdingsmiddelen van fotoluminescerend materiaal. De extra noodverlichting is uitgevoerd, beproefd en aangebracht volgens bij ministeriële regeling gestelde nadere regels.

4.8 Een algemeen alarm-systeem is aangebracht. Het alarm is hoorbaar in alle accommodatieruimten, in ruimten waar gewoonlijk door de bemanning wordt gewerkt en op open dekruimten. Het alarm blijft na in werking te zijn gesteld, functioneren tot het met de hand wordt afgezet of wordt onderbroken voor een bericht via de omroepinstallatie.

4.9 Een omroepinstallatie of andere doeltreffende voorziening voor berichtgeving is beschikbaar en hoorbaar in alle ruimten voor accommodatie, ruimten voor algemeen gebruik en dienstruimten, controlestations en op Ðe open dekruimten.

4.10 Meubilair in ingesloten ruimten waarin trappen zijn ondergebracht, bestaat uitsluitend uit zitgelegenheden. Het is vast aangebracht en is beperkt tot 6 zitplaatsen op elk dek in elk trappenhuis. Het is van beperkte brandgevaarlijkheid en belemmert de vluchtweg van de passagiers niet. In de hoofdontvangstruimte binnen een ingesloten trapruimte zijn meer zitplaatsen toegestaan, indien ze vast zijn aangebracht, onbrandbaar zijn en de vluchtweg van de passagiers niet belemmeren. Meubilair is niet toegestaan in voor passagiers en de bemanning bestemde gangen die vluchtwegen vormen in ruimten waarin hutten zijn ondergebracht. Kasten van onbrandbaar materiaal, bestemd voor de voorgeschreven veiligheidsuitrusting, zijn toegestaan.

5.

Accommodatie- en dienstruimten, ingesloten trapruimten en gangen zijn voorzien van een automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 12 of aan bij ministeriële regeling gestelde nadere regels voor gelijkwaardige sprinklerinstallaties. Een sprinklerinstallatie behoeft niet te zijn aangebracht in badkamers die deel uitmaken van hutten of in ruimten met een geringe brandgevaarlijkheid of zonder brandgevaar, met inbegrip van lege ruimten.

6.

Het constructieve deel van alle trappen in accommodatie- en dienstruimten is van staal, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van een ander gelijkwaardig materiaal toestaat. De trappen zijn in een ruimte ondergebracht die omgeven is door schotten van klasse «A». Alle openingen in deze schotten zijn van doeltreffende middelen tot sluiting voorzien. Daarbij gelden de volgende uitzonderingen:

6.2 Ruimten voor machines van categorie A zijn voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie die voldoet aan artikel 7.

6.3 Ventilatiekokers die door de begrenzingsschotten van verticale hoofdsecties worden gevoerd, zijn voorzien van een doelmatige, automatische sluitende brandklep die bovendien aan beide zijden van het schot met de hand kan worden gesloten. Tevens zijn in alle ventilatiekokers die zowel accommodatie- en dienstruimten, als ingesloten trapruimten bedienen, doelmatige automatisch werkende brandkleppen met handbediening in de ingesloten trapruimte aangebracht op de plaatsen waar zij dergelijke trapruimte binnendringen. Ventilatiekokers die een begrenzingsschot van een verticale hoofdsectie doorboren zonder de ruimten ter weerszijde hiervan te bedienen, of die door een ingesloten trapruimte lopen zonder die ruimte te bedienen, behoeven niet te worden voorzien van brandkleppen als de kokers zijn geconstrueerd en geïsoleerd overeenkomstig brandwerende klasse «A-60».

6.4 Ruimten van bijzondere aard onderscheidenlijk ro/ro laadruimten voldoen aan artikel 37, onderscheidenlijk artikel 38.

6.5 Branddeuren in ingesloten trapruimten, begrenzingsschotten van verticale hoofdsecties en van kombuizen die normaliter open zijn, kunnen vanuit een centraal controlestation en ter plaatse van de deur worden vrijgemaakt.

Hoofdstuk C. Brandbescherming voor vrachtschepen en kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde (artikel 54 van dit hoofdstuk geldt tevens voor passagiersschepen, voor zover van toepassing)

Artikel 42. Constructie

1.

Behoudens het bepaalde in lid 4 moeten de romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd.

2.

De isolatie van onderdelen van schotten van klasse "A" of "B" welke van aluminiumlegering zijn vervaardigd, behalve bij constructies die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, dient zodanig te zijn dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.

3.

Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie, die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van schotten van klasse "A" en "B" en van de plaatsen van de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in reddingboten en reddingvlotten, teneinde zeker te stellen:

4.

Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A moeten van staal zijn en naar behoren zijn geïsoleerd, terwijl de openingen daarin, indien aanwezig, doeltreffend moeten zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.

5.

In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moet één van de navolgende methoden van bescherming zijn toegepast:

6.

De bepalingen met betrekking tot de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van schotten die de begrenzing vormen van ruimten voor machines, controlestations, dienstruimten en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen zijn voor alle drie de in lid 5 omschreven methoden gelijk.

7.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde.

Artikel 43. Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten

1.

Alle schotten welke van klasse "B" moeten zijn, dienen te zijn opgetrokken van dek tot dek en zich uit te strekken tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse "B" zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.

2.

Methode I C - Alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk van klasse "A" of "B" moeten zijn, dienen ten minste schotten van klasse "C" te zijn.

3.

Methode II C - De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk van klasse "A" of "B" moeten zijn, is niet aan beperkingen onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse "C" zijn vereist overeenkomstig tabel 44.1.

4.

Methode III C - De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk van klasse "A" of "B" moeten zijn, is niet aan beperkingen onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse "C" zijn vereist overeenkomstig tabel 44.1. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse "A" of "B" worden begrensd, mag in geen geval meer dan 50 m² bedragen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.

5.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde.

Artikel 44. Brandwerendheid van schotten en dekken

1.

Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, moet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in de tabellen 44.1 en 44.2.

2.

De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen:

3.

Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse "B" kunnen, tezamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.

4.

In de buitenste begrenzingswanden, die ingevolge het bepaalde in lid 1 van artikel 42 van staal of gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in dit hoofdstuk is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse "A" moeten hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse "A" behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Tabel 44.1 Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

Tabel 44.2 Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

Noten: onderstaande noten moeten al naar gelang worden toegepast op zowel tabel 44.1 als tabel 44.2:

5.

Met betrekking tot kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde, geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 70 van deze bijlage.

Artikel 45. Voorzieningen voor ontsnapping

1.

Trappen en ladders moeten zodanig zijn aangebracht dat vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, het open dek en vervolgens de reddingmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder moet aan de volgende algemene bepalingen zijn voldaan:

2.

In en vanuit alle ro/ro laadruimten waar de bemanning gewoonlijk aan het werk is, moeten het aantal en de plaats van de uitgangen naar het open dek ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn; in geen geval mogen er minder dan twee vluchtwegen zijn en deze dienen zover mogelijk uit elkaar gelegen te zijn.

3.

Behoudens het gestelde in lid 4 moeten in elke ruimte voor machines van categorie A twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht. In het bijzonder moet aan één van de volgende bepalingen zijn voldaan:

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een schip van minder dan 1000 ton toestaan dat slechts één van de voorzieningen voor ontsnapping, welke zijn vereist ingevolge het bepaalde in lid 3 is aangebracht, indien de afmetingen en algemene inrichting van het bovenste gedeelte van de ruimte daartoe aanleiding geven.

5.

Vanuit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in veilige vluchtwegen zijn voorzien, daarbij rekening houdende met de aard en de ligging van de betreffende ruimte, en of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.

6.

Liften worden niet beschouwd als één van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.

7.

Met betrekking tot kleine vaartuigen, geen tankschip zijnde, geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 71 van deze bijlage.

Artikel 45a. Breedte van trappen, deuropeningen en hoofdgangen

1.

Trappen moeten een breedte tussen de trapbomen of de leuningen hebben van ten minste 0,65 m.

2.

Deuropeningen in gangen moeten een breedte hebben van ten minste 0,65 m. Openingen van deuren die toegang geven tot een trap moeten per dek ten minste dezelfde breedte hebben als de trap die zij bedienen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)