Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet energiebesparing toestellen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:
Voorschrift 1.3
Voorschrift 4.2
§ 3. Grenswaarde voor stikstofoxiden
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8.52
Naar aanleiding van de door de provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten voor 1 september 1996 is beëindigd, delen gedeputeerde staten van de provincie waar de desbetreffende stortplaatsen liggen, Onze Minister zo spoedig mogelijk mede welke stortplaatsen dit betreft.
Artikel 8.53
Onze Minister houdt een lijst bij van gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47, en van de stortplaatsen, bedoeld in artikel 8.52.
Hij draagt zorgt voor bekendmaking van deze lijst en doet een afschrift van de lijst alsmede de aanvullingen erop toekomen aan de ter zake van de afvalstoffenbelasting bevoegde inspecteur van de Belastingdienst.
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Titel 8.4. Regels met betrekking tot plaatsing van stortplaatsen op een lijst
§ 9.2.2. Maatregelen
Paragraaf 9.2.3. Verpakking en aanduiding
Titel 9.3a. De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 9.6. De EG-richtlijn ter bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen
Artikel 10.16b
Vervallen
Artikel 10.16c
Vervallen
Titel 10.1. Algemeen
§ 9.7.5. Register hernieuwbare energie
Artikel 10.44d
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
Titel 10.2. Het afvalbeheerplan
§ 11.3.3.1. Algemeen
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
§ 11.2.2. Geluidsbelastingkaarten
Hoofdstuk 16. Handel in emissierechten
Titel 15.13. Kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten en het gebruik van emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties
§ 15.2.2. Belastingplichtigen
Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Afdeling 13.2. Bijzondere bepalingen
Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Titel 15.1
Hoofdstuk 19. Openbaarheid van milieu-informatie
Hoofdstuk 20. Beroep bij de administratieve rechter
Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet energiebesparing toestellen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
Voorschrift 4.7
Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties bij de wegen, bedoeld in voorschrift 2.1, tweede lid, de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden:
Voorschrift 2.4
In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voorschrift 3.1
Voorschrift 4.5
25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
§ 12.3.1. Algemeen
Artikel 16.39a
Deze afdeling is van toepassing op:
- a. vliegtuigexploitanten ten aanzien waarvan Nederland verantwoordelijk is voor de administratie van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en die luchtvaartactiviteiten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten uitvoeren;
- b. niet-CO2-effecten van de luchtvaart;
- c. scheepvaartmaatschappijen waarvoor Nederland verantwoordelijk is voor het beheer van het EU-ETS en die maritieme vervoersactiviteiten uitvoeren als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
- d. emissies van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen broeikasgassen veroorzaakt door luchtvaartactiviteiten als bedoeld onder a of maritiem vervoer als bedoeld onder c.
Nederland is ten aanzien van een vliegtuigexploitant administrerende lidstaat als bedoeld in het eerste lid, onder a:
- a. indien de vliegtuigexploitant beschikt over een geldige vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Luchtvaartwet die valt onder verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PbEU L 293);
- b. in gevallen waarin de vliegtuigexploitant niet beschikt over een geldige, door een lidstaat overeenkomstig de verordening, genoemd onder a, verleende exploitatievergunning: indien aan Nederland het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van door de betrokken vliegtuigexploitant in het basisjaar uitgevoerde vluchten kan worden toegeschreven als bedoeld in artikel 18bis, eerste lid, onder b, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
Door vernummering vervallen.
Nederland is administrerende autoriteit voor een scheepvaartmaatschappij die wordt vermeld op de door de Europese Commissie gepubliceerde lijst van scheepvaartmaatschappijen die een in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vermelde maritieme vervoersactiviteit uitoefenen.
De toewijzing van emissierechten aan scheepvaartmaatschappijen en de inleveringsverplichting van emissierechten door scheepvaartmaatschappijen is van toepassing op:
- a. 50% van de emissies van schepen die reizen uitvoeren vanuit een Nederlandse haven naar een buiten de Europese Unie gelegen aanloophaven;
- b. 50% van de emissies van schepen die reizen uitvoeren vanuit een buiten de Europese Unie gelegen aanloophaven naar een Nederlandse haven;
- c. 100% van de emissies van schepen die reizen uitvoeren van een Nederlandse haven naar een binnen de Europese Unie gelegen aanloophaven en vice versa;
- d. 100% van de emissies van schepen in een Nederlandse aanloophaven
Voor de toepasselijkheid van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt uitgegaan van de meest actuele uitgave van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 18bis, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten gepubliceerde lijst.
Bij de administratie van vliegtuigexploitanten neemt het bestuur van de emissieautoriteit de richtsnoeren in acht die de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 18bis, vierde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Artikel 16.39b
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de interpretatie van de luchtvaartactiviteiten, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten. Deze regels voldoen in elk geval aan de richtsnoeren die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 3 ter van genoemde richtlijn heeft vastgesteld.
Artikel 16.39c
Vervallen
Artikel 16.39d
De ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel of artikel 6, achtste lid, van de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer vereiste goedkeuring wordt door het bestuur van de emissieautoriteit geweigerd, indien:
- a. het monitoringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn bij bij of krachtens de genoemde verordeningen of bij of krachtens dit hoofdstuk;
- b. het bestuur van oordeel is dat onvoldoende is gewaarborgd dat de vliegtuigexploitant of scheepvaartmaatschappij in staat is het monitoringsplan naar behoren uit te voeren.
Het eerste lid is niet van toepassing op vluchten vermeld in artikel 16.39sb, eerste lid.
Artikel 16.39e
Vervallen
Artikel 16.39f
Vervallen
Artikel 16.39g
Vervallen
Artikel 16.39h
De artikelen 16.13, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, 16.14 en 16.16 zijn van overeenkomstige toepassing op maritiem vervoer, met dien verstande dat:
- a. voor «Verordening monitoring en rapportage emissiehandel» en «Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel» wordt gelezen «Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer»;
- b. in artikel 16.13 voor «vergunninghouder» wordt gelezen «scheepvaartmaatschappij»; en
- c. in artikel 16.16 voor «artikel 68» wordt gelezen «artikel 11bis».
Artikel 16.39i
Vliegtuigexploitanten brengen eenmaal per jaar en overeenkomstig het door de Europese Commissie op grond van artikel 14, vijfde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde monitorings-, rapportage- en verificatiekader bij het bestuur van de emissieautoriteit verslag uit over de niet-CO2-effecten die zich vanaf 1 januari 2025 voordoen.
Het bestuur van de emissieautoriteit legt een aanvraag van een vliegtuigexploitant die voldoet aan de in artikel 14, zesde lid, laatste alinea, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vermelde vereisten om een ontheffing van de publicatie van de op grond van artikel 14, zesde lid, onderdelen a en b, van de genoemde richtlijn geaggregeerde jaarlijkse emissie gerelateerde gegevens voor aan de Europese Commissie.
Paragraaf 16.2.2.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Artikel 16.39j
Een vliegtuigexploitant kan het bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om kosteloze toewijzing van:
- a. broeikasgasemissierechten voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025. Het bestuur van de emissieautoriteit verleent uiterlijk op 30 juni van elk kalenderjaar binnen die periode aan een vliegtuigexploitant het aantal emissierechten dat hem krachtens dit onderdeel is toegewezen en maakt hier melding van in de Staatscourant.
- b. broeikasgasemissierechten met betrekking tot de in artikel 3 quater, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten genoemde brandstoffen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030.
Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a worden geverifieerde emissies overgelegd over de in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten opgenomen luchtvaartactiviteiten die de vliegtuigexploitant in het referentiejaar heeft uitgevoerd.
De overgelegde geverifieerde emissies zijn bepaald en geregistreerd:
- a. overeenkomstig een plan dat een beschrijving bevat van de wijze waarop de geverifieerde emissies worden bepaald, geregistreerd en bewaard;
- b. met inachtneming van de krachtens het zevende lid, aanhef en onder a en b, gestelde regels.
Het plan, bedoeld in het derde lid, onder a, is goedgekeurd door het bestuur van de emissieautoriteit. Artikel 16.39d is van overeenkomstige toepassing.
Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, berekent het bestuur van de emissieautoriteit het kostenverschil met toepassing van de door de Europese Commissie op grond van artikel 3 quater, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde regels voor de jaarlijkse berekening van genoemd kostenverschil en verleent aan een vliegtuigexploitant het aantal emissierechten dat hem krachtens genoemd onderdeel is toegewezen en maakt hier melding van in de Staatscourant.
De aanvraag wordt ten aanzien van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode ingediend op uiterlijk 31 maart van elk kalenderjaar.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van dit artikel regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. de wijze waarop een tonkilometer wordt berekend;
- b. het bepalen en registreren van geverifieerde emissies;
- c. het indienen van een ontwerp van een plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
- d. het goedkeuren van een plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
- e. het actualiseren van een plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
- f. het melden van veranderingen en afwijkingen van een plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
- g. de wijze waarop een aanvraag om toewijzing van emissierechten dient te worden gedaan en de gegevens die door de aanvrager dienen te worden verstrekt.
Artikel 16.39k
Het bestuur van de emissieautoriteit legt aanvragen die tijdig zijn ingediend en voldoen aan artikel 16.39j, derde lid voor wat betreft de eisen waaraan de onafhankelijke deskundige moet voldoen, voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 16.39l
Vervallen
Artikel 16.39m
Voor de jaren 2024 en 2025 wordt van het totale aantal broeikasgasemissierechten voor de luchtvaart, bedoeld in artikel 3 quater, vijfde en zevende lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, een gedeelte geveild. Het te veilen gedeelte wordt vastgesteld met toepassing van de in artikel 3 quinquies, eerste lid, van de genoemde richtlijn vermelde methode.
Artikel 16.39n
Vervallen
Artikel 16.39o
Vervallen
Artikel 16.39p
Vervallen
Artikel 16.39q
Vervallen
Artikel 16.39r
Vervallen
Artikel 16.39s
Vervallen
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Artikel 16.39t
Een vliegtuigexploitant levert met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 oktober van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten in, dat overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar van in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten opgenomen luchtvaartactiviteiten waarvoor die vliegtuigexploitant verantwoordelijk is en die op of na 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden.
Een scheepvaartmaatschappij levert met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 oktober van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten in dat overeenkomt met de hoeveelheid van de totale emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar, zoals geverifieerd overeenkomstig de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en zoals berekend volgens het door de Commissie vastgestelde model-emissieverslag.
Ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in het tweede lid, worden de gegevens in acht genomen, die overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten in het EU-register voor de handel in emissierechten zijn opgenomen.
De in het eerste lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een vliegtuigexploitant waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, tweede lid, onderdeel a, de administrerende lidstaat is, voor de vluchten die deze vliegtuigexploitant uitvoert tussen een luchthaven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
- a. een luchthaven in dezelfde lidstaat;
- b. een andere luchthaven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
- c. een luchthaven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
De in het tweede lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een scheepvaartmaatschappij waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, vierde lid, de administrerende lidstaat is, voor de reizen en in verband met deze reizen uitgevoerde activiteiten in een haven die deze scheepvaartmaatschappij uitvoert tussen en in een haven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
- a. een haven in dezelfde lidstaat;
- b. een andere haven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
- c. een haven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
De in het tweede lid bedoelde emissierechten worden overeenkomstig het volgende schema ingeleverd:
- a. 40% van de voor 2024 gerapporteerde geverifieerde emissies;
- b. 70% van de voor 2025 gerapporteerde geverifieerde emissies;
- c. 100% van de geverifieerde emissies die zijn gerapporteerd voor 2026 en elk daaropvolgend jaar.
In afwijking van het tweede en zesde lid mag een scheepvaartmaatschappij tot 31 december 2030 5% minder emissierechten inleveren dan de geverifieerde emissies voor schepen met ijsklasse 1A of 1A super of een gelijkwaardige ijsklasse, zoals vastgesteld op basis van aanbeveling 25/7 van de Commissie ter bescherming van het mariene milieu van het Oostzeegebied.
Een scheepvaartmaatschappij voldoet tot 31 december 2030 aan de eisen bedoeld in het tweede lid indien een uitvoeringshandeling van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 12, derde lid quinqies, derde lid quater en derde lid ter, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten dat bepaalt.
Indien de eindverantwoordelijkheid voor de aankoop van de brandstof of de exploitatie van een schip op grond van een contractuele regeling berust bij een ander dan de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij, heeft die scheepvaartmaatschappij recht op terugbetaling door die ander van de kosten die voortvloeien uit het inleveren van de in het tweede en zesde lid bedoelde emissierechten door de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij.
Artikel 16.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39u
Vervallen
Artikel 16.39v
Artikel 16.36 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39w
Indien een vliegtuigexploitant ter voldoening aan artikel 16.39t, eerste lid of een scheepvaartmaatschappij ter voldoening aan artikel 16.39t, tweede lid, minder broeikasgasemissierechten heeft ingeleverd dan overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie, die hij gedurende het betrokken kalenderjaar heeft veroorzaakt, wordt het aantal broeikasgasemissierechten dat hij in het daarop volgende kalenderjaar ter uitvoering van dat artikellid dient in te leveren, van rechtswege verhoogd met het aantal broeikasgasemissierechten dat hij te weinig had ingeleverd.
Afdeling 13.3. Afvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 16.3.3. Het ontstaan van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 13.3. Winningsafvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.7. Overige bepalingen
Afdeling 16.3.4. De inlevering van NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 15.6. Regulerende verbruiksbelastingen
Titel 15.9A. Rechten
Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies
Titel 15.5. Fonds Luchtverontreiniging
Hoofdstuk 18. Handhaving
Artikel 18.16r
Het bestuur van de emissieautoriteit kan de Commissie van Europese Gemeenschappen verzoeken een exploitatieverbod als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten op te leggen aan een vliegtuigexploitant die niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens afdeling 16.2.2, indien zulks niet met andere handhavingsmaatregelen kon worden gewaarborgd. Het verzoek voldoet in elk geval aan de in artikel 16, zesde lid, van genoemde richtlijn opgenomen eisen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Indien regels worden gesteld, worden in de maatregel in elk geval geregeld:
- a. de gevallen waarin een verzoek kan worden ingediend;
- b. de procedure die voorafgaand aan het indienen van het verzoek moet worden gevolgd.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, regels stellen met betrekking tot de eisen waaraan een verzoek overigens moet voldoen.
Krachtens het tweede en derde lid gestelde regels voldoen in elk geval aan de eisen die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 16, twaalfde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Het bestuur van de emissieautoriteit zendt een afschrift van een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister en aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Het afschrift wordt verzonden gelijktijdig met het indienen van het verzoek bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Hoofdstuk 20. Beroep bij de administratieve rechter
Paragraaf 16.2.2.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
§ 20.2. Beroep tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor zwaveldioxide geldt 500 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.
Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.
Voorschrift 4.1
Voorschrift 4.5
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Voorschrift 4.7
Voorschrift 4.3
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:
Voorschrift 4.7
Voor koolmonoxide geldt 10 000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
Voorschrift 4.5
Voorschrift 7.1
§ 6. Grenswaarde voor koolmonoxide
Voorschrift 4.6
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
Voorschrift 4.7
Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voorschrift 5.1
Voorschrift 7.2
Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voorschrift 6.1
Voorschrift 8.1
Voor cadmium geldt 5 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte cadmium in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 7.1
§ 9. Richtwaarde voor arseen
Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 10.1
§ 8. Richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
Voor benzo(a)pyreen geldt 1 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte benzo(a)pyreen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 8.2
Voorschrift 8.3
Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.3a
Vervallen
Artikel 1.3b
Vervallen
Artikel 1.3c
Vervallen
Hoofdstuk 2. Zelfstandige bestuursorganen, bevoegde autoriteiten en adviesorganen
§ 2.1. De Nederlandse emissieautoriteit
§ 2.2. De Commissie voor de milieueffectrapportage
§ 2.3. De Commissie genetische modificatie
Hoofdstuk 3. Internationale zaken
Hoofdstuk 3. Internationale zaken
§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan
§ 4.5a. Het regionale milieubeleidsplan
§ 4.8. Het gemeentelijke rioleringsplan
Titel 5.1. Algemene bepalingen ten aanzien van milieukwaliteitseisen
Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen
§ 5.2.2. Plannen
Artikel 5.12b
Vervallen
Hoofdstuk 6. Milieuzonering
Hoofdstuk 6. Milieuzonering
§ 5.2.6. Handhaving en internationale samenwerking
§ 7.2. Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is
§ 7.8. De beperkte voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
§ 7.7. Het besluit
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Afdeling 8.1.1. Algemeen
Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen
Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen
§ 8.1.3.1. Algemeen
§ 8.1.3.2. Gevallen waarin mede een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet vereist is
§ 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze nuttig worden toegepast of worden verwijderd
Titel 8.2. Algemene regels
Artikel 8.43
Vervallen
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Titel 9.7. Hernieuwbare energie vervoer
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Artikel 10.16a
Vervallen
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Titel 9.8. Rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies
§ 9.7.6. Naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria en broeikasgasemissiereductiedrempels
Artikel 10.44a
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
Titel 10.1. Algemeen
Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie- en meetverplichtingen
§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen
§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen
Afdeling 13.3. Afvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
§ 10.6.2. Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
§ 11.3.3.3. De binnenwaarde
§ 11.2.3. Actieplannen
Titel 15.5. Fonds Luchtverontreiniging
Titel 15.9A. Rechten
Titel 12.2. Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen
Hoofdstuk 16. Handel in emissierechten
Titel 16.1. Algemeen
Titel 16.2. Broeikasgassen en broeikasgasemissierechten
§ 12.3.1. Algemeen
§ 15.2.1. Grondslag en maatstaf
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Het nationale toewijzingsbesluit, overige toewijzingsbesluiten en de verlening van broeikasgasemissierechten
§ 12.3.1. Algemeen
§ 12.3.3. PRTR
§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen
§ 12.3.4. Aanvullende rapportageverplichtingen
Afdeling 13.3. Afvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 13.1. Algemeen
Afdeling 16.2.3. De overgang van broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Titel 15.13. Kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw
Afdeling 13.3. Winningsafvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 16.2.5. Instemming met deelname aan projectactiviteiten
Afdeling 16.2.1. Inrichtingen
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.7. Overige bepalingen
Titel 17.1. Maatregelen bij een ongewoon voorval
Titel 15.1
Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies
Titel 15.5. Fonds Luchtverontreiniging
Hoofdstuk 16. Handel in emissierechten
Artikel 18.1b
Vervallen
Paragraaf 16.2.2.1. Algemeen
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 18. Handhaving
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.
§ 4. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)
in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
Voorschrift 4.2
Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
Voorschrift 5.1
in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
§ 5. Grenswaarde voor lood
Voor koolmonoxide geldt 10 000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
§ 7. Grenswaarden en plandrempels voor benzeen
Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Voorschrift 7.2
Voor cadmium geldt 5 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte cadmium in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 8.1
Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voorschrift 10.1
Voorschrift 8.4
Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
§ 9. Richtwaarde voor arseen
Voorschrift 9.1
Voor arseen geldt 6 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte arseen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7.36a
Vervallen
§ 7.11. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Titel 8.1. Vergunningen
Afdeling 8.1.1. Algemeen
Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen
Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen
§ 8.1.3.1. Algemeen
§ 8.1.3.2. Gevallen waarin mede een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet vereist is
§ 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze nuttig worden toegepast of worden verwijderd
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Artikel 10.16c
Vervallen
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Titel 10.6. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 11. Andere handelingen
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
§ 10.6.4. Verdere bepalingen omtrent het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Afdeling 11.3.3. Vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds
Hoofdstuk 14. Coördinatie
Titel 10.7. Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Titel 15.7. Keuringen
Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie- en meetverplichtingen
Titel 15.12. Financiële tegemoetkomingen
§ 11.3.4.1. Het tot stand komen van de geluidproductieplafonds
§ 11.3.4.2. Bijzondere bepalingen met betrekking tot het wijzigen van geluidproductieplafonds die tot stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45
§ 12.3.3. PRTR
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Het nationale toewijzingsbesluit, overige toewijzingsbesluiten en de verlening van broeikasgasemissierechten
§ 15.2.3. Vrijstelling
Afdeling 16.2.4. Registratie van broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Titel 15.8. Statiegeld, retourpremies
Titel 17.3. Maatregelen bij gevaar door stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen
Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:
Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
§ 6. Grenswaarde voor koolmonoxide
Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.
Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 8.1
Artikel 8.39a
Vervallen
Artikel 8.39a
Vervallen
Artikel 8.39b
Vervallen
Artikel 8.39a
Vervallen
Artikel 8.39b
Vervallen
Artikel 8.41a
Vervallen
Artikel 8.43
Bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen wordt een bedrag in rekening gebracht als van anderen afkomstige afvalstoffen worden gestort, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met de kosten van:
- a. de inrichting en exploitatie van het terrein waar de afvalstoffen worden gestort,
- b. de voorzieningen die bewerkstelligen dat na buitengebruikstelling van het terrein, geen nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, daaronder mede begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing, en
- c. financiële zekerheid in categorieën van gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid krachtens artikel 13.5 van de Omgevingswet is voorgeschreven.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Titel 9.3. De EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 9.6. De EG-richtlijn ter bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen
Titel 9.6. De bijdrage van de vervoerssector aan milieu-, klimaat- en energiebeleid
§ 10.6.2. Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Afdeling 13.1. Algemeen
Hoofdstuk 11. Geluid
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Titel 10.7. Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Titel 15.7. Keuringen
Titel 15.13. Kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
§ 15.2.3. Vrijstelling
Paragraaf 16.2.2.1. Algemeen
Afdeling 13.1. Algemeen
Afdeling 16.2.4. Registratie van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties
Titel 15.11. Financiering van de zorg voor gesloten stortplaatsen
Afdeling 13.3. Winningsafvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 13.2. Bijzondere bepalingen
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Afdeling 16.3.5. De overgang van NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.1. Algemeen
Hoofdstuk 17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Titel 15.2. Verbruiksbelastingen van brandstoffen
Titel 15.2. Verbruiksbelastingen van brandstoffen
Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies
Hoofdstuk 18. Handhaving
Hoofdstuk 20. Beroep bij de administratieve rechter
Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning
§ 20.2. Advisering inzake beroepen milieubeheer
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet energiebesparing toestellen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Voorschrift 10.1
Voor cadmium geldt 5 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte cadmium in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.
Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.2.2.6a
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij het op de markt brengen van brandstoffen ten behoeve van vervoer in bij de maatregel aangewezen gevallen wordt voldaan aan bij of krachtens de maatregel gestelde eisen van duurzaamheid, waaronder begrepen de uitstoot van broeikasgassen.
De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval betrekking hebben op de voor brandstoffen gebruikte grondstoffen en de omstandigheden waaronder die grondstoffen worden vervaardigd, omgezet en, al dan niet omgezet, worden overgebracht voor eindgebruik in Nederland.
Bij of krachtens de maatregel kunnen tevens regels worden gesteld omtrent de overlegging van gegevens waaruit blijkt dat de brandstoffen voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen van duurzaamheid, alsmede van gegevens, waaruit blijkt in hoeverre de brandstoffen aan andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen duurzaamheidscriteria voldoen.
Artikel 9.2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12.31
Vervallen
Artikel 12.32
Vervallen
Artikel 12.33
Vervallen
§ 11.3.4.1. Het tot stand komen van de geluidproductieplafonds
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het nationale toewijzingsplan
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Het nationale toewijzingsbesluit, overige toewijzingsbesluiten en de verlening van broeikasgasemissierechten
§ 12.3.2. Rapportage door inrichtingen
§ 12.3.2. Rapportage door inrichtingen
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Titel 16.3. Stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.3. Het ontstaan van NOx-emissierechten
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Titel 15.1
Titel 15.3. Voorschriften omtrent het verstrekken van subsidies
Titel 15.5. Fonds Luchtverontreiniging
Hoofdstuk 18. Handhaving
Hoofdstuk 20. Beroep bij de administratieve rechter
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en verlenen van broeikasgasemissierechten
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Wet inzake de luchtverontreiniging
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet inrichting landelijk gebied
Wet energiebesparing toestellen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)