Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 7 juli 1987, houdende regelen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect

18 versions · 2021-08-26
2021-08-26
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2020-04-01
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2017-07-01
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2016-01-18
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2015-01-01
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2013-01-01
Wet op de architectentitel — arts. 20, 42
2012-01-01
Wet op de architectentitel
2011-01-01
Wet op de architectentitel
2009-12-28
Wet op de architectentitel
2009-07-01
Wet op de architectentitel — arts. 20, 22, 27, 42
2008-07-15
Wet op de architectentitel
2006-04-21
Wet op de architectentitel — arts. 16, 20, 22 y 3 más
2004-12-30
Wet op de architectentitel — arts. 16, 16, 20 y 9 más
2002-11-06
Wet op de architectentitel — arts. 16, 16, 16 y 15 más
2002-09-01
Wet op de architectentitel — arts. 16, 16, 16 y 15 más
2002-06-01
Wet op de architectentitel
1998-01-01
Wet op de architectentitel — arts. 2, 4, 14 y 6 más

Wijzigingen op 1998-01-01

@@ -341,253 +341,3 @@
2. Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de architectentitel.
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9a
Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel i, 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2004-12-30&g=2002-06-01), binnen drie maanden nadat hij de aanvraag heeft ontvangen.
##### Artikel 10
1. Inschrijving in het register als stedebouwkundige wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:
- a. in het bezit van een getuigschrift van een opleiding bouwkunde op het gebied van de techniek aan een in de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend) genoemde universiteit;
- b. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de Nijverheidsonderwijswet uitgereikte einddiploma Stedebouwkundig Hoger Onderricht;
- c. in het bezit zijn van het op grond van [artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) uitgereikte einddiploma Stedebouwkundig Hoger Onderricht;
- d. in het bezit zijn van het op grond van [artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) uitgereikte einddiploma van een Academie van Bouwkunst, het op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs uitgereikte getuigschrift van een opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur en stedebouw dan wel het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een voortgezette opleiding bouwkunst verbonden aan een in de bijlage van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) genoemde hogeschool;
- e. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het bepaalde in [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=VI&z=2004-12-30&g=2002-06-01) ingericht en afgenomen examen voor stedebouwkundigen of daarvan, wegens ten genoegen van Onze Minister aangetoonde uitzonderlijke bekwaamheid, van Onze Minister ontheffing hebben verkregen;
- f. met goed gevolg hebben afgelegd het examen ter afsluiting van een door Onze Minister en na het horen van de representatief te achten beroepsorganisaties van stedebouwkundigen, aangewezen opleiding;
- g. in het bezit zijn van een ten aanzien van het beroep van stedebouwkundige afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de [Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006781);
- h. in het bezit zijn van een der door Onze Minister al dan niet op verzoek van een belanghebbende aangewezen diploma's die door instellingen in het buitenland, waaronder niet zijn begrepen instellingen, gevestigd in de lid-staten van de Europese Unie of de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, zijn of worden verstrekt.
2. Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het eerste lid, onder **a** tot en met **d**, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.
### Hoofdstuk V. Titelbescherming
### Hoofdstuk VI. Examens
### Hoofdstuk VII. Overgangsbepalingen
### Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 27a
1. Behoudens het tweede lid is een architect die is ingeschreven in het register gehouden om door middel van bij- en nascholing de ontwikkelingen op zijn vakgebied bij te houden in ten minste 16 uur per jaar.
2. Een architect die is ingeschreven in het register is niet gehouden tot bij- en nascholing indien hij aan het bureau overeenkomstig de door het bureau gestelde regels schriftelijk heeft gemeld dat hij niet langer beroepsmatig actief is.
3. Een architect moet bereid zijn om de persoonlijk bijgehouden bij- en nascholingsactiviteiten – achteraf en desgevraagd – aan (potentiële) opdrachtgevers te laten zien.
4. Het bureau kan kwalitatieve beleidsregels vaststellen ter zake van passende bij- en nascholing; de beleidsregels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
5. Het bureau onderscheidt in het register een ingeschreven architect die een melding heeft gedaan als bedoeld in het tweede lid van de overige ingeschreven architecten.
### Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
##### Artikel 27b
1. Een dienstverrichter die niet in het register is ingeschreven, voert in Nederland uitsluitend de beroepstitel die hij voert in de betrokken staat waar hij is gevestigd in de officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van die staat. Indien die titel in de betrokken staat waar hij is gevestigd niet bestaat treedt de dienstverrichter in Nederland op onder vermelding van de titel die bij zijn opleiding hoort in de officiële taal van de staat waar hij is gevestigd of in één van de officiële talen van die staat.
2. Een dienstverrichter heeft het recht gebruik te maken van academische titels die hem zijn verleend in een andere betrokken staat, en eventueel van de afkorting daarvan, in de officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van die staat. [Artikel 24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=V&artikel=24&z=2008-07-15&g=2008-07-15), is van overeenkomstige toepassing.
3. Een dienstverrichter kan op verzoek voor de duur van de dienstverrichting onder vermelding van die hoedanigheid als architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect worden ingeschreven in het register. De dienstverrichter doet bij zijn aanvraag de volgende stukken aan het bureau toekomen:
- a. een verklaring dat hij op wettige wijze in zijn staat is gevestigd om beroepsmatig werkzaamheden te verrichten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en dat hem op het moment van afgifte van de verklaring geen verbod tot beroepsuitoefening is opgelegd;
- b. een bewijs van nationaliteit;
- c. ingeval het beroep niet is gereglementeerd in zijn staat een bewijs dat hij het betreffende beroep ten minste twee jaar voltijds heeft uitgeoefend tijdens de tien jaar voorafgaande aan de dienstverrichting.
4. Een ingeschreven dienstverrichter kan zijn inschrijving als dienstverrichter telkens met een jaar verlengen.
5. Het bureau beslist binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het derde lid.
6. De inschrijving van een dienstverrichter of de verlenging van die inschrijving wordt geëffectueerd zodra het bureau het inschrijfgeld heeft ontvangen, indien krachtens [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=7&z=2008-07-15&g=2008-07-15), voor die inschrijving of de verlenging daarvan een bedrag is vastgesteld.
##### Artikel 27c
1. Het bureau kan bij of aan een bestuursorgaan gegevens van een dienstverrichter opvragen of verstrekken voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.
2. Het bureau kan bij de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat gegevens van een dienstverrichter opvragen voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.
3. Het bureau verstrekt aan de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat gegevens van een in het register ingeschrevene voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over die ingeschrevene in het kader van zijn dienstverrichting.
### Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3a
1. Voor de toepassing van [artikel 3, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2009-12-28&g=2009-12-28), wordt, voor zover het de verstrekking van strafrechtelijke sancties betreft, een verklaring omtrent het gedrag aangemerkt als informatie omtrent strafrechtelijke sancties.
2. In afwijking van [artikel 33 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=33) wordt een aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een persoon als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2009-12-28&g=2009-12-28), ingediend door een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt, in afwijking van [artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=30) ingediend bij Onze Minister van Justitie.
4. Het bureau kan bij een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat een verzoek indienen als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2009-12-28&g=2009-12-28), mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd.
##### Artikel 3b
1. Voor de toepassing van de [artikelen 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=32), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35) en [36 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=36) wordt als aanvrager aangemerkt de persoon die krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=13&z=2009-12-28&g=2009-12-28) is ingeschreven in het register of die op grond van dat artikel een verzoek tot inschrijving in het register heeft gedaan ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3a&z=2009-12-28&g=2009-12-28), en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.
##### Artikel 3c
1. Onze Minister van Justitie informeert de persoon, bedoeld in [artikel 3b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3b&z=2009-12-28&g=2009-12-28), ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd indien hij voornemens is de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag te weigeren.
2. Onze Minister van Justitie verstrekt de verklaring omtrent het gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de persoon, bedoeld in [artikel 3b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=3b&z=2009-12-28&g=2009-12-28).
3. Onze Minister van Justitie stelt de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat zo spoedig mogelijk op de hoogte van de afgifte dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij de kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag medegedeeld.
4. Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog niet onherroepelijk is, informeert Onze Minister van Justitie de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat daarover.
### Hoofdstuk IV. De inschrijving in het register
##### Artikel 13
1. Degene die van zijn ingevolge het bepaalde in de [artikelen 9 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28) bestaande recht tot inschrijving in het register gebruik wenst te maken, dient bij het bureau een verzoek tot inschrijving in op een formulier waarvan het model door het bureau wordt vastgesteld. Het verzoek gaat vergezeld door stukken waaruit het bureau de opleiding van de verzoeker kan vaststellen. Een verzoek wordt geacht niet te zijn ingediend zolang niet een inschrijfgeld is betaald, indien en voorzover ingevolge het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&artikel=7&z=2009-12-28&g=2009-12-28) hiervoor een bedrag is vastgesteld.
2. Het bureau bevestigt binnen een maand de ontvangst van een aanvraag om erkenning van een opleidingstitel als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [10, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [11, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of [12, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=12&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [10, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [11, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of [12, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=12&z=2009-12-28&g=2009-12-28). Het wijst er in die bevestiging op dat het besluit omtrent de aangevraagde erkenning gelijktijdig een besluit kan inhouden omtrent inschrijving in het register indien de aanvrager alsnog verzoekt om inschrijving in het register overeenkomstig het eerste lid.
3. Indien een persoon blijkens zijn verzoek om inschrijving in het register in het bezit is van een opleidingstitel als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [10, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [11, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of [12, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=12&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [10, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [11, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of [12, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=12&z=2009-12-28&g=2009-12-28), die of dat nog niet door het bureau is erkend, merkt het bureau het verzoek om inschrijving tevens aan als een aanvraag om erkenning van het betreffende diploma of certificaat, dan wel de betreffende titel. Het bureau doet daarvan binnen een maand na de ontvangst mededeling in de bevestiging van de ontvangst van het verzoek.
4. Het bureau neemt in een geval waarin een aanvraag om erkenning of een verzoek om inschrijving in het register betrekking heeft op een opleidingstitel als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [10, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=10&z=2009-12-28&g=2009-12-28), [11, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=11&z=2009-12-28&g=2009-12-28), of [12, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&artikel=12&z=2009-12-28&g=2009-12-28), binnen drie maanden na ontvangst van alle stukken die het nodig acht voor zijn oordeelsvorming een besluit omtrent de erkenning.
5. Indien het bureau toepassing geeft aan [artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11) houdt het het besluit omtrent de erkenning aan overeenkomstig [artikel 19, derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=19). Het derde en vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk VII. Bij- en nascholing
### Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
### Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### § 1. Het bureau
##### Artikel 2a
1. Er is een bureau architectenregister. Het bureau bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Den Haag.
2. De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is van toepassing op het bureau.
#### § 2. Het bestuur
##### Artikel 6
Het bestuur stelt een bestuursreglement vast.
#### § 3. Financiën
### Hoofdstuk IV. Beroepskwalificaties
#### § 1. Opleidingseisen
#### § 2. Overige kwalificaties
##### Artikel 12d
1. Een persoon die in het bezit is van een getuigschrift van een opleiding als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=9&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [10, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [11, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=11&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of [12, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=12&z=2011-01-01&g=2011-01-01), waarvan de inrichting voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid van die artikelen, wordt op verzoek in het register ingeschreven, indien hij met goed gevolg de tweejarige beroepservaringperiode, bedoeld in [artikel 12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IVa&artikel=12e&z=2011-01-01&g=2011-01-01), heeft afgesloten of een naar het oordeel van het bureau daarmee vergelijkbare beroepservaring heeft opgedaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon, die in het jaar waarin de regels, bedoeld in [artikel 12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IVa&artikel=12e&z=2011-01-01&g=2011-01-01), worden bekend gemaakt of in de twee daaropvolgende jaren het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, heeft behaald.
3. Het bureau kan besluiten dat het getuigschrift van een opleiding als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=9&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [11, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=11&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of [12, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=12&z=2011-01-01&g=2011-01-01), een vrijstelling oplevert van de tweejarige beroepservaringperiode, bedoeld in [artikel 12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IVa&artikel=12e&z=2011-01-01&g=2011-01-01), indien:
- a. het praktijkgedeelte van die opleiding wat betreft inrichting en inhoud vergelijkbaar is aan hetgeen daaromtrent krachtens [artikel 12e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IVa&artikel=12e&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is bepaald ten aanzien van de tweejarige beroepservaringperiode;
- b. geborgd is dat de persoon die in het bezit is van het getuigschrift het praktijkgedeelte van die opleiding overeenkomstig onderdeel a heeft gevolgd, en
- c. geborgd is dat het bureau tijdig in kennis wordt gesteld van een voornemen tot wijziging in het praktijkgedeelte.
##### Artikel 12e
1. De tweejarige beroepservaringperiode is gericht op het zich in de praktijk bekwamen in de uitoefening van het beroep waarvoor met goed gevolg een opleiding is gevolgd als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=9&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [10, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [11, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=11&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of [12, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=12&z=2011-01-01&g=2011-01-01), onder begeleiding van een persoon die bij de aanvang van de begeleiding blijkens de inschrijving in het register ten minste drie jaar beroepsmatig werkzaam is in datzelfde beroep.
2. Het bureau stelt regels vast met betrekking tot de tweejarige beroepservaringperiode. Die regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de inrichting van die periode;
- b. het niveau van kennis, inzicht en vaardigheden, waarover een persoon als bedoeld in artikel 12d, eerste lid, in ieder geval dient te beschikken na het doorlopen van die periode;
- c. de wijze waarop die periode wordt afgesloten;
- d. voorwaarden waaronder geheel of gedeeltelijk vrijstelling kan worden verkregen van het gedurende twee jaar doorlopen van die periode;
- e. de begeleiding;
- f. een voorziening in geval van een conflict tussen de begeleider en de persoon die hij begeleidt.
##### Artikel 23a
1. Een bureau dat werkzaam is op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur is slechts gerechtigd in of bij zijn naam een titel als bedoeld in [artikel 23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=V&artikel=23&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding, hetzij in een woordsamenstelling waarin die titel of een afkorting daarvan voorkomt, te voeren, indien de bestuurder van dat bureau of ten minste de helft van de bestuurders krachtens deze wet gerechtigd is om de desbetreffende titel te voeren.
2. Een bureau dat aan het eerste lid voldoet, is slechts gerechtigd in of bij zijn naam een titel of afkorting als bedoeld in dat lid te combineren met een naam van een natuurlijke persoon indien die persoon krachtens deze wet gerechtigd is de desbetreffende titel te voeren.
3. Tegen een bureau dat handelt in strijd met het eerste of tweede lid kan overeenkomstig [artikel 23, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=V&artikel=23&z=2011-01-01&g=2011-01-01), een vordering worden ingesteld als bedoeld in artikel 23, tweede lid. Op die vordering is artikel 23, vierde lid, van toepassing.
### Hoofdstuk VI. Examens
##### Artikel 27aa
Degene die is ingeschreven in het register informeert de persoon die hem een offerte vraagt over zijn relevante deskundigheid en vakbekwaamheid, met inbegrip van zijn bij- en nascholingsactiviteiten, de dekking van de door hem te verrichten werkzaamheden door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, diens rechten en plichten jegens hem als opdrachtgever en de borging daarvan, alsmede over diens rechten en plichten jegens een derde, ingeval die derde het werk heeft ontworpen waarop de offerte betrekking heeft of werkzaamheden heeft gestaakt die blijkens de offerte dienen te worden hervat.
### Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
### Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 12a
1. Het bureau kan, gehoord een door hem ingestelde commissie van deskundigen, een persoon, die werkzaam is op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en die zich door de kwaliteit van zijn prestaties op het betreffende gebied naar het oordeel van het bureau in het bijzonder heeft onderscheiden, een certificaat verlenen op grond waarvan hij zich kan doen inschrijven in het register.
2. Het bureau stelt nadere eisen vast, waaraan een ingeschrevene moet voldoen, die onder een andere titel in het register wenst te worden ingeschreven. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan door een persoon, die in het register is ingeschreven op grond van een getuigschrift als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=9&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [10, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=10&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [11, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=11&z=2012-01-01&g=2012-01-01), of [12, eerste lid, onderdeel a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=12&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
3. De nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, hebben in ieder geval betrekking op het aantal jaren gedurende welke de verzoeker werkzaam is op het vakgebied waarvoor hij zich in het register wenst in te schrijven, op de kwaliteit en kwantiteit van de door hem geleverde prestaties op het desbetreffende vakgebied en ingeval hij deel uitmaakt van een multidisciplinair team op de meetbaarheid van de aan hem toe te rekenen prestaties of inbreng.
4. Het bureau hoort een door hem ingestelde commissie van deskundigen alvorens te beslissen op een verzoek als bedoeld in het tweede lid.
##### Artikel 12b
1. Ten minste eenmaal per jaar geeft het bureau de gelegenheid tot het afleggen van een examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. Het bureau stelt voor elk van die disciplines een aparte examencommissie in.
2. Tot het afleggen van het examen, bedoeld in het eerste lid, wordt na betaling van het examengeld, toegelaten degene die ten genoegen van het bureau aantoont gedurende ten minste zeven jaar werkzaam te zijn geweest op het gebied waarop hij het examen wenst af te leggen.
3. Het bureau stelt regels vast met betrekking tot het examen, bedoeld in het eerste lid. Die regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de eisen voor de toelating tot het afleggen van het examen;
- b. de omvang en de inrichting van het examen;
- c. de eisen voor het verkrijgen van vrijstelling van bepaalde onderdelen van het examen;
- d. de commissie, belast met het afnemen van het examen en met het vaststellen van de uitslag daarvan;
- e. de vergoeding van de leden van de examencommissie.
4. Een persoon die met goed gevolg het examen, bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd, kan op diens verzoek worden ingeschreven in het register.
##### Artikel 12c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk IVb. Inschrijving en doorhaling in het register
### Hoofdstuk V. Titelbescherming
### Hoofdstuk VI. Bij- en nascholing; informatieplicht
### Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
1998-01-01
Wet op de architectentitel
original version Tekst op deze datum