Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie

Type AMvB
Publication 2025-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 354
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.

6.

De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de arbeid.

Artikel 31d. Pauze jeugdige ambtenaar

1.

Indien de arbeidsduur van de jeugdige ambtenaar meer dan 4 ½ uur per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid afgewisseld door een pauze.

2.

De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.

3.

De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

4.

Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de jeugdige ambtenaar:

  • a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
  • b. indien hij meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten.
5.

Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.

6.

De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de arbeid.

Artikel 31e. Consignatie tijdens pauze

1.

De commandant kan van het bepaalde in artikel 30a, onderdeel h, en artikel 31j, tweede lid, afwijken, indien de aard van de arbeid van de ambtenaar van 18 jaar of ouder het noodzakelijk maakt dat hij tijdens de pauze bereikbaar is onderscheidenlijk op de werkplek aanwezig is om op oproep zo spoedig mogelijk die arbeid te verrichten, en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen.

2.

De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid geldt de tijd tijdens de werkplekgebonden pauze waarop de arbeid van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als pauze.

Artikel 31f. Afwijking pauzeverplichting

1.

De commandant kan van het bepaalde in artikel 31c, eerste lid, afwijken, indien de ambtenaar van 18 jaar of ouder:

  • a. arbeid verricht zonder enig direct contact met een andere ambtenaar die vergelijkbare arbeid verricht, of
  • b. indien de aard van de arbeid met zich brengt dat de afwisseling van de arbeid per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.

De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

3.

Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week arbeid.

4.

Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in afwijking van artikel 31i, tweede lid, en artikel 31o, tweede lid, ten hoogste 12 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.

Paragraaf 7. Pauzeregeling

Artikel 31g. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

1.

Op zaterdag en zondag wordt aan de ambtenaar geen arbeid opgedragen. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zulks onvermijdelijk maakt. Indien de jeugdige ambtenaar op zondag arbeid verricht, dan wordt door hem op de dag voorafgaande aan die zondag geen dienst verricht.

2.

Het eerste lid geldt mede voor Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag en 5 mei en de door Onze Minister aan te wijzen feest- of gedenkdagen.

3.

De ambtenaar verricht geen arbeid op ten minste 26 zondagen per periode van 52 weken.

4.

Indien naar het oordeel van de commandant de belangen van de dienst zich hiertegen niet verzetten, wordt de ambtenaar, aan wie op een zondag of een dag als bedoeld in het tweede lid, dienst is opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te wonen.

Artikel 31h. Arbeidsduur voorafgaand aan feest- of gedenkdagen

1.

In afwijking van de artikelen 30p en 30t ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst kan de commandant dit artikel toepassen.

2.

Indien de aard van de arbeid, of de bedrijfsomstandigheden, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag of 5 december dit noodzakelijk maakt, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder in de aaneengesloten periode van 7 dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste tweemaal 14 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.

3.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

4.

Artikel 31a is niet van toepassing indien het eerste en tweede lid wordt toegepast.

Artikel 31i. Arbeidsduur op feest- of gedenkdagen

1.

In afwijking van artikel 30o, eerste lid, en artikel 30s, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 30u, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.

2.

De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid. De ambtenaar heeft na het verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.

3.

Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast, dan organiseert de commandant de arbeid zodanig, dat zoveel mogelijk ambtenaren op de in het tweede lid bedoelde dagen geen arbeid verricht in de tijdruimte gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00 uur.

4.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

Artikel 31j. Consignatie

1.

De commandant kan de ambtenaar van 18 jaar of ouder consignatie opleggen.

2.

Ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken wordt geen consignatie opgelegd.

3.

Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen consignatie opgelegd.

4.

Als consignatie wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

5.

Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

6.

Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeid aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

7.

De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

8.

Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.

Artikel 31k. Aanwezigheidsdienst

1.

In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste 3 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de commandant de ambtenaar gedurende ten hoogste 6 weken in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

3.

Als het tweede lid wordt toegepast heeft de ambtenaar na de aanwezigheidsdienst of reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten een onafgebroken rusttijd die ten minste even lang is als de voorafgaande aanwezigheidsdienst onderscheidenlijk reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.

4.

Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen aanwezigheidsdienst opgelegd.

5.

Als een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

6.

Indien de aanwezigheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

7.

Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.

8.

Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

9.

De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

10.

Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Artikel 31l. Aanwezigheidsdienst brandweer

1.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de ambtenaar van 18 jaar of ouder die met goed gevolg een brandweeropleiding heeft afgesloten en die als zodanig werkzaam is, alsmede de ambtenaar van 18 jaar of ouder die in directe samenhang met voornoemde ambtenaar arbeid verricht.

2.

In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de ambtenaar ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

3.

Indien het tweede lid wordt toegepast dan:

  • a. heeft de ambtenaar vóór en ná een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren;
  • b. bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 10 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
4.

Het derde lid, onderdeel a, blijft buiten toepassing, indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor het aantal ambtenaren dat nodig is onder het vereiste minimum komt, die een dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.

5.

Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.

6.

Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

7.

De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

8.

Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Artikel 31m. Piket

1.

In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren piket opleggen.

2.

Als piket wordt opgelegd, dan wordt de ambtenaar ten minste gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen piket, aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.

3.

Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen piket opgelegd.

4.

Als piket wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

5.

Indien het piket geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

6.

Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens het piket waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek als rusttijd.

7.

Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

8.

De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

9.

Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.

Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie

Artikel 31n. Continu- en ploegendienst

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op arbeid in continu- of ploegendienst, die door de ambtenaar van 18 jaar of ouder wordt verricht.

Artikel 31o. Arbeidsduur op zaterdag en zondag

1.

In afwijking van artikel 30o, eerste lid, en artikel 30s, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 30u, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.

2.

De ambtenaar verricht in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.

3.

Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast heeft de ambtenaar na het verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, en verricht hij ten minste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen arbeid in de tijdruimte gelegen tussen zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00 uur.

4.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Artikel 31p. Onafgebroken rusttijd continu- en ploegendienst

1.

In afwijking van artikel 30r, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.

2.

De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 72 uren.

3.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

4.

Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de ambtenaar recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren.

5.

De in het tweede en vierde lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.

Artikel 31q. Pauze continu- en ploegendienst

1.

In afwijking van artikel 31c, tweede lid, kan de commandant dit artikel toepassen.

2.

Indien de arbeidsduur meer dan 5½ uur per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid van de ambtenaar afgewisseld door een pauze.

3.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Artikel 31r. Doorstaan in continu- en ploegendienst

1.

Indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor het aantal ambtenaren in een ploeg onder het vereiste minimum komt, kan de commandant afwijken van artikel 30s, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per nachtdienst, en artikel 30u, eerste lid.

2.

Onverminderd het gestelde in artikel 31i, en artikel 31o ten aanzien van de zondag,:

  • a. verricht de ambtenaar bij toepassing van het eerste lid gedurende ten hoogste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst arbeid;
  • b. heeft de ambtenaar na het verrichten van die arbeid recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.

De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke ambtenaren

Artikel 31s. Werk- en rusttijden tijdens de zwangerschap

1.

De arbeid van een zwangere ambtenaar wordt zodanig ingericht, dat rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De commandant voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting binnen een redelijke termijn nadat een aanvraag daartoe door de zwangere ambtenaar is gedaan. Bij deze aanvraag wordt desgevraagd een schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken ambtenaar zwanger is.

2.

De zwangere ambtenaar heeft het recht de arbeid af te wisselen met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 31c. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.

3.

De zwangere ambtenaar heeft het recht arbeid te verrichten in een bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon.

4.

De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te verrichten anders dan op grond van artikel 30o is toegestaan.

5.

De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te verrichten in nachtdienst, tenzij de commandant aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

6.

De commandant stelt de zwangere ambtenaar in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. De tijd van de in de vorige volzin bedoelde onderzoeken gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.

Artikel 31t. Bevalling

De commandant organiseert de arbeid zodanig, dat een vrouwelijke ambtenaar:

  • a. geen arbeid verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke ambtenaar aan de commandant overgelegde schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
  • b. geen arbeid verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.

Artikel 31u. Werk- en rusttijden na de bevalling

Artikel 31s is, met uitzondering van het zesde lid, van overeenkomstige toepassing gedurende een periode van 6 maanden na de bevalling.

Artikel 31v. Voedingsrecht

1.

Een vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de commandant hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende ten minste de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De commandant biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking.

2.

De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke ambtenaar na overleg met de commandant.

3.

De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen als arbeidsduur.

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

§ 1. Vakantie

Artikel 32. De aanspraak op vakantie

1.

De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van zijn volle bezoldiging.

2.

De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.

3.

De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:

  • a. het salaris van de ambtenaar;
  • b. de leeftijd van de ambtenaar;
  • c. de arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is aangesteld.
4.

Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur bedraagt de aanspraak op vakantie 184 uren per kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het desbetreffende jaar minder bedraagt dan het maximumsalaris van schaal 9 van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, en 192 uren per kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het desbetreffende jaar gelijk is aan of meer bedraagt dan vorenbedoeld maximumsalaris.

5.

De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd:

  • a. volgens onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt;
leeftijd verhoging
18 jaar en jonger 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
  • b. over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam is: met zoveel uren als hij op in dat kalenderjaar niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen als bedoeld in artikel 31g, tweede lid volgens rooster heeft gewerkt, hetzij volgens rooster vrij van arbeid is geweest, dan wel uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting was gehouden.
6.

Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt de op basis van het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak van een ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur.

7.

Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de vrij van arbeid, die de ambtenaar in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.

8.

Indien de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is aangesteld wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de gewijzigde arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.

9.

De vakantie waarop een ambtenaar aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hij een aaneengesloten periode van langer dan een maand geheel of gedeeltelijk geen vrij van arbeid verricht.

10.

Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen vrij van arbeid wordt verricht wegens:

  • a. vakantie;
  • b. ziekte;
  • d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen.
11.

De vakantie waarop de ambtenaar aanspraak maakt:

12.

De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie, indien artikel 61a, tweede lid, onderdeel g, van toepassing is.

Artikel 33. Het opnemen van vakantie

1.

De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.

2.

Vakantie wordt zoveel mogelijk opgenomen in aaneengesloten perioden van ten minste vier uren.

3.

De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 152 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 76 uur over een aaneengesloten periode indien hij is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur, en tot in evenredigheid lagere getallen indien hij is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur.

4.

De commandant kan toestaan dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 64 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar.

5.

De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van te voren.

6.

Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van de commandant die ziekte of dat ongeval aantoont.

7.

Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan de commandant aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

8.

Niet opgenomen vakantieverlof wordt overgeboekt naar het volgende kalenderjaar.

9.

Het overgeboekte vakantieverlof als bedoeld in het achtste lid vervalt op 31 december van het volgende kalenderjaar. Deze vervaldatum wordt met een kalenderjaar uitgesteld indien operationele omstandigheden de commandant hebben verhinderd vakantie te verlenen, of naar het oordeel van de commandant gewichtige persoonlijke omstandigheden of medische redenen de ambtenaar hebben verhinderd vakantie op te nemen

10.

Indien medische redenen de ambtenaar hebben verhinderd om vakantie op te nemen, legt de ambtenaar een schriftelijke verklaring van de behandelend arts over aan de commandant.

11.

Het niet genoten vakantieverlof toegekend voor 1 januari 2019, wordt uiterlijk voor of op 31 december 2023 genoten. Op 1 januari 2024 vervalt de aanspraak op het niet genoten verlof van voor 1 januari 2019.

Artikel 34. Ontslag en vakantie

1.

Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur verhoogd met 8 procent vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 43, eerste lid en de eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.

2.

Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.

3.

In geval van overgang zonder onderbreking naar een functie binnen een andere sector van de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan, indien dit binnen die andere sector van de rijksdienst mogelijk is, de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van het eerste lid - voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, mee te nemen. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

4.

Indien de ambtenaar overlijdt, wordt dit artikel overeenkomstig toegepast.

Artikel 35. Begrip bezoldiging

Voor de toepassing van deze paragraaf is, voor de berekening van de bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie van toepassing.

Artikel 36

Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te stellen.

Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst

Artikel 37. Verlof bij militaire en soortgelijke dienst

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 6, genieten verlof:

  • a. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is;
  • d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijk militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan bij koninklijk besluit zulks is bepaald.

Artikel 38. Verlof bij sluiting van het Ministerie van Defensie op daartoe aangewezen dagen

1.

Indien het Ministerie van Defensie of een onderdeel daarvan op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet anders vereist.

2.

Indien de ambtenaar op een dag als bedoeld in het eerste lid, een aantal uren dienst moet verrichten binnen het voor hem vastgestelde rooster, dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, op die dag volgens rooster vrij van dienst is of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting is gehouden, geniet hij bedoeld aantal uren als verlof op een andere dag.

3.

Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing, indien de sluiting van het Ministerie van Defensie regionaal of plaatselijk plaats vindt en de ambtenaar elders werkzaam is.

4.

Het eerste en tweede lid vinden voorts geen toepassing, indien het betreft feestdagen genoemd in artikel 31g, tweede lid.

Artikel 39. Buitengewoon verlof

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 94 en 95 wordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende artikelen van deze paragraaf, buitengewoon verlof verleend.

Buitengewoon verlof van korte duur

Artikel 40. Kiesrecht en wettelijke verplichting

Vervallen

Artikel 41. Vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges

Vervallen

Artikel 42. Vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg en ambtenarenzaken

1.

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door de commandant aan de ambtenaar jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties, waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:

  • a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;
  • b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
  • c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.
2.

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in het Besluit georganiseerd overleg sector defensie of een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging respectievelijk binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.

3.

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.

4.

Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid alsmede op grond van artikel 17, tweede lid, van het Besluit medezeggenschap defensie aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend:

  • b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die organisatie aangesloten centrales;
  • c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CMHF), alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.
5.

Het verlof bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de sectorcommissie Defensie.

6.

Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van commissies voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de vorige volzin bedoelde vergadering.

Artikel 43. Verhuizing

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

  • a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen;
  • b. bij verhuizing in geval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.

Artikel 44. Familie-omstandigheden

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

  • a. bij zijn ondertrouw: één dag;
  • b. bij zijn huwelijk: vier dagen;
  • c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan wel van stief- of pleegkinderen: één dag indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats;
  • d. bij zijn 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum en bij 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: één dag;

Artikel 45. Aanvullende bevoegdheid tot het verlenen van buitengewoon verlof

1.

Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien aan de ambtenaar worden verleend in de gevallen waarin de commandant oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat.

2.

Onze Minister is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.

Artikel 46. Aanvragen van buitengewoon verlof

1.

Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur ten minste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden aangevraagd.

2.

Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor buitengewoon verlof van korte duur bij de commandant heeft ingediend, aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging.

3.

Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:

  • a. indien één der in de voorgaande artikelen genoemde omstandigheden aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;
  • b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.

Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 48. Voorwaarden van buitengewoon verlof van lange duur

1.

Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend door het hoofd defensieonderdeel al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

2.

Het verlof, genoemd in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.

Artikel 49. Buitengewoon verlof uitsluitend in het persoonlijk belang

Indien het verlof, genoemd in artikel 48, uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging.

Artikel 50. Buitengewoon verlof mede in het algemeen belang

Indien het verlof, genoemd in artikel 48, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met verlofverlening naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet uitsluitend het persoonlijk belang van de ambtenaar, doch mede het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof - onverminderd het bepaalde in de artikelen 51 en 52 - in beginsel voor ten hoogste een jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 51. Buitengewoon verlof voor bezoldigde bestuurders van ambtenarenorganisaties

1.

Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde naar het oordeel van Onze Minister voor ten hoogste twee jaren buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging worden verleend.

2.

Artikel 42, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 52. Buitengewoon verlof overwegend in het algemeen belang

1.

Indien het verlof, genoemd in artikel 48, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste drie jaren, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

2.

In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen buitengewoon verlof worden verleend op de voet van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930.

Artikel 53. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur

1.

De ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag om ontslag te hebben ingediend.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 54. Begrip bezoldiging

Voor de toepassing van deze paragraaf is, voor de berekening van de bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie van toepassing.

Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte

§ 1. Algemeen

Artikel 54a. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • d. beroepsziekte: ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • e. bedrijfsongeval: ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • f. beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;
  • h. herplaatsingtoelage: herplaatsingtoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
  • i. invaliditeitspensioen: invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
  • j. medisch advies: advies van de deskundige persoon of de arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet;
  • l. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
  • m. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de stichting pensioenfonds ABP;
  • r. werknemersverzekering: WAO, ZW, dan wel WW;

§ 2. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

Artikel 55. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

1.

Onverminderd hetgeen ter zake is bepaald in de Arbeidsomstandighedenwet geniet de ambtenaar bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig deze paragraaf.

2.

Het hoofd defensieonderdeel is verantwoordelijk voor de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar. Bij deze begeleiding neemt het hoofd defensieonderdeel de door of vanwege Onze Minister gestelde regels in acht.

3.

Voor de uitvoering van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding laat het hoofd defensieonderdeel zich bijstaan door de deskundige persoon of de arbodienst.

Artikel 56. Onderzoek op aanvraag

1.

Onverminderd de mogelijkheid de arts van de deskundige persoon of de arbodienst rechtstreeks te consulteren ter zake van met zijn arbeidssituatie samenhangende gezondheidsproblemen kan de ambtenaar het hoofd defensieonderdeel verzoeken hem in verband hiermede aan een onderzoek vanwege de deskundige persoon of de arbodienst te onderwerpen.

2.

De ambtenaar, die in verband met het verrichten van zijn arbeid aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, wordt in overleg met of op aanwijzing van de deskundige persoon of de arbodienst onderworpen aan een periodiek bedrijfsgeneeskundig onderzoek.

3.

Het hoofd defensieonderdeel draagt de ambtenaar op zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

  • a. indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
  • b. indien de ambtenaar niet langer volledig geschikt is gebleken tot het verrichten van zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden geacht voor het vervullen van een andere betrekking.
4.

Het hoofd defensieonderdeel stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

5.

De ambtenaar is gehouden aan een onderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid zijn medewerking te verlenen. Hij is tevens gehouden zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, welke worden ingesteld ter beantwoording van de vraag:

  • a. of, in welke mate en tot welk tijdstip er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
  • b. of maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid als genoemd in de artikelen 65 en 65a van de WAO.
6.

Indien het medisch advies daartoe aanleiding geeft, verzoekt het hoofd defensieonderdeel het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen als bedoeld in het vijfde lid onderdeel b.

Artikel 57. Hernieuwd onderzoek

1.

Het medisch advies wordt zo spoedig mogelijk door die dienst aan de ambtenaar en aan het hoofd defensieonderdeel medegedeeld.

2.

Indien de ambtenaar binnen drie dagen na ontvangst van de mededeling zijn bedenkingen tegen het advies schriftelijk aan het hoofd defensieonderdeel kenbaar maakt, vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, een nieuw onderzoek plaats door een commissie van drie artsen, tenzij het hoofd defensieonderdeel na overleg met de deskundige persoon of de arbodienst reeds aanstonds van mening is dat de bedenkingen van de ambtenaar voldoende gegrond zijn.

3.

De kosten van het in het tweede lid genoemde onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de in artikel 87, tweede lid, bedoelde regels.

§ 3. Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking

Artikel 58. Verplichtingen van het bevoegd gezag

1.

Het hoofd defensieonderdeel is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat dat zijn arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert het hoofd defensieonderdeel naar bij ministeriële regeling te stellen regels, de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.

2.

Uit hoofde van de verplichting bedoeld in het eerste lid, stelt het hoofd defensieonderdeel in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

Artikel 58a. Enkele bijzonder verplichtingen bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid

1.

De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte kan door het hoofd defensieonderdeel een andere functie worden opgedragen.

2.

de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht:

  • a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door dat gezag of die deskundige getroffen maatregelen om hem instaat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten;
  • c. gedurende het eerste jaar dat hij ongeschikt is een hem aangeboden betrekking te aanvaarden, indien sprake is van passende arbeid.
3.

Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.

4.

Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar de eigen betrekking wordt opgedragen onder andere voorwaarden.

§ 4. Bezoldiging ingeval van ziekte tijdens de betrekking

Artikel 59. Hervatting van de arbeid na ziekte

Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten kan worden bepaald, dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat het hoofd defensieonderdeel hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Het hoofd defensieonderdeel neemt hieromtrent en omtrent de mate van werkhervatting geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming van het hoofd defensieonderdeel is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan één jaar volledig ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid.

Artikel 59a. Samenloop van bezoldiging en uitkering op grond van een werknemersverzekering, de Wet arbeid en zorg of bovenwettelijke regeling

Vervallen

Artikel 60a. Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging ingeval van herplaatsing

Vervallen

Artikel 61a. Sancties

Vervallen

§ 2. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

Artikel 62. Aanspraak op bezoldiging na ontslag

1.

De gewezen ambtenaar, die voor de beëindiging van zijn betrekking ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en nadien nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, behoudt gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn bezoldiging. De vorige volzin geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken en uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

2.

De gewezen ambtenaar, die binnen een maand na de datum van de beëindiging van zijn betrekking wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, ontvangt - mits hij gedurende tenminste twee maanden onmiddellijk aan dat tijdstip voorafgaande in dienst is geweest - gedurende zijn ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang van deze ongeschiktheid, dan wel - indien dit eerder is - uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zijn laatstelijk genoten bezoldiging.

3.

Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing op de ambtenaar die na de beëindiging van zijn betrekking in verband met de aanvaarding van een betrekking van gelijke omvang aanspraak kan maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de ZW ter zake van die aanvaarde betrekking.

4.

Indien de gewezen ambtenaar binnen een tijdvak van vier weken nadat de volgens het eerste en tweede lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van ongeschiktheid om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

5.

De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, ontvangt over een periode aanvangende met de 41ste dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigende met de 70ste dag na de datum waarop de bevalling plaatsvond haar laatstelijk genoten bezoldiging. Deze periode wordt verlengd tot 16 weken indien deze periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

Indien de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, maar niettemin binnen die termijn plaatsvindt, ontvangt de gewezen ambtenaar haar laatstelijk genoten bezoldiging uitsluitend gedurende 70 dagen na de datum van bevalling. Indien en voor zolang de ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge de eerste of tweede volzin toekomende uitkeringen nog ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid, zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. De in het tweede lid bedoelde termijn van een jaar wordt geacht aan te vangen op de dag na de bevalling.

6.

Ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vijfde lid is de ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt verstaan gangbare arbeid.

7.

Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 52, tweede lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van de uitkering ingevolge artikel 35 van de ZW, dan wel artikel 53 van de WAO en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.

8.

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.

9.

Indien de gewezen ambtenaar ter zake van de betrekking waaruit het recht op doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg, dan wel een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge dit artikel recht heeft. Artikel 27 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie is van overeenkomstige toepassing.

10.

Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in het negende lid, worden op het bedrag waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit artikel recht heeft in mindering gebracht. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.

11.

Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het eerste lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werden genoten en de omvang van die dienstbetrekking niet is toegenomen.

12.

Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het tweede en vijfde lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór de datum van beëindiging van de betrekking werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.

13.

De gewezen ambtenaar die ingevolge dit artikel aanspraak heeft op doorbetaling van bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op vakantie-uitkering overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

14.

In de gevallen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 56, 57, en artikel 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, van overeenkomstige toepassing.

15.

In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, wordt voor de gewezen ambtenaar aan wie voor 1 januari 2018 ontslag is verleend met recht op bezoldiging op grond van dit artikel, verstaan onder pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd van 65 jaar.

§ 3. Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking

Artikel 63. Vergoeding van ziektekosten

Vervallen

Artikel 64. Volledige vergoeding van ziektekosten

1.

In geval van een door de ambtenaar opgelopen beroepsziekte of een hem overkomen bedrijfsongeval worden de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel noodzakelijk gemaakte kosten voor geneeskundige behandeling of verzorging aan hem vergoed.

2.

Onze Minister kan omtrent het bepaalde in het vorige lid nadere voorschriften geven.

Artikel 65. Aanvullende uitkering

1.

Aan de gewezen ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en de ongeschiktheid niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten – door Onze Minister een aanvullende uitkering verleend.

2.

De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de gedeeltelijke, dan wel verminderde bezoldiging, bedoeld in de artikel 62, negende lid, alsmede de eventuele uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, vermeerderd met de suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie, aan te vullen tot 90,02% van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)