Besluit van 21 maart 1994, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren
Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de vergoeding van de literatuur die voor de rechterlijk ambtenaar naar het oordeel van de functionele autoriteit noodzakelijk is voor een correcte uitoefening van het ambt.
Artikel 38j
Vervallen
Artikel 38k
De rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid tot individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket.
Onze Minister stelt regels ten aanzien van de mogelijkheid tot individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket.
Artikel 38l
Vervallen
Artikel 38m
Vervallen
Artikel 38n
Vervallen
Artikel 38o
Vervallen
Artikel 38p
Vervallen
Artikel 38q
De rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid van levensloopverlof.
Onze Minister stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.
Artikel 39
Vervallen
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 1. Algemeen
§ 1. Algemeen
§ 1. Algemeen
Hoofdstuk 4. Herplaatsing en ontslag
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 36b
De rechterlijk ambtenaar die in vaste dienst is benoemd kan ook op andere gronden dan die bedoeld in de artikelen 3, zesde lid, en 7, tweede lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 9 van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie, en de artikelen 19, 34b, 35a, 35b, 35e tot en met 36a, 36z, 36aa en 36ab van dit besluit, worden ontslagen. De rechterlijk ambtenaar in vaste dienst kan ook worden ontslagen indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
In geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt een voorziening getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering ten laste van het in artikel 4 bedoelde gezag wordt verleend die naar het oordeel van het in artikel 35 bedoelde gezag met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
De in het tweede lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Voor zover ten gunste van de rechterlijk ambtenaar niet anders wordt beslist, zijn op de uitkering voor het overige de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de WW of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering door het in artikel 4 bedoelde gezag met die uitkering verminderd.
Artikel 36c
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. functie: het samenstel van werkzaamheden dat de rechterlijk ambtenaar verricht;
- b. herplaatsen:
- 1°. het verplaatsen van een rechterlijk ambtenaar;
- 2°. het wijzigen van de vaststelling van het parket of gerecht waar een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar zijn functie vervult; of
- 3°. het benoemen van een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in een passende functie, anders dan de oorspronkelijke functie, bij een gerecht of parket of anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister;
- c. herplaatsingskandidaat: de te herplaatsen rechterlijk ambtenaar;
- d. passende functie: een functie ten aanzien waarvan de herplaatsingskandidaat beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht voor het naar behoren vervullen hiervan dan wel waarvoor hij binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en die hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen;
- e. rechterlijk ambtenaar: de rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur;
- f. reorganisatie: iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een parket of een gerecht of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden;
- g. verplaatsen: het elders binnen het eigen parket of eigen gerecht tewerkstellen van de rechterlijk ambtenaar in een zelfde functie als de oorspronkelijke functie.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op rechters in opleiding, officieren in opleiding en de rechterlijke ambtenaren, werkzaam bij de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad.
Artikel 36d
Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
Artikel 36e
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van rechterlijke ambtenaren.
Voorzover de in het eerste lid bedoelde regels van toepassing zijn op de bij een gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren worden deze regels vastgesteld na overleg met de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 36f
Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerecht werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.
Artikel 36g
De vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en van de andere door Onze Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet, worden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie. Zij kunnen Onze Minister of het gerechtsbestuur verzoeken om overleg over het voorgenomen besluit of onderdelen daarvan, indien het een belangrijke reorganisatie betreft.
De betrokken ondernemingsraden worden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
Artikel 36h
De rechterlijk ambtenaar benoemd in vaste dienst, wiens functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat.
Artikel 36i
De rechterlijk ambtenaar benoemd in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig is, wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de rechterlijk ambtenaar die het geringste aantal jaren op basis van een aanstelling of aanwijzing als bedoeld in artikel 5f van de wet bij een parket of gerecht werkzaam is geweest het eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.
Van overtolligheid als bedoeld in het eerste lid is sprake indien binnen een parket of gerecht of een onderdeel daarvan meer rechterlijke ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken rechterlijke ambtenaren resteren.
Voor de berekening van het aantal jaren, bedoeld in het eerste lid, worden voor een rechterlijk ambtenaar mede in aanmerking genomen:
- a. de tijd voorafgaand aan de indiensttreding als rechterlijk ambtenaar bij een parket of een gerecht als burgerlijk rijksambtenaar bij een parket of gerecht doorgebracht, indien de indiensttreding als rechterlijk ambtenaar bij een parket of een gerecht aansluitend hierop is geschied; en
- b. de tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de rechterlijk ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
Van de volgorde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien dat naar het oordeel van Onze Minister of het gerechtsbestuur noodzakelijk is en daarover overleg is gevoerd met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak of andere door Onze Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet.
Artikel 36j
De rechterlijk ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Artikel 36k
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar wordt binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aangeboden. Het vorenstaande laat het gestelde in artikel 36aa, eerste lid, onverlet.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan worden verkort indien:
- a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of;
- b. reeds eerder in overleg met herplaatsingskandidaat binnen de termijn kan worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te herplaatsen.
De termijn kan worden verlengd of opgeschort, indien de omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur betreft, het gerechtsbestuur daartoe aanleiding geven.
De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
De herplaatsingskandidaat wordt geïnformeerd over het verkorten, verlengen of opschorten van de termijn, bedoeld in het tweede en het derde lid.
Op verzoek van de herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, met maximaal een jaar verlengd indien de herplaatsingskandidaat bij het einde van deze termijn, in combinatie met de duur van de bovenwettelijke uitkering, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en, in geval van ontslag, door deze verlenging recht ontstaat op een bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.
Artikel 36l
Aan de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar wordt binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één keer een zelfde functie als zijn oorspronkelijke functie aangeboden binnen het eigen gerecht.
De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 36m
Ten aanzien van een herplaatsingskandidaat, voor wie een functie als passend wordt aangemerkt, kan in het kader van een reorganisatie worden besloten tot:
- a. verplaatsing: door Onze Minister onderscheidenlijk, indien de herplaatsingskandidaat een bij een gerecht werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur;
- b. wijziging van de vaststelling van het parket onderscheidenlijk het gerecht waar de herplaatsingskandidaat zijn functie vervult: door Onze Minister onderscheidenlijk, indien de herplaatsingskandidaat een bij een gerecht werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de Raad voor de rechtspraak; of
- c. benoeming in een passende functie, anders dan de oorspronkelijke functie, bij een parket of gerecht dan wel anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister: door het gezag dat krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar laatstelijk heeft vervuld.
Herplaatsing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, kan niet geschieden indien de herplaatsingskandidaat een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft.
Herplaatsing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, van een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar geschiedt niet dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Artikel 36n
De niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die in het kader van een reorganisatie wordt herplaatst in een functie bij een parket of gerecht of anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister waaraan een lager salaris is verbonden dan aan zijn oorspronkelijke ambt, behoudt zijn oorspronkelijke salaris gedurende de periode waarin hij die andere functie vervult.
Artikel 36o
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 36k, eerste lid, en 36l, eerste lid, is de herplaatsingskandidaat verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden.
Artikel 36p
De niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat is verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden.
De voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat is verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden binnen het eigen gerecht.
Artikel 36q
De herplaatsingskandidaat die slechts in een passende functie kan worden herplaatst na om-, her- of bijscholing kan hiertoe worden verplicht voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Aan de rechterlijk ambtenaar die op grond van het eerste lid verplicht is om scholing te volgen, wordt een volledige vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten toegekend. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de vorige volzin.
Aan de herplaatsingskandidaat kan scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend.
De rechterlijk ambtenaar die op grond van het eerste lid verplicht is om scholing te volgen, kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:
- a. bij onvoldoende resultaat in de scholing of bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de rechterlijk ambtenaar is te wijten;
- b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de rechterlijk ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, in dienst treedt, of aansluitend op zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de rechterlijk ambtenaar aan wie binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat ontslag op eigen verzoek wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister.
Artikel 36r
Aan de rechterlijk ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing in opdracht van Onze Minister of het gerechtsbestuur is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 15.429,76 bruto ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten.
In de gevallen waarin de rechterlijk ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor een bedrag als bedoeld in het eerste lid, ontvangt elk de helft daarvan. Onder echtgenoot wordt mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet gehuwde rechterlijk ambtenaar samenwoont en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.
Artikel 36s
Aan de herplaatsingskandidaat kan een premie ter grootte van maximaal drie maandsalarissen in het vooruitzicht worden gesteld, indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat ontslag op eigen verzoek als bedoeld in artikel 35a, eerste lid, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, dan wel ontslag op eigen verzoek als bedoeld in artikel 46h, eerste lid, van de wet, indien het een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, is verleend.
Artikel 36t
Aan de herplaatsingskandidaat aan wie ontslag op eigen verzoek is verleend wegens de aanvaarding van een functie elders dan bij een parket of gerecht of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister kan, onverminderd het bepaalde in artikel 36s, een salarissuppletie worden toegekend, indien het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke functie.
De suppletie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend gedurende maximaal vijf jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie.
Onder door Onze Minister of het gerechtsbestuur te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
Artikel 36u
Onze Minister of het gerechtsbestuur kan de artikelen 36p, 36q, 36r en 36t toepassen op de rechterlijk ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of de rechterlijk ambtenaar die binnen afzienbare tijd als overtollig zal worden aangemerkt.
Artikel 36v
De rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag op eigen verzoek wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, heeft op grond van dat ontslag aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.
Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de rechterlijk ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 36h en 36i en hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een functie elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, anders dan door zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
Indien de rechterlijk ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 36w
De rechterlijk ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 36aa wordt een diensttijdgratificatie toegekend ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum. Toekenning vindt niet plaats indien niet binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan.
Bij de bepaling van de diensttijd wordt rekening gehouden met de tijd in overheidsdienst doorgebracht overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Artikel 36x
Vervallen
Artikel 36y
Vervallen
Artikel 36z
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan op grond hiervan ontslag worden verleend.
Ontslag als bedoeld in het eerste lid gaat niet eerder in dan na het verstrijken van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van ontslagverlening.
Ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door het gezag dat krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar laatstelijk heeft vervuld, met dien verstande dat niet wordt besloten onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Artikel 36aa
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag worden verleend, indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie.
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid, worden verleend indien binnen een periode van uiterlijk één jaar te rekenen vanaf de datum waarop hij in een functie is herplaatst, blijkt dat de desbetreffende functie niet passend is voor die rechterlijk ambtenaar en het niet mogelijk is om de rechterlijk ambtenaar binnen een redelijke termijn in een andere passende functie te plaatsen.
Ontslag als bedoeld in het eerste lid gaat niet eerder in dan na het verstrijken van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van ontslagverlening.
Artikel 36z, derde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ontslag als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 36ab
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar kan ontslag worden verleend, indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal voegen in overplaatsing over een aanmerkelijke afstand als gevolg van zijn herplaatsing in het kader van een reorganisatie.
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat hij is herplaatst in het kader van een reorganisatie, met als gevolg overplaatsing over een aanmerkelijke afstand, alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid, worden verleend indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich hierin zal blijven voegen.
Artikel 36z, derde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ontslag als bedoeld in het eerste en tweede lid.
De artikelen 36n tot en met 36q, 36s, 36t en 36z zijn op de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36ac
Op de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, die in het kader van een reorganisatie op eigen verzoek wordt benoemd in een andere functie bij een gerecht of elders binnen het gezagsbereik van Onze Minister dan wel voor wie in het kader van een reorganisatie de vaststelling van het gerecht waar hij zijn functie vervult op eigen verzoek wordt gewijzigd, zijn de artikelen 36n, 36q, en 36r van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 4. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 4. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 19a
De rechterlijk ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, en die is herplaatst in een functie die passende arbeid omvat waarbij inkomensverlies optreedt, ontvangt bij voortdurende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende ten hoogste vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil tussen:
- a. zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voorafgaand aan die van zijn herplaatsing, indien hij op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot het verrichten van zijn arbeid; en
- b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van wie de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte heeft, ook nadat de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf jaar is verstreken, recht op een uitkering als bedoeld in het eerste lid.
De uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, eindigt in ieder geval:
- a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend;
- b. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit artikel en een recht op uitkering op grond van artikel 19, vierde lid, vervalt het laatstbedoelde recht.
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 1. Algemeen
§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en medisch advies
§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
Hoofdstuk 4. Herplaatsing en ontslag
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 25a
De inkomsten die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet in verband met het verrichten van arbeid, die in het belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst wenselijk wordt geacht, worden op de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging krachtens dit hoofdstuk in mindering gebracht, voorzover deze inkomsten tezamen met die aanspraak de bezoldiging te boven gaan.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, eerste lid, of, indien de ongeschiktheid wegens ziekte voor het tijdstip van ontslag is ontstaan, artikel 18, derde lid, aanspraak heeft, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Op het bedrag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, tweede lid, artikel 26 of, indien de ongeschiktheid wegens ziekte na het tijdstip van ontslag is ontstaan, artikel 18, derde lid, recht heeft, worden inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf in mindering gebracht, tenzij deze inkomsten reeds voorafgaand aan de datum van ontslag werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Artikel 27b
De rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar, die een dienstongeval heeft gehad of een beroepsziekte heeft opgelopen, heeft recht op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge van dat dienstongeval of die beroepsziekte lijdt, indien het dienstongeval of de beroepsziekte voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met het vervullen van zijn ambt waaraan hij zich vanwege zijn specifieke werkzaamheden niet heeft kunnen onttrekken.
In overeenstemming met de gewezen rechterlijk ambtenaar kan de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, mede strekken ter vervanging van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 18, vierde lid.
Toekenning van de schadevergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt door het in artikel 9 bedoelde gezag, met dien verstande dat artikel 38e, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is.
§ 6. Overige bepalingen
§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
Hoofdstuk 4. Herplaatsing en ontslag
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
Hoofdstuk 3b. Nevenbetrekkingen
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 38ca
Vervallen
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Bijlage. Formulier voor het afleggen van de eed of belofte
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2a
Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7° en als officier in opleiding als bedoeld onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.
Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in het rechtsgebied strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht, is verkregen.
Naast het in het tweede lid genoemde rechtsgebied is ten minste grondige kennis van en inzicht in twee van de vier volgende rechtsgebieden verkregen:
- a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
- b. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;
- c. staatsrecht;
- d. belastingrecht.
De eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan de beoogde datum van benoeming een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de rechtsgebieden, genoemd in het tweede en derde lid.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de eisen met betrekking tot de kennis van en het inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, waaraan, in geval van toepasselijkheid van het vierde lid, moet worden voldaan om benoemd te kunnen worden.
Artikel 2b
Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt met de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-Rechten aan een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken tevens met goed gevolg zijn afgelegd de tentamens van de tot een schakelprogramma behorende onderwijseenheden.
Het schakelprogramma, bedoeld in het eerste lid, omvat onderwijseenheden op het gebied van het recht, die worden aangeboden door een universiteit of de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met een totale studielast van ten minste 60 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Voor de toepassing van de artikelen 2 en 2a wordt onder afsluitend examen als bedoeld in die artikelen tevens begrepen het schakelprogramma, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 2c
De benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, van de wet geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond bestaat voor een benoeming in tijdelijke dienst.
Een benoeming in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid kan plaatsvinden voor een proeftijd of om een andere reden.
Een benoeming in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor een kalenderperiode of een andere objectief bepaalbare periode.
De periode, waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid wordt verleend, bedraagt ten hoogste 24 maanden, met de mogelijkheid van verlenging hiervan met de periode of perioden waarin in de proeftijd geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden zijn verricht.
Indien een benoeming in tijdelijke dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid is voorafgegaan door een benoeming in tijdelijke dienst om een andere reden als bedoeld in het tweede lid, wordt de maximale duur van 24 maanden, bedoeld in het vierde lid, verminderd met de duur van die benoeming in tijdelijke dienst om een andere reden, indien:
- a. beide benoemingen zijn verleend door hetzelfde gezag;
- b. zij elkaar met een onderbreking van ten hoogste drie maanden opvolgen; en
- c. het eenzelfde ambt betreft.
Artikel 2, tweede tot en met zevende lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitoefening van de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde bevoegdheden.
Artikel 2d
De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd voor een proeftijd, wordt van rechtswege benoemd in vaste dienst in datzelfde ambt, indien en met ingang van de dag waarop de benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet na het verstrijken van de periode waarvoor die is verleend.
De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd om een andere reden dan voor een proeftijd, wordt van rechtswege benoemd in tijdelijke dienst in datzelfde ambt voor een zelfde periode als waarvoor de voorafgaande benoeming in tijdelijke dienst is verleend, indien en met ingang van de dag waarop de voorafgaande benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet na het verstrijken van de periode waarvoor die is verleend, met dien verstande dat de periode van de benoeming van rechtswege telkens ten hoogste twaalf maanden bedraagt.
De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd, wordt van rechtswege benoemd in vaste dienst in datzelfde ambt, indien en met ingang van de dag waarop:
- a. hem door hetzelfde bevoegd gezag, zonder tussenliggende onderbrekingen van meer dan drie maanden, verschillende benoemingen in tijdelijke dienst in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, zijn verleend en de totale duur van die benoemingen in tijdelijke dienst, met inbegrip van de tussenliggende onderbrekingen, een periode van 36 maanden heeft overschreden; of
- b. hem door hetzelfde bevoegd gezag, zonder tussenliggende onderbrekingen van meer dan drie maanden, meer dan drie benoemingen in tijdelijke dienst in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, zijn verleend.
Het derde lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing in geval van een benoeming in tijdelijke dienst voor maximaal drie maanden die onmiddellijk volgt op een benoeming in tijdelijke dienst voor 36 maanden of langer.
Artikel 2e
Om vast te stellen of een betrokkene geschikt is om benoemd te worden in een ambt wordt een onderzoek verricht, waaronder begrepen het verifiëren van en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan tevens omvatten:
- a. een psychologisch onderzoek, indien dit naar het oordeel van Onze Minister dan wel, voor zover het een benoeming in een bij een gerechtshof of rechtbank te vervullen ambt betreft, Onze Minister of de Raad voor de rechtspraak wenselijk is; en
- b. een geneeskundig onderzoek, indien dit op basis van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel naar het oordeel van Onze Minister dan wel, voor zover het een benoeming in een bij een gerechtshof of rechtbank te vervullen ambt betreft, Onze Minister of de Raad voor de rechtspraak wenselijk is.
Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vindt niet plaats dan nadat de betrokkene naar het oordeel van het in het tweede lid bedoelde gezag op basis van het overige onderzoek, bedoeld in het eerste lid, eventueel met inbegrip van het psychologisch onderzoek, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geschikt is om te worden benoemd in het desbetreffende ambt.
In geval van wijziging van een benoeming in tijdelijke dienst in een benoeming in vaste dienst in hetzelfde ambt kan slechts opnieuw een geneeskundig onderzoek als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden, indien ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.
In geval van een opvolgende benoeming in een ander ambt kan slechts opnieuw een geneeskundig onderzoek als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden, indien voor het vervullen van dat ambt moet worden voldaan aan andere medische eisen dan aan het vervullen van het door betrokkene daaraan voorafgaand vervulde ambt worden gesteld.
Onze Minister stelt nadere regels vast over het in het tweede lid bedoelde geneeskundig onderzoek en psychologisch onderzoek, waaronder in elk geval regels betreffende de mogelijkheid van een hernieuwd geneeskundig onderzoek op verzoek van de betrokkene.
Artikel 2f
In geval van een opvolgende benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een ander ambt dan bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet en niet zijnde een ambt als bedoeld in het tweede of derde lid van dit artikel, kan Onze Minister van de betrokkene een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verlangen als hij van mening is dat de omstandigheden sinds de benoeming van betrokkene in het eerdere ambt dusdanig gewijzigd zijn dat dit noodzakelijk is.
Benoeming van een betrokkene in een ambt, dat niet is aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in het derde lid en naar het oordeel van Onze Minister bijzondere eisen stelt aan de integriteit en verantwoordelijkheid van degene die dat ambt vervult, is slechts mogelijk, indien hiertegen naar het oordeel van Onze Minister op grond van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de betrokkene geen bezwaar bestaat. Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens kunnen aan Onze Minister ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in de eerste volzin, justitiële gegevens worden verstrekt, indien een zwaarwegend algemeen belang dat vordert. Onze Minister kan nadere regels vaststellen over het verrichten van het in de eerste en tweede volzin bedoelde onderzoek.
Benoeming van een betrokkene in een ambt, dat is aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet is afgegeven.
Ten aanzien van een betrokkene vindt een onderzoek als bedoeld in het tweede lid of een veiligheidsonderzoek dat voorafgaat aan de beslissing omtrent het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid niet plaats dan nadat op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2e, eerste en tweede lid, is vastgesteld dat hij geschikt is om in het desbetreffende ambt te worden benoemd.
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing in geval van benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet.
Artikel 2g
In een besluit tot benoeming in een ambt worden vermeld:
- a. de naam, voornamen en geboortedatum van de rechterlijk ambtenaar;
- b. het ambt waarin hij wordt benoemd;
- c. de datum met ingang waarvan hij in dat ambt wordt benoemd;
- d. of de benoeming in vaste of tijdelijke dienst geschiedt; en
- e. in geval van een benoeming in tijdelijke dienst, de periode waarvoor en de reden waarom de benoeming in tijdelijke dienst wordt verleend.
Het eerste lid, onderdelen d en e, is niet toepasselijk in geval van een benoeming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet.
In een besluit tot vaststelling van het gerecht of parket waarbij een ambt wordt vervuld, worden vermeld:
- a. de naam, voornamen en geboortedatum van de rechterlijk ambtenaar;
- b. het gerechtshof, de rechtbank of het tot het openbaar ministerie behorend parket waarbij hij zijn ambt vervult; en
- c. de datum met ingang waarvan hij zijn ambt bij het gerecht of parket, bedoeld in onderdeel b, vervult.
§ 2.2. Beëdiging
Artikel 2h
De eed of belofte, bedoeld in artikel 5g, eerste lid,van de wet, wordt afgelegd:
- a. in geval van benoeming in het ambt van:
- 1°. senior rechter A in, senior rechter in, rechter in, rechter-plaatsvervanger in, rechter in opleiding bij, senior-gerechtsauditeur bij of gerechtsauditeur bij een rechtbank, ten overstaan van een enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank waarvan is vastgesteld dat het ambt daarbij wordt vervuld;
- 2°. hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officier van justitie, plaatsvervangend officier van justitie, officier in opleiding, officier enkelvoudige zittingen of plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij een arrondissementsparket, ten overstaan van een enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank waarvan het rechtsgebied overeenkomt met dat van het parket waarvan is vastgesteld dat het ambt daarbij wordt vervuld;
- 3°. hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officier van justitie, plaatsvervangend officier van justitie, officier in opleiding, officier enkelvoudige zittingen of plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal, ten overstaan van een enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, Den Haag, Oost-Brabant of Overijssel.
- b. in geval van benoeming in het ambt van:
- 1°. senior raadsheer in, raadsheer in, raadsheer-plaatsvervanger in, rechter in opleiding bij, senior-gerechtsauditeur bij of gerechtsauditeur bij een gerechtshof, ten overstaan van een enkelvoudige of meervoudige kamer van het gerechtshof waarvan is vastgesteld dat het ambt daarbij wordt vervuld;
- 2°. landelijk hoofdadvocaat-generaal, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal, plaatsvervangend advocaat-generaal of officier in opleiding bij het ressortsparket of het parket-generaal, ten overstaan van een enkelvoudige of meervoudige kamer van een gerechtshof.
- c. ten overstaan van de president van de Hoge Raad, in geval van benoeming in het ambt van:
- 1°. procureur-generaal, deel uitmakend van het College van procureurs-generaal;
- 2°. substituut-griffier van de Hoge Raad;
- 3°. senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur bij de Hoge Raad.
- d. ten overstaan van de Koning of ten overstaan van Onze Minister, daartoe door de Koning gemachtigd, in geval van benoeming in het ambt van:
- 1°. president van, vice-president van of raadsheer in de Hoge Raad;
- 2°. procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad;
- 3°. griffier van de Hoge Raad.
De eed of belofte, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt afgenomen op requisitoir van het openbaar ministerie. De eed of belofte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt afgenomen op requisitoir van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
Een rechterlijk ambtenaar legt de eed of belofte, bedoeld in artikel 5g, eerste lid, van de wet, af volgens het formulier dat in bijlage 1 bij dit besluit is opgenomen.
Het formulier, bedoeld in het derde lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar alsmede door:
- a. de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die zitting heeft in de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde enkelvoudige kamer dan wel voorzitter is van de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde meervoudige kamer;
- b. de president van de Hoge Raad; onderscheidenlijk
- c. de Koning of Onze Minister.
Artikel 2i
Het bestuur van een gerechtshof of een rechtbank houdt een register bij, waarin de besluiten betreffende de benoeming van de daar beëdigde rechterlijke ambtenaren en de formulieren betreffende de door die rechterlijke ambtenaren afgelegde eed of belofte worden bewaard.
Een uittreksel uit dat register, inclusief het formulier betreffende de eed of belofte, wordt aan de rechterlijk ambtenaar uitgereikt.
De griffier van de Hoge Raad houdt een afzonderlijk register bij, waarin de benoeming van rechterlijke ambtenaren bij de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad wordt ingeschreven. Tevens houdt hij een register bij, waarin de besluiten betreffende de benoeming van de ten overstaan van de president van de Hoge Raad beëdigde rechterlijke ambtenaren en de formulieren betreffende de door die rechterlijke ambtenaren afgelegde eed of belofte worden bewaard.
Hoofdstuk 2a. Aanstelling en aanwijzing
Artikel 3a
Vervallen
Artikel 3b
Een raadsheer-plaatsvervanger, een rechter-plaatsvervanger, een plaatsvervangend advocaat-generaal bij een tot het openbaar ministerie behorend parket, een plaatsvervangend officier van justitie of een plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen kan op zijn eigen verzoek tijdelijk worden aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur.
De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van aanwijzing en verlenging tezamen kan niet meer dan drie jaar bedragen. Een volgende aanwijzing is slechts mogelijk indien na beëindiging van de vorige aanwijzing ten minste zes maanden zijn verstreken. De aanwijzing wordt op eigen verzoek van de rechterlijk ambtenaar beëindigd.
De aanwijzing, verlenging van de aanwijzing of tussentijdse beëindiging van de aanwijzing geschiedt door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een raadsheer-plaatsvervanger of een rechter-plaatsvervanger betreft, door de Raad voor de rechtspraak. Onze Minister onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak neemt over de aanwijzing of de verlenging van de aanwijzing niet een besluit dan op voorstel van de functionele autoriteit.
De arbeidsduur waarvoor een rechterlijk ambtenaar is aangewezen kan op zijn eigen verzoek worden gewijzigd.
Op een verzoek als bedoeld in het vierde lid beslist Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger betreft, het bestuur van het betrokken gerecht. Onze Minister beslist niet dan nadat het advies van de functionele autoriteit is ingewonnen.
Hoofdstuk 2b. Salaris en andere financiële arbeidsvoorwaarden
Artikel 6a
De vergoedingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, bedragen per zitting:
- a. voor een raadsheer in buitengewone dienst of een advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad: € 535;
- b. voor een raadsheer-plaatsvervanger of een plaatsvervangend advocaat-generaal bij een tot het openbaar ministerie behorend parket: € 409; en
- c. voor een rechter-plaatsvervanger of een plaatsvervangend officier van justitie: € 311.
Voor de toepassing van het eerste lid worden zittingen die op één dag worden gehouden samen als één zitting beschouwd.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt:
- a. een bijeenkomst in raadkamer met een of meer zittingen gelijkgesteld, indien het een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad betreft; en
- b. een schriftelijke conclusie met een of meer zittingen gelijkgesteld, indien het een advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad of een op de voet van artikel 119, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie als waarnemend advocaat-generaal bij de Hoge Raad aangewezen lid in buitengewone dienst van de Hoge Raad betreft.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b en c, wordt voor de raadsheer-plaatsvervanger en rechter-plaatsvervanger een bijeenkomst in een meervoudige raadkamer ten behoeve van een uitspraak in zaken waarin geen zitting heeft plaatsgevonden, met een of meer zittingen gelijkgesteld.
Aan een raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger kan een vergoeding overeenkomstig het eerste lid worden toegekend voor het concipiëren van een of meer schriftelijke uitspraken in een of meer zaken waarin geen zitting heeft plaatsgevonden.
Indien een vergoeding op grond van het vierde lid wordt toegekend, is het vijfde lid niet van toepassing.
De in artikel 5f, tweede lid, van de wet genoemde rechterlijke ambtenaren ontvangen voor het bijwonen van een zitting een vergoeding voor hun reis- en verblijfkosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Artikel 6b
Aan de rechterlijk ambtenaar die is belast met de waarneming van een ander ambt waarop de wet van toepassing is en waaraan een hoger maximum salaris is verbonden, wordt, indien de waarneming ten minste 30 dagen duurt, voor de duur van de waarneming een toelage toegekend.
Het bedrag van de in het eerste lid genoemde toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de rechterlijk ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij met ingang van de dag waarop de waarneming is ingegaan in het door hem waargenomen ambt zou zijn benoemd.
De in het eerste lid genoemde toelage behoort tot de bezoldiging van een rechterlijk ambtenaar.
Artikel 6c
Indien een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, die nog niet het maximum salaris van de voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel van het in artikel 4 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan zijn salaris worden verhoogd tot een in die salarisschaal vermeld hoger bedrag.
Indien een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, die het maximum salaris van de voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel van het in artikel 4 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan zijn salaris worden verhoogd tot een bedrag vermeld in de salarisschaal behorende bij het ambt waarvan het maximum salaris het naast hogere is van dat van het ambt waarin hij is benoemd.
Het oordeel over de wijze waarop een ambt wordt vervuld, bedoeld in het eerste en tweede lid, komt tot stand op basis van het verslag van een met de rechterlijk ambtenaar gehouden functioneringsgesprek of een vastgestelde beoordeling van het functioneren van de rechterlijk ambtenaar.
Verhoging van het salaris als bedoeld in het eerste en tweede lid geschiedt met ingang van een door het in artikel 4 bedoelde gezag te bepalen dag. In geval van verhoging van het salaris als bedoeld in het eerste lid, blijft de jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 5a plaatsvond.
Een salarisverhoging als bedoeld in het tweede lid kan worden ingetrokken indien de rechterlijk ambtenaar zijn ambt naar het oordeel van het in artikel 4 bedoelde gezag niet meer uitstekend vervult. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Aan de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die naar het oordeel van het in artikel 4 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan een eenmalige toeslag worden toegekend. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6d
De rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor een bepaalde arbeidsduur heeft, overeenkomstig hetgeen is overeengekomen in de laatstelijk overeengekomen collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, aanspraak op een vakantieuitkering, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een vergoeding van verplaatsingskosten, alsmede een gratificatie terzake van veeljarige dienst.
Artikel 4 is van toepassing ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden in de ingevolge het eerste lid overeenkomstige bepalingen, met dien verstande dat de daarin aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden en de daarin aan een bepaald gezag toegekende mogelijkheid tot het maken van nadere of afwijkende afspraken door die minister respectievelijk dat gezag worden uitgeoefend.
Artikel 6e
De rechterlijk ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter hoogte van 8,3% van het over de periode van twaalf maanden, bedoeld in het derde lid, genoten salaris.
Indien de rechterlijk ambtenaar aanspraak heeft op een WAO-uitkering, WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen dat de rechterlijk ambtenaar zou hebben genoten indien hij geen aanspraak op een WAO-uitkering, WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg zou hebben gehad.
De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
In geval van ontslag of overlijden wordt de eindejaarsuitkering zo veel mogelijk uitbetaald in de maand na het ontslag of overlijden.
Artikel 6f
De rechterlijk ambtenaar die als rechter-commissaris in strafzaken of als officier van justitie is aangewezen voor het verrichten van piketwerkzaamheden ontvangt daarvoor een toelage overeenkomstig de regels gesteld bij en krachtens dit artikel.
De in het eerste lid bedoelde toelage bestaat uit een vast bedrag en een bedrag voor de uren waarop daadwerkelijk piketwerkzaamheden worden verricht.
De hoogte van het bedrag voor de uren waarop daadwerkelijk piketwerkzaamheden worden verricht kan verschillend worden vastgesteld voor de uren gelegen tussen:
- a. 18.00 en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
- b. 22.00 en 08.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
- c. 00.00 en 24.00 uur op zaterdag en zondag;
- d. 00.00 en 24.00 uur op algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.
Onze Minister stelt regels ten aanzien van de hoogte van de in het eerste lid genoemde toelage.
De in het eerste lid genoemde toelage behoort tot de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar.
Hoofdstuk 2c. Arbeidsduur en werktijd
Artikel 8a
Onverminderd het bepaalde in artikel 8b bedraagt de arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar gemiddeld ten hoogste 36 uren per week.
Het aantal te werken uren per jaar bedraagt voor een in het eerste lid genoemde rechterlijk ambtenaar: het aantal kalenderdagen, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen alsmede de niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in artikel 38c, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2, en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de rechterlijk ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
Het aantal te werken uren, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.
Artikel 8b
Op verzoek van de rechterlijk ambtenaar kan de arbeidsduur in hele uren worden vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uren per week.
Het verzoek wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.
Het verzoek wordt niet toegewezen aan:
- a. de rechterlijk ambtenaar van wie het gemiddelde aantal per week te werken uren op basis van artikel 8d is teruggebracht;
- b. de rechterlijk ambtenaar die betaald ouderschapsverlof geniet;
- c. de rechterlijk ambtenaar die op basis van artikel 33p buitengewoon verlof geniet;
- d. de rechterlijk ambtenaar bij wie een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld en aan wie een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de WAO, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is toegekend, recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of op wie artikel 2.3 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van toepassing is.
Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister, indien het een verzoek betreft van een officier in opleiding, niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
Artikel 8a, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 8c
De functionele autoriteit stelt in overeenstemming met de rechterlijk ambtenaar, die zijn ambt op basis van een aanstelling of aanwijzing voor een bepaalde arbeidsduur vervult, voor hem een werktijdregeling vast.
Onder werktijdregeling wordt in dit besluit verstaan: een voor een periode langer dan een week opgesteld en van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden. In de werktijdregeling wordt het aantal te werken uren, bedoeld in artikel 8a, tweede en derde lid, of 8b, vijfde lid, vermeld.
Op verzoek van de rechterlijk ambtenaar, voor wie de arbeidsduur niet ingevolge artikel 8b is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, kan de functionele autoriteit, indien het dienstbelang zich hiertegen niet verzet, een werktijdregeling vaststellen waarbij het aantal te werken uren gelijk is aan het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in artikel 38c, in dat jaar, vermenigvuldigd met acht. Hetgeen hierover is bepaald in de laatstelijk afgesloten arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn is van overeenkomstige toepassing.
Van de werktijdregeling kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.
Op zaterdagen kunnen werkzaamheden worden opgedragen, mits het dienstbelang daartoe naar het oordeel van de functionele autoriteit aanleiding geeft.
In bijzondere gevallen kan door de functionele autoriteit van het vaststellen van een werktijdregeling worden afgezien. Het vijfde lid is in dit geval van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8d
De gemiddelde wekelijkse werktijd van een rechterlijk ambtenaar van 57 jaar en ouder wordt op zijn verzoek, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 11,1%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
De gemiddelde wekelijkse werktijd van een rechterlijk ambtenaar van 61 jaar en ouder wordt op zijn verzoek, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 33,3%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt niet toegewezen aan:
- a. de rechterlijk ambtenaar die op het door hem voorgenomen tijdstip van het terugbrengen van de gemiddelde wekelijkse werktijd niet ten minste vijf aaneengesloten jaren als rechterlijk ambtenaar werkzaam is; of
- b. de rechterlijk ambtenaar van wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uren per week is vastgesteld.
Het terugbrengen van de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig het eerste of tweede lid heeft in totaal gedurende een periode van ten hoogste tien aaneengesloten jaren plaats, met dien verstande dat het terugbrengen van de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig het tweede lid gedurende een periode van ten hoogste zes aaneengesloten jaren plaatsheeft.
Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het eerste of tweede lid bedoelde arbeidsduur en de overeenkomstig het eerste of tweede lid teruggebrachte werktijd wordt de rechterlijk ambtenaar geacht met verlof te zijn.
Op het salaris van de rechterlijk ambtenaar, van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig het eerste onderscheidenlijk tweede lid is teruggebracht, wordt een korting toegepast ter grootte van 5% onderscheidenlijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dit artikel.
De korting, bedoeld in het zesde lid, wordt teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10% van het salaris voor zover op grond van artikel 17, tweede lid, 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.
Met ingang van het tijdstip waarop de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig het eerste of tweede lid wordt teruggebracht, vervalt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar de verhoging van vakantieaanspraak, bedoeld in artikel 33b, vijfde lid, en wordt de vakantieaanspraak overigens door de functionele autoriteit vastgesteld op een evenredig deel van de vakantieaanspraak bij een volledige arbeidsduur.
Op een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid beslist Onze Minister niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste of tweede lid bedoelde rechterlijk ambtenaar.
In afwijking van het vierde lid eindigt de toepassing van het eerste of tweede lid met ingang van de datum waarop de rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Artikel 8e
Op het salaris van de rechterlijk ambtenaar, van wie zowel een verzoek als bedoeld in artikel 6, eerste lid, als een verzoek als bedoeld in artikel 8d, eerste of tweede lid, is ingewilligd, wordt een korting toegepast ter grootte van het voor hem geldende percentage, bedoeld in artikel 6, vierde lid, opgeteld met het voor hem geldende percentage, bedoeld in artikel 8d, zesde lid.
Bij de in het eerste lid bedoelde korting wordt een korting van 5% opgeteld, indien het maximum salaris, dat verbonden is aan het ambt waarin de rechterlijk ambtenaar wordt benoemd, lager is dan het naast lagere maximum salaris van dat van het ambt waarin hij daaraan voorafgaand was benoemd.
De korting, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10% van het salaris voor zover op grond van artikel 17, tweede lid, 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.
Hoofdstuk 3. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid
§ 1. Algemeen
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 29a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)