Besluit van 21 maart 1994, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren
Indien de rechterlijk ambtenaar onderscheidenlijk gewezen rechterlijk ambtenaar voorafgaand aan de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte werkzaamheden verrichtte in verband waarmee hij aanspraak had op een toelage als bedoeld in artikel 6f, wordt het bedrag van die toelage dat behoort tot de bezoldiging onderscheidenlijk laatstelijk genoten bezoldiging die krachtens dit hoofdstuk aan hem wordt doorbetaald, vastgesteld op het bedrag dat hij gemiddeld per maand aan die toelage heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de kalendermaand waarin hij wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid onderscheidenlijk het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke functie.
§ 7. Suppletieregeling
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
§ 7. Suppletieregeling
Artikel 33a
Tenzij anders is bepaald, worden de in deze paragraaf genoemde bevoegdheden uitgeoefend door de functionele autoriteit.
Artikel 33b
De rechterlijk ambtenaar, die zijn ambt op basis van een aanstelling of aanwijzing voor een bepaalde arbeidsduur vervult, heeft aanspraak op vakantie, met behoud van zijn volle bezoldiging.
De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in uren per kalenderjaar waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.
De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van de leeftijd en van de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar.
De aanspraak op vakantie bedraagt 144 wettelijke vakantie-uren en 21,6 bovenwettelijke vakantie-uren per kalenderjaar bij een volledige arbeidsduur.
De ingevolge het vierde lid geldende aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren wordt, afhankelijk van de leeftijd die de rechterlijk ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd volgens onderstaande tabel:
| leeftijd: | verhoging: |
|---|---|
| van 45 tot en met 49 jaar | 7,2 uren |
| van 50 tot en met 54 jaar | 14,4 uren |
| van 55 tot en met 59 jaar | 21,6 uren |
| van 60 tot en met 64 jaar | 28,8 uren |
| van 65 tot en met 70 jaar | 36 uren |
De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de rechterlijk ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
Indien de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar wijzigt, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
Bij indiensttreding, ontslag of beëindiging van de aanwijzing in de loop van een kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantie naar evenredigheid vastgesteld.
Artikel 33c
Over kalendermaanden gedurende welke de rechterlijk ambtenaar, in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling, in het geheel geen werkzaamheden onderscheidenlijk gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie onderscheidenlijk slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens de werktijdregeling zijn werkzaamheden verricht.
Het eerste lid is niet van toepassing:
- a. indien de rechterlijk ambtenaar als gevolg van ziekte zijn werkzaamheden niet of gedeeltelijk verricht;
- b. in geval van genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof;
- c. in geval van genoten vakantie; of
- d. in geval van genoten adoptie- of pleegverlof.
Artikel 33d
Indien het belang van de dienst zich er niet tegen verzet, kan op verzoek van de rechterlijk ambtenaar door Onze Minister of, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur eenmaal per kalenderjaar de voor die rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 33b, vierde tot en met zesde lid, geldende aanspraak op de bovenwettelijke vakantie-uren worden verlaagd.
Het in het eerste lid bedoelde gezag stelt vast voor welke datum verzoeken als bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingediend en beslist op of na die datum gelijktijdig op de voor die datum ingediende verzoeken.
De rechterlijk ambtenaar ontvangt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren overeenkomstig het eerste lid wordt verlaagd, een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de in het tweede lid bedoelde datum.
Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
Artikel 33e
De rechterlijk ambtenaar is vrij om vast te stellen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover het belang van de dienst zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.
De functionele autoriteit stelt de rechterlijk ambtenaar ieder jaar in de gelegenheid in ieder geval de wettelijke vakantie-uren op te nemen.
De rechterlijk ambtenaar meldt het voornemen om vakantie op te nemen tijdig aan de functionele autoriteit.
Het derde lid is niet van toepassing op de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de leden van het College van procureurs-generaal en de hoofden van de parketten.
Indien het belang van de dienst dit dringend noodzakelijk maakt, kan de functionele autoriteit aan de rechterlijk ambtenaar opdragen reeds opgenomen vakantie in te trekken, zowel voorafgaand als tijdens de vakantie. De eventuele geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt door het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde gezag aan de rechterlijk ambtenaar vergoed.
Indien een rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 33h ziekteverlof geniet, is het hem toegestaan het opnemen van vakantie niet voort te zetten. Indien de functionele autoriteit hier om verzoekt, dient de rechterlijk ambtenaar de ziekte aan te tonen.
Een rechterlijk ambtenaar kan worden toegestaan in enig kalenderjaar meer uren vakantie op te nemen dan zijn aanspraak op vakantie ingevolge de artikelen 33b, vierde tot en met zesde lid, 33c en het zesde lid van dit artikel, tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande dat de op te nemen vakantie de aanspraak tot en met het lopende kalenderjaar niet met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding wordt vermenigvuldigd met de voor de rechterlijk ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
De in een kalenderjaar op grond van de artikelen 33b, vierde tot en met zesde lid, 33c en het zesde lid van dit artikel teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op zijn aanspraak op de wettelijke vakantie-uren over het eerstvolgende kalenderjaar.
Artikel 33f
Indien de rechterlijk ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen, door het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde gezag een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt berekend met inachtneming van artikel 33e, zesde lid, alsmede uitgaande van het salaris en de arbeidsduur, zoals die direct voorafgaand aan zijn ontslag voor de rechterlijk ambtenaar golden, en de leeftijd die hij bereikt in het kalenderjaar waarin hem ontslag wordt verleend.
Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de rechterlijk ambtenaar te veel vakantie heeft genoten, is hij aan het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde gezag voor ieder uur te veel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksoverheid kan de rechterlijk ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen om het niet genoten gedeelte van zijn vakantieaanspraken te behouden. Daarbij wordt de vakantie die in het lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van overlijden of vermissing van de rechterlijk ambtenaar, met dien verstande dat:
- a. de in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding wordt aangemerkt als een vermeerdering van de uitkering krachtens artikel 7a of 7b; en
- b. het krachtens het derde lid verschuldigde bedrag in mindering wordt gebracht op het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de rechterlijk ambtenaar wegens nog niet vergolden aanspraken verschuldigde bedrag, of, indien en voor zover laatstbedoeld bedrag hiervoor niet toereikend is, op de uitkering krachtens artikel 7a of 7b.
§ 3a.2. Verlof
Artikel 33g
Tenzij anders is bepaald, worden de in deze paragraaf genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.
Artikel 33h
De rechterlijk ambtenaar geniet verlof indien hij uit hoofde van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten. Hij behoudt gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van bezoldiging overeenkomstig het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
De rechterlijk ambtenaar die het verlof ingevolge het eerste lid geniet, kan, onverminderd artikel 33e, zesde lid, vakantie opnemen.
Artikel 33i
Indien een gerecht of parket op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de rechterlijk ambtenaar die bij het desbetreffende gerecht of parket werkzaam is, verlof met behoud van bezoldiging, voor zover het belang van de dienst zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.
Artikel 33j
Het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de functionele autoriteit verleend voor een daarbij te bepalen periode.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 4:3, eerste lid, en 4:4 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 4:1, eerste lid, 4:2 en 4:5 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «loon» verstaan: bezoldiging.
Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar worden de in artikel 4:5 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden uitgeoefend door het in artikel 33g bedoelde gezag. Voor de toepasselijkheid van artikel 4:5, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar worden de in artikel 4:6 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden uitgeoefend door de functionele autoriteit.
Artikel 33k
De rechterlijk ambtenaar behoudt gedurende het kortdurend zorgverlof, bedoeld in artikel 5:1 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 5:3 tot en met 5:5 en 5:10 tot en met 5:12 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 5:7 en 5:9 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «loon» verstaan: bezoldiging.
Voor de toepasselijkheid van artikel 5:7 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar worden de in de artikelen 5:14 en 5:15 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden uitgeoefend door de functionele autoriteit.
Artikel 33l
De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar behoudt gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging.
Indien de vrouwelijke rechterlijk ambtenaar gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de bezoldiging ter grootte van die financiële tegemoetkoming.
Indien de vrouwelijke rechterlijk ambtenaar aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat zij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 3:1, tweede lid, en 3:3, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag alsmede, tenzij het het zwangerschaps- en bevallingsverlof van een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van artikel 3:11, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
Artikel 33m
De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar, die wordt ontslagen in het tijdvak waarin zij zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg geniet, ontvangt met ingang van de datum van haar ontslag de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende een periode die gelijk is aan de op de datum van ontslag nog resterende duur van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof.
De vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden. De in de eerste volzin bedoelde periode wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
De vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
De artikelen 20, tweede lid, 25, 25a, eerste en derde lid, 28, 29, 29a, 31 en 33l, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 33l, tweede en derde lid, in plaats van «gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof» wordt gelezen: gedurende de periode dat zij op basis van artikel 33m, eerste tot en met derde lid, de laatstelijk genoten bezoldiging ontvangt.
Artikel 33n
De rechterlijk ambtenaar die op het tijdstip waarop zijn ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6:1 van de Wet arbeid en zorg aanvangt in totaal tenminste een jaar in dienst is als rechterlijk ambtenaar of in dienst is geweest als ambtenaar bij de Raad voor de rechtspraak of het openbaar ministerie, dan wel als gerechtsambtenaar bij een gerecht, heeft aanspraak op 60% van zijn bezoldiging over de uren dat hij dit ouderschapsverlof geniet, zijnde ten hoogste dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.
Voor de toepasselijkheid van artikel 6:2, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «arbeidsduur per week» verstaan: arbeidsduur per week, uitgaande van de arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof ingaat.
Indien de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wijzigt, wordt de aanspraak op verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
Voor de toepasselijkheid van artikel 6:6 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag. Op een verzoek als bedoeld in dat artikel wordt door Onze Minister niet beslist dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van artikel 6:5, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag alsmede, tenzij het het ouderschapsverlof van een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van artikel 6:5, derde lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.
De rechterlijk ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof is toegekend in de laatste 12 maanden voorafgaand aan zijn ontslag, wanneer hij tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof wordt ontslagen op eigen verzoek of anderszins op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden. De eerste volzin is niet van toepassing in geval van ontslag op eigen verzoek gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksoverheid. De rechterlijk ambtenaar kan van de in de eerste volzin bedoelde verplichting worden ontheven, indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het in artikel 33g bedoelde gezag rechtvaardigen. Onze Minister beslist over de in de derde volzin bedoelde ontheffing niet dan nadat hij hierover het advies van de functionele autoriteit heeft ingewonnen.
Artikel 33o
De rechterlijk ambtenaar behoudt gedurende het adoptieverlof, bedoeld in artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging.
Indien de rechterlijk ambtenaar gedurende het adoptieverlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de bezoldiging ter grootte van de financiële tegemoetkoming.
Indien de rechterlijk ambtenaar aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat hij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast.
Voor de toepasselijkheid van de artikelen 3:2, tweede lid, en 3:3, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag alsmede, tenzij het het adoptieverlof van een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de functionele autoriteit.
Voor de toepasselijkheid van artikel 3:11, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de rechterlijk ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 33p
Aan een rechterlijk ambtenaar, die is aangesteld of aangewezen voor een bepaalde arbeidsduur, kan op zijn eigen verzoek buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend. De verlening hiervan geschiedt voor een daarbij te bepalen periode. Aan de verlening kunnen voorschriften worden verbonden.
Onze Minister, indien het een verzoek betreft van een officier in opleiding, beslist op een verzoek om buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat hierover het advies van de functionele autoriteit is ingewonnen.
Het buitengewoon verlof gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorschriften door de rechterlijk ambtenaar.
In geval van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging heeft de rechterlijk ambtenaar geen aanspraak op vakantie.
Hoofdstuk 4. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag
§ 4.1. Algemeen
§ 3a.2. Verlof
Artikel 34a
Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar, die een hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd.
Plichtsverzuim als bedoeld in het eerste lid omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van datgene wat een goed rechterlijk ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 34b
De disciplinaire maatregelen die aan een rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn:
- a. schriftelijke berisping;
- b. vermindering van de aanspraak op vakantie met ten hoogste een derde deel van het aantal uren waarop de rechterlijk ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;
- c. buitengewone dienst op andere dagen dan een zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 38c, voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag;
- d. geldboete van ten hoogste € 22,–;
- e. gedeeltelijke of gehele inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
- f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de rechterlijk ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse salarisverhogingen minder bedraagt dan het salarisbedrag dat voor hem krachtens de wet geldt, of, indien voor het door de rechterlijk ambtenaar vervulde ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor ten hoogste twee jaren;
- g. het niet toekennen van een jaarlijkse salarisverhoging gedurende een periode van ten hoogste vier jaren;
- h. indeling in een salariscategorie die krachtens artikel 5, eerste lid, behoort bij een ander ambt dan het ambt waarin de rechterlijk ambtenaar is benoemd, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van salaris;
- i. wijziging van de vaststelling van het gerecht of parket waarbij de rechterlijk ambtenaar zijn ambt vervult, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn;
- j. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
- k. ontslag.
In geval van het opleggen van een disciplinaire maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g of h, kan de positie van de rechterlijk ambtenaar met ingang van een bepaald tijdstip geheel of gedeeltelijk in overeenstemming worden gebracht met de positie die hij zou hebben gehad zonder het opleggen van die disciplinaire maatregel, indien het verdere gedrag van de rechterlijk ambtenaar daartoe aanleiding geeft.
Bij het opleggen van een disciplinaire maatregel kan worden bepaald dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de rechterlijk ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor het opleggen van de disciplinaire maatregel plaatsvindt of enig ander ernstig plichtsverzuim, en hij zich houdt aan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 34c
Een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel a tot en met c, wordt opgelegd door de functionele autoriteit.
Een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel d tot en met h, wordt ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar opgelegd door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur, met dien verstande dat Onze Minister niet beslist dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel i of j, wordt opgelegd door Onze Minister, met dien verstande dat hij niet beslist dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel k, wordt opgelegd door het gezag, dat krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar vervult, met dien verstande dat niet wordt beslist onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitoefening van de in de artikelen 34b, tweede en derde lid, en 34e genoemde bevoegdheden.
Artikel 34d
Een disciplinaire maatregel wordt niet opgelegd dan nadat de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.
Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat wordt ondertekend door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te wiens overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door het gezag dat krachtens artikel 34c bevoegd is tot het opleggen van de desbetreffende disciplinaire maatregel, met dien verstande dat deze bevoegdheden worden uitgeoefend door Onze Minister indien het opleggen van de disciplinaire maatregel, bedoeld in artikel 34c, vierde lid, bij koninklijk besluit geschiedt.
Artikel 34e
Een disciplinaire maatregel, anders dan die van schriftelijke berisping, wordt niet eerder ten uitvoer gelegd dan nadat hij onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de maatregel onmiddellijke tenuitvoerlegging is bepaald.
§ 4.2. Disciplinaire maatregelen
Artikel 34f
Een rechterlijk ambtenaar is van rechtswege geschorst indien en voor zolang hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel in het belang van de volksgezondheid, anders dan op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
Artikel 34g
Onverminderd het bepaalde in artikel 34b, eerste lid, aanhef en onderdeel j, kan een rechterlijk ambtenaar worden geschorst, indien:
- a. tegen hem een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf is ingesteld;
- b. hem het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag is medegedeeld dan wel hem die disciplinaire maatregel is opgelegd; of
- c. het belang van de dienst dit vereist.
Een schorsing als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd zodra de grond hiervoor is vervallen.
Schorsing als bedoeld in het eerste lid of beëindiging als bedoeld in het tweede lid geschiedt door Onze Minister, met dien verstande dat hij hiertoe niet besluit dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Artikel 34h
In geval van schorsing kan de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar tijdens de duur van de schorsing geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.
Inhouding van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid is niet mogelijk in geval van:
- a. schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in artikel 34g, eerste lid, onderdeel c;
- b. plaatsing in een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
- c. politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.
Indien de schorsing niet wordt gevolgd door de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag of ontslag op grond van artikel 36, onderdeel d, kan de ingehouden bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk aan de rechterlijk ambtenaar worden uitbetaald. Op de alsnog uit te betalen bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, die de rechterlijk ambtenaar heeft genoten uit arbeid die hij tijdens de schorsing heeft verricht, tenzij zulks onredelijk of onbillijk wordt bevonden.
De in het eerste tot en met derde lid genoemde bevoegdheden worden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.
§ 4.1. Algemeen
Artikel 35a
De rechterlijk ambtenaar wordt op eigen verzoek ontslagen.
Ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ontvangen.
Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien:
- a. een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de rechterlijk ambtenaar is ingesteld; of
- b. ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar wordt overwogen de disciplinaire maatregel van ontslag op te leggen.
Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken, indien:
- a. ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar wordt overwogen een disciplinaire maatregel op te leggen;
- b. de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt; of
- c. het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, op deze grond tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij deze verlenging in redelijkheid met het belang van de rechterlijk ambtenaar rekening wordt gehouden.
Artikel 35b
De rechterlijk ambtenaar kan worden ontslagen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid.
Ontslag als bedoeld in het eerste lid is slechts mogelijk, indien:
- a. de ongeschiktheid van de rechterlijk ambtenaar twee jaar onafgebroken heeft geduurd;
- b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en
- c. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame reïntegratie als bedoeld in artikel 24a, tweede lid, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.
Voor het berekenen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden niet in aanmerking genomen:
- a. perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als gevolg van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof; en
- b. perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg.
Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in het derde lid, samengeteld:
- a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
- b. indien de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd:
- a. indien de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later is gedaan dan op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging;
- b. indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA, later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging;
- c. indien de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, op grond van het zevende lid van dat artikel is verlengd, met de duur van die verlenging;
- d. indien het UWV op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO een tijdvak heeft vastgesteld, met de duur van dit tijdvak;
- e. indien het UWV op grond van artikel 24, eerste lid dan wel artikel 25, negende lid, van de WIA, een tijdvak heeft vastgesteld, met de duur van dit tijdvak.
Artikel 35c
Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, betrekt de functionele autoriteit de uitslag van de beoordeling door het UWV van de aanvraag op grond van artikel 64 van de WIA.
Indien de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, door het UWV niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de Wet Suwi worden gevraagd en betrekt de functionele autoriteit dit bij zijn beoordeling.
Artikel 35d
Indien herplaatsing als bedoeld in artikel 19a plaatsvindt in een ambt of functie voor minder uren dan het aantal waarvoor de rechterlijk ambtenaar was benoemd, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
Artikel 35e
De rechterlijk ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, kan, in afwijking van artikel 35b, tweede lid, worden ontslagen indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
- a. gevolg te geven aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten;
- b. passende arbeid te verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld; of
- c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA.
Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan de functionele autoriteit de uitslag van de beoordeling door het UWV van de aanvraag op grond van artikel 64 van de WIA betrekken.
Artikel 35f
De rechterlijk ambtenaar wordt ontslagen in geval van aanvaarding van een benoeming als minister of staatssecretaris. Ontslag als bedoeld in de eerste volzin wordt verleend met ingang van de dag van het aanvaarden van de benoeming. In afwijking van artikel 35 kan ontslag als bedoeld in de eerste volzin worden verleend zonder voorafgaand advies hierover of voorstel hiervoor van de functionele autoriteit.
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Artikel 37b
De functionele autoriteit besteedt aan de wijze waarop de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar zijn ambt vervult regelmatig aandacht door middel van het houden van functioneringsgesprekken.
Een functioneringsgesprek vindt in elk geval plaats wanneer de functionele autoriteit dit wenselijk acht of de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.
Van een functioneringsgesprek maakt de functionele autoriteit een schriftelijk verslag op. De rechterlijk ambtenaar wordt door de functionele autoriteit in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Van deze zienswijze wordt melding gemaakt in het verslag.
Indien de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, wordt in het eerste tot en met derde lid onder functionele autoriteit verstaan: het bestuur van dat gerechtshof of die rechtbank, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van dit bestuur.
Hoofdstuk 5a. Overleg
Artikel 39a
Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand – met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd – van de rechterlijke ambtenaren, wordt niet beslist dan nadat daarover door Onze Minister overleg is gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de regelingen, bedoeld in artikel 39aa, een en ander voor zover in het overleg over deze regelingen niet is voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende voorzieningen te treffen ten behoeve van rechterlijke ambtenaren.
Over algemene aangelegenheden met betrekking tot de rechtspleging wordt door Onze Minister overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, indien hierom door een of meer leden van de Sectorcommissie rechterlijke macht of Onze Minister wordt verzocht.
Artikel 39b
Het overleg wordt gevoerd op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de te nemen besluiten.
Onze Minister is voorzitter van het overleg. Onze Minister kan een ambtenaar machtigen als voorzitter van het overleg op te treden.
Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een secretaris, zo nodig bijgestaan door een of meer adjunct-secretarissen. Onze Minister benoemt de secretaris en adjunct-secretarissen na overleg met de Sectorcommissie.
Van het overleg worden door de secretaris notulen gemaakt, die worden toegezonden aan de deelnemers van het overleg.
Onze Minister legt aangelegenheden als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, voor aan de Sectorcommissie.
De Sectorcommissie kan aan de voorzitter van het overleg onderwerpen als bedoeld in artikel 39a, eerste en derde lid, ter plaatsing op de agenda opgeven.
De deelnemers aan het overleg kunnen zich, na overleg met de voorzitter, doen bijstaan door een deskundige of adviseur.
De deelnemers aan het overleg kunnen omtrent het in het overleg besprokene geheimhouding overeenkomen.
Artikel 39c
Indien tijdens het overleg over een voorstel als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, de voorzitter onderscheidenlijk een of meer leden van de Sectorcommissie tot het oordeel komt dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengt diegene dat oordeel binnen drie dagen nadat daarvan in het overleg blijk is gegeven, schriftelijk ter kennis aan de leden van de Sectorcommissie onderscheidenlijk aan de voorzitter en de overige leden van de Sectorcommissie.
Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter een bijzondere vergadering uit. De vergadering wordt gehouden binnen zeven dagen nadat zij is uitgeschreven. In deze vergadering wordt nagegaan of:
- a. het overleg wordt voortgezet of wordt beëindigd; en
- b. overeenstemming bestaat over het onderwerp en de inhoud van het geschil, en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van diezelfde commissie.
Tot het inwinnen van advies, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is zowel de voorzitter van het overleg als de Sectorcommissie bevoegd.
Voor het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale uitspraak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is overeenstemming vereist tussen de deelnemers aan het overleg.
Artikel 39d
Indien in een overleg tussen de deelnemers een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in artikel 39ab, tweede lid, onderdeel c, wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en plichten over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie.
Artikel 39e
Er is een Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren, die tot taak heeft te adviseren dan wel een arbitrale uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge artikel 39c, tweede lid, onderdeel b, of artikel 39d worden voorgelegd.
De Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren is gevestigd te ’s-Gravenhage. Zij bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf plaatsvervangende leden. Zij worden bij koninklijk besluit voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar benoemd. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. De voorzitter en diens plaatsvervanger worden benoemd op gezamenlijke voordracht van Onze Minister en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en hun plaatsvervangers worden bij koninklijk besluit benoemd:
- a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister; alsmede
- b. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van de Sectorcommissie.
Daarnaast bestaat de Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren uit twee leden en twee plaatsvervangende leden die door Onze Minister voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar worden benoemd. De door Onze Minister benoemde leden en door Onze Minister benoemde plaatsvervangende leden, kunnen twee maal telkens voor ten hoogste vier jaar worden herbenoemd. Onze Minister benoemt een van de twee leden en een van de twee plaatsvervangende leden, op voordracht van de Sectorcommissie.
Uitgesloten van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van de Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren zijn:
- a. personen die lid zijn van de Sectorcommissie;
- b. personen die bestuurslid zijn van dan wel werkzaam zijn bij een vereniging of centrale van verenigingen als bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet; en
- c. personen die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf en wier onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond van hun dienstverband door de deelnemers aan het overleg onvoldoende wordt geacht.
De personen, bedoeld in het vierde lid, zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van de Advies- en Arbitragecommissie gedurende een periode van twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap of het bestuurslidmaatschap, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, of van de werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met c.
Onze Minister wijst in overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren een secretaris aan, die de Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren bijstaat.
Aan de leden en plaatsvervangende leden van de Advies- en Arbitragecommissie rechterlijke ambtenaren wordt door Onze Minister een vergoeding van reis- en verblijfkosten verleend overeenkomstig hetgeen met betrekking tot reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Artikel 39f
De Advies- en Arbitragecommissie treedt in geval van advies of arbitrage met betrekking tot een geschil als bedoeld in artikel 39e, eerste lid, op in een samenstelling van vijf leden, onder wie de voorzitter en de twee door Onze Minister benoemde leden. Bij verhindering van een lid treedt diens plaatsvervanger op.
Indien het verzoek om arbitrage naar het oordeel van de voorzitter een zelfde geschil betreft als waarover door de Advies- en Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht, treedt voor een lid dat bij het uitbrengen van dat advies was betrokken, diens plaatsvervanger op.
Artikel 39g
Indien overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, onderdeel b, wordt besloten over een geschil advies in te winnen van de Advies- en Arbitragecommissie, wordt binnen drie dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede lid, het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers van het overleg die zich voor het inwinnen van advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede lid, geen overeenstemming is bereikt tussen de deelnemers aan het overleg over het onderwerp en de inhoud van het geschil, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na die vergadering ter kennis aan de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
Indien overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, onderdeel b, wordt besloten een geschil aan een arbitrale uitspraak te onderwerpen van de Advies- en Arbitragecommissie, wordt binnen drie dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede lid, het verzoek om een arbitrale uitspraak ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil alsmede de standpunten van de deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.
Indien overeenkomstig artikel 39d een geschil wordt onderworpen aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie, wordt zo spoedig mogelijk het verzoek om een arbitrale uitspraak ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers van het overleg en bevat hun standpunten ten aanzien van het onderwerp en de inhoud van het geschil.
Artikel 39h
De leden, de plaatsvervangende leden en de secretaris van de Advies- en Arbitragecommissie, die bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, zijn, voor zover voor hen niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
De Advies- en Arbitragecommissie stelt bij reglement nadere regels vast met betrekking tot haar werkwijze.
Artikel 39i
De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van stemmen.
Het advies of de arbitrale uitspraak houdt in:
- a. de namen van de deelnemers aan het overleg die het verzoek om advies of een arbitrale uitspraak hebben gedaan;
- b. een overzicht van de standpunten van de deelnemers aan het overleg over het onderwerp en de inhoud van het geschil; en
- c. het advies of de arbitrale beslissing, met vermelding van de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
Het advies of de arbitrale uitspraak wordt gedagtekend en door ieder van de optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie ondertekend.
De voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie draagt er zorg voor dat het advies of de arbitrale uitspraak binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in artikel 39g, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt gebracht.
Artikel 39j
Binnen twee weken na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 39i, tweede lid, wordt het overleg tussen Onze Minister en de Sectorcommissie voortgezet.
De arbitrale uitspraak, bedoeld in artikel 39i, tweede lid, heeft bindende kracht.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
| Salariscategorie | per 1 april 2009 | |||
|---|---|---|---|---|
| 1 | 10501,20 | |||
| 2 | 9857,18 | |||
| 3 | 9253,82 | |||
| 4 | 8685,54 | |||
| 5 | aanvang | 7209,95 | ||
| na 1 jaar | 7671,48 | |||
| na 2 jaar | 8162,51 | |||
| na 3 jaar | 8685,54 | |||
| 6 | 7912,43 | |||
| 7 | aanvang | 6777,39 | ||
| na 1 jaar | 7209,95 | |||
| na 2 jaar | 7671,48 | |||
| na 3 jaar | 7912,43 | |||
| 8 | aanvang | 6777,39 | ||
| na 1 jaar | 6991,39 | |||
| na 2 jaar | 7209,95 | |||
| na 3 jaar | 7437,16 | |||
| 9 | aanvang | 5254,53 | ||
| na 1 jaar | 5395,83 | |||
| na 2 jaar | 5534,60 | |||
| na 3 jaar | 5683,04 | |||
| na 4 jaar | 5835,01 | |||
| na 5 jaar | 5990,55 | |||
| na 6 jaar | 6178,12 | |||
| na 7 jaar | 6372,28 | |||
| na 8 jaar | 6572,04 | |||
| na 9 jaar | 6777,39 | |||
| 10 | aanvang | 4503,78 | ||
| na 1 jaar | 4615,61 | |||
| na 2 jaar | 4722,84 | |||
| na 3 jaar | 4835,19 | |||
| na 4 jaar | 4974,47 | |||
| na 5 jaar | 5114,75 | |||
| na 6 jaar | 5254,53 | |||
| na 7 jaar | 5395,83 | |||
| na 8 jaar | 5461,91 | |||
| 11 | aanvang | 3947,19 | ||
| na 1 jaar | 4059,52 | |||
| na 2 jaar | 4171,34 | |||
| na 3 jaar | 4282,17 | |||
| na 4 jaar | 4389,91 | |||
| na 5 jaar | 4503,78 | |||
| na 6 jaar | 4615,61 | |||
| na 7 jaar | 4722,84 | |||
| na 8 jaar | 4835,19 | |||
| na 9 jaar | 4974,47 | |||
| na 10 jaar | 5044,61 | |||
| 11a | aanvang | 4503,78 | ||
| na 1 jaar | 4615,61 | |||
| na 2 jaar | 4722,84 | |||
| na 3 jaar | 4835,19 | |||
| na 4 jaar | 4974,47 | |||
| na 5 jaar | 5114,75 | |||
| na 6 jaar | 5254,53 | |||
| na 7 jaar | 5395,83 | |||
| na 8 jaar | 5461,91 | |||
| 12 | aanvang | 2454,83 | ||
| na 1 jaar | 2566,64 | |||
| na 2 jaar | 2917,38 | |||
| na 3 jaar | 3268,11 | |||
| na 4 jaar | 3388,57 | |||
| na 5 jaar | 3500,91 | |||
| na 6 jaar | 3602,56 | |||
| na 7 jaar | 3708,80 | |||
| na 8 jaar | 3828,24 |
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 6g
Vervallen
Hoofdstuk 2c. Arbeidsduur en werktijd
Hoofdstuk 3. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid
§ 1. Algemeen
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 4. Verplichtingen en sancties
§ 7. Suppletieregeling
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
§ 7. Suppletieregeling
§ 3a.2. Verlof
Hoofdstuk 4. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag
§ 4.1. Algemeen
§ 4.2. Disciplinaire maatregelen
§ 4.1. Algemeen
§ 4.1. Algemeen
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 5a. Overleg
Hoofdstuk 5a. Overleg
Bijlage. als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
| Salariscategorie | Salariscategorie | Salariscategorie | salaris in euro’s per maand | salaris in euro’s per maand |
|---|---|---|---|---|
| per 1 april 2009 | per 1 april 2009 | |||
| 1 | 10501,20 | 10501,20 | ||
| 2 | 9857,18 | 9857,18 | ||
| 3 | 9253,82 | 9253,82 | ||
| 4 | 8960,48 | 8960,48 | ||
| 5 | 8685,54 | 8685,54 | ||
| 6 | aanvang | 7912,43 | 7912,43 | |
| na 1 jaar | 8162,51 | 8162,51 | ||
| na 2 jaar | 8412,44 | 8412,44 | ||
| na 3 jaar | 8685,54 | 8685,54 | ||
| 7 | aanvang | 6777,39 | 6777,39 | |
| na 1 jaar | 7209,95 | 7209,95 | ||
| na 2 jaar | 7671,48 | 7671,48 | ||
| na 3 jaar | 7912,43 | 7912,43 | ||
| 8 | aanvang | 6777,39 | 6777,39 | |
| na 1 jaar | 6991,39 | 6991,39 | ||
| na 2 jaar | 7209,95 | 7209,95 | ||
| na 3 jaar | 7437,16 | 7437,16 | ||
| 9 | aanvang | 5254,53 | 5254,53 | |
| na 1 jaar | 5395,83 | 5395,83 | ||
| na 2 jaar | 5534,60 | 5534,60 | ||
| na 3 jaar | 5683,04 | 5683,04 | ||
| na 4 jaar | 5835,01 | 5835,01 | ||
| na 5 jaar | 5990,55 | 5990,55 | ||
| na 6 jaar | 6178,12 | 6178,12 | ||
| na 7 jaar | 6372,28 | 6372,28 | ||
| na 8 jaar | 6572,04 | 6572,04 | ||
| na 9 jaar | 6777,39 | 6777,39 | ||
| 10 | aanvang | 4503,78 | 4503,78 | |
| na 1 jaar | 4615,61 | 4615,61 | ||
| na 2 jaar | 4722,84 | 4722,84 | ||
| na 3 jaar | 4835,19 | 4835,19 | ||
| na 4 jaar | 4974,47 | 4974,47 | ||
| na 5 jaar | 5114,75 | 5114,75 | ||
| na 6 jaar | 5254,53 | 5254,53 | ||
| na 7 jaar | 5395,83 | 5395,83 | ||
| na 8 jaar | 5461,91 | 5461,91 | ||
| 11 | aanvang | 3947,19 | 3947,19 | |
| na 1 jaar | 4059,52 | 4059,52 | ||
| na 2 jaar | 4171,34 | 4171,34 | ||
| na 3 jaar | 4282,17 | 4282,17 | ||
| na 4 jaar | 4389,91 | 4389,91 | ||
| na 5 jaar | 4503,78 | 4503,78 | ||
| na 6 jaar | 4615,61 | 4615,61 | ||
| na 7 jaar | 4722,84 | 4722,84 | ||
| na 8 jaar | 4835,19 | 4835,19 | ||
| na 9 jaar | 4974,47 | 4974,47 | ||
| na 10 jaar | 5044,61 | 5044,61 | ||
| 12 | aanvang | 2454,83 | 2454,83 | |
| na 1 jaar | 2566,64 | 2566,64 | ||
| na 2 jaar | 2917,38 | 2917,38 | ||
| na 3 jaar | 3268,11 | 3268,11 | ||
| na 4 jaar | 3388,57 | 3388,57 | ||
| na 5 jaar | 3500,91 | 3500,91 | ||
| na 6 jaar | 3602,56 | 3602,56 | ||
| na 7 jaar | 3708,80 | 3708,80 | ||
| na 8 jaar | 3828,24 | 3828,24 |
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 33oa
Onverminderd het bepaalde in artikel 33p wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit aan de rechterlijk ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
- a. voor het zoeken van een woning in geval van herplaatsing in de zin van artikel 19, artikel 46k van de wet of artikel 36c, eerste lid, onderdeel b: ten hoogste twee dagen.
- b. bij verhuizing in geval van herplaatsing in de zin van artikel 19, artikel 46k van de wet of artikel 36c, eerste lid, onderdeel b: indien hij een eigen huishouding heeft: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen vier dagen en indien hij niet een eigen huishouding heeft: ten hoogste twee dagen.
Artikel 33ob
Onverminderd het bepaalde in artikel 33p wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit aan de rechterlijk ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
- a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
- b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: één dag;
- c. bij het overlijden van:
- 1°. de echtgenote, echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier dagen;
- 2°. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen of, indien hij is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
- d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen;
- e. na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, gedurende een tijdvak van vier weken vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont: twee dagen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het aangaan van een geregistreerd partnerschap of het met de levenspartner met wie de niet-gehuwde rechterlijk ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert, notarieel verlijden van een samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.
Buitengewoon verlof dat aan de rechterlijk ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze verleend aan de rechterlijk ambtenaar die samenwoont en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen terzake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding of aan de rechterlijk ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of geregistreerd partner.
Hoofdstuk 3b. Nevenbetrekkingen
§ 4.1. Algemeen
§ 4.2. Disciplinaire maatregelen
§ 4.2. Disciplinaire maatregelen
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele voorschriften
Hoofdstuk 5a. Overleg
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)