Wet van 19 oktober 1998, houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet)
- d. beschikt over een bijkantoor, zijnde een telecommunicatiepartij;
- e. als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk wordt voor de schulden van de onder eigen naam optredende vennootschap, of
- f. eigenaar is van een eenmanszaak.
Artikel 14a.4
Indien bestaande of aanstaande overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij door een bepaalde partij naar het oordeel van Onze Minister kan leiden tot een bedreiging van het publiek belang legt Onze Minister hem een verbod, dan wel een verbod onder opschortende voorwaarden op het houden respectievelijk verkrijgen van overwegende zeggenschap in deze telecommunicatiepartij op. Indien Onze Minister voornemens is een verbod op te leggen, vraagt hij de telecommunicatiepartij om een zienswijze over het voorgenomen besluit. Hij stelt daarbij een termijn voor het uitbrengen van de zienswijze.
Van een bedreiging van het publiek belang kan slechts sprake zijn als de overwegende zeggenschap leidt tot relevante invloed in de telecommunicatiesector als bedoeld in het derde lid, en:
- a. de verkrijger of houder een ongewenst persoon is of een staat, entiteit of persoon is waarvan bekend is of waarvoor gronden zijn te vermoeden dat deze de intentie heeft een telecommunicatiepartij te beïnvloeden om misbruik of opzettelijke uitval mogelijk te maken,
- b. de verkrijger of houder nauwe banden heeft met of onder invloed staat van een staat, entiteit of persoon als bedoeld onder a, dan wel een persoon is ten aanzien van wie er gronden zijn om dergelijke banden of invloed te vermoeden,
- c. de verkrijger of houder een zodanige staat van dienst heeft dat hierdoor het risico, dat de gevolgen genoemd in het derde lid onder a tot en met d zich zullen voordoen, aanzienlijk wordt vergroot,
- d. de identiteit van de werkelijke houder of verkrijger niet kan worden vastgesteld, of
- e. de verkrijger of houder niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar de omstandigheden onder a tot en met d.
Van relevante invloed in de telecommunicatiesector is sprake indien misbruik of opzettelijke uitval van de telecommunicatiepartij, bedoeld in het eerste lid, en eventuele andere telecommunicatiepartijen waarin de houder of verkrijger of de groep waarvan de houder of verkrijger deel uitmaakt overwegende zeggenschap houdt of verkrijgt, kan leiden tot:
- a. een onrechtmatige inbreuk op de vertrouwelijkheid van de communicatie, danwel een onderbreking van de internettoegangsdienst of telefoondienst van meer dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal eindgebruikers;
- b. een onderbreking van de beschikbaarheid of verificatie van bij algemene maatregel van bestuur genoemde diensten en toepassingen die worden geleverd via het internet voor zover die diensten een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen drempelwaarde overschrijden;
- c. een onderbreking van de beschikbaarheid, betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen product of dienst ten behoeve van een publieke taak op het gebied van nationale veiligheid, defensie, de handhaving van de rechtsorde dan wel hulpverlening;
- d. een onrechtmatige inbreuk of onderbreking als bedoeld in de onderdelen a of b met betrekking tot een combinatie van diensten en toepassingen als bedoeld in die onderdelen die tezamen een bij die algemene maatregel van bestuur gestelde drempelwaarde overschrijden;
- e. andere bij algemene maatregel van bestuur genoemde ernstige gevolgen met betrekking tot de continuïteit van dienstverlening door een telecommunicatiepartij dan wel de vertrouwelijkheid van communicatie.
De in het derde lid onder a tot en met c bedoelde gevolgen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader uitgewerkt.
Indien een verbod op het houden of verkrijgen van overwegende zeggenschap niet volgt op een melding op grond van artikel 14a.2, wordt een verbod opgelegd binnen acht maanden nadat de feiten of omstandigheden op grond waarvan Onze Minister van oordeel is dat het publiek belang bedreigd kan worden, bekend zijn geworden bij Onze Minister.
Nadat een voorgenomen verkrijging van zeggenschap is gemeld op grond van artikel 14a.2, eerste lid, en binnen de termijn bedoeld in artikel 14a.2, derde lid, geen verbod is opgelegd, dan wel door Onze Minister is medegedeeld dat geen verbod zal worden opgelegd, verbiedt Onze Minister het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indien:
- a. bij de melding, bedoeld in artikel 14a.2, eerste lid, door de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, of
- b. de feiten of omstandigheden op grond waarvan Onze Minister van oordeel is dat het publiek belang bedreigd kan worden, eerst na de beslissing om geen verbod op te leggen bekend zijn geworden bij Onze Minister.
Een verbod op grond van het eerste lid wordt meegedeeld aan de partij tot wie het verbod zich richt en aan de betrokken partij en via een door Onze Minister aangewezen internetpagina bekendgemaakt.
Artikel 14a.5
Indien zich feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan Onze Minister weet of vermoedt dat sprake is van overwegende zeggenschap waardoor het publiek belang bedreigd kan worden of indien hij weet of vermoedt dat dergelijke zeggenschap zal ontstaan:
- a. verstrekt een telecommunicatiepartij aan Onze Minister op verzoek om niet een uittreksel uit het door de rechtspersoon gehouden register met betrekking tot een recht op een aandeel;
- b. stelt een telecommunicatiepartij op verzoek van Onze Minister een onderzoek in naar de identiteit van een houder van zeggenschap en de banden die deze heeft met derden.
Op het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder b, verricht door een beursgenoteerde telecommunicatiepartij zijn de artikelen 49a, 49b, eerste en vierde lid, 49d en 49e van de Wet giraal effectenverkeer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- a. in aanvulling op artikel 49a, onderdeel d, van de Wet giraal effectenverkeer onder een uitgevende instelling tevens wordt verstaan: een beursgenoteerde telecommunicatiepartij;
- b. in aanvulling op artikel 49b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet giraal effectenverkeer een uitgevende instelling tevens een bewaarder van een beleggingsinstelling kan verzoeken informatie te verstrekken over de beheerder van een beleggingsfonds of een fonds voor collectieve beleggingen in effecten;
- c. in afwijking van artikel 49d van de Wet giraal effectenverkeer een beursgenoteerde telecommunicatiepartij de resultaten van het onderzoek meldt aan Onze Minister;
- d. artikel 49e van de Wet giraal effectenverkeer ook van toepassing is op een verzoek als bedoeld in artikel 49b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet giraal effectenverkeer.
Een aangesloten instelling, centraal instituut, intermediair, instelling in het buitenland, bewaarder van een beleggingsinstelling of buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut verleent medewerking aan een beursgenoteerde telecommunicatiepartij bij het onderzoek.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een verzoek op grond van artikel 49b, eerste lid, van de Wet giraal effectenverkeer gelezen in samenhang met het vorige lid, wordt gedaan en beantwoord.
Artikel 14a.6
Indien de identiteit van de houder of houders van een aandelenbelang niet met zekerheid is vast te stellen, wordt voor de toepassing van artikel 14a.4, eerste lid, 14a.7, eerste lid, en 14a.10, eerste lid, geacht houder en eigenaar van het aandelenbelang en de daaraan verbonden zeggenschap in een beursgenoteerde betrokken partij te zijn, de persoon die op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 14a.5, eerste lid, onder b, of op een andere wijze, als laatste is geïdentificeerd als deelgenoot in een depot. Het bepaalde in de eerste volzin betreft het volledige aandelenbelang dat de betreffende persoon houdt in de betrokken partij.
Indien het eerste lid wordt toegepast, wordt dit vermeld in het besluit op grond van artikel 14a.4, eerste lid.
Artikel 14a.7
In het geval Onze Minister een verbod op grond van artikel 14a.4 heeft opgelegd worden totdat de overwegende zeggenschap overeenkomstig artikel 14a.10 is beëindigd:
- a. door degene tot wie het verbod zich richt, de zeggenschap en de overige rechten verbonden aan het aandeelhouderschap, lidmaatschap of de deelname in een vennootschap, met uitzondering van het recht op dividend en de ontvangst van uitkeringen uit de reserves, niet uitgeoefend. Het bepaalde in de eerste volzin betreft het volledige aandeelhouderschap, lidmaatschap of deelname van de betreffende persoon in de betrokken partij;
- b. de rechten verbonden aan de eigendom van de eenmanszaak niet uitgeoefend met uitzondering van het recht op de opbrengsten van de onderneming.
Een aangesloten instelling, centraal instituut, intermediair, instelling in het buitenland, bewaarder van een beleggingsinstelling en buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut onthouden zich van gedragingen waardoor degene die in strijd met artikel 14a.4, eerste lid, overwegende zeggenschap heeft in een beursgenoteerde betrokken partij, in strijd met het bepaalde in het eerste lid kan handelen.
Artikel 14a.8
Een betrokken partij geeft gevolg aan de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid. Bij een beursgenoteerde betrokken partij zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing.
Een aangesloten instelling, centraal instituut, intermediair, instelling in het buitenland, bewaarder van een beleggingsinstelling of buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut verleent medewerking aan een beursgenoteerde betrokken partij bij het gevolg geven aan de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid.
Indien de medewerking niet wordt verleend, meldt een beursgenoteerde betrokken partij dit aan Onze Minister.
Onze Minister kan vaststellen wie als laatste de medewerking heeft verleend, en wie de niet-meewerkende persoon is die deelgenoot is in het depot van degene die als laatste in de keten medewerking heeft verleend.
Indien het vierde lid is toegepast, heeft de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid, betrekking op het gehele aandelenbelang waarvoor de niet-meewerkende persoon deelgenoot is in het depot van degene die als laatste in de keten medewerking heeft verleend.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aan de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid, gevolg wordt gegeven.
Artikel 14a.9
Indien dat naar het oordeel van Onze Minister nodig is om de effectiviteit van de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid, te verzekeren, kan Onze Minister een of meer personen aanwijzen die opdrachten kunnen verstrekken aan de betrokken partij. Onze Minister maakt een besluit tot benoeming van een aangewezen persoon bekend in de Staatscourant.
De betrokken partij, inclusief alle bestuurders, commissarissen, personen die de feitelijke leiding hebben en andere werknemers, verstrekt de aangewezen persoon alle informatie die benodigd is in verband met de doelen bedoeld in het derde lid, volgt de opdrachten verstrekt door de aangewezen persoon op en verleent de aangewezen persoon alle medewerking. Degene die op grond van de vorige volzin verplicht is tot medewerking of informatieverstrekking aan de aangewezen persoon of het opvolgen van een opdracht verstrekt door de aangewezen persoon, is niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van het nakomen van die verplichting.
De aangewezen persoon verstrekt uitsluitend opdrachten die tot doel hebben om:
- a. de medewerking van de betrokken partij aan de schorsing, bedoeld in artikel 14a.7, eerste lid, te verzekeren, of
- b. misbruik of uitval van het netwerk of de dienst van de betrokken partij te voorkomen.
Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezen persoon zijn vernietigbaar.
Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister.
Onze Minister kan de aangewezen persoon vervangen door een andere persoon.
Een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid oefent zijn bevoegdheid uit tot het moment waarop de zeggenschap overeenkomstig de last, bedoeld in artikel 14a.10, is teruggebracht of beëindigd.
Een aangewezen persoon is niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hem verstrekte opdrachten.
Onze Minister kan bepalen dat de aangewezen persoon het bestuur van de betrokken partij of leden daarvan, of de leiding van een eenmanszaak of bijkantoor vervangt. Het tweede tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast de doelen genoemd in het derde lid, ook de continuïteit van de betrokken partij en diens dienstverlening worden nagestreefd.
Artikel 14a.10
Onze Minister gelast degene aan wie een verbod op grond van artikel 14a.4 is opgelegd, binnen een door Onze Minister vast te stellen redelijke termijn de zeggenschap in de betrokken partij terug te brengen of te beëindigen zodat niet langer sprake is van overwegende zeggenschap.
Het is degene aan wie een verbod op grond van artikel 14a.4 is opgelegd verboden de zeggenschap bedoeld in dat verbod, of een deel daarvan, over te dragen aan:
- a. een ongewenst persoon,
- b. een persoon aan wie een verbod op grond van artikel 14a.4 is opgelegd,
- c. een persoon die nauwe banden heeft met of onder invloed staat van een persoon als bedoeld onder a of b.
Onze Minister doet mededeling aan de betrokken partij van een opgelegde last als bedoeld in het eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop en de periode waarbinnen een last als bedoeld in het eerste lid ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 14a.11
Indien na verloop van de termijn, bedoeld in artikel 14a.10, eerste lid, de zeggenschap niet overeenkomstig de last is teruggebracht, is Onze Minister bij uitsluiting onherroepelijk gemachtigd om namens en voor rekening van de houder van de zeggenschap diens aandelen overeenkomstig de last te vervreemden of anderszins de zeggenschap overeenkomstig de last terug te brengen. In geval van een bijkantoor of eenmanszaak kan Onze Minister bepalen dat de aangewezen persoon, bedoeld in artikel 14a.9, bij uitsluiting onherroepelijk gemachtigd en verplicht is om namens en voor rekening van de houder van de zeggenschap de zeggenschap overeenkomstig de last terug te brengen, waaronder door middel van het vervreemden van de activa en passiva van het bijkantoor.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de termijn waarbinnen aandelen vervreemd worden of anderszins de zeggenschap wordt teruggebracht overeenkomstig de last, en
- b. de wijze waarop de opbrengst daarvan wordt verstrekt aan of ten bate komt van de eigenaar van de zeggenschap of een andere rechthebbende.
Een beursgenoteerde betrokken partij, een aangesloten instelling, centraal instituut, intermediair, instelling in het buitenland of buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut verleent medewerking aan de Minister bij de tenuitvoerlegging van het eerste lid.
Artikel 14a.12
Indien voor de uitoefening van de verplichting op grond van artikel 14a.11, eerste lid, vervreemding van aandelen nodig is, is een beursgenoteerde betrokken partij onherroepelijk gemachtigd en, indien nodig voor de vervreemding van de aandelen, verplicht tot het doen van een verzoek aan het centraal instituut of een buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut tot uitlevering van het aandelenbelang waarop de last op grond van artikel 14a.10, eerste of tweede lid, betrekking heeft, uit het girodepot respectievelijk het depot van de buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut.
Het centraal instituut of de buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut levert het aandelenbelang in een beursgenoteerde betrokken partij waarop de last op grond van artikel 14a.10, eerste lid, betrekking heeft uit naar aanleiding van een verzoek tot uitlevering.
Het centraal instituut respectievelijk de buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut vermindert het door hem beheerde relevante depot met de hoeveelheid aandelen die op grond van het tweede lid is uitgeleverd. De vermindering vindt alleen plaats ten laste van de aandeelhouder die de last opgelegd heeft gekregen of de partij die direct of indirect ten bate van de aandeelhouder die de last opgelegd heeft gekregen deelgenoot is in het depot. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de intermediair, aangesloten instelling en instelling in het buitenland die direct of indirect ten bate van de aandeelhouder die de last opgelegd heeft gekregen deelgenoot is in het depot.
Een beursgenoteerde betrokken partij verwerkt de uitlevering, bedoeld in het tweede lid, door het aandelenbelang in te schrijven in het aandeelhoudersregister, bedoeld in artikel 85, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en stelt het aandelenbelang op naam van de persoon tot wie de last op grond van artikel 14a.10, eerste lid, is gericht.
De inschrijving in het aandeelhoudersregister kan worden tegengeworpen aan een ieder die na de datum van het verzoek tot uitlevering, bedoeld in het eerste lid, deelgenoot is geworden in een depot.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de machtiging tot het doen van een verzoek tot uitlevering als bedoeld in het eerste lid en de verplichtingen op grond van het tweede en derde lid.
Artikel 14a.13
Indien een aangesloten instelling, centraal instituut, intermediair, instelling in het buitenland of buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut geen uitvoering geeft of kan geven aan artikel 14a.12, tweede en derde lid, meldt een beursgenoteerde betrokken partij dit aan Onze Minister.
Onze Minister kan vaststellen wie als laatste de medewerking heeft verleend.
Een beursgenoteerde betrokken partij neemt de vaststelling in acht.
Indien het tweede lid is toegepast, wordt geacht houder en eigenaar van het te vervreemden of terug te brengen aandelenbelang te zijn, de persoon die deelgenoot is in het depot van degene die als laatste medewerking heeft verleend.
Artikel 14a.14
Overdracht van zeggenschap in strijd met een verbod op grond van artikel 14a.4, eerste lid, en 14a.10, tweede lid, is nietig, tenzij deze plaatsvindt via een effectenbeurs.
Artikel 14a.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 14a.1, 14a.4, 14a.10, 14a.11 of 14a.12 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, tenzij binnen deze termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet te regelen.
Hoofdstuk 15. Handhaving
§ 15.1. Algemeen
§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom
§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting
Hoofdstuk 16. Vergoedingen
Hoofdstuk 16. Vergoedingen
Hoofdstuk 17. Beroep
Hoofdstuk 17. Beroep
Hoofdstuk 17. Beroep
Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
- b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
- c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.
In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:
- A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
- a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
- b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
- c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
- d. de gebruikte telefoondienst;
- e. bij mobiele telefonie:
- –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
- –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
- –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
- –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
- –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
- B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
- a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
- b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
- c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
- d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
- e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
- f. de gebruikte internetdienst;
- g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
- h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7.2b
In dit artikel wordt onder overeenkomst op afstand verstaan: overeenkomst die tussen een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst en een eindgebruiker wordt gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van aanbieder en eindgebruiker en waarbij, tot en met het moment van het sluiten van de overeenkomst, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand.
De aanbieder deelt bij het gebruik van de telefoon met als doel het sluiten van een overeenkomst op afstand met een eindgebruiker aan het begin van het gesprek zijn identiteit en, voor zover van toepassing, de identiteit van de persoon namens wie hij opbelt, alsmede het commerciële doel van het gesprek mede. Een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2a, die het gevolg is van dit gesprek, wordt schriftelijk aangegaan.
Artikel 7.2c
Dit artikel is van toepassing op het overstappen van internettoegangsdienst.
De ontvangende en overdragende aanbieder:
- a. verstrekken de abonnee vóór en tijdens het overstapproces toereikende informatie over het overstapproces;
- b. waarborgen de continuïteit van de levering van de dienst, tenzij dit technisch niet haalbaar is, met dien verstande dat de levering niet langer dan één werkdag wordt onderbroken;
- c. werken te goeder trouw samen ten behoeve van het overstappen;
- d. veroorzaken geen vertraging of misbruik van het overstapproces, en
- e. zorgen ervoor dat het overstappen niet plaatsvindt zonder uitdrukkelijke toestemming van de abonnee.
De ontvangende aanbieder:
- a. biedt de abonnee in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen aan om namens hem diens overeenkomst met de overdragende aanbieder op te zeggen met ingang van de datum die de abonnee met de ontvangende aanbieder is overeengekomen,
- b. zegt de overeenkomst op als bedoeld in onderdeel a, indien de abonnee van het aanbod gebruikmaakt, en
- c. activeert de levering zo snel mogelijk, op de datum en binnen het tijdsbestek die uitdrukkelijk met de abonnee zijn overeengekomen.
De overdragende aanbieder:
- a. blijft zijn dienst onder dezelfde voorwaarden leveren tot de ontvangende aanbieder de levering activeert;
- b. zorgt ervoor dat zijn overeenkomst met de abonnee automatisch wordt opgezegd wanneer het overstapproces is afgerond, en
- c. betaalt eventueel resterende tegoeden voor vooruitbetaalde diensten terug aan een consument die daar om verzoekt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 106, zesde lid, laatste twee volzinnen, van richtlijn (EU) 2018/1972.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op alle afzonderlijke elementen van een bundel ten aanzien van consumenten, en ten aanzien van micro-ondernemingen, kleine ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk, tenzij een dergelijke onderneming of organisatie er expliciet mee heeft ingestemd dat deze leden niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de compensatie van de abonnee voor gevallen waarin niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.
§ 8.4. Aanwijzingsbevoegdheden
§ 11.2. Nummeridentificatie
§ 10.2. Bepalingen van nationale oorsprong
§ 12.2. Geschilbeslechting door de Autoriteit Consument en Markt
§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen
§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of ondernemingen
Hoofdstuk 14a. Ongewenste zeggenschap in telecommunicatiepartijen
Hoofdstuk 15. Handhaving
§ 12.3. Geschilbeslechting door minister
§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom
§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting
Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen
Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
- b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
- c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.
In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:
- A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
- a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
- b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
- c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
- d. de gebruikte telefoondienst;
- e. bij mobiele telefonie:
- –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
- –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
- –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
- –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
- –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
- B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
- a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
- b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
- c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
- d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
- e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
- f. de gebruikte internetdienst;
- g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
- h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.4
Een bestuursorgaan dat het aangaat van een gemeente, provincie, waterschap of de Staat draagt er zorg voor dat de uitoefening van zijn regelgevende bevoegdheden op grond van deze wet bijdraagt aan het verwezenlijken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede alinea, en tweede en vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/1972.
Een bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden zo veel mogelijk rekening met aanbevelingen van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/1972, en met door BEREC gegeven adviezen en gemeenschappelijke standpunten, voor zover die aanbevelingen, adviezen en standpunten betrekking hebben op de bij of krachtens deze wet aan het bestuursorgaan opgedragen taken of verleende bevoegdheden.
Indien een bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid geen toepassing geeft aan een aanbeveling van de Europese Commissie als bedoeld in het tweede lid, informeert het bestuursorgaan, onder vermelding van de redenen, de Europese Commissie.
Hoofdstuk 2. Mededeling en registratie
§ 2.1. Aanleg of aanbieden openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten
§ 2.2. Het verlenen van vertrouwensdiensten
Hoofdstuk 3. Frequenties
§ 3.4. Gebruik van frequentieruimte zonder vergunning
§ 3.5. Overige vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte
§ 3.6. Algemene bepalingen inzake vergunningen
Artikel 3.20a
De houder van een vergunning die is verleend met toepassing van een van de procedures, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, kan die vergunning met toestemming van Onze Minister geheel of gedeeltelijk verhuren aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, tenzij het een vergunning betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van vergunningen die om niet zijn verleend of voor omroep en waarvan bij die maatregel is bepaald dat gehele of gedeeltelijke verhuur niet mogelijk is.
Onze Minister kan weigeren de door de vergunninghouder gevraagde toestemming te verlenen met overeenkomstige toepassing van de gronden voor weigering van een vergunning, vermeld in artikel 3.18, eerste lid, onder a, b, e en f, en tweede lid.
Een verleende toestemming als bedoeld in het eerste lid kan door Onze Minister worden ingetrokken met overeenkomstige toepassing van de gronden, vermeld in artikel 3.19.
Indien naar het oordeel van Onze Minister de verhuur van een vergunning onderscheidenlijk het voortduren van de verhuur van een vergunning de daadwerkelijke mededinging op de markt in aanzienlijke mate zou kunnen beperken, stelt Onze Minister de Autoriteit Consument en Markt in de gelegenheid hierover advies uit te brengen alvorens een besluit te nemen over de verlening of intrekking van de toestemming voor de verhuur, bedoeld in het eerste respectievelijk het derde lid.
Onze Minister kan bij het toestemmingsbesluit de voorschriften en beperkingen verbonden aan de vergunning wijzigen in verband met de verhuur.
De vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, is aansprakelijk voor de naleving door de huurder van de bij of krachtens deze wet gestelde regels met betrekking tot het frequentiegebruik door de vergunninghouder en van de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen en wordt in voorkomend geval aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
In afwijking van het eerste lid is toestemming niet vereist in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de gevallen waarin toestemming als bedoeld in het eerste lid niet is vereist.
Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van een besluit inzake de toestemming, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk het derde lid.
§ 3.7. Bijzonder gebruik van frequentieruimte
§ 3.8. Antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes
Hoofdstuk 4. Nummerbeleid en nummerbeheer
Artikel 4.12
Indien een nummer uit een nummerplan als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, extraterritoriaal wordt gebruikt in een andere lidstaat van de Europese Unie, geschiedt dat overeenkomstig de regels inzake consumentenbescherming en het gebruik van nummervoorraden van de desbetreffende lidstaat van de Europese Unie.
Hoofdstuk 5. Aanleg, instandhouding en opruiming van kabels
§ 5.1.1. Algemene bepalingen
§ 5.1.3. Ernstige belemmeringen en storingen
Artikel 5b.1
Met het oog op de bescherming van het milieu, de volksgezondheid of de openbare veiligheid of vanwege stedenbouwkundige of planologische doelstellingen kan het bestuursorgaan dat het aangaat van een gemeente, provincie, waterschap of de Staat in specifieke gebieden aan aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of bijbehorende faciliteiten colocatie of gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten en gedeeld gebruik van eigendom opleggen, indien de aanleg van die netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten of eigendom is geschied onder toepassing van de gedoogplicht, bedoeld in hoofdstuk 5, het medegebruik van fysieke infrastructuur, bedoeld in hoofdstuk 5a, of het medegebruik van publieke infrastructuur, bedoeld in hoofdstuk 5c.
Artikel 5b.2
Op de voorbereiding van een besluit tot colocatie of gedeeld gebruik als bedoeld in artikel 5b.1 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 5b.3
Bij ministeriële regeling kunnen, gehoord de Autoriteit Consument en Markt, regels worden gesteld over de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom en van de coördinatie van civieltechnische werken.
Artikel 5c.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder publieke infrastructuur:
- a. onder zeggenschap van een publiekrechtelijke rechtspersoon staand openbaar gebouw;
- b. onder zeggenschap van een publiekrechtelijke rechtspersoon staande fysieke infrastructuur;
- c. onder zeggenschap van een publiekrechtelijke rechtspersoon staande installatie die onderdeel is van het straatmeubilair.
Artikel 5c.2
Een publiekrechtelijke rechtspersoon stemt in met redelijke verzoeken van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten en van aanbieders van bijbehorende faciliteiten om medegebruik van onder haar zeggenschap staande publieke infrastructuur ten dienste van de aanleg en exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik.
Een publiekrechtelijke rechtspersoon kan voor het medegebruik van onder haar zeggenschap staande publieke infrastructuur een marktconforme vergoeding vragen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de fysieke en technische kenmerken van draadloze toegangspunten met klein bereik, bedoeld in het eerste lid, of over de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5c.3
Medegebruik als bedoeld in artikel 5c.2 vindt plaats onder billijke, redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden en kan uitsluitend worden geweigerd op objectieve, transparante en evenredige gronden.
Onder een grond als bedoeld in het eerste lid kan in ieder geval worden verstaan:
- a. de publieke infrastructuur is technisch niet geschikt voor toegangspunten met klein bereik;
- b. de publieke infrastructuur is niet noodzakelijk voor de verbinding van toegangspunten met klein bereik met een backbonenetwerk;
- c. redenen van veiligheid;
- d. redenen van integriteit en veiligheid van alle reeds aangelegde netwerken of van kritieke nationale infrastructuur;
- e. een risico van ernstige verstoring van de geplande elektronische communicatiediensten wanneer andere diensten via dezelfde infrastructuur worden verstrekt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, openbaar worden gemaakt.
Artikel 5c.4
Op de afhandeling van een verzoek tot medegebruik zijn de artikelen 5a.2, 5a.6, 5a.7, 5a.8, 5a.9, 5a.12 en 5a.14, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Een publiekrechtelijke rechtspersoon kan voor de afhandeling van een verzoek tot medegebruik een vergoeding vragen. Deze vergoeding bedraagt niet meer dan de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het medegebruik.
Artikel 5c.5
Indien in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de richtlijn (EU) 2018/1972 nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. Hierbij kunnen aan de Autoriteit Consument en Markt taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend.
Hoofdstuk 6. Interoperabiliteit, interconnectie en toegang
Artikel 6.3a
Met het oog op de doelstellingen, bedoeld in artikel 1.3, kan Onze Minister aan een aanbieder van een elektronische communicatienetwerk of bijbehorende faciliteiten een verplichting opleggen om ten behoeve van de lokale verlening van elektronische communicatiediensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, door een aanbieder van elektronische communicatienetwerken of -diensten, die aanbieder voor de desbetreffende locaties:
- a. medegebruik te laten maken van fysieke infrastructuur,
- b. toegang te verlenen tot niet actieve netwerkelementen,
- c. toegang te verlenen tot actieve netwerkelementen, of
- d. een overeenkomst inzake roaming te sluiten.
Onze Minister kan een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, alleen opleggen indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor de lokale verlening van elektronische communicatiediensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, omdat er:
- a. onoverkomelijke economische of fysieke belemmeringen zijn voor de door de verplichting begunstigde aanbieder om daar ten behoeve van de lokale dienstverlening op economisch haalbare wijze infrastructuur voor het aanbieden van netwerken of diensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, aan te leggen, en
- b. niet aan aanbieders op een andere, gelijkwaardige wijze en onder billijke voorwaarden daar ten behoeve van de lokale dienstverlening toegang tot de eindgebruikers wordt geboden.
Onze Minister kan een verplichting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, alleen opleggen indien de lokale verlening van elektronische communicatiediensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, met de oplegging van verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a of b, naar zijn oordeel onvoldoende kan worden gewaarborgd.
Onze Minister kan bij oplegging van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, met het oog op een doelmatig gebruik van frequentieruimte een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte verlenen of wijzigen voor het bewerkstelligen van gedeeld gebruik van frequentieruimte waarvoor de begunstigde aanbieder een vergunning heeft. De artikelen 3.10, eerste lid, en 3.13, tweede lid, zijn niet van toepassing op de verlening van de in de vorige volzin bedoelde vergunning.
Alvorens een verplichting op te leggen als bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister de Autoriteit Consument en Markt in de gelegenheid hem advies uit te brengen hierover en in het bijzonder over de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, en over de mate waarin de markten voor infrastructuur en voor diensten concurrerend zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de toepassing van dit artikel.
Artikel 6a.2a
Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 6a.2 heeft vastgesteld dat een onderneming beschikt over aanmerkelijke marktmacht op een relevante markt onderscheidenlijk een transnationale markt, kan de Autoriteit Consument en Markt deze onderneming ook aanwijzen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt als de koppeling tussen beide markten zodanig is dat de marktmacht op de relevante markt onderscheidenlijk transnationale markt zo gebruikt kan worden op de nauw verwante markt dat de marktmacht van die onderneming op de nauw verwante markt wordt vergroot.
De Autoriteit Consument en Markt legt een onderneming als bedoeld in het eerste lid, voor zover passend, verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.7 tot en met 6a.10 op.
De artikelen 6a.2. eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, 6a.3, 6a.4 en 6a.5 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6a.4c
De Autoriteit Consument en Markt legt aan een onderneming waarvan zij heeft vastgesteld dat die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht op een groothandelsmarkt en niet actief is op een eindgebruikersmarkt voor elektronische communicatiediensten, in afwijking van artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, voor zover passend, slechts verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6, 6a.8 of verplichtingen met betrekking tot eerlijke en redelijke prijzen op, indien die onderneming voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a. de bedrijven en bedrijfsonderdelen binnen de onderneming, de bedrijven waarover dezelfde eigenaar zeggenschap heeft en aandeelhouders die zeggenschap kunnen uitoefenen over de onderneming ontplooien slechts activiteiten op een groothandelsmarkt voor elektronische communicatiediensten en beogen dat ook in de toekomst te doen; en
- b. de onderneming is geen exclusieve overeenkomst of overeenkomst die daar feitelijk op neerkomt aangegaan met een onderneming die elektronische communicatiediensten aanbiedt aan eindgebruikers.
Een onderneming als bedoeld in het eerste lid informeert de Autoriteit Consument en Markt zo spoedig mogelijk over wijzigingen die van invloed zijn op het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid kan de Autoriteit Consument en Markt verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6a, 6a.7, 6a.9 of 6a.10 opleggen, als uit een marktanalyse blijkt dat door de voorwaarden waaronder de onderneming toegang verleent concurrentieproblemen ontstaan of dreigen te ontstaan, waardoor eindgebruikers worden benadeeld.
Artikel 6a.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6a.4d
Een onderneming waarvan de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 6a.2, eerste lid, heeft vastgesteld dat die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht informeert de Autoriteit Consument tijdig voordat zij delen van het netwerk waarop verplichtingen op grond van de artikelen 6a.4a, 6a.4b, 6a.4c, 6a.4e, 6a.4f of 6a.6 tot en met 6a.11 rusten buiten bedrijf stelt of vervangt door nieuwe infrastructuur.
De onderneming, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in ieder geval informatie over de planning, waaronder de te hanteren overgangstermijn, en voorwaarden voor de overgang.
De Autoriteit Consument en Markt kan verplichtingen als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk intrekken ten aanzien van netwerkelementen die buiten bedrijf worden gesteld of worden vervangen teneinde de concurrentie en de rechten van de eindgebruikers zeker te stellen, indien uit een marktanalyse blijkt dat de onderneming, bedoeld in het eerste lid:
- a. passende voorwaarden voor migratie tot stand heeft gebracht, onder meer door een alternatief toegangsproduct van ten minste vergelijkbare kwaliteit ter beschikking te stellen waarmee toegang vragende partijen dezelfde eindgebruikers kunnen bereiken als met de oorspronkelijke infrastructuur; en
- b. voldoet aan de planning en voorwaarden, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6a.4e
Een onderneming waarvan de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 6a.2, eerste lid, heeft vastgesteld dat die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht kan aan de Autoriteit Consument en Markt verzoeken afspraken bindend te verklaren in verband met de voor hun netwerken geldende voorwaarden voor toegang of mede-investeringen, met betrekking tot:
- a. commerciële overeenkomsten die de concurrentiedynamiek beïnvloeden;
- b. mede-investeringen in netwerken met zeer hoge capaciteit die voldoen aan artikel 76, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/1972;
- c. doeltreffende en niet-discriminerende toegang voor derde partijen als bedoeld in artikel 6a.4b, eerste lid, zowel tijdens de voorbereiding van de overdracht van activiteiten die verband houden met het aanbieden van toegang op groothandelsniveau of plaatsing in een zelfstandig opererende bedrijfseenheid als wanneer die overdracht of plaatsing is afgerond.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, zijn voldoende gedetailleerd en bevatten in ieder geval gegevens over het moment waarop de afspraken ingaan, de reikwijdte en de duur van de afspraken.
De Autoriteit Consument en Markt kan besluiten om afspraken als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, geheel of gedeeltelijk bindend te verklaren, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met:
- a. bewijsmateriaal inzake de billijke en redelijke aard van de aangeboden afspraken;
- b. het openstaan van de afspraken voor alle marktdeelnemers;
- c. de tijdige beschikbaarheid van toegang onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, zodat ondernemingen die toegang afnemen vanaf hetzelfde moment elektronische communicatiediensten kunnen aanbieden als de onderneming waarvan de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig artikel 6a.2, eerste lid, heeft vastgesteld dat die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht; en
- d. de mate waarin de aangeboden afspraken met het oog op de belangen van eindgebruikers duurzame mededinging op markten voor elektronische communicatiediensten mogelijk maken en de uitrol en ingebruikneming van netwerken met zeer hoge capaciteit in samenwerkingsverband faciliteren.
De Autoriteit Consument besluit de afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bindend te verklaren, indien is voldaan aan de in dat onderdeel bedoelde voorwaarden.
Indien de Autoriteit Consument en Markt oordeelt dat de aangeboden afspraken niet voldoen aan de desbetreffende voorwaarden, stelt zij de onderneming in de gelegenheid om de aangeboden afspraken te herzien.
De Autoriteit Consument en Markt bepaalt gedurende welke periode de afspraken bindend worden verklaard, waarbij de periode voor mede-investeringsafspraken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten minste 7 jaar is, en kan deze periode telkens verlengen.
De onderneming gedraagt zich overeenkomstig het besluit, bedoeld in het derde of vierde lid.
De Autoriteit Consument en Markt kan een onderneming ten aanzien waarvan afspraken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bindend zijn verklaard verplichten jaarlijkse nalevingsverklaringen in te dienen.
De Autoriteit Consument en Markt kan een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid of een besluit tot verlenging als bedoeld in het zesde lid intrekken, indien:
- a. er een wezenlijke verandering is opgetreden in de feiten waarop het besluit berust;
- b. het besluit berust op door de onderneming verstrekte onvolledige, onjuiste of misleidende gegevens;
- c. de onderneming de bindend verklaarde afspraken niet naleeft.
Artikel 6a.4f
Indien de Autoriteit Consument en Markt afspraken als bedoeld in artikel 6a.4e bindend verklaart, onderzoekt de Autoriteit Consument en Markt of het passend is krachtens artikel 6a.2 verplichtingen op te leggen, in stand te houden of in te trekken.
In afwijking van het eerste lid legt de Autoriteit Consument en Markt met betrekking tot de onder de afspraken vallende elementen van een netwerk met zeer hoge capaciteit geen verplichtingen op en trekt zij eerder opgelegde verplichtingen in, indien zij afspraken als bedoeld in artikel 6a.4e, eerste lid, onderdeel b, bindend heeft verklaard en met de onderneming een overeenkomst tot mede-investering als bedoeld in dat onderdeel is gesloten.
In afwijking van het tweede lid kan de Autoriteit Consument en Markt verplichtingen als bedoeld in artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, opleggen of in stand houden om mededingingsproblemen op de betreffende markten aan te pakken.
Artikel 6a.6a
De Autoriteit Consument en Markt kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting opleggen om te voldoen aan redelijke verzoeken tot toegang tot en gebruik van civieltechnische voorzieningen, indien zij op basis van een marktanalyse concludeert dat het weigeren van toegang of het verlenen van toegang onder onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte eindgebruikersmarkt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.
Civieltechnische voorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn in elk geval gebouwen of toegang tot gebouwen, kabels in gebouwen inclusief bedrading, antennes, torens of andere ondersteuningsgebouwen, palen, masten, kabelgaten, leidingen, inspectieputten, mangaten en straatkasten.
Het eerste lid is van toepassing ongeacht of de netwerkelementen die door de verplichtingen worden beïnvloed deel uitmaken van de relevante markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste lid.
Hoofdstuk 7. Eindgebruikersbelangen
Artikel 7.1aa
Een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een openbare elektronische communicatiedienst stelt geen verschillende eisen of algemene voorwaarden voor toegang tot of gebruik van netwerken of diensten aan eindgebruikers om redenen die verband houden met de nationaliteit, de verblijfplaats of plaats van vestiging van de eindgebruikers, tenzij die verschillende behandeling objectief gerechtvaardigd is.
Artikel 7.2ab
De overeenkomst tussen een aanbieder en een eindgebruiker met betrekking tot de levering van een elektronische communicatiedienst, niet zijnde een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst of een transmissiedienst voor het verlenen van intermachinale diensten, die is aangegaan voor een bepaalde duur, kan na verloop van die duur stilzwijgend worden verlengd of vernieuwd, mits de eindgebruiker de overeenkomst hierna te allen tijde kosteloos kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten hoogste een maand.
Ten minste een maand voordat de initiële contractduur afloopt informeert de aanbieder de eindgebruiker op genoegzame wijze en op een duurzame drager over het einde van de initiële contractduur van de overeenkomst en over de mogelijkheid om de overeenkomst kosteloos te beëindigen en geeft hem advies over de voordeligste tarieven met betrekking tot zijn diensten.
De aanbieder geeft de eindgebruiker ten minste een keer per jaar informatie over de voordeligste tarieven.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op aanbieders van programmadiensten. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van programmadiensten worden aangewezen met betrekking waartoe voor de desbetreffende aanbieder de in de vorige volzin bedoelde verplichtingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
Artikel 7.2ac
Een consument kan een overeenkomst die betrekking heeft op een elektronische communicatiedienst, niet zijnde een internettoegangsdienst of een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, kosteloos opzeggen indien sprake is van een significante voortdurende of regelmatig voorkomende discrepantie tussen de werkelijke prestaties van die dienst en de in de overeenkomst vermelde prestaties van die dienst.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanbieders van programmadiensten. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van programmadiensten worden aangewezen met betrekking waartoe voor de desbetreffende aanbieder de in de vorige volzin bedoelde verplichting geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.
Artikel 7.2ad
Indien sprake is van een opzegging van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2, 7.2a, 7.2ab onderscheidenlijk 7.2ac is de eindgebruiker enkel een vergoeding verschuldigd ingeval de overeenkomst ook betrekking heeft op eindapparatuur en hij die eindapparatuur in bezit houdt.
De aanbieder heft eventuele voorwaarden voor het gebruik van die eindapparatuur op andere netwerken kosteloos op, uiterlijk op het tijdstip van betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van een overeenkomst met betrekking tot een transmissiedienst voor het verlenen van intermachinale diensten tussen een aanbieder en een eindgebruiker, niet zijnde een consument, micro-onderneming, kleine onderneming of organisatie zonder winstoogmerk.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.2ae
Indien sprake is van een opzegging van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2, 7.2a, 7.2ab onderscheidenlijk 7.2ac biedt de aanbieder de eindgebruiker de mogelijkheid tot het kosteloos en op eenvoudige wijze retourneren van de bij die overeenkomst geleverde eindapparatuur ten behoeve van het afnemen van een op digitale wijze aangeboden programmadienst.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanbieder aantoont dat de eindapparatuur volledig interoperabel is met de op digitale wijze aangeboden programmadiensten van andere aanbieders, waaronder die van de aanbieder naar wie de eindgebruiker is overgestapt.
Eindapparatuur die voldoet aan de geharmoniseerde normen waarvan de kenmerken zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, of aan delen van die normen, voldoet aan de eis van interoperabiliteit, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van de daarop betrekking hebbende normen of delen daarvan.
Artikel 7.3aa
Indien een aan een consument aangeboden bundel van diensten of bundel van diensten en eindapparatuur ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst omvat, zijn de artikelen 7.1, tweede, derde en zevende lid, 7.2, 7.2a, 7.2ab, 7.2ac, 7.2ad en 7.3, vierde lid, van toepassing op alle elementen van die bundel.
Indien de consument ten aanzien van een van de onderdelen van de bundel de overeenkomst opzegt onder toepassing van artikel 7.2ac, kan hij de overeenkomst ook ten aanzien van een of meer van de overige onderdelen van de bundel per dezelfde datum kosteloos opzeggen.
Indien de aanbieder en de consument een aanvullende overeenkomst aangaan ten aanzien van aanvullende diensten of eindapparatuur, leidt dit niet tot verlenging van de oorspronkelijke geldigheidsduur van de overeenkomst waaraan die diensten of eindapparatuur worden toegevoegd, tenzij de consument uitdrukkelijk iets anders overeenkomt bij het aangaan van de aanvullende overeenkomst.
Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van eindgebruikers die micro-ondernemingen, kleine ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk zijn, tenzij zij er expliciet mee hebben ingestemd dat die leden niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.
Artikel 7.3ab
Aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronische communicatiediensten bieden eindgebruikers met een handicap:
- a. toegang tot elektronische communicatiediensten, met inbegrip van de op grond van artikel 7.1, eerste, tweede en vijfde lid, verstrekte bijbehorende contractuele gegevens, die gelijkwaardig is aan die van de meerderheid van de eindgebruikers, en
- b. dezelfde keuzemogelijkheden tussen ondernemingen en diensten als de meerderheid van de eindgebruikers.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toegang en de keuzemogelijkheden, bedoeld in het eerste lid, en de daarbij te hanteren normen en specificaties, die op grond van artikel 18.21, derde lid, zijn vastgesteld.
Artikel 7.3ac
Een micro-onderneming als bedoeld in het eerste lid informeert een eindgebruiker over die uitzondering voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst met die micro-onderneming.
Artikel 9.7
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)