Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 23 november 2000, houdende vaststelling van de regeling inzake de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren)
18 versions
· 2017-01-01
2017-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2016-12-31
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2015-07-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2015-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2014-02-21
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2011-02-11
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2010-07-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
Wijzigingen op 2010-07-01
@@ -28,9 +28,9 @@
- 4°. de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045).
- c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01);
- d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=3&z=2006-01-01&g=2007-05-01);
- c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- e. bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende uitkering;
@@ -52,7 +52,7 @@
- k. suppletie: een suppletie krachtens de suppletieregeling, bedoeld in [artikel 33 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=33).
2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een inhouding wordt toegepast op grond van [artikel 38a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38a) of de [artikelen 38d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38d) en [38e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38e), wordt voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.
2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een korting wordt toegepast op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6), [8d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8d) of [8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8e), wordt voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde korting.
##### Artikel 2. Berekeningswijze duur van de bovenwettelijke uitkering
@@ -80,17 +80,17 @@
##### Artikel 4. Hoogte van de aanvullende uitkering
1. Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01), ten minste gelijk is aan de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) of [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g), wordt de uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) gedurende de eerste 12 maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en gedurende de daaropvolgende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon aangevuld.
2. Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01), korter is dan de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) of [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g), wordt de uitkering krachtens de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g) gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
1. Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), ten minste gelijk is aan de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) of [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g), wordt de uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) gedurende de eerste 12 maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en gedurende de daaropvolgende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon aangevuld.
2. Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), korter is dan de duur van de uitkering, berekend op basis van [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) of [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g), wordt de uitkering krachtens de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [52g van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=52g) gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn genoten.
##### Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt de uitkering krachtens de Ziektewet zolang een uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten, aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2006-01-01&g=2007-05-01), met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een aanvullende uitkering heeft gehad.
2. Indien het recht op uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) na afloop van de periode, waarin de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in [artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=43) is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2006-01-01&g=2007-05-01).
1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt de uitkering krachtens de Ziektewet zolang een uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten, aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een aanvullende uitkering heeft gehad.
2. Indien het recht op uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) na afloop van de periode, waarin de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in [artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=43) is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.
@@ -108,7 +108,7 @@
##### Artikel 8. Recht op aansluitende uitkering
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01), langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), heeft de betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak geven op een uitkering krachtens dit besluit.
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), heeft de betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak geven op een uitkering krachtens dit besluit.
2. Op de aansluitende uitkering zijn [afdeling I van hoofdstuk IIA](onbekend) en de [artikelen 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=75), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76) en [78 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=78) van overeenkomstige toepassing.
@@ -126,11 +126,11 @@
##### Artikel 9. Duur van de aansluitende uitkering
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01), verminderd met de ter zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045).
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), verminderd met de ter zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045).
##### Artikel 10. Hoogte van de aansluitende uitkering
1. De aansluitende uitkering bedraagt voor de betrokkene gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75%, en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01), is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon.
1. De aansluitende uitkering bedraagt voor de betrokkene gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75%, en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin betrokkene eerst recht heeft gehad op een aanvullende uitkering.
@@ -158,7 +158,7 @@
1. De betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% waardoor recht ontstaat op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). Indien de uitkering krachtens de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), bedoeld in de eerste volzin, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
2. Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01) wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
2. Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
3. De hoogte van de bovenwettelijke uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
@@ -194,15 +194,15 @@
##### Artikel 18. Afwijkende percentages
In afwijking van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2006-01-01&g=2007-05-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2006-01-01&g=2007-05-01) bedraagt het percentage 77% in plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de [Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003739) (Stb. 657) op de betrokkene van toepassing is.
In afwijking van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedraagt het percentage 77% in plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de [Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003739) (Stb. 657) op de betrokkene van toepassing is.
##### Artikel 19. Neerwaartse wijzigingen
1. Indien het niveau van de uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien na overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht, genoemd in [artikel 50, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=50) anders wordt overeengekomen, binnen zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene, vanaf de datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
2. Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in [artikel 53 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=53).
3. Indien de Advies- of Arbitragecommissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
2. Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de commissie, bedoeld in [artikel 51, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=51).
3. Indien de in het tweede lid bedoelde commissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
##### Artikel 20. Indexering
@@ -216,7 +216,7 @@
1. Ontslaguitkeringen die aan de betrokkene zijn toegekend krachtens [artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=39) zoals dat luidde vóór het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in [artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=53), blijven gehandhaafd voor de duur van de uitkering.
2. De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de bepalingen van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&z=2006-01-01&g=2007-05-01).
2. De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de bepalingen van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
##### Artikel 23
@@ -232,7 +232,7 @@
1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie onderscheidenlijk het opnemen van een pleegkind in het genot komt van een uitkering krachtens de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008), wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg gedurende de periode waarin de betrokkene in het genot hiervan is, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon.
2. Indien het recht op uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) na afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een uitkering krachtens de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2006-01-01&g=2007-05-01).
2. Indien het recht op uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) na afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een uitkering krachtens de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.
2007-05-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2007-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2006-10-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2006-07-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2006-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2005-12-29
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2005-01-12
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2005-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2003-11-19
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2003-10-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke a
2002-01-01
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijk
original version
Tekst op deze datum