Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 15 april 2002 tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap)

11 versions · 2017-03-01
2017-03-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
2015-01-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 60
2014-01-06
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 60
2012-03-28
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 59, 60
2010-10-10
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 31, 59, 60
2010-10-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
2009-03-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 6, 9 y 16 má
2007-04-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 5, 6, 9 y 16 má
2006-10-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Wijzigingen op 2006-10-01

@@ -38,7 +38,7 @@
##### Artikel 2
Tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken zijn bevoegd
Tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken en tot het uitreiken van uittreksels van naturalisatiebesluiten zijn bevoegd
- a. in Nederland: de burgemeesters;
@@ -64,7 +64,7 @@
##### Artikel 5
De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2003-04-01&g=2003-04-01) genoemde autoriteiten verstrekken op de bij ministeriële regeling te bepalen wijze en tijdstippen inlichtingen omtrent de behandeling van de optieverklaringen die voor hen zijn afgelegd.
De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01) genoemde autoriteiten verstrekken op de bij ministeriële regeling te bepalen wijze en tijdstippen inlichtingen omtrent de behandeling van de optieverklaringen die voor hen zijn afgelegd.
### Hoofdstuk II. – Administratieve behandeling van optieverklaringen
@@ -100,7 +100,7 @@
2. In de optieverklaring vermeldt de optant de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken. Hij verstrekt over hen, voorzoveel mogelijk, de gegevens bedoeld in het eerste lid.
3. Betrekt de optant in zijn optieverklaring mede een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind op de wijze bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) verklaart in te stemmen met de optie.
3. Betrekt de optant in zijn optieverklaring mede een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind op de wijze bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01) verklaart in te stemmen met de optie.
4. De optant legt een schriftelijke en ondertekende verklaring over dat de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen. Behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, verklaart hij op dezelfde wijze dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen.
@@ -136,7 +136,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=7&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=7&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -154,9 +154,13 @@
##### Artikel 11
1. Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat is voldaan aan de aan de optie gestelde voorwaarden, bevestigt hij de optant schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap onder vermelding van de naam, woonplaats en geboortedatum van de personen die in de verkrijging delen. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
1. Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt alsook betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
##### Artikel 12
@@ -194,7 +198,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=13&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=13&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -212,13 +216,17 @@
##### Artikel 17
1. Nadat de gezaghebber heeft vastgesteld dat voldaan is aan de aan de optie gestelde voorwaarden, bevestigt hij de optant schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap onder vermelding van de naam, geboortedatum en woonplaats van de personen die in de verkrijging delen. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert.
2. Bij ministeriële regeling kunnen, de gezaghebber gehoord en indien het hem betreft na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant bekendgemaakt wordt, alsook betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
1. Nadat de gezaghebber heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, de gezaghebber gehoord en indien het hem betreft na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
##### Artikel 18
1. De gezaghebber zendt de optieverklaring, de afgelegde waarheidsverklaringen, bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=6&z=2003-04-01&g=2003-04-01), de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen.
1. De gezaghebber zendt de optieverklaring, de afgelegde waarheidsverklaringen, bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=6&z=2006-10-01&g=2006-10-01), de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen.
2. Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende documenten alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
@@ -252,7 +260,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=4&artikel=19&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=4&artikel=19&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -270,13 +278,17 @@
##### Artikel 23
1. Nadat de Gouverneur heeft vastgesteld dat voldaan is aan de aan de optie gestelde vereisten, bevestigt hij de optant schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap onder vermelding van de naam, geboortedatum en woonplaats van de personen die in de verkrijging delen. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert.
2. Bij ministeriële regeling kunnen, de Gouverneur gehoord en indienhet hem betreft na overleg met de Minister van Algemene Zaken van Aruba, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de optant en de personen die in de verkrijging delen.
1. Nadat de Gouverneur heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, de Gouverneur gehoord en indien het hem betreft na overleg met de Minister van Justitie van Aruba, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
##### Artikel 24
1. De Gouverneur zendt de optieverklaring, de waarheidsverklaringen, bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=6&z=2003-04-01&g=2003-04-01), de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba.
1. De Gouverneur zendt de optieverklaring, de waarheidsverklaringen, bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=6&z=2006-10-01&g=2006-10-01), de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba.
2. Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende documenten alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
@@ -322,9 +334,13 @@
##### Artikel 29
1. Nadat het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft vastgesteld dat voldaan is aan de aan de optie gestelde vereisten, bevestigt hij de optant schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap onder vermelding van de naam, geboortedatum en woonplaats van de personen die in de verkrijging zullen delen. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert.
2. Bij ministeriële regeling kunnen, na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt.
1. Nadat het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden, na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken, regels gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, en kunnen regels gesteld worden betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
4. Indien de bekendmaking van de bevestiging door uitreiking geschiedt, is daarop [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01), met uitzondering van het gestelde in [artikel 60a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&artikel=60a&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van toepassing.
##### Artikel 30
@@ -366,7 +382,7 @@
2. In zijn verzoek vermeldt de verzoeker de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn naturalisatie wenst te betrekken. Hij verstrekt over hen, voorzoveel mogelijk, de gegevens genoemd in het eerste lid.
3. Betrekt de verzoeker in zijn verzoek mede een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind op de wijze bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) verklaart in te stemmen met de naturalisatie.
3. Betrekt de verzoeker in zijn verzoek mede een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind op de wijze bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01) verklaart in te stemmen met de naturalisatie.
4. De verzoeker legt een schriftelijke en ondertekende verklaring over dat de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen. Behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, verklaart hij op dezelfde wijze dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in het naturalisatieverzoek genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen.
@@ -406,7 +422,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=33&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=33&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -430,9 +446,11 @@
##### Artikel 38
1. Onze Minister stelt de verzoeker en de burgemeester onverwijld in kennis van de beslissing op het verzoek.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan de burgemeester die het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
#### Paragraaf 3. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken in de Nederlandse Antillen
@@ -464,7 +482,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=3&artikel=39&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=3&artikel=39&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -490,9 +508,11 @@
##### Artikel 44
1. Onze Minister stelt de verzoeker, de gezaghebber en de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen onverwijld in kennis van de beslissing op het verzoek.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook, na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en aan de gezaghebber die het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook, na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
#### Paragraaf 4. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken in Aruba.
@@ -524,7 +544,7 @@
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=4&artikel=45&z=2003-04-01&g=2003-04-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=4&artikel=45&z=2006-10-01&g=2006-10-01), binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
@@ -550,9 +570,11 @@
##### Artikel 50
1. Onze Minister stelt de verzoeker, de Gouverneur en de Minister van Justitie van Aruba onverwijld in kennis van de beslissing op het verzoek.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook, na overleg met de Minister van Algemene Zaken van Aruba, betreffende de inname van de verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan de Gouverneur en aan de Minister van Justitie van Aruba.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01).
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook, na overleg met de Minister van Justitie van Aruba, betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
#### Paragraaf 5. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken in het buitenland
@@ -602,17 +624,17 @@
##### Artikel 56
1. Onze Minister deelt de Minister van Buitenlandse Zaken de beslissing op het naturalisatieverzoek mede, met het verzoek het hoofd van de diplomatieke of consulaire post van deze beslissing in kennis te stellen.
2. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post stelt de verzoekeronverwijld in kennis van deze beslissing en bericht dit aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
3. Bij ministeriële regeling kunnen na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van in kennisstelling van de verlening van het Nederlanderschap.
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan de Minister van Buitenlandse Zaken met het verzoek zo nodig het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, die het in [artikel 54, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=5&artikel=54&z=2006-10-01&g=2006-10-01), bedoelde advies heeft uitgebracht, van deze beslissing in kennis te stellen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap en kunnen regels gesteld worden betreffende de inname van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
3. Indien de bekendmaking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap door uitreiking geschiedt, is daarop het bepaalde in [hoofdstuk IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&z=2006-10-01&g=2006-10-01), met uitzondering van de tijdsbepalingen in [artikel 60b, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IIIA&artikel=60b&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van toepassing.
#### Paragraaf 6. Administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting
##### Artikel 57
Bij ministeriële regeling kan na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en de Minister van Algemene Zaken van Aruba worden bepaald in welke gevallen het doen van afstand, als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=9&z=2003-04-01&g=2003-04-01), niet zal worden verlangd.
Bij ministeriële regeling kan na overleg met de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en de Minister van Algemene Zaken van Aruba worden bepaald in welke gevallen het doen van afstand, als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=9&z=2006-10-01&g=2006-10-01), niet zal worden verlangd.
##### Artikel 58
@@ -626,7 +648,7 @@
1. Wordt Onze Minister het bewijs overgelegd dat de andere nationaliteit of een der andere nationaliteiten is verloren, dan zendt hij een gewaarmerkt afschrift daarvan aan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2. De autoriteit, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2003-04-01&g=2003-04-01), aan wie het bewijs van het verlies van een andere nationaliteit wordt overgelegd, zendt een gewaarmerkt afschrift daarvan aan Onze Minister.
2. De autoriteit, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2006-10-01&g=2006-10-01), aan wie het bewijs van het verlies van een andere nationaliteit wordt overgelegd, zendt een gewaarmerkt afschrift daarvan aan Onze Minister.
3. Onze Minister dan wel de in het tweede lid bedoelde autoriteit zendt tevens een gewaarmerkt afschrift aan de autoriteit van de plaats waar de personen wier verlies van die andere nationaliteit het betreft, in de basisadministratie zijn ingeschreven.
@@ -634,146 +656,202 @@
##### Artikel 60
Tenzij hij wegens de omstandigheden van het geval anders beslist, gaat Onze Minister na verloop van de in het eerste lid van [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=6&artikel=58&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bepaalde termijn over tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend.
Tenzij hij wegens de omstandigheden van het geval anders beslist, gaat Onze Minister na verloop van de in het eerste lid van [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III&paragraaf=6&artikel=58&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bepaalde termijn over tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend.
### Hoofdstuk IIIA. Bekendmaking van de verkrijging van het Nederlanderschap
##### Artikel 61
1. Als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, bedoeld in [artikel 15, vierde lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, geldt:
- a. de onherroepelijke rechterlijke beschikking waarbij het Nederlanderschap is vastgesteld;
- b. een uittreksel uit de basisadministratie, waaruit blijkt dat de betrokkene als Nederlander is aangemerkt; of
- c. een verklaring afgegeven door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, waaruit blijkt dat de betrokkene Nederlander is.
2. Een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap wordt alleen op aanvraag van de betrokken persoon verstrekt.
3. De documenten genoemd onder b en c van het eerste lid dienen de woorden te bevatten: Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, en van een datum van verstrekking en een dienststempel te zijn voorzien.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere documenten als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap kunnen dienen.
### Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
#### Paragraaf 1. Verlies door een verklaring van afstand
##### Artikel 62
1. Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), of als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt schriftelijk afgelegd. De verklaring vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
2. Aan de verklaring van afstand wordt zo nodig een bewijs toegevoegd dat de verklarende persoon en, in voorkomend geval, de minderjarige personen die in zijn afstand delen een andere nationaliteit bezitten.
3. Indien de verklaring een minderjarige betreft, wordt zo nodig tevens een bewijs van de nationaliteit van de vader en moeder of adoptiefouder toegevoegd.
##### Artikel 63
1. Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap wordt afgelegd:
- a. in Nederland: voor de burgemeester;
- b. in de Nederlandse Antillen: voor de gezaghebber;
- c. in Aruba: voor de Gouverneur;
- d. in het buitenland: voor het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
2. Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen stelt de autoriteit ten overstaan van wie deze wordt afgelegd de identiteit vast van de persoon die de verklaring aflegt. Hij bepaalt tevens, voor zover mogelijk, welke andere personen door deze afstand hun Nederlanderschap zullen verliezen.
3. De persoon die in overeenstemming met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2006-10-01&g=2006-10-01) een verklaring van afstand heeft afgelegd, ontvangt daarvan onverwijld een bevestiging, die tevens, voor zoveel mogelijk, de namen vermeldt van de personen die door deze afstand hun Nederlanderschap hebben verloren.
##### Artikel 64
1. De in het [tweede lid van artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=63&z=2006-10-01&g=2006-10-01) genoemde autoriteit zendt de verklaring van afstand alsmede een afschrift van de bevestiging toe aan Onze Minister; hij behoudt een afschrift daarvan.
2. Hij zendt bovendien een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen die de afstand betreft, in de basisadministratie zijn ingeschreven alsmede, met betrekking tot personen die in hun land woonachtig zijn, een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en aan de Minister van Justitie van Aruba.
3. Voorzoveel van toepassing bevordert de autoriteit ten overstaan van wie een verklaring van afstand is afgelegd, alsmede de in het voorgaande lid bedoelde autoriteit die een afschrift van de bevestiging bedoeld in het [derde lid van artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=63&z=2006-10-01&g=2006-10-01) heeft ontvangen, dat
- a. de verklaring van afstand van het Nederlanderschap in de basisadministratie wordt verwerkt;
- b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die door of als gevolg van de afstand het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) worden ingenomen;
- c. indien van toepassing: de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst van de politie.
#### Paragraaf 2. Verlies door intrekking van het Nederlanderschap
##### Artikel 65
De autoriteiten en ambtenaren bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog, dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat geleid heeft tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, melden dit onverwijld aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van afschriften van op de zaak betrekkelijke stukken.
#### Paragraaf 3. Procedure van intrekking van het Nederlanderschap
##### Artikel 66
1. Indien Onze Minister het voornemen heeft een besluit te nemen tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de bij de intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen alsmede aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2. Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling aan dat adres gezonden; heeft hij geen bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling gezonden aan zijn laatst bekende adres in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba of door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan zijn laatst bekende adres in het buitenland.
3. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen kennis door uitreiking van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
4. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen tevens kennis in een of meer van de lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de Staatscourant, de Curaçaose Courant of de Landscourant van Aruba, al naar gelang die verblijfplaats.
5. Onder rechtstreeks betrokken persoon wordt in dit artikel verstaan de persoon die door optie of naturalisatie het Nederlanderschap heeft verkregen en op wie het in het eerste lid bedoelde voornemen betrekking heeft, alsmede, voor zover zij bij het voornemen een rechtstreeks belang hebben, zijn kinderen en adoptiefkinderen, alsmede zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Bij ministeriële regeling kunnen andere personen als betrokken worden aangemerkt.
6. In de in het eerste lid bedoelde mededeling vermeldt Onze Minister ten minste
- a. de zakelijke inhoud en korte redengeving van zijn voorgenomen besluit,
- b. de mogelijkheid voor betrokkenen en de genoemde autoriteiten om hun bedenkingen tegen dit voornemen in te brengen, en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan geschieden,
- c. dat degene die schriftelijke bedenkingen inbrengt, kan verzoeken dat zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld.
##### Artikel 67
Onze Minister zendt van de ingebrachte bedenkingen een afschrift aan de in het [eerste lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2006-10-01&g=2006-10-01) genoemde personen en autoriteit.
##### Artikel 68
1. Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) houdt Onze Minister onder meer rekening met de aard en ernst van de valse verklaring, het bedrog of de verzwijging, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, alsook met de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening verlopen is en de overige relevante factoren.
2. Het besluit tot intrekking als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) vermeldt de personen wier Nederlanderschap is ingetrokken.
##### Artikel 69
Onze Minister neemt een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk binnen zestien weken nadat hij de in het [eerste lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2006-10-01&g=2006-10-01) bedoelde mededeling gedaan heeft.
##### Artikel 70
1. Nadat Onze Minister op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), of van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) een besluit tot intrekking genomen heeft, zendt hij een afschrift van het besluit aan de personen wier Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft, alsmede aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, in de basisadministratie zijn ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Hij zendt, zo nodig, een afschrift aan andere betrokken instanties. Het [tweede, derde en vierde lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2006-10-01&g=2006-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voorzoveel van toepassing, bevordert de autoriteit die dit afschrift heeft ontvangen, dat
- a. het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in de basisadministratie wordt verwerkt;
- b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) worden ingenomen;
- c. de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst van de politie;
- d. de daarvoor in aanmerking komende akten van de burgerlijke stand worden gewijzigd.
3. Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken in kennis is gesteld van het besluit tot intrekking bevordert hij dat de handelingen genoemd in het tweede lid, onder b en d, worden verricht.
### Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 71
Wijzigt het Consulaire besluit.
##### Artikel 72
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.
##### Artikel 73
1. Dit besluit is niet van toepassing op optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie, alsmede op verklaringen van afstand ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Verklaringen bedoeld als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap te dienen, die zijn afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden als zodanig aanvaard, indien zij zijn verstrekt door een Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit.
##### Artikel 74
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
##### Artikel 60a
1. Tenzij anders bepaald, treedt de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=11&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=17&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=4&artikel=23&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II&paragraaf=5&artikel=29&z=2006-10-01&g=2006-10-01), in werking door de uitreiking ervan aan de optant door of namens de tot bevestiging bevoegde autoriteit. De bevestiging werkt terug tot de dag van de dagtekening.
2. De in het eerste lid genoemde autoriteit roept de optant tezamen met de personen die in de verkrijging zullen delen en die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder waren, tijdig voor de uitreiking op te verschijnen. Was de optant ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger dan zestien jaar dan wordt zijn wettelijke vertegenwoordiger opgeroepen te verschijnen.
3. Indien de optant en de personen die in de verkrijging delen, verplicht zijn voorafgaand aan de uitreiking van de bevestiging een verklaring af te leggen, vindt de uitreiking niet plaats dan nadat deze verklaring is afgelegd. Indien niet alle in de bevestiging genoemde personen die een verklaring dienen af te leggen, daartoe bereid of in staat zijn, wordt de uitreiking aangehouden.
4. De uitreiking vindt plaats binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd.
5. De bevestiging wordt aan de optant in persoon of, indien hij ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger dan zestien jaar is, aan zijn wettelijke vertegenwoordiger uitgereikt.
6. Indien om zwaarwegende redenen van een op grond van het tweede lid opgeroepen persoon niet kan worden verlangd dat hij de bevestiging in persoon in ontvangst neemt of de in het derde lid bedoelde verklaring in persoon aflegt, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon. Onder zwaarwegende redenen wordt in ieder geval gerekend de fysieke of psychische onmogelijkheid te verschijnen. Om dezelfde redenen kan de in het eerste lid genoemde autoriteit tot een andere wijze van bekendmaking of verklaring besluiten.
7. Indien de op grond van het tweede lid opgeroepen personen bij de uitreiking niet aanwezig zijn, worden zij opnieuw opgeroepen. Zo nodig wordt de oproeping vervolgens eenmaal bij aangetekende brief herhaald.
8. De bevestiging die niet binnen een jaar na de dag waarop zij is gedagtekend aan de optant is bekendgemaakt, vervalt ten aanzien van de erin genoemde personen, tenzij bij rechterlijke beslissing het besluit omtrent de wijze van bekendmaking is vernietigd.
9. De autoriteit die de bevestiging heeft bekendgemaakt, zendt daarvan onverwijld bericht aan Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
##### Artikel 60b
1. Tenzij anders bepaald, treedt het besluit tot verlening van het Nederlanderschap voor een daarin genoemde persoon in werking door de uitreiking aan hem van het hem betreffend uittreksel van het besluit. Het besluit werkt terug tot de dag van de dagtekening.
2. Binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit en tijdig voor de uitreiking roept de autoriteit van de woonplaats van de betrokken persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek tot naturalisatie zestien jaar of ouder was, deze op te verschijnen. Was de betrokkene ten tijde van de indiening van het verzoek tot naturalisatie jonger dan zestien jaar dan wordt zijn wettelijke vertegenwoordiger opgeroepen te verschijnen. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd.
3. Indien de opgeroepen persoon verplicht is voorafgaand aan de uitreiking een verklaring af te leggen, vindt de uitreiking van het uittreksel van het besluit niet plaats dan nadat deze verklaring is afgelegd.
4. De uitreiking vindt door of namens de autoriteit, die de betrokkene heeft opgeroepen, plaats binnen zes weken na de verzending van de oproeping.
5. Het hem betreffend uittreksel van het besluit wordt aan de betrokkene in persoon of, indien hij ten tijde van de indiening van het verzoek tot naturalisatie jonger dan zestien jaar is, aan zijn wettelijke vertegenwoordiger uitgereikt.
6. Indien om zwaarwegende redenen van een op grond van het tweede lid opgeroepen persoon niet kan worden verlangd dat hij het hem betreffende uittreksel van het besluit in persoon in ontvangst neemt of de in het derde lid bedoelde verklaring in persoon aflegt, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon. Onder zwaarwegende redenen wordt in ieder geval gerekend de fysieke of psychische onmogelijkheid te verschijnen. Om dezelfde redenen kan de in het tweede lid genoemde autoriteit tot een andere wijze van bekendmaking of verklaring besluiten.
7. Indien de betrokkene bij de in het vierde lid bedoelde uitreiking niet aanwezig is, wordt hij opnieuw opgeroepen. Zo nodig wordt de oproeping vervolgens eenmaal bij aangetekende brief herhaald.
8. Het besluit tot verlening van het Nederlanderschap vervalt ten aanzien van een erin genoemde persoon indien het hem betreffend uittreksel van dit besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het besluit is gedagtekend aan hem is bekendgemaakt, tenzij bij rechterlijke beslissing het besluit omtrent de wijze van bekendmaking is vernietigd.
9. De autoriteit die het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap heeft bekendgemaakt, zendt daarvan onverwijld een bericht aan Onze Minister. Hij bericht ook welke uittreksels hij na herhaalde oproepingen niet heeft kunnen uitreiken. Hij zendt de uittreksels betreffende de personen voor wie een besluit is vervallen, terug aan Onze Minister.
10. De autoriteit die het uittreksel van het naturalisatiebesluit heeft uitgereikt, zendt daarvan onverwijld bericht aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
### Hoofdstuk IV. – Bewijs van Nederlanderschap
##### Artikel 61
1. Als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, bedoeld in [artikel 15, vierde lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, geldt:
- a. de onherroepelijke rechterlijke beschikking waarbij het Nederlanderschap is vastgesteld;
- b. een uittreksel uit de basisadministratie, waaruit blijkt dat de betrokkene als Nederlander is aangemerkt; of
- c. een verklaring afgegeven door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, waaruit blijkt dat de betrokkene Nederlander is.
2. Een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap wordt alleen op aanvraag van de betrokken persoon verstrekt.
3. De documenten genoemd onder b en c van het eerste lid dienen de woorden te bevatten: Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, en van een datum van verstrekking en een dienststempel te zijn voorzien.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere documenten als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap kunnen dienen.
### Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
#### Paragraaf 1. Verlies door een verklaring van afstand
##### Artikel 62
1. Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), of als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt schriftelijk afgelegd. De verklaring vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
2. Aan de verklaring van afstand wordt zo nodig een bewijs toegevoegd dat de verklarende persoon en, in voorkomend geval, de minderjarige personen die in zijn afstand delen een andere nationaliteit bezitten.
3. Indien de verklaring een minderjarige betreft, wordt zo nodig tevens een bewijs van de nationaliteit van de vader en moeder of adoptiefouder toegevoegd.
##### Artikel 63
1. Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap wordt afgelegd:
- a. in Nederland: voor de burgemeester;
- b. in de Nederlandse Antillen: voor de gezaghebber;
- c. in Aruba: voor de Gouverneur;
- d. in het buitenland: voor het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
2. Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen stelt de autoriteit ten overstaan van wie deze wordt afgelegd de identiteit vast van de persoon die de verklaring aflegt. Hij bepaalt tevens, voor zover mogelijk, welke andere personen door deze afstand hun Nederlanderschap zullen verliezen.
3. De persoon die in overeenstemming met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2003-04-01&g=2003-04-01) een verklaring van afstand heeft afgelegd, ontvangt daarvan onverwijld een bevestiging, die tevens, voor zoveel mogelijk, de namen vermeldt van de personen die door deze afstand hun Nederlanderschap hebben verloren.
##### Artikel 64
1. De in het [tweede lid van artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=63&z=2003-04-01&g=2003-04-01) genoemde autoriteit zendt de verklaring van afstand alsmede een afschrift van de bevestiging toe aan Onze Minister; hij behoudt een afschrift daarvan.
2. Hij zendt bovendien een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen die de afstand betreft, in de basisadministratie zijn ingeschreven alsmede, met betrekking tot personen die in hun land woonachtig zijn, een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en aan de Minister van Justitie van Aruba.
3. Voorzoveel van toepassing bevordert de autoriteit ten overstaan van wie een verklaring van afstand is afgelegd, alsmede de in het voorgaande lid bedoelde autoriteit die een afschrift van de bevestiging bedoeld in het [derde lid van artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=1&artikel=63&z=2003-04-01&g=2003-04-01) heeft ontvangen, dat
- a. de verklaring van afstand van het Nederlanderschap in de basisadministratie wordt verwerkt;
- b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die door of als gevolg van de afstand het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) worden ingenomen;
- c. indien van toepassing: de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst van de politie.
#### Paragraaf 2. Verlies door intrekking van het Nederlanderschap
##### Artikel 65
De autoriteiten en ambtenaren bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en naturalisatieverzoeken die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog, dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat geleid heeft tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, melden dit onverwijld aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van afschriften van op de zaak betrekkelijke stukken.
#### Paragraaf 3. Procedure van intrekking van het Nederlanderschap
##### Artikel 66
1. Indien Onze Minister het voornemen heeft een besluit te nemen tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de bij de intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen alsmede aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2. Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling aan dat adres gezonden; heeft hij geen bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling gezonden aan zijn laatst bekende adres in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba of door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan zijn laatst bekende adres in het buitenland.
3. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen kennis door uitreiking van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
4. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen tevens kennis in een of meer van de lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de Staatscourant, de Curaçaose Courant of de Landscourant van Aruba, al naar gelang die verblijfplaats.
5. Onder rechtstreeks betrokken persoon wordt in dit artikel verstaan de persoon die door optie of naturalisatie het Nederlanderschap heeft verkregen en op wie het in het eerste lid bedoelde voornemen betrekking heeft, alsmede, voor zover zij bij het voornemen een rechtstreeks belang hebben, zijn kinderen en adoptiefkinderen, alsmede zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Bij ministeriële regeling kunnen andere personen als betrokken worden aangemerkt.
6. In de in het eerste lid bedoelde mededeling vermeldt Onze Minister ten minste
- a. de zakelijke inhoud en korte redengeving van zijn voorgenomen besluit,
- b. de mogelijkheid voor betrokkenen en de genoemde autoriteiten om hun bedenkingen tegen dit voornemen in te brengen, en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan geschieden,
- c. dat degene die schriftelijke bedenkingen inbrengt, kan verzoeken dat zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld.
##### Artikel 67
Onze Minister zendt van de ingebrachte bedenkingen een afschrift aan de in het [eerste lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2003-04-01&g=2003-04-01) genoemde personen en autoriteit.
##### Artikel 68
1. Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) houdt Onze Minister onder meer rekening met de aard en ernst van de valse verklaring, het bedrog of de verzwijging, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, alsook met de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening verlopen is en de overige relevante factoren.
2. Het besluit tot intrekking als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) vermeldt de personen wier Nederlanderschap is ingetrokken.
##### Artikel 69
Onze Minister neemt een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk binnen zestien weken nadat hij de in het [eerste lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2003-04-01&g=2003-04-01) bedoelde mededeling gedaan heeft.
##### Artikel 70
1. Nadat Onze Minister op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), of van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) een besluit tot intrekking genomen heeft, zendt hij een afschrift van het besluit aan de personen wier Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft, alsmede aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, in de basisadministratie zijn ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Hij zendt, zo nodig, een afschrift aan andere betrokken instanties. Het [tweede, derde en vierde lid van artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V&paragraaf=3&artikel=66&z=2003-04-01&g=2003-04-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voorzoveel van toepassing, bevordert de autoriteit die dit afschrift heeft ontvangen, dat
- a. het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in de basisadministratie wordt verwerkt;
- b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) worden ingenomen;
- c. de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst van de politie;
- d. de daarvoor in aanmerking komende akten van de burgerlijke stand worden gewijzigd.
3. Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken in kennis is gesteld van het besluit tot intrekking bevordert hij dat de handelingen genoemd in het tweede lid, onder b en d, worden verricht.
### Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 71
Wijzigt het Consulaire besluit.
##### Artikel 72
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.
##### Artikel 73
1. Dit besluit is niet van toepassing op optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie, alsmede op verklaringen van afstand ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Verklaringen bedoeld als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap te dienen, die zijn afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden als zodanig aanvaard, indien zij zijn verstrekt door een Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit.
##### Artikel 74
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
2003-04-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap — arts. 1, 2, 3 y 85 má
2003-04-01
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
original version Tekst op deze datum