Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

64 versions · 2026-01-01
2026-01-01
2024-12-11
Wet kinderopvang — art. 1
2024-08-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-07-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-02-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-01-01
2023-06-20
Wet kinderopvang — art. 1
2023-01-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-08-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-05-20
Wet kinderopvang — art. 1
2022-04-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-03-04
2022-01-01
2021-12-21
Wet kinderopvang — art. 1
2021-07-01
2021-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2020-12-01
2020-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2019-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-07-28
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-05-25
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 1
2018-03-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-01-01
2017-10-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2017-09-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2017-01-01
2016-09-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2016-01-01
2015-08-01
2015-01-01
2014-01-06
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2 y 7 más

Wijzigingen op 2014-01-06

@@ -1268,9 +1268,9 @@
##### Artikel 3.6a
1. In afwijking van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01), heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan [artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
2. Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.10&z=2014-01-01&g=2014-01-01) zoals dat luidde op 31 december 2012, is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
1. In afwijking van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06), heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan [artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.10&z=2014-01-06&g=2014-01-06) zoals dat luidde op 31 december 2012, is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
@@ -1300,7 +1300,7 @@
- **beroepskracht in opleiding:** degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de [Wet educatie beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau;
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 1.50b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 1.50b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **college:** college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd of zal worden gevestigd;
@@ -1310,7 +1310,7 @@
- a. van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in [artikel 254](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=254), onderscheidenlijk [255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=255), die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontzet van het gezag als bedoeld in artikel 269 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
- b. die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als de ouder of diens partner van het kind aan wie opvang wordt geboden, of
- b. die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen als de ouder of diens partner van het kind aan wie opvang wordt geboden, of
- c. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft;
@@ -1320,7 +1320,7 @@
- a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau;
- b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01), aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag of diens partner;
- b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06), aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag of diens partner;
- c. waarbij de opvang plaatsvindt:
@@ -1330,13 +1330,13 @@
- 3°. op twee of meer van deze woonadressen; en
- d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
- **geregistreerd gastouderbureau:** een in het register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **geregistreerd kindercentrum:** een in het register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **geregistreerde voorziening voor gastouderopvang:** een in het register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
- **geregistreerd gastouderbureau:** een in het register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **geregistreerd kindercentrum:** een in het register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **geregistreerde voorziening voor gastouderopvang:** een in het register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in [artikel 1.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **GGD:** een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14);
@@ -1356,13 +1356,13 @@
- **ouder:** de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) buiten beschouwing blijft;
- **oudercommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.58&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **oudercommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.58&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **overheidswerkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=1);
- **register buitenlandse kinderopvang:** het register, bedoeld in [artikel 1.48b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48b&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **register kinderopvang:** het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47b&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **register buitenlandse kinderopvang:** het register, bedoeld in [artikel 1.48b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48b&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **register kinderopvang:** het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47b&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **stagiair:** degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
@@ -1382,19 +1382,19 @@
- **voorziening voor gastouderopvang:** gastouderopvang door een specifieke gastouder op een specifiek woonadres;
- **vrijwilliger:** de persoon van 18 jaar of ouder die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding of het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en geen ouder is als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
- **vrijwilliger:** de persoon van 18 jaar of ouder die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding of het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en geen ouder is als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Tot kinderopvang worden niet gerekend:
- a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze;
- b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637);
- d. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
3. Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk en [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) wordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
3. Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk en [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) wordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
##### Artikel 1.1a
@@ -1494,17 +1494,17 @@
##### Artikel 1.8
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die minder dan 33,3 procent bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die minder dan 33,3 procent bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte van het bedrag dat als vaste eigen bijdrage van de ouder in mindering wordt gebracht op de kinderopvangtoeslag. Daarbij kunnen het toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner, de aanwezigheid van een partner en het aantal kinderen in aanmerking worden genomen.
##### Artikel 1.9
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in [artikel 1.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01), worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
1. De bedragen, bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06), de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in [artikel 1.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-06&g=2014-01-06), worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
2. De overeenkomstig het eerste lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen:
- a. bedoeld in de [artikelen 1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [1.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en
- a. bedoeld in de [artikelen 1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [1.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en
- b. die voortvloeien uit de mate waarin het toetsingsinkomen een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag.
@@ -1612,7 +1612,7 @@
2. De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college.
3. Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-01&g=2014-01-01), heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
3. Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-06&g=2014-01-06), heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer.
@@ -1620,13 +1620,13 @@
##### Artikel 1.46
1. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-01&g=2014-01-01), is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
1. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-06&g=2014-01-06), is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
2. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
3. Het college deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zijn verstrekt.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zijn verstrekt.
5. Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college dit op in het register kinderopvang.
@@ -1662,7 +1662,7 @@
- a. gebruik te maken van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid die nog niet staat ingeschreven in het register buitenlandse kinderopvang; en
- b. aanspraak te maken op de kinderopvangtoeslag, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=15&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- b. aanspraak te maken op de kinderopvangtoeslag, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=15&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
dient bij Onze Minister een aanvraag in voor inschrijving van die voorziening in het register buitenlandse kinderopvang.
@@ -1670,7 +1670,7 @@
5. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het derde lid, besluit Onze Minister op de aanvraag. Indien door de ouder aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit van een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid:
- a. naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze afdeling, en
- a. naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze afdeling, en
- b. anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden,
@@ -1686,21 +1686,21 @@
9. Onze Minister kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het zevende of achtste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens of tot verwijdering van de inschrijving uit het register buitenlandse kinderopvang. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit zo nodig in het register buitenlandse kinderopvang.
10. De [artikelen 1.45 tot en met 1.47b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.48c tot en met 1.60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.
10. De [artikelen 1.45 tot en met 1.47b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [1.48c tot en met 1.60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
- a. worden nadere regels gesteld omtrent de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het derde lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens;
- b. worden nadere regels gesteld over de wijze waarop kan worden aangetoond dat een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze afdeling;
- b. worden nadere regels gesteld over de wijze waarop kan worden aangetoond dat een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze afdeling;
- c. kunnen ter uitvoering van het vijfde tot en met negende lid nadere regels worden gesteld.
##### Artikel 1.48a
1. Onze Minister kan besluiten de gegevens van een voorziening als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zonder een daaraan voorafgaand verzoek in het register buitenlandse kinderopvang te wijzigen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register.
2. Onze Minister kan besluiten een voorziening als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zonder een daaraan voorafgaand verzoek uit het register buitenlandse kinderopvang te verwijderen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register.
1. Onze Minister kan besluiten de gegevens van een voorziening als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zonder een daaraan voorafgaand verzoek in het register buitenlandse kinderopvang te wijzigen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register.
2. Onze Minister kan besluiten een voorziening als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zonder een daaraan voorafgaand verzoek uit het register buitenlandse kinderopvang te verwijderen. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit in het register.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.
@@ -1744,7 +1744,7 @@
4. Een verklaring omtrent het gedrag van een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid wordt aan de houder van een kindercentrum overgelegd, voordat deze persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden.
5. De houder van een kindercentrum overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
5. De houder van een kindercentrum overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
6. Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder van een kindercentrum niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat deze houder opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
@@ -1794,7 +1794,7 @@
1. De houder van een kindercentrum informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder van een kindercentrum informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2014-01-01&g=2014-01-01), inzake zijn kindercentrum:
2. De houder van een kindercentrum informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2014-01-06&g=2014-01-06), inzake zijn kindercentrum:
- a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum worden opgevangen, en
@@ -1812,11 +1812,11 @@
##### Artikel 1.56
1. De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden en tot naleving van [artikel 1.56b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01) door de gastouder.
1. De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden en tot naleving van [artikel 1.56b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06) door de gastouder.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
3. Op de houder van een gastouderbureau en op de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, is [artikel 1.50, derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is [artikel 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Op de houder van een gastouderbureau en op de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, is [artikel 1.50, derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is [artikel 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van overeenkomstige toepassing.
4. Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.
@@ -1838,7 +1838,7 @@
##### Artikel 1.56b
1. De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang. De gastouder houdt bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening met de opgestelde risico-inventarisatie, bedoeld in [artikel 1.56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-01&g=2014-01-01), juncto [artikel 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en hij is verantwoordelijk voor de naleving van de meldcode, bedoeld in [artikel 1.51a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51a&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang. De gastouder houdt bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening met de opgestelde risico-inventarisatie, bedoeld in [artikel 1.56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-06&g=2014-01-06), juncto [artikel 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en hij is verantwoordelijk voor de naleving van de meldcode, bedoeld in [artikel 1.51a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51a&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van de gastouderopvang. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
@@ -1856,11 +1856,11 @@
3. De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder van de voorziening voor gastouderopvang hun hoofdverblijf hebben, alsmede de daar werkzame vrijwilligers en stagiaires, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
4. De houder van een gastouderbureau overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), de verklaringen omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, aan het college, met uitzondering van de verklaring omtrent het gedrag van de gastouder die al een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang exploiteert en met uitzondering van de verklaringen omtrent het gedrag van andere personen van 18 jaar en ouder als bedoeld in het derde lid, indien die verklaringen omtrent het gedrag al zijn overgelegd bij een eerdere aanvraag tot exploitatie door de gastouder. De verklaringen omtrent het gedrag zijn op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
4. De houder van een gastouderbureau overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), de verklaringen omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, aan het college, met uitzondering van de verklaring omtrent het gedrag van de gastouder die al een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang exploiteert en met uitzondering van de verklaringen omtrent het gedrag van andere personen van 18 jaar en ouder als bedoeld in het derde lid, indien die verklaringen omtrent het gedrag al zijn overgelegd bij een eerdere aanvraag tot exploitatie door de gastouder. De verklaringen omtrent het gedrag zijn op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de houder van een gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
6. De [artikelen 1.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.53&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.55&z=2014-01-01&g=2014-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
6. De [artikelen 1.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.53&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [1.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.55&z=2014-01-06&g=2014-01-06) zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
7. De verplichting van het vierde lid geldt voor een persoon die als stagiair werkzaam is de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
@@ -1872,7 +1872,7 @@
##### Artikel 1.57
1. Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
2. De ouders, bedoeld in het eerste lid, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
@@ -1886,13 +1886,13 @@
##### Artikel 1.57a
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 1.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [1.56b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 1.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [1.56b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 1.58
1. Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen.
@@ -1902,7 +1902,7 @@
##### Artikel 1.59
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), voor de oudercommissie een reglement vast.
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), voor de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
@@ -1922,7 +1922,7 @@
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), of [artikel 1.56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), of [artikel 1.56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
@@ -1942,35 +1942,35 @@
##### Artikel 1.60a
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 1.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2014-01-01&g=2014-01-01). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 1.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2014-01-06&g=2014-01-06). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. Handhaving
##### Artikel 1.61
1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 1.66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2014-01-01&g=2014-01-01), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2014-01-01&g=2014-01-01) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 1.66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2014-01-06&g=2014-01-06), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2014-01-06&g=2014-01-06) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
##### Artikel 1.62
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gestelde regels.
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gestelde regels.
5. Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
##### Artikel 1.63
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-01&g=2014-01-01) vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-06&g=2014-01-06) vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan:
@@ -1982,7 +1982,7 @@
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2014-01-01&g=2014-01-01), tekortkomingen zijn geconstateerd.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2014-01-06&g=2014-01-06), tekortkomingen zijn geconstateerd.
##### Artikel 1.64
@@ -1992,7 +1992,7 @@
##### Artikel 1.65
1. Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
1. Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
@@ -2010,7 +2010,7 @@
1. Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-01&g=2014-01-01) of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2014-01-06&g=2014-01-06) of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.
##### Artikel 1.67
@@ -2018,7 +2018,7 @@
##### Artikel 1.67a
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gestelde regels.
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gestelde regels.
#### Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen
@@ -2046,7 +2046,7 @@
##### Artikel 1.72
1. Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2014-01-01&g=2014-01-01) of een vordering tot medewerking als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
1. Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2014-01-06&g=2014-01-06) of een vordering tot medewerking als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
@@ -2072,19 +2072,19 @@
- d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a, [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), met uitzondering van [artikel 1.48 tot en met 1.48b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), alsmede van [afdeling 4, paragrafen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [afdeling 5, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk.
Bij die regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06), wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a, [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), met uitzondering van [artikel 1.48 tot en met 1.48b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), alsmede van [afdeling 4, paragrafen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [afdeling 5, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld aan de deelname aan een experiment.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01) aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06) aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.88
1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-01&g=2014-01-01), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-06&g=2014-01-06), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
##### Artikel 1.89
@@ -2102,13 +2102,13 @@
- **beroepskracht in opleiding:** degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de [Wet educatie beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 2.8, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 2.8, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **college:** college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een peuterspeelzaal is gevestigd of zal worden gevestigd;
- **GGD:** gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14);
- **geregistreerde peuterspeelzaal:** een in het register peuterspeelzaalwerk ingeschreven peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **geregistreerde peuterspeelzaal:** een in het register peuterspeelzaalwerk ingeschreven peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **houder:** degene aan wie een onderneming als bedoeld in de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) toebehoort en die met die onderneming een peuterspeelzaal exploiteert;
@@ -2116,13 +2116,13 @@
- **ouder:** bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) buiten beschouwing blijft;
- **oudercommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.15&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **oudercommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.15&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **peuterspeelzaalwerk:** de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;
- **peuterspeelzaal:** voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
- **register peuterspeelzaalwerk:** het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in [artikel 2.4b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.4b&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- **register peuterspeelzaalwerk:** het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in [artikel 2.4b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.4b&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- **stagiair:** degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
@@ -2146,19 +2146,19 @@
1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college.
2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-01&g=2014-01-01), heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-06&g=2014-01-06), heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
##### Artikel 2.3
1. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-01&g=2014-01-01), is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
1. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-06&g=2014-01-06), is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
2. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
3. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zijn verstrekt.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zijn verstrekt.
##### Artikel 2.4
@@ -2210,7 +2210,7 @@
4. Een verklaring omtrent het gedrag van een persoon werkzaam bij een onderneming als bedoeld in het derde lid wordt aan de houder overgelegd, voordat deze persoon zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden.
5. De houder overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
5. De houder overlegt bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een verklaring omtrent het gedrag aan het college. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van de indiening van de aanvraag niet ouder dan twee maanden.
6. Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat deze houder opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
@@ -2252,7 +2252,7 @@
1. De houder informeert de ouders van de kinderen die gebruik maken van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2014-01-01&g=2014-01-01), inzake zijn peuterspeelzaal:
2. De houder informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2014-01-06&g=2014-01-06), inzake zijn peuterspeelzaal:
- a. de ouders van de kinderen die gebruik maken van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk, en
@@ -2270,7 +2270,7 @@
##### Artikel 2.13
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
@@ -2282,7 +2282,7 @@
##### Artikel 2.15
1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen.
@@ -2292,7 +2292,7 @@
##### Artikel 2.16
1. De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), voor de oudercommissie een reglement vast.
1. De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), voor de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
@@ -2312,7 +2312,7 @@
1. De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
- b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
@@ -2332,39 +2332,39 @@
##### Artikel 2.18
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 2.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2014-01-01&g=2014-01-01). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 2.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2014-01-06&g=2014-01-06). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
### Afdeling 3. Handhaving
##### Artikel 2.19
1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2014-01-01&g=2014-01-01), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2014-01-06&g=2014-01-06) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2014-01-06&g=2014-01-06), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2014-01-06&g=2014-01-06) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
##### Artikel 2.20
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gestelde regels.
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gestelde regels.
4. Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede of het derde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
##### Artikel 2.21
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-01&g=2014-01-01), vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-06&g=2014-01-06), vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de houder.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 2.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.19&z=2014-01-01&g=2014-01-01), tekortkomingen zijn geconstateerd.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 2.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.19&z=2014-01-06&g=2014-01-06), tekortkomingen zijn geconstateerd.
##### Artikel 2.22
@@ -2376,7 +2376,7 @@
##### Artikel 2.23
1. Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
1. Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
@@ -2388,7 +2388,7 @@
1. Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-01&g=2014-01-01) of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2014-01-06&g=2014-01-06) of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
##### Artikel 2.25
@@ -2410,7 +2410,7 @@
##### Artikel 2.28
1. Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2014-01-01&g=2014-01-01) of een vordering tot medewerking als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
1. Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2014-01-06&g=2014-01-06) of een vordering tot medewerking als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
@@ -2428,15 +2428,15 @@
- d. de duur van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk.
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 2.30
1. Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-01&g=2014-01-01), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1. Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-06&g=2014-01-06), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
##### Artikel 2.31
@@ -2468,7 +2468,7 @@
##### Artikel 3.7
1. [Afdeling 2 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [artikel 1.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.86&z=2014-01-01&g=2014-01-01) zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) respectievelijk [artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a).
1. [Afdeling 2 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [artikel 1.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.86&z=2014-01-06&g=2014-01-06) zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) respectievelijk [artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a).
2. Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de [artikelen 74 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) onderscheidenlijk [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a), [34 tot en met 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=34), [45 tot en met 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=45) en [53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=53), zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
@@ -2496,7 +2496,7 @@
##### Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 1.7, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-01&g=2014-01-01) vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 1.7, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2014-01-06&g=2014-01-06) vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 3.12
@@ -2508,7 +2508,7 @@
##### Artikel 3.13
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
##### Artikel 3.14
@@ -2528,7 +2528,7 @@
##### Artikel 1.6a
In afwijking van de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.
In afwijking van de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.
#### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
@@ -2592,31 +2592,31 @@
##### Artikel 3.8a
Voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luidde op 31 december van dat berekeningsjaar, van toepassing op de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012.
Voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luidde op 31 december van dat berekeningsjaar, van toepassing op de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012.
##### Artikel 3.8b
1. Het college blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.22&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
2. Het college dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.22&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
1. Het college blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.22&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
2. Het college dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.22&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
3. In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid, blijft het college partij en staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
##### Artikel 3.8c
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
3. In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid, blijft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen partij en staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
##### Artikel 3.8d
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Ra en Rb, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in [artikel 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum respectievelijk van een gastouderbureau voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Ra en Rb, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in [artikel 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum respectievelijk van een gastouderbureau voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
##### Artikel 3.8e
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
@@ -2646,15 +2646,15 @@
1. De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Op deze wet is de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) van toepassing met uitzondering van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=5) op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), met dien verstande dat:
2. Op deze wet is de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) van toepassing met uitzondering van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=5) op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06), met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=4) een kind voor wie de pleegouder een subsidie ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg, geacht wordt door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden;
- b. in afwijking van [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15), een ouder over de berekeningsjaren 2014 en volgende geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
- b. in afwijking van [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15), een ouder over de berekeningsjaren 2014 en volgende geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06) over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
##### Artikel 1.4
1. Met het oog op het toekennen van een kinderopvangtoeslag verstrekt de ouder, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01), aan de Belastingdienst/Toeslagen het unieke nummer, bedoeld in [artikel 1.47b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47b&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Met het oog op het toekennen van een kinderopvangtoeslag verstrekt de ouder, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06), aan de Belastingdienst/Toeslagen het unieke nummer, bedoeld in [artikel 1.47b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47b&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.
@@ -2672,7 +2672,7 @@
##### Artikel 1.13
Het college kan aan een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Het college kan aan een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
##### Artikel 1.51a
@@ -2692,15 +2692,15 @@
- a. een bij zijn onderneming werkzaam persoon; of
- b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt of een van de andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01);
- b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt of een van de andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06);
zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum of gastouderbureau onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=127) juncto [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.
3. Indien een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon, een gastouder of een persoon van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum of van dat gastouderbureau daarvan onverwijld in kennis.
4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 1.51c, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51c&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon, een gastouder of een persoon van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum of van dat gastouderbureau daarvan onverwijld in kennis.
4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 1.51c, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51c&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van overeenkomstige toepassing.
5. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
@@ -2712,7 +2712,7 @@
- b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt;
op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum of van een gastouderbureau zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene als bedoeld in onderdeel a of b in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 1.51b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51b&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum of van een gastouderbureau zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene als bedoeld in onderdeel a of b in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 1.51b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51b&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, of de gastouder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=127) juncto [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141).
@@ -2722,7 +2722,7 @@
1. De houder van een gastouderbureau informeert de ouders van de kinderen die gebruik maken van gastouderopvang die door zijn tussenkomst plaats vindt en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder van een gastouderbureau informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2014-01-01&g=2014-01-01), inzake zijn gastouderbureau of inzake een bij dat gastouderbureau aangesloten voorziening voor gastouderopvang:
2. De houder van een gastouderbureau informeert over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2014-01-06&g=2014-01-06), inzake zijn gastouderbureau of inzake een bij dat gastouderbureau aangesloten voorziening voor gastouderopvang:
- a. de ouders van de kinderen die door zijn tussenkomst gebruik maken van een voorziening voor gastouderopvang,
@@ -2770,13 +2770,13 @@
3. Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk, stelt hij de houder daarvan onverwijld in kennis.
4. Indien toepassing van het derde lid er toe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 2.9c, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9c&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van overeenkomstige toepassing.
4. Indien toepassing van het derde lid er toe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is [artikel 2.9c, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9c&z=2014-01-06&g=2014-01-06), van overeenkomstige toepassing.
5. De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 2.9c
1. Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk kan deze bij de onderneming van de houder werkzame persoon in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9b&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
1. Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in [Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) of mishandeling als bedoeld in [Titel XX van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XX) jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk kan deze bij de onderneming van de houder werkzame persoon in overleg treden met een deskundige als bedoeld in [artikel 2.9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9b&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
2. Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=127) juncto [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141).
@@ -2804,11 +2804,11 @@
##### Artikel 3.8f
De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in artikel [1.48, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.48, zesde lid, in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege vier jaar na dat tijdstip.
De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in artikel [1.48, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.48, zesde lid, in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege vier jaar na dat tijdstip.
##### Artikel 3.8g
1. De houders, bedoeld in de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de [artikelen 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01), die beschikken over een verklaring omtrent het gedrag:
1. De houders, bedoeld in de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06), de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de [artikelen 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), [1.56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06), die beschikken over een verklaring omtrent het gedrag:
- a. waarvan de datum van afgifte ligt voor 1 juli 2011 overleggen uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van het onderhavige artikel een nieuwe verklaring omtrent het gedrag die op het moment van overlegging niet ouder is dan twee maanden;
@@ -2816,19 +2816,19 @@
2. De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt door:
- a. de houders, bedoeld in de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) aan het college overgelegd;
- b. door de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de [artikelen 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en [2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-01&g=2014-01-01), aan de houder overgelegd.
3. Stagiaires, vrijwilligers, uitzendkrachten en ouders als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-01&g=2014-01-01), die op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige artikel werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal exploiteert, beschikken zes maanden na deze datum over een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar.
- a. de houders, bedoeld in de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2014-01-06&g=2014-01-06) aan het college overgelegd;
- b. door de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de [artikelen 1.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en [2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in [artikel 1.56b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2014-01-06&g=2014-01-06), aan de houder overgelegd.
3. Stagiaires, vrijwilligers, uitzendkrachten en ouders als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-06&g=2014-01-06), die op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige artikel werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal exploiteert, beschikken zes maanden na deze datum over een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar.
4. Een nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door de stagiair of de uitzendkracht aan die houder overgelegd bij wie hij op dat moment werkzaam is. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair of de uitzendkracht in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
5. De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door een vrijwilliger of een ouder als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-01&g=2014-01-01), overgelegd aan de houder. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
5. De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door een vrijwilliger of een ouder als bedoeld in [artikel 1.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.57&z=2014-01-06&g=2014-01-06), overgelegd aan de houder. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
##### Artikel 3.8h
In afwijking van [artikel 1.1a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1a&z=2014-01-01&g=2014-01-01), zoals dat luidde op 31 december 2012, is voor de berekeningsjaren 2012 en 2013 [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15) van toepassing op een aanvraag om kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
In afwijking van [artikel 1.1a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1a&z=2014-01-06&g=2014-01-06), zoals dat luidde op 31 december 2012, is voor de berekeningsjaren 2012 en 2013 [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15) van toepassing op een aanvraag om kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.5&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
##### Artikel 3.8h*
@@ -2836,7 +2836,7 @@
##### Artikel 3.8i
Indien er op het moment van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van [artikel 2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.16&z=2014-01-01&g=2014-01-01) voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
Indien er op het moment van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van [artikel 2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.16&z=2014-01-06&g=2014-01-06) voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
@@ -2868,7 +2868,7 @@
##### Artikel 1.48b
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register buitenlandse kinderopvang ten behoeve van de rechtszekerheid en de waarborging van de kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens artikel 1.48 gestelde regels.
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register buitenlandse kinderopvang ten behoeve van de rechtszekerheid en de waarborging van de kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens artikel 1.48 gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register buitenlandse kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
@@ -2884,13 +2884,13 @@
- f. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
3. Voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), worden in het register buitenlandse kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.
3. Voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), worden in het register buitenlandse kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.
##### Artikel 1.48c
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-01&g=2014-01-01), worden aangewezen die door de aanwijzing gelijk worden gesteld met geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus.
2. De [artikelen 1.45 tot en met 1.48b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.49 tot en met 1.60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de categorieën, bedoeld in het eerste lid.
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.48, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2014-01-06&g=2014-01-06), worden aangewezen die door de aanwijzing gelijk worden gesteld met geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus.
2. De [artikelen 1.45 tot en met 1.48b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [1.49 tot en met 1.60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2014-01-06&g=2014-01-06) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2014-01-06&g=2014-01-06) van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de categorieën, bedoeld in het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Eisen
@@ -2938,7 +2938,7 @@
##### Artikel 3.8h*
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2014-01-06&g=2014-01-06) werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2014-01-06&g=2014-01-06).
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
2014-01-01
2013-07-01
2013-06-29
2013-01-01
Wet kinderopvang — art. 1
2012-10-01
2012-09-05
2012-06-14
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2012-01-21
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2012-01-01
2011-10-29
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 1 y 52 más
2010-08-01
2010-01-01
2009-11-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 12 más
2009-10-01
2009-07-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 13 más
2009-03-25
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 18 más
2009-01-01
2008-02-27
2007-10-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 41 más
2007-01-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 41 más
2006-12-20
2006-10-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-04-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-02-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-01-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 75 más
2005-12-29
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 49 más
2005-09-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 51 más
2005-07-29
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 5 y 83 más
2005-07-01
2005-04-27
2005-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 5 y 83 más
2004-10-30
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2 y 134 más
2004-10-30
Wet kinderopvang
original version Tekst op deze datum