Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

64 versions · 2026-01-01
2026-01-01
2024-12-11
Wet kinderopvang — art. 1
2024-08-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-07-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-02-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2024-01-01
2023-06-20
Wet kinderopvang — art. 1
2023-01-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-08-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-05-20
Wet kinderopvang — art. 1
2022-04-01
Wet kinderopvang — art. 1
2022-03-04
2022-01-01
2021-12-21
Wet kinderopvang — art. 1
2021-07-01
2021-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2020-12-01
2020-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2019-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-07-28
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-05-25
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 1
2018-03-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2018-01-01
2017-10-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2017-09-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2017-01-01
2016-09-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2, 2
2016-01-01
2015-08-01
2015-01-01
2014-01-06
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2 y 7 más
2014-01-01
2013-07-01
2013-06-29
2013-01-01
Wet kinderopvang — art. 1
2012-10-01
2012-09-05
2012-06-14
Wet kinderopvang — arts. 1, 1
2012-01-21
Wet kinderopvang — arts. 1, 1

Wijzigingen op 2012-01-21

@@ -1264,43 +1264,43 @@
##### Artikel 3.3
1. Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (**Stb.** 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01), ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01), is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (**Stb.** 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21), ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21), is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop [artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) betrekking heeft.
##### Artikel 3.6a
1. In afwijking van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01), heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan [artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.10&z=2012-01-01&g=2012-01-01), is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
1. In afwijking van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21), heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan [artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.10&z=2012-01-21&g=2012-01-21), is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
##### Artikel 3.6b
1. Voorzieningen voor gastouderopvang die niet zijn opgenomen in het register kinderopvang, worden voor de toepassing van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01), gelijk gesteld met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang op voorwaarde dat:
1. Voorzieningen voor gastouderopvang die niet zijn opgenomen in het register kinderopvang, worden voor de toepassing van [artikel 1.5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21), gelijk gesteld met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang op voorwaarde dat:
- a. van de gastouder die de opvang verzorgt in een gelijkgestelde voorziening één voorzienig voor gastouderopvang is opgenomen in het register kinderopvang; en
- b. de gelijkgestelde voorzieningen voor gastouderopvang voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Indien opvang plaatsvindt in meer dan een voorzienig van gastouderopvang heeft een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), betrekking:
- b. de gelijkgestelde voorzieningen voor gastouderopvang voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Indien opvang plaatsvindt in meer dan een voorzienig van gastouderopvang heeft een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), betrekking:
- a. op het woonadres van de gastouder, indien de gastouderopvang zal plaatsvinden op zowel het woonadres van de gastouder als op het woonadres van een of meer ouders; of
- b. op een van de woonadressen van de ouders, indien de gastouderopvang uitsluitend zal plaatsvinden op twee of meer woonadressen van ouders.
3. Indien de gastouder van wie een voorziening voor gastouderopvang met het woonadres van een ouder is ingeschreven in het register kinderopvang, na die inschrijving tevens opvang gaat bieden op het eigen woonadres, wordt dit aangemerkt als een wijziging in de gegevens als bedoeld in [artikel 1.47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
4. Op het in exploitatie nemen van een op grond van het eerste lid gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang zijn de [artikelen 1.45 tot en met 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01) niet van toepassing.
5. Een ouder die gebruik maakt van een of meer voorzieningen die zijn gelijkgesteld op grond van het eerste lid, verstrekt het in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.10&z=2012-01-01&g=2012-01-01) bedoelde unieke nummer dat is afgegeven voor de geregistreerde voorziening bedoeld in het eerste lid, onder a, eveneens ten aanzien van de gelijkgestelde voorzieningen.
3. Indien de gastouder van wie een voorziening voor gastouderopvang met het woonadres van een ouder is ingeschreven in het register kinderopvang, na die inschrijving tevens opvang gaat bieden op het eigen woonadres, wordt dit aangemerkt als een wijziging in de gegevens als bedoeld in [artikel 1.47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. Op het in exploitatie nemen van een op grond van het eerste lid gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang zijn de [artikelen 1.45 tot en met 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21) niet van toepassing.
5. Een ouder die gebruik maakt van een of meer voorzieningen die zijn gelijkgesteld op grond van het eerste lid, verstrekt het in [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.10&z=2012-01-21&g=2012-01-21) bedoelde unieke nummer dat is afgegeven voor de geregistreerde voorziening bedoeld in het eerste lid, onder a, eveneens ten aanzien van de gelijkgestelde voorzieningen.
6. Dit artikel geldt vanaf het berekeningsjaar 2011 en vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij de verschillende leden op verschillende tijdstippen kunnen vervallen.
##### Artikel 3.6c
1. De in [artikel 1.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2012-01-01&g=2012-01-01), genoemde toezichthouder kan in afwijking van [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01) tevens ten aanzien van een op grond van [artikel 3.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.6b&z=2012-01-01&g=2012-01-01), eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang onderzoeken of de exploitatie van deze voorziening redelijkerwijs plaatsvindt in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01). De artikelen 1.61, 1.62, derde lid, en [1.63 tot en met 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-01&g=2012-01-01) zijn met ingang van 1 januari 2011 van overeenkomstige toepassing op een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang.
1. De in [artikel 1.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2012-01-21&g=2012-01-21), genoemde toezichthouder kan in afwijking van [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21) tevens ten aanzien van een op grond van [artikel 3.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.6b&z=2012-01-21&g=2012-01-21), eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang onderzoeken of de exploitatie van deze voorziening redelijkerwijs plaatsvindt in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21). De artikelen 1.61, 1.62, derde lid, en [1.63 tot en met 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-21&g=2012-01-21) zijn met ingang van 1 januari 2011 van overeenkomstige toepassing op een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang.
2. Dit artikel vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
@@ -1322,7 +1322,7 @@
- **beroepskracht in opleiding:** degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang;
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 1.50b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 1.50b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **continentaal plat:** de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland;
@@ -1334,7 +1334,7 @@
- a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau;
- b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01), aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner;
- b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21), aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner;
- c. waarbij de opvang plaatsvindt:
@@ -1364,13 +1364,13 @@
- **ouder:** de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) buiten beschouwing blijft;
- **oudercommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.58&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **oudercommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.58&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **overheidswerkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=1);
- **overheidswerknemer:** de werknemer, bedoeld in [artikel 1, onderdeel p, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=1);
- **register kinderopvang:** het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **register kinderopvang:** het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5);
@@ -1390,7 +1390,7 @@
- a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze;
- b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2.1&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637);
@@ -1398,7 +1398,7 @@
##### Artikel 1.1a
1. Op deze wet is de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) van toepassing met uitzondering van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=5) op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Op deze wet is de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) van toepassing met uitzondering van [artikel 5 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=5) op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
@@ -1420,7 +1420,7 @@
4. In afwijking van [artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=4) wordt een kind voor wie de pleegouder een subsidie ontvangt op grond van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637), geacht door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden.
5. In afwijking van [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15), heeft een ouder over de berekeningsjaren 2012 en volgende geen aanspraak op kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01) over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
5. In afwijking van [artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=15), heeft een ouder over de berekeningsjaren 2012 en volgende geen aanspraak op kinderopvangtoeslag als bedoeld in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21) over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
### Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
@@ -1434,7 +1434,7 @@
2. Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
3. Indien een gastouderbureau uit het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01), wordt verwijderd, geldt de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarde van registratie van het gastouderbureau niet, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen uitlooptermijn waarbinnen de voorziening voor gastouderopvang op grond van [artikel 1.47a, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01), in het register kinderopvang ingeschreven blijft.
3. Indien een gastouderbureau uit het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21), wordt verwijderd, geldt de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarde van registratie van het gastouderbureau niet, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen uitlooptermijn waarbinnen de voorziening voor gastouderopvang op grond van [artikel 1.47a, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21), in het register kinderopvang ingeschreven blijft.
#### Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag
@@ -1514,17 +1514,17 @@
##### Artikel 1.8
1. Indien een ouder en diens partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Voor een ouder die geen partner heeft en tegenwoordige arbeid verricht als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een ouder met een partner die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), of [artikel 1.29, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
4. Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is [artikel 1.7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van overeenkomstige toepassing.
1. Indien een ouder en diens partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Voor een ouder die geen partner heeft en tegenwoordige arbeid verricht als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een ouder met een partner die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), of [artikel 1.29, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is [artikel 1.7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.9
1. De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in [artikel 1.8, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor zover toegekend aan ouders die als werknemer of overheidswerknemer tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie die ten gunste komt van het sectorfonds, bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=23), onderscheidenlijk de premie, bedoeld in [artikel 29 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=29).
1. De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in [artikel 1.8, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.8&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor zover toegekend aan ouders die als werknemer of overheidswerknemer tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie die ten gunste komt van het sectorfonds, bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=23), onderscheidenlijk de premie, bedoeld in [artikel 29 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=29).
2. De premieopslagen, bedoeld in het eerste lid, zijn verschuldigd door de werkgever onderscheidenlijk de overheidswerkgever.
@@ -1534,7 +1534,7 @@
##### Artikel 1.10
Met het oog op toepassing van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01), verstrekt de in dat lid bedoelde ouder aan de Belastingdienst/Toeslagen, het unieke nummer, bedoeld in [artikel 1.47a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01). Bij regeling van Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.
Met het oog op toepassing van [artikel 1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21), verstrekt de in dat lid bedoelde ouder aan de Belastingdienst/Toeslagen, het unieke nummer, bedoeld in [artikel 1.47a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21). Bij regeling van Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.
#### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
@@ -1542,21 +1542,21 @@
1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:
- a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=34), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=34), of [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling;
- b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;
- d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
- e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;
- a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=34), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=34), of [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling;
- b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;
- d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
- e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;
- f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht;
- g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.
2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en algemene bijstand ontvangt op grond van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en, indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.
- g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.
2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en algemene bijstand ontvangt op grond van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en, indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.
3. De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=10), en [11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=11).
@@ -1574,19 +1574,19 @@
1. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
- a. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22 eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- b. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor zover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
- a. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22 eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- b. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor zover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
- a. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- b. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
3. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in [artikel 1.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge [artikel 1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.30&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.30, tweede lid.
- a. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- b. voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
3. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in [artikel 1.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge [artikel 1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.30&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.30, tweede lid.
##### Artikel 1.25
@@ -1620,17 +1620,17 @@
1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
- a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a) of op grond van [artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;
- b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die partner bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
- c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder b;
- a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a) of op grond van [artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;
- b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die partner bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
- c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.22, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder b;
- e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht;
- f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en zijn partner een persoon als bedoeld onder b.
- f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en zijn partner een persoon als bedoeld onder b.
2. Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.
@@ -1638,11 +1638,11 @@
##### Artikel 1.30
1. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge [artikel 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is als bedoeld in [artikel 1.24, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in [artikel 1.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge [artikel 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is als bedoeld in [artikel 1.24, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
##### Artikel 1.31
@@ -1672,11 +1672,11 @@
##### Artikel 1.35
1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=34), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=34) of [artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens de gemeente. [Artikel 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-01&g=2012-01-01) is van toepassing.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a) of op grond van [artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. [Artikel 1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.30&z=2012-01-01&g=2012-01-01) is van toepassing.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een met het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar bestuursorgaan in een andere lidstaat of Zwitserland, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=34), [artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=34) of [artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van [artikel 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens de gemeente. [Artikel 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.24&z=2012-01-21&g=2012-01-21) is van toepassing.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h of i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van [artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a) of op grond van [artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van [artikel 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. [Artikel 1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.30&z=2012-01-21&g=2012-01-21) is van toepassing.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een met het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar bestuursorgaan in een andere lidstaat of Zwitserland, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de maximale duur van aanspraken, verleend op grond van het eerste of tweede lid.
@@ -1722,7 +1722,7 @@
2. De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.
3. Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01) heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
3. Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21) heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
@@ -1730,21 +1730,21 @@
##### Artikel 1.46
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een beschikking af aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.
2. In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), nadat uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een beschikking af aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.
2. In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), nadat uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
3. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
4. De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
5. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zijn verstrekt.
5. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zijn verstrekt.
6. Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in het register kinderopvang.
##### Artikel 1.47
1. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
1. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
@@ -1788,7 +1788,7 @@
7. Onze Minister deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register buitenlandse kinderopvang zijn aangetekend.
8. De [artikelen 1.45 tot en met 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [1.49 tot en met 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [5 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2012-01-01&g=2012-01-01) zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
8. De [artikelen 1.45 tot en met 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [1.49 tot en met 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50a&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en de [afdelingen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [5 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&z=2012-01-21&g=2012-01-21) zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
9. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:
@@ -1804,7 +1804,7 @@
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van buiten Nederland gevestigde kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus worden aangewezen die worden gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus, indien deze kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus voldoen aan de in het land van vestiging geldende regels met betrekking tot de kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
2. [Artikel 1.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2012-01-01&g=2012-01-01) is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
2. [Artikel 1.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2012-01-21&g=2012-01-21) is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
#### Paragraaf 2. Eisen
@@ -1884,9 +1884,9 @@
1. De houder van een kindercentrum informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder van een kindercentrum informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-01&g=2012-01-01) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor ouders gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage te leggen op een voor ouders toegankelijke plaats.
3. De houder van een kindercentrum informeert het personeel van het kindercentrum over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-01&g=2012-01-01) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor het personeel gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage te leggen op een voor het personeel toegankelijke plaats.
2. De houder van een kindercentrum informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-21&g=2012-01-21) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor ouders gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage te leggen op een voor ouders toegankelijke plaats.
3. De houder van een kindercentrum informeert het personeel van het kindercentrum over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-21&g=2012-01-21) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor het personeel gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage te leggen op een voor het personeel toegankelijke plaats.
##### Artikel 1.55
@@ -1900,7 +1900,7 @@
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
3. Op de houder van een gastouderbureau en personen, werkzaam bij een gastouderbureau, is [artikel 1.50, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is [artikel 1.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Op de houder van een gastouderbureau en personen, werkzaam bij een gastouderbureau, is [artikel 1.50, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van overeenkomstige toepassing. Op de houder van een gastouderbureau is [artikel 1.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van overeenkomstige toepassing.
4. Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.
@@ -1942,21 +1942,21 @@
5. Indien de houder van het gastouderbureau of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt deze houder of de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door deze houder of de toezichthouder vast te stellen termijn.
6. De [artikelen 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.53&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [1.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.55&z=2012-01-01&g=2012-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
6. De [artikelen 1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.53&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [1.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.55&z=2012-01-21&g=2012-01-21) zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
##### Artikel 1.57
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-01&g=2012-01-01), ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is [artikel 1.50, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van overeenkomstige toepassing.
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van [artikel 1.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-21&g=2012-01-21), ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is [artikel 1.50, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.57a
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 1.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.50, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 1.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.50, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.51&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en [1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 1.58
1. Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 1.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen.
@@ -1966,7 +1966,7 @@
##### Artikel 1.59
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor de oudercommissie een reglement vast.
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 1.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
@@ -1986,7 +1986,7 @@
1. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-01&g=2012-01-01) dan wel aan [artikel 1.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50&z=2012-01-21&g=2012-01-21) dan wel aan [artikel 1.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
@@ -2006,39 +2006,39 @@
##### Artikel 1.60a
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 1.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2012-01-01&g=2012-01-01). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 1.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=1.60&z=2012-01-21&g=2012-01-21). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. Handhaving
##### Artikel 1.61
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 1.66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2012-01-01&g=2012-01-01), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-01&g=2012-01-01) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 1.66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2012-01-21&g=2012-01-21), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-21&g=2012-01-21) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
##### Artikel 1.62
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels. [Artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-01&g=2012-01-01) is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3, van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels. [Artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-21&g=2012-01-21) is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
##### Artikel 1.63
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig [artikel 1.54, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-01&g=2012-01-01), daarover informeert.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig [artikel 1.54, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.54&z=2012-01-21&g=2012-01-21), daarover informeert.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1.61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2012-01-01&g=2012-01-01), tekortkomingen zijn geconstateerd.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1.61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.61&z=2012-01-21&g=2012-01-21), tekortkomingen zijn geconstateerd.
##### Artikel 1.64
@@ -2048,7 +2048,7 @@
##### Artikel 1.65
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens [afdeling 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
@@ -2066,7 +2066,7 @@
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01) of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21) of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
##### Artikel 1.67
@@ -2076,17 +2076,17 @@
##### Artikel 1.67a
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels.
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels.
#### Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen
##### Artikel 1.68
1. Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders, met uitzondering van de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels.
1. Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders, met uitzondering van de bij [artikel 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.50b&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend door de Inspectie van het onderwijs, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=2). De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=7), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=22) en [23 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
3. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens [afdeling 3, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
##### Artikel 1.69
@@ -2110,11 +2110,11 @@
1. Het college van burgemeester en wethouders kan:
- a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2012-01-01&g=2012-01-01) of [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
- b. de houder die een verplichting als bedoeld in [artikel 1.28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.28&z=2012-01-01&g=2012-01-01), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
- c. de ouder die een verplichting als bedoeld in [artikel 1.28, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.28&z=2012-01-01&g=2012-01-01), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
- a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 1.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.65&z=2012-01-21&g=2012-01-21) of [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 1.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=1.66&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
- b. de houder die een verplichting als bedoeld in [artikel 1.28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.28&z=2012-01-21&g=2012-01-21), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
- c. de ouder die een verplichting als bedoeld in [artikel 1.28, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.28&z=2012-01-21&g=2012-01-21), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
@@ -2126,9 +2126,9 @@
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:
- a. aan de ouder die een verplichting gesteld in [artikel 1.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.33&z=2012-01-01&g=2012-01-01) niet nakomt, een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), en [29g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29g);
- b. aan de houder die een verplichting gesteld in [artikel 1.33, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.33&z=2012-01-01&g=2012-01-01), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 1.72, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.72&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [1.80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.80&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
- a. aan de ouder die een verplichting gesteld in [artikel 1.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.33&z=2012-01-21&g=2012-01-21) niet nakomt, een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), en [29g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29g);
- b. aan de houder die een verplichting gesteld in [artikel 1.33, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.33&z=2012-01-21&g=2012-01-21), niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 1.72, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.72&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en [1.80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.80&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
### Afdeling 6. Experimenten
@@ -2144,19 +2144,19 @@
- d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2012-01-01&g=2012-01-01), wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a, [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), met uitzondering van [artikel 1.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2012-01-01&g=2012-01-01), alsmede van [afdeling 4, paragrafen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [afdeling 5, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk.
Bij die regels kan worden afgeweken van [artikel 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2012-01-21&g=2012-01-21), wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a, [artikel 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), met uitzondering van [artikel 1.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.48&z=2012-01-21&g=2012-01-21), alsmede van [afdeling 4, paragrafen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en [afdeling 5, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld aan de deelname aan een experiment.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de [artikelen 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=5&artikel=1.35&z=2012-01-01&g=2012-01-01) aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de [artikelen 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=1.22&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=1.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=5&artikel=1.35&z=2012-01-21&g=2012-01-21) aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.88
1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2012-01-01&g=2012-01-01), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 1.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=6&artikel=1.87&z=2012-01-21&g=2012-01-21), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
##### Artikel 1.89
@@ -2170,11 +2170,11 @@
In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- **beroepskracht:** degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **beroepskracht:** degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **beroepskracht in opleiding:** degene die de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) volgt, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 2.8, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **beroepskracht voorschoolse educatie:** degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in [artikel 2.8, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
@@ -2184,17 +2184,17 @@
- **ouder:** bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) buiten beschouwing blijft;
- **oudercommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.15&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **oudercommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.15&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **peuterspeelzaalwerk:** de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;
- **peuterspeelzaal:** voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
- **register peuterspeelzaalwerk:** het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- **register peuterspeelzaalwerk:** het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- **voorschoolse educatie:** uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
- **vrijwilliger:** degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
- **vrijwilliger:** degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
### Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
@@ -2202,29 +2202,29 @@
1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.
2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-01&g=2012-01-01) heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-21&g=2012-01-21) heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
##### Artikel 2.3
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een beschikking af aan de houder.
2. In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), nadat uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van dit hoofdstuk, bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een beschikking af aan de houder.
2. In de beschikking die volgt op de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), nadat uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk, bepaalt het college van burgemeester en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
3. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zijn verstrekt.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge [artikel 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zijn verstrekt.
##### Artikel 2.4
1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register peuterspeelzaalwerk.
1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register peuterspeelzaalwerk.
2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat de wijziging in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
##### Artikel 2.4a
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van het peuterspeelzaalwerk alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze [afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gestelde regels.
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van het peuterspeelzaalwerk alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze [afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register peuterspeelzaalwerk. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
@@ -2300,9 +2300,9 @@
1. De houder informeert de ouders van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder informeert de ouders wier kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2012-01-01&g=2012-01-01) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor ouders gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage leggen op een voor ouders toegankelijke plaats.
3. De houder informeert het personeel over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2012-01-01&g=2012-01-01) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor het personeel gemakkelijk vindbaar is dan wel ter inzage te leggen op een voor het personeel toegankelijke plaats.
2. De houder informeert de ouders wier kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2012-01-21&g=2012-01-21) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor ouders gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage leggen op een voor ouders toegankelijke plaats.
3. De houder informeert het personeel over een inspectierapport als bedoeld in [artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2012-01-21&g=2012-01-21) door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor het personeel gemakkelijk vindbaar is dan wel ter inzage te leggen op een voor het personeel toegankelijke plaats.
##### Artikel 2.12
@@ -2312,7 +2312,7 @@
##### Artikel 2.13
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en Gezin, beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en Gezin, beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.9&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
@@ -2324,7 +2324,7 @@
##### Artikel 2.15
1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in [artikel 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen.
@@ -2334,7 +2334,7 @@
##### Artikel 2.16
1. De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor de oudercommissie een reglement vast.
1. De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), voor de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
@@ -2354,7 +2354,7 @@
1. De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van de houder met betrekking tot:
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01);
- a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan [artikel 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21);
- b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
@@ -2374,282 +2374,286 @@
##### Artikel 2.18
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 2.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2012-01-01&g=2012-01-01). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in [artikel 2.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.17&z=2012-01-21&g=2012-01-21). De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De [artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=3c) en [4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=4) zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
### Afdeling 3. Handhaving
##### Artikel 2.19
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2012-01-01&g=2012-01-01) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2012-01-01&g=2012-01-01), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2012-01-01&g=2012-01-01) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2012-01-21&g=2012-01-21) gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens [artikel 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2012-01-21&g=2012-01-21), gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.8&z=2012-01-21&g=2012-01-21) vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
##### Artikel 2.20
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gestelde regels. [Artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.21&z=2012-01-21&g=2012-01-21) is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
##### Artikel 2.21
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig [artikel 2.11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.11&z=2012-01-21&g=2012-01-21), daarover informeert.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als bedoeld in [artikel 2.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.19&z=2012-01-21&g=2012-01-21), tekortkomingen zijn geconstateerd.
##### Artikel 2.22
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
#### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
##### Artikel 2.23
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
##### Artikel 2.24
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-21&g=2012-01-21) of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen.
##### Artikel 2.25
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van deze afdeling in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
##### Artikel 2.26
1. Wanneer het college van burgemeester en wethouders een krachtens deze wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een krachtens deze wet gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van de gemeente.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing dan nadat het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid is gesteld binnen een door Onze Minister gestelde termijn alsnog de in het eerste lid bedoelde taken uit te voeren.
### Afdeling 4. Sancties
##### Artikel 2.27
Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
##### Artikel 2.28
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2012-01-21&g=2012-01-21) of [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
### Afdeling 5. Experimenten
##### Artikel 2.29
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming van innovatief peuterspeelzaalwerk mogelijk te maken, vormen van peuterspeelzaalwerk worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld omtrent:
- a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk;
- b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
- c. de hoogte van de ouderbijdrage voor peuterspeelzaalwerk;
- d. de duur van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van dit hoofdstuk.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 2.30
1. Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2012-01-21&g=2012-01-21), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
##### Artikel 2.31
Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
### Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
#### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
##### Artikel 3.1
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21). [Artikel 1.46, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2012-01-21&g=2012-01-21), alsmede [artikel 1.47, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zijn van toepassing.
2. Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft [artikel 1.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2012-01-21&g=2012-01-21), zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
3. Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
4. De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
5. De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-21&g=2012-01-21), is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
##### Artikel 3.2
1. Ter uitvoering van [artikel 1.49, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2012-01-21&g=2012-01-21), is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (**Stb.** 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
2. Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde beoordeling.
3. Het gastouderbureau stelt de in het tweede lid bedoelde ouders voor de aanvang van het in het eerste lid bedoelde eerste kalenderjaar in kennis van zijn oordeel over de verwachtingen met betrekking tot het tijdig kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen door de gastouder.
4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.
5. Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
6. De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.
7. Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
8. Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-21&g=2012-01-21), is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
##### Artikel 3.4
1. Een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-21&g=2012-01-21), die is gedaan ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), geldt als aanvraag gedaan op de eerste dag van inwerkingtreding van dat [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I).
2. Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-21&g=2012-01-21), inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van deze wet zoals luidend na inwerkingtreding van de [in het eerste lid genoemde wijzigingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299), dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemd [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), geldt als oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van inwerkingtreding.
##### Artikel 3.5
1. Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde wijzigingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van de vulling van het register kinderopvang.
2. Aan het bepaalde in de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2012-01-21&g=2012-01-21) kan bij ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299) in het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere uitvoering worden gegeven.
##### Artikel 3.6
De [artikelen 3.1 tot en met 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2012-01-21&g=2012-01-21) vervallen drie jaar na inwerkingtreding van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299).
##### Artikel 3.7
1. [Afdeling 2 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [artikel 1.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.86&z=2012-01-21&g=2012-01-21) zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) respectievelijk [artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a).
2. Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de [artikelen 74 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) onderscheidenlijk [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a), [34 tot en met 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=34), [45 tot en met 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=45) en [53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=53), zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
##### Artikel 3.8
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de [Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705) verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de [Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705), zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
##### Artikel 3.9
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 2.21
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de houder, die de ouders en het personeel overeenkomstig [artikel 2.11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.11&z=2012-01-01&g=2012-01-01), daarover informeert.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als bedoeld in [artikel 2.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.19&z=2012-01-01&g=2012-01-01), tekortkomingen zijn geconstateerd.
##### Artikel 2.22
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
#### Paragraaf 3. Slotbepalingen
##### Artikel 3.10
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2. Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.
3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
##### Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-21&g=2012-01-21), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-21&g=2012-01-21), en [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-21&g=2012-01-21), vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 3.12
1. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit over de werking ervan.
2. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
3. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de [genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299).
##### Artikel 3.13
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21).
##### Artikel 3.14
Indien er op het moment van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van [artikel 2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.16&z=2012-01-21&g=2012-01-21) voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-21&g=2012-01-21) een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
##### Artikel 3.15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
#### Paragraaf 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.6a
In afwijking van de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-21&g=2012-01-21) en [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-21&g=2012-01-21), heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b.
#### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
#### Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
#### Paragraaf 6. Invordering
#### Paragraaf 7. Overige bepalingen
### Afdeling 3. Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
#### Paragraaf 2. Eisen
### Afdeling 4. Handhaving
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
### Afdeling 5. Opsporing en sancties
#### Paragraaf 1. Opsporing
#### Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
### Afdeling 6. Experimenten
### Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
### Afdeling 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
### Afdeling 3. Handhaving
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
#### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
##### Artikel 2.23
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens [afdeling 2, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
##### Artikel 2.24
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2.20&z=2012-01-01&g=2012-01-01) of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen.
##### Artikel 2.25
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van deze afdeling in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
##### Artikel 2.26
1. Wanneer het college van burgemeester en wethouders een krachtens deze wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een krachtens deze wet gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van de gemeente.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing dan nadat het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid is gesteld binnen een door Onze Minister gestelde termijn alsnog de in het eerste lid bedoelde taken uit te voeren.
### Afdeling 4. Sancties
##### Artikel 2.27
Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
##### Artikel 2.28
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.23&z=2012-01-01&g=2012-01-01) of [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens [artikel 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2.24&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
### Afdeling 5. Experimenten
##### Artikel 2.29
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming van innovatief peuterspeelzaalwerk mogelijk te maken, vormen van peuterspeelzaalwerk worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld omtrent:
- a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk;
- b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
- c. de hoogte van de ouderbijdrage voor peuterspeelzaalwerk;
- d. de duur van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in [afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van dit hoofdstuk.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 2.30
1. Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=5&artikel=2.29&z=2012-01-01&g=2012-01-01), eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
##### Artikel 2.31
Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
### Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
#### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
##### Artikel 3.1
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01). [Artikel 1.46, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2012-01-01&g=2012-01-01), alsmede [artikel 1.47, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zijn van toepassing.
2. Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft [artikel 1.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.46&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
3. Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in [artikel 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
4. De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
5. De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.62&z=2012-01-01&g=2012-01-01), is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
##### Artikel 3.2
1. Ter uitvoering van [artikel 1.49, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.49&z=2012-01-01&g=2012-01-01), is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (**Stb.** 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
2. Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde beoordeling.
3. Het gastouderbureau stelt de in het tweede lid bedoelde ouders voor de aanvang van het in het eerste lid bedoelde eerste kalenderjaar in kennis van zijn oordeel over de verwachtingen met betrekking tot het tijdig kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen door de gastouder.
4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.
5. Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
6. De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.
7. Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
8. Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in [artikel 1.47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.47a&z=2012-01-01&g=2012-01-01), is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
##### Artikel 3.4
1. Een aanvraag als bedoeld in [artikel 1.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.45&z=2012-01-01&g=2012-01-01), die is gedaan ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), geldt als aanvraag gedaan op de eerste dag van inwerkingtreding van dat [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I).
2. Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in [artikel 1.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=1.63&z=2012-01-01&g=2012-01-01), inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van deze wet zoals luidend na inwerkingtreding van de [in het eerste lid genoemde wijzigingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299), dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemd [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I), geldt als oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van inwerkingtreding.
##### Artikel 3.5
1. Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde wijzigingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I) aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van de vulling van het register kinderopvang.
2. Aan het bepaalde in de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2012-01-01&g=2012-01-01) kan bij ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299) in het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere uitvoering worden gegeven.
##### Artikel 3.6
De [artikelen 3.1 tot en met 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2012-01-01&g=2012-01-01) vervallen drie jaar na inwerkingtreding van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299).
##### Artikel 3.7
1. [Afdeling 2 van hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [artikel 1.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=5&paragraaf=2&artikel=1.86&z=2012-01-01&g=2012-01-01) zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in [artikel 1.6, eerste lid, onder h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) respectievelijk [artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a).
2. Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de [artikelen 74 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=74) onderscheidenlijk [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=22a), [34 tot en met 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=34), [45 tot en met 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=45) en [53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=53), zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
##### Artikel 3.8
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de [Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705) verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de [Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705), zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
##### Artikel 3.9
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 3. Slotbepalingen
##### Artikel 3.10
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2. Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.
3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
##### Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de [artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=1.56b&z=2012-01-01&g=2012-01-01), vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 3.12
1. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit over de werking ervan.
2. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
3. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de [wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de [genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299).
##### Artikel 3.13
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in [artikel 2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01).
##### Artikel 3.14
Indien er op het moment van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van [artikel 2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2.16&z=2012-01-01&g=2012-01-01) voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van [afdeling 2 van hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=2&afdeling=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
##### Artikel 3.15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
##### Artikel 3.14a
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. De [artikelen 1, onder b, 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=1), [2, negende lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), en 3c, van de [Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414) vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
#### Paragraaf 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 1.6a
In afwijking van de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b.
#### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
#### Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
#### Paragraaf 6. Invordering
#### Paragraaf 7. Overige bepalingen
### Afdeling 3. Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
#### Paragraaf 2. Eisen
### Afdeling 4. Handhaving
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
### Afdeling 5. Opsporing en sancties
#### Paragraaf 1. Opsporing
#### Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
### Afdeling 6. Experimenten
### Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
### Afdeling 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
### Afdeling 3. Handhaving
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
#### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
### Afdeling 4. Sancties
### Afdeling 5. Experimenten
### Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
#### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
#### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
#### Paragraaf 3. Slotbepalingen
##### Artikel 3.14a
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. De [artikelen 1, onder b, 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=1), [2, negende lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2), [2a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414&artikel=2a), en 3c, van de [Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414) vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2012-01-01
2011-10-29
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 1 y 52 más
2010-08-01
2010-01-01
2009-11-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 12 más
2009-10-01
2009-07-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 13 más
2009-03-25
Wet kinderopvang — arts. 45, 46, 47 y 18 más
2009-01-01
2008-02-27
2007-10-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 41 más
2007-01-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 41 más
2006-12-20
2006-10-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-04-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-02-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 69 más
2006-01-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 45 y 75 más
2005-12-29
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 49 más
2005-09-01
Wet kinderopvang — arts. 45, 45, 46 y 51 más
2005-07-29
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 5 y 83 más
2005-07-01
2005-04-27
2005-01-01
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 5 y 83 más
2004-10-30
Wet kinderopvang — arts. 1, 1, 2 y 134 más
2004-10-30
Wet kinderopvang
original version Tekst op deze datum