Wijzigingsgeschiedenis
Rijkswet van 2 december 2004, houdende instelling van een Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid)
10 versions
· 2022-05-01
2022-05-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 8, 10, 16 y 2 más
2021-01-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid
2020-04-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 6, 7, 8 y 16 más
2020-01-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 6, 7, 8 y 17 más
2010-10-10
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 6, 7, 8 y 18 más
2007-02-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid
2006-02-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 1, 6, 7 y 29 más
2005-02-14
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 1, 6, 7 y 30 más
Wijzigingen op 2005-02-14
@@ -16,11 +16,11 @@
- b. Onze Minister van Justitie: Onze Minister van Justitie van Nederland, tenzij anders wordt bepaald;
- c. de raad: de Onderzoeksraad voor veiligheid, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01);
- d. de leden van de raad: zowel de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), als de buitengewone leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01);
- e. het bureau: het bureau, bedoeld in [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=11&z=2005-02-01&g=2005-02-01);
- c. de raad: de Onderzoeksraad voor veiligheid, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-14&g=2005-02-14);
- d. de leden van de raad: zowel de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), als de buitengewone leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14);
- e. het bureau: het bureau, bedoeld in [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=11&z=2005-02-14&g=2005-02-14);
- f. voorval: gebeurtenis die de dood of letsel van een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu veroorzaakt, alsmede een gebeurtenis die gevaar voor een dergelijk gevolg in het leven heeft geroepen;
@@ -134,13 +134,13 @@
3. De raad doet aan zijn beraadslagingen ten aanzien van individuele of categorieën voorvallen daarvoor in aanmerking komende buitengewone leden deelnemen.
4. Aan de beraadslagingen van de raad nemen buitengewone leden niet deel voor de toepassing van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=4&artikel=16&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=4&artikel=17&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=20&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=23&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=25&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=26&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=65&z=2005-02-01&g=2005-02-01) en [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=6&artikel=71&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
4. Aan de beraadslagingen van de raad nemen buitengewone leden niet deel voor de toepassing van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=4&artikel=16&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=4&artikel=17&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=20&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=23&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=25&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=26&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=65&z=2005-02-14&g=2005-02-14) en [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=6&artikel=71&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
##### Artikel 7
1. De leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), worden bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.
2. De leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01),worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, gedaan in overeenstemming met Onze Minister in Nederland wie het mede aangaat, benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.
1. De leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), worden bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.
2. De leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14),worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, gedaan in overeenstemming met Onze Minister in Nederland wie het mede aangaat, benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.
3. De keuze van de leden van de raad geschiedt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in de raad aanwezig is. In de raad is in ieder geval deskundigheid aanwezig op het terrein van defensie en transport. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld.
@@ -156,9 +156,9 @@
##### Artikel 8
1. Een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), wordt bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter van de raad.
2. Een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), wordt bij koninklijk besluit benoemd tot plaatsvervangend voorzitter van de raad.
1. Een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), wordt bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter van de raad.
2. Een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), wordt bij koninklijk besluit benoemd tot plaatsvervangend voorzitter van de raad.
##### Artikel 9
@@ -172,9 +172,9 @@
1. De raad kan commissies instellen.
2. Een commissie bestaat uit een of meer leden van de raad als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), en een of meer leden als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
3. De raad wijst een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), aan als voorzitter van de commissie.
2. Een commissie bestaat uit een of meer leden van de raad als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), en een of meer leden als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
3. De raad wijst een van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), aan als voorzitter van de commissie.
4. De raad kan een commissie de bevoegdheid verlenen namens hem beslissingen te nemen.
@@ -190,7 +190,7 @@
4. De keuze van de medewerkers van het bureau geschiedt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in het bureau aanwezig is. De functie van medewerker van het bureau, waaronder begrepen die van algemeen secretaris, wordt aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1).
5. Tot de medewerkers van het bureau behoren door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met de voorzitter van de raad aldaar met behoud van hun rechtspositie geplaatste militairen, die worden ingezet bij het onderzoek van voorvallen als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-01&g=2005-02-01). Zij kunnen door de raad ook voor andere onderzoekstaken worden ingezet.
5. Tot de medewerkers van het bureau behoren door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met de voorzitter van de raad aldaar met behoud van hun rechtspositie geplaatste militairen, die worden ingezet bij het onderzoek van voorvallen als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-14&g=2005-02-14). Zij kunnen door de raad ook voor andere onderzoekstaken worden ingezet.
##### Artikel 12
@@ -198,7 +198,7 @@
##### Artikel 13
1. Op de rechtspositie van de secretaris en de medewerkers van het bureau, genoemd in [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=11&z=2005-02-01&g=2005-02-01), zijn de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries van toepassing, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de raad.
1. Op de rechtspositie van de secretaris en de medewerkers van het bureau, genoemd in [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=11&z=2005-02-14&g=2005-02-14), zijn de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries van toepassing, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de raad.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde regels.
@@ -206,7 +206,7 @@
1. Onze Minister wie het aangaat, kan op verzoek van de raad een of meer onder hem ressorterende deskundigen aanwijzen, die met inachtneming van de door of namens de raad gegeven aanwijzingen de raad tijdens het verrichten van een nader aangeduid onderzoek bijstaan.
2. Voor het onderzoek van een voorval als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-01&g=2005-02-01), wordt slechts bijstand verleend door deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, aan wie op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277) een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt van de veiligheid van de staat of andere gewichtige belangen van de staat geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een vertrouwensfunctie, behoudens in gevallen waarin door Onze Minister van Defensie anders wordt beslist.
2. Voor het onderzoek van een voorval als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-14&g=2005-02-14), wordt slechts bijstand verleend door deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, aan wie op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277) een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt van de veiligheid van de staat of andere gewichtige belangen van de staat geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een vertrouwensfunctie, behoudens in gevallen waarin door Onze Minister van Defensie anders wordt beslist.
3. Onze Minister onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie kan ten aanzien van een ander voorval dan in het tweede lid bedoeld bepalen dat voor het onderzoek daarvan slechts bijstand wordt verleend door deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, aan wie een verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven.
@@ -232,7 +232,7 @@
##### Artikel 16
1. Een medewerker van het bureau alsmede een op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-01&g=2005-02-01), aangewezen deskundige meldt onverwijld aan de voorzitter van de raad dat het onderzoek:
1. Een medewerker van het bureau alsmede een op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-14&g=2005-02-14), aangewezen deskundige meldt onverwijld aan de voorzitter van de raad dat het onderzoek:
- a. hemzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat;
@@ -244,7 +244,7 @@
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de algemeen secretaris aangemerkt als medewerker van het bureau.
3. Indien de raad op grond van het eerste lid daarom verzoekt, vervangt Onze Minister wie het aangaat, in het desbetreffende onderzoek een of meer deskundigen, aangewezen op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
3. Indien de raad op grond van het eerste lid daarom verzoekt, vervangt Onze Minister wie het aangaat, in het desbetreffende onderzoek een of meer deskundigen, aangewezen op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
##### Artikel 17
@@ -370,7 +370,7 @@
##### Artikel 32
Het ten aanzien van de onderzoekers gestelde bij of krachtens de [artikelen 33 tot en met 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=33&z=2005-02-01&g=2005-02-01) en [artikel 69, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-01&g=2005-02-01), geldt voor de leden van de raad, de medewerkers van het bureau, voor zover als onderzoeker bij hun aanstelling aangewezen, en op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-01&g=2005-02-01), aangewezen deskundigen.
Het ten aanzien van de onderzoekers gestelde bij of krachtens de [artikelen 33 tot en met 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=33&z=2005-02-14&g=2005-02-14) en [artikel 69, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-14&g=2005-02-14), geldt voor de leden van de raad, de medewerkers van het bureau, voor zover als onderzoeker bij hun aanstelling aangewezen, en op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=3&artikel=14&z=2005-02-14&g=2005-02-14), aangewezen deskundigen.
##### Artikel 33
@@ -424,7 +424,7 @@
1. Een ieder is verplicht aan een onderzoeker binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
2. Onze Minister, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Justitie kunnen bij het verlenen van medewerking door henzelf of door onder hen ressorterende personen aangeven dat daarbij aangeduide informatie vertrouwelijk aan de raad wordt verstrekt. Het vertrouwelijk verstrekken van informatie aan de raad geschiedt met overeenkomstige toepassing van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-01&g=2005-02-01). De vertrouwelijk verstrekte informatie wordt niet openbaar gemaakt.
2. Onze Minister, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Justitie kunnen bij het verlenen van medewerking door henzelf of door onder hen ressorterende personen aangeven dat daarbij aangeduide informatie vertrouwelijk aan de raad wordt verstrekt. Het vertrouwelijk verstrekken van informatie aan de raad geschiedt met overeenkomstige toepassing van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-14&g=2005-02-14). De vertrouwelijk verstrekte informatie wordt niet openbaar gemaakt.
3. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voorzover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Degenen voor wie een wettelijk voorschrift geldt dat verplicht tot geheimhouding behoudens voorzover enig ander wettelijk voorschrift tot bekendmaking of medewerking verplicht, kunnen eveneens hun medewerking weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn.
@@ -432,7 +432,7 @@
##### Artikel 41
1. De raad beslist of een onderzoek wordt ingesteld, onverminderd het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
1. De raad beslist of een onderzoek wordt ingesteld, onverminderd het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
2. De voorzitter van de raad kan beslissen dat, vooruitlopend op de beslissing van de raad, bedoeld in het eerste lid, reeds voorlopig een onderzoek wordt ingesteld. De voorzitter van de raad kan aan een ander lid van de raad of de algemeen secretaris de bevoegdheid verlenen om namens hem deze beslissing te nemen.
@@ -454,7 +454,7 @@
1. Onze Minister wie het aangaat in Nederland, de commissaris van de Koning of de burgemeester kan een schriftelijk verzoek tot het instellen van een onderzoek indienen bij de raad.
2. De raad beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst en stelt de indiener van het verzoek van zijn beslissing in kennis. De raad kan deze termijn eenmaal met vier weken verlengen. Van de verlenging brengt de raad de indiener van het verzoek op de hoogte. [Artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=41&z=2005-02-01&g=2005-02-01), is niet van toepassing.
2. De raad beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst en stelt de indiener van het verzoek van zijn beslissing in kennis. De raad kan deze termijn eenmaal met vier weken verlengen. Van de verlenging brengt de raad de indiener van het verzoek op de hoogte. [Artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=41&z=2005-02-14&g=2005-02-14), is niet van toepassing.
3. Indien de raad negatief beslist op een verzoek wordt deze beslissing met redenen omkleed.
@@ -504,9 +504,9 @@
- a. de natuurlijke personen, rechtspersonen of bestuursorganen waarvan het handelen of nalaten blijkens het voorlopig oordeel van de raad heeft bijgedragen tot het ontstaan van het voorval, of de nabestaanden van een natuurlijke persoon als hiervoor bedoeld;
- b. de in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=45&z=2005-02-01&g=2005-02-01) bedoelde vertegenwoordigers die aan het onderzoek deelnemen;
- c. Onze Minister van Defensie, indien het een onderzoek betreft van een voorval als bedoeld in [artikel 4, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-01&g=2005-02-01);
- b. de in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=45&z=2005-02-14&g=2005-02-14) bedoelde vertegenwoordigers die aan het onderzoek deelnemen;
- c. Onze Minister van Defensie, indien het een onderzoek betreft van een voorval als bedoeld in [artikel 4, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=4&z=2005-02-14&g=2005-02-14);
- d. Onze Minister onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, na een daartoe strekkend verzoek.
@@ -514,7 +514,7 @@
##### Artikel 49
Indien de raad beslist tot het houden van een zitting, kan hij bepalen dat degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-01&g=2005-02-01), op het voorval betrekking hebbende stukken kunnen inzien indien dat naar zijn oordeel uit een oogpunt van waarheidsvinding noodzakelijk is. Degenen die stukken inzien zijn, anders dan in contacten ter voorbereiding van de behandeling ter zitting, tot geheimhouding verplicht.
Indien de raad beslist tot het houden van een zitting, kan hij bepalen dat degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-14&g=2005-02-14), op het voorval betrekking hebbende stukken kunnen inzien indien dat naar zijn oordeel uit een oogpunt van waarheidsvinding noodzakelijk is. Degenen die stukken inzien zijn, anders dan in contacten ter voorbereiding van de behandeling ter zitting, tot geheimhouding verplicht.
##### Artikel 50
@@ -536,7 +536,7 @@
5. De voorzitter van de raad kan de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied de raad zitting houdt, verzoeken de getuige of deskundige bij niet verschijnen ter zitting van de raad te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging.
6. De natuurlijke personen, bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-01&g=2005-02-01), alsmede vertegenwoordigers van de daar bedoelde rechtspersonen of bestuursorganen, hebben het recht op hun verzoek als getuigen ter zitting te worden gehoord indien zij niet door de raad zijn opgeroepen.
6. De natuurlijke personen, bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-14&g=2005-02-14), alsmede vertegenwoordigers van de daar bedoelde rechtspersonen of bestuursorganen, hebben het recht op hun verzoek als getuigen ter zitting te worden gehoord indien zij niet door de raad zijn opgeroepen.
##### Artikel 52
@@ -568,7 +568,7 @@
- c. indien daartoe aanleiding bestaat, de constatering van structurele veiligheidstekorten en daaraan verbonden aanbevelingen.
3. In het rapport worden gegevens, ontleend aan documenten en andere gegevensdragers als bedoeld in [artikel 69, eerste lid, onderdeel a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-01&g=2005-02-01), slechts opgenomen voor zover zij wezenlijk zijn voor de analyse van de toedracht van het voorval of de onderbouwing van de conclusies. Het rapport vermeldt niet de naam, het adres of identificatiegegevens van gelijksoortige aard ten aanzien van de personen die betrokken zijn bij een ongeval of incident.
3. In het rapport worden gegevens, ontleend aan documenten en andere gegevensdragers als bedoeld in [artikel 69, eerste lid, onderdeel a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-14&g=2005-02-14), slechts opgenomen voor zover zij wezenlijk zijn voor de analyse van de toedracht van het voorval of de onderbouwing van de conclusies. Het rapport vermeldt niet de naam, het adres of identificatiegegevens van gelijksoortige aard ten aanzien van de personen die betrokken zijn bij een ongeval of incident.
4. De raad kan een rapport in twee gedeelten uitbrengen indien hij een onderzoek instelt naar zowel een voorval als het omgaan met de gevolgen daarvan. Indien het rapport in twee gedeelten wordt uitgebracht, gelden de voorschriften met betrekking tot het rapport voor elk van beide gedeelten.
@@ -576,7 +576,7 @@
##### Artikel 56
1. De raad zendt het rapport in concept aan degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-01&g=2005-02-01). Deze kunnen schriftelijk commentaar leveren gedurende een termijn van vier weken, die aanvangt met ingang van de dag na die waarop hetconcept van het rapport is verzonden. Zij zijn tot geheimhouding van hetconcept van het rapport verplicht. De raad kan het gedeelte van het rapport, bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=55&z=2005-02-01&g=2005-02-01), buiten de toezending van het concept laten.
1. De raad zendt het rapport in concept aan degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-14&g=2005-02-14). Deze kunnen schriftelijk commentaar leveren gedurende een termijn van vier weken, die aanvangt met ingang van de dag na die waarop hetconcept van het rapport is verzonden. Zij zijn tot geheimhouding van hetconcept van het rapport verplicht. De raad kan het gedeelte van het rapport, bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=55&z=2005-02-14&g=2005-02-14), buiten de toezending van het concept laten.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gesteld over het toezenden van het rapport in concept aan andere staten onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba voor commentaar en over de voor het geven van commentaar te stellen termijn.
@@ -608,6 +608,24 @@
- f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing voorzover het milieu-informatie als bedoeld in [artikel 19.1a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=19.1a) betreft die betrekking heeft op de emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van genoemde bepaling het opnemen van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van opname in het rapport niet opweegt tegen het daar genoemde belang.
4. Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van toepassing op het opnemen in het rapport van milieu-informatie, als bedoeld in a[rtikel 19.1a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=19.1a), voorzover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.
5. Het tweede lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met opname in het rapport.
6. Het tweede lid, aanhef en onderdeel f, is niet van toepassing op het opnemen in het rapport van milieu-informatie als bedoeld in [artikel 19.1a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=19.1a).
7. Het opnemen in het rapport van milieu-informatie, als bedoeld in [artikel 19.1a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=19.1a), blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
- a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
- b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.
8. Bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie wordt in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.
9. Het derde tot en met het achtste lid is niet van toepassing op milieu-informatie die op de Nederlandse Antillen en Aruba betrekking heeft.
##### Artikel 58
1. De raad zorgt ervoor dat het onderzoek zo efficiënt mogelijk en in zo kort mogelijke tijd wordt verricht.
@@ -618,7 +636,7 @@
1. De raad maakt het rapport openbaar.
2. De raad zendt het rapport in elk geval aan Onze Minister wie het aangaat, en de natuurlijke persoon, de betrokken onderneming, de betrokken nationale luchtvaartautoriteit, de rechtspersoon of het bestuursorgaan waartoe een aanbeveling zich richt. De raad zendt het rapport in elk geval tevens in afschrift aan Onze Minister, een betrokken bestuursorgaan en degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
2. De raad zendt het rapport in elk geval aan Onze Minister wie het aangaat, en de natuurlijke persoon, de betrokken onderneming, de betrokken nationale luchtvaartautoriteit, de rechtspersoon of het bestuursorgaan waartoe een aanbeveling zich richt. De raad zendt het rapport in elk geval tevens in afschrift aan Onze Minister, een betrokken bestuursorgaan en degenen die zijn bedoeld in [artikel 48, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=48&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het in daarbij aangewezen gevallen toezenden van het rapport aan een buitenlandse staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel een internationale organisatie.
@@ -628,7 +646,7 @@
##### Artikel 60
1. Indien als gevolg van toepassing van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-01&g=2005-02-01), bepaalde informatie niet in het rapport kan worden opgenomen die naar het oordeel van de raad wezenlijk is voor de analyse van de toedracht van het voorval of de onderbouwing van de conclusies, kan de raad beslissen de informatie en de daarop gebaseerde conclusies en aanbevelingen te zenden aan de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bestuursorgaan waartoe de aanbeveling zich richt en bij wie respectievelijk waarbij de informatie reeds bekend is.
1. Indien als gevolg van toepassing van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-14&g=2005-02-14), bepaalde informatie niet in het rapport kan worden opgenomen die naar het oordeel van de raad wezenlijk is voor de analyse van de toedracht van het voorval of de onderbouwing van de conclusies, kan de raad beslissen de informatie en de daarop gebaseerde conclusies en aanbevelingen te zenden aan de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bestuursorgaan waartoe de aanbeveling zich richt en bij wie respectievelijk waarbij de informatie reeds bekend is.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de raad afzien van het uitbrengen van een openbaar rapport.
@@ -640,7 +658,7 @@
##### Artikel 62
1. De raad kan beslissen het onderzoek tussentijds te beëindigen, indien het onderzoek naar zijn oordeel geen zinvolle aanbevelingen zal opleveren, onverminderd het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
1. De raad kan beslissen het onderzoek tussentijds te beëindigen, indien het onderzoek naar zijn oordeel geen zinvolle aanbevelingen zal opleveren, onverminderd het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
2. Indien de raad toepassing geeft aan het eerste lid stelt hij Onze Minister wie het aangaat, alsmede in voorkomende gevallen het bestuur van een provincie of gemeente daarvan in kennis.
@@ -702,7 +720,7 @@
- f. door de raad opgestelde documenten.
2. Ten behoeve van een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek of een procedure tot oplegging van een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel kunnen gegevensdragers als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, met uitzondering van het in [artikel 55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=55&z=2005-02-01&g=2005-02-01), bedoelde rapport, niet ter inzage worden gevorderd of in beslag worden genomen. Op verzoek kunnen verklaringen als bedoeld in het eerste lid onderdeel a echter ter inzage worden gegeven, indien degene die de verklaring heeft afgelegd, daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven en kan informatie als bedoeld in onderdeel c ter beschikking worden gesteld, indien degene wie de informatie betreft, daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
2. Ten behoeve van een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek of een procedure tot oplegging van een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel kunnen gegevensdragers als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, met uitzondering van het in [artikel 55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=55&z=2005-02-14&g=2005-02-14), bedoelde rapport, niet ter inzage worden gevorderd of in beslag worden genomen. Op verzoek kunnen verklaringen als bedoeld in het eerste lid onderdeel a echter ter inzage worden gegeven, indien degene die de verklaring heeft afgelegd, daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven en kan informatie als bedoeld in onderdeel c ter beschikking worden gesteld, indien degene wie de informatie betreft, daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen gegevensdragers als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, als bewijs worden gebruikt en ter inzage worden gevorderd of in beslag worden genomen, indien het een strafrechtelijk onderzoek betreft naar een gijzeling, moord, doodslag of een strafbaar feit met het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te destabiliseren of te vernietigen.
@@ -712,7 +730,7 @@
##### Artikel 70
De raad, de medewerkers van het bureau, de algemeen secretaris en de overige onderzoekers doen geen aangifte van strafbare feiten waarvan ze bij de uitoefening van hun functie bij de raad kennis hebben gekregen, bij een opsporingsambtenaar, met uitzondering van de gevallen bedoeld in de [artikelen 160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=160) en [162 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=162), meineed, de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-01&g=2005-02-01) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
De raad, de medewerkers van het bureau, de algemeen secretaris en de overige onderzoekers doen geen aangifte van strafbare feiten waarvan ze bij de uitoefening van hun functie bij de raad kennis hebben gekregen, bij een opsporingsambtenaar, met uitzondering van de gevallen bedoeld in de [artikelen 160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=160) en [162 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=162), meineed, de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-14&g=2005-02-14) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
#### § 6. Geheimhouding
@@ -772,15 +790,15 @@
##### Artikel 81
1. Degene die handelt in strijd met het bepaalde op grond van [artikelen 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=3&artikel=28&z=2005-02-01&g=2005-02-01), of [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=4&artikel=31&z=2005-02-01&g=2005-02-01), of in strijd met [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=49&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=51&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=6&artikel=72&z=2005-02-01&g=2005-02-01) of [74, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=74&z=2005-02-01&g=2005-02-01), wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie, bedoeld in [artikel 23 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23), dan wel, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 5.000,– onderscheidenlijk AWG 5.000,–.
1. Degene die handelt in strijd met het bepaalde op grond van [artikelen 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=3&artikel=28&z=2005-02-14&g=2005-02-14), of [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=4&artikel=31&z=2005-02-14&g=2005-02-14), of in strijd met [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=49&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=51&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=6&artikel=72&z=2005-02-14&g=2005-02-14) of [74, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=74&z=2005-02-14&g=2005-02-14), wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie, bedoeld in [artikel 23 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23), dan wel, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 5.000,– onderscheidenlijk AWG 5.000,–.
2. De krachtens het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
##### Artikel 82
1. Met de opsporing van de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-01&g=2005-02-01) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-01&g=2005-02-01), zijn, onverminderd de ambtenaren, bedoeld in [artikel 141 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de door Onze Minister en Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren.
2. Met de opsporing van de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-01&g=2005-02-01) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-01&g=2005-02-01), zijn tevens respectievelijk belast de daartoe door de overheid in de Nederlandse Antillen en door de overheid in Aruba aangewezen personen.
1. Met de opsporing van de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-14&g=2005-02-14) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-14&g=2005-02-14), zijn, onverminderd de ambtenaren, bedoeld in [artikel 141 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de door Onze Minister en Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren.
2. Met de opsporing van de bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=8&artikel=81&z=2005-02-14&g=2005-02-14) strafbaar gestelde feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, voor zover deze feiten betrekking hebben op [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=40&z=2005-02-14&g=2005-02-14), zijn tevens respectievelijk belast de daartoe door de overheid in de Nederlandse Antillen en door de overheid in Aruba aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
@@ -790,13 +808,13 @@
1. Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze rijkswet en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de raad.
2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=26&z=2005-02-01&g=2005-02-01), worden voorschriften gesteld omtrent de totstandkoming van het verslag en de betrokkenheid van de raad daarbij.
2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=5&artikel=26&z=2005-02-14&g=2005-02-14), worden voorschriften gesteld omtrent de totstandkoming van het verslag en de betrokkenheid van de raad daarbij.
### Hoofdstuk 10. Taakverwaarlozing
##### Artikel 84
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, de raad ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn taak wat de onderzoeken, bedoeld in het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-01&g=2005-02-01), betreft, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, de noodzakelijke voorzieningen treffen. In dat geval zijn op de door Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat,aan te wijzen personen de [artikelen 32 tot en met 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=32&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-01&g=2005-02-01) en [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=70&z=2005-02-01&g=2005-02-01) van overeenkomstige toepassing. Onderzoeken worden verricht met inachtneming van de [artikelen 44 tot en met 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=44&z=2005-02-01&g=2005-02-01). Voorts zijn de [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=4&artikel=31&z=2005-02-01&g=2005-02-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=73&z=2005-02-01&g=2005-02-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=74&z=2005-02-01&g=2005-02-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, de raad ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn taak wat de onderzoeken, bedoeld in het bepaalde op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=5&z=2005-02-14&g=2005-02-14), betreft, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, de noodzakelijke voorzieningen treffen. In dat geval zijn op de door Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat,aan te wijzen personen de [artikelen 32 tot en met 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=1&artikel=32&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=69&z=2005-02-14&g=2005-02-14) en [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=5&artikel=70&z=2005-02-14&g=2005-02-14) van overeenkomstige toepassing. Onderzoeken worden verricht met inachtneming van de [artikelen 44 tot en met 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=44&z=2005-02-14&g=2005-02-14). Voorts zijn de [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=4&artikel=31&z=2005-02-14&g=2005-02-14), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=73&z=2005-02-14&g=2005-02-14) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=6&artikel=74&z=2005-02-14&g=2005-02-14) van overeenkomstige toepassing.
2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
@@ -812,9 +830,9 @@
##### Artikel 86
1. In afwijking van [artikel 7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-01&g=2005-02-01), geschiedt de benoeming van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), en de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), voor de eerste maal zonder dat de raad wordt gehoord.
2. In afwijking van [artikel 7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-01&g=2005-02-01), worden twee leden van de raad als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-01&g=2005-02-01), waaronder de voorzitter, de eerste maal voor een periode van 2 jaar benoemd.
1. In afwijking van [artikel 7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-14&g=2005-02-14), geschiedt de benoeming van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), en de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), voor de eerste maal zonder dat de raad wordt gehoord.
2. In afwijking van [artikel 7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=7&z=2005-02-14&g=2005-02-14), worden twee leden van de raad als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=2&artikel=6&z=2005-02-14&g=2005-02-14), waaronder de voorzitter, de eerste maal voor een periode van 2 jaar benoemd.
##### Artikel 87
@@ -824,11 +842,11 @@
##### Artikel 88
1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01) zijn de personeelsleden van de Raad voor de Transportveiligheid, van wie naam en functie zijn vermeld op een door het bestuur van de Raad voor de Transportveiligheid vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid.
1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-14&g=2005-02-14) zijn de personeelsleden van de Raad voor de Transportveiligheid, van wie naam en functie zijn vermeld op een door het bestuur van de Raad voor de Transportveiligheid vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Raad voor de Transportveiligheid.
3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01) krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van de Raad voor de Transportveiligheid, waarvan naam en functie zijn vermeld op een door de Raad voor de Transportveiligheid vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Raad voor de Transportveiligheid.
3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-14&g=2005-02-14) krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van de Raad voor de Transportveiligheid, waarvan naam en functie zijn vermeld op een door de Raad voor de Transportveiligheid vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Raad voor de Transportveiligheid.
##### Artikel 89
@@ -844,7 +862,7 @@
##### Artikel 91
De [Marinescheepsongevallenwet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001940) (Stb. 531) wordt ingetrokken. De bepalingen van die wet blijven voor de duur van het onderzoek van kracht ten aanzien van onderzoeken naar ongevallen en incidenten met militaire schepen als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=11&artikel=93&z=2005-02-01&g=2005-02-01).
De [Marinescheepsongevallenwet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001940) (Stb. 531) wordt ingetrokken. De bepalingen van die wet blijven voor de duur van het onderzoek van kracht ten aanzien van onderzoeken naar ongevallen en incidenten met militaire schepen als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=11&artikel=93&z=2005-02-14&g=2005-02-14).
##### Artikel 92
@@ -852,7 +870,7 @@
##### Artikel 93
Onderzoeken naar ongevallen of incidenten met Nederlandse oorlogsvaartuigen als bedoeld in de [Marinescheepsongevallenwet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001940) (Stb. 531) of militaire luchtvaartuigen, die zijn gestart voor de datum van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01), worden afgehandeld overeenkomstig de voor die datum op die onderzoeken toepasselijke regelgeving.
Onderzoeken naar ongevallen of incidenten met Nederlandse oorlogsvaartuigen als bedoeld in de [Marinescheepsongevallenwet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001940) (Stb. 531) of militaire luchtvaartuigen, die zijn gestart voor de datum van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2¶graaf=1&artikel=2&z=2005-02-14&g=2005-02-14), worden afgehandeld overeenkomstig de voor die datum op die onderzoeken toepasselijke regelgeving.
##### Artikel 94
@@ -872,7 +890,7 @@
1. Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze rijkswet op een later tijdstip in werking treedt ten aanzien van het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 april 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet openbaarheid van bestuur en enige andere wetten ([Wet uitvoering Verdrag van Aarhus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017266), Kamerstukken II, 2002–2003, 28 835, nrs. 1 en 2), nadat het tot wet is verheven, op een later tijdstip in werking treedt dan deze rijkswet, treedt, in afwijking van het eerste lid, [artikel 57, derde tot en met het negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-01&g=2005-02-01), in werking op hetzelfde tijdstip als dat waarop die wet in werking treedt.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 april 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet openbaarheid van bestuur en enige andere wetten ([Wet uitvoering Verdrag van Aarhus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017266), Kamerstukken II, 2002–2003, 28 835, nrs. 1 en 2), nadat het tot wet is verheven, op een later tijdstip in werking treedt dan deze rijkswet, treedt, in afwijking van het eerste lid, [artikel 57, derde tot en met het negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=57&z=2005-02-14&g=2005-02-14), in werking op hetzelfde tijdstip als dat waarop die wet in werking treedt.
##### Artikel 98
2005-02-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid — arts. 1, 1, 2 y 117 más
2005-02-01
Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid
original version
Tekst op deze datum