Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
Overlegkader: Olie Overleg Groep
Bron: Overeenkomst internationaal energieprogramma, hoofdstuk V; Wet uitvoering internationaal energieprogramma, art. 10, en MvT; Regeling gegevens aardolieproducten 1985, Stcrt. 20; inl. drs. F.G.M. Wieleman (DGE/EOG), augustus 1996
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het vanuit het aardoliebelang leveren van bijdragen in de SCEPC-voorbespreking over de standpuntbepaling van Nederland in de permanente en plenaire vergaderingen van de Senior Civil Emergency Planning Committee (SCEPC)
Periode: 1949–
Producten: Bijdragen in agenda’s en instructies o.g.v. rapportages en SCEPC-stukken
Opmerking: BiZa is penvoerend minister in de permanente vergaderingen, BuiZa in de plenaire vergaderingen. De permanente vergadering, waarin de permanente vertegenwoordigers van de NAVO-lidstaten zitting hebben, komt in principe maandelijks bijeen. Deelnemers van de voorbespreking zijn: DEF, BiZa, V&W, EZ, LNV.
Bron: NAVO, Feiten en cijfers, pp. 291–193
Waardering: B 1
NB: Alleen voor zover het bijdragen van het Ministerie van Economische Zaken betreft.
Handeling: Het opstellen en inbrengen van standpunten en bijdragen in het nationaal vooroverleg, in de voorbereidende Werkgroep en in het Petroleum Planning Committee (PPC):
– nationaal vooroverleg met Defensie;
– voorbereidende Werkgroep van de PPC;
– Plenaire Vergadering van de PPC.
Periode: 1949–
Bron: NAVO, Feiten en cijfers, pp. 291–193; inl. drs. M.G.H. Ruiter, 6 juni 1996
Waardering: B 1
Handeling: Het leveren van bijdragen in de planning en voorbereiding van oefeningen van de NATO Wartime Oil Organisation (NWOO), dan wel in de Civil Emergency Coordination Cell (CECC)
Periode: 1945–
Producten: Bijdragen in oefeningen, rapportages aan PCC
Bron: NAVO, Feiten en cijfers, pp. 291–193
Waardering: B 1
Handeling: Het in militaire en civiele crisissituaties voeren van overleg met de Petroleum Experts Group (PEG), hetzij ten behoeve van de NATO Wartime Oil Organisation (NWOO), hetzij ten behoeve van de Civil Emergency Coordination Cell (CECC)
Periode: 1945–
Bron: Inl. drs. M.G.H. Ruiter, 6 juni 1996
Waardering: B 6
Handeling: Het technisch organiseren van vergaderingen, symposia, beurzen e.d. van niet-gouvernementele organisaties op het gebied van de steenkool-, aardolie- en aardgasvoorziening
Periode: 1945–
Producten: convocaten e.d.
Bron: SodM, Jaarverslag 1981, p. 9
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het ambtelijk participeren in vergaderingen, symposia, beurzen e.d. van niet-gouvernementele organisaties op het gebied van de steenkool-, aardolie- en aardgasvoorziening
Periode: 1945–
Producten: Verslagen
Opmerking: Het betreft hier voor een deel participatie uit het feit dat er staatsbelangen in het geding zijn in de bedrijfsvoering van de desbetreffende doelgroepen.
Bron: SodM, Jaarverslag 1981, p. 9
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het voorbereiden van kolenmijngrensverdragen met de regering van Duitsland en België
Periode: 1945–
Opmerking: De verdragen worden al dan niet bij wet door de Staten-Generaal goedgekeurd.
Bron: b.v. Verdrag met België over een verdere vaststelling van een ontginningsgrens aan weerzijden van de landsgrens langs de Maas gelegen kolenmijnen, Trb. 1963, 83
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden en sluiten van grensverdragen, dan wel bijdragen in de totstandkoming van grensverdragen inzake de opsporing en winning van aardolie en aardgas op het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Voorbeelden zijn:
– Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, Trb. 1962, 54;
– Verdrag met Duitsland van 28 januari 1971;
– Markhamovereenkomst met Groot-Brittanië en Noord-Ierland over de winning van delfstoffen in blok J6 en het Markhamveld, goedgekeurd bij Wet goedkeuring en uitvoering, Stb. 1992, 673;
– Verdrag met Noorwegen over Nedpipe.
Opmerking: Tot het onderdeel ‘bijdragen in de totstandkoming’ behoort het algemeen Verdrag met de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van met de grens verband houdende maatregelen e.a. tussen beide landen bestaande problemen, Trb. 1960, 67, en het Eems-Dollard Verdrag, Trb. 1962, 54.
Bron: Zie producten
Waardering: B 1
Handeling: Het sluiten en uitvoeren van bilaterale overeenkomsten inzake het verrichten van aanvullende werkzaamheden op het terrein dat door de overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma bestreken wordt
Periode: 1974–
Producten: Bilaterale overeenkomsten met Duitsland, Benelux-partners e.a. Europese landen, verslagen onderhandelingen en overleg voor of tijdens oliecrisis
Opmerking: 1. Voorbeelden zijn:
– overeenkomsten met Duitsland, België en Luxemburg, waarbij Nederland garandeert dat het de door- en uitvoer van olie bestemd voor in die staten werkzame bedrijven, niet zal belemmeren. Met Engeland en Ierland handelt Nederland, alsof er dergelijke overeenkomsten bestaan; de overeenkomsten zijn onderworpen aan parlementaire goedkeuring;
– zgn. bilaterale voorraadreserveringen: onder bilaterale akkoorden is het mogelijk de voorraadplicht te laten overnemen door een maatschappij in het land waarmee zo’n akkoord gesloten is. In de praktijk betreft het voorraden die bij ondernemingen in Nederland liggen, ter dekking van een voorraadplicht van andere landen. Ook zijn er reserveringen in Duitsland en België t.b.v. Nederland. Beide overheden keuren de commerciële transactie tot overneming goed.
Een voorlopig administratief akkoord tussen de Ministers van EZ van Duitsland en Nederland, Trb. 1971, 2, heeft model gestaan voor de overeenkomsten.
De ontwerp-overeenkomsten worden voor commentaar aan de Europese Commissie medegedeeld; na vaststelling van de overeenkomst brengt de Commissie de overeenkomst ter kennis aan de overige lidstaten.
Bron: Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma 1974, art. 65; Richtlijn EG-Raad 1968, art. 6, tweede lid; Beschikking EG-Raad 1968; Wet voorraadvorming aardolieproducten, art. 6; Statuten 1987, zoals gewijzigd per 30 juni 1993; Stcrt. 121; inl. drs. J. Hommes (DGE/EOG), 6 mei 1996 en inl. drs. F.G.M. Wieleman (DGE/EOG), aug. 1996
Waardering: B 1
Handeling: Het sluiten van bilaterale overeenkomsten inzake samenwerkingsprojecten op het terrein van de delfstoffenwinning of -industrie
Periode: 1950–
Bron: –
Waardering: B 1
Vervallen.
Handeling: Het leveren van bijdragen in de uitvoering van bilaterale samenwerkingsprojecten op het gebied van de delfstoffenwinning e.d.
Periode: 1945–
Producten: Reisverslagen, overleg intern, met verantwoordelijke minister, bijdragen en notulen van onderhandelingen
Overlegkader: – Steering Committee Project Modelling en Monitoring; Projectgroep CHARM (Chemical Hazard Assessment and Risk Management);
– ISLA (Technische Commissie Raffinaderij)
Opmerking: Voorbeelden zijn:
– het Noors-Nederlandse Mou-project Modelling and Monitoring of Offshore Discharge Water (1991–), waarvoor de Minister van V&W eerst verantwoordelijk is;
– advisering van KabNA inzake regeringsbeleid t.a.v. olieraffinaderij op Curaçao (1992–).
Bron: SodM, Jaarverslag 1992, p. 67; inl. ir. F.J. Otte (DGE/EOG), april 1997
Waardering: B 1
Vervallen.
Handeling: Het voeren van ambtelijk overleg over aangelegenheden van allerlei aard met zusterdepartementen of -diensten
Periode: 1945–
Opmerking: Over aangelegenheden inzake de mijnbouwindustrie voert SodM frequent overleg met HSE (Health & Safety Exzecutive UK), NPD (Norwegian Petroleum Directorate Norge) en LOBA (Landes Ober Bergamt/Clausthal Duitsland) en DEA (Danish Energy Angency DK).
Bron: SodM, NKD, nr. 95/C/14 (Jaarwerkplan SodM 1997), p. 6; SodM, Jaarverslag 1992, p. 82
Waardering: V 5 jaar
Vervallen.
Handeling: Het instellen en reorganiseren van de Rijksgeologische Dienst en andere onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken ressorterende instanties op het gebied van aardbodemkundig onderzoek
Periode: 1945–1996
Producten: Instellingsbesluiten Geologische Stichting (1936), Rijks Geologische Dienst, Programma-adviescommissie Rijks Geologische Dienst, Commissie van Advies Rijks Geologische Dienst; goedkeuringsbeschikking huishoudelijk reglement
Opmerking: Onder deze handeling valt onder meer de fusie tussen RGD en TNO-GG.
Bron: Stichtingsbrief Geologische Stichting 1936, sindsdien diverse malen gewijzigd; MEZ en TNO, Nederlands Geo Instituut, I, hoofdstuk I; Opheffingsbesluit van de Minister van EZ van 2 juni 1997, Stcrt. 103
Waardering B 4
Handeling: Het benoemen van de voorzitter en (bestuurs)leden van de Geologische Stichting en andere onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken ressorterende instellingen op het gebied van aardbodemkundig onderzoek
Periode: 1945–1967
Producten: Beschikkingen o.b.v. tweetallen voorgedragen door het Bestuur van de Geologische Dienst en door de Vereniging de Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg.
Bron: Stichtingsbrief Geologische Stichting 1936
Waardering V 10 jaar na benoeming
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur(en) en overig personeel van de Geologische Stichting
Periode: 1945–1967
Producten: Beschikkingen inzake benoeming, ontslag en uitkering
Opmerking: Het betrokken afdelingsbestuur oefent deze bevoegdheid namens de minister uit.
Bron: Stichtingsbrief Geologische Stichting 1936, art. 11–12
Waardering V 10 jaar na pensioengerechtigde leeftijd
Handeling: Het verstrekken van financiële bijdragen aan en uitoefenen van toezicht op het financieel beheer en de taakuitvoering van de Geologische Stichting
Periode: 1945–1967
Producten: Jaarverslagen, financiële jaarstukken
Bron: Stichtingsbrief Geologische Stichting 1936, art. 14
Waardering V 7 jaar
De jaarverslagen en financiële jaarstukken zijn gewaardeerd in handeling 116
Handeling: Het leveren van (bestuurlijke) bijdragen in mondiale intergouvernementele organisaties op het terrein van de geowetenschappelijk onderzoek en advisering:
– organiseren van bijeenkomsten;
– leveren van bijdragen op bijeenkomsten.
Periode: 1945–1996
Opmerking: Men kan de organisaties onderscheiden naar gespecialiseerde organisaties van mondiale organisaties (UNESCO, VN, Wereldbank) en naar regionale organisaties voor Azië, Europa, Latijns-Amerika. De laatste kunnen overigens tot een mondiale organisatie behoren, zoals de ECE, de Economic Commission for Europe (Verenigde Naties).
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, p. 71
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het leveren van (bestuurlijke) bijdragen in Europese intergouvernementele organisaties op het terrein van de geowetenschappelijk onderzoek en advisering:
– organiseren van bijeenkomsten;
– leveren van bijdragen op bijeenkomsten.
Periode: 1945–1996
Opmerking: Een voorbeeld is het jaarlijkse directeurenoverleg Forum of European Geological Surveys (FOREGS).
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, p. 8, 71
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het inbrengen van (bestuurlijke) bijdragen in niet-Europese gouvernementele organisaties op het terrein van de geowetenschappelijk onderzoek en advisering:
– organiseren van bijeenkomsten;
– leveren van bijdragen op bijeenkomsten.
Periode: 1945–1996
Opmerking: Het gaat om de regio’s Azië, Afrika, Latijns Amerika.
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, p. 71; RGD, International networks (interne notitie)
Waardering: – (technisch) organiseren van bijeenkomsten producten bijv. convocaten e.d: V 1 jaar
– leveren van bijdragen aan bijeenkomsten producten: verslagen, met bijlagen: V 5 jaar
Handeling: Het inbrengen van (bestuurlijke) bijdragen in niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) of vakorganisaties op het terrein van de geowetenschappelijk onderzoek en advisering:
– organiseren van bijeenkomsten;
– leveren van bijdragen op bijeenkomsten.
Periode: 1945–1996
Opmerking: Voorbeelden zijn:
– International Union of Geological Sciences (IUGS): de Internationale Unie van Geologische Wetenschappen;
– International Geographical Union (IGU): de Internationale Geografische Unie;
– Society of Organic Petrology;
– International Union for Quaternary Research (INQUA): de Internationale Unie voor Kwartair Onderzoek;
– Journal of Engineering Geology.
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, p. 71
Waardering: – organiseren van bijeenkomsten: V 1 jaar
– leveren van bijdragen aan bijeenkomsten: B 1
Handeling: Het leveren van bijdragen, in samenwerking met andere geo-instituten, in geologische ontwikkelingsprojecten t.b.v. (voormalige) overzeese rijksdelen van Nederland (Indonesië, Nieuw-Guinea, Suriname en de Nederlandse Antillen)
Periode: 1945–1996
Producten: Onderzoeks-/adviesrapporten, databases
Producten: Onderzoeks-/adviesrapporten, databases
Overlegkader: Comité Aardwetenschappelijke Ondersteuning Suriname; Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking
Opmerking: De ontwikkelingshulp omvat:
– programmeren/uitvoeren van geologisch-mijnbouwkundig onderzoek;
– opzetten/verbeteren van informatiesystemen;
– training van personeel.
Bron: RGD, Jaarverslag 1967/1968, p. 35 en 56, 1994, pp 26–29
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het leveren van bijdragen, in samenwerking met andere geo-instituten, in geologische ontwikkelingsprojecten t.b.v. andere ontwikkelingslanden dan de (voormalige) overzeese rijksdelen van Nederland
Periode: 1945–1996
Producten: Onderzoeks-/adviesrapporten
Opmerking: Zie vorige handeling. Recente ontwikkelingsprojecten waren gericht op o.m. de ontwikkeling van een centraal geo-informatie centrum voor Slovenië en van de Yemen Exploration and Production Database and Support Project (YEPDASP).
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, pp 26–29
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het ontwikkelen, vaststellen en evalueren van beleid inzake de steenkolenmijnindustrie
Periode: 1945–ca. 1980
Producten: Onderzoeks-/adviesrapporten
Opmerking: Zie vorige handeling. Recente ontwikkelingsprojecten waren gericht op o.m. de ontwikkeling van een centraal geo-informatie centrum voor Slovenië en van de Yemen Exploration and Production Database and Support Project (YEPDASP).
Bron: RGD, Jaarverslag 1994, pp 26–29
Waardering: B 1
Handeling: Het nemen van maatregelen inzake het beheer van particuliere mijnondernemingen t.b.v. een ‘vergroote winning van delfstoffen’
Periode: 1945–1948
Producten: Ministeriële besluiten
Opmerking: Tot de beheersmaatregelen behoren b.v. het:
– geven van opdrachten omtrent de aard van de diensten van werknemers van een mijnonderneming;
– het wijzigen van CAO’s voor het mijnbedrijf;
– het toekennen van vergoedingen voor geleverde kolen;
– het aanwijzen van vertrouwensmannen in de ondernemingsraden.
Bron: Buitengewoon Mijnbesluit 1945, art. 3–5; Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, p. 183
Waardering: B 6
Handeling: Het nemen van maatregelen inzake de opheffing en afwikkeling van het beheer van particuliere mijnondernemingen van 1945 tot 1948
Periode: 1948–1956
Producten: Ministeriële besluiten
Opmerking: De president-directeur van de Staatsmijnen werd met de afwikkeling belast.
Bron: Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, p. 195, en Inventaris Commissie-Frowein, p. 4
Waardering: B 6
NB. Voor de instelling en opheffing van het Bedrijfschap voor de Mijnbouwindustrie bij Wet van 20 oktober 1954, Stb. 463, resp. Wet van 4 februari 1976, Stb. 85, zie PIVOT-rapport inzake SER.
Handeling: Het aanwijzen, intrekken e.d., vanaf 1955 voorbereiden van Kroonbesluiten tot aanwijzing van dochter- en nevenbedrijven van steenkool producerende ondernemingen, waarvoor de Mijnindustrieraad, later het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie tevens is ingesteld
Periode: 1945–1950
Producten: Beschikkingen, vanaf 1955 ontwerp-kroonbesluiten
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 2
Waardering: B 4
= vanaf 1950 BSD SER, handeling 79
Handeling: Het erkennen van naar zijn oordeel voor de mijnonderneming representatieve organisaties van beambten en arbeiders in de mijnindustrie
Periode: 1945–1954
Producten: Besluiten
Brond: Mijnstatuut 1945, art. 2; Verordening ondernemingsraden steenkolenmijnindustrie, SER, Verordeningenblad bedrijfsorganisatie (Mi 12/1956, art. 3, gewijzigd bij Mi 1/1973)
Waardering: B 4
Handeling: a. Het op voordracht van de werkgevers en erkende werknemersorganisaties benoemen, alsmede ontslaan van de leden van de Mijnindustrieraad (1945–1954);
b. Het voorbereiden van het kroonbesluit tot benoeming, schorsing, ontslag en beloning van de (plaatsvervangend) voorzitter van de MIR, na 1954 van het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie (1945–1976)
Periode: 1945–1976
Producten: Beschikkingen en ontwerp-kb’s o.g.v. voordrachten; kennisgevingen inzake ontslag en aftreden van leden
Opmerking: De leden en voorzitter worden voor vier jaar benoemd en zijn terstond herbenoembaar.
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 5–16, 23–24; Mijnstatuut 1954, art. 3
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het beslissen op een beroep van een door de Mijnindustrieraad geschorste of ontslagen directeur van een particuliere mijnonderneming
Periode: 1945–1954
Opmerking: In de praktijk is deze handeling niet voorgekomen.
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 101 en 103
Waardering: B 4
Handeling: Het in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid goedkeuren van bepaalde verordeningen van de Mijnindustrieraad, vanaf 1955 het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie
Periode: 1945–1955
Producten: Beschikkingen
Opmerking: 1. Blijkens art. 106 Mijnstatuut 1945 moeten de verordeningen o.g.v. art. 74–77, 81, 83, 87–88 en 152 (begroting) door de minister goedgekeurd worden; blijkens Mijnstatuut 1954, art. 6 moeten de verordeningen o.g.v. art. 4 onder a t/m e, i, j en l goedgekeurd worden.
T/m 1954 worden de verordeningen in de Staatscourant, nadien in het Verordeningenblad bedrijfsorganisatie, uitgegeven door de SER, gepubliceerd.
Bron: Wet op de bedrijfsorganisatie, art. 94; Mijnstatuut 1945, art. 106; Mijnstatuut 1954, art. 6; SER, Verordeningenblad bedrijfsorganisatie
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het schorsen of nietig verklaren van besluiten van (het dagelijks bestuur van) de Mijnindustrieraad die met de wetten, het Mijnstatuut 1945 en het algemeen belang strijdig zijn
Periode: 1945–1954
Producten: Ministeriële besluiten en kennisgevingen in de Stcrt.
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 109
Waardering: B 4
Handeling: Het beslissen op beroepen van ondernemingsraden tegen besluiten van de Mijnindustrieraad inzake weigering van goedkeuring van Ondernemingsraadbesluiten, dan wel tegen ontslagbesluiten van individuele Ondernemingsraadleden
Periode: 1945–1954
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 40, 95–96
Waardering: B 4
Handeling: Het schorsen of vernietigen van besluiten van de mijnindustrieraad, houdende goedkeuring van een Ondernemingsraadbesluit
Periode: 1945–1954
Producten: Beschikkingen
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 99
Waardering: B 4
Handeling: Het treffen van overige voorzieningen bij een gebrekkige taakuitvoering door de Mijnindustrieraad, dan wel het nemen van maatregelen ten einde de uitvoering van wettige besluiten van (het dagelijks bestuur van) de Mijnindustrieraad af te dwingen
Periode: 1945–1954
Producten: Beschikkingen en kennisgevingen
Bron: Mijnstatuut 1945, art. 118–119
Waardering: B 4
Grondslag is de opheffingswet van 4 februari 1976, Stb. 85, die gebaseerd is op art. 70 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, Stb. 1950, K 22.
Handeling: Het voorbereiden van het kroonbesluit tot goedkeuring van het verslag en de rekening inzake de vereffening van het overgenomen vermogen van het voormalige Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie
Periode: 1976
Bron: Wet opheffing Bedrijfschap van de Steenkolenmijnindustrie, art. 4–6
Waardering: B 3
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van wet- en regelgeving m.b.t. het Staatsmijnbedrijf
Periode: 1945–
Producten: o.m. Wijzigingsbesluit van Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, Stb. 1956, 139; Wijzigingswet Aanwijzingswet 1928, Stb. 1956, 384; Wet van 23 juni 1966, Stb. 271; Arbeidsreglement voor werklieden
Overlegkader: Mijnraad; Adviescommissie o.l.v. prof. Van Berkum inzake verhoging aandelenkapitaal Staatsmijnen (1950); (ambtelijke) Commissie Rechtsvorm Staatsmijnen (1961–1962) o.v.v. prof.dr. G.M. Verrijn Stuart, leden: FIN (2), EZ (2), Mijnraad (2), Staatsmijnen (2), lid-secretaris (EZ), 2e secretaris (EZ en Staatsmijnen)
Bron: Messing, Mijnsluiting, hoofdstuk IV; Wijzigingswet Aanwijzingswet, Stb. 384; bijl. HdTK 1962–1963, 7195 nr. 1–5; Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 4
Waardering: B 1
Handeling: Het voordragen voor benoeming of ontslag door de Kroon, dan wel benoemen of ontslaan van de leden van de (Hoofd)Directie van de Staatsmijnen in Limburg
Periode: 1945–1966
Producten: Beschikkingen, arbeidsovereenkomsten
Opmerking: 1. Voor ministeriële aanstellingen is een machtiging van de Kroon vereist.
Vanaf 1959 heet de directie: hoofddirectie; de voorzitter heet president-directeur.
Bron: Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 2; Besluit van 1 juni 1959, Stb. 191
Waardering: V 10 jaar na pensioengerechtigde leeftijd
Handeling: Het verlof geven aan de leden van de (Hoofd)Directie van de Staatsmijnen in Limburg voor het wonen buiten Heerlen of voor het opnemen van verlof langer dan acht dagen, alsmede het goedkeuren van ‘neven’werkzaamheden van de directieleden
Periode: 1945–1960
Producten: Beschikkingen
Bron: Instructie 1937, art. 3, 9, Instructie 1960, art. 14
Waardering: V 10 jaar na pensioengerechtigde leeftijd
Handeling: Het geven van instructies aan de Directie van de Staatsmijnen in Limburg inzake het beheer van de Staatsmijnen
Periode: 1945–1966
Producten: Instructies 1937, 1960, op advies van de Minister van Financiën en de Mijnraad
Bron: Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 2
Waardering: B 4
Handeling: Het kennis nemen van benoemingen van procuratiehouders (1937, 1960) en de regeling voor het kasbeheer (1960) door de hoofddirectie van de Staatsmijnen
Periode: 1945–1966
Producten: Mededelingen
Bron: Instructie 1937, art. 1; instructie 1960, art. 11–12
Waardering: V 10 jaar na pensioengerechtigde leeftijd
Handeling: Het voorbereiden van kroonbenoemingen van beambten bij de Staatsmijnen in Limburg met de positie van rijksambtenaar
Periode: 1945–1966
Producten: Beschikkingen
Opmerking: Slechts in bijzondere gevallen worden er beambten bij de Staatsmijnen in de positie van rijksambtenaar aangesteld. ‘Beambten’ en ‘werklieden’ worden in de regel op arbeidsovereenkomst aangesteld.
Bron: Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 3; vgl. De Ru, Staatsdeelnemingen, p. 200
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het beschikken op beroepen van beambten van de Staatsmijnen tegen hun schorsing door de Directie
Periode: 1945–1966
Bron: Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 6
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het i.o.m. de Minister van Financiën verstrekken van leningen aan Staatsmijnen
Periode: 1956–1966
Opmerking: 1. Het gaat om rentevrije leningen tot een bedrag van 125 miljoen en om leningen boven dat bedrag, die tegen een markconforme rente worden verstrekt.
Vgl. handeling 75 van PIVOT-rapport nr. 15 (Staatsdeelnemingen).
Bron: Aanwijzingswet Staatsmijnen 1956, art. 3, derde lid; Privatiseringswet Staatsmijnen, Stb. 1966, 271, art. 5; De Ru, Staatsdeelnemingen, p. 208
Waardering: V 7 jaar na aflossing
Handeling: Het, samen met de Minister van Financiën, vooraf goedkeuren of machtigen van rechtshandelingen van de Directie der Staatsmijnen die een financieel gevolg hebben
Periode: 1945–1966
Producten: Bijzondere machtigingen of goedkeuringen
Opmerking: 1. Bij de instructie van 1960 wordt een algemene machtiging verleend voor de handelingen omschreven in art. 14, 16 en 17 van de Aanwijzingswet, voor zover in de Instructie niet uitgezonderd (zie opm. 2).
De rechtshandelingen betreffen het:
– verwerven van onroerende goederen (1937) boven een bedrag van ƒ 100.000,–
– verlenen van voorschotten boven een bepaald bedrag of in bepaalde gevallen;
– vervreemden en bezwaren van onroerende zaken (1937, 1960)en voor een dading ter beëindiging van een geschil over onroerende zaken (1960);
– verkoop van roerende goederen boven een boekwaarde van ƒ 10.000,– (193);
– oprichten van een vennootschap en eerste deelneming in de vennootschap, vervreemden of bezwaren van aandelen in een vennootschap (1960).
Bron: Aanwijzingswet Staatsmijnen 1928 en 1956, art. 8–9 en 12–18; Instructie 1937, art. 13, 15–16; Instructie 1960, art. 5–7
Waardering: B 4
Handeling: Het goedkeuren van de werkplannen en kennis nemen van de bestellingen en aanbestedingen die niet aan de laagste inschrijver zijn gegund (1937, 1960), resp. geplaatst, voor zover deze een bedrag van meer dan ƒ 100.000,– te boven gaan (1960)
Periode: 1945–1966
Producten: Werkplannen, nota’s van toelichting inzake de uitvoering van een werkplan, ministeriële goedkeuringen.
Bron: Instructie 1937, art. 14, Instructie 1960, art. 10
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het mede opstellen en vaststellen van personeelsafvloeiingsplannen voor de Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg
Periode: 1969–
Opmerking: De personeelsafvloeiingsplannen zijn tot stand gekomen door overleg tussen overheid en onderneming enerzijds en de Mijn Industrie Raad, ondernemingsraad en vakbonden anderzijds (Messing p. 312).
Bron: Messing p. 413
Waardering: B 5
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de Contactcommissie inzake het herstructureringsbeleid in het kader van de mijnsluitingen in Limburg
Periode: 1969–
Bron: Staatsalmanak
Waardering: B 5
Handeling: Het ontwikkelen en ondersteunen van een actief afschrijvingsbeleid met als doel het verlies van de mijnen te beperken
Periode: 1965–
Opmerking: Het betreft bijv. het terugbrengen van de balanswaarde van de mijnbedrijven tot nihil, bijzondere afschrijvingen op de vaste activa etc.
Bron: Messing p. 284–285
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van een sluitingsprogramma voor de in Zuid-Limburg gevestigde steenkolenmijnen
Periode: 1964–
Product: Nota’s, o.a. de Nota inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid-Limburg, ookwel Eerste Mijnnota genoemd.
Bron: Geologie en Mijnbouw 1971 vol. 50, p.285
Waardering: B 1
Handeling: Het initiëren van en deelnemen aan overlegsituaties met betrekking tot de herstructurering van Zuid-Limburg
Periode: 1964–
Producten: o.a. verslagen (met bijlagen) van overlegsituaties met de provincie, bedrijven waaronder DSM,andere departementen, mijndirecties en Mijnraad
Bron: Eerste Mijnnota 1965
Waardering: B 1
Handeling: Het leveren van financiële bijdragen benodigd voor de vermindering van de sociale lasten van de steenkolenmijnindustrie, zogeheten objectieve steun
Periode: 1964–
Opmerking: De financiële bijdrage is gebaseerd op de wet van 1 augustus 1964 houdende maatregelen ter voorziening in de middelen benodigd voor de vermindering van de sociale lasten van de steenkolenmijnindustrie in Limburg. De steunmaatregelen werden gecontroleerd door het Ministerie van Economische Zaken
Product: O.a. accountantsrapporten
Bron: Rijksbegroting 1965
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het leveren van financiële bijdragen aan het Algemeen Mijnwerkersfonds van de steenkolenmijnen in Limburg en aan het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf
Periode: (1948)1964–
Opmerking: Zie wetten van 1 juli 1948, 1 augustus 1964 en 31 oktober 1973 betreffende de mijnpensioenfondsen.
Bron: Rijksbegroting 1965
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het sluiten van overeenkomsten met particuliere mijnondernemingen met als doel de productie te continueren
Periode: 1965–1974
Bron Messing p. 302–303
Waardering: B 5
Handeling: Het verlenen van subjectieve steun aan particuliere mijnbedrijven en hun kapitaalverschaffers
Periode: 1965–
Opmerking: De uitvoering van de steunmaatregelen werd gecontroleerd door het Ministerie van Economische Zaken.
Product: O.a. accountantsrapporten
Bron: Messing Bijlage X
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het voeren van overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de mijndirecties omtrent mogelijke claims op de EGKS en de EEG voor wat betreft de kosten van (om)scholing en andere arbeidsvoorzieningsmaatregelen
Periode: 1964–
Bron: Eerste Mijnnota 1965, p. 29
Waardering: B 5
Handeling: Het sluiten van een overeenkomst met de Hoge Autoriteit betreffende de wederaanpassingsmaatregelen
Periode: 1965–
Bron: Eerste Mijnnota 1965
Waardering: B 5
Handeling: Het indienen van een verzoek bij de Hoge Autoriteit voor het verstrekken van leningen of het geven van garanties ten gunste van ondernemingen die bereid zijn nieuwe permanente werkgelegenheid te scheppen voor mijnwerkers of werknemers uit de ijzer- en staalindustrie
Periode: 1965–
Bron: Eerste Mijnnota Bijlage IV
Waardering: B 4
Handeling: Het indienen van een verzoek tot niet-terugvorderbare hulp bij de Hoge Autoriteit voor arbeiders in de kolenmijn- en staalindustrie die door sanering van de onderneming werkloos worden
Periode: 1965–
Bron: Eerste Mijnnota Bijlage IV
Waardering: B 5
Handeling: Het financieel bijdragen aan de wederaanpassingsregelingen voor het mijnpersoneel in het kader van artikel 56 van het EGKS-verdrag en artikel 4 van beschikking nor. 3/65 van de Hoge Autoriteit
Periode: 1965–
Bron: Rijksbegroting 1968–69
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het deelnemen in werkgroepen betreffende het herstructureringsbeleid voor Limburg
Periode: 1965–
Waardering: B 5
Handeling: Het bijdragen aan de totstandkoming van meerjaren-infrastructuurprogramma’s voor de herstructurering van Zuid-Limburg
Periode: 1965–
Opmerking: De bevordering van de infrastructuur voor toeristische projecten viel onder de competentie van de staatssecretaris van Economische Zaken. Voor overige infrastructurele maatregelen, zie institutioneel onderzoek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bron: Rijksbegroting 1968–1969, Tweede Mijnnota 1969.
Waardering: B 1
Handeling: Het financieel bijdragen aan de infrastructurele herstructurering van Zuid-Limburg
Periode: 1965–
Bron: Rijksbegroting 1968–1969
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het (doen) ontwikkelen van maatregelen om industriële vestiging in Zuid-Limburg ten behoeve van vervangende werkgelegenheid voor ex-mijnwerkers te stimuleren
Periode: 1964–
Producten: Stimuleringsregeling voor Industriële Omschakeling in Limburg (SIOL)
Opmerking: De SIOL (1965) betreft een financiële tegemoetkoming van Staatswege voor ondernemers die zich in Limburg willen vestigen onder de in deze regeling vastgelegde bepalingen.
Bron: Eerste Mijnnota 1965 (Kamerstuk 8424), p. 35
Waardering: B 1
Handeling: Het toekennen, wijzigen en intrekken van een financiële tegemoetkoming voor industriële bedrijven in het kader van de Stimuleringsregeling voor industriële omschakeling in Limburg
Periode: 1966–
Producten: Beschikkingen, ingediende aanvragen met bijlagen, adviezen van de Provincie
Bron: Eerste Mijnnota 1965, Bijlage VI
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het deelnemen aan en bevorderen van overlegsituaties ten gunste van de arbeidsvoorziening in Limburg
Periode: 1965–
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de Interdepartementale Commissie Gebieden met Bijzondere Structuurveranderingen in het kader van de mijnsluitingen in Limburg
Periode: 1965–
Waardering: B 1
Handeling: Het deelnemen aan overlegsituaties betreffende de om- en bijscholing voor werknemers in de mijnindustrie
Periode: 1965–
Producten: O.a. verslagen van overleg
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het financieel bijdragen in de regionale toeristische ontwikkeling van Zuid-Limburg
Periode: 1965–
Bron: Rijksbegroting 1976–77
Waardering: V 7 jaar
NB. Voor schadevergoedingsregelingen ten gevolge van bodemverzakking, zie toezicht op nazorg, hoofdstuk delfstoffen.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van een lid van het bestuur van de Stichting Industriële Ontwikkeling Kolenvergassing
Periode: 1991–
Producten: Beschikkingen
Bron: Statuten van de Stichting Industriële Ontwikkeling Kolenvergassing, art. 5
Waardering: V 10 jaar na benoeming
Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, in overeenstemming met de Minister voor Wetenschapsbeleid voor wat betreft het onderzoeksgedeelte, en in overleg met andere betrokken ministers, voorbereiden, opstarten, begeleiden, (doen) coördineren en doen uitvoeren van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen
Periode: 1980–
Producten: O.a. verslagen van interdepartementaal overleg, rapporten van BEOP aan de minister.
Opmerking: Bij de organisatie van de uitvoering van het uitgebreide NOK-werkterrein wordt een onderscheid gemaakt tussen onderzoeks- en demonstratiegedeelte. Hiervoor krijgen respectievelijk het Bureau Energie Onderzoek Projecten (BEOP) en de Nederlandse Energie Ontwikkelingsmaatschappij (NEOM) een coördinerende taak toegewezen. NEOM heeft tevens een uitvoerende taak die bestaat uit het verschaffen van een langlopende risicodragende financiering alsook het daadwerkelijk steunen bij het ontwerpen, opzetten en bedrijven van het demonstratieproject.
Bron: Nota Energiebeleid deel 2/Kolen (p. 88–9)
Waardering: B 1
Vervallen.
Handeling: Het ontwikkelen van een doelstellend minimumbeleid voor de inzet van kolen door de verbruikssectoren
Periode: 1979–
Opmerking: Onder verbruikssectoren wordt verstaan de openbare elektriciteitsproductiesector, de industrie en kolenvergassing
Bron: Nota Energiebeleid deel 2/Kolen p. 7
Waardering: B 1
Vervallen.
Handeling: Het (doen) analyseren van de risico’s verbonden aan het gebruik van steenkool voor het opwekken van electriciteit in Nederland
Periode: 1979–
Producten: O..a. adviezen, analyse en informatie
Opmerking: Over het kolenbeleid werd veelvuldig interdepartementaal overleg gepleegd tussen de Ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Volksgezondheid en Milieuhygiëne. De risicoanalyse werd in opdracht van bovengenoemde ministers uitgevoerd door TNO.
Bron: Nota Energiebeleid deel 2/Kolen, p. 162
Waardering: B 1
Handeling: Het doen onderzoeken van de haalbaarheid van centrale bereiding van stookklare brandstof van kolen
Periode: 1980–
Opmerking: Onderzoek werd gedaan door de Vereniging van gebruikers van Krachtwerktuigen in opdracht van de Minister van Economische Zaken.
Bron: Energienota deel 2/Kolen (p. 95)
Waardering: B 1
Handeling: Het ondersteunen van onderzoeksactiviteiten gericht op het in stand houden van de mogelijk heden voor de inzet van steenkool voor grootschalige elektriciteitsopwekking op langere termijn
Periode: 1980–
Producten: Financiële bijdragen
Opmerking: Met name onderzoek gericht op aspecten van steenkoolvergassing. Het ministerie ondersteunt onderzoeksactiviteiten via de Nederlandse Organisatie Voor Energie en Milieu (NOVEM).
Bron: De Ingenieur nr. 20, 6 december 1995, p. 34
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het jaarlijks opstellen en publiceren van verslagen van de activiteiten op het gebied van de opsporing en winning van olie en gas in Nederland en het Nederlandse deel van het Continentaal Plat
Periode: 1958–
Producten: EZ, Jaarverslag ‘Olie en gas in Nederland: opsporing en winning’
Opmerking: 1. Samenstelling: hoofdafd. Mijnwezen, in samenwerking met RGD en het Staatstoezicht op de Mijnen.
Aan de Europese Commissie wordt een verslag ter hand gesteld. De rapportage is o.g.v. De in 1996 gewijzigde mijnwetgeving wettelijk verplicht.
Bron: MEZ-1994, Olie en gas; Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 18 maart 1996, Stb. 200, art. 8m; MCP, zoals gewijzigd in 1996, art. 21a
Waardering: B 3
Handeling: Het o.g.v. de informele Regeling prioriteitsverklaring geofysisch bodemonderzoek verlenen van prioriteitsverklaringen, op grond waarvan na het geofysisch onderzoek een eventuele latere boorvergunningsaanvraag met voorrang zal worden behandeld
Periode: 1982–ca. 1993
Producten: Prioriteitsverklaringen
Advieskader: RGD
Bron: De Maar, Energierecht, p. 167, nt. 20; Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij Implementatiewet van 18 maart 1996, Stb. 200, art. 8e
Waardering: V 5 jaar
Vervallen.
Handeling: Het beslissen over de verlening, wijziging, verlenging en intrekking van boorvergunningen voor de opsporing van delfstoffen op het Nederlandse territoir
Periode: a. 1945–1967: uitsluitend mijnveld Winterswijk
b. 1967–: het gehele Nederlandse territoir
Producten: Boorvergunningen met een geldigheidstermijn van gewoonlijk 4 jaar, o.g.v. Ingediende aanvragen met bijlagen (o.m. Werkprogramma, geologisch rapport), gevraagde adviezen en reacties derden
Advieskader Mijnraad, RGD en Commissie van Advies inzake van Boorwerken te vrijwaren kwetsbare Gebieden
Bron: Mijnwet 1810, art. 10; Wet opsporing delfstoffen 1924 en 1967, zoals gewijzigd bij Wet van 1996; Regeling aanvragen en financiële verplichtingen boor vergunningen en concessies 1993, art. 2, 4, 6; Taverne, Beginselen, p. B-19
Waardering: B 5
Handeling: Het toestemming verlenen aan de houder van een boorvergunning voor de uitvoering van een boring, in het geval de vergunninghouder niet met een andere vergunninghouder voor een andere delfstof in hetzelfde vergunningsgebied over de boorlocatie tot overeenstemming is gekomen
Periode: 1945–1995
Opmerking: Hierbij dient het (oudste) recht van de eerste vergunninghouder in acht genomen te worden door de tweede vergunninghouder.
Bron: Boorvergunning Andel II, art. II, art. 1; inl. 24 januari 1997
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het, in afwachting van een verlening van een aangevraagde concessie, verlenen van permis de vente voor aardolie en aardgas in het Nederlandse territoir
Periode: 1945–
Opmerking: Een permis de vente is een verkoopvergunning, die verleend kan worden, wanneer er een exploitabele delfstof wordt aangetroffen, die wel geproduceerd kan worden, maar waarvoor (nog) geen winningsconcessie is verleend.
Bron: Rademakers, Staatstoezicht op de Mijnen, p. 14
Waardering: B 5
Handeling: Het, na advisering door de Commissaris der Koningin en de Raad van State (tot 1988), voorbereiden van koninklijke besluiten tot verlening van concessies, tot toestemming tot overdracht van delen van concessies, (vanaf 1988) tot toestemming met de overdracht van de gehele mijn, en (vanaf 1988) tot verlenging van concessies ter ontginning van delfstoffen in het Nederlandse territoir:
A. Concessies met een permanente geldigheidsduur (1985: 16);
B. Niet-permanente concessies (vanaf 1988).
Periode: 1945–1996
Producten: Koninklijke besluiten, o.b.v. aanvragen met bijlagen (kaarten, werkprogramma e.d.), borgstellingovereenkomsten, adviesrapporten
Advieskader: sodm
Opmerking: 1. Eventueel kan de minister o.g.v. de concessie een nadere, bijzonder vergunning verlenen voor de ontginning van in de concessie uitgesloten delen of lagen van het concessieveld. Ook kan de minister in een concessie de beperking opnemen, dat hij in het belang van een andere concessie bepaalde terreinen van de eerst genoemde concessie kan aanwijzen, die de concessionaris niet voor zijn ontginning mag gebruiken (zie Wet van 6 maart 1915, Stb. 141).
De vergunninghouder heeft een werkverplichting en kan door de Minister van Economische Zaken verplicht worden de benodigde controlegegevens aan deze te verstrekken.
Bron: Mijnwet 1810, art. 5–7; Mijnwet 1903, zoals gewijzigd 1988, art. 1 en 1a, 8, 10; Bruinkoolconcessie ‘Paul’, Stcrt. 1959, 170, art. 3; Bijl. Hdtk 1986–1987, 19 722, nr. 5, p. 7; Koninklijke besluiten concessieverlening zout, b.v. Stcrt. 1955, 187, Stcrt. 1967, 76 en 77.
Waardering: B 5
Handeling: Het beslissen over de verlening (na advisering door Gedeputeerde Staten), wijziging of intrekking en over de toestemming tot overdracht van concessies ter ontginning van delfstoffen op het Nederlandse territoir
Periode: 1996–
Producten: Koninklijke besluiten, o.b.v. Aanvragen met bijlagen (kaarten, werkprogrammaTM e.d.), Borgstellingovereenkomsten, adviesrapporten
Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij Wet van 18 maart 1996, art. 8h–8l; Regeling aanvragen en financiële verplichtingen boorvergunningen en concessies, art. 4
Waardering: B 5
Handeling: Het, de Raad van State gehoord, voorbereiden van het koninklijk besluit tot nalatigverklaring van de concessionaris wegens niet-nakoming van verplichtingen
Periode: 1904–1996
Producten: Exploiten, processen-verbaal, mededelingen, adviezen, (ontwerp-)besluiten
Opmerking: 1. Ingeval de verkoop door toewijzing aan den Staat is gevolgd, kan de Kroon de concessie intrekken.
De procedure verloopt als volgt:
– de minister maant bij exploit, of stelt de nalatig geachte concessiehouder in gebreke;
– Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie geeft gelegenheid tot de inbreng van bezwaren en adviseert de minister;
– de minister stelt op basis van advies van GS het ontwerp-besluit op;
– de Kroon neemt een besluit over de nalatigverklaring en maakt dit in de Staatscourant bekend;
– de minister zorgt voor de gerechtelijke verkoop van de mijn; zie volgende handeling.
Van deze bevoegdheid is tot nu toe nooit gebruik gemaakt.
Bron: Mijnwet 1903, art. 1b-3, thans vervallen
Waardering: B 5
Handeling: Het zorg dragen voor de gerechtelijke verkoop van een wegens nalatigheid in beslag genomen mijn
Periode: 1904–1996
Producten: Exploiten, inschrijvingen in openbare registers, akten van verkoop
Opmerking: De staat ontvangt 25% van het aan de geëxecuteerde (= de concessiehouder) toekomende bedrag.
Bron: Mijnwet 1903, art. 3–7, thans vervallen
Waardering: B 5
Handeling: Het op verzoek van de concessiehouder, na machtiging van de Kroon, gerechtelijk verkopen van een mijn
Periode: 1945–1996
Opmerking: In de praktijk is dit waarschijnlijk nooit voorgevallen!
Bron: Mijnwet 1903, art. 1a–8, thans vervallen
Waardering: B 5
Handeling: Het eventueel toewijzen bij privilege van een – reeds aan anderen verleende – mijnconcessie aan natuurlijke of rechtspersonen die aantoonbaar opsporingsactiviteiten hebben gefinancierd
Periode: 1945–
Bron: Mijnwet 1810, art. 20
Waardering: B 5
Handeling: Het ten algemeen nutte onteigenen van grondeigenaren die geen toestemming voor het verrichten van opsporings- en winningsactiviteiten op hun grond willen verlenen
Periode: 1945–
Bron: Taverne, Beginselen, p. B-18; Inventaris EZ I, nr. 744 en 765
Waardering: B 5
Handeling: Het o.g.v. de wet van 24 juni 1901 inzake de exploitatie van staatswege van steenkoolmijnen in Limburg voorbereiden van koninklijke besluiten voor de uitbreiding of samenvoeging van concessies voor de ontginning van staatsmijnen in Limburg
Periode: 1945–
Producten: Koninklijke besluiten van aanwijzing
Opmerking: Achtereenvolgens zijn aangewezen:
– de Staatsmijn Wilhelmina (1903);
– de Staatsmijn Emma (1906);
– de uitbreiding van de Staatsmijn Emma (1940);
– de Staatsmijn Hendrik (1910);
– de uitbreiding van de Staatsmijn Hendrik (1940);
– de samenvoeging van de Staatsmijnen Emma en Hendrik (1965);
– de Staatsmijn Maurits (1915);
– uitbreiding van de Staatsmijn Maurits (1957);
Bron: Wet van 24 juni 1901, Stb. 170, art. 1; koninklijk besluit samenvoeging staatsmijnen Emma en Hendrik, Stcrt. 1965, 109
Waardering: B 4,5
Handeling: Het verlengen of vernieuwen van de overeenkomst met de Domaniale Mijnmaatschappij NV inzake de verpachting van de exploitatie van de Domaniale Mijnen in Zuid-Limburg
Periode: 1945–
Producten: Overeenkomst
Overlegkader: Mijnraad
Opmerking: De overeenkomst werd o.m. in 1952 verlengd.
Bron: Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, p. 209
Waardering: B 4,5
Handeling: Het o.g.v. de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de Domaniale Mijnmaatschappij NV invorderen van de pachtsom/royalty over de nettoproductie van de Domaniale Steenkolenmijnen
Periode: 1945–
Bron: Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, pp. 92-94 en 166-167
Waardering: V 7 jaar
Handeling: Het, na machtiging bij Koninklijk Besluit, sluiten of wijzigen van overeenkomsten met de concessiehouders over de nadere financiële voorwaarden van de concessie
Opmerking: De ontwerpovereenkomst is aan de concessie gehecht.
Periode: 1948–
Opmerking: De overeenkomsten van de ‘oude’ concessies zijn gebaseerd op de overeenkomst van 3 mei 1948, nr. 19, Stcrt. 110, behorende bij de concessie van Schoonebeek (1948).
Bron: Taverne, Beginselen, p. B-25-27; Regeling aanvragen en financiële verplichtingen boorvergunningen en concessies, art. 6; Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), art. 2 e.v.; Concessie ‘Groningen’, art. 3
Waardering: B 5
Handeling: Het, samen met de Minister van Financiën, jaarlijks vaststellen en van de concessiehouder (NAM BV) invorderen van een extra staatsaandeel berekend naar de met de ontginning behaalde winst in de ‘oude’ concessies in het Nederlandse territoir en van een aanvullende betaling
Periode: 1948–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven onder meer registraties en door de beide ministers goedgekeurde resultatenrekening en balans
Opmerking: 1. De oude concessies omvatten: ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953), ‘Rijswijk’ (1955), ‘Rossum-De Lutte’ (1961/1971) en Groningen.
Het staats- of winstaandeel bedraagt 10% van het voordelige saldo van de jaarlijkse resultatenrekening. De ‘vergoeding’ wordt bij De Nederlandse Bank gestort. Dit is met name het geval bij EBN en NAM BV. Vanaf 1963.
Voor de concessie Groningen geldt de MOR-Groningen.
Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 1996, art. 8a, sub b; inl. Mr. Drs. P.I. Meijs, 28 januari 1997; Overeenkomst van 3 mei 1948, nr. 19, Stcrt. 110, behorende bij concessies ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953) etc. Jaarboek olie en gas 1995, ‘Concessie Groningen’.
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het jaarlijks vaststellen en van de concessiehouder invorderen van een oppervlakterecht, berekend naar oppervlakte van het concessiegebied voor de winning van olie en gas in het Nederlandse territoir
Periode: 1967–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangiften van de concessiehouder
Opmerking: De Minister van EZ kan een beperkte vrijstelling van het betalen van oppervlakterecht verlenen.
Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij Wet van 18 maart 1996, art. 8a, sub c; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.2; Taverne, Beginselen, p. B-30
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het jaarlijks vaststellen en van de concessiehouder invorderen van de cijns berekend naar de waarde der gewonnen en afgevoerde delfstoffen in/uit een concessiegebied in het Nederlandse territoir
Periode: 1967–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van gespecificeerde aangiften.
Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 1996, art. 8a, sub a; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.3-11; Taverne, Beginselen, p. B-30-31; inl. Mr. drs. P.I. Meijs, 28 januari 1997
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het, samen met de Minister van Financiën, jaarlijks vaststellen en van de concessiehouder invorderen van het winstaandeel, berekend naar de met de ontginning behaalde winst in een concessiegebied in het Nederlandse territoir
Periode: 1967–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van gespecificeerde aangiften.
Opmerking: Het winstaandeel bedraagt ten minste 50% en ten hoogste 70% van het voordelige saldo van de jaarlijkse resultatenrekening. Het staatswinstaandeel wordt verrekend met de verrekenbare vennootschaps- en inkomstenbelasting.
Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 1996, art. 8a, sub b; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.12–23; Taverne, Beginselen, p. B-30-31; inl. Mr. Drs. P.I. Meijs, 28 januari 1997
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het o.g.v. de wet of een concessie namens de Staat der Nederlanden sluiten of wijzigen van een overeenkomst met een zoutexploitatiemaatschappij (Akzo, FRIMA BV) over de nadere financiële voorwaarden van de zoutconcessie
Periode: 1945–
Producten: Overeenkomsten
Opmerking: De betreffende wet is de Wet van 18 juni 1918, Stb. 421, tot ontginning van steenzout bij Buurse.
Bron: Exploitatie-overeenkomst concessie ‘Buurse’, gewijzigd bij nadere overeenkomst, goedgekeurd bij de Wet van 6 augustus 1954, Stb. 353; Overeenkomst met FRIMA BV, behorende bij Concessie ‘Barradeel’ (1994)
Waardering: B 1
Handeling: Het heffen en invorderen van het winstaandeel over de resultaten behaald uit de winning en productie van zout in Nederland
Periode: 1945–
Producten: Ter controle wordt aan de minister de resultatenrekening, de balans en de winst- en verliesrekening, vergezeld van de accountantsverklaring, overlegd. De minister keurt de resultatenrekening goed.
Opmerking: Het winstaandeel is gerelateerd aan de winst of de productie in één boekjaar.
Bron: Exploitatieovereenkomst met de NV Nederlandse Zoutindustrie 1954, 5a–d; Overeenkomst met FRIMA BV (1994), art. 2 e.v.
Waardering: V 10 jaar
Heffingsbesluiten zijn reeds gewaardeerd: B
NB. Voor de invordering van de royalty op de netto-productie van de Domaniale Steenkolenmijnen, zie par. 11.3.2.
Handeling: Het geven van een vergoeding aan eigenaren van grond boven een aangewezen staatsmijn
Periode: 1945–
Bron: Wet van 24 juni 1901, Stb. 170, art. 3–6
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het sluiten van overeenkomsten met de NAM als houder van de ‘oude’ concessies over koop of overneming door de Staat der Nederlanden, dan wel (vanaf 1953) de verkoop aan door de Staat aan te wijzen derde, van de gewonnen aardgas in die concessies
Periode: 1948–
Producten: Contracten
Opmerking: De verplichting het gewonnen aardgas tegen een redelijke prijs te verkopen aan de staat wordt in de concessie ‘Schoonebeek’ voor de eerste maal vastgelegd.
Bron: Concessies ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953) e.v. Concessies, art. 8
Waardering: B 5
Handeling: Het goedkeuren van de overeenkomst inzake de verkoop van in een concessiegebied gewonnen aardolie of aardgas, dan wel van de verrekenprijs van de daaruit afgevoerde hoeveelheden
Periode: 1965–
Opmerking Regelingen inzake bevoegdheden met betrekking tot de verkoop van opbrengsten worden ook in concessies zelf vastgelegd.
Bron: Besluit 1967 en 1976 ex art. 12 WCP, aft. III, art. 3–22, 27; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.26
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het bemiddelen in de totstandkoming van een winningovereenkomst tussen twee concessiehouder of een concessiehouder en een vergunninghouder bij ‘overlopende structuren’ in het Nederlandse territoir
Periode: 1970–
Producten: Overeenkomsten
Opmerking: Het gaat om een winbaar aardgas- en aardolievoorkomen, dat zich over (een deel van) twee aangrenzende concessievelden uitstrekt.
Bron: Concessie Rossum-De Lutte (1961, zoals gewijzigd in 1971), art. 5e; Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, art. 5.4
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het verlenen van toestemming aan de concessiehouder voor de ontginning van een mijn bij wijze van verpachting, aanbesteding of verhuring
Periode: 1945–
Bron: Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953), art. 12; Concessie ‘Groningen’, art. 12; Zoutconcessie Adolf van Nassau, art. 13; Bruinkoolconcessie ‘Paul’, Stcrt. 1959, 170, art. 11
Waardering: V 10 jaar na afloop overeenkomst
Handeling: Het goedkeuren van de (wijzigingen) van de statuten van de concessionarissen van olie- en gasmijnen
Periode: 1945–
Bron: Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), art. 13, ‘Tubbergen’ (1953); Concessie Groningen, art. 13; Concessie Adolf van Nassau, art. 14
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het verlenen van toestemming aan de concessiehouder voor de ontginning van zoutmijnen bij wijze van verpachting, aanbesteding of verhuring
Periode: 1945–
Bron: –
Waardering: V 10 jaar na afloop overeenkomst
Handeling: Het bij liquidatie van de concessionaris goedkeuren van de toewijzing van concessies voor de winning van delfstoffen
Periode: 1945–
Bron: Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), art. 13, derde lid, ‘Tubbergen’ (1953), art. 14; Concessie Groningen, art. 13; Concessie Adolf van Nassau, art. 14
Waardering: V 10 jaar na afloop concessie
Vervallen.
Handeling: Het benoemen van een regeringsvertegenwoordiger voor de drie ‘oude’ concessies, belast met het toezicht houden op de naleving van de concessies en van de aan de concessies voor de winning van koolwaterstoffen verbonden financiële voorschriften
Periode: 1948/1996–
Bron: Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), art. 14; ‘Tubbergen’ (1953), art. 15; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.30; bijl. Hdtk 1996–97, 25 000 XIII (Rijksbegroting EZ), nr. 28
Waardering: V 10 jaar na pensioengerechtigde leeftijd
Handeling: Het namens of vanwege de minister toezicht houden op de naleving van de concessies en van de aan de concessies voor de winning van koolwaterstoffen verbonden financiële voorschriften
Periode: 1948–
Opmerking: 1. Tot 1996 is de taak en bevoegdheid van de regeringsvertegenwoordiger vastgelegd in de concessies.
De handeling behelst onder meer het:
– controleren van de boeken en rapporten betreffende het winningsbedrijf van de concessiehouder;
– deelnemen aan de vergaderingen van aandeelhouders en/of raad van commissarissen van de concessiehouder, voor zover het mijnbouwkundige activiteiten in het concessiegebied betreft.
De regeringsvertegenwoordiger heeft uitgebreide volmachten om informatie te (doen) verzamelen.
Bron: Concessie ‘Schoonebeek’ (1948), art. 14; ‘Tubbergen’ (1953), art. 15; Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 2.30; bijl. Hdtk 1986–1987, 19 722, nr. 5, p. 7
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het goedkeuren van (wijziging of ontbinding van) samenwerkingsovereenkomsten tussen de concessiehouder en de staatsdeelnemer inzake de gezamenlijke ontginning van aardolie en aardgas in concessiegebieden
Periode: 1963–
Opmerking: Samenwerkingsovereenkomsten (vroeger ook wel: overeenkomsten van maatschap) komen bij of na de concessieverlening tot stand.
In het eerste geval is de overeenkomst in ontwerp aan de concessie gehecht.
In het tweede geval moet de minister eerst beslissen, of de maatschappij die een tweede voorkomen van olie of gas aantoont, verplicht is mee te werken aan de totstandkoming van een maatschap. Het aantonen van een tweede voorkomen moet aan de minister, aan de IGM en aan de directeur van de RGD gemeld worden.
De handelingen kunnen samenvallen met de concessieovereenkomst.
Bron: Besluit concessie koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, hoofdst. 3, par. 2; Taverne, Beginselen, p. B-28; B; concessie ‘Groningen’, koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39
Waardering: B 1
Handeling: Het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst tussen de concessiehouder die een tweede voorkomen van aardgas of aardolie in een concessiegebied heeft aangetoond, en de staatsdeelnemer inzake de gezamenlijke winning van aardolie en aardgas in die concessie
Periode: 1970–
Opmerking: 1. Overeenkomsten van samenwerking komen bij of na de concessieverlening tot stand. In het tweede geval moet de minister eerst beslissen, of de maatschappij die in een concessiegebied een tweede bron van olie of gas aanboort, verplicht is mee te werken aan de totstandkoming van een winningmaatschap.
Vanaf 1996 is er de wettelijke regel, dat slechts indien naar redelijke schatting de staat door staatsdeelneming financieel nadeel zal kunnen lijden, afgezien kan worden van staatsdeelneming.
Het aantonen van een tweede voorkomen moet aan de minister, aan de IGM en aan de directeur van de RGD gemeld worden.
Bron: Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996, art. 3.10
Waardering: B 1
Handeling: Het beslissen over de verlening, intrekking e.d. van verkenningsvergunningen voor aardolie en aardgas in het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Opmerking: De normale geldigheidsduur is 6 maanden.
Bron: EZ, Opsporingsvergunningen, p. 49
Waardering: V 5 jaar na vervallen vergunning
Handeling: Het beslissen over de verlening, beperking, intrekking e.d. van opsporingsvergunningen voor aardolie en aardgas in het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Beschikkingen o.b.v. Aanvragen met bijlagen, o.m. Werkprogramma, raming reserves, financiële gegevens en adviezen
Opmerking: 1. Met ‘beperking’ wordt de beperking van het vergunningsgebied bedoeld. De beschikking wordt in de Staatscourant geplaatst. De vergunning is aanvankelijk 15 jaar geldig, en vanaf 1976 10 jaar geldig; vanaf 1996 wordt de duur per vergunning vastgesteld.
Voorschriften inzake de wijze van aanvrage van een vergunning en de daarbij te overleggen gegevens zijn in Besluit aanvragen vergunningen en ontheffingen MCP, Stb. 1967, 75, en vanaf 1996 in de Regeling vergunningen koolwaterstoffen CP 1996 vastgesteld.
Uitslag en bijzonderheden omtrent de toewijzingsronden worden door EZ/EOG gepubliceerd.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 2–21; Besluit 1967 en 1976 ex art. 12 MCP, art. II, art. 2, 19, 21; nvt Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, I, par. 2; Besluit aanvragen vergunningen, art. 5–6 en bijl.
Waardering: B 5
Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, t.b.v. zuiver wetenschappelijk onderzoek beslissen over de verlening, intrekking e.d. van ontheffingen van de verplichting met een vergunning verkennings- of opsporingsonderzoek naar aardolie en aardgas in het Continentaal Plat te verrichten, dan wel van de werkverplichting het verkennings- of opsporingsonderzoek daadwerkelijk uit te voeren
Periode: 1965–
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 2, tweede lid; Besluit 1976, Stb. 102, art. 8; Taverne, Beginselen, p. B-34
Waardering: V 10 jaar na aflopen vrijstelling
Handeling: Het voorbereiden van een machtigingswet waarbij de staat of een staatsdeelnemer gemachtigd wordt zelfstandig opsporingsonderzoek op het Continentaal Plat te verrichten
Periode: 1996–
Opmerking: In de praktijk is dit tot dusverre nooit gebeurd. De staatsonderneming neemt in winningvergunningsgebieden samen met de partner in de samenwerkingovereenkomst deel in de exploratie.
Bron: MCP, art. 4; Taverne, Beginselen, p. B-35; inl. Mw. Mr.ir. C.M.M. Weisenborn (DGE/EOG), 27 augustus 1996
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen en invorderen van een jaarlijks oppervlakterecht en een eenmalige bonus, berekend naar het oppervlakte van het vergunninggebied voor de opsporing van olie en gas op het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven en registraties van de vergunninghouder
Opmerking: De bonus wordt geheven bij het van kracht worden van vergunningen verleend anders dan op grond van art. 13, eerste lid van de wet.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 8 en 10, derde lid, sub a; Besluit 1967 en 1976 ex art. 12 MCP, art. II, art. 4–5; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 2.2–2.3
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het aan de hand van het desbetreffende werkprogramma toezicht houden op het daadwerkelijk uitvoeren door een houder van een opsporingsvergunning van het opsporingsonderzoek
Periode: 1967–
Opmerking: De vergunninghouder moet een jaarlijkse specificatie indienen van zijn uitgaven.
Bron: Besluiten ex art. 12 MCP 1967 en 1976, art. II, art. 10
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het Waardering van gegevens over de aantoning van aardolie- of aardgasvoorkomens op het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Bron: Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. II, art. 13
Waardering: B 2
Bewijsstuk van zakelijke aard, art. 2 sub b archiefbesluit.
Vervallen.
Handeling: Het beslissen over de verlening, wijziging, verlenging, overdracht of intrekking van winningvergunningen voor aardolie of aardgas op het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Advieskader: RGD, sodm, EBN, Mijnraad
Producten: Beschikkingen, o.b.v. Aanvragen met bijlagen, borgstellingovereenkomsten, adviesrapporten
Opmerking: 1. Onderdeel van de procedure tot ca. 1992 kan zijn, dat aan de aanvrager een ‘letter of intent’ wordt gegeven, hetgeen wil zeggen dat aan een aanvrager een winningvergunning wordt toegezegd, mits hij eerst een opruimingsverklaring en een overeenkomst van samenwerking getekend heeft.
Voorschriften inzake de wijze van aanvragen van een vergunning en de daarbij te overleggen gegevens zijn in Besluit aanvragen vergunningen en ontheffingen MCP, Stb. 1967, 75, vanaf 1996 ook in de Regeling vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996 vastgesteld.
De beschikking wordt, na aanvaarding en zekerheidsstellingen door de vergunninghouders voor opruimingskosten, in de Staatscourant geplaatst en zodoende van kracht. Voor 1996 moesten ook zekerheden worden gesteld ten aanzien van financiële verplichtingen.
De vergunning is 40 jaar geldig (vanaf 1996 wordt de duur per vergunning vastgesteld); de borgstellingovereenkomst onder 2a blijft 10 jaar langer van kracht dan de vergunning; de garantieverklaring onder 2b blijft van kracht voor zolang en voor zover de opruiming van de mijnbouwinstallaties nog niet is voltooid.
De vergunning kan slechts op verzoek van de houder gewijzigd worden.
De vergunninghouder heeft een werkverplichting en kan door de Minister van Economische Zaken verplicht worden de benodigde controlegegevens aan deze te verstrekken.
Het kabinet heeft de bevoegdheid om in uitzonderlijke omstandigheden dergelijke vergunningen op te schorten of in te trekken op grond van regels in de Wet Milieubeheer. Deze (theoretische) probleemstelling, die betrekking heeft op elke in Nederland werkzame inrichting, wordt behandeld in het institutioneel onderzoek dat betrekking heeft op milieubeheer.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 2–21; inl. Mw. Mr.ir. C.M.M. Weisenborn (DGE/EOG), 27 augustus 1996; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. III, 23 en 30, art. IV, art. 7; winningvergunning blokdelen K4b en K5a voor Elf Petroland BV c.s., 29 april 1993, E/EOG/MW 9308580 en bijlagen; nvt Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, I, par. 2
Waardering: B 5
Handeling: Het beslissen over de verlening, intrekking e.d. van ontheffingen van de verplichting met een vergunning aardolie of aardgas in het Continentaal Plat te winnen
Periode: 1965–
Opmerking: De ontheffing wordt, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, verleend t.b.v. Zuiver wetenschappelijk onderzoek of t.b.v. Onderzoekingen die geen verkennings- of opsporingsonderzoekingen zijn.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 2, tweede en derde lid; Besluit 1976, Stb. 102, art. II, art. 8; Taverne, Beginselen, p. B-34
Waardering: V 10 jaar na aflopen ontheffing
Ontheffingen zijn van tijdelijke aard en worden verleend in afwachting van een vergunningaanvrage.
NB. Voor het toezicht op de meetapparatuur voor het meten van de gewonnen koolwaterstoffen, zie hoofdstuk 12, par. 3.1.
Handeling: Het vaststellen en van de vergunninghouder invorderen van een eenmalige bonus, berekend naar het oppervlakte van het vergunningsgebied voor de winning van aardolie en aardgas op het Continentaal Plat
Periode: 1967–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven en registraties van de vergunninghouder
Opmerking: De bonus wordt geheven bij het van kracht worden van vergunningen verleend anders dan op grond van art. 13, eerste lid van de wet. Op het Nederlandse territoir bestaat er geen bonus.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 10, derde lid; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. VIII, art. 1; Taverne, Beginselen, p. B-35; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.30
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het jaarlijks vaststellen en van de vergunninghouder invorderen van een oppervlakterecht, berekend naar het oppervlakte van het vergunningsgebied voor de winning van aardolie en aardgas op het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven en registraties van de vergunninghouder
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, gewijzigd 1996, art. 8; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. III, art. 1; Taverne, Beginselen, p. B-35; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.2
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het jaarlijks vaststellen en van de vergunninghouder invorderen van de cijns, berekend naar de waarde der gewonnen en afgevoerde delfstoffen in een vergunningsgebied van het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven, metingen en registraties van de vergunninghouder
Opmerking: De cijns wordt berekend als een percentage van de gewonnen en afgeleverde delfstoffen.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, gewijzigd 1996, art. 11, eerste lid sub a en b; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. III, art. 3–22, 27; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.4 t/m 3.23
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het, samen met de Minister van Financiën, jaarlijks vaststellen en van de vergunninghouder invorderen van het winstaandeel, berekend naar de met en door de winning behaalde winst in een vergunningsgebied van het Continentaal Plat
Periode: 1965–
Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven, resultatenrekeningen, metingen en registraties van de concessiehouder
Opmerking: 1. Het winstaandeel bedraagt 50 of 70% van het voordelig saldo van de resultatenrekening over één boekjaar. Het wordt verrekend met de verrekenbare inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, gewijzigd 1996, art. 11, eerste lid sub a en b; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. III, art. 3–22, 27; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.4 t/m 3.23
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het goedkeuren van de overeenkomst inzake de verkoop van in een vergunninggebied op het Continentaal Plat gewonnen aardolie of aardgas, dan wel van de verrekenprijs van de daaruit afgevoerde hoeveelheden
Periode: 1965–
Bron: Besluit 1967 en 1976 ex art. 12 MCP, art. III, art. 3–22, 27; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.26; nvt, art. 5.2
Waardering: V 10
Handeling: Het verlenen van ontheffing van de verplichting voor de vergunninghouder eigenaar te zijn van in het vergunningsgebied gelegen productieputten en daarbij behorende productie-installaties
Periode: 1970–
Bron: Besluit ex art. 12 MCP, art. III, art. 29; Regeling vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 5.1 j°. Art. 5.5;
Besluit ex art. 12 MCP, art. III, art. 29; Regeling vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 5.1 j°. Art. 5.5
Waardering: B 5
N.B. De hier beschreven handelingen zijn niet in die vorm opgenomen in BSD Staatsdeelneming, zoals die beschreven zijn in PIVOT-rapport 57.
Handeling: Het goedkeuren van (wijzigingen van) de overeenkomst van samenwerking tussen vergunninghouder(s) en winningsvennootschap inzake de winning van aardolie en aardgas
Periode: 1970–
Opmerking: De samenwerking kan reeds vanaf 1967 de vorm van een cost-companyconstructie hebben.
Bron: Besluit 1976 ex art. 12 MCP, art. IV en VI; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 4.2. En 4.11 en nvt I, par. 3.2
Waardering: B 5
Handeling: Het goedkeuren van (wijzigingen van) de overeenkomst van samenwerking op basis van een cost-company constructie tussen vergunninghouder(s), winningvennootschap en EBN inzake de winning van aardolie en aardgas
Periode: 1970–
Opmerking: Volgens de nvt bij het Besluit 1996 draagt de winningvennootschap de positie die haar op grond van art. 4.2, eerste lid, sub b, toekomt als het ware over aan haar aandeelhouders.
Bron: Besluit 1976 ex art. 12 MCP, art. IV en VI; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 4.2. En 4.11 en nvt I, par. 3.2, en II, par. 3
Waardering: B 5
Handeling: Het na vergunningverlening beslissen over de medewerking van een vergunninghouder die een tweede voorkomen van aardgas of aardolie in een vergunningsgebied aantoont, aan de oprichting van een exploitatiebedrijf waarin ook de staat of een staatsdeelneming deelneemt
Periode: 1970–
Opmerking: 1. Overeenkomsten van samenwerking komen bij of na de vergunningverlening tot stand. In het tweede geval moet de minister eerst beslissen, of de maatschappij die in een vergunninggebied een tweede voorkomen van olie of gas aantoont, verplicht is mee te werken aan de totstandkoming van een winningvennootschap.
Vanaf 1996 is er de wettelijke regel, dat slechts indien naar redelijke schatting de staat door staatsdeelneming financieel nadeel zal kunnen lijden, afgezien kan worden van staatsdeelneming.
Het aantonen van een tweede voorkomen moet aan de minister, aan de IGM en aan de directeur van de RGD gemeld worden.
Bron: MCP, art. 11, tweede lid, sub a; Taverne, Beginselen, p. B-41; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. VIII, art. V, eerste lid; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 4.11
Waardering: B 5
Handeling: Het goedkeuren van de ontbinding van de winningvennootschap voor aardolie of aardgas in het vergunninggebied in het Continentaal Plat, dan wel het goedkeuren van de wijziging der statuten van die vennootschap
Periode: 1970–
Bron: Besluit 1967 en 1976 ex art. 12 MCP, art. IV–VII; winningvergunning blok K4B en K5A: overeenkomst van samenwerking, 1993; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 4.2 en 4.3
Waardering: B 4
Handeling: Het bemiddelen in de totstandkoming van een winningovereenkomst tussen twee vergunninghouders bij ‘overlopende structuren’ in het Nederlandse deel van het Continentaal Plat
Periode: 1970–
Bron: MCP, art. 12; Besluit ex art. 12 MCP, art. III, art. 28; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 5.4
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het verlenen, wijzigen e.d. van ontheffingen e.a. beschikkingen inzake het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen anders dan d.m.v. boorwerken
Periode: 1964–1994
Bron: Mijnreglement 1964, art. 322–323, en MRCP, art. 22, 25 en 26; NRMR (6) seismische onderzoekingen,
Waardering: V 10 jaar na aflopen ontheffing
Handeling: Het op advies van Staatstoezicht op de Mijnen goedkeuren van (wijzigingen van) het ontginningsplan van vergunningshouders voor de winning van aardolie en aardgas
Periode: 1996–
Bron: Regeling vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 5.2; sodm, Jaarverslag 1995, p. 51
Waardering: B 5
Handeling: Het voeren van overleg met de Planologische Werkcommissie over de goedkeuring van plannen tot uitvoering van exploratieboringen en het plaatsen van een winninginstallatie (zgn. Locatiebesluiten) in gevoelige gebieden
Periode: 1994–
Bron: Inl. Mr. R.T.A. Hillen (DGE/EOG), 12 november 1996; Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, art. 4.5–4.6, 4.12 en 5.7
Waardering: B 5
Vervallen.
Vervallen.
Handeling: Het voeren van overleg met de Ministers van V&W en Defensie en Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie over de locatieplannen tot vestiging van boorwerken, dan wel het, op advies van de interdepartementale Planologische Werkcommissie, goedkeuren van locatieplannen in gevoelige gebieden van het Nederlands territoir
Periode: 1994–
Producten: Locatiebeschikkingen naar aanleiding van aangegeven diverse opgaven en rapportage zgn. Nulwaardeonderzoek
Opmerking: Evenals de volgende handeling wordt het plan getoetst aan de belangen van de veiligheid en de landsverdediging
Bron: Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, art. 4.5–4.6, 4.12 en 5.6; concessies boorvergunning Andel II, art. II, art. 2–4 (1995)
Waardering: B 5
Handeling: Het mede opstellen van milieueffectrapportages ter voorbereiding van plannen tot exploratie- en exploitatieboringen in gevoelige gebieden
Periode: 1986–
Producten: Milieueffectrapporten
Overlegkader: Commissie voor de Milieueffectrapportage, initiatiefnemers, Ministerie van V & W, Ministerie van VROM.
Opmerking: Op grond van de milieuwetgeving moet voor bepaalde handelingen een milieueffectrapport worden opgesteld. Het bevoegd gezag dat vergunningen moet verlenen, onderneemt in een MER.-procedure de volgende activiteiten:
– bekend maken van de startnotitie;
– organiseren van inspraak;
– geven van richtlijnen voor het opstellen van het MER.;
– Waardering van de inhoud van het MER;
– bekend maken en ter inzage leggen van het MER, tegelijkertijd met het voornemen over de activiteit;
– organiseren van inspraak over MER en voornemen; vragen van adviezen;
– Besluiten over activiteit.
Het Ministerie van VROM kan als adviseur mede bij de opstelling betrokken zijn.
De m.e.r.’s zijn gekoppeld aan de goedkeuringsbesluiten van de Minister van EZ m.b.t. Plannen tot uitvoering van te plaatsen winninginstallaties; zie handeling 378.
Bron: WABM 1986, Besluit m.e.r. 1994, passim; Handleidingen MER, uitgegeven door VROM.
Waardering: B 5
Handeling: Het, op advies van Staatstoezicht op de Mijnen en de betrokken gemeentebesturen, verlenen, wijzigen e.d. Van tijdelijke ontheffingen van het verbod zonder hindervergunning bepaalde door de minister aangewezen bovengrondse mijn- of boorinrichtingen, of mijn- of boorinrichtingen in bepaalde door de minister aangewezen gebieden, te bouwen, in werking te brengen, te wijzigen e.d.
Periode: 1953–
Producten: ‘Gedoogbeschikkingen’
Opmerkingen: Het gaat hier om tijdelijke werkzaamheden in het kader van proefnemingen, voorlopige opslag e.d. Of om werkzaamheden waarvoor binnen een bepaalde termijn een vergunning moet zijn aangevraagd; in het laatste geval zijn deze termijnen als voorwaarde in de ontheffing opgenomen.
Bron: Hinderwet, Wet Milieubeheer. MR39, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 december 1953, houdende wijziging van hoofdstuk XIV A van het MR39, Stb. 1953, 648; Mijnreglement 1964, art. 337–338
Waardering: V 10 jaar na aflopen ontheffing
Handeling: Het, op advies van Staatstoezicht op de Mijnen en betrokken en de betrokken provinciale, regionale inspecties en gemeentes o.g.v. de hinderregeling ex Mijnreglement 1964 en de Wet milieubeheer verlenen, wijzigen e.d. Van (hinder)vergunningen voor de bouw, uitbreiding en revisie van bovengrondse mijn- of boorinrichtingen, alsmede aan de vergunning (nieuwe) vergunningsvoorschriften toevoegen, deze wijzigen of intrekken
Periode: 1949–1994
Producten: Hinderwetvergunningen, milieuvergunningen.
Overlegkader: Besturen van betrokken gemeenten, Inspecteur Volksgezondheid, belast met toezicht op milieuhygiëne,
Opmerking: 1. In de regel worden de vergunningen voor onbepaalde tijd verstrekt. In bijzondere gevallen kan de minister een tijdelijke vergunning voor ten hoogste 10 jaar verstrekken.
Na de invoering van de Wet milieubeheer is een grote ombouwoperatie gestart om de oude vergunningen te actualiseren.
Bron: MR39, zoals gewijzigd bij Besluit van 21 juni 1949, Stb. J 266 (toevoeging hoofdstuk IVA), en van 3 december 1953, houdende wijziging van hoofdstuk XIV A van het MR39, Stb. 1953, 648; Mijnreglement 1964, gewijzigd bij amvb van 23 sept. 1980, Stb. 506, art. 336, eerste lid, 339–352, juncto desbetreffende artikelen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne; Wet Milieubeheer 1992, art. 8.2, derde lid; inl. Mr. R.T.A. Hillen (DGE/EOG), 12 november 1996; sodm, NKD, nr. 95/C/14 (Jaarwerkplan 1997), p. 12
Waardering: V 10 jaar na aflopen vergunning
Handeling: Het op advies van Staatstoezicht op de Mijnen Waardering van kennisgevingen inzake uitbreiding of wijziging van een inrichting, die naar verwachting geen nadelige gevolgen heeft in termen van gevaar, schade of hinder buiten de inrichting
Periode: 1949–1993
Opmerking: Het gaat hier om handelingen die niet hinderwetplichtig zijn of waarvoor sedert 1985 algemene regels zijn gesteld in de vorm van hinder- of milieubesluiten.
Bron: sodm, Jaarverslag 1992, p. 39, Hinderwet 1985.
Waardering: V 10 jaar na afloop
Handeling: Het, in overleg met vergunninghouders en in overeenstemming met de Ministers van V&W en Defensie, beslissen over de plaats(ing) van mijnbouwinstallaties in zgn. restrictiegebieden in het Nederlandse deel van het Continentaal Plat
Periode: 1967–
Producten: Beschikkingen
Opmerking: Het gaat o.m. Om scheepvaart- en defensie restrictiegebieden.
Bron: Besluit 1967 ex art. 12 MCP, Stb. 24, art. II, art. 14 en 17, art. IX–X en bijlagen; Regeling vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 4.5, 4.13–4.17 en art. 5.7–5.10
Waardering: V 10 jaar na afloop
Handeling: Het verlenen, vernieuwen of intrekken van vergunningen voor de ontginning of ander gebruik van ondergrondse steengroeven, dan wel verlenen van toestemming voor ontginning of ander gebruik van de groeve bij wijze van verpachting
Periode: 1945–
Producten: Vergunningen e.a. Beschikkingen o.g.v. Aanvrage met kaart, uittreksel uit de kadastrale leggers, verklaring van de grondeigenaar, bij de betrokken gemeentebesturen ingebrachte bezwaarschriften, advies sodm
Opmerking: 1. Het ‘vernieuwen’ van een vergunning gebeurt bij overgang of overdracht van een vergunning.
Gedeputeerde Staten en de betrokken gemeente(n) ontvangen een afschrift van de beschikking.
Bron: Groevenreglement 1947, gewijzigd 1993, art. 1–8, 25
Waardering: V 10 jaar na aflopen vergunning
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de nieuwbouw en plaatsing van mijn- en boorwerken en van mijnbouwinstallaties
Periode: 1945–
Opmerking: 1. T.a.v. Art. 36a–b,e,j,k–m,o is sodm niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
Voor de nieuwbouw van pijpleidingen, zie volgende paragraaf.
Bron: MR39, art. 124, tweede lid, art. 127, tweede lid; Mijnreglement 1964, art. 8, vijfde lid, art. 24–36; MRCP, art. 34–43, 60, 64; NRMR (5) putbeveiliging, Stcrt. 1967, 100, art. 4, 5, 7, 12; MRCP, art. 34; NRCP (27) putbeveiliging, Stcrt. 1970, 207, en 1990, 164; Taverne, Beginselen, p. B-28; NRCP (67, 68) erkenning deskundige instelling op meteorologisch en oceanografisch gebied; NRMR (35) herkenningstekens mijnbouwinstallaties, Stcrt. 1973, 54; NRMR (41) meteorologische en oceanografische inlichtingen en waarnemingen, Stcrt. 1975, 250; NRMR (51) uitgangen en wegen, Stcrt. 1985, 202, art. 9, vierde lid, art. 13; sodm, A&R, nr. 69 en 110 (Richtlijnen m.b.t. Inrichting aardgas- en aardolieputten), art. 2, 3, 4, 9, resp. 8; sodm, A&R, nr. 80 (Aanschrijving toepassing IMCO-resolutie A.414 op verplaatsbare mijnbouwinstallaties geregistreerd in Nederland; sodm, A&R, nr. 126 (Richtlijnen MRCP sterkte mijnbouwinstallaties), art. 3; nr. 134 (Richtlijnen verkrijging bewijs van toezicht van de Dienst voor het Stoomwezen), art. 6, eerste en vierde lid, art. 12, eerste en zevende lid; Concessie Groningen, art. 10; Concessie ‘Paul’, Stcrt. 1959, 170, art. 5
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het onderhoud en de operatie van mijn- en boorwerken en van mijnbouwinstallaties
Periode: 1945–
Opmerking: 1. T.a.v. Art. 36a–b,e,j,k–m,o is sodm niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
Voor de nieuwbouw van pijpleidingen, zie volgende paragraaf.
Bron: MR39, art. 124, tweede lid, art. 127, tweede lid; Mijnreglement 1964, art. 8, vijfde lid, art. 24–36; MRCP, art. 34–43, 60, 64; NRMR (5) putbeveiliging, Stcrt. 1967, 100, art. 4, 5, 7, 12; MRCP, art. 34; NRCP (27) putbeveiliging, Stcrt. 1970, 207, en 1990, 164; Taverne, Beginselen, p. B-28; NRCP (67, 68) erkenning deskundige instelling op meteorologisch en oceanografisch gebied; NRMR (35) herkenningstekens mijnbouwinstallaties, Stcrt. 1973, 54; NRMR (41) meteorologische en oceanografische inlichtingen en waarnemingen, Stcrt. 1975, 250; NRMR (51) uitgangen en wegen, Stcrt. 1985, 202, art. 9, vierde lid, art. 13; sodm, A&R, nr. 69 en 110 (Richtlijnen m.b.t. Inrichting aardgas- en aardolieputten), art. 2, 3, 4, 9, resp. 8; sodm, A&R, nr. 80 (Aanschrijving toepassing IMCO-resolutie A.414 op verplaatsbare mijnbouwinstallaties geregistreerd in Nederland; sodm, A&R, nr. 126 (Richtlijnen MRCP sterkte mijnbouwinstallaties), art. 3; nr. 134 (Richtlijnen verkrijging bewijs van toezicht van de Dienst voor het Stoomwezen), art. 6, eerste en vierde lid, art. 12, eerste en zevende lid; Concessie Groningen, art. 10; Concessie ‘Paul’, Stcrt. 1959, 170, art. 5
Waardering: V 20 jaar
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. De Mijnreglementen m.b.t. het veilig bovengronds verkeer en vervoer van, naar en in mijn- en boorwerken en mijnbouwinstallaties
Periode: 1964–
Opmerking: 1. Het betreft de volgende activiteiten:
– goedkeuren van reglementen voor bovengronds personen- en goederenvervoer (art. 43);
– ontheffing verlenen voor vrije ruimte naast spoor (NRMR smalspoorvervoer, art. 3);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van verbod met helikopter te landen op te klein helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 3);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van voorschriften obstakelvrije zone helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 5);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van voorschriften verlichting helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 8);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van voorschriften toegangen helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 9);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van voorschriften apparatuur meteorologische gegevens helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 10);
– i.o.m. Minister van V&W ontheffing verlenen van voorschriften brandblusmiddelen en -apparatuur helikopterdek (NRMR en NRCP helikopterdekken, art. 30).
Bij NR helikopterdekken is Minister van EZ sedert 1995 bevoegd ontheffingen e.d. Te verlenen.
Zie voor de handelingen van de Rijksluchtvaartdienst, PIVOT-rapport nr. 16 (burgerluchtvaart).
Bron: Mijnreglement 1964, art. 43–47; NRMR (20) vervoer met motorrijtuigen bovengronds, Stcrt. 1970, 101, en 1988, art. 80; NRMR (36) niet-verplaatsbare transportinrichtingen bovengronds, Stcrt. 1970, 156, art. 7; NRMR (24) smalspoorvervoer bovengronds, Stcrt. 1970, 156; NRCP helikopterdekken, Stcrt. 1993, 233, vervangen door: NRMR en NRCP (73) helikopterdekken, Stcrt. 1995, 186
Waardering: V 20 jaar
Vervallen.
Handeling: Het, in overleg met de betrokken minister, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de aanleg van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen
Periode: 1964–
Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies
Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996
Waardering: V 20 jaar
Handeling: Het, in overleg met de betrokken minister, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het onderhoud en de operatie van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen
Periode: 1964–
Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies
Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996
Waardering: V 20 jaar
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het verlaten van mijn- en boorwerken, mijnterreinen en mijnbouwinstallaties
Periode: 1964–
Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
Bron: Mijnreglement 1964, art. 136–143; MRCP, art. 60, 68, 70; NRMR (3) verlaten van boorgaten, Stcrt. 1967, 100 en 1976, 94; NRCP (32) verlaten van boorgaten, Stcrt. 1971, 175; NRMR (34A) vullen van schachten, Stcrt. 143, 10, art. 6–7; Concessie Rossum-De Lutte (1961), art. 7b, e.a. Concessies
Waardering: B 1
Handeling: Het verlenen goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de algemene veiligheid op, in en bij mijn- en boorwerken en mijnbouwinstallaties
Periode: 1945–
Producten: Publicaties in Stcrt.
Opmerking: Met ‘bij’ mijnbouwinstallaties worden de schepen die werkzaamheden uitvoeren aan offshore mijnbouwinstallaties bedoeld.
Bij deze handeling behoort ook de aanwijzing van veiligheidszones.
Bron: MWCP, art. 27; MR39, art. 25, sub a en c; Mijnreglement 1964, art. 144–166; MRCP, art. 96, tweede en derde lid, art. 96a, eerste en tweede lid, art. 97, vierde lid, art. 102a, vierde lid, art. 149a, tweede lid; NRMR (8) grondwerk, Stcrt. 1967, 137; NRMR (9) ladders, Stcrt. 1967, 137; NRMR (10) inrichting aardgas- en aardolieputten, Stcrt. 1967, 214, art. 2, 10; NRMR (17) afstand diepboringen, Stcrt. 1970, 91, art. 2; NRMR (31) veiligheidszones boorwerken op het land, Stcrt. 1971, 120 en 1973, 81, art. 3, tweede lid, art. 5, zesde lid, art. 6, derde lid; Aanwijzing 28 febr. 1989; NRMR 1964 (60) steigers 1989, en NRCP (61) steigers 1989, Stcrt. 1989, 90; NRMR 1964 en NRCP (70) inzake veiligheid en gezondheid van arbeiders in de winningsindustrie; sodm, A&R, nr. 30 (Veiligheidseisen dieselmotoren), 61 (Aanschrijving alcoholische dranken), art. 4, 70 (idem); Nadere regelen Mijnreglement afgraven steenstorten, Stcrt. 1970, 202; sodm, A&R, nr. 113 (Richtlijnen zwavelwaterstoflocaties), art. 13, tweede lid; sodm, A&R, nr. 122 (Aanschrijving met richtlijnen m.b.t. De organisatie van veiligheidsdiensten)
Waardering: V 5 jaar na vervanging
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen of andere beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de gezondheid en hygiëne op mijn- of boorwerken en mijnbouwinstallaties
Periode: 1945–
Producten: Vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen, verklaringen van geen bezwaar, adviezen van het College van Bijstand en Advies, v.a. 1982 de ARBO-raad
Opmerking: 1. Sodm is t.a.v. MR1964, art. 147, tweede lid, en 158, eerste lid, niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
In een aantal gevallen hoort de minister het College van Bijstand en Advies voor de Bedrijfsgeneeskunde, nadien de Commissie voor de Bedrijfsgezondheidszorg van de ARBO-Raad (1982–1993).
Bron: MR39, art. 23, 158, eerste lid, art. 160, tweede lid; Mijnreglement 1964, art. Art. 11, 223–251; MRCP, art. 143, eerste en derde lid, art. 144, art. 147, derde t/m vijfde lid, art. 149b, derde lid (nader geneeskundig onderzoek), art. 152, derde lid, 152a, vierde lid, art. 155, vijfde lid, art. 160, vierde lid; NRMR privaten en urinoirs bovengronds, Stcrt. 1967, 137, en 1975, 126; NRMR (38) drinkwater boorwerken, Stcrt. 1975, 126; NRCP (66) schadelijke geluidsniveaus, Stcrt. 1993, 246; sodm, A&R, nr. 93 (Aanschrijving drinkwaterrichtlijn), art. 11, 17, 30; sodm, A&R, nr. 95 (Medische Keuring van personen op mijnbouwinstallaties 1984), art. 6, tweede lid, art. 8, tweede en derde lid; sodm, A&R, nr. 102 (Accommodatierichtlijnen) 1986, art. 24 en 25, en 1996, art. 23; sodm, Jaarverslag 1992, p. 79 (goedkeuring werkmethode asbestverwijdering)
Waardering: V 50 jaar na aflopen ontheffing/vergunning
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen of andere beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de bescherming van het personeel in de mijnbouw tegen de gevaren van toestellen die ioniserende stralen uitzenden, en van radioactieve stoffen:
A. Territoir
B. Continentaal Plat
Periode: A. 1964–1982
B. 1967–
Producten: Vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen, verklaringen van geen bezwaar
Opmerking: 1. Ad a: Hoofdstuk XIV MR1964 is vervangen door Besluit straling kernenergie (BSK); sozawe verleent nu de beschikkingen.
Ad b. Het overeenkomstige hoofdstuk XVII van MRCP is niet ingetrokken.
De minister verleent de vergunning voor het zich ontdoen van radioactieve stoffen bij mijnbouwkundig werk i.o.m. De Minister van VROM.
Ingeval van ontheffingverlening van de verplichting tot meting van de blootstelling aan ioniserende stralen a.d.h.v. Persoonlijke controlemiddelen, moeten de meetresultaten van de collectieve controle die hebben gediend tot vaststelling van de individuele doses, ten minste dertig jaar worden bewaard (MRCP, art. 176, vierde lid).
Bron: Mijnreglement 1964, art. 257–277; MRCP, art. 167–171, 176, derde en vierde lid, art. 181, vijfde, zesde en zevende lid, 184d, tweede lid, art. 184w; inl. Sodm, 15 mei 1996; sodm, Jaarverslag 1992, p. 40
Waardering: V 50 jaar na aflopen ontheffing/vergunning
Handeling: Het verlenen van ontheffingen, goedkeuringen of andere beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het verrichten van arbeid in de mijnbouw
Periode: 1964–1995
Producten: Vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen, verklaringen van geen bezwaar
Opmerking: 1. De activiteiten o.g.v. MR64, resp. MRCP betreffen:
– vergunning verlenen voor vrouwenarbeid (MR39, art. 175);
– verlenen van vergunning voor verrichten van zondagsarbeid of verblijf (MRCP, art. 194);
– verlenen van ontheffing van rusttijden (MR64, art. 285; MRCP, art. 196);
– verlenen van ontheffing van leerplicht (MR64, art. 289a);
– verlenen van ontheffing van schadelijke arbeid door jongeren (MR39, art. 176; MR64, art. 290–290e);
– vergunning verlenen voor verrichten lichte arbeid door leerplichtige arbeiders (MR64, art. 292);
– vergunning verlenen voor langere diensttijd (MR39, art. 179 en 180; MR64, art. 295, MRCP, art. 198);
– vergunning verlenen voor kortere rusttijd (MR64, art. 296, 309; NRCP, art. 199);
– vergunning verlenen voor langere nachtdienst (MR64, art. 298, MRCP, art. 201);
– goedkeuren van ‘afwijkende’ werktijdregeling (MR64, art. 299, 301–302, 305, 309–310, MRCP, art. 202, 203, 204, 205, 206);
– vergunning verlenen af te wijken van vastgestelde schaftijd (MR39, art. 188, vierde lid; MR64, art. 304; MRCP, art. 207); – goedkeuren van afwijkingen m.b.t. Bewakingsdiensten (MR64, art. 305; MRCP, art. 208).
Sodm is t.a.v. MR1964, art. 295, derde lid, en 158, eerste lid, niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.
De bemoeienis van de minister, c.q. Sodm is o.g.v. De nieuwe Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit per 1 januari 1996 vervallen en overgegaan op de Minister van sozawe.
Bron: Mijnreglement 1964, art. 282–321; inl. Fr. Bezem (sodm), 23 april 1996; sodm, Jaarverslag, pp. 39–40
Waardering: V 20 jaar na aflopen ontheffing/vergunning
Vervallen.
Handeling: Het, in overeenstemming met de Ministers van V&W en VROM, verlenen van vergunningen, ontheffingen e.a. beschikkingen o.g.v. Mijnreglement Continentaal Plat, art. 49, m.b.t. de lozing van oliehoudende mengsels en ander afval
Periode: 1970–
Opmerking: sodm adviseert de minister.
Bron: MRCP, art. 49; Regeling lozing van oliehoudend mengsels (NRCP (64)); sodm, NKD, nr. 95/C/14, p. 5
Waardering: V 20 jaar na afloop vergunning/ontheffing
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)