Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-01-15
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handeling: Het bemiddelen tussen de Minister van Verkeer en Energie, later Economische Zaken, en de onder beheer gestelde particuliere kolenmijnondernemingen over de vergoeding aan die ondernemingen (1945–1948) en over de afwikkeling van het inmiddels opgeheven staatsbeheer (1948–1956)

Periode: 1945–1956

Opmerking: 1. De tijdelijke Mijnraad onder voorzitterschap van W.F.J. Frowein functioneerde van maart tot september 1945. De bemiddelingstaak ging over op de Commissie-Frowein.

2.

Samenstelling van de Commissie-Frowein: oud-president-directeur Staatsmijnen mr. W.F.J. Frowein (voorz.), 2 leden, 1 toegevoegd lid van de Algemene Rekenkamer.

Bron: Inventaris archief regeringscommissaris en Commissie-Frowein (ARA), pp. 3–4

Waardering: B 6

4.7. Mijnraad

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over het beleid inzake de steenkolenmijnindustrie

Periode: 1945–1976

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het ‘in adviserende zin’ houden van toezicht op de wijze van leiding geven door de Directie van het Staatsmijnbedrijf in Limburg, dan wel het (on)gevraagd adviseren van de Directie in zaken van algemeen directiebeleid

Periode: 1945–1966

Producten: Adviezen, o.b.v. inlichtingen (Hoofd)directie

Opmerking: De Mijnraad kan wel als een soort raad van commissarissen beschouwd worden, maar dan toch slechts in adviserende zin: de beslissing berust steeds bij de minister; zie brief d.d. 21 maart 1960 van het hoofd Directie Mijnwezen, nota MW 33/60.

De Mijnraad kan de vergaderingen van de Directie der Staatsmijnen bijwonen.

Bron: Besluit van 25 april 1913 betreffende het Staatsmijnbedrijf in Limburg en de Mijnraad, art. 9 en 10, zoals gewijzigd bij Besluit van 12 april 1956, Stb. 139, Instructie 1960, art. 2

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het (gezamenlijk) voordragen van zes van de tien werkgeversleden in de Mijnindustrieraad, dan wel het aanwijzen van werkgeversleden in de ondernemingsraden

Periode: 1945–1954

Opmerking: Het overige deel van de werkgeversleden werd door de directies en rvc van de particuliere mijnen voorgedragen.

Bron: Mijnstatuut 1945, art. 7–8, 37–38

Waardering: B 4

Handeling: Het, gevraagd en ongevraagd, adviseren van de minister omtrent mijnbouwaangelegenheden, in het bijzonder over onderwerpen met betrekking tot de opsporing van delfstoffen op het Nederlandse territoir

Periode: 1945–1996

Opmerking: 1. Tot 1970 gaf de Mijnraad de minister slechts gevraagd advies.

2.

Voor advisering over de aangelegenheden betreffende de Staatsmijnen, zie hoofdstuk 7.

3.

Voor de in- en samenstelling van de Mijnraad, zie hoofdstuk organisatorisch kader.

Bron: Staatsalmanak 1994–1995, M 21; De Maar, Energierecht, p. 106; Besluit van 12 april 1956, Stb. 139; Wet Mijnraad 1970, art. 2

Waardering: B 5

Handeling: Het, gevraagd en ongevraagd, adviseren van de minister omtrent mijnbouwaangelegenheden, in het bijzonder over onderwerpen met betrekking tot de winning van delfstoffen

Periode: 1945–1996

Opmerking: 1. Tot 1970 gaf de Mijnraad de minister slechts gevraagd advies.

2.

Voor advisering over de aangelegenheden betreffende de Staatsmijnen, zie hoofdstuk steenkolenmijnbouwbeleid.

Bron: Staatsalmanak 1994–1995, M 21; De Maar, Energierecht, p. 106; Besluit van 12 april 1956, Stb. 139; Wet Mijnraad 1970, art. 2

Waardering: B 1

Handeling: Het, gevraagd en ongevraagd, adviseren van de minister omtrent mijnbouwaangelegenheden, in het bijzonder over onderwerpen met betrekking tot de opsporing van delfstoffen

Periode: 1945–1996

Opmerking: Tot 1970 gaf de Mijnraad de minister slechts gevraagd advies.

Bron: MCP, art. 16, derde lid, en art. 19, tweede lid; Staatsalmanak 1994–1995, M 21; De Maar, Energierecht, p. 106; Besluit van 12 april 1956, Stb. 139; Wet Mijnraad 1970, art. 2

Waardering: B 1

Handeling: Het, gevraagd en ongevraagd, adviseren van de minister omtrent mijnbouwaangelegenheden, in het bijzonder over onderwerpen met betrekking tot de winning van delfstoffen

Periode: 1945–1996

Opmerking: Tot 1970 gaf de Mijnraad de minister slechts gevraagd advies.

Bron: MCP, art. 16, derde lid, en art. 19, tweede lid; Staatsalmanak 1994–1995, M 21; De Maar, Energierecht, p. 106; Besluit van 12 april 1956, Stb. 139; Wet Mijnraad 1970, art. 2

Waardering: B 1

4.8. Commissie van Advies inzake van Boorwerken te vrijwaren kwetsbare Gebieden

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het desgevraagd adviseren van de Minister van Economische Zaken over aanvragen voor een boorvergunning of concessie in gebieden die uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud uiterst kwetsbaar zijn

Periode: 1973–1994

Opmerking: Voor informatie over instelling en samenstelling, zie hoofdstuk organisatorisch kader.

Bron: Staatsalmanak 1994–1995, M 21; PG SIC, Tweede interimrapport, II, p. 122

Waardering: B 5

Handeling: Het desgevraagd adviseren van de Minister van Economische Zaken over aanvragen voor een concessie voor de winning van delfstoffen in gebieden die uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud uiterst kwetsbaar zijn

Periode: 1973–1994

Opmerking: Voor informatie over instelling en samenstelling, zie hoofdstuk organisatorisch kader.

Bron: Instellingsbesluit, Stcrt. 1973, 117; Staatsalmanak 1994–1995, M 21; PG SIC, Tweede interimrapport, II, p. 122

Waardering: B 5

4.9. Peelcommissie

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de regering over een eventuele ontsluiting van mijnvelden in de Peel

Periode: 1952–1962

Producten: Concept-rapporten en eindrapport, in 1962 ter publikatie aangeboden en uitgegeven als deel 5 in de Mijnbouwkundige serie

Opmerking: Samenstelling: zie bijlage inventaris. De Commissie is bij besluit van de Minister van EZ van 19 mei 1952 nr. 17031 MKP, afd. Mijnwezen, ingesteld. De Commissie had 4 subcommissies. Het eindrapport bevatte een negatief advies.

Bron: Messing, Mijnsluiting, pp. 220–221; Inventaris ARA III

Dit archief is al overgedragen aan het Nationaal Archief.

4.10. Studiecommissie voor de Steenkolenmijnindustrie

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: – Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid;

Wet Mijnraad 1970, art. 2. derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de specifieke sociaal-economische problemen in de Nederlandse (kolen-)mijnindustrie en over de te nemen (beschermings)maatregelen

Periode: 1963

Producten: Rapport

Overlegkader: MIR, GSL, Industrieschap Oostelijk Mijngebied

Opmerking: Samenstelling van de commissie van drie ‘onafhankelijke deskundigen’: prof. dr. P.P. van Berkum, prof. mr. W. Drees jr. en prof.mr. N.E.H. van Esveld. Ambtelijke ondersteuning: EZ en SoZaVo.

Bron: Messing, Mijnsluiting, p. 32, pp. 211–214, 222–228

Waardering: B 1

4.11. Commissie-Frowein (1945–1956)

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970. art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het bemiddelen tussen de Minister van Verkeer en Energie, later Economische Zaken, en de onder beheer gestelde particuliere kolenmijnondernemingen over de vergoeding aan die ondernemingen (1945–1948) en over de afwikkeling van het inmiddels opgeheven staatsbeheer (1948–1956)

Periode: 1945–1956

Opmerking: 1. De tijdelijke Mijnraad onder voorzitterschap van W.F.J. Frowein functioneerde van maart tot september 1945. De bemiddelingstaak ging over op de Commissie-Frowein.

2.

Samenstelling van de Commissie-Frowein: oud-president-directeur Staatsmijnen mr. W.F.J. Frowein (voorz.), 2 leden, 1 toegevoegd lid van de Algemene Rekenkamer.

Bron: Inventaris archief regeringscommissaris en Commissie-Frowein (ARA), pp. 3–4

Dit archief is al overgedragen aan het Nationaal Archief.

4.12. Staatscommissie-Couvée

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de Kroon over het vraagstuk van de socialisatie of nationalisatie van de particuliere steenkolenmijnondernemingen in Nederland

Periode: 1946–1948

Producten: Adviesrapport, 2 dln.: dl. I: conclusies; dl. II: documentatie

Opmerking: Samenstelling van de Staatscommissie, ingesteld bij kb van 26 november 1946: voorz.: mr. N.C. Couvée, voorm. hoofd afd. Mijnwezen Ministerie van EZ; leden: o.m. ir. J. Bakker, adviseur bij National Coal Board in Engeland, hoogleraren, 2 PvdA-politici, de oud-president-directeur van Staatsmijnen; secr.: hoofd afd. Mijnwezen.

Bron: Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, pp. 190–195

Waardering: B 6

4.13. Staatscommissie-Rutten

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren over het vraagstuk van de bedrijfsorganisatie voor het steenkolenmijnbedrijf in Nederland

Periode: 1945

Bron: Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, pp. 184–185

Waardering: B 1

4.14. Commissie van Advies Rijks Geologische Dienst (Commissie-Dozy)

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970 1970, art.2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de taakstelling van de RGD

Periode: 1973–1977

Waardering: B 4

4.15. Stuurgroep Organisatie Geowetenschappelijk Onderzoek (Commissie-Van Engelshoven)

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de mogelijkheden tot verbetering van de organisatie van het toegepast geowetenschappelijk onderzoek in Nederland

Periode: 1994–1995

Waardering: B 1

4.16. Programma-adviescommissie Rijks Geologische Dienst

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de directeur van de RGD over het ontwerpen en uitvoeren van de werkprogramma’s van de RGD, voor zover deze betrekking hebben op (de kartering van) de ondiepe en matig diepe ondergrond van Nederland en op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat

Periode: 1981–1996

Waardering: V 5 jaar

4.17. Regeringscommissaris voor de Limburgse mijnindustrie

Handeling: Het adviseren over de financiële en materiële hulpverlening aan de mijnondernemingen en over de kolenprijzen

Periode: 1944–1945

Waardering: B 6

Betreft het beheer van steenkolenmijnen die in 1940–1945 in handen van de bezetter waren. Valt onder de circulaire, waarbij stukken betreffende omstandigheden teweeggebracht door WO II voorlopig buiten de selectie vallen.

4.18. Begeleidingscommissie Coördinatie Mijnsluiting

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het coördineren van de tenuitvoerlegging van de personeelsafvloeiingsplannen voor de Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg

Periode: 1969–

Waardering: B 5

4.19. Commissie-Martens

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het onderzoeken van de geologische, mijnbouwtechnische en financieel-economische mogelijkheden voor de heropening van de Nederlandse kolenmijnen

Periode: 1978–

Waardering: B 1

4.20. Programma Voorbereidingscommissie Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren aan de Minister van Economische Zaken omtrent het Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen

Periode: 1979–

Waardering: B 1

4.21. Begeleidingscommissie Inventarisatieonderzoek Nederlandse Kolenvoorkomens

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het beoordelen van de werkzaamheden van de Rijks Geologische Dienst en het daaromtrent adviseren van de Minister van Economische Zaken

Periode: 1981–

Waardering: V 5 jaar

4.22. Commissie tot bestudering van de centralisatie op het gebied van de gasvoorziening/Commissie-Van Iterson

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren aan de Regering over de wijze, waarop de openbare gasvoorziening dient te worden gereorganiseeerd, ten einde met zo economisch mogelijk gebruik van binnenlandse vaste en vloeibare brandstoffen, alsmede natuurlijke gasbronnen, in de behoeften van het land aan gasvormige energie te voorzien

Periode: 1945–1950

Waardering: B 1

4.23. Commissie-Kreukniet

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren aan de Regering over de bestemming van het aardgas

Periode: ca. 1953–

Waardering: B 1

4.24. Commissie Organisatie Landelijke Gasvoorziening

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het uitbrengen van advies over de meest wenselijke opbouw van een bestuurlijke organisatie voor de landelijke gasvoorziening

Periode: 1955–1958

Waardering: B 1

4.25. Adviescommissie Gaspolitiek

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het nemen van beslissingen in aangelegenheden die van belang zijn voor de afstandgasvoorziening in afwachting van de oprichting van de NV Nationale Gas Maatschappij

Periode: 1956–1958

Waardering: B 1

4.26. Adviescommissie Aardgas (informeel)

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het geven van advies over het met betrekking tot de nieuwe aardgasvondsten te voeren beleid

Periode: 1961–1963

Waardering: B 1

4.27. Gasadviescommissie

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake het te voeren beleid op het terrein van de aardgasvoorziening

Periode: 1963–

Waardering: B 1

4.28. Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het voeren van onderhandelingen namens de Nederlandse regering met de afnemers van aardgas, dat wordt geleverd ten behoeve van verbruik buiten Nederland, en met de betrokken Regeringen bewerkstelligen dat de prijs van het gas wordt aangepast aan de waarde daarvan

Periode: 1980–

Bron: Besluit Aanstelling Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen, 23 mei 1980, nr. 18, art. 2.

Waardering: B 5

4.29. Adviescommissie Aanleg Gastransportleidingen

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het gevraagd adviseren van de directeur-generaal van de Energievoorziening over de technische vraagstukken die zich voordoen bij het transport van afstandsgas en de aanleg van gastransportleidingen

Periode: 1952–1960

Opmerking: Nadat de technische taak van het aardgastransport was opgedragen aan de Rijksdienst Gasvoorziening, later aan het Staatsgasbedrijf, was er geen aanleiding meer adviezen van de Commissie te vragen.

Bron: Instellings- en opheffingsbesluit van resp. 8 januari 1952, DGE nr. 179, en 23 juli 1960, DGE nr. 2839vi/W

Waardering: B 5

4.30. Economische Controledienst

De hier te waarderen handelingen hebben alleen betrekking op het oliecrisisbeleid en op de controle op de uitvoering van oliecrisishandelingen. De overige handelingen zijn uitvoeringshandelingen met betrekking tot de Prijzenwet. Hierover vindt een ander onderzoek plaats.

Vervallen.

Handeling: Het toezicht houden op de uitvoering van de gegevensverstrekking door oliehandelaren en raffinadeurs inzake van overzee in Nederland ingevoerde, opgeslagen, verwerkte en verhandelde bulk-hoeveelheden ruwe olie en stookolie

Periode: 1981–

Producten: Controle-verslagen ECD

Bron: Wet schadefonds olietankschepen, Stb. 1981, 294, art. 7–8; Besluit opgave bijdragende olie, art. 2

Waardering: V 1 jaar

Handeling: Het houden van toezicht op de naleving van het bij en krachtens van de Wet voorraadvorming aardolieproducten en de Wet uitvoering internationaal energieprogramma bepaalde

Periode: 1977–

Opmerking: 1. De controleurs van de ECD zijn tevens o.g.v. De Wet op de economische delicten als bijzondere opsporingsambtenaar aangesteld; zie hierboven.

2.

De controleurs zijn in het kader van het toezicht op de uitvoering van de Wet IEP tevens belast met het inwinnen van gegevens in verband met de toebedeling van aardolieproducten.

Bron: Wet voorraadvorming aardolieproducten, art. 19–23; Wet IEP, art. 16–21

Waardering: V 5 jaar

4.31. Commissie Voorbereiding Aardolievoorziening in bijzondere Omstandigheden/organen oliecrisis

Handeling: Het instellen en benoemen van leden van (sub)commissies ter voorbereiding van adviezen of directe advisering aan de minister

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het vaststellen van een interne regeling van de werkzaamheden

Periode: 1945–

Bron: –

Waardering: V 1 jaar na wijziging/opheffing

Handeling: Het uitbrengen van jaarverslagen en andere evaluatieverslagen aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1945–

Bron: Wet Mijnraad 1970, art. 2, derde lid

Waardering: B 4

Handeling: Het voorbereiden van crisismaatregelen t.b.v. de aardolievoorziening in bijzondere omstandigheden

Periode: 1959–1968

Opmerking: De Commissie had vier subcommissies:

– Subcommissie Voorraadpolitiek

– Subcommissie Telecommunicatie

– Subcommissie Organisatie

– Subcommissie Vervoer.

Bron: Inventaris EZ IV, p. 16

Waardering: B 5

4.32. Interdepartementale commissie Aardolieproblematiek (ICA)

Handeling: Het tijdens een aardoliecrisis overleggen en adviseren van de Minister van Economische Zaken over te nemen crisismaatregelen

Periode: 1970–

Opmerking: Samenstelling: SG van EZ, secretaris (EZ), biza (3), vertegenwoordigers van alle overige departementen.

Bron: MEZ-1996, Handboek crisisbeheersing EZ, p. 45

Waardering: B 6

4.33. Staatsgasbedrijf

Handeling: Het uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot de aanleg en exploitatie van gastransportleidingen en de in- en verkoop van gas en voorts uit de bewerking, de productie en de berging van gas, alsmede die werkzaamheden, welke door de Minister van Economische Zaken aan het bedrijf worden opgedragen

Periode: 1957–1963

Bron: Regelen omtrent het Staatsgasbedrijf, 20 mei 1957, art. 1

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het sluiten van gaskoop- en gasverkoopcontracten

Periode: 1957–1963

Bron: Regelen omtrent het Staatsgasbedrijf, 20 mei 1957, art. 7, lid 2

Waardering: B 5

Handeling: Het jaarlijks toezending van het werkplan, een voorstel betreffende de begroting en de jaarrekening aan de Minister van Economische Zaken

Periode: 1957–1963

Bron: Regelen omtrent het Staatsgasbedrijf, 20 mei 1957, art. 4, art. 5, lid 1 en art. 6, lid 1

Waardering: B 2,3

Handeling: Het vormen van algemene en bijzondere reserverekeningen door het Staatsgasbedrijf

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, p. art. 2 lid 1.a en b.

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het kwijtschelden door het Staatsgasbedrijf van vorderingen op derden

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 3 lid 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het verkopen van roerende zaken, welke niet of niet meer voor de dienst benodigd zijn, nadat daartoe een algemene of bijzondere machtiging van de Minister van Economische Zaken is verkregen

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 4, lid 2

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het treffen van schikkingen door het Staatsgasbedrijf omtrent roerende zaken

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 5, lid. 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het sluiten van overeenkomsten door het Staatsgasbedijf wegens werken of leveringen dan wel wegens verhuring of verpachting door derden, voor onbepaalde tijd of voor langere termijn

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 6, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het (zoveel mogelijk schriftelijk) opdragen van alle niet in eigen beheer uit te voeren werken en alle leveringen, nadat daartoe een machtiging van de Minister van Economische Zaken is verkregen

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 7, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het verlenen van voorschotten door de directie van het Staatsgasbedrijf, die zij in het belang van het bedrijf nodig acht, aan aannemers en leveranciers

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 8, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

4.34. Raad van beroep voor het mijnwezen

Handeling: Het rapporteren aan de Minister van Economische Zaken over de werkzaamheden van de Raad

Periode: 1945–1964

Bron: Inventaris ARA II

Stukken in Nationaal Archief, zijn reeds beoordeeld.

Handeling: Het beslissen inzake beroepen ingediend door mijnbestuurders of door de leider van de boring tegen o.g.v. het Mijnreglement 1939 genomen beslissingen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen

Periode: 1945–1964

Opmerking: De Raad was niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de IGM inzake onderwerpen die in hoofdstuk XII en XIV van het Mijnreglement geregeld waren. Deze onderwerpen betroffen de gezondheid en arbeid in de mijnbouw. Beroep hiertegen stond open op de minister (zie volgende par.).

Bron: MR39, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 december 1953, Stb. 648, hoofdstuk XIVA en XVIII

Stukken in Nationaal Archief, zijn reeds beoordeeld.

4.35. Novem

Handeling: Het in opdracht en onder goedkeuring, alsmede verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken verzorgen van de programma coördinatie en het projectmanagement van het onderzoeksgedeelte en het demonstratiegedeelte van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen

Periode: 1980–

Producten: b.v. Onderzoekcontracten

Bron: Nota energiebeleid deel II Kolen, 1980, p. 88

Waardering: B 1

Handeling: Het in opdracht van de Minister van Economische Zaken, ontwikkelen van het programma Kolen en het Industrieel Ontwikkelingsprogramma Kolen Vergassing (IO-KV)

Periode: 1991–

Producten: Programma’s, verslagen, evaluaties

Opmerking: De voorloper van NOVEM, NEOM bracht in opdracht van Economische Zaken een rapport uit over de mogelijkheden van ondergrondse vergassing in de Nederlandse steenkoolvoorkomens.

Bron: De Ingenieur nr. 20, 6 december 1995, p. 34

Waardering: B 1

4.36. Planologische werkcommissie

Handeling: Het op mandaat van de Minister van EZ voeren van overleg met houders van boorvergunningen en concessies over de planologische inpassing en nemen van besluiten over de aanleg en inrichting van boor- en mijnwerken in ‘specifieke’ gebieden of ‘aandachtsgebieden’

Periode: 1968–1994

Producten: Overlegverslagen en beschikkingen o.g.v. Door concessionaris ingediende mededeling over plannen met situatieschets van de boorlocatie, advies van betrokken provincie

Opmerking: 1. Blijkens de concessies moesten ook locatieplannen in niet-specifieke gebieden aan de PWC voorgelegd worden; zie b.v. Concessie ‘Rijswijk’ (1955, zoals in 1979 gewijzigd), art. 3. Letterlijk gaat het om ‘plannen voor de oprichting van bouwwerken, de aanleg van emplacementen en wegen en omtrent het tracé van aan te leggen pijpleidingen, voor zover verband houdende met de opsporing of ontginning van ... Delfstoffen.’

2.

Voor informatie over instelling en samenstelling, zie hoofdstuk organisatorisch kader.

Bron: PG SIC, Tweede interimrapport, II, p. 118. Staatsalmanak 1994–1995, M 24; concessie ‘Rijswijk’ (1955, zoals in 1979 gewijzigd), art. 3

Waardering B 5

Handeling: Het, bij overeenstemming met de concessionaris, vaststellen van het tracé en de wijze van aanleg van buisleidingen

Periode: 1968–

Producten: Overlegverslagen en beschikkingen o.g.v. Advies van betrokken provincie

Opmerking: 1. Samenstelling PWC in 1995 (vroeger telde de commissie meer leden): 2 EZ, 1 LNV, 1 VROM, 1 V&W, 1 DEF; adviserende leden: 1 Landbouwschap en 1 Stichting Natuur en Milieu; voorzitter: extern; vice-voorz.: VROM/RPD; secretariaat: EZ/EOG.

2.

De fusie met Commissie Boorwerken, waarvan ca. 1985 sprake is, ging niet door.

Bron: PG SIC, Tweede interimrapport, II, p. 118; Staatsalmanak 1994–1995, M 24

Waardering: B 5

Handeling: Het, in de hoedanigheid van ‘bevoegd gezag’, o.b.v. de concessievoorwaarden geven van richtlijnen voor het opstellen van het milieu-effectrapport (MER) en beoordelen van de inhoud hiervan in verband met de aanleg van buisleidingen die tot het hoofdleidingennet behoren en in milieugevoelige gebieden geprojecteerd zijn

Periode: 1985–

Overlegkader: Commissie voor de Milieueffectrapportage, initiatiefnemers

Opmerking: Het bevoegd gezag onderneemt in een m.e.r.-procedure de volgende activiteiten:

– bekend maken van de startnotitie;

– organiseren van inspraak;

– geven van richtlijnen voor het opstellen van het m.e.r.;

– beoordelen van de inhoud van het MER;

– bekend maken en ter inzage leggen van het MER, tegelijkertijd met het voornemen over de activiteit;

– organiseren van inspraak over MER en voornemen; vragen van adviezen;

– besluiten over activiteit.

Bron: Handleiding m.e.r.

Waardering: B 5

4.37. Pensioencommissie mijnindustrie

Handeling: Het adviseren van de regering over de pensienvoorziening voor (oud-)mijnwerkers.

Periode: 1970

Product: rapport

Waardering: B 5

5. Overige actoren

5.1. Rijksbureau voor Aardolieproducten

Handeling: Het inschrijven van handelaren in aardolieproducten e.a. aangewezen groepen t.b.v. de distributie van aardolieproducten

Periode: 1970–

Producten: Registratie o.b.v. Ingediende aanmeldingsformulieren

Bron: Instellingsbeschikking Rijksbureau voor Aardolieproducten 1973, art. 3

Waardering: V 5 jaar na verwijdering

Handeling: Het in een oliecrisis toewijzen aan distributiekantoren van distributiebonnen en toewijzingen voor motorbrandstoffen

Periode: 1970–

Producten: Beschikkingen

Bron: Bijl. Hdtk 1993–1994, 23 531, nr. 1, pp. 13–16

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het in een oliecrisis toewijzen aan leveranciers van distributiebewijzen/bonnen voor niet-motorbrandstoffen

Periode: 1970–

Producten: Beschikkingen

Bron: Bijl. Hdtk 1993–1994, 23 531, nr. 1, pp. 13–16

Waardering: V 5 jaar

5.2. Algemene Energieraad

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake het energiedelfstoffenbeleid in Nederland

Periode: 1945–

Producten: Adviezen

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het geven van advies over de organisatorische aspecten van inpassing van kolengas in de Nederlandse gasvoorziening

Periode: 1979–

Bron: HdTK 1979–80, 15 802 nrs. 6–7

Waardering: B 1

5.3. Algemene Rekenkamer

Handeling: Het aan het Staatsgasbedrijf verlenen van ontheffing voor wat betreft gunningen en overeenkomsten, waarvan zij kennis neemt bij de uitvoering van de Bedrijvenwet.

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 7, lid 3

Waardering: Niet gewaardeerd

5.4. Ministerie van Sociale Zaken

Handeling: Het i.o.m. Staatstoezicht op de Mijnen leveren van bijdragen in bijeenkomsten van expertcomités op het gebied van professioneel duiken.

Periode: 1965–

Opmerking: Het betreft met name:

– European Diving Technology Committee (EDTC)

– Diving Medical Advisory Committee (DMAC)

Bron: SodM, Jaarverslag IGM 1976, p. 9, 1981, p. 9, 1992, p. 157, 1994, p. 45; inl. F. Bezem (SodM), 17 april 1997.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bij aanwijzing onder beheer stellen van particuliere mijnondernemingen t.b.v. een ‘vergroote winning van delfstoffen’

Periode: 1945

Opmerking: Korte tijd in 1945 viel het mijnwezen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken ir. F. Wijffels, een mijningenieur.

Bron: Buitengewoon Mijnbesluit 1945; Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, p. 183

Waardering: B 6

Handeling: Het nemen van maatregelen inzake het beheer van particuliere mijnondernemingen t.b.v. een ‘vergroote winning van delfstoffen’

Periode: 1945

Producten: Ministeriële besluiten

Opmerking: Tot de beheersmaatregelen behoren b.v. het:

– geven van opdrachten omtrent de aard van de diensten van werknemers van een mijnonderneming;

– het wijzigen van CAO’s voor het mijnbedrijf;

– het toekennen van vergoedingen voor geleverde kolen;

– het aanwijzen van vertrouwensmannen in de ondernemingsraden.

Bron: Buitengewoon Mijnbesluit 1945, art. 3–5; Raedts, Steenkolenmijnbouw in Limburg, p. 183

Waardering: B 6

Handeling: Het mede voorbereiden van het koninklijk besluit tot vaststelling en wijziging van het Mijnstatuut 1945

Periode: 1945–1954

Opmerking: Voor de instellings- en opheffingswet van het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie, zie PIVOT-rapport over de SER.

Bron: Mijnstatuut 1945

Waardering: B 1

Handeling: Het (doen) analyseren van de risico’s verbonden aan het gebruik van steenkool voor het opwekken van electriciteit in Nederland

Periode: 1979–

Producten: o.a. adviezen, analyse en informatie

Opmerking: Over het kolenbeleid werd veelvuldig interdepartementaal overleg gepleegd tussen de Ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Volksgezondheid en Milieuhygiëne. De risicoanalyse werd in opdracht van bovengenoemde ministers uitgevoerd door TNO.

Bron: Nota Energiebeleid deel 2/Kolen, p. 162

Waardering: B1

Handelingen met betrekking tot het NOK bij VROM worden reeds gewaardeerd in het kader van milieubeheer.

De overige handelingen betreffen vragen, gesteld in PIVOT-rapport 24, vgl. handeling 94, 105,106 e.d.

5.5. Raad voor het Energie-onderzoek (REO)

Handeling: Het adviseren betreffende de hoofdlijnen van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen

Periode: 1980–

Producten: Adviezen

Bron: Nota Energiebeledi deel 2/Kolen

Waardering: B 1

Vervallen.

5.6. Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Vervallen.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Ministers van V&W en Economische Zaken, verlenen van vergunningen, ontheffingen e.a. beschikkingen o.g.v. Mijnreglement Continentaal Plat, art. 49, m.b.t. de lozing van oliehoudende mengsels en ander afval van mijnbouwinstallaties op zee.

Periode: 1967–2003

Opmerking: sodm adviseert de minister.

Bron: MRCP, art. 49; Regeling lozing van oliehoudend mengsels

Waardering: V 20 jaar na afloop vergunning/ontheffing

Vervallen.

Vervallen.

Handeling: Het, samen met de Ministers van EZ en Financiën, nemen van beleidsmaatregelen tot bodemsanering en eventuele verwijdering van tankstations

Opmerking: Een van de resultaten is een convenant voor de opruiming van ondergrondse tanks. De uitvoering hiervan verloopt via de Stichting Uitvoering Bodemsanering en Amovering Tankstations (SUBAT), waarin de Minister van EZ vertegenwoordigd is.

Bron: Inl. Ir. F.J. Otte (DGE/EOG), 9 april 1997

Periode: 1990–2000

Waardering: B 1 en 4, parallel met selectiecriterium VROM 1–5.

NB. Voor de benoeming van een vertegenwoordiger van MEZ in de SUBAT, zie hoofdstuk organisatorisch kader, par. 3.4.3. Voor de handelingen van SUBAT en verdere gegevens over de toelating en opruiming van ondergrondse tanks en andere zaken met betrekking tot bodemsanering, zie ook het PIVOT-rapport milieubeheer.

Handeling: Het, samen met de Ministers van V&W en EZ, ontwikkelen, vaststellen en evalueren van beleid inzake het buisleidingtransport, in het bijzonder van aardolie, aardgas en (petro)chemische producten

Periode: 1945–

Actor: Minister van Economische Zaken (DGE/EOG)

Handeling: Het, samen met de Ministers van V&W en VROM, ontwikkelen, vaststellen en evalueren van beleid inzake het buisleidingtransport, in het bijzonder van aardolie, aardgas en (petro)chemische producten.

Periode: 1945–

Producten: o.m. (verlenging van) Structuurschema Buisleidingen (v.a. 1972); bijdragen in Stuurgroep Buisleidingen (1993–) t.b.v. Inventarisatie regelgeving en beleidsinstrumenten en de daarbij behorende m.e.r.’s.

Bron: Stuurgroep Buisleidingen, Tweede rapportage, par. 2.3

Waardering: B 5

5.7. Minister van Verkeer en Waterstaat

Handeling: Het, overeenstemmen met de Minister van Justitie en EZ inzake het opstellen en leveren van Nederlandse standpunten en bijdragen in de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissie van het VN-Olieschadefonds

Periode: 1981–

Produkten: Bijdragen aan instructies en verslagen

Bron: Wet schadefonds olietankschepen, Stb. 1981, 294

NB. Voor de informatieverstrekking ter uitvoering van dit verdrag, zie hoofdstuk 13.2.

Waardering: B 1

Vervallen.

Handeling: Het voeren van overleg met de Ministers van EZ en Defensie en Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie over de locatieplannen tot vestiging van boorwerken, dan wel het, op advies van de interdepartementale Planologische Werkcommissie, goedkeuren van locatieplannen in gevoelige gebieden van het Nederlands territoir

Periode: 1994–

Producten: Locatiebeschikkingen naar aanleiding van aangegeven diverse opgaven en rapportage zg. Nulwaardeonderzoek

Opmerking: Evenals de volgende handeling wordt het plan getoetst aan de belangen van de veiligheid en de landsverdediging

Bron: Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, art. 4.5–4.6, 4.12 en 5.6; boorvergunning Andel II, art. II, art. 2–4 (1995); sodm, A&R, nr. 123 (Richtlijnen aanleg, inrichting en verlaten van boorlocaties), art. 2

Waardering: B 5

Vervallen.

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de aanleg van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het onderhoud en de operatie van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het, in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en VROM, verlenen van vergunningen, ontheffingen e.a. beschikkingen o.g.v. Mijnreglement Continentaal Plat, art. 49, m.b.t. de lozing van oliehoudende mengsels en ander afval

Periode: 1970–

Opmerking: sodm adviseert de minister.

Bron: MRCP, art. 49; Regeling lozing van oliehoudend mengsels (NRCP (64)); sodm, NKD, nr. 95/C/14, p. 5

Waardering: V 20 jaar na afloop vergunning/ontheffing

Vervallen.

Vervallen.

Handeling: Het beoordelen van verplicht ingediende (wijzigingen van) gegevens betreffende het voornemen pijpleidingen t.b.v. opsporing of winning van delfstoffen buiten de locaties te leggen

Periode: 1964–

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–b; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; MRCP, art. 71; sodm, A&R nr. 97 (voorkomen van beschadiging in gebruik zijnde kabels, pijpleidingen e.d.), Art. C; sodm, A&R, nr. 134, art. 8 en 11; sodm, A&R, nr. 134, Richtlijnen verkrijging bewijs van toezicht van de Dienst voor het Stoomwezen), art. 8, eerste en zesde lid, art. 11, zesde lid

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het beoordelen van mededelingen en rapportages over periodieke en tussentijdse inspecties en herstelwerkzaamheden van pijpleidingen t.b.v. de opsporing of winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Producten: Mededelingen, herstelprogrammaTM

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143e; MRCP, art. 76–77; sodm, A&R nr. 97 (voorkomen van beschadiging in gebruik zijnde kabels, pijpleidingen e.d.), Art. C

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, samen met de Ministers van EZ en VROM, ontwikkelen, vaststellen en evalueren van beleid inzake het buisleidingtransport, in het bijzonder van aardolie, aardgas en (petro)chemische producten

Periode: 1945–

Producten: o.m. (verlenging van) Structuurschema Buisleidingen (v.a. 1972); bijdragen in Stuurgroep Buisleidingen (1993–) t.b.v. Inventarisatie regelgeving en beleidsinstrumenten en de daarbij behorende m.e.r.’s.

Bron: Stuurgroep Buisleidingen, Tweede rapportage, par. 2.3

Waardering: B 5

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

5.8. Minister van Financiën

Handeling: Het i.o.m. de Minister van EZ verstrekken van leningen aan Staatsmijnen

Periode: 1956–1966

Opmerking: 1. Het gaat om rentevrije leningen tot een bedrag van 125 miljoen en om leningen boven dat bedrag, die tegen een markconforme rente worden verstrekt.

2.

Vgl. handeling 75 van PIVOT-rapport nr. 15 (Staatsdeelnemingen).

Bron: Aanwijzingswet Staatsmijnen 1956, art. 3, derde lid; Privatiseringswet Staatsmijnen, Stb. 1966, 271, art. 5; De Ru, Staatsdeelnemingen, p. 208

Waardering: V 7 jaar na aflossing

Handeling: Het, samen met de Minister van EZ, vooraf goedkeuren of machtigen van rechtshandelingen van de Directie der Staatsmijnen die een financieel gevolg hebben

Periode: 1945–1966

Produkten: Bijzondere machtigingen of goedkeuringen

Opmerking: 1. Bij de instructie van 1960 wordt een algemene machtiging verleend voor de handelingen omschreven in art. 14, 16 en 17 van de Aanwijzingswet, voor zover in de Instructie niet uitgezonderd (zie opm. 2). 2. De rechtshandelingen betreffen het:

– verwerven van onroerende goederen (1937) boven een bedrag van ƒ 100.000,–;

– verlenen van voorschotten boven een bepaald bedrag of in bepaalde gevallen;

– vervreemden en bezwaren van onroerende zaken (1937, 1960)en voor een dading ter beëindiging van een geschil over onroerende zaken (1960);

– verkoop van roerende goederen boven een boekwaarde van ƒ 10.000,– (193);

– oprichten van een vennootschap en eerste deelneming in de vennootschap, vervreemden of bezwaren van aandelen in een vennootschap (1960).

Bron: Aanwijzingswet Staatsmijnen 1928 en 1956, art. 8–9 en 12–18; Instructie 1937, art. 13, 15–16; Instructie 1960, art. 5–7

Waardering: B 4

Handeling: Het, samen met de Minister van EZ, jaarlijks vaststellen en van de concessiehouder (NAM BV) invorderen van een extra staatsaandeel berekend naar de met de ontginning behaalde winst in de ‘oude’ concessies in het Nederlandse territoir en van een aanvullende betaling

Periode: 1948–

Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven onder meer registraties en door de beide ministers goedgekeurde resultatenrekening en balans

Opmerking: 1. De oude concessies omvatten: ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953), ‘Rijswijk’ (1955), ‘Rossum-De Lutte’ (1961/1971) en Groningen.

2.

Het staats- of winstaandeel bedraagt 10% van het voordelige saldo van de jaarlijkse resultatenrekening. De ‘vergoeding’ wordt bij De Nederlandse Bank gestort. Dit is met name het geval bij EBN en NAM BV. Vanaf 1963.

3.

Voor de concessie Groningen geldt de MOR-Groningen..

Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 1996, art. 8a, sub b; inl. Mr. Drs. P.I. Meijs, 28 januari 1997; Overeenkomst van 3 mei 1948, nr. 19, Stcrt. 110, behorende bij concessies ‘Schoonebeek’ (1948), ‘Tubbergen’ (1953) etc. Jaarboek olie en gas 1995, ‘Concessie Groningen’.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het heffen en invorderen van een ‘recht op de mijnen’ op de winning van steenzout

Periode: 1945–1962

Opmerking: De heffing is in 1962 bij Wet van 12 december 1962, Stb. 519, afgeschaft. Het steenzout wordt aan het recht onderworpen, zodra het aan het oppervlakte wordt gebracht.

Bron: Wet van 26 maart 1920, Stb. 157, art. 14

Waardering: V 10 jaar

Heffingsbesluiten zijn reeds gewaardeerd met: B

Handeling: Het heffen en invorderen van een ‘recht op de mijnen’ op de winning van steenkolen.

Periode: 1945–1962

Opmerking: De heffing is in 1962 bij Wet van 12 december 1962, Stb. 519, afgeschaft. De steenkolen zijn aan het recht onderworpen, zodra zij worden verzonden of afgeleverd, of zodra zij worden bestemd voor eigen gebruik. Hetzelfde geldt voor de winning van bruinkool.

Bron: Wet van 26 maart 1920, Stb. 157, art. 13

Waardering: V 10 jaar

Heffingsbesluiten zijn reeds gewaardeerd: B

Handeling: Het, samen met de Minister van EZ, jaarlijks vaststellen en van de vergunninghouder invorderen van het winstaandeel, berekend naar de met en door de winning behaalde winst in een vergunningsgebied van het Continentaal Plat

Periode: 1965–

Producten: Beschikkingen naar aanleiding van aangegeven opgaven, resultatenrekeningen, metingen en registraties van de concessiehouder

Opmerking: 1. Het winstaandeel bedraagt 50 of 70% van het voordelig saldo van de resultatenrekening over één boekjaar. Het wordt verrekend met de verrekenbare inkomsten- en vennootschapsbelasting.

Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, gewijzigd 1996, art. 11, eerste lid sub a en b; Besluit 1967 ex art. 12 MCP, art. III, art. 3–22, 27; Besluit vergunningen koolwaterstoffen Continentaal Plat 1996, art. 3.4 t/m 3.23

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, samen met de Ministers van VROM en EZ, nemen van beleidsmaatregelen tot bodemsanering en eventuele verwijdering van tankstations

Periode: 1990–2000

Opmerking: Een van de resultaten is een convenant voor de opruiming van ondergrondse tanks. De uitvoering hiervan verloopt via de Stichting Uitvoering Bodemsanering en Amovering Tankstations (SUBAT), waarin de Minister van EZ vertegenwoordigd is.

Bron: Inl. Ir. F.J. Otte (DGE/EOG), 9 april 1997

NB. Voor de benoeming van een vertegenwoordiger van MEZ in de SUBAT, zie hoofdstuk organisatorisch kader, par. 3.4.3. Voor de handelingen van SUBAT en verdere gegevens over de toelating en opruiming van ondergrondse tanks en andere zaken met betrekking tot bodemsanering, zie ook het PIVOT-rapport milieubeheer, dat in voorbereiding is.

Waardering: B 1 en 4, parallel met selectiecriterium VROM 1–5.

Handeling: Het, samen met de Minister van Economische Zaken, oprichten en ontbinden van de Stichting (Interim) Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (ICOVA/COVA)

Periode: 1977–1986 en 1987–

Producten: Oprichtingsakte o.g.v. Project-/onderzoeksplan, statuten

Opmerking: 1. Het vooroverleg tussen overheid en brancheorganisaties (NVGA en NOVOK) inzake de oprichting van de ICOVA werd in de Oliecontactcommissie (OCC) gevoerd.

2.

De Minister van EZ wordt overeenkomstig art. 40 van de Comptabiliteitswet 1976 bij wet gemachtigd tot oprichting van de Stichting.

Bron: Statuten ICOVA 1978; Statuten COVA 1987; Wet voorraadvorming aardolieproducten, art. 13a–b, 13g

Waardering: B 4

Handeling: Het aan de Minister van Economische Zaken voordragen van een (plaatsvervangend) lid van het bestuur van de ICOVA/COVA

Periode: 1978–1986 en 1987–

Bron: Statuten ICOVA, art. 6; Wet voorraadvorming aardolieproducten, art. 13b, lid 2.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het, in samenwerking met de Minister van Economische Zaken, aanwijzen van de Rijksdienst Gasvoorziening als tak van Rijksdienst, bedoeld in artikel 88 van de Comptabiliteitswet

Periode: 1953–

Producten: Aanwijzingswet Staatsgasbedrijf

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 1

Waardering: B 4

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, doen vormen van bijzondere reserverekeningen door het Staatsgasbedrijf

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, p. art. 2, lid 1.b.

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, bepalen van het bedrag der tegoedschrijving op de algemene en bijzondere reserverekeningen van het Staatsgasbedrijf vóór het opmaken van de rekening

Periode: 1955–1963

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 2, lid 2.

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het, in samenwerking met de Minister van Economische Zaken, geven van een bijzondere machtiging tot kwijtschelding door het Staatsgasbedrijf van vorderingen op derden wanneer het bedrag hoger is dan ƒ 5000,–

Periode: 1955–1963

Opmerking: Hiervan wordt mededeling gedaan aan de Algemene Rekenkamer.

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 3, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het, in samenwerking met de Minister van Economische Zaken, geven van een bijzondere machtiging voor het treffen van schikkingen door het Staatsgasbedrijf omtrent roerende zaken, wanneer het voorwerp een hogere geldswaarde heeft dan ƒ 5000,–

Periode: 1955–1963

Opmerking: Hiervan wordt mededeling gedaan aan de Algemene Rekenkamer.

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 6, art. 5, lid. 2.

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het, in samenwerking met de Minister van Economische Zaken, geven van een garantie aan de NV Nationale Gasmaatschappij voor de betaling van rente en aflossing van leningen

Periode: 1956–1964

Bron: Tweede Kamer, zitting 1955–1956, 4285, nr. 2

Waardering: V 10 jaar

N.b. artikel 5e van het Archiefbesluit dient te worden toegepast.

Handeling: Het in samenwerking met de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken voordragen van een Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen

Periode: 1980–

Bron: De Maar, Energierecht, p. 90/Besluit Aanstelling Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen, 23 mei 1980, nr. 18.

Waardering: V 5 jaar

5.9. Minister van Landbouw Natuur en Visserij

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de aanleg van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het onderhoud en de operatie van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Vervallen.

Vervallen.

5.10. Minister van Defensie

Vervallen.

Vervallen.

Handeling: Het voeren van overleg met de Ministers van V&W en EZ en Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie over de locatieplannen tot vestiging van boorwerken, dan wel het, op advies van de interdepartementale Planologische Werkcommissie, goedkeuren van locatieplannen in gevoelige gebieden van het Nederlands territoir

Periode: 1994–

Producten: Locatiebeschikkingen naar aanleiding van aangegeven diverse opgaven en rapportage zg. Nulwaardeonderzoek

Opmerking: Evenals de volgende handeling wordt het plan getoetst aan de belangen van de veiligheid en de landsverdediging

Bron: Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, art. 4.5–4.6, 4.12 en 5.6; boorvergunning Andel II, art. II, art. 2–4 (1995); sodm, A&R, nr. 123 (Richtlijnen aanleg, inrichting en verlaten van boorlocaties), art. 2

Waardering: B 5

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. de aanleg van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het, in overleg met de Minister van Economische Zaken, verlenen van ontheffingen, goedkeuringen e.a. beschikkingen o.g.v. de Mijnreglementen m.b.t. het onderhoud en de operatie van pijpleidingen voor de opsporing en winning van delfstoffen

Periode: 1964–

Overlegkader: Ministeries van V&W, LNV en DEF, Dienst van het Stoomwezen en Dienst der Hydrografie, provincies

Opmerking: sodm is niet gemachtigd de beschikkingen zelfstandig te verlenen; sodm adviseert de minister.

Bron: Mijnreglement 1964, gewijzigd 1978, art. 143a–143d; MRCP, art. 71–77; Aanwijzing mijnreglement pijpleidingen, Stcrt. 1975, 126; inl. Sodm, 15 mei 1996; inl. Mr. Drs. C. Riekerk (DGE/EOG), oktober 1996

Waardering: V 20 jaar

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

5.11. Minister van Justitie

Handeling: Het, overeenstemmen met de Minister van Justitie en V&W inzake het opstellen en leveren van Nederlandse standpunten en bijdragen in de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissie van het VN-Olieschadefonds

Periode: 1981–

Producten: Bijdragen aan instructies en verslagen

Bron: Wet schadefonds olietankschepen, Stb. 1981, 294

NB. Voor de informatieverstrekking ter uitvoering van dit verdrag, zie hoofdstuk 13.2.

Waardering: Niet gewaardeerd

Handeling: Het medewerken aan de aanwijzing door de Minister van Justitie van de controleurs van de Economische Controledienst als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet voorraadvorming aardolieproducten en de Wet uitvoering internationaal energieprogramma, voor zover deze overtredingen zijn in de zin van de Wet op de economische delicten

Periode: 1977–

Producten: Ministeriële beschikking van 7 maart 1977, Stcrt. 62; Ministeriële beschikking van 5 november 1979, Stcrt. 225

Bron: Zie producten

Waardering: Niet gewaardeerd

Handeling: Het samen met de Minister van Justitie verlenen van schriftelijke last aan de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens van de Wet voorraadvorming aardolieproducten bepaalde, voor het betreden van woningen

Periode: 1977–

Bron: Wet voorraadvorming aardolieproducten, art. 20

Waardering: Niet gewaardeerd

5.12. Minister van Buitenlandse Zaken

Handeling: Het mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën voordragen van een Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen

Periode: 1980–

Bron: De Maar, Energierecht, p. 90/Besluit Aanstelling Regeringscommissaris voor de aardgasexportprijzen, 23 mei 1980, nr. 18.

Waardering: Niet gewaardeerd

5.13. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van EZ, t.b.v. zuiver wetenschappelijk onderzoek beslissen over de verlening, intrekking e.d. van ontheffingen van de verplichting met een vergunning verkennings- of opsporingsonderzoek naar aardolie en aardgas in het Continentaal Plat te verrichten, dan wel van de werkverplichting het verkennings- of opsporingsonderzoek daadwerkelijk uit te voeren

Periode: 1965–

Bron: Mijnwet Continentaal Plat 1965, art. 2, tweede lid; Besluit 1976, Stb. 102, art. 8; Taverne, Beginselen, p. B-34

Waardering: V 10 jaar na aflopen vrijstelling

Basisselectiedocument energiebeleid vanaf 1945

Minister van Economische Zaken

Minister van Financiën

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Defensie

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Minister van Verkeer en Waterstaat

Minister van Economische Zaken

Nationaal Archief

Lijst van afkortingen

NA: Nationaal Archief

RAD: Rijksarchiefdienst

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

BSD: Basisselectiedocument

OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

Stb.: Staatsblad (nummer, jaar)

Stcrt.: Staatscourant (nummer, jaar)

Actor: Overheidsorgaan of particuliere organisatie/persoon die een rol speelt op het beleidsterrein.

Handeling: Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

B: De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van de gewaardeerde handeling.

V: De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van de gewaardeerde handeling.

1. Verantwoording

Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 275) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder archiefbescheiden worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar álle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de Archiefwet 1995 zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als een overbrengingsplicht (art. 12). Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draag voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OC&W en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van het BSD als selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.

Het basisselectiedocument

Een basisselectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van een enkele organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voorzover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaarde dan wel vernietigd moet worden.

Het niveau waarop geselecteerd wordt is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voor zien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, enz.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OC&W) en de betrokken zorgdrager(s).

Het BSD Energiebeleid

Het ontwep-BSD is gebaseerd op het volgende RIO: Drs. G. Beks, C.I.L. Houbraken, G.F. van Neer, A.P. Smit en drs. H.M. Schrauwers, Energiebeleid. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het algemeen energiebeleid, de elektriciteitsvoorziening, de kernenergie, de energiebesparing en duurzame energie, 1946–1994. PIVOT-rapport 82. Den Haag, 2001. Het RIO geeft een historische beschrijving van het beleidsterrein Energiebeleid en een overzicht van de handelingen die overheidsorganen hebben verricht.

Het onderzoek naar dit beleidsterrein werd uitgevoerd in het kader van de tussen de Algemene Rijksarchivaris en de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken gesloten convenant. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd inzake de overdracht van de na 1945 gevormde archieven.

Dit ontwerp-BSD omvat voorstellen voor selectie van de administratieve neerslag van de handelingen van de overheid op het beleidsterrein Energiebeleid.

De volgende bestaande selectielijsten worden (gedeeltelijk) ingetrokken:

Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke behoren tot het archief van de Minister van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten; OKN 117.173 van 7 september 1965/MH 465/878 van 14 juni 1965 wordt gedeeltelijk ingetrokken voor de stukken die de neerslag vormen van de handelingen in de voorliggende BSD’s beschreven en gewaardeerd. Van de wijziging en aanvulling op de bovengenoemde lijst MMA/Ar U 2423 van 15 september 1987 worden de hoofdstukken Afdeling Bijzondere aangelegenheden en Directoraat-generaal voor energie ingetrokken.

Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 verwoordde de Minister van WVC deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.

De algemene selectiedoelstelling is in dit BSD geoperationaliseerd voor het beleidsterrein Energiebeleid.Bij de hier geformuleerde selectievoorstellen stond steeds de vraag centraal: ten aanzien van welke handelingen is de administratieve neerslag noodzakelijk om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het overheidshandelen op het beleidsterrein Energiebeleid?

Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het NA. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt van V (‘vernietigen’), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voorvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Overigens verlangt artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handeling betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de volgende algemene selectiecriteria:

Algemene selectiecriterium

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.

Verslag van de vaststellingsprocedure

Het ontwerp-BSD Energiebeleid is op 30 oktober 2003 door de Minister van Economische Zaken (EZ), op 6 november 2003 door de Minister van Verkeer en Waterstaat (VW), op 17 november door de Minister van Defensie, op 24 november 2003 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), op 26 november 2003 door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), op 27 november 2003 door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), op 3 december 2003 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), op 3 december 2003 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) d.m.v. mandatering van de Minister van EZ, op 12 februari 2004 door de Minister van Financiën, op 26 maart 2004 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2004 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de indienende zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 11 april 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02052/4), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

De waardering van handeling 10 van de actor Algemene Energieraad wordt gewijzigd van B 5 naar V 10 jaar.

De waardering van handeling 134 wordt gewijzigd van B 5 naar: beheer van het register B 5, verstrekken van inlichtingen: V 5 jaar.

De waardering van handeling 221 wordt gewijzigd van B 4,5 in V 10 jaar.

De waardering van handeling 315 van de actor de Minister van OCW wordt gewijzigd van V 10 jaar in B 4.

De waardering van handeling 326 wordt gewijzigd van B 5 in V 5 jaar.

Handeling 389 komt te vervallen. De opmerkingen worden geplaatst bij handeling 341.

De tekst van handeling 349 wordt aangepast: ‘Het laten verrichten van evaluatieonderzoek van AMVB’s en ministeriële regelingen op het gebied van energiebesparing’.

De waardering van handelingen 23 en 284 worden aangepast, zodat alleen de jaarverslagen worden bewaard.

De waardering van handelingen 63, 464, 503 en 506 wordt gewijzigd van B in V 10 jaar.

De waardering van handeling 118 wordt gewijzigd van B in V 5 jaar.

Daarop werden de selectielijsten op 7 juli 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de volgende zorgdragers vastgesteld:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [C/S&A/05/1427],

de Minister van Defensie [C/S&A/05/1426].

de Minister van Economische Zaken, [C/S&A/05/1425],

de Minister van Financiën [C/S&A/05/1424],

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [C/S&A/05/1423],

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap C/S&A/05/1422],

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [C/S&A/05/1421],

de Minister van Verkeer en Waterstaat [C/S&A/05/1419],

de Minister van Volksgezondheid, Sport en Welzijn [C/S&A/05/1418],

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer [C/S&A/05/1420],

Leeswijzer bij de handelingenlijst

In hoofdstuk 1 staan de handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein Energiebeleid beschreven. Deze zijn naar actor geordend. De handelingen worden beschreven in een handelingenblok, zoals hierna aangegeven:

(X): Dit is het nummer van de handeling. Deze nummering is uit het bijbehorende RIO overgenomen. Een handeling kan echter door verschillende actoren (gelijktijdig of opeenvolgend in tijd) zijn uitgevoerd. In dit geval is de betrokken handeling in het BSD uitgesplitst naar de betreffende actoren. Een handeling kan dus onder hetzelfde unieke nummer onder meerdere actoren zijn opgenomen.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces. De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product . Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht. Zo betreft de neerslag van een beschikkende handeling niet alleen het originele besluit, maar ook alle voorstukken. Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer (volledig) is uitgevoerd.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling op het moment van het verschijnen van het RIO nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering: De afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’ , dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan het NA van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling. Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast. De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’, oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier, register, databestand) dat behoort tot de neerslag van de handeling, is afgesloten.

De toepassing van de vernietigingstermijnen is als volgt:

2. Inleiding Energiebeleid

Hoofdlijn van het overheidshandelen op het beleidsterrein

PIVOT definieert hoofdlijnen van het handelen als: de doelstellingen van de overheid binnen de kaders van een (deel)beleidsterrein. De taken binnen het deelbeleidsterrein Energiebeleid houden met name in de opwekking, invoer, transport en afzet van elektriciteit, de nationale en internationale aspecten van kernenergie en energiebesparing en duurzame energie.

Actoren

Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op deel bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de Minister van Economische Zaken worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijksoverheid behoren.

De actoren zijn ingedeeld in lijsten per zorgdrager:

Een uitgebreide beschrijving van de actoren die op het beleidsterrein Energiebeleid een rol spelen, is opgenomen in het PIVOT-rapport Energiebeleid, 1946–1994.

De actoren voor welke in het voorliggende BSD selectielijsten zijn opgenomen, zijn:

Het beleidsterrein Energiebeleid

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde het Rijk zo snel mogelijk de productie van steenkool, gas en elektriciteit weer op gang te krijgen. Gezien het nationale belang van gas- en elektriciteitsproductie achtte de centrale overheid het tijd om de greep op deze nutsectoren te verstevigen.

In de Staatsalmanak van 1952 werd voor het eerst melding gemaakt van een begin van een overkoepelend beleid ‘Het uitwerken van de richtlijnen ter coördinatie van het in nationaal verband te voeren beleid op het gebied van het energiebeleid’. Verder was er binnen het Directoraat-Generaal een Economische Afdeling met onder meer als taak: ‘assistentie bij het algemeen beleid’ als taak.

De doelstelling van de Rijksoverheid op het taakveld algemene energiepolitiek tot aan de oliecrisis van 1973 is dan ook te omschrijven als ondersteunend. Pas na de oliecrisis werd er een duidelijke, beleidsvormende en coördinerende doelstelling opgesteld. Na 1973 probeerde de overheid haar greep op de elektriciteitssector te verstevigen.

De belangrijkste handelingen betreffende het algemene energiebeleid richten zich op het behandelen en coördineren van de hoofdlijnen van het Nederlandse energiebeleid. Dit geldt voor olie, gas, kernenergie, elektriciteit, energiebesparing en duurzame energie. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het internationale energiebeleid. Ook wordt het Nederlandse optreden voor wat betreft het beleidsterrein energiebeleid bij de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de Europese Commissie voor Europa en de International Energy Agency (IEA) gecoördineerd.

De elektriciteitsvoorziening in Nederland is in 1886 begonnen met de in bedrijfstelling van de eerste elektriciteitsfabriek te Kinderdijk. Rond de eeuwwisseling gingen de eerste gemeenten zich met elektriciteitsvoorziening bezighouden en successievelijk zijn alle elektriciteitsbedrijven in gemeentelijke en provinciale handen overgegaan. In 1920 was de elektriciteitsvoorziening nogal versnipperd en waren er zo’n 550 elektriciteitsbedrijven. Dit aantal is teruggelopen tot 38 bedrijven in 1991.

De redenen voor deze teruggang in het aantal bedrijven zijn:

In 1958 en in 1970 verschenen achtereenvolgens rapporten van de commissies Hupkes en Rietveld waarbij aangedrongen werd op verticale integratie i.e. productie en distributie in één hand.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)