Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-01-15
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op basis van de adviezen van bovengenoemde commissies vermindert vanaf de jaren zeventig de consensus tussen de Rijksoverheid en de elektriciteitssector over het te voeren beleid. Vanuit overwegingen van efficiency vindt de Rijksoverheid een meer geconcentreerde productie en distributie van elektriciteit gewenst. Dit botst met de belangen van afzonderlijke productie- en distributiebedrijven. De greep op de elektriciteitssector wordt door Economische Zaken versterkt door het afsluiten van een overeenkomst met de SEP in 1975. Hierin verplicht de SEP zich haar elektriciteitsplan aan de Minister van Economische Zaken ter goedkeuring voor te leggen. Via een convenant tussen de Minister van Economische Zaken en de sector in 1988 wordt geregeld dat de elektriciteitsdistributiesector gesaneerd zal worden. Het streven is het aantal distributiebedrijven in 1990 terug te brengen tot 58.

Anno 1995 zijn er nog vier productiebedrijven EPON, EPZ, Economische Zaken en UNA, deze werken samen in en zijn aandeelhouders van de NV Samenwerkende Electriciteits Produktie-bedrijven (SEP).

De SEP voert in samenwerking met de productiebedrijven de volgende taken uit:

Iedere twee jaar stellen SEP en de vier productiebedrijven een Elektriciteitsplan op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken.

De distributiebedrijven verzorgen de inkoop, distributie en levering van elektriciteit. Daarnaast kunnen zij zelf elektriciteit produceren door middel van decentraal vermogen. Deze bedrijven zijn alle lid van EnergieNed, tot 1992 VEEN, de overkoepelende organisatie van elektriciteit, gas en warmte distribuerende bedrijven in Nederland.

Samenwerking en overleg vindt plaats over o.a. (inkoop)tarieven, leverings- en aansluitvoorwaarden, milieu en veiligheid.

In de Derde Energienota wordt ingegaan op de toenemende liberalisering en internationalisering van energiemarkten. De elektriciteitsproducenten zullen zich in toenemende mate richten op wat de klant vraagt. (Demand-side management)

De eind juni door de Eerste Kamer aanvaarde Elektriciteitswet 1998 is op 1 augustus 1998 gedeeltelijk in werking getreden. De nieuwe wet, die uiteindelijk de Elektriciteitswet uit 1989 zal gaan vervangen, beoogt individuele vragers en aanbieders op de elektriciteitsmarkt geleidelijk meer keuze te geven, op voorwaarde dat de elektriciteitsvoorziening even betrouwbaar, duurzaam en doelmatig blijft functioneren als nu het geval is. De wet geeft daarmee uitvoering aan de Europese richtlijn uit 1996.

In 1939 verwierf de Nederlandse regering enige tonnen uraniumconcentraat waarmee de eerste aanzet voor kernenergie werd gegeven. Op grond hiervan was het mogelijk direct na de Tweede Wereldoorlog een samenwerkingsverband aan te gaan met Noorwegen. Dat land beschikte namelijk over het vereiste zwaar water om te kunnen werken met natuurlijk uranium. Dit leidde tot de gezamenlijke bouw van een kernreactor in Noorwegen die in 1951 gereed kwam. Met de daar opgedane ervaring besloot de Nederlandse regering ook in Nederland een reactor te bouwen. Nog niet duidelijk was welk type reactor gebouwd zou worden.

In 1955 werd het Reactorcentrum Nederland (RCN) opgericht waarin onder meer de elektriciteitswereld via de KEMA participeerde. Er werd besloten om in Petten een Hoge Fluxreactor (HFR) als onderzoeksreactor te bouwen. Daarnaast werd in dat jaar de interdepartementale Commissie voor Atoomenergie opgericht; deze commissie kreeg als taak het adviseren van de regering over de ontwikkeling van de vreedzame toepassing van kernenergie en richtlijnen te ontwerpen voor de regeringsvertegenwoordigers in het bestuur van het Reactorcentrum Nederland. Het secretariaat van deze commissie berustte bij een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken. Tot dan waren diverse Directoraten-generaal binnen het ministerie belast met diverse aspecten van kernenergie. Op 15 maart 1956 werd de Directie Kernenergie ingesteld die belast werd met ‘de coördinatie en de behandeling van alle vraagstukken betrekking hebbende op het te voeren beleid op het gebied van de kernsplitsing’. In hetzelfde jaar werd in de Verenigde Staten voor het RCN een zogenaamde hoge neutronenfluxreactor besteld. De HFR te Petten werd in 1961 overgedragen aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) aangezien het in het Euratomverdrag bedoelde Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) aldaar gevestigd zou worden. Tot 1972 maakte de HFR deel uit van het Euratomprogramma: de andere EG-lidstaten hadden inmiddels hun eigen onderzoeksreactoren en waren derhalve niet langer bereid een bijdrage te leveren. In 1983 werd (voorlopig) het laatste meerjarenplan voor de HFR vastgesteld. De Europese Commissie (20%), de Bondsrepubliek Duitsland (40%) en Nederland (40%) financierden het programma. De elektriciteitsbedrijven besloten vervolgens tot de bouw van kerncentrales in Dodewaard en Borssele.

In de jaren zestig werd het beleidsaccent verschoven naar specifieke onderzoeksterreinen waarbij vooral de snelle kweekreactoren en het gasultracentrifugeproces veel aandacht kregen. Naast plannen voor meer kerncentrales, begon er echter ook twijfel en verzet te komen. Dit uitte zich in het weigeren van de zogenaamde Kalkar-heffing waaruit de bouw van een snelle kweekreactor in Duitsland betaald zou worden.

De oliecrisis van 1973 deed het besef toenemen dat naast de traditionele energiebronnen als aardolie, aardgas en steenkool ook uitgekeken moest worden naar alternatieve bronnen. Het tij keerde ten gunste van kernenergie. In de Energienota 1974 nam de regering het principebesluit tot de bouw van drie kerncentrales op grond van een aantal nadere studies. De Energienota kondigde aan dat betreffende kernenergiestudies verricht zouden worden. Het ging hierbij om de Risicoanalyse van de Splijtstofcyclus in Nederland (RASIN), een advies van de Gezondheidsraad getiteld Kerncentrales en Volksgezondheid. Invloed van kernenergie op volksgezondheid en milieu in Nederland bij een totale capaciteit van 3500 MW, en het Advies van de Commissie Reactorveiligheid over de veiligheidsaspecten van de splijtstofcyclus in Nederland. Deze drie rapporten werden in september 1975 aan de Staten-Generaal aangeboden. In deze Energienota werd gesteld dat beslissingen met betrekking tot kernenergie in fasen tot stand zouden moeten komen. De regering besloot om een Aanvullend Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (ASEV) op te laten stellen.

Vanaf het midden van de jaren zeventig werd door de regering nagedacht over nieuwe vestigingsplaatsen voor kerncentrales. Het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening, deel a van de Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening uit 1975 voorzag in 32 locaties waar eventueel een kerncentrale gebouwd kon worden. Het totale productievermogen van deze centrales zou geschikt moeten zijn voor ten minste 1000 Mwe. Uiteindelijk bleken na nader onderzoek slechts 12 plaatsen daadwerkelijk in aanmerking te komen. In het ASEV werd geen definitieve keuze voor één of meer vestigingsplaatsen gemaakt.

Ook had de regering het voornemen de overheid bij de bouw en exploitatie van kerncentrales een veel grotere zeggenschap te geven. Er werd een aanvullend structuurschema voor de elektriciteitsvoorziening opgesteld met daarin mogelijke vestigingsplaatsen voor toekomstige centrales. Dit werd begin 1977 uitgebracht als onderdeel van een planologische kernbeslissing (PKB).

Eind jaren zeventig werd door een aantal maatschappelijke groeperingen naar aanleiding van het vraagstuk van de vestiging van kerncentrales aangedrongen op een brede maatschappelijke discussie over de algehele energieproblematiek. De Minister van Economische Zaken verzocht de voorlopige Algemene Energieraad (AER) advies uit te brengen over de opzet van een dergelijke discussie. Dit leidde tot het op 7 juni 1978 uitgebrachte advies ‘inzake een brede maatschappelijke discussie over (kern)energie’. Het doel van deze discussie was drieledig:

Op 17 juli 1980 presenteerde de toenmalige Minister van Economische Zaken, G.M.V. van Aardenne, de nota Energiebeleid. Deel 3 Brandstofinzet centrales. In deze nota stond een tweetal vragen centraal: is kernenergie als middel voor de opwekking van elektriciteit in ons land aanvaardbaar? En is kernenergie wenselijk in afweging met onder meer energiepolitieke, milieuhygiënische en financieel-economische aspecten?

Hierbij ging het er met name om of de risico’s van kernenergie aanvaardbaar zijn voor Nederland. Risico’s die samenhingen met:

De Regering zag, net als de Gezondheidsraad, vanuit het oogpunt van stralingsbelasting geen reden om kernenergie af te wijzen.

In 1982 werd de Centrale organisatie voor radioactief afval (COVRA B.V.) opgericht. De Ministeries van VROM en Financiën waren actief bij de oprichting betrokken. Naast deze ministeries waren ook de radioactief afval producerende bedrijven PZEM (Provinciale Zeeuwse Elektriciteitsmaatschappij), de GKN (N.V. Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland) en het ECN (Energieonderzoekscentrum Nederland) betrokken. De COVRA is het enige bedrijf in Nederland dat belast is met het inzamelen, verwerken, conditioneren en opslaan van radioactief afval. Een aanwijzing hiertoe wordt gedaan door de Ministers van SZW en VROM. Door middel van een regeringscommissaris in de Raad van Commissarissen houdt de overheid toezicht; daarnaast bezit de overheid 10% van het aandelenkapitaal. De PZEM, de GKN en het ECN bezitten elk 30% van de aandelen.

Op grond van nadere studies en een gedetailleerde nota van de Interdepartementale commissie voor de kernenergie over opslag van het radioactieve afval kondigt de regering aan tot proefboringen in zoutkoepels over te gaan. Politiek en maatschappelijk komen er nu steeds meer insprekers waarbij kernenergie zelfs ten principale ter discussie staat.

In 1979 werd vervolgens de zogenaamde Opzetnota uitgebracht waarin aangekondigd werd dat er een Maatschappelijke Discussie (MD) zou plaatsvinden onder leiding van een stuurgroep, welke in 1984 een eindrapport zou uitbrengen. Na afloop van deze discussie lag politiek de weg vrij voor het nemen van nieuwe beslissingen. Er werden nu voorstellen gedaan om nieuwe kerncentrales te bouwen. De Kamers gingen akkoord onder voorwaarde dat, alvorens de vergunning voor de bouw van een centrale werd verleend, er oplossingen met betrekking tot radioactief afval gerealiseerd dienden te zijn.

In 1985 werd een zestal locaties geschikt geacht om een kerncentrale te bouwen: Borssele, Eems, Ketelmeer, Maasvlakte, Moerdijk en de Westelijke Noordoostpolderdijk. De regering besloot in januari 1986 dat Borssele, Maasvlakte en Eems als locatie gehandhaafd moesten blijven; de Moerdijk en de Westelijke Noordoostpolderdijk moesten nader onderzocht worden, terwijl het Ketelmeer als mogelijke locatie definitief geschrapt werd. Na het ongeval met de kerncentrale te Tsjernobyl werd de beslissing over uitbreiding van het aantal kerncentrales in Nederland opgeschort. In 1988 werd een Interdepartementale Stuurgroep Herbezinning ingesteld welke samen met de Commissie Reactor Veiligheid en de Algemene Energie Raad advies moest uitbrengen aan de regering.

De regering besloot vervolgens geen nieuwe kerncentrales te bouwen en te onderzoeken of de huidige centrales vernieuwd c.q. gesloten moesten worden. Eind 1994 volgde na een heftige parlementaire discussie hierover het regeringsstandpunt: de centrale Dodewaard blijft open tot 2004. Twee jaar later werd besloten Dodewaard reeds in 1998 te sluiten.

De derde Energienota werd op 20 december 1995 door de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer gepresenteerd. De nadruk ligt in deze nota op de bevordering van de marktwerking in de energiesector en op meer duurzame energie. Voor duurzame energie worden twee doelen nagestreefd: ten eerste het vergroten van de energie-efficiency en ten tweede een groter aandeel van duurzame energie. De bouw van nieuwe kerncentrales is de komende jaren dan ook niet aan de orde. Ten aanzien van de marktwerking wordt in de nota ervan uitgegaan dat het niet langer vanzelfsprekend is dat de Rijksoverheid overal en altijd in de energievoorziening moet kunnen ingrijpen.

De energiecrisis in 1973 deed de overheid het belang inzien van een voorzieningszekerheid betreffende brandstoffen. In haar beleid richt zij zich op brandstofdiversificatie. Zo werden energiebesparing en grotere inzet van duurzame energiebronnen belangrijke doelstellingen.

Om deze doelstellingen te bereiken stelt de overheid zich tot taak dat de primaire energiebronnen, steenkool, aardgas en aardolie, doelmatiger benut moeten worden. Verder wil de overheid meer en beter gebruik maken van duurzame energie door het stimuleren van zowel het onderzoek naar, als de praktische toepassing en benutting van duurzame energiebronnen. De eerste twee energienota’s uit 1974 en 1979 gingen vooral in op het belang van energiebesparing en brandstofdiversificatie. De Derde Energienota uit 1996 richt zich naast energiebesparing en brandstofdiversificatie vooral op het stimuleren van duurzame energie.

Algemeen valt op te merken dat het streven naar substantiële energiebesparing in de loop der jaren meer en meer geïntegreerd is geraakt met milieu- en economische doelstellingen.

3. Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Economische Zaken valt

3.1. Minister van Economische Zaken

Handeling: Het instellen van het Directoraat-Generaal voor de Energievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken.

Periode: 1947–

Producten: Instellingsbeschikking; Organisatiebeschikking.

Bron: Staatsalmanak 1947

Waardering: B 4

Handeling: Het (mede-)instellen van adviescommissies en raden betreffende het te voeren beleid inzake de energievoorziening.

Periode: 1946–

Producten: Instellingsbeschikking van o.a. de Algemene Energieraad.

Bron: Dossier Raden en Commissies en hun relaties met de Directie Kernenergie; Staatsalmanak 1946 e.v.; Energienota 1974; H.G. de Maar (red.), Energierecht (Alphen aan den Rijn 1978).

Waardering: B 4

Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en intrekken van (bijzondere) wetten betreffende het algemene energiebeleid.

Periode: 1946–

Producten: Wet op de Algemene Energieraad 1985 (Stb. 287, 1985)

Bron: Art. 181 Grondwet (GW) 1946, art. 181 GW 1948, art. 188 GW 1953

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid inzake de energievoorziening.

Periode: 1946–

Producten: Bijvoorbeeld:

Energienota 1974;

Nota energiebeleid 1979.

Integrale nota LPG (1984)

Bron: Art. 181 Grondwet (GW) 1946, art. 181 GW 1948, art. 188 GW 1953

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten-Generaal inzake de energievoorziening.

Periode: 1946–

Producten: brieven, notities.

Bron: –

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de formulering van het internationale energiebeleid.

Periode: 1957–

Producten: bijdrage

Bron: Staatsalmanak 1996–1997

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de vergaderingen van de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Commissie voor Europa en de International Energy Agency.

Periode: 1957–

Producten: –

Bron: Staatsalmanak

Waardering: B 1

Vervallen.

Handeling: Het voordragen van leden en de voorzitter van de Algemene Energieraad.

Periode: 1985–

Producten: Voordracht.

Bron: Wet op de Algemene Energieraad, art. 5, lid 1; art. 8, lid 1.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het, na overleg met de Algemene Energieraad, voorzien in het secretariaat van de Algemene Energieraad.

Periode: 1985–

Opmerking: Het secretariaat staat de Algemene Raad en het presidium bij in de uitvoering van hun taak.

Bron: Wet op de Algemene Energieraad, art. 10.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het aanwijzen van personen die vergaderingen van de Algemene Energieraad bijwonen.

Periode: 1985–

Producten: Beschikking.

Bron: Wet op de Algemene Energieraad, art. 15, lid 1.

Waardering: V 5 jaar na uittreding

Handeling: Het goedkeuren van het reglement van orde van de Algemene Energieraad.

Periode: 1985–

Producten: Goedkeuringsbesluit van het Reglement van orde.

Bron: Wet op de Algemene Energieraad, art. 18, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: o.a. beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties.

Periode: 1945–

Bron: Grondwet art. 82

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: o.a. wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten; bijvoorbeeld de Wet houdende regelen omtrent het betrekken van elektriciteit uit het buitenland, de Electriciteitswet 1938, de Elektriciteitswet 1989 en de Elektriciteitswet 1998.

Periode: 1946–

Bron: Grondwet art. 82

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van amvb’s waarbij voorschriften worden vastgesteld omtrent de deugdelijkheid, veiligheid en doelmatigheid van elektriciteitscentrales.

Producten: nog niet gerealiseerd

Periode: 1946–

Bron: Electriciteitswet 1938 Stb. 1938, 523, art. 12, lid 1a.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Periode: 1946–

Waardering: B 3 (jaarverslagen)

V 10 jaar (overig materiaal)

Handeling: Het uitbrengen van verslag, uiterlijk in 1995, en vervolgens om de vijf jaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal over de werking van de Elektriciteitswet 1989.

Producten: verslagen

Periode: 1995–

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 52.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: brieven, notities

Periode: 1946–

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende elektriciteitsvoorziening

Producten: brieven, notities

Periode: 1946–

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende elektriciteitsvoorziening en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen.

Producten: beschikkingen, verweerschriften

Periode: 1946–

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarin ambtenaren worden aangewezen belast met het toezicht op de naleving van de Electriciteitswet 1938.

Producten: KB Stb. 1958, 381 en KB Stb. 1965, 305

Periode: 1946–1990

Opmerking: In 1958 werden de ambtenaren van de invoerrechten en accijnzen aangewezen. In 1965 werden de ambtenaren van de Economische controle dienst aangewezen. Deze laatsten werden opsporingsambtenaren genoemd en hadden dus ook meer bevoegdheden.De genoemde KB’s zijn ingetrokken in 1990 Stb. 1990, 84. De ambtenaren die dan worden aangewezen zijn controleambtenaren van de Rijkskeuringsdienst van Waren.

Bron: Electriciteitswet 1938 Stb. 1938,523, art. 15 en Ad art. 15.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein elektriciteitsvoorziening.

Producten: beschikkingen

Periode: 1946–

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: brieven, notities

Periode: 1946–

Waardering: V 3 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van elektriciteitsvoorziening.

Producten: voorlichtingsmateriaal

Periode: 1946–

Waardering: V 3 jaar

N.B. Van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt één exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd.

Vervallen.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van wetenschappelijk onderzoek betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: nota’s, notities

Periode: 1946–

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het geven van opdracht tot wetenschappelijk onderzoek en het vaststellen van rapporten betreffende elektriciteitsvoorziening.

Producten: onderzoeksrapporten

Periode: 1946–

Waardering: B 5

Handeling: Het instellen en opheffen van de Rijksdienst voor de elektriciteitsvoorziening.

Periode: 1945–1954

Bron: Maar, H.G. de, p. 86

Waardering: B 4

Handeling: Het aanwijzen of intrekken van een aanwijzing, van een naamloze- of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die tezamen met de vergunninghouders de taak heeft krachtens de wet zorg te dragen voor de landelijke openbare elektriciteitsvoorziening.

Producten: Min. Beschikking.

Periode: 1989–

Opmerking: Dit vennootschap is de NV SEP.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 2 en 8.

Waardering: B 4

Handeling: Het goedkeuren van de benoeming van de voorzitter v/d Raad van Commissarissen tevens voorzitter van de Raad van Toezicht en voorzitter van de Aandeelhoudersvergadering van de NV SEP.

Producten: Min. beschikking.

Periode: 1949–

Bron: Statuten van de NV SEP 1971 art. 16, lid 1, Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 8.

Waardering: V 5 jaar na uittreding

Handeling: Het deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van Commissarissen, de Raad van Toezicht en de Aandeelhoudersvergaderingen van de NV SEP.

Periode: 1949–

Opmerking: De Minister van Economische Zaken nam aan deze vergaderingen als voorzitter deel.

Bron: Statuten van de NV SEP 1971 art. 16, 22, 29.

Waardering: B 4

Handeling: Het afgeven van vergunningen voor het betrekken van elektriciteit uit het buitenland.

Periode: 1946–

Opmerking: De Elektriciteitswet 1989 art. 34 geeft aan dat alleen elektriciteit tbv de openbare voorziening geïmporteerd mag worden door de NV SEP. Wel zou er stroom geïmporteerd mogen worden door bedrijven die zelf stroom opwekken, zelfopwekkers. Dezen mogen echter geen stroom doorleveren aan derden volgens art. 37, lid 1 van de wet van 1989.

Bron: Wet houdende regelen omtrent het betrekken van elektriciteit uit het buitenland Stb. 1936, 524 art. 1, gewijzigd Stb. 1988, 77 art. VII C, ingetrokken Elektriciteitswet 1989 art. 59 Stb. 1989, 524.

Waardering: V 10 jaar na vervallen vergunning

Handeling: Het goedkeuren van door de NV SEP af te sluiten importovereenkomsten waarbij elektrisch vermogen wordt gecontracteerd.

Producten: Ministeriële beschikking.

Periode: 1989–1998

Opmerking: De NV SEP heeft o.a. contracten afgesloten met Vereinigte Elektrizitätswerke Westfalen AG (VEW) en Electricité de France. Ook is er een overeenkomst met het Belgische elektriciteitsbedrijf Electrabel over wederzijdse bijstand bij vermogenstekorten. Met Noorwegen is er een uitvoeringsbesluit voor een kabelverbinding waarmee waterkracht-energie geleverd kan worden, deze biedt de mogelijkheid om zowel vermogen te ontvangen als te restitueren .

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 35 en 36.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van een vergunning voor het in werking hebben van één of meer elektriciteitscentrales groter dan 5 MW t.b.v. van de openbare elektriciteitsvoorziening.

Periode: 1989–

Opmerking: Bij deze handeling is inbegrepen het opvragen van nadere gegevens door de Min. ( tot 1-1-1994 Stb. 1992, 422 art. 33. en Stb. 1993, 693) en het plegen van overleg met de vergunninghouder en de SEP. Voorwaarde is dat de NV of BV waaraan vergunning wordt verleend in totaal minimaal 2500 MW, nu of in de toekomst, moet kunnen opwekken. In de overgangsperiode van inwerking treding v/d wet tot 31/12/1992 is het toegestaan dat het totale op te wekken vermogen minder dan 2500 MW bedraagt, mits via het elektriciteitsplan blijkt dat dit vermogen op termijn 2500 MW of meer bedraagt.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 3 t/m 7 en 53.

Waardering: B 5

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van verzoeken tot statutenwijzigingen van vergunninghouders van elektriciteitscentrales.

Producten: Ministeriële beschikking.

Periode: 1989–1998

Bron: de Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 10.

Waardering: B 4

Handeling: Het behandelen van beroepen van distributiebedrijven inzake weigering door de NV SEP voor het bouwen of in werking hebben van een installatie voor het opwekken van elektriciteit met een totaal vermogen van 25 MW of meer.

Producten: Ministeriële Beschikking.

Periode: 1991–

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 40, lid 3 inwerking KB Stb. 1991, 241.

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van nadere regels aan distributiebedrijven, inzake opgave van gegevens over installaties voor het opwekken van elektriciteit aan de NV SEP.

Periode: 1989–

Opmerking: Voordat regels m.b.t. opgave van gegevens worden vastgesteld pleegt de Min overleg met de NV SEP en de distributiebedrijven.

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 44, lid 3

Waardering: V 5 jaar na vervallen

Handeling: Het beschikken op schriftelijke verzoeken aan neteigenaren om te komen tot een passend aanbod voor transport van elektriciteit ten behoeve van de openbare voorziening, een bijzondere grootverbruiker of ingevoerde elektriciteit.

Producten: Ministeriële beschikking

Periode: 1989–

Opmerking: Voor vaststelling aanbod stelt de Minister beide partijen in de gelegenheid van hun gevoelen blijk te geven. Tegen een besluit van de Minister staat beroep open bij het College van beroep voor het bedrijfsleven.

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 48 en 49.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het verzoeken om inlichtingen benodigd voor uitvoering van de wet, aan de vergunninghouders, de NV SEP of degene aan wie een distributie-bedrijf toebehoort.

Periode: 1989–

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 50.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het sluiten van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de NV SEP inzake doorvoer van elektriciteit via de hoofdnetten.

Periode: 1990–

Bron: Richtlijn Raad v/d EEG 90/547/EEG PBEG 1990, L313/30.

Waardering: B 4, 5

Handeling: Het zich laten informeren door de NV SEP inzake het onderhandelen en het sluiten van doorvoerovereenkomsten met bedrijven die in de Lid-Staten verantwoordelijk zijn voor het hoogspanningshoofdnet.

Periode: 1991–

Opmerking: Het betreft doorvoerovereenkomsten met een minimale looptijd van één jaar. Deze gegevens dienen ook verstrekt te worden aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Bron: Richtlijn Raad v/d EEG 90/547/EEG, PB EG L 313 art. 2, 4, 5

Waardering: B 3

Handeling: Het sluiten van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden, de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland, sedert 1991 EnergieNED, en de elektriciteitsdistributiebedrijven ter uitvoering van richtlijn 90/377/EEG betreffende een communautaire procedure inzake de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindverbruikers.

Periode: 1990–

Bron: Richtlijn Raad v/d EEG 90/377/EEG, PB EG 1990 L 185

Waardering: B 5

Handeling: Het zich laten informeren door de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland, sedert 1991 EnergieNED, over de verkoopprijzen en -voorwaarden die worden gehanteerd voor industriële eindverbruikers van elektriciteit en het geldende prijsstelsel.

Periode: 1991–

Opmerking: EnergieNED bewerkt de halfjaarlijkse gegevens en maakt iedere twee jaar een onderverdeling van de verbruikers en van de overeenkomstige volumes per verbruikscategorie. EnergieNed heeft ook de verplichting om de bovengenoemde gegevens ter beschikking te stellen aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen BSEG.

Grondslag: Richtlijn Raad v/d EEG 90/377/EEG, PB EG 1990, L 185 Art. 3 en 4b.

Waardering: B 3

Handeling: Het sluiten van een convenant met elektriciteitsdistributiebedrijven ter sanering van de elektriciteitssector

Producten: convenant met elektriciteitsdistributiebedrijven 1988

Periode: 1981–

Opmerking: Het convenant tussen Economische Zaken enerzijds en VEEN,VEGIN en VESTIN anderzijds is een uitvloeisel van de exercitie Coconut en vervolgstudie door Krekel van der Woerd en Wouterse. Andere betrokken partijen die geraadpleegd werden waren het IPO en VNG.

Bron: Economische Zaken profiel van een ministerie (blz. 83), Bruijn J.A., ’s-Gravenhage 1989.

Waardering: B 5

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van BZK, goedkeuren van beschermingsplannen van elektriciteitsbedrijven

Producten: verklaring

Periode: 1958–

Opmerking: Elektriciteitsbedrijven zijn op grond van dit besluit gehouden tot het treffen van regelingen voor bedrijfszelfbescherming, instellen van beschermingsorganisaties en vaststellen van beschermingsplannen. De Ministers van BIZA en Economische Zaken kunnen vrijstellingen of ontheffingen verlenen.

Bron: Besluit bescherming gas- en elektriciteitsbedrijven Stb. 1957, 580 art. 4

Waardering: V 5 jaar na vervallen plan

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot instelling van advies- en overlegorganen betreffende elektriciteitsvoorziening.

Periode: 1974–

Bron:

Waardering: B 1, 4

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot samenstelling van advies- en overlegorganen betreffende elektriciteitsvoorziening.

Periode: 1974–

Bron: Electriciteitswet 1938 Stb. 1938, 523, art. 14, lid 2, lid 7

Waardering: B 1, 4

Handeling: Het aanstellen, ontslaan van het hoofd en het personeel van het bureau van de Electriciteitsraad.

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit tot vaststelling van regelen omtrent de Electriciteitsraad

Stb 1940, 560.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het na overleg met de voorzitter regelen van de organisatie en werkzaamheden van het bureau van de Electriciteitsraad en de wijze van samenwerking met de andere Rijksdiensten.

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit tot vaststelling van regels omtrent de Electriciteitsraad

Stb 1940, 560.

Waardering: B 4

Handeling: Het verlenen van toestemming tot openbaarmaking van door de Electriciteitsraad en haar commissies behandelde zaken.

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit tot vaststelling van regelen omtrent de Electriciteitsraad Stb. 1940, 560, art. 6

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van de reglementen van de werkzaamheden van de Electriciteitsraad en haar commissies.

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit tot vaststellen van regelen omtrent de Electriciteitsraad Stb. 1940, 560, art. 14, lid 2

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van één of meer vertegenwoordiger(s) ten behoeve van het deelnemen aan de vergaderingen van de Electriciteitsraad.

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit regelen omtrent de Electriciteitsraad Stb. 1940, 560.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het deelnemen aan de vergaderingen van de Electriciteitsraad door één of meer aangewezen vertegenwoordiger(s).

Periode: 1946–1985

Bron: Besluit regelen omtrent de Electriciteitsraad Stb. 1940, 560.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het in overleg met de Minister van VROM en de NV SEP voorbereiden van het structuurschema electriciteitsvoorziening (SEV).

Producten: ontwerp SEV

Periode: 1971–

Opmerking: het SEV geldt telkens voor een periode van 15 jaar en moet worden vastgesteld in de Ministerraad. Het eerste SEV (1975) verscheen in 1981. Zie ook art. 55 over de termijn wanneer het SEV gereed moet zijn. Een jaar voordat de termijn van een SEV afloopt dient de Staten Generaal te worden geïnformeerd over een nieuw SEV.

Bij alle voorbereidingen zal er natuurlijk uitgebreid onderzoek plaatsvinden en zal de Minister van Economische Zaken diverse organen om advies vragen, bijvoorbeeld het CPB. NB.De Minister van VROM is niet als actor opgenomen aangezien de handeling deel uitmaakt van een algemene handeling namelijk het overleggen met vakministers over planologische kernbeslissingen.

Bron: Wet op de Ruimtelijke Ordening Stb. 1985, 626 art. 2a en de Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535 art. 14.

Waardering: B 1

Handeling: Het voeren van overleg, samen met de Minister van VROM, met provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen over ontwerpstructuurschema’s elektriciteitsvoorziening

Periode: 1971–

Opmerking: Het SEV is een planologische kernbeslissing. Deze wordt afgestemd met de provinciale streekplannen en de gemeentelijke bestemmingsplannen. De Minister van VROM kan via de WRO art. 6 en art. 37 aanwijzingen geven over de inhoud van streek- en bestemmingsplannen.

Bron: Wet WRO Stb. 1985, 623, 624, 625. (eventueel wet stb. 1962, 286)

Waardering: B 1

Handeling: Het in samenwerking met de Minister van VROM doen opstellen van een milieu effect rapportage (m.e.r.) tbv het structuurschema elektriciteitsvoorziening.

Producten: milieueffectrapport

Periode: 1979–

Opmerking: Het SEV is m.e.r.-plichtig ten aanzien van de oprichting, of ombouw naar kolen, van elektriciteitscentrales met een vermogen vanaf 300 Mw, oprichting windenergiecentrales met een vermogen groter dan 20 Mw, aanleg ondergrondse opslag van water of stoom tbv elektriciteitsvoorziening groter dan 1 miljoen kubieke meter en hoogspanningsverbindingen van 220 Kv over een afstand van meer dan één kilometer door kwalitatief kwetsbaar aangeduide gebieden. De activiteiten van bovengenoemde handeling omvatten: het opstellen van een startnotitie, het organiseren van inspraak en advisering ten behoeve van de richtlijnen en het vaststellen van de richtlijnen voor het MER, het organiseren van inspraak en advisering over het MER, en het zorgdragen voor de evaluatie van de werkelijk optredende milieu-effecten.

Bron: Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (WABM) Stb. 1979, 442

Waardering: B 1, 2, 3

Handeling: Het na vijf jaar evalueren van het structuurschema elektriciteitsvoorziening en het bijbehorende milieueffectrapport MER.

Periode: 1998–

Bron: Tweede structuurschema elektriciteitsvoorziening

Waardering: B 2

Handeling: Het opstellen van elektriciteitsplannen waarin de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening in Nederland wordt aangegeven.

Producten: elektriciteitsplannen

Periode: 1947–1949

Opmerking: In de periode 1947 tot 1949 werden deze plannen door Economische Zaken zelf opgesteld vanaf, 1949 werden ze opgesteld door de NV SEP. Aanvankelijk werden elektriciteitsplannen ieder jaar opgesteld en bedroeg de periode waar ze betrekking op had 5 tot 9 jaar. Momenteel komt er iedere 2 jaar een E-plan uit, even jaren, dat betrekking heeft op de komende 20 jaar. Enkele punten die in het plan aan de orde komen zijn: de totale elektriciteitsbehoefte, de hoeveelheid die kan worden opgewekt en zal worden ingevoerd, een omschrijving van in werking gehouden en op te richten elektriciteitscentrales, aan te leggen en in werking gehouden hoogspanningsverbindingen, het beleid tav inzet brandstoffen en splijtstoffen en ramingen inzake de investeringen die noodzakelijk zijn om het plan te realiseren.

Bron: Grondwet art. 82

Waardering: B 1

Handeling: Het sluiten van een convenant met NV SEP inzake het opstellen en vaststellen van Elektriciteitsplannen

Producten: Convenant Staat-SEP 1975

Periode: 1975–1989

Opmerking: Het convenant regelt oa de bevoegdheid van de minister E-plannen goed te keuren. Met de totstandkoming van de Elektriciteitswet in 1989 werd deze bevoegdheid wettelijk geregeld en was het convenant niet meer nodig.

Bron: Energienota 1974, (kamerstuk 13122)

Waardering: B 1

Handeling: Het al dan niet (gedeeltelijk) goedkeuren van een door de NV SEP ingediend elektriciteitsplan of wijziging daarvan.

Producten: Ministeriële Beschikking.

Periode: 1950–1996

Opmerking: Tot 1975 was er niet sprake van officiële goedkeuring, hooguit werd via de DGE die Voorzitter van de Raad van Commissarissen was enigszins gestuurd. Pas vanaf het convenant in 1975 had de Minister officiële bevoegdheid die wettelijk werd via de E-wet 1989. Vanaf dat jaar geldt dat bij onthouding (gedeeltelijke) goedkeuring de Minister aanwijzingen kan geven tbv een nieuw plan en pleegt overleg met NV SEP.

De commissie Electriciteitswerken, de Electriciteitsraad en later de Algemene Energieraad adviseren bij de totstandkoming van het elektriciteitsplan.

Bron: Convenant Staat – NV SEP 1975 en Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535 art. 15 t/m 21.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van een vergunning voor het bouwen van één of meer elektriciteitscentrales groter dan 5 MW tbv de openbare elektriciteitsvoorziening.

Periode: 1989–

Opmerking: Bij deze handeling is inbegrepen het opvragen van nadere gegevens door de Min. ( tot 1-1-1994 Stb. 1992, 422 art. 33. en Stb. 1993, 693) en het plegen van overleg met de vergunninghouder en de SEP. Voorwaarde is dat de NV of BV waaraan vergunning wordt verleend in totaal minimaal 2500 MW, nu of in de toekomst, moet kunnen opwekken. In de overgangsperiode van inwerking treding v/d wet tot 31/12/1992 is het toegestaan dat het totale op te wekken vermogen minder dan 2500 MW bedraagt, mits via het elektriciteitsplan blijkt dat dit vermogen op termijn 2500 MW of meer bedraagt.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 3 t/m 7 en 53.

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen van de leden van de commissie elektriciteitswerken.

Periode: 1946–

Opmerking: De commissie bestaat maximaal uit 13 leden. Drie leden rechtstreeks, waaronder een deskundige op het gebied van elektriciteitsvoorziening. Twee leden op voordracht van LAVI, en telkens één door tussenkomst van VROM, V&W, CRM, Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, het Landbouwschap, de Stichting Natuur en Milieu, de VDEN en VoMil.

Bron: Beschikking 1-12-1932 Minister van Waterstaat, gewijzigd bij beschikking 23-09-1949 Minister van Economische Zaken, gewijzigd 10-03-1982 Stcrt. 1985, 51 en laatstelijk gewijzigd 23-09-1982.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het goedkeuren van het reglement van orde en het geven van aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van de taak van de commissie elektriciteitswerken.

Periode: 1982–

Bron: Instellingsbeschikking CEW Stcrt. 1982, 51

Waardering: B 4

Handeling: Het voorzien in een secretaris en een secretariaat voor de commissie elektriciteitswerken.

Periode: 1982–

Bron: Instellingsbeschikking CEW Stcrt. 1982, 51

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het afgeven van een concessie met een erkenning van openbaar belang aan de NV SEP voor aan te leggen en in werking te houden (exploitatie) inrichtingen en werken tot voortbrengen, geleiden van transformeren, verdelen en leveren van elektriciteit (hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer).

Periode: 1946–1998

Opmerking: De door de SEP aan te leggen hoogspanningsverbindingen moeten wel in het kader van het Elektriciteitsplan zijn goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken. Tot 1989 moest de SEP voor ieder project een rijksconcessie aanvragen die dan onder voorwaarden werd verstrekt. Het aanvragen gaat op basis van vrijwilligheid, de eerste dateren al van 1930, en betreft investeringen, arbeidsvoorwaarden en algemene leveringsvoorwaarden en bouwprogramma’s.

Bron: Elektriciteitswet 1989, Stb. 1989, 535, art. 46, Algemene bestuursbevoegdheid van de Kroon.

Waardering: B 4

Vervallen.

Handeling: Het goedkeuren van bouwprogramma’s van elektriciteitsbedrijven voor aanleg en exploitatie van inrichtingen en werken tot voortbrengen, geleiden transformeren, verdelen en leveren van elektriciteit.

Periode: 1946–

Bron: Algemene bestuursbevoegdheid van de Kroon.

Waardering: B 4

Handeling: Het voeren van jaarlijks overleg met de Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland inzake de elektriciteitstarieven

Periode: 1961–1989

Opmerking: De VDEN nemen in de eerste plaats beslissingen over de tarieven, de VEEN adviseert. De overheid oefent invloed uit door het jaarlijks overleg en de goedkeuringseis in de rijksconcessies m.b.t. de leveringsvoorwaarden.

Bron: Prijzenwet Stb. 1961, 135

Waardering: B 5

Handeling: Het al dan niet (gedeeltelijk) goedkeuren van overeenkomsten van samenwerking (OVS) tussen productiebedrijven en NV SEP inzake kosten van opwekking en transport van elektriciteit (Pooling).

Producten: Ministeriële Beschikking.

Periode: 1989–

Opmerking: De Minister van Economische Zaken heeft mbt de OVS alleen tav de poolingregeling een wettelijke goedkeuringsbevoegdheid. Wel stuurt de SEP het OVS ter toetsing aan de Minister van Economische Zaken.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 22 en 23.

Waardering: B 4

Handeling: Het aanwijzen of vaststellen van een overeenkomst van samenwerking (OVS) voor productiebedrijven en NV SEP, inzake kosten van opwekking en transport van elektriciteit indien geen goedgekeurde overeenkomst tot stand is gebracht.

Producten: overeenkomst van samenwerking

Periode: 1989–

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 23.

Waardering: B 4

Handeling: Het al dan niet goedkeuren van de vaststelling van (maximum) tarieven voor de levering van elektriciteit dan wel elektrisch vermogen.

Producten: Ministeriële Beschikking

Periode: 1989–

Opmerking: De tarieven waar het om gaat zijn het landelijk basis tarief (LBT), het regionaal basis tarief (RBT) en het eindverbruikerstarief. Alvorens deze tarieven tot stand komen zal de Minister de Vereniging van Exploitanten van Electriciteitsbedrijven in Nederland (VEEN), horen. Ook voert de Minister overleg met de betrokken partijen namelijk de vergunninghouders, NV SEP en de distributiebedrijven. Als er bij inwerkingtreding van de wet geen goedgekeurde tarieven zijn kan de Min zodanige tarieven vaststellen.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 25 t/m 32 en 56.

Waardering: B 5

Handeling: Het beschikken op verzoeken door een vergunninghouder of distributiebedrijf om ontheffing inzake maximum tarieven.

Producten: Ministeriële beschikking, ontheffing.

Periode: 1989–

Opmerking: Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Ook kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden.

Bron: Elektriciteitswet 1989 Stb. 1989, 535, art. 33.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende elektriciteitsvoorziening en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

Periode: 1945–

Waardering: B 1,2

Handeling: Het bepalen van standpunten en leveren van bijdragen in de vergaderingen van de Union pour la Coördination de la production et du Transport de l’Électricité (UPCTE).

Periode: 1951–

Opmerking: In de UPCTE waren tevens afgevaardigd 2 directeuren uit de NV SEP. In de UCPTE waren oorspronkelijk de volgend landen vertegenwoordigd: Oostenrijk, Duitsland, België, Italië, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland.

Bron: Statuten UCPTE opgericht in Parijs in 1951.

Waardering: B 1

Handeling: Het bepalen van standpunten en leveren van bijdragen in de organen van de Europese Gemeenschappen inzake elektriciteitsvoorziening.

Producten: verslagen vooroverleg, standpunten etc.

Periode: 1990–

Bron: Richtlijnen Raad v/d EEG 90/547/EEG PBEG 1990, L 313/30 en 90/377/EEG PB EG 1990, L 185/16.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden, formuleren en evalueren van beleidsstandpunten op het gebied van kernenergie en het (laten) verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen/ten uitvoer gelegde beleid inzake kernenergie.

Periode: 1946–

Producten: Nota kernenergie 3 juli 1957 HTK 1957, 4727; energienota’s

Bron:

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het (mede-)voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten op het gebied van kernenergie en ioniserende straling.

Periode: 1946–

Producten: Wet tot financiering van de bouw en inrichting van een kernreactor in Nederland (Stb. 1954, 374);

Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);

Wet van 27 oktober 1965 (Stb. 546), houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;

Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (Stb. 1986, 465).

Bron: Kernenergiewet, art. 15b, lid 3; art. 72, lid 2.

Waardering: B 1

Handeling: Het (mede-)voorbereiden, wijzigen en intrekken van algemene maatregelen van bestuur op het gebied van kernenergie en ioniserende straling, radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen.

Periode: 1946–

Producten: Besluit inwerkingtreding Kernenergiewet (Stb. 1969, 514); Bijdragenbesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 475); Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981 (Stb. 1981, 455); Definitiebesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 358); Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet (Stb. 1971, 420); Uitvoeringsbesluit ex artikel 22 Kernenergiewet (Stb. 1969, 476); Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 403); Besluit registratie splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 471); Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (Stb. 1969, 405); Beroepsbesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 473).

Bron: Kernenergiewet, art. 1; 13; 14; 16; 17; 18, lid 2; 19; 21; 26, lid 1; 35, lid 1; 49, lid 1; 56; 57; 67; 68.

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels betreffende de algemene maatregelen van bestuur welke op het gebied van kernenergie, ioniserende straling, radio-actieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen zijn vastgesteld.

Periode: 1946–

Producten: Beschikking aanwijzing eerste kantoren Kernenergiewet (Stcrt. 1969, 241); Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1969 (Stb. 1969, 475); Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981 (Stb. 1981, 455); Beschikking aanvraag vergunning en aangifte toestellen Kernenergiewet (Stcrt. 1975, 203); Besluit ongevallen kerninstallaties (Stb. 1976, 138); Besluit van 31 augustus 1987 (Stcrt. 176), houdende de regeling aanvraag vergunning en aangifte toestellen Kernenergiewet.

Bron: Kernenergiewet, art. 26, lid 2; art. 35, lid 1; art. 49, lid 1; art. 56, lid 1; art. 73; art. 74.

Waardering: B 1

Handeling: Het instellen van adviescommissies en raden betreffende het te voeren beleid inzake:

– kernenergie en ioniserende straling;

– het verwijderen en opslaan van radioactief afval;

– de bescherming van het milieu tegen het gevaar van schade door straling.

Periode: 1957–

Producten: Instellingsbeschikking Commissie van advies inzake de bouw van kernreactor centrales (commissie Roodenburg); Beschikking van 24 juni 1968, no. 368/4585/EK van de Minister van Economische Zaken (Commissie Componenten Kweekreactoren); Interdepartementale Commissie Kernenergie; Commissie Heroverweging Verwijdering Radioactief Afval (HVRA); Commissie Integraal Onderzoek Nucleair Afval (ILONA).

Bron: Dossier Raden en Commissies en hun relaties met de Directie Kernenergie; Diverse Staatsalmanakken.

Waardering: B 4

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van organisatie-eenheden op het beleidsterrein kernenergie.

Periode: 1946–

Producten: Beschikking van 15 maart 1956, nr. 18/’56 D.A.Z.

Bron: –

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het informeren van en het voeren van overleg met de Staten-Generaal betreffende het beleid inzake de kernenergie.

Periode: 1946–

Producten: Beleidsnotities, antwoorden op Kamervragen, (voortgangs-)rapportages.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van natuurlijke en rechtspersonen

met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1946–

Producten: Brieven.

Bron: art. 5 Grondwet (GW) 1938, art. 5 GW 1953.

Waardering: V 3 jaar

Handeling: Het in overeenstemming met de Ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Sociale Zaken en Volksgezondheid instellen van adviesorganen en commissies voor de uitvoering van de Kernenergiewet.

Periode: 1962–

Producten: Besluit van 20 maart 1962, no. 19 (Instelling Voorlopige Industriële Raad voor de Kernenergie); Beschikking van 24 februari 1964, nr. 664/225 van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Instellingsbeschikking van de Interdepartementale Commissie voor de Kernenergie); Beschikking nr. 131.469 van 30 december 1969 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Stcrt. 1970, nr. 6) (Instelling Commissie Reactorveiligheid).

Bron: Kernenergiewet, art. 2.

Waardering: B 4

Handeling: Het voordragen van (plaatsvervangende) leden, de (plaatsvervangend) voorzitter, secretaris van adviescommissies en raden betreffende kernenergie en ioniserende straling.

Periode: 1957–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 3, lid 1–3 (art. 4, lid 2); art. 7, lid 2 (art. 5, lid 1).

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het opstellen en inbrengen van bijdragen en standpunten in commissies en raden inzake kernenergie en ioniserende straling.

Periode: 1946–

Producten: Bijdrage; min. standpunt.

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van ten hoogste vier ambtenaren welke bevoegd zijn tot het bijwonen van vergaderingen van de Centrale Raad voor de Kernenergie en/of de Industriële Raad voor de Kernenergie.

Periode: 1963–1985

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 4; art. 8, lid 5; art. 9.

Waardering: V 10 jaar na uittreding

Handeling: Het voorzien in het secretariaat van de Industriële Raad voor de

Kernenergie,en van de Wetenschappelijke Raad voor de

Kernenergie.

Periode: 1963–1985

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 8, lid 2.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van nadere regels betreffende de werkwijze van de Centrale Raad voor de Kernenergie; Commissie Reactorveiligheid; van de Industriële Raad voor de Kernenergie; van de Wetenschappelijke Raad voor de Kernenergie.

Periode: 1963–1985

Producten: Regels.

Bron: Kernenergiewet, art. 6, lid 2; art. 8.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, zonodig in overeenstemming met andere ministers, aan de Algemene Energieraad verzoeken om advies omtrent:

– het te voeren energiebeleid en daarbij aandacht te besteden

aan de wisselwerking tussen het te voeren energiebeleid enerzijds en maatschappelijke ontwikkelingen en het te voeren overheidsbeleid op andere gebieden anderzijds;

– door andere adviesorganen aan een of meer Onzer Ministers uitgebrachte en openbaar gemaakte adviezen, voor zover deze naar het oordeel van de raad belangrijke gevolgen voor het te voeren energiebeleid kunnen hebben.

Periode: 1985–

Producten: Verzoek om advies.

Bron: Wet van 17 mei 1985 (Stb. 287), houdende instelling van een Algemene Energieraad (Wet op de Algemene Energieraad), art. 3, lid 1.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het verlenen van een vergunning voor het oprichten, in werking brengen, in werking houden of wijzigen van een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 15 (art. 15a).

Waardering: B 4

Handeling: Het staken en/of sluiten van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 25, lid 1.

Waardering: B 4

Handeling: Het beslissen op verzoeken van een burgemeester tot staking en/of sluiting van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 25, lid 2.

Waardering: B 4

Handeling: Het tezamen met de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën, onder te stellen voorwaarden, verstrekken van een bijdrage in de kosten van de bouw en inrichting van een kernreactor in Nederland.

Periode: 1954–

Producten: Post op de begroting.

Bron: Wet tot financiering van de bouw en inrichting van een kernreactor in Nederland, (Stb. 1954, 374), art. 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

a. vaststellen van de inrichting van het register splijtstoffen en ertsen;

b. aanwijzen van de gevallen waarin inlichtingen uit het register

splijtstoffen en ertsen kunnen worden verstrekt;

c. bepalen van die gevallen waarin door de vergunninghouder een

administratie gevoerd moet worden;

d. stellen van regels voor de door de vergunninghouder te voeren

administratie;

e. bepalen van de gevallen waarbij een ieder die de aanwezigheid

van ertsen in de bodem heeft vastgesteld aangifte moet doen;

f. stellen van regels voor de aangifte van de aanwezigheid van

ertsen in de bodem.

g. stellen van regels betreffende de inrichting van het register

radioactieve stoffen.

Periode: 1970–

Producten: Besluit registratie splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 471); Besluit registratie en kosten keuringsdiensten Kernenergiewet (Stb. 1969, 472).

Bron: Kernenergiewet, art. 13, lid 2; art. 14, lid 1; art. 14, lid 2.

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van nadere regels met betrekking tot:

a. de inrichting van het register splijtstoffen en ertsen;

b. de wijze waarop aangifte van splijtstoffen en ertsen gedaan dient te worden bij de directeur van de CDIU.

Periode: 1970–

Producten: a. Beschikking van 4 december 1969 DGE no. 369/5271/EK.

b. Aangiftebeschikking splijtstoffen en ertsen (Stcrt. 1969, 240); beschikking aanwijzing landen Kernenergiewet (Stcrt. 1969, 240).

Bron: Besluit registratie splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 471), art. 2, lid 2; art. 10.

Waardering: B 5

Handeling: Het beheren en het verstrekken van inlichtingen uit het register splijtstoffen en ertsen.

Periode: 1970–

Producten: Inlichtingen; register houdende gegevens betreffende splijtstoffen en ertsen; Besluit registratie radioactieve stoffen en kosten keuringsdiensten Kernenergiewet (Stb. 1969, 472); Beschikking inrichting register radioactieve stoffen (Stcrt. 1969, 240).

Bron: Kernenergiewet, art. 13, lid 3; art. 14, lid 1; art. 27, lid 2; Besluit registratie splijtstoffen en ertsen, art. 3, lid 1–4.

Waardering: B 5 (Beheer van het register)

V 5 jaar (Verstrekken van inlichtingen)

Handeling: Het, in overeenstemming met de ministers wie het mede aangaat, beslissen op de aanvragen van een vergunning voor:

a. het vervoeren, voorhanden hebben, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of doen brengen, dan wel zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen;

b. een uitrusting, geschikt om een vaartuig of ander vervoermiddel door middel van kernenergie voort te brengen, daarin aan te brengen of aangebracht te houden, dan wel zodanige daarin aangebrachte uitrusting in werking te brengen, in werking te houden of te wijzigen.

c. het voorhanden hebben van splijtstoffen;

d. het zich ontdoen van splijtstoffen;

e. het oprichten van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt;

f. het oprichten van een inrichting waarin splijtstoffen welke plutonium of verrijkt uranium bevatten, of bestraalde splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt;

g. het oprichten van een inrichting waarin splijtstoffen worden opgeslagen;

h. het oprichten van een inrichting waarin onbestraalde splijtstoffen welke geen plutonium of verrijkt uranium bevatten, of bestraalde splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt.:

Periode: 1970–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 15 (art. 15a); art. 18, lid 1 (art. 19; 20; 20a; 30); art. 30, lid 1; Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, art. 4–9.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat de bij de Kernenergiewet gestelde verboden niet gelden betreffende splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, of uitrustingen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

Periode: 1993–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 21, lid 2.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels aan de wijze waarop de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de Kernenergiewet dient te geschieden en aan de gegevens welke van de aanvrager kunnen worden verlangd.

Periode: 1970–

Producten: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 403).

Bron: Kernenergiewet, art. 16 (art. 15c, lid 3; art. 16, lid 1).

Waardering: B 5

Handeling: Het tezamen met de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, verbinden van voorschriften aan vergunningen verstrekt krachtens de Kernenergiewet welke nodig zijn voor:

a. de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen;

b. de veiligheid van de staat;

c. de bewaring en bewaking van splijtstoffen en ertsen;

d. de energievoorziening;

e. het zeker stellen van de betaling van de vergoeding aan derden toekomende voor schade of letsel, hun toegebracht;

f. de nakoming van internationale verplichtingen.

Periode: 1970–

Producten: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Stb. 1969, 403), artt. 31–40.

Bron: Kernenergiewet, art. 19, lid 1; art. 20, lid 2; art. 31, lid 1.

Waardering: B 1

Handeling: Het tezamen met de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid verlenen van vrijstellingen ten aanzien van vergunningen benodigd voor splijtstoffen en ertsen en kernenergieinrichtingen.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking.

Bron: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Stb 1969, 403), artt. 41–44.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van andere belangen dan de in de Kernenergiewet bedoelde belangen waarop vergunningen geweigerd kunnen worden.

Periode: 1992–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 15b, lid 2.

Waardering: B 1

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van overheidsorganen waaraan vergunningaanvragen meegedeeld worden.

Periode: 1970–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 17, lid 1 (art. 17a, lid 1).

Waardering: B 4

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van overheidsorganen die advies kunnen uitbrengen over het ontwerp van de beschikking op een vergunningaanvraag.

Periode: 1994–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 17a, lid 1.

Waardering: B 4

Handeling: Het aan de vergunninghouder meedelen:

a. welke bijdrage verschuldigd is;

b. op welke wijze betaling van de bijdrage plaats kan vinden;

c. binnen welke termijn deze bijdrage dient te geschieden.

Periode: 1981–

Producten: Mededeling.

Bron: Bijdragebesluit Kernenergiewet 1981, art. 15.

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het verbinden van voorschriften aan een vergunning met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen.

Periode: 1970–

Producten: Min. voorschriften.

Bron: Kernenergiewet, art. 31, lid 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het na het overlijden van een vergunninghouder verstrekken van een vergunning aan hen die het bedrijf voortzetten.

Periode: 1989–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 70, lid 1.

Opmerking: De vergunning gaat niet van rechtswege over op rechtsverkrijgenden.

Waardering: B 4,5

Handeling: Het toestemming verlenen om een vergunning die krachtens de Kernenergiewet aan rechtspersonen is verleend aan een andere rechtspersoon over te dragen.

Periode: 1989–

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 70, lid 3.

Waardering: B 4

Handeling: Het beschikken, in overeenstemming met de ministers die het mede aangaat, op verzoekschriften tegen beschikkingen waarin het overheidsorganen wordt toegestaan aan een vergunning nadere eisen te stellen.

Producten: Beschikking.

Periode: 1970–1980

Bron: Beroepsbesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 473), art. 1.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur ter bescherming van mensen, dieren, planten en goederen stellen van regels aan de toepassing van de op grond van de Kernenergiewet verleende vergunningen.

Periode: 1993–

Producten: Algemene maatregel van bestuur; ministeriële regels.

Bron: Kernenergiewet, art. 18a, lid 3.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen met betrekking tot radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen, en betreffende splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, of uitrustingen dan wel onderdelen van inrichtingen of uitrustingen.

Periode: 1970–

Producten: Radioactieve-stoffenbesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 404); Toestellenbesluit Kernenergiewet (Stb. 1969, 406); Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (Stb. 1986, 465); Wijzigingsbesluit Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (Stb. 1993, 317); algemene maatregel van bestuur; min. regels.

Bron: Kernenergiewet, art. 21 (art. 21, lid 1); art. 32, lid 1; art. 34, lid 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels betreffende het meten van doses ioniserende stralen, het bepalen van radioactieve besmetting en de registratie daarvan.

Periode: 1970–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 37, lid 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van regels:

a.welke voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen de verplichting inhouden tot het bij zich dragen van een middel ter controle van de dosis ioniserende stralen waaraan zij blootgesteld zijn geweest;

b.welke voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen de verplichting inhouden tot het zich onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek in verband met stralingsgevaar.

Periode: 1970–

Producten: Min. regels.

Bron: Kernenergiewet, art. 37, lid 2.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vaststellen van de inrichting van registers waarin radioactieve stoffen geregistreerd worden en het aanwijzen van de gevallen waarin inlichtingen uit de registers kunnen worden verstrekt.

Periode: 1970–1988

Producten: Besluit van 16 oktober 1969, Stb. 472; inlichtingen.

Bron: Kernenergiewet, art. 27, lid 2, art. 28, lid 5.

Waardering: B 4, 5

Handeling: Het stellen van nadere regels betreffende de inrichting van het register radioactieve stoffen.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking inrichting register radioactieve stoffen van 2 december 1969, Stcrt. 240.

Bron: Besluit registratie radioactieve stoffen en kosten keuringsdiensten Kernenergiewet (Stb. 1969, 472), art. 2, lid 2.

Waardering: B 4

Handeling: Het aanwijzen van instellingen en personen waaraan de in bezit genomen splijtstoffen, ertsen en goederen worden overgedragen.

Producten: Uitvoeringsbesluit ex art. 22 Kernenergiewet, (Stcrt. 1970, 140); Besluit aanwijzing instellingen ex art. 33 Kernenergiewet (Stcrt. 1991, 24); Aanwijzing Hoge Flux Reactor Petten (Stcrt. 1981, 137).

Periode: 1970–

Bron: Kernenergiewet, art. 22, lid 4; art. 33, lid 4; Besluit van 15 augustus 1970, no. 20, Stcrt. 160, art. 1.

Waardering: B 4

Handeling: Het aanwijzen van landen waarop het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen van toepassing is.

Periode: 1970–

Producten: Beschikking van 5 december 1969, Stcrt. 240.

Bron: Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (Stb. 1969, 405), art. 2, lid 1 onder d en e; art. 2, lid 2; art. 3, lid 2 onder h; art. 5, lid 1 onder a en b; art. 5, lid 2; art. 6, lid 2 onder b; art. 14 onder b en c; art. 16 onder b en c; art. 19, lid 1 onder b; art. 22, lid b.

Waardering: B 5

Handeling: Het, bij overtredingen van de Kernenergiewet, uitvaardigen van bevelen tot staking van de oprichting of sluiting van een kernenergie-inrichting, dan wel het staken van het aanbrengen of het buitenwerking houden van een uitrusting geschikt voor de voortbeweging van een vervoermiddel door middel van kernenergie.

Periode: 1970–1992

Producten: Beschikking.

Bron: Kernenergiewet, art. 25.

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren welke belast zijn met het toezicht op de naleving van de Kernenergiewet en/of met het meten van doses ioniserende stralen en het bepalen van radioactieve besmetting.

Periode: 1970–

Producten: Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren inzake Kernenergiewet; Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van verschillende ministers van 24 november 1969, no. 132.695 Dir.Gen.- Vgz./Dir. M.V.H./hafd. K. en S. (Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet), Stcrt. 239; Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 december 1969, no. 2302, Stcrt. 244; Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 18 december 1969, Dir.-Gen. Vgz./Dir. M.V.H./hafd. K. en S. no. 133.024, Stcrt. 253; Beschikking van de Minister van Financiën van 29 december 1969, no. A 69/9720 Gen. Thes., Dir. Binn. Geldw. en Fin. Public. Lichamen, Stcrt. 252; Regeling van 10 januari 1986, Stcrt. 15; Regeling van 9 februari 1987, Stcrt. 38; Beschikking van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 november 1988, Stcrt. 288); Regeling van 28 april 1994, Stcrt. 83 (Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet).

Bron: Kernenergiewet, art. 58, lid 1–3.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het houden van toezicht op de naleving van de Kernenergiewet voor zover het betreft:

a. de bescherming bij arbeid op of in mijnwerken, op boorwerken en bij mijnbouwkundige onderzoekingen;

b. het binnen en buiten Nederlands grondgebied brengen en doen brengen van splijtstoffen;

c. de registratie van splijtstoffen en ertsen.

Periode: 1970–

Producten: Controlerapporten.

Bron: Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet (Stb. 1969, 514).

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het opsporen van de in de Kernenergiewet strafbaar gestelde feiten.

Periode: 1970–

Producten: processen-verbaal.

Bron: Beschikking opsporingsbevoegdheid Kernenergiewet, art. 1 onder 2.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur geven van voorschriften ter voorkoming van sabotage en spionage en het aanwijzen van andere belangen.

Periode: 1970–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 19, lid 2; Besluit registratie splijtstoffen en ertsen, art. 3, lid 4.

Activiteit: Het opleggen van de verplichting tot geheimhouding aan degene die inlichtingen verstrekt heeft.

Waardering: B 5

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels ter verzekering van de geheimhouding van:

a. gegevens, hulpmiddelen, en materialen voor de vrijmaking van kernenergie en voor de opslag, vervaardiging, bewerking of verwerking van splijtstoffen, voorzover deze gegevens, hulpmiddelen en materialen, hetzij rechtstreeks van de overheid, hetzij met instemming van het bevoegde gezag, onder verplichting tot geheimhouding zijn verkregen dan wel zijn aangewezen;

b. met behulp van zodanige gegevens, hulpmiddelen en materialen verrichte onderzoekingen en toegepaste werkmethoden, voor zover deze onderzoekingen en werkmethoden zijn aangewezen.

Periode: 1970–

Producten: Besluit van 17 juni 1971, Stb. 420 (Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet); Regeling van 6 maart 1989, Stcrt. 52 (Toepassing Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet).

Bron: Kernenergiewet, art. 68.

Waardering: B 5

Handeling: Het opleggen van de verplichting tot geheimhouding in het belang van de Staat betreffende gegevens, hulpmiddelen en materialen voor de vrijmaking van kernenergie en voor de opslag, vervaardiging, bewerking of verwerking van splijtstoffen.

Periode: 1971–

Producten: Brief aan één of meer bepaalde personen; bekendmakingen in de Staatscourant. Bijvoorbeeld: Stcrt. 1971, 187 en Stcrt. 1989, 52.

Bron: Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet (Stb. 1971, 420), art. 2

Waardering: B 5

Vervallen.

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur buiten toepassing verklaren van regels voor zover de belangen, welke deze regels beogen te beschermen, naar het oordeel van de minister in voldoende mate door toepassing van de Kernenergiewet kunnen worden beschermd.

Periode: 1993–

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 72, lid 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het, onder voorschriften, aan instellingen van wetenschap of in het belang van de landsverdediging bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling verlenen van de benodigde vergunningen.

Periode: 1970–

Producten: Vrijstellingsbesluit landsverdediging Kernenergiewet van 12 februari 1987, Stb. 30.

Bron: Kernenergiewet, art. 75, lid 1.

Waardering: B 5

Handeling: Het behandelen van beroep tegen beschikkingen afgegeven op grond van de Kernenergiewet en het voorbereiden van Kroonbeschikkingen op verzoeken om voorzieningen van deze afgegeven beschikkingen.

Periode: 1970–1989

Producten: –

Bron: Kernenergiewet, art. 50–53, 55.

Waardering: B 5

Vervallen.

Handeling: Het bij amvb vaststellen van regels voor voorzieningen aan personen die door overheidsmaatregelen op het gebied van kernenergie onevenredig in hun belangen getroffen zijn.

Periode: 1970–1993

Producten: Algemene maatregel van bestuur.

Bron: Kernenergiewet, art. 57, lid 1

Waardering: B 5

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende kernenergie en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van de EEG/Euratom.

Periode: 1955–

Bron: EGA slotbepalingen art. 7, MvT Euratom 29 april 1957.

Waardering: B 1

Handeling: Het mede-initiëren en medevoorbereiden van internationale nucleaire onderzoeksprogramma’s

Periode: 1958–

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van een vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid voor de Board of Governors van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

Periode: 1958–

Bron: Inlichtingen mw. mr. M.M.G. Hoedemakers, beleidsmedewerker van Economische Zaken, 17 december 1998.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het verstrekken van inlichtingen over nucleaire onderzoek(sprogramma’s) aan de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 5

Waardering: B 3

Handeling: Het verlenen van toestemming aan de Europese Commissie om nucleaire onderzoeksprogramma’s te publiceren.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 5

Waardering: V 3 jaar

Handeling: Het (mee) voorbereiden van en zitting nemen in (ad hoc) werkgroepen van de Europese Commissie betreffende nucleair onderzoek.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 5

Waardering: B 1,4

Handeling: Het mede-financieren van Gemeenschappelijk (nucleair) onderzoek.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 6d

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het verlenen van licenties op verzoek van de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Opmerking: Er zijn geen aanwijzingen dat deze handeling werkelijk heeft plaatsgevonden. Het betreft rechten betreffende uitvindingen, gebruiksmodellen etc. die rechtstreeks verband houden met onderzoekingen op kernenergiegebied.

Bron: EGA art. 21

Waardering: B 5

Handeling: Het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van internationale veiligheidsnormen.

Periode: 1958–

Bron: EGA art.

Waardering: B 1

Handeling: Het geven van goedkeuring aan de Europese Commissie om (rechts)personen, ondernemingen, investeringsprojecten op kernenergetisch gebied die haar zijn meegedeeld, bekend te maken.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 44

Waardering: V 3 jaar

Handeling: Het mede-financieren van een Gemeenschappelijke Onderneming.

Periode: (1958)1961–

Bron: EGA art. 46, lid 2

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het voorbereiden van standpunten en het zitting nemen in het Adviescomité Voorzieningenagentschap Euratom.

Bron: Overzichtslijst Nederlandse vertegenwoordigingen in internationale nucleaire fora per 1 oktober 1990.

Waardering: B 1,4

Handeling: Het verstrekken of doen verstrekken van inlichtingen alsmede het (doen) nemen van waarborgmaatregelen op het nationale grondgebied die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het optierecht van het agentschap en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 55–56

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het rapporteren over de ontwikkeling van de opsporing en winning van delfstoffen aan de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 70

Waardering: B 3

Handeling: Het verzoeken om een herziening van de bepalingen van hoofdstuk VI van het Euratomverdrag, betreffende de Voorziening van ertsen, grondstoffen, bijzondere splijtstoffen, alsook het Agentschap, bij de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Opmerking: bijv. in geval van onvoorziene schaarste van bijzondere splijtstoffen.

Een dergelijk verzoek heeft tot op heden (1997) nog niet plaatsgevonden.

Bron: EGA art. 76

Waardering: B 5

Handeling: Het indienen van een verzoek bij de Europese Commissie tot wijziging van de internationale controle-uitoefening op nucleaire installaties.

Periode: 1958–

Opmerking: Door het Verdrag van Almelo zijn specifieke beveiligingseisen van kracht.

Op voorstellen van de Commissie en de IAEA betreffende de aanstelling van inspecteurs wordt soms afwijzend gereageerd (bijv. inspecteurs uit Irak of Pakistan worden in Nederland niet toegelaten).

Bron: EGA art. 85

Waardering: B 5

Handeling: Het indienen van een verzoek tot aanpassing van het eigendomsrecht betreffende bijzondere splijtstoffen bij de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Opmerking: deze handeling heeft nog niet plaatsgevonden (1997).

Bron: EGA art. 90

Waardering: B 5

Handeling: Het indienen van wijzigingsvoorstellen van goederen- en productenlijsten, van toepassing op de artikelen 92–100 van het Euratomverdrag bij de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Opmerking: deze handeling heeft nog niet plaatsgevonden (1997).

Bron: EGA art. 92

Waardering: B 1

Handeling: Het deelnemen aan overleg met betrekking tot en het medebepalen van een gemeenschappelijk douanetarief.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 94.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het afschaffen van toegangsbeperkingen tot gekwalificeerde arbeid op het gebied van kernenergie ten aanzien van hen die de nationaliteit van een van de Lidstaten bezitten.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 96.

Waardering: B 4

Handeling: Het mededelen aan de Europese Commissie betreffende akkoorden of ontwerpovereenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, voor zover deze akkoorden verband houden met de werkingssfeer van het Euratomverdrag.

Periode: 1958–

Opmerking: Voorbereiding vindt plaats door de betrokken minister(s), formele

afhandeling loopt via Buitenlandse Zaken.

Bron: EGA art. 103.

Waardering: B 1, 3

Handeling: Het meedelen aan de Europese Commissie van alle nationale bepalingen die de classificering en de geheimhouding regelen van inlichtingen, kennis, documenten of voorwerpen die binnen de werkingsfeer van het EGA-Verdrag vallen.

Periode: 1958–

Bron: EGA art. 194, lid 2.

Waardering: B 3

Handeling: Het voorbereiden/adviseren van standpunten/beleidsvraagstukken in de Raad van de Europese Unie, en zijn (ad hoc) werkgroepen betreffende atoomenergie.

Periode: 1958–

Opmerking: bijv. de Raadswerkgroep Atoomzaken. Er vindt nauwe samenwerking plaats met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bron: Interview met mw. R. Parzer, beleidsmedewerker Ministerie Buitenlandse Zaken, 13 februari 1997.

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van inhoudelijke bijdragen aan het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.

Periode: 1958–

Bron: Fusieverdrag

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van departementale vertegenwoordigers voor contact met Nederlandse leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité van Euratom.

Bron: werkarchief DGE: Commissie voor Atoomenergie

Waardering: V 5 jaar na beëindiging vertegenwoordiging

Handeling: Het leveren van een bijdrage aan (studie)comités en werkgroepen ingesteld door de Europese Commissie.

Periode: 1958–

Bron: EGA art.

Opmerking: het betreft bijvoorbeeld: PHARE, TACIS.

Waardering: B 4, 5

Handeling: Het leveren van bijdragen aan het Economisch en Sociaal Comité, o.a door het zitting nemen in subcomités.

Periode: 1958–

Bron: –

Waardering: B 4, 5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in werkgroepen van de VN met betrekking tot het VN kernenergiebeleid.

Periode: 1945–

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het (mee) opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de vergaderingen van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1957–

Opmerking: De coördinatie berust bij Buitenlandse Zaken, inhoudelijke bijdragen worden geleverd door o.a. Economische Zaken

Bron: Interview met mw. Ir. R. Parzer, beleidsmedewerker Ministerie van Buitenlandse Zaken, 13 februari 1997.

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in (ad hoc) werkgroepen en/of (sub)commissies van het IAEA met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1957–

Waardering: B 1,4,5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de vergaderingen van het NEA met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1957–

Bron: Overzicht Nederlands Lidmaatschap van NEA comités, werkgroepen etc. samengesteld door de Kernfysische Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken (1996).

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in (ad hoc) werkgroepen en/of (sub)commissies van het NEA met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1957–

Bron: Overzicht Nederlands Lidmaatschap van NEA comités, werkgroepen etc. samengesteld door de Kernfysische Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken (1996).

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de vergaderingen van het IEA met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1974–

Bron: Staatsalmanak 1995–1996, M8

Waardering: B 1, 4 ,5

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in (ad hoc) werkgroepen en/of (sub)commissies van het IEA met betrekking tot kernenergie.

Periode: 1974–

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van internationale verbintenissen en de daar uit voortvloeiende overeenkomsten en contracten ten behoeve van het SNR-300 project.

Periode: 1966–

Opmerking: De volkenrechtelijke verbintenis is niet officieel ontbonden.

Bron: Interview G. van Uitert, beleidsmedewerker DGE van het Ministerie van Economische Zaken dd. 29 mei 1997

Waardering: B 5

Handeling: Het namens de Staat deelnemen in en het leveren van bijdragen aan de intergouvernementele Commissie van het project SNR-300.

Periode: 1967–

Bron: TK 1982–83, 17 600 XIII nr. 127

Waardering: B 4

Handeling: Het namens de Staat samenwerken met de BRD en België in een proefproject voor de bouw van een natrium gekoelde snelle kweekreactor.

Periode: 1967–

Opmerking: Hieronder vallen ook de contacten met TNO en de industrie.

Bron: TK

Waardering: B 4

Handeling: Het besluiten tot financiering van onderzoek- en ontwikkeling en de bouw van een prototype t.b.v. het project SNR-300.

Periode: 1967–

Producten: O.a. correspondentie

Opmerking: Hieronder valt o.a. een testcircuit te Hengelo, maar ook het voeren van onderhandelingen met Duitsland betreffende de plafonnering van de Nederlandse financiële bijdrage aan het project.

Bron: TK 1980–81, 16 400 nr. 114

Waardering: B 5

Handeling: Het uitvoeren van het besluit tot financiering van onderzoek- en ontwikkeling en de bouw van een prototype t.b.v. het project SNR-300.

Periode: 1967–

Producten: Financiële administratie

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van een risicodekkende overeenkomst tussen de SBK en de samenwerkende regeringen alsook met Neratoom.

Periode: 1967–

Bron: TK 1982–83, 17 600 XIII nr. 127

Waardering: B 1

Handeling: Het namens de Staat zorgdragen voor de levering van 5% plutonium benodigd voor de SNR-300.

Periode: 1967–

Opmerking: Het betreft de eerste benodigde kernlading.

Bron: TK

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming van de wet Fonds Ontwikkeling Snelle Kweekreactor (FOSK).

Periode: 1967–

Bron: TK

Waardering: B 1

Handeling: Het beheren van het Fonds Ontwikkeling Snelle Kweekreactor.

Periode: 1973–1976

Producten: Begroting, berekening.

Bron: Wet van 8 mei 1973 (stb. 246), houdende voorzieningen ter dekking van de uitgaven in verband met de Nederlandse deelneming in de ontwikkeling van een natrium gekoelde snelle kweekreactor (Wet Financiering Ontwikkeling Snelle Kweekreactor), art. 11.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van regels betreffende de te verminderen heffing voor:

a. leveringen van elektrische energie aan degenen die deze in Nederland verbruiken;

b. leveringen van goederen en diensten, welke worden verricht door degene die leveringen van elektrische energie verricht en welke samenhangen met leveringen van elektrische energie;

c. verbruik van elektrische energie door degene, die deze met gebruikmaking van een of meer inrichtingen zelf heeft opgewekt.

Periode: 1973–1976

Producten: Ministeriele regeling.

Bron: Wet Financiering Ontwikkeling Snelle Kweekreactor, art. 5, lid 2

Waardering: B 5

Handeling: Het ontheffing verlenen van de verschuldigde heffingen ter zake van:

a. leveringen van elektrische energie aan degenen die deze in Nederland verbruiken;

b. leveringen van goederen en diensten welke worden verricht door degene die leveringen van elektrische energie verricht en welke samenhangen met leveringen van elektrische energie;

c. verbruik van elektrische energie door degene die deze met gebruikmaking van een of meer inrichtingen zelf heeft opgewekt.

Periode: 1973–

Producten: Beschikking

Bron: FOSK art. 10, lid 1

Waardering: B 5

Handeling: Het jaarlijks door middel van rekening en verantwoording afleggen van het beheer van het Fonds Ontwikkeling Snelle Kweekreactor.

Periode: 1972–

Producten: Rekening en (financiële) verantwoording

Bron: FOSK art. 12, lid 1

Waardering: B 3

Handeling: Het in samenwerking met de Ministers van Buitenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid analyseren van het project SNR-300.

Periode: 1979–

Producten: O.a. Nota

Opmerking: Buitenlandse Zaken analyseerde de volkenrechtelijke aspecten terwijl Sociale Zaken en Werkgelegenheid de veiligheidsrisico’s beoordeelde.

Bron: TK

Waardering: B 2

Handeling: Het (doen) onderzoeken van mogelijke consequenties van de eenzijdige terugtrekking van de BRD uit het SNR-300 project.

Periode: 1991–

Producten: O.a. correspondentie

Opmerking: O.a. overleg met de Belgische regering

Bron: Dossier EZ/WJA 96077513

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van het Verdrag van Almelo.

Opmerking: Economische Zaken is eerstverantwoordelijke voor Urenco. Er vindt nauwe samenwerking plaats met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bron: Interview M. Hoedemakers, beleidsmedewerker EZ (E) 31 oktober 1996.

Waardering: B 1, 5

Handeling: Het, in overeenstemming met de andere Overeenkomstsluitende Partijen, bevorderen van de oprichting en exploitatie van gezamenlijke industriële ondernemingen voor de bouw van fabrieken voor de verrijking van uranium volgens het gas-ultracentrifuge-procédé en voor het exploiteren van die fabrieken, alsmede het op andere wijze bevorderen van op commerciële grondslag exploiteren van dit procédé.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.I(2)

Waardering: B 1, 4

Handeling: Het aanwijzen van een commercieel lichaam deel te nemen in een gezamenlijke industriële onderneming.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.I(3)

Waardering: B 4

Handeling: Het bevorderen van de integratie van onderzoeken ontwikkelingswerk op kernenergetisch gebied tussen de Overeenkomstsluitende Partijen, met als doel een concurrerende positie ten opzichte van andere producenten van verrijkt uranium op te bouwen en te handhaven.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.I(4)

Waardering: B 5

Handeling: Het toepassen van de bepalingen van Bijlage I bij de Overeenkomst betreffende octrooien en andere industriële rechten.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.IV(1), Bijlage I;

Opmerking: het betreft:

– het verlenen van niet-uitsluitende licenties en sublicenties voor het gebruik en de uitoefening van reeds bestaande en aan de Overeenkomstsluitende Partij toebehorende industriële rechten aan de daarvoor in aanmerking komende gezamenlijke industriële ondernemingen;

– het in kennis stellen van de in aanmerkingkomende gezamenlijke industriële ondernemingen van alle aanvragen voor octrooien of voor de inschrijvingen van tekeningen en modellen;

Bron: Verdrag van Almelo art.IV(1), Bijlage I.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het nemen van maatregelen ter beveiliging van gerubriceerde stukken;

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.V(1), Bijlage II(1)

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van een instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering op haar grondgebied van zodanige regelen en maatregelen overeenkomstig een gemeenschappelijk rubriceringbeleid.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo Bijlage II(4b)

Waardering: B 4

Handeling: Het besluiten tot een financiële bijdrage aan UCN en gezamenlijke ondernemingen

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.II(5h)

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van een vertegenwoordiger en adviseurs voor de Gemengde Commissie zoals bedoeld in het Verdrag van Almelo.

Periode: 1970–

Waardering: V 10 jaar na pensioen

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen in de Gemengde Commissie.

Periode: 1970–

Waardering: B 1,4

Handeling: Het mededelen aan de Gemengde Commissie van technische en economische ontwikkelingen die de exploitatie op commerciële basis van het gasultracentrifuge-procédé door de gezamenlijke industriële ondernemingen beïnvloedt.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.III(3)

Waardering: B 3

Handeling: Het indienen van een verzoek om arbitrage bij de Scheidsrechterlijke Commissie.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.VIII(3)

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen van een lid voor de Scheidsrechterlijke Commissie.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.VIII(4)

Waardering: V 10 jaar na einde benoeming

Handeling: Het zitting nemen in en het leveren van bijdragen aan de Scheidsrechterlijke Commissie.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo art.VIII(4)

Waardering: B 4

Handeling: Het aanwijzen van een persoon voor de Evaluatiegroep.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo Bijdrage I(3)

Waardering: V 10 jaar na einde aanwijzing

Handeling: Het leveren van een inhoudelijke bijdrage aan de Evaluatiegroep.

Periode: 1970–

Bron: Verdrag van Almelo Bijdrage I(3)

Waardering: B 2

Handeling: Het (mede) voorbereiden van en het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van internationale verdragen die de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie regelen.

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van een bijdrage aan het tot stand brengen van internationale vervoersovereenkomsten inzake radioactieve stoffen.

Waardering: B 1, 5

Handeling: Het ontwikkelen van import- en exportbeleid in het kader van energiebesparing en duurzame energie.

Waardering: B 1

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake het gebruik van duurzame energiebronnen en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten.

Periode: 1973–

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake energiebesparing en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten.

Periode: 1973–

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het bepalen van standpunten en leveren van bijdragen in de organen van de Europese Gemeenschappen inzake energiebesparing en duurzame energie.

Producten: verslagen vooroverleg, standpunten

Periode: 1975–

Opmerking: Sinds 1990 is Nederland, via Economische Zaken en VROM, pleitbezorger voor een Europese regulerende energieheffing. Er is een interdepartementale werkgroep Europese Energieheffing op niveau plv. DG’s (FIN, VROM, Economische Zaken en BUZA). Zie dossier Economische Zaken/E/EB 94015421.

Bron: Resolutie EEG d.d. 17-12-75 PB EG C 289 vaststelling doelstelling korte termijn op gebied energiebesparing

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het bepalen van standpunten en leveren van bijdragen betreffende energiebesparing en duurzame energie in de organen van de International Energy Agency.

Producten: Bijvoorbeeld, bijdragen aan IEA conferenties over energiebesparingtechnologieën Stcrt. 1980, 246

Periode: 1974–

Opmerking: Organen als Standing Group on Long Term Coöperation/NMC/CERT

Het reilen en zeilen van de International Energy Agency en het beleid inzake het crisisprogramma en -mechanisme wordt uiteengezet in het hoofdstuk economische crisisbeheersing.

Bron: Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma 1974

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het participeren in Implementing Agreements van de International Energy Agency.

Periode: 1976–

Opmerking: b.v. het op verzoek van de International Energy Agency optreden als Lead-country voor samenwerking op het gebied van windenergie-onderzoek.

Bron: Stcrt. 1976, 25

Waardering: B 4

Handeling: Het bepalen van standpunten en leveren van bijdragen op het gebied van windenergie in internationale organisaties.

Periode: 1950–

Opmerking: Nederland was in 1950 Voorzitter van working party 2 van de OEES inzake Wind Power.

Waardering: B 1, 4, 5

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen en evaluaties

Periode: 1973–

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het voorbereiden, van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten.

Periode: 1973–

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Periode: 1973–

Waardering: B 1 (jaarverslagen)

V 10 jaar (overig materiaal)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld brieven en notities.

Periode: 1973–

Waardering: B 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld brieven en notities.

Periode: 1973–

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende energiebesparing en duurzame energie en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen.

Producten: bijvoorbeeld beschikkingen en verweerschriften.

Periode: 1973–

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot instelling van advies- en overlegorganen betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Periode: 1974–

Waardering: B 4

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot samenstelling van advies- en overlegorganen betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Periode: 1974–

Waardering: B 4

Handeling: Het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld nota’s, notities en onderzoeksrapporten

Periode: 1973–

Bron: –

Waardering: B 1,2 één exemplaar van het rapport blijft bewaard

V 1 jaar, onderzoek na vaststelling rapport

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende energiebesparing en duurzame energie.

Producten: bijvoorbeeld nota’s en notities

Periode: 1973–

Waardering: V 10 jaar na vaststelling onderzoek

Handeling: Het voorbereiden en sluiten van raamovereenkomsten met het agentschap Senter inzake het uitvoeren van subsidieregelingen in het kader van energiebesparing.

Producten: Raamovereenkomsten

Periode: 1994–

Opmerking: Senter behandelt aanvragen van gasdistributiebedrijven krachtens besluit subsidies energiezuinige en emissie-arme verwarmingstoestellen

Waardering: B 1, 5

Handeling: Het voorbereiden en sluiten van raamovereenkomsten met het agentschap Senter, voorheen Dienst Investerings Rekening (DIR), inzake het uitvoeren van de energietoeslag en de milieutoeslag in het kader van de Wet Investerings Rekening (WIR).

Producten: Raamovereenkomsten

Periode: 1979–

Bron: –

Waardering: B 4

Handeling: Het benoemen van bestuursleden, later van een lid van de Raad van Toezicht van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN).

Periode: 1976–

Opmerking: Bij wijziging van de statuten in 1996 is het bestuur omgevormd tot Raad van Toezicht. Een eerdere statutenwijziging leidde ertoe dat het bestuur tegenwoordig nog maar één overheidsvertegenwoordiger kent (Economische Zaken).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)