Wet van 7 juli 2006, houdende regels inzake marktordening, doelmatigheid en beheerste kostenontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg (Wet marktordening gezondheidszorg)

Type Wet
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 172
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Indien de zorgautoriteit van oordeel is dat een of meer zorgaanbieders of een of meer ziektekostenverzekeraars alleen dan wel gezamenlijk beschikt onderscheidenlijk beschikken over aanmerkelijke marktmacht op een door de zorgautoriteit volgens de beginselen van het algemeen mededingingsrecht afgebakende markt, kan de zorgautoriteit die zorgaanbieder of zorgaanbieders dan wel die ziektekostenverzekeraar of ziektekostenverzekeraars een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:

  • a. de verplichting om door de zorgautoriteit te bepalen categorieën van informatie aan door de zorgautoriteit te bepalen categorieën van belanghebbenden op een door de zorgautoriteit te bepalen wijze bekend te maken;
  • b. de verplichting om bij de levering van door de zorgautoriteit te bepalen diensten, de afnemers van die diensten in gelijke gevallen gelijk te behandelen;
  • c. de verplichting om een door de zorgautoriteit te bepalen dienst los te leveren van andere diensten;
  • d. de verplichting om de kosten en opbrengsten van door de zorgautoriteit te bepalen diensten die de zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar aan zichzelf of aan zijn afnemers aanbiedt, te scheiden van die van de overige door de zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar verrichte activiteiten en daartoe een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig door de zorgautoriteit gegeven aanwijzingen;
  • e. de verplichting om onder redelijke voorwaarden te voldoen aan elk redelijk verzoek van een zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar tot het sluiten van een overeenkomst op of ten behoeve van de zorginkoopmarkt;
  • f. de verplichting voor een ziektekostenverzekeraar om in zijn overeenkomsten met zorgaanbieders niet een onredelijk hoge capaciteit overeen te komen in relatie tot de capaciteit die de verzekeraar naar verwachting voor zijn verzekerden nodig heeft;
  • g. de verplichting om voor het medegebruik van door de zorgautoriteit aan te wijzen categorieën van zorg, diensten of faciliteiten een openbaar aanbod te doen en in stand te houden;
  • h. de verplichting om het onder g bedoelde openbare aanbod overeenkomstig door de zorgautoriteit gegeven aanwijzingen te wijzigen;
  • i. de verplichting om de tarieven van door de zorgautoriteit aan te wijzen diensten of leveringen vast te stellen overeenkomstig een door de zorgautoriteit te bepalen berekeningsmethode;
  • j. de verplichting om ten behoeve van de vaststelling als bedoeld onder i een kostentoerekeningssysteem te hanteren dat voldoet aan door de zorgautoriteit te bepalen toerekeningsprincipes;
  • k. de verplichting om op door de zorgautoriteit te bepalen wijze door middel van een accountantsverklaring of anderszins, eenmalig of periodiek aan te tonen dat aan de onder i en j bedoelde verplichting is voldaan;
  • l. de verplichting voor een zorgaanbieder om in zijn overeenkomsten met andere zorgaanbieders niet een onredelijk hoge capaciteit overeen te komen in relatie tot de capaciteit die de eerstbedoelde zorgaanbieder naar verwachting voor zijn consumenten nodig heeft;
  • m. andere, bij ministeriële regeling aangewezen verplichtingen.
3.

De zorgautoriteit neemt bij het opleggen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid de eisen van proportionaliteit in acht.

4.

De zorgautoriteit kan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voorschriften en beperkingen verbinden die nodig zijn voor een goede uitvoering van de verplichtingen.

5.

Een verplichting als bedoeld in het eerste lid geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar na de datum waarop deze ingaat. De zorgautoriteit kan binnen die periode beslissen tot intrekking indien de verplichting naar haar oordeel niet meer noodzakelijk is. Voorts kan de zorgautoriteit binnen die periode beslissen tot wijziging of verlenging van de verplichting, telkens voor een periode van ten hoogste drie jaar.

Artikel 49

1.

Indien de zorgautoriteit een redelijk vermoeden heeft dat zij tot een oordeel als bedoeld in het eerste lid van artikel 48 zal komen, kan zij in spoedeisende gevallen vooruitlopen op de toepassing van dat artikel en de desbetreffende zorgaanbieder of zorgaanbieders dan wel ziektekostenverzekeraar of ziektekostenverzekeraars een of meer van de verplichtingen opleggen, genoemd in het eerste lid van artikel 48.

2.

Artikel 48, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

3.

Artikel 48, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de verplichting geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden en dat deze eenmaal met een periode van ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.

Artikel 49a

1.

Het is een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1, verboden een concentratie als omschreven in de Mededingingswet tot stand te brengen, zonder daaraan voorafgaande goedkeuring van de zorgautoriteit.

2.

Een aanvraag voor het verkrijgen van de goedkeuring wordt ingediend door de zorgaanbieder dan wel, in geval het meer dan een zorgaanbieder betreft, de zorgaanbieders gezamenlijk.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een zorgaanbieder die in de regel door minder dan vijftig personen zorg doet verlenen.

Artikel 49b

1.

De aanvraag, bedoeld in artikel 49a, tweede lid, gaat vergezeld van een rapport over de verwachte effecten van de beoogde concentratie.

2.

Het rapport biedt ten minste inzicht in:

  • a. de doelstellingen van de concentratie;
  • b. de redenen voor concentratie;
  • c. de structuur van de beoogde organisatie van de zorgaanbieder of zorgaanbieders;
  • d. de financiële gevolgen van de concentratie voor de zorgaanbieder of zorgaanbieders;
  • e. de gevolgen van de concentratie voor de zorgverlening aan de cliënt;
  • f. de risico’s van de concentratie voor de kwaliteit en bereikbaarheid van de zorg en de wijze waarop deze risico’s worden ondervangen;
  • g. het oordeel en de aanbevelingen van cliënten, personeel en andere betrokkenen over het voornemen tot concentratie en de wijze waarop zij dit kenbaar hebben kunnen maken, alsmede een onderbouwing voor de wijze waarop het oordeel of de aanbevelingen zijn meegewogen bij het voornemen tot concentratie;
  • h. de wijze waarop en het tijdsbestek waarbinnen de concentratie zal worden gerealiseerd.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de inhoud van het rapport.

Artikel 49c

1.

De zorgautoriteit besluit binnen vier weken op een aanvraag als bedoeld in artikel 49a, tweede lid.

2.

De zorgautoriteit onthoudt haar goedkeuring aan de concentratie indien:

  • a. cliënten, personeel en andere betrokkenen niet op een zorgvuldige wijze zijn betrokken bij de voorbereiding van de concentratie, waarbij zij in ieder geval tijdig en op begrijpelijke wijze op de hoogte moeten zijn gebracht van de inhoud van de concentratieplannen en de manier waarop oordelen of aanbevelingen hierover kenbaar kunnen worden gemaakt;
  • b. het oordeel en de aanbevelingen van cliënten, personeel en andere betrokkenen niet overtuigend en beargumenteerd zijn meegewogen in de besluitvorming tot concentratie;
  • c. als gevolg van de concentratie de continuïteit van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg als bedoeld in artikel 56a, eerste lid, in gevaar komt.
  • d. het rapport als bedoeld in artikel 49b, eerste lid, onvoldoende inzicht biedt in de verwachte effecten van de beoogde concentratie aan de hand van de eisen, bedoeld in artikel 49b, tweede en derde lid;
3.

De zorgautoriteit kan aan de goedkeuring voorwaarden, voorschriften of beperkingen verbinden.

4.

In geval de zorgautoriteit haar goedkeuring verleent aan de concentratie, maakt zij het rapport als bedoeld in artikel 49b openbaar. Gegevens die ingevolge artikel 5.1 van de Wet open overheid niet voor verstrekking in aanmerking komen, worden niet openbaar gemaakt.

5.

De zorgautoriteit geeft de mededingingsautoriteit inzicht in de gevolgen die de concentratie zal hebben voor de betaalbaarheid, toegankelijkheid en, volgens de bevindingen van de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, voor de kwaliteit van zorg.

Artikel 49d

1.

De zorgautoriteit kan, indien zij een redelijk vermoeden heeft dat zij haar goedkeuring niet zal onthouden, in spoedeisende gevallen op verzoek van degene die de aanvraag voor het verkrijgen van de goedkeuring heeft gedaan, ontheffing verlenen van het in artikel 49a, eerste lid, bedoelde verbod.

2.

De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan de ontheffing kunnen binnen vier weken na het verlenen van de ontheffing voorwaarden of voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 4.4. Vaststelling van tarieven en prestatiebeschrijvingen

Artikel 49e

1.

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling het voor een kalenderjaar beschikbare bedrag vast voor zorg in natura als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, de verstrekking van persoonsgebonden budgetten als bedoeld in dat artikel en voor overige uitvoeringskosten.

2.

In een op grond van het eerste lid vastgestelde regeling zijn ten hoogste vijf nog aan te vangen kalenderjaren vermeld.

3.

Onze Minister verdeelt bij de op grond van het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling het voor een kalenderjaar beschikbare bedrag in:

  • c. een bedrag voor overige uitvoeringskosten.
4.

Onze Minister verlaagt het bedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, niet ter verhoging van het bedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel c.

5.

Onze Minister verdeelt bij ministeriële regeling de voor een kalenderjaar beschikbare bedragen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, over de regio’s bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg.

6.

De zorgautoriteit informeert Onze Minister over voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid, relevante ontwikkelingen.

7.

De zorgautoriteit verdeelt het voor een kalenderjaar beschikbare bedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, over de zorgkantoorregio’s, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg, ten behoeve van de vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 50, aanhef en onderdeel b, en van vereffeningbedragen als bedoeld in artikel 56b.

8.

De zorgautoriteit kan op aanvraag van de betrokken Wlz-uitvoerder een aan een regio als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg, op grond van het zevende lid toebedeeld bedrag verlagen.

9.

Onze Minister respectievelijk de zorgautoriteit geeft toepassing aan het vijfde onderscheidenlijk zevende lid, over de nog aan te vangen kalenderjaren die in de regeling op grond van het eerste lid zijn vermeld.

Artikel 50

1.

De zorgautoriteit legt, met inachtneming van de artikelen 51 tot en met 56 en 59, in een beschikking ten behoeve van het rechtsgeldig in rekening kunnen brengen van een tarief vast:

  • b. of er sprake is van een vast tarief;
  • c. of er sprake is van een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief in rekening kan worden gebracht;
  • d. de beschrijving van de prestatie, deel van de prestatie of geheel van prestaties behorend bij het tarief bedoeld in de onderdelen a, b en c.

Bij de toepassing van de aanhef en onderdelen b en c in de eerste volzin stelt de zorgautoriteit de hoogte van het tarief dan wel het bedrag dat als tarief in rekening kan worden gebracht vast in die beschikking.

2.

De zorgautoriteit kan bij de toepassing van het eerste lid ambtshalve voor de som van de tarieven voor de betrokken prestaties gerelateerd aan een daarbij aangegeven periode, voorafgaand aan die periode, vaststellen:

  • a. een vaste grens,
  • b. een ondergrens,
  • c. een bovengrens of
  • d. een bandbreedtegrens.

Voor onderscheiden delen van een prestatie of geheel van prestaties als bedoeld in artikel 57, derde lid, kunnen afzonderlijke grenzen en grenssoorten als bedoeld in de voorgaande volzin worden vastgesteld.

3.

De zorgautoriteit stelt voor een zorgaanbieder, die in het kalenderjaar tot het verzekerde pakket van de Wet langdurige zorg behorende zorg heeft verleend en waarvoor de toepassing van het vierde lid, over dat kalenderjaar leidt tot een positief bedrag, op grond van het eerste lid aanhef en, onderdeel b, onder de naam «Wlz-sluittarief», een tarief voor een geheel van prestaties vast ter hoogte van dat bedrag.

4.

De zorgautoriteit bepaalt voor een zorgaanbieder als bedoeld in het derde lid het verschil van zijn op grond van het vijfde lid bepaalde aanvaardbare kosten en de van Wlz-uitvoerders verkregen opbrengsten aan tarieven voor prestaties voor de zorg, bedoeld in het derde lid, over het kalenderjaar.

5.

De zorgautoriteit bepaalt de aanvaardbare kosten van een zorgaanbieder op basis van:

  • b. de door die aanbieder getroffen maatregelen:
  • 1°. die behoren tot door de zorgautoriteit voor de aanvaardbare kosten bij op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, vastgestelde beleidsregels aangewezen categorieën van maatregelen voor de tot het verzekerde pakket van de Wet langdurige zorg behorende zorg;
  • 2°. die noodzakelijk zijn voor de verlening van de onder 1° bedoelde zorg;
  • 3°. waarvan de kosten niet worden of zullen worden gedekt uit tarieven voor prestaties; en
6.

De zorgautoriteit kan aan de vaststelling van een tarief, een prestatiebeschrijving of een grens als bedoeld in de voorgaande leden voorschriften of beperkingen verbinden.

7.

De vaststelling van een tarief of een prestatiebeschrijving bevat in ieder geval voor zover van toepassing de onderwerpen, genoemd in artikel 54.

Artikel 51

De zorgautoriteit past artikel 50, eerste lid, onderdeel a, uitsluitend ambtshalve toe.

Artikel 52

De zorgautoriteit past artikel 50, eerste lid, onderdelen b en c, toe:

  • a. op aanvraag van een zorgaanbieder en een ziektekostenverzekeraar, indien zij een tarief zijn overeengekomen. Het vastgestelde tarief geldt voor alle gevallen waarin de zorgaanbieder het tarief in rekening brengt aan de ziektekostenverzekeraar of aan degene die bij deze voor de prestatie waarop het tarief van toepassing is, is verzekerd;
  • b. op aanvraag van een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar dan wel ambtshalve, indien op een ingevolge onderdeel a gedane aanvraag afwijzend is beslist. De tweede volzin van onderdeel a is met betrekking tot dat tarief van overeenkomstige toepassing;
  • c. op aanvraag van een zorgaanbieder of van een ziektekostenverzekeraar, indien een overeenkomst als bedoeld in onderdeel a niet tot stand komt. Bij de vaststelling bepaalt de zorgautoriteit in welke gevallen het tarief geldt;
  • d. op aanvraag van een zorgaanbieder dan wel ambtshalve, voor alle gevallen waarin het in rekening wordt gebracht aan iemand die voor de prestatie waarop het tarief van toepassing is, niet is verzekerd bij een ziektekostenverzekeraar. Daarbij kunnen met betrekking tot de kring van hen aan wie het tarief rechtsgeldig in rekening kan worden gebracht, beperkingen worden gesteld;
  • e. ambtshalve, indien een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert;

Artikel 53

De zorgautoriteit past artikel 50, eerste lid, onderdeel d, toe:

Artikel 54

1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 52 bevat een voorstel voor:

  • a. het in rekening te brengen tarief;
  • b. de periode waarvoor het tarief zal gelden.
2.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 53 bevat een voorstel voor de vast te stellen prestatiebeschrijving.

3.

Indien de zorgautoriteit geen regels heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, bevat de aanvraag, bedoeld in de artikelen 52 en 53, voorts een voorstel voor:

  • a. degene aan wie het betrokken tarief in rekening wordt gebracht;
  • b. degene door wie het betrokken tarief in rekening wordt gebracht;
  • c. de wijze waarop het betrokken tarief in rekening wordt gebracht.

Artikel 55

1.

De zorgautoriteit beslist, met in achtneming van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval afwijzend op een aanvraag als bedoeld in artikel 52:

  • a. indien de voorstellen in de aanvraag in strijd zijn met het bepaalde in de beleidsregels, bedoeld in artikel 57;
  • b. indien de aanvraag overigens niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf.
2.

De zorgautoriteit beslist, met in achtneming van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval afwijzend op een aanvraag als bedoeld in artikel 53:

  • a. indien de voorgestelde prestatiebeschrijving in strijd is met het recht of met het belang van de volksgezondheid;
  • b. indien de aanvraag overigens niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf.

Artikel 56

1.

Voordat de zorgautoriteit een beschikking neemt op een aanvraag tot vaststelling van een tarief als bedoeld in artikel 52, onderdelen a of d, stelt zij de naar haar oordeel betrokken zorgaanbieder en betrokken ziektekostenverzekeraar in de gelegenheid te worden gehoord, indien dezen of een van hen daarom hebben verzocht.

2.

De zorgautoriteit doet van haar voornemen een aanvraag in behandeling te nemen tijdig mededeling aan de in het eerste lid bedoelde betrokkenen.

Paragraaf 4.5. Vaststelling van bijdragen en vereffeningen

Artikel 56a

1.

De zorgautoriteit kan een beschikbaarheidbijdrage toekennen ten behoeve van de beschikbaarheid van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van deze wet met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen. Een zorgaanbieder kan de beschikbaarheidbijdrage bij het Zorginstituut in rekening brengen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds dan wel het Fonds langdurige zorg. Voor een beschikbaarheidbijdrage komen uitsluitend vormen van zorg in aanmerking waarvan de kosten niet of niet geheel zijn toe te rekenen naar, of door middel van tarieven in de zin van deze wet in rekening te brengen zijn aan, individuele ziektekostenverzekeraars of verzekerden, of waarvan de bekostiging bij een zodanige toerekening dan wel een zodanige tarifering marktverstorend zou werken, en die niet op andere wijze worden bekostigd.

2.

De zorgautoriteit past het eerste lid toe:

  • a. op aanvraag van een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar;
  • b. ambtshalve, indien een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert.
3.

De toekenning op grond van het eerste lid laat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarieven onverlet.

4.

Een aanvraag om toepassing van het eerste lid bevat een voorstel voor:

  • a. het in rekening te brengen bedrag;
  • b. degene door wie het bedrag in rekening wordt gebracht.
5.

De zorgautoriteit kan aan de toekenning van het bedrag voorschriften of beperkingen verbinden.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen, kan worden bepaald in welke vorm de zorgautoriteit de beschikbaarheidbijdrage kan toekennen.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of en in welke gevallen Onze minister of de zorgautoriteit, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften of beperkingen, zorgaanbieders kunnen aanwijzen die worden belast met een dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie of een dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

8.

Bij de krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan voor een daarbij aangewezen vorm van zorg worden bepaald dat de zorgautoriteit geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt dan nadat Onze Minister daarvoor een verklaring van geen bezwaar heeft verleend.

9.

Onze Minister kan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het achtste lid slechts onthouden vanwege strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 56b

1.

De zorgautoriteit kan een vereffeningbedrag vaststellen, zijnde een bedrag dat een ziektekostenverzekeraar bij een zorgaanbieder in rekening kan brengen ten behoeve van het vereffenen van het voor een prestatie of geheel van prestaties in rekening gebrachte, betrekking hebbend op een door de zorgautoriteit bepaalde periode.

2.

De zorgautoriteit past het eerste lid toe:

  • a. op aanvraag van een ziektekostenverzekeraar of een zorgaanbieder;
  • b. ambtshalve, indien een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert.
3.

De vaststelling op grond van het eerste lid laat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarieven onverlet.

4.

Een aanvraag om toepassing van het eerste lid bevat een voorstel voor:

  • a. het in rekening te brengen bedrag.
  • b. degene aan wie het bedrag in rekening wordt gebracht;
  • c. degene door wie het bedrag in rekening wordt gebracht;
  • d. de wijze waarop het bedrag in rekening wordt gebracht.
5.

De zorgautoriteit kan aan de vaststelling van het bedrag voorschriften of beperkingen verbinden.

Paragraaf 4.6. Beleidsregels

Artikel 57

1.

De zorgautoriteit stelt beleidsregels vast met betrekking tot:

  • a. het uitoefenen van de bevoegdheid om verplichtingen op te leggen op grond van de artikelen 48 en 49;
  • e. het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van bedragen als bedoeld in de artikelen 56a en 56b.
2.

De beleidsregels, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en e, kunnen inhouden op welke wijze, waaronder schriftelijk of elektronisch, onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften of beperkingen een aanvraag als bedoeld in die artikelen moet worden ingediend. De beperkingen kunnen mede inhouden dat de aanvraag alleen gedaan kan worden door een zorgaanbieder met een ziektekostenverzekeraar gezamenlijk of dat een aanvraag moet worden gedaan binnen een bepaalde termijn.

3.

De beleidsregels kunnen inhouden onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften en beperkingen voor in die regel te onderscheiden delen van een prestatie of geheel van prestaties daarbij nader aangegeven beleidsregels van toepassing zijn.

4.

De beleidsregels kunnen inhouden dat deze alleen van toepassing zijn voor instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 8 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen.

5.

De op grond van het eerste lid, onderdeel b, vastgestelde beleidsregels kunnen voor wat betreft een maatregel als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, onderdeel b, inhouden dat de zorgautoriteit die alleen in aanmerking neemt op aanvraag van een zorgaanbieder en een Wlz-uitvoerder.

Artikel 58

1.

Indien de zorgautoriteit in een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 de mogelijkheid opneemt van een experiment, neemt zij de in dit artikel bedoelde bepalingen in acht.

2.

In de beleidsregel kan de zorgautoriteit opnemen onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke in die beleidsregel aangegeven voorschriften of beperkingen kan worden afgeweken van andere, in die beleidsregel genoemde beleidsregels als bedoeld in artikel 57, of van in die beleidsregel genoemde, door haar gestelde algemeen verbindende regels.

3.

De beperkingen, bedoeld in het tweede lid, kunnen inhouden dat de werking van de desbetreffende beleidsregel is beperkt tot een bepaald gebied, tot een bepaalde categorie of een deel van een categorie van zorgaanbieders, van ziektekostenverzekeraars, van patiënten of van prestaties, of tot een beperkt aantal zorgaanbieders, ziektekostenverzekeraars, patiënten of prestaties.

4.

De beleidsregel kan inhouden dat onder in die beleidsregel gestelde voorwaarden of met inachtneming van in die beleidsregel aangegeven voorschriften of beperkingen:

  • a. artikel 35 niet van toepassing is op het tarief voor de bij het experiment betrokken prestaties;
5.

Een beleidsregel als bedoeld in het eerste lid bepaalt de maximale duur van het experiment, die ten hoogste vijf jaren bedraagt. De zorgautoriteit kan besluiten de gevolgen van het experiment geheel of gedeeltelijk in stand te laten tot het einde van het boekjaar volgend op het boekjaar waarin het experiment is geëindigd.

6.

De zorgautoriteit evalueert het experiment tijdig en tijdens zijn uitvoering.

7.

De zorgautoriteit rapporteert over de uitslag van een experiment aan Onze Minister in ieder geval binnen drie maanden na afloop van het experiment.

Artikel 59

De zorgautoriteit stelt niet dan na een aanwijzing van Onze Minister op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, een beleidsregel vast met betrekking tot:

  • a. het toepassen van artikel 50, eerste lid, onderdeel a, b of c, indien voor de betrokken prestatie of voor een betrokken categorie van zorgaanbieders met betrekking tot de betrokken prestatie nog geen zodanige beleidsregel geldt;
  • b. het wijzigen van een beleidsregel met betrekking tot de vaststelling van een tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel a, b of c, in die zin dat de bij die beleidsregel betrokken prestatie onder een andere tariefsoort als bedoeld in die onderdelen komt te vallen;
  • d. het wijzigen van een beleidsregel met betrekking tot de vaststelling van een grens als bedoeld in de onderdelen van artikel 50, tweede lid, in die zin dat de in die beleidsregel genoemde grens onder een andere grenssoort als bedoeld in die onderdelen komt te vallen;
  • e. het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven vast te stellen op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel a voor zover het categorieën van maatregelen als bedoeld in het, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° van dat artikel betreft;
  • f. het vaststellen van een bedrag als bedoeld in artikel 56a en 56b;

Hoofdstuk 5. Informatie

Paragraaf 5.1. Informatie zorg

Artikel 59a

Deze paragraaf geldt niet voor gegevens en inlichtingen, verband houdende met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, onderdeel r.

Artikel 60

1.

In deze paragraaf worden persoonsgegevens onderscheiden in:

  • a. identificerende persoonsgegevens,
  • b. medische persoonsgegevens,
  • c. strafrechtelijke persoonsgegevens.
2.

Onder identificerende persoonsgegevens wordt verstaan:

  • a. naam, adres, woonplaats, postadres;
  • b. geboortedatum en geslacht;
3.

Onder medische persoonsgegevens wordt in het kader van deze wet verstaan de gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming.

4.

Onder strafrechtelijke persoonsgegevens wordt verstaan persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en persoonsgegevens betreffende onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

Artikel 61

1.

Een ieder is gehouden desgevraagd aan de zorgautoriteit of aan een daartoe door deze aangewezen persoon, verder in dit artikel aan te duiden als vrager, kosteloos en met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 65:

  • a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet van belang kunnen zijn;
  • b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de vrager – waarvan de raadpleging redelijkerwijs van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de uitvoering van deze wet, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2.

Ingeval deze wet aangelegenheden van een derde aanmerkt als aangelegenheden van degene die op grond van het eerste lid inlichtingenplichtig is, gelden, voor zover het deze aangelegenheden betreft, gelijke verplichtingen voor de derde.

3.

De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de vrager voor raadpleging beschikbaar te stellen.

4.

De vrager stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis.

5.

De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de vrager – en binnen een door de vrager te stellen termijn.

6.

Toegelaten moet worden dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.

7.

De verplichting van het eerste of tweede lid geldt niet indien de betrokkene de gevraagde gegevens of inlichtingen reeds aan een ander bestuursorgaan heeft verstrekt en zij door dat bestuursorgaan aan de zorgautoriteit verstrekt kunnen worden.

Artikel 62

1.

De zorgautoriteit kan, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 65, regels stellen, inhoudende welke gegevens en inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt dan wel onder welke omstandigheden deze moeten worden verstrekt door de zorgaanbieders, ziektekostenverzekeraars en degenen, bedoeld in artikel 44.

2.

Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars, alsmede ten aanzien van de groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars daartoe behoren.

Artikel 63

De in deze paragraaf bedoelde gegevens en inlichtingen dienen volledig en naar waarheid te worden verstrekt.

Artikel 64

Op het opvragen van gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 61 en 62, is afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 5:11, 5:12 en 5:20.

Artikel 65

Onze Minister geeft bij ministeriële regeling aan:

  • a. welke van de in artikel 60 onderscheiden categorieën van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de in die regeling aangewezen taken en bevoegdheden van de zorgautoriteit;
  • b. welke van de in artikel 60 onderscheiden categorieën van persoonsgegevens de zorgautoriteit mag verstrekken aan de in artikel 70 genoemde instanties ten behoeve van de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.

Artikel 66

1.

Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars zijn verplicht op verzoek henzelf betreffende identificerende gegevens alsmede, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 65, de in artikel 60 bedoelde identificerende persoonsgegevens en medische persoonsgegevens aan de zorgautoriteit en de FIOD-ECD te verstrekken ten behoeve van het toezicht op de naleving en de handhaving van de artikelen 35, 36 en 38, waaronder begrepen de uitvoering van de Wet op de economische delicten.

2.

Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars zijn niet verplicht op verzoek medische persoonsgegevens te verstrekken ten behoeve van de uitvoering van een verplichting die het eerste lid oplegt aan anderen.

3.

Het eerste lid is mede van toepassing op degene bedoeld in artikel 44.

4.

Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars verstrekken aan de Autoriteit Consument en Markt de medische persoonsgegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van het toezicht of de taken waarmee de Autoriteit Consument en Markt is belast op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 8 en 10 van de Mededingingswet, voor zover het de zorgsector betreft, en artikel 2, vierde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, voor zover het marktonderzoeken en rapportages in de zorgsector betreft.

Artikel 67

1.

Voor degene die op grond van deze wet gegevens en inlichtingen ontvangt, gelden dezelfde wettelijke voorschriften inzake geheimhouding van die gegevens en inlichtingen als voor degene die ze heeft verstrekt.

2.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 70, tweede lid, worden door de zorgautoriteit verstrekt mits:

  • a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate is gewaarborgd, en
  • b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij worden verstrekt.
3.

Het eerste lid laat onverlet de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer ingevolge artikel 7.34 van de Comptabiliteitswet 2016. De Algemene Rekenkamer is bij het doen van mededelingen, bedoeld in de artikelen 7.30, 7.34, negende lid, en 7.39 van de Comptabiliteitswet 2016 verplicht tot geheimhouding, voor zover het betreft gegevens en inlichtingen die haar ingevolge de eerste volzin bekend zijn geworden.

Artikel 68

1.

De zorgautoriteit kan, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 65, regels stellen, inhoudende aan wie daarbij te bepalen gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 61 en 62, moeten worden verstrekt, het tijdstip en de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt of door wie en de wijze waarop de gegevens moeten worden bewerkt of door wie en de wijze waarop de gegevens dan wel de bewerkingen van die gegevens moeten worden bekendgemaakt, alsmede dat een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de juistheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen ook inhouden de wijze waarop, de vorm waarin of door wie daarbij te bepalen gegevens en inlichtingen, waaronder medische persoonsgegevens, moeten worden bewerkt alvorens de bewerking moet worden verstrekt.

Artikel 68a

1.

Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg heeft verleend, en die daarvoor krachtens een door hem met de ziektekostenverzekeraar gesloten overeenkomst rechtstreeks een tarief bij die ziektekostenverzekeraar in rekening brengt, verstrekt die ziektekostenverzekeraar of een door die ziektekostenverzekeraar aangewezen persoon de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering of van de wet, dan wel stelt hem deze gegevens voor dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter beschikking.

2.

Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg heeft verleend en die daarvoor bij de verzekerde een tarief in rekening brengt, verstrekt hem de persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, die voor zijn ziektekostenverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering of van de wet.

3.

Behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen mededeling toestaat, zijn personen werkzaam bij een ziektekostenverzekeraar, bij een door de ziektekostenverzekeraar aangewezen persoon of bij een door Onze Minister aangewezen persoon als bedoeld in artikel 87, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, voor wie niet reeds uit hoofde van ambt of beroep een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding van persoonsgegevens van een verzekerde, waaronder gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, die voor een ziektekostenverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een ziektekostenverzekering.

4.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:

  • a. tot welke gegevens en tot welke categorie van ziektekostenverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, zich in ieder geval uitstrekt;
  • b. op welke wijze gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden verwerkt;
  • c. volgens welke technische standaarden gegevensverwerking plaatsvindt;
  • d. aan welke beveiligingseisen gegevensverwerking voldoet;
  • e. in welke gevallen gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, verder worden verwerkt met het oog op de uitvoering van ziektekostenverzekeringen, voor zover deze gegevens niet worden gebruikt voor het beoordelen en accepteren van een aspirant-verzekerde door een ziektekostenverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, onder 3°, en bovendien noodzakelijk zijn voor:
  • 1°. de betaling aan een zorgaanbieder of de vergoeding van zorgkosten aan een verzekerde,
  • 2°. de vaststelling van eigen bijdragen, nog openstaand eigen risico of een no-claimteruggave aan de verzekerde,
  • 3°. het uitoefenen van het verhaalsrecht, of
  • 4°. het verrichten van controle of fraudeonderzoek.

Artikel 69

1.

Onverminderd de verplichting van zorgaanbieders, ziektekostenverzekeraars, organen van de woonplaats en van de verblijfplaats en bevoegde organen om gegevens en inlichtingen te verstrekken als bedoeld in de artikelen 61 en 62, kan de zorgautoriteit bij het uitoefenen van aan haar opgedragen taken eigen informatie gebruiken indien de in die artikelen bedoelde gegevens en inlichtingen niet of niet volledig worden verstrekt.

2.

De zorgautoriteit is bevoegd alle gegevens en inlichtingen, die zij heeft verzameld op grond van alle haar daartoe ten dienste staande wettelijke bevoegdheden, te gebruiken voor alle aan haar opgedragen taken.

3.

Bij het gebruik door de zorgautoriteit van informatie, gegevens en inlichtingen als bedoeld in het eerste en tweede lid, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 71b, tweede lid, 71c, derde lid, onderdeel a, en vijfde lid, en 71d, derde lid, met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.

Artikel 70

1.

De zorgautoriteit, het Zorginstituut, het College sanering, de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid verstrekken elkaar die gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

2.

De zorgautoriteit verstrekt desgevraagd aan de Autoriteit Consument en Markt, de Nederlandsche Bank, de Stichting Autoriteit Financiële Markten, het College bescherming persoonsgegevens, het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en de FIOD-ECD die gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

3.

De zorgautoriteit verstrekt desgevraagd aan de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor de volksgezondheid en milieu, de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, de Raad voor gezondheidsonderzoek, het Centraal Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal Cultureel Planbureau in verband met de beperking van administratieve lasten die gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

4.

Bij de verstrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt het bepaalde krachtens artikel 65 in acht genomen.

5.

De zorgautoriteit maakt bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid geen gebruik van haar bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 61 en 64.

Artikel 70a

Een ieder verstrekt op verzoek aan Onze Minister of aan een door Onze Minister aangewezen persoon kosteloos alle inlichtingen en gegevens, niet zijnde persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 91 van de toepassingsverordening en artikel 20 van Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PbEU 2011, L 88).

Artikel 71

De griffiers of secretarissen van de in de Wet op de rechterlijke organisatie bedoelde gerechten, van de Centrale Raad van Beroep, van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en van de tuchtcolleges, bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, verstrekken aan Onze Minister, aan de zorgautoriteit, aan de FIOD-ECD of aan een krachtens artikel 72 aangewezen persoon vrij van alle kosten alle gegevens en uittreksels uit of afschriften van vonnissen, arresten, uitspraken, registers, en andere stukken, die ten behoeve van de uitvoering van deze wet van hen worden verlangd.

Paragraaf 5.2. Informatie jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Artikel 71a

Deze paragraaf geldt voor gegevens en inlichtingen, verband houdende met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, onderdeel r.

Artikel 71b

1.

Colleges, Jeugdregio’s, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en, indien het om landelijk gecontracteerde of te contracteren jeugdhulp gaat, de door gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie belast met de contractering, verstrekken de zorgautoriteit gegevens en inlichtingen ter uitvoering van haar taak, bedoeld in artikel 9a.2 van de Jeugdwet.

2.

Bij ministeriële regeling bepalen Onze Minister en Onze Minister van Justitie en Veiligheid welke gegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid verstrekt worden en of dat periodiek of incidenteel geschiedt.

3.

De gegevens, bedoeld in het tweede lid, kunnen persoonsgegevens betreffen, maar geen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening persoonsgegevens die betrekking hebben op jeugdigen als bedoeld in de Jeugdwet of hun ouders.

Artikel 71c

1.

Colleges, Jeugdregio’s, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en, indien het om landelijk gecontracteerde of te contracteren jeugdhulp gaat, de door gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie belast met de contractering, verstrekken de zorgautoriteit desgevraagd de gegevens en inlichtingen die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taken, bedoeld in hoofdstuk 9a van de Jeugdwet.

2.

Het eerste lid geldt ook voor:

  • a. derden die werkzaamheden verrichten ten behoeve van de colleges, Jeugdregio’s, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en, indien het om landelijk gecontracteerde of te contracteren jeugdhulp gaat, de door gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie belast met de contractering, voor zover die werkzaamheden verband houden met de uitvoering van de Jeugdwet, en
3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

  • a. op persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming die betrekking hebben op jeugdigen als bedoeld in de Jeugdwet of hun ouders;
  • b. op gegevens en inlichtingen die de betrokkene reeds aan een ander bestuursorgaan heeft verstrekt en die door dat bestuursorgaan aan de zorgautoriteit verstrekt kunnen worden.
4.

Het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing op bij een gemeente, Jeugdregio of ten behoeve van een gemeente of Jeugdregio bij een derde berustende gegevens en inlichtingen waarvoor op grond van een belang als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet open overheid geheimhouding is opgelegd. Geheimhouding als bedoeld in de vorige zin wordt opgelegd door de het college, de gemeenteraad, de burgemeester, een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de Gemeentewet, een bestuur van een Jeugdregio of, indien een commissie van een Jeugdregio is belast met de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Jeugdwet, door die commissie.

5.

Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de artikelen 4.5.1 en 4.5.2 van de Jeugdwet is de zorgautoriteit bevoegd persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken.

Artikel 71d

1.

In afwijking van artikel 71c, derde lid, onderdeel a, verstrekken de colleges de zorgautoriteit desgevraagd de persoonsgegevens van jeugdigen als bedoeld in de Jeugdwet en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak, bedoeld in artikel 9a.1 van de Jeugdwet. Deze persoonsgegevens kunnen gegevens omvatten over:

  • a. de gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, uitsluitend voor zover het gegevens betreft over de inzet van een voorziening van jeugdhulp of van een opgelegde kinderbeschermingsmaatregel, en
2.

De verstrekking van persoonsgegevens door de colleges aan de zorgautoriteit, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door tussenkomst van de Stichting Inlichtingenbureau. Indien de Stichting Inlichtingenbureau op grond van de eerste zin persoonsgegevens verwerkt, is het voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke.

3.

Op de aan de zorgautoriteit te verstrekken persoonsgegevens is pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene verordening gegevensbescherming toegepast die vervolgens onafgebroken is gecontinueerd.

4.

Bij ministeriële regeling bepalen Onze Minister en Onze Minister van Justitie en Veiligheid welke persoonsgegevens voor de zorgautoriteit noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak, bedoeld in artikel 9a.1 van de Jeugdwet en de daarvoor geldende maximale bewaartermijnen.

Artikel 71e

1.

De in deze paragraaf bedoelde gegevens en inlichtingen worden volledig en naar waarheid verstrekt.

2.

De zorgautoriteit is bevoegd de gegevens en inlichtingen die haar ter beschikking zijn gekomen bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, onderdeel r, te gebruiken voor de uitvoering van alle taken die haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

3.

Bij het gebruik door de zorgautoriteit van gegevens en inlichtingen als bedoeld in tweede lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 71b, tweede lid, 71c, derde lid, onderdeel a, en vijfde lid, en 71d, derde lid, met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.

Artikel 71f

1.

De zorgautoriteit, de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie van het onderwijs verstrekken elkaar de gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

2.

De zorgautoriteit verstrekt het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en de FIOD-ECD de gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

3.

De zorgautoriteit verstrekt de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, het Centraal Planbureau, het Centraal bureau voor de statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau desgevraagd de gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

4.

Bij ministeriële regeling bepalen Onze Minister en Onze Minister van Justitie en Veiligheid welke categorieën persoonsgegevens de zorgautoriteit mag verstrekken aan de in dit artikel genoemde instanties ten behoeve van de uitoefening van hun wettelijke taken.

5.

Voor degene die op grond van het eerste tot en met derde lid gegevens en inlichtingen ontvangt, gelden dezelfde wettelijke voorschriften inzake geheimhouding van die gegevens en inlichtingen als voor degene die ze heeft verstrekt.

6.

De gegevens en inlichtingen als bedoeld in het tweede lid worden door de zorgautoriteit verstrekt mits:

  • a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate is gewaarborgd, en
  • b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij worden verstrekt.
7.

Het vijfde lid laat onverlet de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer ingevolge artikel 7.34 van de Comptabiliteitswet 2016. De Algemene Rekenkamer is bij het doen van mededelingen, bedoeld in de artikelen 7.30, 7.34, negende lid, en 7.39 van de Comptabiliteitswet 2016 verplicht tot geheimhouding, voor zover het betreft gegevens en inlichtingen die haar ingevolge de eerste volzin bekend zijn geworden.

Artikel 71g

De griffiers of secretarissen van de in de Wet op de rechterlijke organisatie bedoelde gerechten, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven verstrekken aan de zorgautoriteit, aan de FIOD-ECD of aan een krachtens artikel 72 aangewezen persoon vrij van alle kosten alle gegevens en uittreksels uit of afschriften van vonnissen, arresten, uitspraken, registers en andere bij deze rechterlijke colleges berustende stukken die ten behoeve van de uitvoering van hoofdstuk 9a van de Jeugdwet in verbinding met deze wet van hen worden verlangd.

Hoofdstuk 6. Handhaving

Paragraaf 6.1. Algemeen

Artikel 72

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en met het in artikel 16 bedoelde toezicht, zijn belast:

  • a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
  • b. de bij besluit van de zorgautoriteit aangewezen medewerkers van de zorgautoriteit;
  • c. de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
  • d. de medewerkers van de FIOD-ECD en
  • e. ambtenaren van de Inspectie Justitie en Veiligheid.
2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 73

Degenen die ingevolge artikel 72 belast zijn met toezicht op de naleving en degenen die ingevolge artikel 17 van de Wet op de economische delicten belast zijn met de opsporing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald of strafbaar is gesteld, verstrekken elkaar alle gegevens en inlichtingen voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak.

Artikel 74

De zorgautoriteit heeft een meldpunt voor het ontvangen van gegevens en inlichtingen omtrent feiten en omstandigheden die mogelijk niet in overeenstemming zijn met het bij of krachtens de wet bepaalde en van meldingen als bedoeld in artikel 9a.2, tweede lid, onderdeel a, van de Jeugdwet.

Artikel 75

De zorgautoriteit maakt openbaar op welke wijze zij van plan is uitvoering te geven aan de in dit hoofdstuk aan haar toegekende taken en bevoegdheden.

Paragraaf 6.2. Aanwijzingen

Artikel 76

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)