Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187136, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van sterktes in innovatie (Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Type Ministeriële regeling
Publication 2017-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 583
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Nederland heeft met een uitstekende infrastructuur voor informatie- en communicatietechnologie (hierna: ICT) en een sterke internationale oriëntatie een goede uitgangspositie voor de innovatieve ontwikkelingen op het gebied van diensteninnovatie en ICT.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Gegevens aanvrager 6

Per subsidiabele activiteit dient u de gemaakte en betaalde kosten naar de onderscheiden categorieën uit te splitsen. Het kan daarbij zowel gaan om de kosten van de werf (manuren) als om de kosten voor de levering van goederen en diensten door derden (voor zover deze rechtstreeks en uitsluitend verband houden met het innovatieproject).

Bijlage 11.3

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Machtiging aanvrager 6

Bedrijf/organisatie

Machtiging aanvrager 7

EVD, agentschap van het ministerie van Economische Zaken, unit internationale financiering (070) 778 8085

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aanvullend op deze OESE-factoren zijn voor onderstaande scheepstypen specifieke cgt-factoren bepaald:

Bedrijf/organisatie

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Machtiging aanvrager 3

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

U dient in het kort verslag uit te brengen over het al dan niet bereikt hebben van de doelstelling(en) van het innovatieproject.

ContactpersoonC

De subsidie bedraagt maximaal 20 procent van de in aanmerking komende kosten.

ContactpersoonC

Aldus naar waarheid ingevuld:

Gegevens aanvrager 7

Aldus naar waarheid ingevuld:

Gegevens aanvrager 7

Het verzoek tot vaststelling van deze subsidie dient door een daartoe bevoegde bestuurder van de onderneming te worden ondertekend. De gevraagde verklaring houdt o.m. in dat eventuele afwijkingen van het projectplan aan de minister van Economische Zaken zijn gemeld, conform artikel 37, eerste lid van het kaderbesluit EZ-subsidies.

ContactpersoonC

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Artikel 10h.1

Vervallen

Artikel 10h.2

Vervallen

Artikel 10h.3

Vervallen

Artikel 10h.4

Vervallen

Artikel 10h.5

Vervallen

Artikel 10h.6

Vervallen

Artikel 10h.7

Vervallen

Artikel 10h.8

Vervallen

Artikel 10h.9

Vervallen

Artikel 10h.10

Vervallen

Hoofdstuk 11. Formulieren

Hoofdstuk 10g. Strategisch onderzoeksprogramma vliegtuigontwikkeling

Bijlage 1.1

Behorend bij artikel 1.2, eerste lid, van de Subsidieregeling sterktes in innovatie.

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1. Beschrijving integrale kostensystematiek 1. Beschrijving integrale kostensystematiek
Opzet systematiek Opzet systematiek
1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden?
1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
Over personeelskosten Over personeelskosten
1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
1.8 Wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe.
1.9 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend?
Over machines en apparatuur Over machines en apparatuur
1.10 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
--- ---
2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast.
2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen.
2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.
3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
--- ---
3.1 Kosten van algemene research of algemene kennisopbouw1.
3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur.
3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven2.
3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
3.5 Kosten van incourante voorraden.
3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand.
3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten.
3.8 Voorzieningen voor mogelijke toekomstige verliezen en schulden (bijvoorbeeld voor dubieuze debiteuren)en voor reorganisatiekosten3.
3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend.
3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4.
3.14 Wisselkoersverliezen.

1 Onder algemene research en kennisopbouw valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De kosten verbonden aan dit onderzoek worden vaak al uit andere bronnen gefinancierd en mogen niet via de integrale kostensystematiek worden toegerekend aan subsidieprojecten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Reorganisatiekosten die verband houden met de normale periodieke reorganisaties die nodig zijn om de afdelingen die de subsidiable activiteiten uitvoeren goed te laten functioneren zijn nodig voor de goede uitvoering van deze activiteiten. Daarom kunnen deze reorganisatiekosten zelf wel onderdeel uitmaken van de kostenberekening.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 4.2

Bijlage 4.2

Actielijn 2:. (internationale) samenwerking stimuleren

Bijlage 6.1

Deze actielijn is erop gericht om alle randvoorwaarden om innovaties tot stand te laten komen zo optimaal mogelijk te maken. Het klimaat in Nederland moet buitenlandse LSG-bedrijven aantrekken. Een voorbeeld hiervan is om ervoor te zorgen dat er voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is (van MBO tot WO) en het verhogen van internationale bekendheid op dit terrein.

Achtergrond

Bijlage 6.1

Behorende bij de artikelen 6.1, 6.15 en 6.16

Control:

Bijlage 7.1

Bijlage 6. Chemie, Biobased en Energie

Vervallen

4. Service Logistiek

5. Supply Chain Finance

Bijlage 4.1

Behorende bij artikel 4.1

Doel is het ondersteunen en versnellen van projecten die bijdragen aan:

Control:

Focus op beheersen en regelen van de integrale aandrijflijn ten behoeve van rijcomfort, veiligheid en optimale energie efficiency. Systeem architectuur en batterij monitoring zullen tevens de nodige ontwikkeling vergen. Daarnaast zal er aandacht zijn voor diverse standaardisatie en communicatieprotocollen met de infrastructuur cq. de buitenwereld.

Bijlage 10.1a

Driving guidance

§ 1. Doelstellingen

Bijlage 10.1a

Doel is ten slotte dat de projecten leiden tot concepten die binnen enkele jaren in productie kunnen worden genomen. Daarom dient de nadruk van de projecten te liggen op experimentele ontwikkeling en op activiteiten dicht op de productiefase. Projecten die exclusief gericht zijn op industrieel onderzoek zijn uitgesloten.

Nederland heeft een sterke maritieme sector. Deze sector omvat een aantal belangrijke wereldspelers in de offshore en de maritieme maakindustrie, een groot aantal kleine bedrijven en enkele internationaal bekende kennisinstituten. De sector vormt als cluster binnen Nederland een goed georganiseerd geheel waarin zowel wetenschappelijke kennis, toepassingskennis als commerciële kennis van de wereldmarkt wordt verenigd. De maritieme cluster is een onderdeel van het zogenaamd sleutelgebied ‘Water’, zoals gedefinieerd door het Nederlandse Innovatieplatform.

Het Maritiem Innovatie Programma heeft tot doel te bereiken dat de bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties in de offshore en maritieme maakindustrie een toonaangevende positie van Nederland op het gebied van productleiderschap en regievoering behouden en versterken. Dit op basis van onderscheidende technologie en een concurrerende positie in prijs/kwaliteit verhouding gebaseerd op een sterke kennisbasis en een hechte samenwerking in de maritieme cluster, rekening houdend met de maatschappelijke randvoorwaarden.

Gelet op de focus van de maritieme maakindustrie zullen de onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten voor de maritieme maakindustrie vooral bijdragen aan:

Elektrische aandrijving geeft nieuwe mogelijkheden voor auto-design, ontwikkeling en engineering. Dus ook een nieuwe geïntegreerde benadering van het gehele voertuig wordt belangrijk. De interfaces met zowel de gebruiker (HMI) maar ook met de infrastructuur (energielaadstations, smart billing, etc) zullen het nodige onderzoek vergen. Tenslotte aandacht voor diverse drivetrain en niet drivetrain accessoires/systemen ter verbetering van de energiehuishouding, comfort en veiligheid van de auto.

Bijlage 10h.1. behorende bij de artikelen 10h.1 en 10h.9

In de meerjarenroadmap en het jaarplan (of Annual Plan) van Point-One staat een integrale richtlijn voor onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten die gezamenlijk worden ondernomen door grote bedrijven, MKB’s, overheid, universiteiten en andere publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties. De meerjarenroadmap en het jaarplan zijn te vinden op www.point-one.nl en www.agentschapnl.nl/pointone.

Bijlage 11.1

De belemmeringen voor innovatie op het gebied van watertechnologie vinden hun oorsprong en oorzaak onder meer in:

Innovatieprogramma Point-One

In het innovatieprogramma Point-One werken toonaangevende industrie, kennisinstellingen, (MKB)- ondernemingen en de overheid intensief samen aan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen op basis van nano-elektronica, embedded systemen en mechatronica technologieën.

Bijlage behorende bij de artikelen 10a.2 en 10a.9

Uitgangspunt van het programma is de strategie die in het programmadocument Point-One Phase 2, ‘From good to great in Dutch Technologies’ is beschreven en nader is uitgewerkt in de Point-One Phase 2 meerjarenroadmap. Deze roadmap is opgesteld door de Point-One vereniging, op basis van bijdragen partijen uit het veld.

Bedrijf/organisatie

5. Instrumenten

5. Instrumenten

Bijlage 11.2

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Bijlage 10.1

Bijlage 10h.1. behorende bij de artikelen 10h.1 en 10h.9

Doelstellingen

Het Polymeren Innovatie Programma zal voor 20% bijdragen aan de verdubbeling van het BBP, dat wil zeggen een bijdrage aan het BBP van € 2,4 miljard en voor bijna 30% aan een reductie van het energieverbruik: 90 PJ.

Contactgegevens intermediair5

Aldus naar waarheid ingevuld:

Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op MIA’s, moeten ze passen binnen die MIA’s zoals omschreven in Kamerstukken TK 2007/08, 27046, nr. 120, bijlage (gezondheid, water en veiligheid) en Kamerstukken TK 2007/08, 31530, nr. 1, bijlage (energie), dan wel in onderstaande thema’s Duurzame agro- en visserijketens en Onderwijs (zie ook www.nederlandondernemendinnovatieland.nl).

Bedrijf/organisatie

ContactpersoonC

Gegevens aanvrager 7

ContactpersoonC

Bijlagen13

Aldus naar waarheid ingevuld:

Bijlagen13

Bedrijf/organisatie

Bijlage 11.5

Hierbij dient een kostenopbouw van de contractprijs bijgevoegd te worden op basis van de gekozen variant.

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

De subsidie bedraagt maximaal 20 procent van de in aanmerking komende kosten.

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Machtiging aanvrager 7

Vraag 10

Het verzoek tot vaststelling van deze subsidie dient door een daartoe bevoegde bestuurder van de onderneming te worden ondertekend. De gevraagde verklaring houdt o.m. in dat eventuele afwijkingen van het projectplan aan de minister van Economische Zaken zijn gemeld, conform artikel 37, eerste lid van het kaderbesluit EZ-subsidies.

Bijlage

Als bijlage bij dit formulier is een controleprotocol te vinden op www.evd.nl/siz waarin aan de accountant, die is belast met de controle op deze aanvraag tot subsidievaststelling, aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot de reikwijdte en de intensiteit van de te verrichten controle. In het protocol wordt ook het object van de controle nader aangegeven. Hierdoor wordt overigens niet beoogd een aanpak van de controle voor te schrijven: de onderzoeksaanpak is de verantwoordelijkheid van de accountant.

Vraag 6.2 en 6.3

U dient de resultaten van het innovatieproject zowel vanuit innovatief (6.2) als budgettair (6.3) perspectief te relateren aan de geplande uitkomsten van het project.

Vraag 7

De subsidie is beperkt tot de kosten voor investeringen, ontwerp, technische en testactiviteiten (inclusief de kosten voor de levering van goederen en diensten door derden), die rechtstreeks en uitsluitend voortvloeien uit het innovatieproject en die hebben plaatsgevonden na de datum waarop de subsidie is aangevraagd (eventueel uitgezonderd de kosten voor haalbaarheidsonderzoeken die binnen twaalf maanden voor de aanvraag zijn uitgevoerd.

U dient de verantwoorde kosten onder materiaal; uitbesteed werk; externe dienstverlening; gebruiksklare toeleveringen; alsmede onder de post overige uit te splitsen in een bijlage.

De subsidie bedraagt maximaal 20 procent van de in aanmerking komende kosten.

Vraag 8

Voor zover voor dit innovatieproject ook andere staatsteun is toegekend, wordt deze in mindering gebracht op de steun die onder deze regeling ten hoogste kan worden verstrekt. U dient opgave te doen van eventuele bedragen waarvoor staatsteun is verkregen dan wel aangevraagd door uw onderneming en uw toeleveranciers.

Vraag 9

Het gaat hierbij onder meer om de in artikel 10e.7 van de Subsidieregeling sterktes in innovatie genoemde aspecten. Ook dient u melding te maken van zowel het in faillissement c.q. surseance van betaling geraken van uw onderneming, als van wijzigingen in het projectplan, vertragingen in de bouw en wijziging of beëindiging van het contract tussen uw onderneming en opdrachtgever.

Vraag 10

Het verzoek tot vaststelling van deze subsidie dient door een daartoe bevoegde bestuurder van de onderneming te worden ondertekend. De gevraagde verklaring houdt o.m. in dat eventuele afwijkingen van het projectplan aan de minister van Economische Zaken zijn gemeld, conform artikel 37, eerste lid van het kaderbesluit EZ-subsidies.

Bijlage

Als bijlage bij dit formulier is een controleprotocol te vinden op www.evd.nl/siz waarin aan de accountant, die is belast met de controle op deze aanvraag tot subsidievaststelling, aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot de reikwijdte en de intensiteit van de te verrichten controle. In het protocol wordt ook het object van de controle nader aangegeven. Hierdoor wordt overigens niet beoogd een aanpak van de controle voor te schrijven: de onderzoeksaanpak is de verantwoordelijkheid van de accountant.

De controle kan worden uitgevoerd door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De gevraagde verklaring kan ook worden verstrekt door een niet als openbaar accountant optredend intern accountant, mits deze volstaat aan de bepalingen welke gesteld zijn in deel B2 van de Verordening Gedragscode van het Koninklijk NIVRA.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Artikel 8.7a

Vervallen

Hoofdstuk 9. Point-One

§ 1. Begripsbepalingen Point-One

Artikel 9.1a

Vervallen

Artikel 9.1b

Vervallen

Artikel 9.1c

Vervallen

Artikel 9.1d

Vervallen

Artikel 9.1e

Vervallen

Artikel 9.1f

Vervallen

§ 3. Point-One R&D-projecten

§ 3. Internationale innoWATOR-projecten

Hoofdstuk 10. Polymeren

§ 1. Begripsbepalingen polymeren

§ 4. Polymeren innovatieprojecten

§ 2. Point-One haalbaarheidsprojecten

§ 1. Begripsbepalingen HighTech Topprojecten

Hoofdstuk 10a. HighTech Topprojecten

Hoofdstuk 10b. Kenniswerkers

Hoofdstuk 10d. Technologische topinstituten

Hoofdstuk 10e. Innovatieve zeescheepsbouw

Hoofdstuk 10f. Prekwalificatie ESA-programma’s

Hoofdstuk 10g. Strategisch onderzoeksprogramma vliegtuigontwikkeling

Hoofdstuk 10h. Service innovaion & ICT

Hoofdstuk 11. Formulieren

Hoofdstuk 11. Formulieren

Bijlage 1.1

Behorend bij artikel 1.2, eerste lid, van de Subsidieregeling sterktes in innovatie.

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1. Beschrijving integrale kostensystematiek 1. Beschrijving integrale kostensystematiek
Opzet systematiek Opzet systematiek
1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden?
1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
Over personeelskosten Over personeelskosten
1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
1.8 Wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe.
1.9 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend?
Over machines en apparatuur Over machines en apparatuur
1.10 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
--- ---
2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast.
2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen.
2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.
3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
--- ---
3.1 Kosten van algemene research of algemene kennisopbouw1.
3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur.
3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven2.
3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
3.5 Kosten van incourante voorraden.
3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand.
3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten.
3.8 Voorzieningen voor mogelijke toekomstige verliezen en schulden (bijvoorbeeld voor dubieuze debiteuren)en voor reorganisatiekosten3.
3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend.
3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4.
3.14 Wisselkoersverliezen.

1 Onder algemene research en kennisopbouw valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De kosten verbonden aan dit onderzoek worden vaak al uit andere bronnen gefinancierd en mogen niet via de integrale kostensystematiek worden toegerekend aan subsidieprojecten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Reorganisatiekosten die verband houden met de normale periodieke reorganisaties die nodig zijn om de afdelingen die de subsidiable activiteiten uitvoeren goed te laten functioneren zijn nodig voor de goede uitvoering van deze activiteiten. Daarom kunnen deze reorganisatiekosten zelf wel onderdeel uitmaken van de kostenberekening.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1. Beschrijving integrale kostensystematiek 1. Beschrijving integrale kostensystematiek
Opzet systematiek Opzet systematiek
1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden?
1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
Over personeelskosten Over personeelskosten
1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
1.8 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe.
Over machines en apparatuur Over machines en apparatuur
1.9 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
--- ---
2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast.
2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1
2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.

1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
3.1 Kosten van algemene research1.
3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur.
3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven2.
3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
3.5 Kosten van incourante voorraden.
3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting.
3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten.
3.8 Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden3.
3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend.
3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4
3.14 Wisselkoersverliezen.

1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 1a.2. , behorende bij artikel 1a.11, aanhef en onderdeel b

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 1a.2. , behorende bij artikel 1a.11, aanhef en onderdeel b

Bijlage 5.1. behorende bij artikel 5.1

Bijlage 6.2

Achtergrond en thema HTAS-Electric Vehicle Technology

Bijlage 1a.1. , behorende bij artikel 1a.11, aanhef en onderdeel a

Vervallen

Bijlage 9.1. Behorende bij de artikelen 9.1a, 9.1e, 9.2, 9.6, 9.7, 9.13 en 9.21

Vervallen

Bijlage 10.1

Integratie:

Bijlage 6.1

Behorende bij de artikelen 6.1, 6.15 en 6.16

Bijlage 10b.1. Behorende bij artikel 10b.1

Achtergrond en thema HTAS-Electric Vehicle Technology

Achtergrond en thema HTAS-Electric Vehicle Technology

Focus op vier kansrijke clusters

Belemmeringen en knelpunten bij innovatie

De belemmeringen voor innovatie op het gebied van watertechnologie vinden hun oorsprong en oorzaak onder meer in:

Bijlage 10h.1. behorende bij de artikelen 10h.1 en 10h.9

Bijlage 9.1. Behorende bij de artikelen 9.1a, 9.1e, 9.2, 9.6, 9.7, 9.13 en 9.21

Innovatieprogramma Point-One

De Nederlandse watersector wil bovengenoemde maatschappelijke opgaven en economische kansen benutten door gebruik te maken van haar sterke uitgangspunten en door het verminderen en wegnemen van de belemmeringen. Het verwezenlijken van deze ambities vereist innovatie.

Nederland beschikt over een excellente watertechnologiesector die economische en maatschappelijke doelen dient, zowel in Nederland als in het buitenland.

Deze thema’s zijn:

Gelet op de focus van de offshore dienstverlening zullen de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voor de offshore dienstverlening vooral bijdragen aan:

Bijlage 11.2

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Life Sciences & Health (bijlage 4.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Er zijn verder 3 innovatieprogramma’s met thema’s die niet gepubliceerd zijn als bijlage in bovengenoemde regeling. Het gaat om Chemie, Materialen en Logistiek en supply chains. Deze worden hierna beschreven.

Maatschappelijke Innovatie Agenda’s (MIA’s)

NWO-strategiethema’s

§ 1. Doelstellingen

I. Creatieve sector

2. Overige aanvragers6

Maatschappelijke Innovatie Agenda’s (MIA’s)

Gegevens aanvrager 3

ContactpersoonC

Maatschappelijke Innovatie Agenda Onderwijs

Gegevens aanvrager 4

Machtiging aanvrager 6

Aldus naar waarheid ingevuld:

Bijlage 11.2. , behorende bij artikel 11.1, onderdeel b.

Bedrijf/organisatie

Machtiging aanvrager 4

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Bedrijf/organisatie

Bedrijf/organisatie

Machtiging aanvrager 5

Bedrijf/organisatie

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Machtiging aanvrager 6

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Bedrijf/organisatie

Bedrijf/organisatie

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Artikel 1.6

Vervallen

Hoofdstuk 1a. Toeslag voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

Hoofdstuk 1b. TKI MKB-versterking

Hoofdstuk 4. Life Sciences & Health

§ 1. Begripsbepalingen Life Sciences & Health

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3.1. Verstrekking van een MIT-kennisvoucher aan MKB-ondernemers

Hoofdstuk 5. Food & Nutrition Delta

§ 4. Subsidie aan EuroNanoMed-samenwerkingsverbanden

Hoofdstuk 6. HTAS-innovatieprojecten

§ 2. HTAS-doorbraakprojecten

Hoofdstuk 7. InnoWATOR

Hoofdstuk 8. Maritiem

§ 4. InnoWATOR-garantiefaciliteit

Hoofdstuk 9. Point-One

§ 3. Maritieme innovatieprojecten

§ 2. InnoWATOR-projecten

Hoofdstuk 8. Maritiem

§ 2. Maritieme MKB-projecten

§ 3. Polymeren MKB-innovatieprojecten

§ 2. Point-One haalbaarheidsprojecten

§ 2. HighTech Topprojecten

Hoofdstuk 10b. Kenniswerkers

Hoofdstuk 10d. Technologische topinstituten

Hoofdstuk 10e. Innovatieve zeescheepsbouw

Hoofdstuk 10g. Strategisch onderzoeksprogramma vliegtuigontwikkeling

Hoofdstuk 10h. Service innovaion & ICT

Hoofdstuk 11. Formulieren

Hoofdstuk 10h. Service innovaion & ICT

Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1. Beschrijving integrale kostensystematiek 1. Beschrijving integrale kostensystematiek
Opzet systematiek Opzet systematiek
1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden?
1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
Over personeelskosten Over personeelskosten
1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
1.8 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe.
Over machines en apparatuur Over machines en apparatuur
1.9 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
--- ---
2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast.
2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1
2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.

1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
3.1 Kosten van algemene research1.
3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur.
3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven2.
3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
3.5 Kosten van incourante voorraden.
3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting.
3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten.
3.8 Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden3.
3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend.
3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4
3.14 Wisselkoersverliezen.

1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 1a.3. , behorende bij artikel 1a.11, aanhef en onderdeel c

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 1a.3. , behorende bij artikel 1a.11, aanhef en onderdeel c

Bijlage 6.1

Bijlage 6.2

Bijlage 9.1. Behorende bij de artikelen 9.1a, 9.1e, 9.2, 9.6, 9.7, 9.13 en 9.21

a. Haalbaarheidsprojecten

Bijlage 10.1

Bijlage 7. Creatief

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Economische Zaken.

Bijlage 10b.1. Behorende bij artikel 10b.1

Bijlage 10h.1. behorende bij de artikelen 10h.1 en 10h.9

Hoofdstuk 2. Internationaal innoveren

Hoofdstuk 3. IOP’s

Hoofdstuk 1c. MKB innovatiestimulering topsectoren

§ 2. Subsidie aan ETB-samenwerkingsverbanden

§ 3. MIT-kennisvouchers

Hoofdstuk 5. Food & Nutrition Delta

§ 7. Slotbepalingen

Hoofdstuk 6. HTAS-innovatieprojecten

§ 2. HTAS-doorbraakprojecten

§ 3. Subsidie aan internationale MKB-samenwerkingsverbanden

Hoofdstuk 8. Maritiem

§ 2. Maritieme MKB-projecten

§ 3. Maritieme innovatieprojecten

Hoofdstuk 9. Point-One

§ 4. HTAS-projecten elektrische voertuigtechnologie

§ 2a. Point-One MKB-innovatieprojecten

§ 5. University-Industry Interaction

Hoofdstuk 10. Polymeren

§ 1. Begripsbepalingen

§ 3. Maritieme innovatieprojecten

§ 4. Polymeren innovatieprojecten

§ 2. HighTech Topprojecten

Hoofdstuk 10b. Kenniswerkers

Hoofdstuk 10c. Civiele vliegtuigontwikkeling

Hoofdstuk 10d. Technologische topinstituten

Hoofdstuk 10d. Technologische topinstituten

Hoofdstuk 10e. Innovatieve scheepsbouw

Hoofdstuk 10h. Service innovaion & ICT

Hoofdstuk 10h. Service innovaion & ICT

Bijlage 7.1

Bijlage 6.2

Vervallen

Bijlage 11.1

Vervallen

Bijlage 10.1

Bijlage 5.1. behorende bij artikel 5.1

Bijlage 7.1

Belemmeringen en knelpunten bij innovatie

Bijlage 10h.1. behorende bij de artikelen 10h.1 en 10h.9

Bijlage 8. Agrifood

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Economische Zaken.

Gelet op de focus van de offshore dienstverlening zullen de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voor de offshore dienstverlening vooral bijdragen aan:

Uitgangspunt van het programma is de strategie die in het programmadocument Point-One Phase 2, ‘From good to great in Dutch Technologies’ is beschreven en nader is uitgewerkt in de Point-One Phase 2 meerjarenroadmap. Deze roadmap is opgesteld door de Point-One vereniging, op basis van bijdragen partijen uit het veld.

Bijlage 9.1. Behorende bij de artikelen 9.1a, 9.1e, 9.2, 9.6, 9.7, 9.13 en 9.21

Bijlage 10b.1. Behorende bij artikel 10b.1

Bijlage 11.4

Een tweede belangrijke doelstelling is dat de projecten een bijdrage leveren aan standaardisatie en bredere toepassing van de ontwikkelde technologie. Als inhoudelijke uitgangspunten voor de R&D-projecten en innovatieprojecten geldt dat het moet gaan om projecten van hoge kwaliteit en met een aansprekend karakter. Een zwaartepunt binnen de regeling is het beter benutten van het innovatief potentieel van het MKB en het beter betrekken van het MKB in nationale en internationale netwerken.

4. Technologische gebieden en Point-One businesscases

Aanvraagformulier Subsidieregeling sterktes in innovatie

1. Penvoerder/aanvrager1

Contactpersoon aanvrager4

ContactpersoonC

Bijlage 11.5

ContactpersoonC

Machtiging aanvrager 5

Gegevens aanvrager 2

ContactpersoonC

Bedrijf/organisatie

Bedrijf/organisatie

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Artikel 1a.1. (definities)

Vervallen

Artikel 1a.2. (TKI-toeslag)

Vervallen

Artikel 1a.3. (grondslag programmatoeslag)

Vervallen

Artikel 1a.4. (opgave gerealiseerde private bijdragen)

Vervallen

Artikel 1a.5. (toewijzingsgronden TKI-toeslag)

Vervallen

Artikel 1a.6. (aanwenden TKI-toeslag)

Vervallen

Artikel 1a.7. (financieringsverhouding)

Vervallen

Artikel 1a.8. (duur aanwending TKI-toeslag)

Vervallen

Artikel 1a.9. (administratie)

Vervallen

Artikel 1a.10. (rapportage en transparantie)

Vervallen

Artikel 1a.11. (formulieren)

Vervallen

Artikel 1a.12. (vervaltermijn)

Vervallen

Hoofdstuk 3. IOP’s

Hoofdstuk 4. Life Sciences & Health

§ 3.1. Verstrekking van een MIT-kennisvoucher aan MKB-ondernemers

Hoofdstuk 5. Food & Nutrition Delta

§ 1. Begripsbepalingen Food & Nutrition Delta

§ 2. FND-haalbaarheidsprojecten

§ 3. FND-innovatieprojecten

§ 4. FND-MKB-innovatieprojecten

Hoofdstuk 6. HTAS-innovatieprojecten

§ 2. HTAS-doorbraakprojecten

Hoofdstuk 8. Maritiem

§ 1. Begripsbepalingen

§ 2. Maritieme MKB-projecten

§ 3. Internationale innoWATOR-projecten

§ 4. InnoWATOR-garantiefaciliteit

§ 3. Maritieme innovatieprojecten

§ 2. Polymeren haalbaarheidsprojecten

§ 3. Polymeren MKB-innovatieprojecten

§ 2a. Point-One MKB-innovatieprojecten

§ 1. Begripsbepalingen HighTech Topprojecten

§ 3. Point-One R&D-projecten

Hoofdstuk 10c. Civiele vliegtuigontwikkeling

Hoofdstuk 10f. Prekwalificatie ESA-programma’s

Hoofdstuk 10g. Strategisch onderzoeksprogramma vliegtuigontwikkeling

Hoofdstuk 11. Formulieren

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)