Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten

Type Circulaire
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 242
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Met het ingevulde model 2.27 meldt betrokkene (die jonger is dan 65 jaar) zich binnen een jaar bij de Dienst Examens Sint Maarten voor een gesprek over zijn leervermogen (studievaardigheden). Komt betrokkene later dan dat jaar, dan is model 2.27 niet meer geldig.

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

paragraaf 3. Opneming in de samenleving van Curaçao of Sint Maarten

Over polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de samenleving van Curaçao en Sint Maarten wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Curaçao en Sint Maarten geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:

Paragraaf 3.1. Polygamie

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

9-alg. Toelichting algemeen

Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar geregistreerd partnerschap, vergelijk artikel 1, tweede lid, RWN) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Deze onderbreking wordt niet tegengeworpen als deze is ontstaan door het overlijden van de echtgeno(o)t(e) tussen de datum van het verzoek om naturalisatie en de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao en Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar laten doen.

paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek omnaturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Ook voor artikel 8, derde lid geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.

paragraaf 4.4. Voeging

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 4.4. Voeging

9-alg. Toelichting algemeen

Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld.

Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen indien deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.

Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek omnaturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

paragraaf 7. Procedure bij naturalisatie

paragraaf 2. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de LTU kan worden ingetrokken

Paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 7.3. Verzoek aan de IND

Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen de vreemdeling wegens een misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit de informatie verkregen via de bevraging om inlichtingen uit Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de Nationale Politie) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van een misdrijf.

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

paragraaf 7.4. Beoordeling bijzondere feiten of omstandigheden

paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

paragraaf 4.1. Misdrijven

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties

Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie of optie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die de rechter heeft opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:

paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 6. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

Paragraaf 7.3. Verzoek aan de IND

Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 9, derde lid, RWN).

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

In dit kader geldt als vermogen: de waarde van de bezittingen, verminderd met de waarde van de schulden.

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid

Indien een verzoeker kan aantonen dat hij onder deze uitzonderingscategorie valt, omdat hij voor het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit een hoog bedrag moet betalen, dan houdt dat niet automatisch in dat ook de echtgenote of de partner met wie verzoeker duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, moet betalen voor het doen van afstand en dat deze echtgenote of partner derhalve een beroep kan doen op deze uitzonderingscategorie. De (huwelijks)partner die gelijktijdig verzoekt om naturalisatie en die met succes een beroep wenst te doen op deze uitzonderingscategorie zal moeten aantonen dat ook zij moet betalen voor het doen van afstand. In die situatie dienen bij de beoordeling van beide verzoeken om naturalisatie de te betalen bedragen van de verzoeker en diens (huwelijks)partner (en eventuele kinderen) voor het doen van afstand bij elkaar te worden opgeteld. Ook het netto maandinkomen van de verzoeker en diens (huwelijks)partners worden bij elkaar opgeteld. Aan de hand van de verhouding tussen de opgetelde bedragen voor het doen van afstand én de opgetelde netto maandinkomens van verzoeker en diens (huwelijks)partner wordt bepaald of er sprake is van substantieel financieel nadeel.

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

Is het opgetelde bedrag voor het doen van afstand lager dan het opgetelde netto maandinkomen van verzoeker en diens (huwelijks)partner die gelijktijdig om naturalisatie verzoekt, dan is geen sprake van substantieel financieel en kunnen beide geen beroep doen op deze uitzondering.

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 4. Bewijsstukken

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij het eilandgebied waar het verzoek om naturalisatie is ingediend, dan zal een gewaarmerkt afschrift worden gezonden aan de IND en tevens – in het geval betrokkene is verhuisd naar een ander eilandgebied – naar het eilandgebied waar betrokkene staat ingeschreven in de basisadministratie, met het verzoek de basisadministratie aan dit gegeven aan te passen (artikel 59, tweede en derde lid, BvvN).

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid

paragraaf 3. Kind geboren tijdens optie- of naturalisatieprocedure ouder(s)

Artikel 10

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

paragraaf 3. Topsporters

paragraaf 2.4. Niet bijzondere gevallen

paragraaf 3.1. Advisering

Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands-Antilliaans belang op sportief gebied is gediend, wordt – indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlands-Antilliaanse sportbond wordt overlegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands-Antilliaans sportbelang op korte termijn dient – door de Gouverneur de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten om advies gevraagd. Indien de ondersteunende verklaring van de Nederlands-Antilliaanse sportbond ontbreekt, wordt de zaak niet aan de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten voorgelegd, maar wordt – zonder een advies over een eventueel Nederlands-Antilliaans sportbelang – aan de IND gestuurd met het advies om het verzoek af te wijzen. Indien een dergelijke verklaring wel wordt overlegd, verzoekt de Gouverneur om advisering ter zake door de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten, die overlegt met de Minister van Onderwijs, Jeugdzaken en Sport van Curaçao en Sint Maarten.

Tegen een afwijzende beslissing op een verzoek om naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN kan – ook indien die beslissing is gebaseerd op een negatief advies van de Raad van State – bezwaar en beroep worden ingesteld.

paragraaf 3.5. Beslissing

paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

11-alg. Toelichting algemeen

11-alg. Toelichting algemeen

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

paragraaf 4. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie

11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid

paragraaf 8. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie

paragraaf 4. Instemmingsvereiste

Ten aanzien van minderjarigen die na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld.

paragraaf 7. Samenvatting

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

Miguel is 17 jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van Miguel. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt Miguel 18 jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet Miguel aan de voorwaarden in artikel 11, derde lid RWN met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. Miguel gaat hierna twee jaar in Venezuela wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Curaçao en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. Miguel kan niet met succes een beroep doen op artikel 11, vijfde lid RWN. De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van Miguel.

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van artikel 9 RWN aanwezig zijn en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in artikel 2 RWN is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie artikel 54, vierde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

Geen.

In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.

Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker.

paragraaf 2.4. Tarief H

Artikel 12

paragraaf 1. Algemeen

Het spreekt voor zich dat kinderen die reeds de Nederlandse nationaliteit bezitten geen deel uitmaken van een verzoek om naturalisatie van hun ouders. Nederlandse kinderen delen daarom niet in de verkrijging van het Nederlanderschap noch in de eventuele naamsvaststelling of naamswijziging van hun ouders.

Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker.

Artikel 14

paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, draagt volgens zijn gelegaliseerde geboorteakte (en volgens de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling) de geslachtsnaam ‘Fernandez’. Echter, hij gaat al sinds jaar en dag door het leven met de geslachtsnaam ‘Hernandez’. In zijn paspoort en huwelijksakte staat dan ook de naam ‘Hernandez’. Verzoeker heeft nooit pogingen ondernomen zijn naam te laten corrigeren in het Venezolaanse bevolkingsregister.

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN

Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN

Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.23. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.24. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)

Model 1.25. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’, tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het afleggen van de optieverklaring het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook Verklaring vrijgesteld van optiegelden

Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden

Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Model 1.33. Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)

Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)

Model 2.2. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (minderjarige) (ingediend door wettelijk vertegenwoordiger) (artikel 11, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap)

Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken en in afschrift aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de basisadministratie zijn ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 70, eerste lid, BVVN). Onder de omstandigheid dat de huidige verblijfsplaats onbekend is, vindt publicatie van de intrekking in de Staatscourant en in het daartoe bestemde publicatieblad in Curaçao of Sint Maarten plaats.

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Op grond van artikel 14, derde lid, RWN kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.

Model 1.23. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.25. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’ tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook Verklaring vrijgesteld van optiegelden

Bot-verzoek

Bot-verzoek

Bericht omtrent toelating

Op grond van artikel 14, vierde lid RWN, kan de IND het Nederlanderschap intrekken in het belang van de nationale veiligheid.

Model 2.21. : Verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’

Model 2.19. : Verzoek om bericht van de Korpschef

Inleiding

Model 1.35a. Uitwisselingsformulier MoU Nederland-Suriname

Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen

Model 1.37. :

Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)

Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)

Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.

Model 1.36. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid

Model 1.24. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)

Artikel 15, aanhef en onder a RWN 1985 dan wel artikel 15 lid 1 onder a RWN 2003 gaan echter niet op als het gaat om verkrijging van de Duitse nationaliteit ex lege Duitse wet ingeval van Paragraph 3 Abs. (2) StaG (2007). De verkrijging van de Duitse nationaliteit vond dan van rechtswege plaats en was derhalve niet vrijwillig.

De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.

Model 2.2. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (minderjarige) (ingediend door wettelijk vertegenwoordiger) (artikel 11, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap)

Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van artikel 15, tweede lid en onder a RWN heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.

Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).

Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die wel partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (Trb. 1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland, Curaçao, Sint Maarten en Aruba in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).

Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘geboren in het land van die andere nationaliteit’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het ‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in paragraaf 1.3.

Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.

Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.

‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’

Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:

Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef

Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:

Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.

Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.

Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens artikel 14, achtste lid, RWN niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de PIVA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk artikel 62, tweede lid, BVVN). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN delen in de afstand.

Op 5 oktober 2020 is de Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.

Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap

Model 2.25. : Afwijzing ontheffing naturalisatiegelden

Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en schriftelijk (artikel 62, eerste lid, BVVN) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De Gouverneur moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon (artikel 63, tweede lid, BVVN). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.

Model 3.2

Model 3.3

Bijlage 4

Model 1.33. Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)

Model 4.2. Verklaring van verbondenheid

Alleen wanneer de adoptiefvader was overleden, kon de adoptiefmoeder aan het minderjarig kind het Nederlanderschap doorgeven, mits zij op de dag dat de adoptieuitspraak van een rechter in het Koninkrijk onherroepelijk werd, de Nederlandse nationaliteit bezat. Dit kind ontleende dus aan zijn Nederlandse adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1bis WNI 1892.

paragraaf 1.5. Vereiste documenten

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zes jaar of ouder

Paragraaf 1.4. Vereiste documenten

6-1-n. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 2. Toets aan unierechtelijk evenredigheidsbeginsel na van rechtswege verlies van het Unieburgerschap

3.2. Bewijslast

Paragraaf 3. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

Paragraaf 1.1. Stabiel hoofdverblijf

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies

6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid

Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens

6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid

Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

paragraaf 2.2.1.5. Gemachtigde

Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument

Paragraaf 2.2.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Paragraaf 2.2.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 2.2.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt de Gouverneur de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 14, tweede lid, BVVN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door de Gouverneur gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan de Gouverneur besluiten de verklaring buiten behandeling te stellen. Door het in verzuim stellen wordt de beslistermijn van dertien weken opgeschort tot de dag waarop de aanvulling van de verklaring is ontvangen of de verzuimtermijn is verstreken.

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

paragraaf 2.5. Bevestiging

paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond

paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)

paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

paragraaf 2.10. (hoger) beroep

paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Bijlage

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

Bijlage

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

7-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

paragraaf 3.9. Uitbrengen advies

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek

Paragraaf 3.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Bijlage

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

Artikel 8

paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

8-1-c. Toelichting ad artikel 8 eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 3. (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

8-1-c. Toelichting ad artikel 8 eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten

De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

2.3.2.1. Beleidskader doelgroep en voorwaarden regeling

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Een verzoeker die ‘anders’ gealfabetiseerd is, kan geen ontheffing krijgen van de naturalisatietoets. Er hoeft dan ook geen gesprek plaats te vinden naar het vermogen van deze verzoeker om het Papiaments, respectievelijk het Engels (voor respectievelijk Curaçao en Sint Maarten) nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven, want betrokkene komt niet in aanmerking voor deze regeling.

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

2.3.2.3. Rol van en procedures bij de aangewezen adviesinstanties

Paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 2. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de LTU kan worden ingetrokken

paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, derde of vierde lid, RWN wordt ingediend zestien jaar of ouder is.

paragraaf 4. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens artikel 60b, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties

paragraaf 4.4. Voeging

8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid

paragraaf 3. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

Paragraaf 4.12. Gratie

Paragraaf 4.2. Transacties

Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Paragraaf 4.5. Taakstraffen

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

paragraaf 4.7. Jeugdigen

Paragraaf 4.8. Vijfjaartermijn

Paragraaf 7.1. Verklaring verblijf en gedrag

paragraaf 4.4. Voeging

paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 4.11. Schadevergoeding

Paragraaf 4.12. Gratie

paragraaf 7. Procedure bij naturalisatie

paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

paragraaf 1. Algemeen

Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)

paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

Paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

paragraaf 3.1. Advisering

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

Artikel 10

Paragraaf 1. Algemeen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)