Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten
Partijen bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg (nu en in het verleden):
Nederland (gehele Koninkrijk): vanaf 10 juni 1985;
Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
België: van 19 juli 1991 tot 28 april 2008;
Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;
Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002;
Frankrijk: van 28 maart 1968 tot 5 maart 2009 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
Italië: van 10 juni 1985 tot 4 juni 2010 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009;
Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019;
Zweden: van 6 april 1969 tot 29 juni 2002.
Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor.
Model 1.14. HRWN-CM: Verklaring verblijf en gedrag
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in artikel 15, tweede lid, RWN en in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN.
Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009
Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010
Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003.
Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Artikel 1, tweede lid, RWN bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt in januari 2004 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
Aangezien Italië partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Italië ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid aanhef en onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15, tweede lid, van toepassing is.
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ingevolge de op 25 november 1975 te Paramaribo gesloten Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, nr. 132) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt in januari 2004 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16A
Model 1.12. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
BVVN: artikelen 3 en 62 t/m 64
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Model 1.10. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het toen geldende artikel 16 RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, nu genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c of d, RWN dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder artikel III RRWN.
Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van artikel 16, eerste lid, RWN – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap
Model 1.14-1b. HRWN-CM: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Oostenrijkse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.
Model 1.17. HRWN-CM: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Bijlage 4
Model 1.15. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.16. HRWN-CM: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie artikel 30c BVVN)
paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)
6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid
6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b
paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
paragraaf 3.12. (hoger) beroep
8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
paragraaf 3.13.1. De oproeping
paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
Artikel 8
8-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
Paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets
Paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
9-alg. Toelichting algemeen
8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 4. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek omnaturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
Paragraaf 4.12. Gratie
paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.11. Schadevergoeding
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
paragraaf 3. Topsporters
paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Nederlands-Antilliaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
paragraaf 4. Instemmingsvereiste
paragraaf 7. Samenvatting
11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
paragraaf 4. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
paragraaf 1. Optiegelden
paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
paragraaf 1.1. Tarieven
13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
paragraaf 2. Naturalisatiegelden
paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
paragraaf 2. Algemeen
14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit
paragraaf 2.1. Belangenafweging
paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
2.5.6. Weging belangen
paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
14-4. Ad artikel 14, vierde lid
paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN
Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN
Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN
Model 1.15. : Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)
Model 1.25. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’ tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)
Model 2.6. : Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Verder is in artikel 61 BvvN geregeld dat:
Model 2.15. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Verder is in artikel 61 BvvN geregeld dat:
Model 1.36. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Bonaire, Sint Eustatius of Saba te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
Gegevens vreemdeling:
Blijkens artikel IV RRWN vangt de verliestermijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder c, RWN, die van 1 april 2003 tot 1 april 2022 tien jaar was, niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van die bepaling verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
Bot-verzoek
Alexandre had echter het verlies van het Nederlanderschap kunnen voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit werd gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, vierde lid, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten zou dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar zijn gaan lopen.
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
Model 2.19. : Verzoek om bericht van de Korpschef
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Model 2.20. : Verzoek tot verstrekken van gegevens van de Justitiële Documentatie
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Model 2.21. : Verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’
De IND betrekt bij de toets of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is het feit dat betrokkene al vanaf het begin van de naturalisatieprocedure er op is gewezen dat hij afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Model 1.8. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Wordt de Gouverneur door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
Model 1.11. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN
In gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan de IND betrokkene op grond van artikel 60 BvvN ontheffen van de afstandsplicht.
Als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure aantoont dat hij afstand heeft gedaan na de datum van het intrekkingsbesluit, kan de IND besluiten het bezwaar tegen de intrekking gegrond te verklaren. Ook kan de IND in de bezwaarprocedure besluiten betrokkene alsnog meer tijd te geven om afstand te doen als tijdens die procedure is gebleken dat betrokkene door omstandigheden niet al het mogelijke heeft kunnen doen om afstand te doen en de IND daar eerder niet van wist.
Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Het indienen van een verzoek om ontheffing, schort de lopende afstandsprocedure niet op. De voor die procedure gangbare termijnen blijven in beginsel van kracht. Indien positief wordt beslist op het verzoek tot ontheffing, wordt de lopende afstandsprocedure gelijktijdig afgerond.
Indien het verzoek om alsnog ontheven te worden van de afstandsplicht wordt afgewezen, dan wijst de IND betrokkene er in het besluit op dat hij of zij nog steeds afstandsplichtig is. Tevens wordt in het besluit verzocht om binnen 4 weken aan te geven of betrokkene van plan is gehoor te geven aan de afstandsverplichting. Geeft betrokkene aan dat hij of zij de afstandsverplichting nakomt, dan gelden in beginsel de normale termijnen voor de onderliggende procedure. Eventueel kan op basis van een gemotiveerd verzoek uitstel worden verleend voor het doen van afstand.
Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn afgelegd vóór 1 oktober 2010.
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn andere nationaliteit(en), na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen (artikel 30d BvvN).
Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap
Model 1.8. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
Geen.
Model 1.11. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN
Model 1.12. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Paragraaf 3. Kind geboren op of na 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985, vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
4-1. Toelichting ad artikel 4, eerste lid
4-5. Toelichting ad artikel 4, vijfde lid
5a-alg. Toelichting algemeen
Artikel 5a
Artikel 5a
Artikel 5b
5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
6-alg. Toelichting Algemeen
paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant
Overgangsrecht
6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 1. Algemeen
Als volgens de optant sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zal dit over het algemeen aannemelijk kunnen worden gemaakt door het overleggen van een uittreksel uit de BRP, PIVA of de basisadministratie. Als sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het buitenland dan moet dit – voor zover mogelijk – aan de hand van een officieel document van een overheidsinstantie, of anderszins genoegzaam, worden aangetoond. Uit dit/deze document(en) moet blijken dat de vader en het minderjarige kind op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan gedurende een periode van tenminste drie jaar na de erkenning of wettiging van het kind. Behoudens in het geval van contra-indicaties (bijvoorbeeld als uit andere bronnen blijkt dat vader en kind in die periode niet (constant) hebben samengeleefd op hetzelfde adres), kan met het overleggen van (een) dergelijk document worden volstaan.
Overgangsrecht
6-1-g. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder g
Paragraaf 3. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
6-1-g. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder g
paragraaf 1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985
Dat de moeder Nederlandse was op de geboortedag van de optant, die gebruik maakt van de optie uit onderdeel i, moet ten minste aannemelijk zijn gemaakt door één of meer objectieve bronnen. Er zal dus bekeken moeten worden waar de optant of de moeder is geboren en vervolgens waar de moeder heeft gewoond.
paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j
paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adopiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adopiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
paragraaf 1.5. Vereiste documenten
paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
paragraaf 1. Algemeen
6-1-k. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte
6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l
2.1. Rechten Unieburgerschap
paragraaf 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
paragraaf 2.5. Bevestiging
Paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Paragraaf 2.4.2.6. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN
6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
Bijlage
paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d
Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
paragraaf 3.12. (hoger) beroep
paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Bijlage
paragraaf 3.4. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
paragraaf 3.3. Minderjarigen
Paragraaf 3.1. Polygamie
Paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011
paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling
8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
paragraaf 4.7. Jeugdigen
paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Artikel 10
10-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 1. Toelating en hoofdverblijf
9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
paragraaf 5. Verklaring van verbondenheid
11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
paragraaf 4. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
paragraaf 6. Openbare orde
paragraaf 4. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
12-alg. Toelichting algemeen
11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
Artikel 12
paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
paragraaf 2.2. Tarieven D en E
paragraaf 1.1. Tarieven
paragraaf 2.4. Tarief H
paragraaf 2.4. Tarief H
paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
Artikel 14
14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
2.5.1. Rechten Unieburgerschap
2.5.2. Bewijslast
paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
2.5.4. Algemeen belang
14-4. Ad artikel 14, vierde lid
Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN
Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.37. :
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 2.3. : Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Model 2.10. : Formulier zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.14. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.15. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Model 2.16. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)
Gegevens vreemdeling:
Bot-verzoek
Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN
Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.10. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
Model 1.6. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.7. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Het indienen van een verzoek om ontheffing, schort de lopende afstandsprocedure niet op. De voor die procedure gangbare termijnen blijven in beginsel van kracht. Indien positief wordt beslist op het verzoek tot ontheffing, wordt de lopende afstandsprocedure gelijktijdig afgerond.
Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4) betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag;
De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het artikel 15A RWN, maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
Bij het Verdrag van Straatsburg zijn op dit moment alleen Nederland en Oostenrijk partij. Bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265), dat een uitzondering biedt op de verliesgronden uit het Verdrag van Straatsburg, is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij (zie verder de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, RWN).
Model 1.4. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Van verlies als bedoeld in Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is alleen sprake bij verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag toepassen of toegepast hebben.
Model 1.7. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Oostenrijk: vanaf 1 september 1975;
Model 1.10. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap
Model 1.12. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
De Nederlander, die vrijwillig de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, verliest nog steeds automatisch zijn Nederlandse nationaliteit.
Model 1.14. HRWN-CM: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.14-1a. HRWN-CM: Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap door optie ex artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Bijlage 4
Model 1.15. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.16. HRWN-CM: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
paragraaf 3.4. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling
Paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
Bijlage 7
9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.11. Schadevergoeding
Paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
paragraaf 7. Procedure bij naturalisatie
paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
paragraaf 1. Algemeen
9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Paragraaf 2.3. Belangenafweging
paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
paragraaf 2. Naturalisatiegelden
paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
paragraaf 2.3. Tarieven F en G
paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
2.5.3. Individueel belang
paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
2.5.3. Individueel belang
paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
14-8. Toelichting ad artikel 14, achtste lid
Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Model 1.35. : Uitwisselingsformulier
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Bijlage bij verzoek om naturalisatie tot Nederlander: aanvullende gegevens kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht (van oud naar jong)
Model 2.6. : Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.10. : Formulier zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.7. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)