Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten

Type Circulaire
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 242
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Als gevolg hiervan moet ook zoon G geacht worden niet het Nederlanderschap te hebben verloren. Aangenomen moet worden dat de verliesgrond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN nimmer op hem van toepassing is geweest, aangezien ten aanzien van hem niet meer kan worden gesteld dat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge het oude artikel 15, onder c, RWN. Zoon H moet geacht worden te zijn geboren als kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader het Nederlanderschap bezat. Daaruit volgt dat hij geacht moet worden het Nederlanderschap sedert geboorte te bezitten ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.

E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.

Voor E is op 1 april 2003 een nieuwe verliestermijn van 10 jaar gaan lopen. Voor een inmiddels (na aanvankelijk verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig geworden kind van E, dat ook geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dat in zijn geboorteland is blijven wonen, begint de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN te lopen op de dag waarop hij meerderjarig is geworden, maar niet eerder dan op 1 januari 2003.

G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.

Model 2.23. HRWN-CM: Buitenbehandelingstelling verzoek om naturalisatie wegens nietbetaling van naturalisatiegelden

BVVN: artikelen 34.1; 36.1, 39, 46 en 73.1

RWN: artikel 28.

De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voorgenoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.

N.B. Artikel V, tweede lid, RRWN, dat betrekking heeft op herstel in het Nederlanderschap van personen die het Nederlanderschap hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud), is reeds in werking getreden op 1 februari 2001.

RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5

BNT: artikel 7

BVVN: artikelen 34.1; 36.1, 39, 46 en 73.1

Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

De Rijkswetten van 21 december 2000 (Stb. 618) en van 18 april 2002 (Stb. 222) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, zijn beide in werking getreden op 1 april 2003.

N.B. Artikel V, tweede lid, RRWN, dat betrekking heeft op herstel in het Nederlanderschap van personen die het Nederlanderschap hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud), is reeds in werking getreden op 1 februari 2001.

Model 4.1. Verklaring van verbondenheid

De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel.

Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de Gouverneur hebben gemeld (hiervan dient een aspirant-verzoeker een bewijsje te ontvangen) voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, maar door het maken van een afspraak pas na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie kunnen indienen en hierdoor worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):

Model 1.19. HRWN-CM: Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap voor minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Ten aanzien van deze oude verzoeken wordt de verblijfstermijn, inclusief het eventueel illegaal verblijf, dus beoordeeld aan de hand van een uittreksel uit de PIVA, zonodig aangevuld met door de verzoeker te overleggen bewijsstukken. De inburgering wordt bij oude verzoeken beoordeeld aan de hand van het inburgeringsgesprek bij de DIMAS. Verzoeken die zijn ingediend vóór 1 april 2003 kunnen ook ná 1 april 2003 nog steeds worden aangehouden wegens onvoldoende beheersing van het Nederlands of het papiamento. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw).

Ook artikel 73 BVVN bepaalt dat het BVVN niet van toepassing is op verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 april 2003. Ten aanzien van oude verzoeken wordt dus géén overlegging verlangd van de volgende documenten:

Model 1.2. HRWN-CM: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Het kan voorkomen dat vreemdelingen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie kunnen indienen bij de Gouverneur, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak moeten maken (of omdat er een andere reden is waarom de Gouverneur het verzoek pas op een later tijdstip wil laten indienen) en daardoor pas op een latere datum de mogelijkheid krijgen om een verzoek om naturalisatie in te dienen.

Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de Gouverneur hebben gemeld (hiervan dient een aspirant-verzoeker een bewijsje te ontvangen) voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, maar door het maken van een afspraak pas na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie kunnen indienen en hierdoor worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):

Het BVVN is niet van toepassing op verzoeken om naturalisatie indien:

De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel.

Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap

Model 1.2. HRWN-CM: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Ten aanzien van deze oude verzoeken wordt de verblijfstermijn, inclusief het eventueel illegaal verblijf, dus beoordeeld aan de hand van een uittreksel uit de PIVA, zonodig aangevuld met door de verzoeker te overleggen bewijsstukken. De inburgering wordt bij oude verzoeken beoordeeld aan de hand van het inburgeringsgesprek bij de DIMAS. Verzoeken die zijn ingediend vóór 1 april 2003 kunnen ook ná 1 april 2003 nog steeds worden aangehouden wegens onvoldoende beheersing van het Nederlands of het papiamento. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw).

Ook artikel 73 BVVN bepaalt dat het BVVN niet van toepassing is op verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 april 2003. Ten aanzien van oude verzoeken wordt dus géén overlegging verlangd van de volgende documenten:

Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.6. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Bijlage 4

Model 1.8. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN

Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen

paragraaf 2.4. Niet bijzondere gevallen

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

paragraaf 5. Samenvatting

11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid

paragraaf 3. Kind geboren tijdens optie- of naturalisatieprocedure ouder(s)

paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

Artikel 14

paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a

Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

14-9. Toelichting ad artikel 14, negende lid

2.4.1. Rechten Unieburgerschap

2.4.1. Rechten Unieburgerschap

paragraaf 1. Algemeen

2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

2.2.1. Rechten Unieburgerschap

2.2.3. Individueel belang

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

2.2.6. Weging belangen

14-4. Ad artikel 14, vierde lid

2.2.4. Algemeen belang

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

Paragraaf 2.1. Belangenafweging

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

2.2.3. Individueel belang

2.2.2. Bewijslast

Paragraaf 2.1. Belangenafweging

2.2.6. Weging belangen

Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

Artikel 15

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging

3.1. Rechten Unieburgerschap

paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging

Paragraaf 1. Algemeen

3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 1. Algemeen

16a-alg. Toelichting algemeen

3.2. Bewijslast

3.3. Individueel belang

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

De TOS bevat bepalingen op grond waarvan ook na 25 november 1975 (datum onafhankelijkheid Suriname) de Surinaamse nationaliteit (van rechtswege of door optie) kan worden verkregen. Artikel 2, eerste lid, TOS bepaalt dat verkrijging van de Surinaamse nationaliteit ingevolge de TOS verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft. Daarmee is duidelijk dat een Nederlander, die ingevolge één van de bepalingen van de TOS de Surinaamse nationaliteit verkrijgt, zijn Nederlanderschap verliest, zulks ongeacht het bepaalde in artikel 15, tweede lid, RWN. Overigens kan op grond van de TOS de Surinaamse nationaliteit thans alleen nog maar worden verkregen op grond van artikel 7 TOS.

Model 1.15. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij optie

Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van artikel 16, eerste lid, RWN – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.

Model 1.30. HRWN-CM: Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

Model 1.7. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN

Model 1.14-1b. HRWN-CM: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Oostenrijkse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Model 1.15. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij optie

Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.8. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.

Model 1.4. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Bij de toepassing van deze bepaling moet ervan worden uitgegaan dat de huidige redactie terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1985. Dit ondanks het feit dat deze bepaling met ingang van 1 april 2003 in de wet is opgenomen.

Met deze bepaling wordt voorkomen dat indien de onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bedoelde ouder van Nederlandse nationaliteit reeds is overleden op het moment waarop krachtens artikel 16, eerste lid, RWN verlies van het Nederlanderschap zou intreden, een minderjarige zijn Nederlanderschap verliest door de werking van artikel 16, eerste lid, RWN. Zie de voorbeelden vermeld onder artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.

Model 1.3. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.3. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

Artikel 16A RWN, welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen.

Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt – op onderdelen – niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Omdat sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij is bij het Tweede Protocol wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.

RWN: artikel 24.1

RWN: artikel 24.1

Model 1.12. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.3. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

De Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie kan ook het al dan niet bezitten van het Nederlanderschap op een bepaald tijdstip vaststellen. Dit geldt ook ten aanzien van een reeds overleden persoon. (Bijvoorbeeld: iemand heeft recht op een uitkering wanneer is aangetoond dat hij tussen 10 mei 1940 en 15 augustus 1945 Nederlander was. Heeft hij beroep aangetekend tegen een beschikking waarbij hem die uitkering is geweigerd, dan kan hij zich niet daarnaast tot de Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie wenden.)

De Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie hoort het Openbaar Ministerie. Van de beschikking van de rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie staat uitsluitend beroep in cassatie open. Is een beschikking onherroepelijk geworden, dan is elk orgaan dat is belast met de uitvoering van enige wettelijke regeling (korter gezegd: de administratie) daaraan gebonden.

RWN: artikelen 6; 7.1 en 9.1b

BVVN: artikelen 2; 7; 13; 19; 25; 33; 39; 45; 51 en 63

Geen.

BVVN: artikelen 12.1; 18.1; 24.1; 30.1 en 64.1

De in artikel 21 RWN bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)

Hoofdstuk I van het BVVN bevat algemene bepalingen, hoofdstuk II handelt over de administratieve behandeling van optieverklaringen, hoofdstuk III over de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie (inclusief de administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting), hoofdstuk IV over het bewijs van Nederlanderschap, hoofdstuk V over verlies van het Nederlanderschap door afstand en intrekking wegens fraude en het niet nakomen van de afstandsverplichting en hoofdstuk VI bevat overgangs- en slotbepalingen.

Op grond van artikel 2 BVVN en artikel 63 BVVN zijn de volgende autoriteiten bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen, verzoeken om naturalisatie en verklaringen van afstand van het Nederlanderschap:

In de artikelen 7, 13, 19, 25, 33, 39, 45 en 51 BVVN wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.

Verder zijn aldaar registers aanwezig met betrekking tot:

RWN: artikelen 6.2; 8; 9.1b; 14.1; 15.1d en 28

BVVN: artikelen 12.1; 18.1; 24.1; 30.1 en 64.1

Geen.

Model 1.20. HRWN-CM: Formulier zienswijze naamsvaststelling voor minderjarigen vanaf 12 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef

Model 1.23. HRWN-CM: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.24. HRWN-CM: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamsvaststelling kind(eren)

Model 1.25. HRWN-CM: Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’ tevens inverzuimstelling;

Model 1.26. HRWN-CM: Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.19. HRWN-CM: Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap voor minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.20. HRWN-CM: Formulier zienswijze naamsvaststelling voor minderjarigen vanaf 12 jaar (als minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 1.21. : Brief verzoek om instemming (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarige(n) van 16 jaar of ouder)

Model 1.33. HRWN-CM: Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)

Model 1.34. HRWN-CM: Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft / hebben verkregen

Model 1.35. HRWN-CM: Uitwisselingsformulier

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Model 1.36. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden vastgesteld ter uitvoering van deze rijkswet.

RWN: artikelen 8.1d; 13.1; 13.2 en 21

De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.

De Rijkswet op het Nederlanderschap is ingrijpend gewijzigd bij Rijkswet van 21 december 2000, (Stb. 618) en van 18 april 2002 (Stb. 222). Beide wijzigingswetten zijn in werking getreden op 1 april 2003, met uitzondering van artikel V, tweede lid, RRWN, welke bepaling ingevolge het koninklijk besluit van 21 december 2000 (Stb. 2001, 2) reeds in werking trad op 1 februari 2001.

Model 1.36. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid

Model 1.40. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, RWN

Model 1.34. HRWN-CM: Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft / hebben verkregen

Geen.

Model 1.42. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l, RWN

Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die na de inwerkingtreding van deze bepaling gedurende een periode van tenminste tien jaren onderdaan is van de Staat van de andere nationaliteit.

De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Ingevolge artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg indien de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.70Artikel 15A, aanhef en onder a, RWN (tweede volzin) is de opneming van de bepalingen van het Tweede Protocol in de Nederlandse nationale wetgeving. Het artikel (en dus ook de tweede volzin) is niet van toepassing op oud-Nederlanders die voor 1 april 2003 het Nederlanderschap op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatburg hebben verloren doordat ze de nationaliteit van een andere verdragsstaat vrijwillig hebben verkregen. Dat geldt eveneens indien zij de Franse of Italiaanse nationaliteit vrijwillig hebben verkregen. Artikel 26 RWN biedt voor deze categorie geen herstelmogelijkheid. Voor oud-Nederlanders die voor 1 april 2003 de Franse of Italiaanse nationaliteit vrijwillig hebben verkregen, ligt toepassing van artikel 10 RWN in de rede, indien zij tenminste behoren tot een van de categorieën uit het Tweede Protocol, ook genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. In dat geval moet de verkrijging van de Franse of Italiaanse nationaliteit welhebben plaatsgehad na opneming van de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het betreffende nationale recht.

Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de PIVA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of artikel 15, aanhef en onder a, RWN kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De Gouverneur zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.

Model 1.40. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, RWN

Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in artikel 26, eerste lid, RWN bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.

Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6 RWN.

Model 1.49. HRWN-CM: Optieverklaring minderjarige op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.52. HRWN-CM: Verzoek om advies in verband met evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap

Sedert 1 april 2003 luidt de redactie van artikel 3, derde lid, RWN:

Model 1.56. HRWN-CM: Brief ‘zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger’ omtrent herkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Op grond van artikel 3, eerste lid, RWN is een kind Nederlander indien de vader of de moeder Nederlander is ten tijde van de geboorte van het kind (zie de toelichting bij artikel 3 RWN). Dit was anders vóór de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985. Volgens de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892 (Stb. 268) ontleende een kind de Nederlandse nationaliteit in de meeste gevallen immers alleen aan de vader. Om te voorkomen dat alle kinderen, geboren vóór 1 januari 1985 uit een Nederlandse moeder, met terugwerkende kracht alsnog Nederlander zouden worden, bepaalt artikel 27, eerste lid, RWN dat artikel 3 RWNslechts geldt voor kinderen geboren na de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap, dus op of na 1 januari 1985.

Artikel 3, derde lid, als gewijzigd bij de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap ( Stb. 618 ), is alleen van toepassing op kinderen geboren na de datum van inwerkingtreding van die Rijkswet.

Model 2.6. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie

Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

RRWN: artikel VI

Model 2.4. HRWN-CM Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit(en) bij het verzoek om naturalisatie tot Nederlander

Model 2.5a. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Georgische/Libische/Mauritaanse/Oegandese/Oostenrijkse/Sri Lankaanse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit

N.B. Tot 1 april 2003 konden vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander hadden verloren, nog een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van die wet konden deze vrouwen – ook na inwerkingtreding van de RWN op 1 januari 1985 – onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het uitbrengen van een optie. In overgangsbepaling artikel VI RRWN is bepaald dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.

Model 2.5. HRWN-CM: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese, Oostenrijkse, Sri Lankaanse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.

Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de in het eerste lid genoemde persoon die moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, van dit kind is deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt met betrekking tot hem niet bekendgemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

Model 2.16. HRWN-CM: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamswijziging kind(eren)

‘Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de in het eerste lid genoemde persoon die moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, van dit kind is deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld.’

De moeder of adoptiefmoeder dient de minderjarige kinderen en kindskinderen die zij in de optie wenst te betrekken in de optieverklaring te vermelden. Zij verstrekt over hen, voor zoveel mogelijk, de benodigde gegevens (zie artikel 6, tweede lid, BVVN). Zo zal uit de over te leggen stukken onder meer de identiteit van de optante en de minderjarige (kinds)kinderen én de familierechtelijke relatie tussen (adoptief)moeder en (kinds)kinderen moeten blijken (zie de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). Een kind dat niet uitdrukkelijk in de optieverklaring is vermeld, zal ook niet worden vermeld op de bevestiging en heeft derhalve niet gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap. N.B. Zoals reeds vermeld in de toelichting bij artikel 28, eerste lid, RWN kunnen er ook kinderen zijn die – als gevolg van de terugwerkende kracht van de verkrijging tot de datum van ontbinding van het huwelijk – het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.

Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)

Uit de tekst van dit artikellid volgt dat het vereiste van uitdrukkelijke instemming van het minderjarige kind en de bereidverklaring tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid slechts geldt indien het een kind betreft dat op het moment van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is. Als het kind in de loop van de optieprocedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het zich niet alsnog bereid te verklaren om de verklaring van verbondenheid af te leggen en hoeft het niet alsnog uitdrukkelijk in te stemmen voordat het kan delen in de verkrijging van het Nederlanderschap. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent medeverkrijging van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medeverkrijging, dan wordt de bevestiging van het Nederlanderschap ten aanzien van dit kind geweigerd. De bevestiging wordt ten aanzien van het kind ook geweigerd indien het zich niet bereid verklaart om bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen.

Model 2.21. HRWN-CM: Verklaring ‘geïnformeerd negatief advies’

Model 2.15. HRWN-CM: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamsvaststelling kind(eren)

Gegevens vreemdeling:

N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde. Zie ook de toelichting bij artikel 14 RWN.

Model 2.20. : Verzoek tot verstrekken van gegevens van de Justitiële Documentatie

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.

Model 2.24. : Besluit tot ontheffing betaling naturalisatiegelden

Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN bood wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.

Model 1.2. HRWN-CM: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 moet ten aanzien van de inmiddels overleden F worden aangenomen, dat hij zijn Nederlanderschap niet verloren heeft; met andere woorden hij moet geacht worden als Nederlander te zijn overleden, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort werd afgegeven.

Model 1.14. HRWN-CM: Verklaring verblijf en gedrag

Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)

Voor E is op 1 april 2003 een nieuwe verliestermijn van 10 jaar gaan lopen. Voor een inmiddels (na aanvankelijk verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig geworden kind van E, dat ook geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dat in zijn geboorteland is blijven wonen, begint de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN te lopen op de dag waarop hij meerderjarig is geworden, maar niet eerder dan op 1 januari 2003.

Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

Artikel VII RRWN voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. Artikel 11 RWN vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.

Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voorgenoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.

Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

Artikel VII RRWN voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. Artikel 11 RWN vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.

De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel.

Model 1.7. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN

Ik verklaar de Nederlandse nationaliteit te hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dit artikel luidde tot 1 april 2003.

Deze verklaring strekt tot de medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit van mijn hierna genoemde minderjarige kinderen1doorhalen wat niet van toepassing is..

Model 1.10. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN

Ik verklaar alle gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en geen voor de beoordeling van mijn optieverklaring relevant gegeven te hebben verzwegen. Ik ben mij ervan bewust dat het verstrekken van een onjuist gegeven of het verzwijgen van een relevant gegeven er toe kan leiden dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit wordt ingetrokken, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.

Deze verklaring dient niet als bewijs van de Nederlandse nationaliteit

Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)

Verklaart de Nederlandse nationaliteit te willen herkrijgen.

Ik verklaar de Nederlandse nationaliteit te hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dit artikel luidde tot 1 april 2003.

Deze verklaring strekt tot de medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit van mijn hierna genoemde minderjarige kinderen1doorhalen wat niet van toepassing is..

Zie voor overige gegevens kind(eren) de bijlage bij deze verklaring.

Ik verklaar alle gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en geen voor de beoordeling van mijn optieverklaring relevant gegeven te hebben verzwegen. Ik ben mij ervan bewust dat het verstrekken van een onjuist gegeven of het verzwijgen van een relevant gegeven er toe kan leiden dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit wordt ingetrokken, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.

Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap

Model 1.14. HRWN-CM: Verklaring verblijf en gedrag

Uw vader/moeder/wettelijk vertegenwoordiger1doorhalen wat niet van toepassing is. heeft voor u verzocht om verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. In verband daarmee deel ik u het volgende mee.

Ik stel u in de gelegenheid om binnen drie/... weken na de dag volgend op het versturen van deze brief uw mening over de verkrijging van het Nederlanderschap (1doorhalen wat niet van toepassing is.en/of de vaststelling van uw voor- en/of geslachtsnaam) in persoon naar voren te brengen. U kunt hiervoor een afspraak maken met de Afdeling Burgerzaken, telefonisch bereikbaar onder nummer ..... (telefoonnummer).

Model 1.15. HRWN-CM: Verzoek om naamsvaststelling bij optie

Model 1.16. HRWN-CM: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)

Bijlage 4

Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)

Model 1.11. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

11-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 6. Openbare orde

paragraaf 4. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie

paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit

paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)

paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

2.5. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap

paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit

Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a

Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d

2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN

paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit

2.4.1. Rechten Unieburgerschap

2.2.3. Individueel belang

2.2.2. Bewijslast

paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

Paragraaf 2.1. Belangenafweging

Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid

15a-alg. Toelichting algemeen

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

2.2.2. Bewijslast

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

2.2.6. Weging belangen

Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)