Wijzigingsgeschiedenis

Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling

5 versions · 2022-11-09
2022-11-09
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling — arts. 23, 1, 2018 y 21 más
2014-12-05
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling — arts. 63, 60, 2 y 20 más
2014-10-03
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling — arts. 1, 23, 1 y 6 más
2009-12-03
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling — arts. 1, 1, 1 y 49 más

Wijzigingen op 2009-12-03

@@ -359,271 +359,3 @@
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij een bouwkavel gaat het om een weging van de feiten en omstandigheden in het individuele geval om te bepalen vanaf welk moment sprake is van een woning in aanbouw. Als belastingplichtige een bouwkavel heeft en de bouwkundige werkzaamheden zijn begonnen, dan geldt het volgende. In die situatie kan worden aangenomen dat in ieder geval vanaf zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, sprake is van een woning in aanbouw. De belastingplichtige moet dan wel aannemelijk maken dat die woning in aanbouw vanaf zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, uitsluitend bestemd is om hem in het kalenderjaar of een van de drie daaropvolgende jaren als hoofdverblijf ter beschikking te staan.
### 4. Echtscheidingsregeling
Als de ex-partner binnen die twee jaren de woning verlaat, is niet voldaan aan de voorwaarden van de verhuisregeling. De woning was voor de eigenaar al geen hoofdverblijf meer (voor zijn deel). De woning stond immers na het vertrek van de eigenaar niet leeg.
Voor de renteaftrek geldt als uitgangspunt dat de betaalde hypotheekrente niet hoeft te worden gesaldeerd met de huur. Ondanks de huurbetaling blijft de eigenwoningrente drukken op de vertrekkende partner. Huur is geen (directe) vergoeding voor de betaalde rente, maar een vergoeding voor het gebruik van de woning.
### 5. Awbz-regeling. opname partner in een awbz-instelling
Na verloop van twee jaar geldt de AWBZ-regeling niet meer en is het volgende van belang. Bij niet-tijdelijke opname in de AWBZ-instelling kunnen partners ervoor kiezen om niet als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt. Voor de opgenomen partner zal de AWBZ-instelling het hoofdverblijf zijn, terwijl de ander het hoofdverblijf thuis heeft. De fiscale partners hebben niet hetzelfde hoofdverblijf. Voor de toepassing van de eigenwoningregeling moeten beide echtgenoten gezamenlijk bij de aangifte kiezen dat de echtelijke woning als hoofdverblijf wordt aangemerkt ([artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). Die keuze wordt gemaakt door in het aangiftebiljet bij de eigenwoningvraag de inkomsten in te vullen van de woning waarin de partner nog woont. Omdat de inkomsten uit eigen woning een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel vormen, kunnen zij dit inkomen vrij aan elkaar toerekenen, dus ook aan de partner die in de instelling is opgenomen.
### 6. Uitzendregeling
### 6.1. Eenjaarsbewoningseis
### 6.2. Uitzending en terbeschikkingstelling aan derden
Voor de uitzendregeling mag de woning tijdens de gehele periode van de uitzending (naar het buitenland) niet aan derden ter beschikking worden gesteld. Dit geldt voor elke terbeschikkingstelling aan derden, en dus ook als de woning deels ter beschikking is gesteld, ongeacht de hoogte van de vergoeding.
Kinderen die na uitzending achterblijven zijn in dit kader ook derden.
De hiervoor bedoelde kinderen worden in dit kader niet gezien als derden. Als die kinderen verhuizen, kan de uitzendregeling dus van toepassing blijven.
### 6.3. De woning wordt gebruikt tijdens de vakantie
Als de woning tijdens vakantie in Nederland door de eigenaar wordt gebruikt, kan de uitzendregeling van toepassing blijven. Een van de eisen voor de uitzendregeling is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld ([artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). Alleen eigen gebruik (tijdens vakantie) is dus mogelijk. De uitzendregeling eindigt als de woning hoofdverblijf wordt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001. Bij vakantiegebruik blijft de uitzendregeling van toepassing.
### 7. Ingetrokken regelingen
Het [besluit van 2 november 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026621), nr. CPP2009/998M is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
### 8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
### Inleiding
In dit besluit is het beleid opgenomen over de toepassing van de eigenwoningregeling.
### 1. De eisen voor een eigen woning
In [artikel 3.111, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) is opgenomen onder welke voorwaarden sprake is van een eigen woning. In dat geval is de eigenwoningregeling van toepassing. De voorwaarden zijn cumulatief. Hierna worden de volgende voorwaarden behandeld.
### 1.1. Economische eigendom
Economische eigendom wordt opgevat volgens de gangbare juridische definitie. Voor de eigenwoningregeling geldt een andere invulling van het begrip ‘economische eigendom’ dan voor de overdrachtsbelasting. Voor de eigenwoningregeling hoeft de waardemutatie van de woning de belastingplichtige niet volledig aan te gaan. Wettelijk is immers voor de eigenwoningregeling bepaald dat de waardeverandering de belastingplichtige grotendeels moet aangaan. Vervolgens is limitatief aangegeven in welke andere gevallen dan juridische eigendom sprake kan zijn van een eigen woning, waaronder economische eigendom. Economische eigendom is in dit kader eigenlijk niets anders dan de juridische eigendom zonder levering van de onroerende zaak.
### 1.2. Erfpacht of ondererfpacht
Een woning die de belastingplichtige economisch toebehoort maar die is gebouwd op grond die in erfpacht is uitgegeven, komt in aanmerking voor de eigenwoningregeling. Dit geldt ook voor een woning, die krachtens een recht van opstal op die grond, het eigendom van de belastingplichtige is. Wanneer niet op de grond, maar op de opstal een recht van erfpacht is gevestigd, is er in wezen sprake van een gehuurde woning. In dat geval kan de eigenwoningregeling niet toegepast worden. Als de canon op de opstal eeuwigdurend is afgekocht, is voor de eigenwoningregeling sprake van economische eigendom van de woning.
### 1.2.1. Alleen zakelijke rechten
Een woning op gehuurde grond is geen eigen woning. Dit geldt ook als de woning voor rekening en risico van de huurder is gebouwd. De uitbreiding van de eigenwoningregeling tot situaties van erfpacht en opstal is alleen bedoeld voor de zakelijke rechten van erfpacht en opstal. De eigenwoningregeling geldt ook niet bij een persoonlijk recht van erfpacht. Persoonlijke rechten van erfpacht of opstal zijn huuranaloge rechten die behoren tot de rendementsgrondslag van box 3. Het maakt daarbij niet uit of het persoonlijke recht materieel overeenkomt met het zakelijke recht van erfpacht of opstal.
### 1.2.2. Erfpacht op ondergrond en woning, toch een eigen woning?
Bij erfpacht op ondergrond en woning is in beginsel sprake van huuranalogie waarvoor de eigenwoningregeling niet geldt. Dit kan anders zijn als de waarde van de opstal wordt vergoed.
### 1.2.3. Erfpachtsbepalingen als zekerheidstelling
Soms wordt erfpacht gebruikt voor meer civielrechtelijke zekerheid. Een dergelijke bepaling is weliswaar een inbreuk op de eigendom, maar hoeft op zich geen beletsel te zijn voor de toepassing van de eigenwoningregeling. Uiteraard moet wel worden voldaan aan alle voorwaarden voor de toepassing van de eigenwoningregeling. Een opeenstapeling van inbreuken op het eigendomsbegrip kan er wel toe leiden dat de ‘uitgeklede’ eigendom materieel bezien niet meer kan worden aangemerkt als een voldoende mate van (economische) eigendom.
### 1.3. Belang bij de waardeontwikkeling
Een van de kernpunten van de eigenwoningregeling is dat de koper een belang van ten minste 50% moet hebben bij de waardeontwikkeling van de woning. Het moet daarbij gaan om een belang dat voortvloeit uit het feitelijke (economische) eigendomsrecht op de woning en niet op een belang dat voortvloeit uit bijvoorbeeld contractuele afspraken of opties met betrekking tot een deel van de woning dat niet feitelijk in (economische) eigendom is.
### 1.3.1. De 50%-eis
De eis dat er voldoende economisch belang moet bestaan voor toepassing van de eigenwoningregeling houdt in dat de koper op elk moment vanaf de aankoop van de woning een belang moet hebben van ten minste 50% bij de waardeontwikkeling van de woning, zowel positief als negatief.
### 1.3.2. Tijdelijk geen belang bij de waardeontwikkeling bij verkoop in verband met verhuizing
De verkoper van een eigen woning kan na het ondertekenen van de voorlopige koopovereenkomst tot de juridische eigendomsoverdracht nog tijdelijk in de woning blijven wonen. Hij heeft dan geen belang meer bij de waardeontwikkeling van de woning. Een van de elementen voor de toepassing van de eigenwoningregeling is echter dat de eigenaar de waardeverandering van de woning grotendeels aangaat.
### 1.4. Kosten en lasten moeten drukken op de eigenaar
De kosten en lasten van de woning moeten op belastingplichtige (of zijn partner) drukken ([artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). De belastingplichtige (of zijn partner) moet de kosten en lasten van zijn eigendom betalen die toerekenbaar zijn aan zijn eigen woning.
### 1.4.1. Rentelasten
Bij de kosten en lasten gaat om de eigenaarslasten met betrekking tot de eigen woning en niet om de financieringslasten. Als de verkoper een renteloze of laagrentende lening verschaft, staat dat op zich de toepassing van de eigenwoningregeling niet in de weg.
### 1.4.2. Voorwaardelijke verschuldigdheid
De kosten en lasten drukken niet als ze voorwaardelijk zijn verschuldigd.
### 1.5. Verkoop onder voorwaarden
De voormalige eigenaar kan na de overdracht van de woning aan de nieuwe eigenaar op enigerlei wijze belang houden bij de woning (hierna: verkoop onder voorwaarden). Dit kan een belang zijn in of bij de onroerende zaak zelf, dan wel een (financieel) belang dat voortvloeit uit de voormalige eigendom. Hierna behandel ik de uitgangspunten voor toepassing van de eigenwoningregeling bij verkoop onder voorwaarden. Deze uitgangspunten gelden voor elke verkoop van zowel bestaande als nieuwe woningen.
### 1.5.1. Waardeontwikkeling
De waardeontwikkeling is het verschil tussen de waarde in het economische verkeer op het moment van aankoop van de woning en de waarde in het economische verkeer op het moment van doorverkoop van de woning. Onder waarde in het economische verkeer wordt verstaan de waarde van de woning in onbewoonde staat, zonder rekening te houden met de eventuele voorwaarden. Zo blijft bijvoorbeeld een koperskorting of een aandeel in de waardeontwikkeling van de woning buiten de waardering. De waarden worden door een onafhankelijke makelaar of beëdigd taxateur vastgesteld.
### 1.5.2. Koperskorting
Er is sprake een koperskorting als de koper de woning tegen een lagere prijs aankoopt dan de waarde in het economische verkeer. Deze zogenoemde koperskorting kan expliciet zijn overeengekomen, dan wel impliciet voortvloeien uit een prijsstelling die afwijkt van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak. Als de koperskorting niet hoeft worden terugbetaald of nominaal moet worden terugbetaald, heeft de verkoper in zoverre geen belang bij de waardeontwikkeling behouden.
### 1.5.3. Aflopend anti-speculatiebeding over maximaal 10 jaar, geen cumulatie met 50%-eis
Met name gemeenten kunnen voor gesubsidieerde sociale woningbouw zogenoemde anti-speculatiebedingen opleggen aan de koper. De koper heeft hierdoor in eerste aanleg een kleiner belang dan 50% bij de waardeontwikkeling van zijn woning.
### 1.5.4. De verkoper biedt een voordelige financiering aan
Bij verkoop onder voorwaarden kan ook een voordelige financiering zijn aangeboden. Dit geldt voor bijvoorbeeld zogenoemde startersleningen.
### 1.5.5. Onderhoud van de woning
De verkoper mag beperkt voorwaarden stellen aan het onderhoud van de buitenkant of het casco van de woning. Daarbij gaat het uitsluitend om noodzakelijk onderhoud dat voortvloeit uit overheidsregelingen als bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek c.q. een (plaatselijk) bouwbesluit, dan wel een gemeentelijke verordening. De kosten van het onderhoud dienen uiteraard voor rekening van de koper te komen.
### 1.5.6. Schuldenvrij vertrek
De verkoper kan de koper de garantie geven dat hij bij verkoop in ieder geval schuldenvrij kan vertrekken.
### 1.5.7. Overgangsregeling. Op 4 maart 1999 bestaande situaties worden fiscaal gerespecteerd
Voor woningen die vóór 4 maart 1999 zijn gekocht onder voorwaarden die inmiddels niet meer voldoen gold onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een overgangsregeling. Tijdens de behandeling van de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) is aangegeven dat de uitzonderingssituaties onder de Wet IB 2001 blijven gelden (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 191–192).
### 1.6. Woonverenigingen
Belastingplichtigen kunnen met anderen in hun huisvesting voorzien via een vereniging. De zogenoemde woonvereniging is de (juridisch) eigenaar van het pand waarin de leden wonen. Een lid van de woonvereniging heeft op basis van zijn lidmaatschapsrecht recht op het gebruik van een deel van de woning, inclusief gemeenschappelijke ruimten (zijn woongedeelte). De eigenwoningregeling kan voor een lid gelden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 477). Hierna behandel ik de toepassing van de eigenwoningregeling in deze situatie. De vraag of de eigenwoningregeling van toepassing is, wordt beoordeeld vanuit de positie van het lid van de woonvereniging. De positie van de woonvereniging is daaraan ondergeschikt. De verenigingsakte is het startpunt. Voor de uiteindelijke beoordeling is uiteraard van belang of er in de praktijk, bijvoorbeeld in het huishoudelijke reglement, door nadere bepalingen wordt afgeweken van de akte. Uiteraard worden alle nadere bepalingen in de beoordeling betrokken.
### 1.6.1. Kosten en lasten
Voor de eigenwoningregeling moeten de kosten en lasten van het woongedeelte van het lid op dat lid drukken. Het lid moet de reële kosten en lasten betalen die betrekking hebben op zijn woongedeelte. De eigenwoningregeling geldt niet als de kosten (mede) worden vastgesteld op basis van de financiële draagkracht van de leden.
### 1.6.2. Het belang bij de waardeontwikkeling bij een woonvereniging
Voor de eigenwoningregeling moet het lid de waardeverandering van zijn woongedeelte grotendeels aangaan. Vooraf moet vaststaan dat het lid tijdens zijn bezitsperiode een belang heeft van tenminste 50% in de daadwerkelijke waardeontwikkeling van zijn woongedeelte.
### 1.6.3. De betaling bij toetreding van het lid
Voor de eigenwoningregeling is van belang dat er een aankoopsom is betaald voor het woongedeelte dat door het lid wordt bewoond. Zie ook voorbeeld 4 onder onderdeel 1.3.
### 1.6.4. De waardevaststelling
Soms wordt de (ver)koopsom vastgesteld met een taxatie die een bepaalde periode geldig blijft, al dan niet gecorrigeerd met indexcijfers. Ook komt het voor dat de waarde per verenigingsbalansdatum aan het begin of het einde van het jaar wordt gehanteerd. Dergelijke bepalingen zijn slechts acceptabel als daaraan is gekoppeld dat de vereniging of een uittredend lid altijd kan laten hertaxeren, zonodig met een geschillenregeling. Partijen moeten uitgaan van de prijs die bindend is vastgesteld. Niet acceptabel is een taxatie die gedurende een bepaalde periode geldt en waaraan de vereniging of een uittredend lid altijd is gebonden. In dat geval is onvoldoende gewaarborgd dat het lid in zijn bezitsperiode de feitelijke waardeverandering aangaat van zijn woongedeelte. Bij toetreding heeft een lid de vrije keuze om tegen de gevraagde prijs lid van de woonvereniging te worden, zodat sprake is van marktwerking.
### 1.6.5. Uitbetaling aan het vertrekkende lid
Bij overdracht aan de vereniging wordt het vertrekkende lid niet altijd direct bij uittreden betaald, maar bijvoorbeeld na 6 maanden. Een rentevergoeding ligt voor de hand, maar is niet noodzakelijk. De renteloosheid heeft geen gevolgen voor de toepassing van de eigenwoningregeling.
### 1.7. Kosten van groot onderhoud niet aftrekbaar
Soms moeten bezitters van een eigen woning hoge tot zeer hoge onderhoudskosten maken. Het gaat bijvoorbeeld om een dure reparatie van een flatgebouw in verband met betonrot of om een reparatie aan de fundering van een woning wegens verzakking. Een verzoek om met toepassing van de hardheidsclausule deze kosten als aftrekbare kosten in aftrek toe te laten, wijs ik af.
### 1.8. Zekerheid over toepassing van de eigenwoningregeling
### 2.1. Geen persoonlijke gebruiksrechten
### 2.2. Begrip ‘krachtens erfrecht’
Een vruchtgebruik dat onderdeel was van de nalatenschap is niet ‘krachtens erfrecht**’ verkregen**.
X en Y zijn gehuwd buiten gemeenschap van goederen. X bezit de echtelijke woning. X overlijdt. In het testament is bepaald dat het vruchtgebruik van de nalatenschap aan Y wordt gelegateerd tegen inbreng van de blote eigendom van vermogensbestanddelen van Y. [Artikel 3.111, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111), ziet op een recht van vruchtgebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft gekregen. Hieronder valt ook een vruchtgebruiklegaat tegen inbreng van een waarde. De eigenwoningregeling geldt dus voor Y.
### 2.4. Overgangsregeling voor oude rechten van vruchtgebruik van vóór 2001 die nog niet zijn gevestigd
### 2.6. Gevolgen van aan de kinderen overgedragen blote eigendom van de woning
De eigenwoningregeling is niet van toepassing als ouders tijdens hun leven de blote eigendom van hun woning overdragen aan hun kinderen. De woning behoort zowel voor de ouders als voor de kinderen tot de rendementsgrondslag van box 3. Ook een eventuele (hypotheek)schuld wordt in aanmerking genomen in box 3.
### 2.7. Blote eigenaar (kind) en vruchtgebruiker (ouder) wonen samen en kiezen voor fiscaal partnerschap
De eigenwoningregeling geldt niet bij verhuur van de te koop staande woning. De woning en de daarop betrekking hebbende schuld gaat dan van box 1 over naar box 3. Hierdoor is de hypotheekrenteaftrek niet langer van toepassing voor die woning. Ook is door de overgang de bijleenregeling van toepassing. Bij einde verhuur blijft de woning in box 3. Wel is een maatregel aangekondigd voor de herleving van de aftrek van hypotheekrente na einde verhuur (de brief van 31 augustus 2009, nr. AFP/2009/0495U). Die regeling geldt (per 2010) indien het aangekondigde wetsvoorstel wet is geworden.
### 3.1. Woning te koop of leeg of in aanbouw in het buitenland
Voor personen die niet in Nederland wonen, is een verhuisregeling alleen van toepassing als woning als eigen woning in de zin van [artikel 3.111 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) in de Nederlandse belastingheffing is of wordt betrokken.
### 3.2. De tweejaarsperiode
Door de formulering van [artikel 3.111, tweede of derde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) kan de tweejaarsperiode in zijn uitwerking langer zijn dan een periode van 24 maanden.
### 3.3. Woonvereniging. Overdracht aan de vereniging of het nieuw toetredende lid
Meestal worden bij vertrek door een lid van de woonvereniging de rechten uit het lidmaatschap overgedragen aan de vereniging. Het woongedeelte is dan overgegaan aan de vereniging zodat de eigenwoningregeling niet meer geldt. Vanaf de overdracht is de verhuisregeling van [artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111), niet van toepassing. Renteaftrek is vanaf dat moment ook niet meer mogelijk, ongeacht of het vertrekkende lid zijn aankoopsom of andere bedragen geheel of gedeeltelijk van de vereniging heeft ontvangen. Als het aan de woonvereniging overgedragen gedeelte niet aan een nieuw lid is overgedragen, hebben ook de zittende leden geen recht op renteaftrek over dat gedeelte. Hierop bestaat één uitzondering, namelijk als één of meer van de zittende leden het woongedeelte in gebruik heeft of hebben genomen. Renteaftrek is dan mogelijk mits het betreffende lid zelf daarvoor een lening heeft afgesloten.
### 3.4. Eigenwoningregeling bij erfgenamen
De woning die de erfgenamen, die geen partner of huisgenoot waren van de erflater, na het overlijden te koop aanbieden, is voor de erfgenamen geen eigen woning. De woning stond in zo'n geval de erfgenamen niet ter beschikking als hoofdverblijf ([artikel 3.111, tweede lid, van de wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). De erfgenamen hebben vanaf datum overlijden dus geen eigen woning. De rente voor de financiering van de woning over de periode na overlijden is voor hen dan ook niet aftrekbaar. De woning behoort voor hen tot de rendementsgrondslag van box 3, evenals de door hen geërfde eigenwoningschuld van de erflater. Door arrest van de Hoge Raad van 8 december 1993, nr. 28 742, BNB1994/66c* is er geen aftrek van eigenwoningrente in box 1. Dit arrest betrof ook een geërfde woning die te koop stond en voor de erflater een eigen woning was. Voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd de woning voor de erfgenamen weliswaar aangemerkt als een bron van inkomen, maar niet als een eigen woning. Deze bron van inkomen hoort, evenals de daarop betrekking hebbende schuld, onder de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) voor de erfgenamen tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
### 3.5. Woz-waarde in jaar van verhuizing naar nieuwbouwwoning
De goedkeuring geldt voor het kalenderjaar waarin de nieuwe woning is gekocht en de twee daaropvolgende jaren.
### 3.7. Woning in aanbouw
In twee arresten van 3 oktober 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet geen hypotheekrenteaftrek toestaat voor een woning tot het moment van heien of het leggen van de fundering (ECLI:NL:HR:2014:2872 en ECLI:NL:HR:2014:2873). De Hoge Raad geeft hiermee een uitleg aan het begrip woning in aanbouw in de zin van [artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111). In de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2015 heb ik namens het kabinet gereageerd op deze arresten (Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 10, blz. 37–38). De Hoge Raad heeft naar de mening van het kabinet in de genoemde arresten terecht geoordeeld dat in die concrete situatie geen sprake is van een woning in aanbouw voor de eigenwoningregeling. Een stuk grond waarbij de belanghebbende enkel de intentie heeft om te gaan bouwen, kwalificeert ook naar de opvatting van het kabinet niet als zodanig. De uitleg van de Hoge Raad van het begrip woning in aanbouw in de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) in meer algemene zin is echter een andere dan die de wetgever bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 voor ogen heeft gestaan. De wetgever beoogde ook in de situatie dat concrete stappen zijn gezet waaruit naar redelijke verwachting valt aan te nemen dat de bouwwerkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen, sprake te laten zijn van een woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001. Deze uitleg van het begrip woning in aanbouw voor de eigenwoningregeling wordt in de praktijk ook toegepast door de Belastingdienst.
Ik keur goed dat in afwijking van de genoemde arresten ook sprake kan zijn van een woning in aanbouw in de zin van [artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) als er voldoende concrete stappen zijn gezet op grond waarvan naar redelijke verwachting valt aan te nemen dat de bouwkundige werkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen.
### 4. Echtscheidingsregeling
De zogenoemde echtscheidingsregeling geldt voor de belastingplichtige die zijn eigen woning heeft verlaten zolang zijn ex-partner de woning als hoofdverblijf heeft. De eigenwoningregeling wordt dan nog maximaal twee jaar toegepast ([artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). Bij toepassing van de echtscheidingsregeling wordt het eigenwoningforfait normaal toegepast ([artikel 3.112 van de wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.112)). Als de voordelen hoger zijn dan de aftrekbare kosten, geldt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ([artikel 3.123a van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.123a)).
### 4.1. Verhuur aan ex-partner
### 5. Awbz-regeling. opname partner in een awbz-instelling
### 6. Uitzendregeling
In [artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111), is de zogenoemde uitzendregeling opgenomen. De uitzendregeling is niet beperkt tot woningen in Nederland. Voor personen die vóór de uitzending naar Nederland niet in Nederland woonden, is de uitzendregeling echter slechts van toepassing als de buitenlandse woning vóór de immigratie als hoofdverblijf in de Nederlandse belastingheffing is betrokken.
### 6.1. Eenjaarsbewoningseis
### 6.2. Uitzending en terbeschikkingstelling aan derden
### 7. Ingetrokken regelingen
### 8. Inwerkingtreding
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Goedkeuring 1 kan voor 2019 evenmin worden toegepast, omdat niet wordt voldaan aan voorwaarde 3.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat in de bijzondere situatie dat goedkeuring 1 in een belastingjaar is toegepast, maar in de daaropvolgende belastingjaren niet kan worden toegepast omdat alleen niet is voldaan aan voorwaarde 1 van goedkeuring 1, de uitzendregeling toch in de daaropvolgende belastingjaren kan worden toegepast.
Hierna volgen twee voorbeelden ter toelichting van goedkeuring 2.
**2018**
De woning wordt geacht in 2018 niet ter beschikking te zijn gesteld aan een derde, omdat de persoon die door de uitzending van de belastingplichtige niet meer kwalificeert als fiscale partner in de woning is blijven wonen. Daarnaast wordt voldaan aan de drie voorwaarden van goedkeuring 1, omdat:
**2019**
Goedkeuring 1 kan voor 2019 niet worden toegepast, omdat de belastingaanslag over 2019 op 23 oktober 2020 al onherroepelijk vaststaat.
Goedkeuring 2 kan voor 2019 wél worden toegepast, omdat:
**De belastingplichtige is ongehuwd en is op 1 januari 2018 voor drie jaar voor zijn werk uitgezonden naar het buitenland. Zijn zoon (30 jaar) is om niet in de woning blijven wonen. Zijn partner, die tot aan het moment van uitzending kwalificeerde als fiscale partner, is meegegaan naar het buitenland. Zijn partner keert op 24 juni 2019 terug naar de woning. Tot 1 januari 2018 was de woning een eigen woning op basis van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001. De belastingaanslag over 2018 staat op 23 oktober 2020 nog niet onherroepelijk vast, maar de belastingaanslag over 2019 wel. Op 1 mei 2022 doet de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering voor de belastingaanslag over 2019.**
Van 1 januari 2018 tot 24 juni 2019 wordt de woning alleen ter beschikking gesteld aan de zoon. Vanaf 24 juni 2019 wordt de woning ter beschikking gesteld aan de zoon en aan de partner.
**2018**
De woning wordt geacht in 2018 niet ter beschikking te zijn gesteld aan een derde, omdat een kind van de belastingplichtige in de woning is blijven wonen. Daarnaast wordt voldaan aan de drie voorwaarden van goedkeuring 1, omdat:
**2019**
Goedkeuring 1 kan voor 2019 niet worden toegepast, omdat de belastingaanslag over 2019 op 23 oktober 2020 al onherroepelijk vaststaat.
Goedkeuring 2 kan tot 24 juni 2019 wél worden toegepast, omdat:
Goedkeuring 2 kan echter vanaf 24 juni 2019 niet meer worden toegepast, omdat niet meer wordt voldaan aan voorwaarde 1 en 2. Goedkeuring 1 is in 2018 namelijk niet toegepast voor de partner en omdat de partner vanaf 24 juni 2019 in de woning is gaan wonen, heeft zich een omstandigheid voorgedaan op basis waarvan niet meer aan de voorwaarden van [artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) wordt voldaan.
Dit betekent dat alleen de zoon voor de toepassing van de uitzendregeling niet wordt aangemerkt als derde en de belastingaanslag over 2019 deels (tot 24 juni 2019) ambtshalve wordt verminderd.
De tijdelijke verhuurregeling van [artikel 3.111, zevende lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) geldt bij uitzending niet. De tijdelijke verhuurregeling is namelijk alleen van toepassing wanneer het hoofdverblijf niet wordt verplaatst, zoals bij vakanties en kortstondig verblijf in het buitenland. De tijdelijke verhuurregeling is niet van toepassing als een andere woning het hoofdverblijf is. Bij de uitzendregeling is het hoofdverblijf verplaatst.
### 6.3. De woning wordt gebruikt tijdens de vakantie
Als de woning tijdens vakantie in Nederland door de eigenaar wordt gebruikt, kan de uitzendregeling van toepassing blijven. Een van de eisen voor de uitzendregeling is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld ([artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111)). Alleen eigen gebruik (tijdens vakantie) is dus mogelijk. De uitzendregeling eindigt als de woning hoofdverblijf wordt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001. Bij vakantiegebruik blijft de uitzendregeling van toepassing.
### 7. Ingetrokken regelingen
Het [besluit van 2 november 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026621), nr. CPP2009/998M is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
### 8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
2009-12-03
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling
original version Tekst op deze datum