Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 9:20 en 9:21, is van overeenkomstige toepassing op schriftelijke verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan van het openbaar lichaam zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen met dien verstande dat in artikel 9:36, eerste lid, voor «artikel 5.1 van de Wet open overheid» wordt gelezen: artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES.
Artikel 107
De eilandsraden kunnen voor de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen.
Een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke ombudscommissie kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.
De instelling van een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke ombudscommissie kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien de eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
Artikel 108
Indien de eilandsraden een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gezamenlijke ombudsman of de gezamenlijke ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
§ 2. De gezamenlijke ombudsman
Artikel 109
Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een gezamenlijke ombudsman benoemen zij deze voor de duur van zes jaar.
De eilandsraden benoemen een plaatsvervangend gezamenlijke ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend gezamenlijke ombudsman van overeenkomstige toepassing.
De gezamenlijke ombudsman wordt door de eilandsraden ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 110, eerste lid;
- d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
- f. indien hij naar het oordeel van de eilandsraden ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
De eilandsraden stellen de gezamenlijke ombudsman op non-actief indien hij:
- a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 110
De gezamenlijke ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op de gezamenlijke ombudsman.
Artikel 111
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de gezamenlijke ombudsman in de vergadering van een bij zijn benoeming aan te wijzen eilandsraad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di ombudsman mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo ombudsman segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed ombudsman.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as ombudsman in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 112
Op voordracht van de gezamenlijke ombudsman benoemen de bestuurscolleges het personeel van de gezamenlijke ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.
De gezamenlijke ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.
Het personeel van de gezamenlijke ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de gezamenlijke ombudsman een onderzoek kan instellen.
Het personeel van de gezamenlijke ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de gezamenlijke ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.
Artikel 113
De gezamenlijke ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de eilandsraden.
Artikel 114
De gezamenlijke ombudsman ontvangt een bij eilandsverordening van de eilandsraden vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
§ 2. De gezamenlijke ombudsman
Artikel 115
Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een gezamenlijke ombudscommissie, stellen zij het aantal leden van de gezamenlijke ombudscommissie vast.
De eilandsraden benoemen de leden van de gezamenlijke ombudscommissie voor de duur van zes jaar.
De eilandsraden benoemen uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de gezamenlijke ombudscommissie.
Artikel 116
De gezamenlijke ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de eilandsraden.
Op de gezamenlijke ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen 109, derde en vierde lid, 110, 111, 112 en 114 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling VII. De commissies
Artikel 117
De eilandsraad kan eilandsraadscommissies instellen die besluitvorming van de eilandsraad kunnen voorbereiden en met het bestuurscollege of de gezaghebber kunnen overleggen. Hij regelt daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop de leden van de eilandsraad inzage hebben in stukken waaromtrent door een eilandsraadscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een eilandsraadscommissie.
Bij de samenstelling van een eilandsraadscommissie zorgt de eilandsraad, voor zover het de benoeming betreft van leden van de eilandsraad, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen.
Een lid van de eilandsraad is voorzitter van een eilandsraadscommissie.
De artikelen 20 en 22 tot en met 24 zijn van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een eilandsraadscommissie, met dien verstande dat in artikel 20 voor «gezaghebber» wordt gelezen «voorzitter van een eilandsraadscommissie».
Artikel 118
De eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber kan andere commissies dan de commissies, bedoeld in artikel 117, eerste lid, instellen.
De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een door de eilandsraad ingestelde andere commissie. Leden van de eilandsraad zijn geen lid van een door het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie.
De eilandsraad, het bestuurscollege onderscheidenlijk de gezaghebber regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van de vergaderingen. Artikel 24, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op vergaderingen met gesloten deuren van een door de eilandsraad ingestelde andere commissie.
Artikel 19 van de Bekendmakingswet is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
Artikel 119
Vervallen
Afdeling VIII. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de eilandsraad en de commissies
Artikel 120
De leden van de eilandsraad en de leden van de eilandsraad aan wie ingevolge artikel Ya 13 juncto artikel X 10 van de Kieswet ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een bij eilandsverordening van de eilandsraad vast te stellen vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
De eilandsraad kan bij eilandsverordening regels stellen over de tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en over andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de eilandsraad.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de eilandsraad dat met inachtneming van artikel 14, tweede lid, tevens eilandgedeputeerde is.
De eilandsverordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
Artikel 121
De leden van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van de eilandsraad of het bestuurscollege, een door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde vergoeding:
- a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en
- b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen het openbaar lichaam.
In bijzondere gevallen kan de eilandsraad bij eilandsverordening bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een commissie als bedoeld in artikel 118, een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 122
Aan de leden van de eilandsraad en de personen, genoemd in artikel 121, eerste lid, vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het grondgebied van het openbaar lichaam ter uitvoering van een beslissing van het eilandsbestuur, slechts plaats overeenkomstig door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde regels.
Artikel 122a
De eilandsverordeningen, bedoeld in de artikelen 120 tot en met 122, worden aan de Rijksvertegenwoordiger gezonden.
Artikel 123
Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van de eilandsraad en de van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van het openbaar lichaam.
Voordelen ten laste van het openbaar lichaam, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover dat is bepaald bij of krachtens de wet dan wel bij eilandsverordening van de eilandsraad. De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
Afdeling IX. De eilandsecretaris en de eilandgriffier
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 124
In ieder openbaar lichaam is een eilandsecretaris en een eilandgriffier.
Een eilandsecretaris is niet tevens eilandgriffier.
Artikel 125
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de eilandsecretaris en de eilandgriffier.
§ 2. De eilandsecretaris
Artikel 126
Het bestuurscollege benoemt de eilandsecretaris. Hij is tevens bevoegd de eilandsecretaris te schorsen en te ontslaan.
Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van de eilandsecretaris behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of de regels, bedoeld in artikel 168, tweede lid.
Artikel 127
De eilandsecretaris staat het bestuurscollege, de gezaghebber en de door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
Het bestuurscollege stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de eilandsecretaris.
Artikel 128
De eilandsecretaris is in de vergadering van het bestuurscollege aanwezig.
Artikel 129
Het bestuurscollege regelt de vervanging van de eilandsecretaris.
De artikelen 124, tweede lid en 125 tot en met 128 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de eilandsecretaris vervangt.
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 130
De eilandsraad benoemt de eilandgriffier. Hij is tevens bevoegd de eilandgriffier te schorsen en te ontslaan.
Artikel 131
De eilandgriffier staat de eilandsraad en de door de eilandsraad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
De eilandsraad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de eilandgriffier.
Artikel 132
De eilandgriffier is in de vergadering van de eilandsraad aanwezig.
Artikel 133
De eilandsraad regelt de vervanging van de eilandgriffier.
De artikelen 124, tweede lid, 125, 130 tot en met 132 en 135 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de eilandgriffier vervangt.
Artikel 134
De eilandsraad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.
De eilandsraad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
Artikel 135
Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of de regels die door de eilandsraad zijn vastgesteld voor benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren.
Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 136
De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van het openbaar lichaam wordt aan het eilandsbestuur overgelaten.
Regeling en bestuur kunnen van het eilandsbestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen aan het eilandsbestuur en het aan het eilandsbestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet is toegekend.
Onverminderd de artikelen 138, vijfde lid, en 213, vierde lid, worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken openbare lichamen blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
Artikel 137
Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen de openbare lichamen.
Artikel 138
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a. plan: een beslissing die een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het eilandsbestuur te nemen besluiten of te verrichten andere handelingen, ten einde een of meer doelstellingen te bereiken;
- b. beleidsverslag: een schriftelijke rapportage betreffende het door het eilandsbestuur gevoerde beleid op een of meer beleidsterreinen dan wel op onderdelen daarvan en de samenhang daarbinnen of daartussen.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan vanwege het Rijk van het eilandsbestuur slechts worden gevorderd in bij de wet te bepalen gevallen.
Een verplichting als bedoeld in het tweede lid geldt voor ten hoogste vier jaren, tenzij de wet anders bepaalt.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan vanwege het Rijk in andere dan bij de wet bepaalde gevallen voor een termijn van ten hoogste vier jaar van het eilandsbestuur worden gevraagd als onderdeel van de regeling van een tijdelijke bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 92, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van de voorgeschreven procedure wordt van een eilandsbestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is aangegeven hoe de financiële gevolgen ervan voor het openbaar lichaam worden gecompenseerd.
Dit artikel is niet van toepassing op de begroting en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 17, onderscheidenlijk artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 139
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
- a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen het beleid van het openbaar lichaam en het beleid van het Rijk, of
- b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit noodzakelijk maakt.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
- a. het eilandsbestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in zijn inhoudelijke of financiële beleidsruimte;
- b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de te verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor het betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
- c. integratie met een bestaand plan of een bestaand beleidsverslag dan wel met de begroting of de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 17, onderscheidenlijk artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba mogelijk is;
- d. het bevorderen van de samenhang in het beleid in de openbare lichamen door onderlinge afstemming van onderdelen daarvan onmogelijk wordt;
- e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens artikel 138 en dit artikel, wordt die afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
§ 2. Bestuursdwang
Artikel 140
Het eilandsbestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het bestuurscollege, indien de last dient tot handhaving van regels welke het eilandsbestuur uitvoert.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de gezaghebber, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116, 5:1 tot en met 5:10 en titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing met dien verstande dat in artikel 4:116 voor «het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» wordt gelezen: het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
De titels X en XI van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
- a. de machtiging, bedoeld in artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt verleend door:
- 1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het tweede lid;
- 2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde lid;
- b. het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt uitgegeven door de gezaghebber;
- c. het schriftelijk verslag omtrent het binnentreden, bedoeld in artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt toegezonden aan:
- 1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het tweede lid;
- 2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde lid.
Artikel 141
In geval van toepassing van artikel 231 kan de Rijksvertegenwoordiger een last onder bestuursdwang opleggen namens het eilandsbestuur en ten laste van het openbaar lichaam. Artikel 140, vierde en vijfde lid, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de machtiging, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, wordt verleend door de Rijksvertegenwoordiger, het legitimatiebewijs, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt uitgegeven door de Rijksvertegenwoordiger en dat het schriftelijk verslag, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, wordt toegezonden aan de Rijksvertegenwoordiger.
Het openbaar lichaam heeft in dat geval voor het bedrag van de te zijnen laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116 en 5:10 van de Algemene wet bestuursrecht zijn alsdan van toepassing.
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 142
Vervallen
Artikel 143
Vervallen
Artikel 144
Vervallen
Artikel 145
Vervallen
Artikel 146
Vervallen
Artikel 147
Vervallen
§ 3. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
Artikel 148
Op termijnen gesteld in een eilandsverordening zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing, tenzij in de eilandsverordening anders is bepaald.
Afdeling II. De bevoegdheid van de eilandsraad
Artikel 149
Eilandsverordeningen worden door de eilandsraad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de eilandsraad krachtens de wet aan het bestuurscollege of de gezaghebber is toegekend.
De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, eerste lid, berusten bij de eilandsraad.
De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, tweede lid, berusten bij het bestuurscollege, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de eilandsraad of de gezaghebber zijn toegekend.
Artikel 150
Een lid van de eilandsraad kan een voorstel voor een eilandsverordening of een ander voorstel ter behandeling in de eilandsraad indienen.
De eilandsraad regelt op welke wijze een voorstel voor een eilandsverordening wordt ingediend en behandeld.
De eilandsraad regelt op welke wijze en onder welke voorwaarden een ander voorstel wordt ingediend en behandeld.
De eilandsraad neemt geen besluit over een voorstel dan nadat het bestuurscollege in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
Artikel 151
Een lid van de eilandsraad kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering van de eilandsraad geagendeerde ontwerp-eilandsverordening of ontwerp-beslissing indienen.
Artikel 150, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
De eilandsraad maakt de eilandsverordeningen die hij in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt.
Artikel 153
Indien het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van een voorschrift van een eilandsverordening, dat strekt tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen vereist dat de met het toezicht op de naleving of de opsporing belaste personen bevoegd zijn binnen te treden in een woning zonder toestemming van de bewoner, kan de eilandsraad deze bevoegdheid bij eilandsverordening verlenen.
Artikel 154
De eilandsraad stelt een eilandsverordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid van het openbaar lichaam worden betrokken.
Artikel 155
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
De gezaghebber gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie.
De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de gezaghebber de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
De gezaghebber brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de eilandsraad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.
Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de gezaghebber de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 156
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. De gezaghebber bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de eilandsverordening is bepaald. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
De gezaghebber stelt, na overleg met de officier van justitie, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
De gezaghebber bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de handhaving van de openbare orde worden vastgelegd.
De verwerking van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, is een verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens, met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de gegevens, bedoeld in het zesde lid, indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat strafbare feit kunnen worden verwerkt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld omtrent:
- a. de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
- b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en
- c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.
Artikel 157
De eilandsraad kan op overtreding van zijn eilandsverordeningen en van het bestuurscollege waaraan ingevolge artikel 166 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Indien een krachtens het eerste lid strafbaar gestelde overtreding van voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten staan van motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten, bedoeld in artikel 56 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
Het tweede lid geldt niet, indien de eigenaar of houder:
- a. de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt;
- b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, zijn overtredingen.
Artikel 158
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om door de gezaghebber aangewezen groepen van personen, op een door de gezaghebber aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
- a. jegens personen die een door de raad bij eilandsverordening vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in artikel 178, groepsgewijs niet naleven, en
- b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de gezaghebber de beslissing tot ophouding niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
De gezaghebber laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het vierde lid, na te leven.
De gezaghebber draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een verslag van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de ophouding wordt opgesteld.
De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van twaalf uren.
De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de op te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels hieromtrent worden gesteld.
De gezaghebber draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten bewijze dat zij zijn opgehouden.
De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn niet van toepassing op de beschikking tot ophouding.
Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85 van de Wet administratieve rechtspraak BES wordt gedaan:
- a. wordt, in afwijking van artikel 86 van de van de Wet administratieve rechtspraak BES, de verzoeker die is opgehouden zo mogelijk nog tijdens zijn ophouding door de voorzieningenrechter gehoord;
- b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van artikel 86 van de Wet administratieve rechtspraak BES onmiddellijk na het horen van partijen uitspraak, en
- c. wordt, in afwijking van artikel 17 en artikel 81 van de Wet administratieve rechtspraak BES, geen griffierecht geheven.
Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de voorzieningenrechter tevens de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding jegens verzoeker.
Indien de voorzieningenrechter een of meer verzoeken toewijst op de grond dat de beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig oordeel onrechtmatig is, kan hij bepalen dat alle personen die op basis van de betrokken beschikking zijn opgehouden, onverwijld in vrijheid worden gesteld.
Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van een beroep tegen de beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 7 van de Wet administratieve rechtspraak BES.
Artikel 159
Een lid van de eilandsraad kan het bestuurscollege of de gezaghebber mondeling of schriftelijk vragen stellen.
Een lid van de eilandsraad kan de eilandsraad verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in artikel 20, tweede lid, om het bestuurscollege of de gezaghebber hierover inlichtingen te vragen. De eilandsraad stelt hierover nadere regels.
Artikel 160
De eilandsraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het bestuurscollege of de gezaghebber gevoerde bestuur instellen.
Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de eilandsraad worden gewijzigd.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de eilandsraad in te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de eilandsraad.
De artikelen 23, 24, vierde en vijfde lid, 117, derde lid, 119a en 119c zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.
De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de eilandsraad.
Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek is artikel 19 van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.
Alvorens de eilandsraad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij eilandsverordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
Artikel 161
Leden en gewezen leden van de eilandsraad, de gezaghebber en gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en gewezen eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van de gezamenlijke rekenkamer, leden en gewezen leden van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 160 nodig is.
Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de vordering voldaan.
Ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in artikel 160 alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen.
Artikel 162
Personen als bedoeld in artikel 161 zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord.
Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te verlenen.
De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.
De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.
Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt gehoord.
Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen, behalve in het geval van een strafrechtelijke procedure naar meineed, niet als bewijs in rechte gelden.
Artikel 163
Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief, houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt.
De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn verplichting te voldoen.
Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
Artikel 164
Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of is geweest.
Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
De gezaghebber en gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en gewezen eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van een door het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het bestuurscollege aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 161 en artikel 162 te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.
De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het bestuurscollege, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de gezaghebber gevoerde bestuur, door de gezaghebber.
Artikel 165
Het bestuurscollege neemt de door de eilandsraad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerp-begroting.
Artikel 166
De eilandsraad kan aan het bestuurscollege bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
De eilandsraad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:
- a. de instelling van de gezamenlijke rekenkamer;
- b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in artikel 160, eerste lid, en artikel 165a, eerste lid;
- c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in artikel 15 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 29 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- e. het stellen van straf op overtreding van eilandsverordeningen;
- f. de vaststelling van de eilandsverordeningen, bedoeld in artikelen 34, eerste lid en 38, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- h. de heffing van andere belastingen dan de precariobelasting, bedoeld in artikel 60 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de rechten, genoemd in artikel 62 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De bevoegdheid tot het vaststellen van eilandsverordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de eilandsraad slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hem in zijn eilandsverordeningen aangewezen onderwerpen.
Artikel 19 van de Bekendmakingswet is van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
Artikel 167
De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de eilandsraad, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 166 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Artikel 168
Het bestuurscollege is in ieder geval bevoegd:
- a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet de eilandsraad of de gezaghebber hiermee is belast;
- b. beslissingen van de eilandsraad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de gezaghebber hiermee is belast;
- c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, met uitzondering van de organisatie van de griffie;
- d. ambtenaren, niet zijnde de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te bevorderen, te schorsen en te ontslaan;
- e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten;
- f. te besluiten namens het openbaar lichaam, het bestuurscollege of de eilandsraad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de eilandsraad, voor zover het de eilandsraad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
- g. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging;
- h. jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen.
Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden genomen op grond van door het bestuurscollege vastgestelde regels inzake de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van ambtenaren. Deze regels bevatten in ieder geval de gronden voor deze besluiten.
Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behoeven de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, die is neergelegd in de regels, bedoeld in het tweede lid.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.
Het bestuurscollege neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
Artikel 169
Het bestuurscollege kan een in het openbaar lichaam dienstdoende ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten.
Artikel 170
Het bestuurscollege kan een of meer leden van het bestuurscollege machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuurscollege uitgeoefend.
Het bestuurscollege kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.
Artikel 171
Het bestuurscollege en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de eilandsraad verantwoording schuldig over het door het bestuurscollege gevoerde bestuur.
Zij geven de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Zij geven de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
Zij geven de eilandsraad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 168, eerste lid, onderdeel e, f, g en h, indien de eilandsraad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor het openbaar lichaam. In het laatste geval neemt het bestuurscollege geen besluit dan nadat de eilandsraad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuurscollege te brengen.
Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 168, eerste lid, onderdeel f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de eilandsraad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Artikel 172
De gezaghebber ziet toe op:
- a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid van het openbaar lichaam en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn betrokken;
- b. een goede samenwerking van het openbaar lichaam met de andere openbare lichamen en andere overheden;
- c. de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie;
- d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
- e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het eilandsbestuur.
De gezaghebber bevordert de bestuurlijke integriteit van het openbaar lichaam.
De gezaghebber bevordert overigens een goede behartiging van de aangelegenheden van het openbaar lichaam.
Artikel 173
De gezaghebber vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.
De gezaghebber kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
Artikel 174
De gezaghebber is belast met de handhaving van de openbare orde.
De gezaghebber is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.
De gezaghebber is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.
Artikel 175
De gezaghebber heeft het opperbevel bij brand alsmede bij ongevallen anders dan bij brand voor zover de brandweer daarbij een taak heeft.
De gezaghebber is bevoegd bij brand en ongevallen, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van gevaar nodig zijn.
Artikel 176
De gezaghebber is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
De gezaghebber is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
De gezaghebber is belast met de uitvoering van eilandsverordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 177
De gezaghebber kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien:
- a. door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord;
- b. door ernstig geweld, of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het lokaal of op het erf of in de onmiddellijke nabijheid van het erf, de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring;
- c. door het aantreffen in de woning of het lokaal of op het erf van een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenwet BES de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.
De in het eerste lid, aanhef, genoemde bevoegdheid komt de gezaghebber eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid, onderdeel a, is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken.
De gezaghebber bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling of het ontstaan van de ernstige verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.
Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de ernstige verstoring van de openbare orde wordt beëindigd of voorkomen. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116, 5:10 en 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 178
In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de gezaghebber bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.
De gezaghebber laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.
Artikel 179
Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid zich voordoet, kan de gezaghebber algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze. Indien bekendmaking van deze voorschriften geschiedt op andere wijze dan door plaatsing in het afkondigingsblad van het openbaar lichaam, wordt van deze voorschriften zo spoedig mogelijk na bekendmaking mededeling gedaan in het afkondigingsblad.
De gezaghebber brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de eilandsraad, van de Rijksvertegenwoordiger en van de officier van justitie, hoofd van het parket in eerste aanleg.
De voorschriften vervallen, indien zij niet door de eilandsraad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, worden bekrachtigd.
Indien de eilandsraad de voorschriften niet bekrachtigt, kan de gezaghebber binnen vierentwintig uren administratief beroep instellen bij de Rijksvertegenwoordiger. Deze beslist binnen twee dagen. Gedurende de beroepstermijn en de behandeling van het administratief beroep blijven de voorschriften van kracht.
De Rijksvertegenwoordiger kan de werking van de voorschriften opschorten zolang zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit onmiddellijk de werking van de voorschriften.
Zodra een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid, zich niet langer voordoet, trekt de gezaghebber de voorschriften in. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 180
De gezaghebber is bevoegd door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
- a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen van een bevel als bedoeld in artikel 178 of van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 179, groepsgewijs niet naleven, en
- b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
Artikel 158, derde tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
De gezaghebber kan een in het openbaar lichaam dienstdoende ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten.
Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten ingevolge de artikelen 155, 158, 174, 175, 176, tweede lid, 177, 178, 179 en 180 en tot uitvoering van beslissingen van de eilandsraad.
Artikel 182
De gezaghebber is aan de eilandsraad verantwoording schuldig over het door hem gevoerde bestuur.
Hij geeft de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Hij geeft de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
Artikel 183
De gezamenlijke rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen gevoerde bestuur. Een door de gezamenlijke rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)