Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Op verzoek van een of meer eilandsraden kan de gezamenlijke rekenkamer een onderzoek instellen.
Artikel 184
De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd alle documenten die berusten bij de eilandsbesturen te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak nodig acht.
Het eilandsbestuur verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de gezamenlijke rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.
Indien de zorg voor een administratie aan een derde is uitbesteed, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de administratie van de betrokken derde dan wel van degene die de administratie in opdracht van die derde voert.
Artikel 185
De gezamenlijke rekenkamer heeft de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten aanzien van de volgende instellingen en over de volgende periode:
- a. samenwerkingslichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan de openbare lichamen deelnemen, over de jaren dat door de openbare lichamen aan de regeling wordt deelgenomen;
- b. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan een openbaar lichaam meer dan vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, over de jaren dat het desbetreffende openbaar lichaam meer dan vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
- c. andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan een openbaar lichaam of een derde voor rekening en risico van het openbaar lichaam rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt ten bedrage van ten minste vijftig procent van de baten van deze instelling, over de jaren waarop deze subsidie, lening of garantie betrekking heeft.
De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd bij de betrokken instelling nadere inlichtingen in te winnen over de jaarrekeningen, daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd en overige documenten met betrekking tot die instelling die bij het eilandsbestuur berusten. Indien een of meer documenten ontbreken, kan de gezamenlijke rekenkamer van de betrokken instelling de overlegging daarvan vorderen.
De gezamenlijke rekenkamer kan, indien de documenten, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, bij de betrokken instelling dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de instelling voert, een onderzoek instellen, waaronder een onderzoek naar het gevoerde bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. De gezamenlijke rekenkamer stelt de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbare lichaam van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis.
Artikel 186
De gezamenlijke rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel vast in rapporten, met dien verstande dat hierin niet worden opgenomen gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
De gezamenlijke rekenkamer deelt aan de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam en, indien van toepassing, aan de betrokken instelling, de opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar aanleiding van haar bevindingen van belang acht. Aan de eilandsraad of het bestuurscollege kan zij ter zake voorstellen doen.
De gezamenlijke rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden over het voorgaande jaar. Het verslag wordt door de gezamenlijke rekenkamer aan de eilandsraden en de bestuurscolleges van de openbare lichamen gezonden.
De gezamenlijke rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten aan de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbare lichaam. Indien zij met toepassing van artikel 38, elfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een onderzoek heeft ingesteld, zendt de gezamenlijke rekenkamer tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken instelling.
De rapporten en de verslagen van de gezamenlijke rekenkamer zijn openbaar.
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling I. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 187
Er is een Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn zetel in een bij koninklijk besluit te bepalen openbaar lichaam.
Artikel 188
De Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes jaar.
Alvorens Onze Minister een voordracht als bedoeld in het eerste en tweede lid doet, wint hij over de voor te dragen persoon het gevoelen in van de bestuurscolleges van de openbare lichamen.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister gegevens inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en inzake strafbeschikkingen als bedoeld in artikel 76 van die wet, voor zover deze boeten en beschikkingen zijn opgelegd dan wel hadden kunnen worden opgelegd ter zake van feiten die zijn gebleken na de termijn om deze op te leggen.
Artikel 189
De Rijksvertegenwoordiger kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
Artikel 190
De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden geschorst.
Onze Minister kan, in afwachting van het besluit omtrent schorsing, bepalen dat de Rijksvertegenwoordiger zijn functie niet uitoefent.
Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 191
Voor de benoembaarheid tot Rijksvertegenwoordiger is het Nederlanderschap vereist.
Artikel 192
Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de Rijksvertegenwoordiger in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
In geval van herbenoeming wordt de eed (verklaring en belofte) in handen van de Koning of in handen van Onze Minister, daartoe door de Koning gemachtigd, afgelegd.
Artikel 193
De Rijksvertegenwoordiger geniet een bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld. De bezoldiging komt ten laste van de begroting van Onze Minister.
Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van Rijksvertegenwoordiger.
Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet de Rijksvertegenwoordiger als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van het Rijk.
De Rijksvertegenwoordiger geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde van het ambt van Rijksvertegenwoordiger. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de Rijkskas.
Tot vergoedingen als bedoeld in het vijfde lid, behoren inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de Rijksvertegenwoordiger neerlegt bij beëindiging van het ambt.
Andere inkomsten dan die bedoeld in het vijfde lid worden met de bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de Rijksvertegenwoordiger gegevens over de inkomsten, bedoeld in het zevende lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister ten behoeve van de verrekening de benodigde gegevens.
Artikel 194
De Rijksvertegenwoordiger vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
De Rijksvertegenwoordiger meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger, aan Onze Minister.
De Rijksvertegenwoordiger maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger, openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot Rijksvertegenwoordiger of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzaggelegging van een opgave van de functies op het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in artikel 202, eerste lid.
De Rijksvertegenwoordiger maakt tevens de inkomsten uit de nevenfuncties, bedoeld in het derde lid, openbaar. Openbaarmaking geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 195
De Rijksvertegenwoordiger is niet tevens:
- a. minister;
- b. staatssecretaris;
- c. lid van de Raad van State;
- d. lid van de Algemene Rekenkamer;
- e. Nationale ombudsman;
- f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
- g. lid van een eilandsraad;
- h. gezaghebber;
- i. eilandgedeputeerde;
- j. lid van het kiescollege;
- k. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
- l. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
- m. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- n. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
- o. lid van provinciale staten;
- p. commissaris van de Koning;
- q. gedeputeerde van een provincie;
- r. lid van een gemeenteraad;
- s. burgemeester;
- t. wethouder.
Artikel 196
De Rijksvertegenwoordiger mag niet:
- a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur;
- b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur;
- c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met een openbaar lichaam aangaan van:
- 1°. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
- 2°. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan een openbaar lichaam;
- d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:
- 1°. het aannemen van werk ten behoeve van een openbaar lichaam;
- 2°. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een openbaar lichaam;
- 3°. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan een openbaar lichaam;
- 4°. het verhuren van roerende zaken aan een openbaar lichaam;
- 5°. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van een openbaar lichaam;
- 6°. het van een openbaar lichaam onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
- 7°. het onderhands huren of pachten van een openbaar lichaam.
Artikel 197
Het ambt van Rijksvertegenwoordiger ontheft van alle bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
Artikel 198
De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn werkelijke woonplaats in één van de openbare lichamen.
Onze Minister kan voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in één van de openbare lichamen te hebben.
Artikel 199
Indien de Rijksvertegenwoordiger langer dan zes weken buiten de openbare lichamen wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van Onze Minister.
De Rijksvertegenwoordiger die buiten de openbare lichamen verblijft kan door Onze Minister wegens dringende redenen van dienstbelang worden teruggeroepen.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijn, genoemd in het eerste lid.
Artikel 200
Bij verhindering of ontstentenis van de Rijksvertegenwoordiger wordt het ambt van Rijksvertegenwoordiger waargenomen door de waarnemend Rijksvertegenwoordiger.
De waarnemend Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
Ten aanzien van de waarnemend Rijksvertegenwoordiger zijn de artikelen 188, tweede, derde en vierde lid, 189 tot en met 192, 194 tot en met 196, 198 en 199 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 201
De toekenning van een vergoeding aan de waarnemend Rijksvertegenwoordiger wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 202
Voor zijn ondersteuning beschikt de Rijksvertegenwoordiger over een Bureau, dat hem bijstaat bij de uitoefening van zijn taken.
De bezoldiging van de medewerkers van het Bureau, alsmede de bekostiging van de overige apparaatsuitgaven van het Bureau komen ten laste van de begroting van Onze Minister.
De medewerkers van het Bureau worden door de Rijksvertegenwoordiger benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.
Artikel 203
Voor zover dit niet bij wet is geschied, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger en de waarnemend Rijksvertegenwoordiger regels vastgesteld betreffende:
- a. benoeming, herbenoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie en ontslag;
- b. onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
- c. aanspraken in geval van ziekte;
- d. bescherming bij de arbeid;
- e. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die regeling behoeven.
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Artikel 204
De Rijksvertegenwoordiger is in ieder geval belast met:
- a. het rapporteren aan Onze Minister wie het aangaat over aangelegenheden dan wel bijzondere bevindingen die de openbare lichamen betreffen;
- b. het goedkeuren van besluiten houdende benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van eilandsambtenaren;
- c. het goedkeuren van besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden;
- d. het doen van een aanbeveling tot benoeming en een voorstel tot herbenoeming van de gezaghebber;
- e. het goedkeuren van de eilandsverordeningen bedoeld in de artikelen 14, vijfde lid, 35, vierde lid, 105, tweede lid, en 123, tweede lid;
- f. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in de artikelen 16, tweede lid en 85, tweede lid;
- g. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de openbare lichamen werkzame rijksambtenaren onderling en met de eilandsbesturen;
- h. het voorleggen aan Onze Minister wie het aangaat van besluiten en niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van de eilandsbesturen die naar zijn mening voor vernietiging in aanmerking komen;
- i. het voorzien in de waarneming van de gezaghebber indien hij dat in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt;
- j. al het overige ter bevordering van goed bestuur in de openbare lichamen.
Bij de wet kan de Rijksvertegenwoordiger worden belast met andere taken dan de taken, genoemd in het eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 205
De Rijksvertegenwoordiger is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister wie het aangaat.
Onze Minister wie het aangaat kan de Rijksvertegenwoordiger de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de aan hem toegekende taken en bevoegdheden. Alvorens een aanwijzing te geven treedt Onze Minister wie het aangaat in overleg met Onze Minister.
De Rijksvertegenwoordiger verstrekt Onze Minister wie het aangaat desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden.
Artikel 206
De eilandsbesturen alsmede de onder hen ressorterende diensten en ambtenaren verlenen op verzoek van de Rijksvertegenwoordiger hun medewerking bij de uitoefening van de hem toegekende taken.
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Artikel 207
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger doen het bestuurscollege desgevraagd mededeling van hun standpunten en voornemens met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 208
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger bieden het bestuurscollege desgevraagd de gelegenheid tot het plegen van overleg met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 209
Onze Minister wie het aangaat stelt de betrokken bestuurscolleges of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen termijn, in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent voorstellen van wet, ontwerpen van algemene maatregel van bestuur of ontwerpen van ministeriële regeling waarbij:
- a. van de openbare lichamen regeling of bestuur wordt gevorderd;
- b. in betekenende mate wijziging wordt gebracht in de taken en bevoegdheden van het eilandsbestuur.
Voorstellen als bedoeld in het eerste lid bevatten in de bijbehorende toelichting een weergave van de gevolgen voor de inrichting en werking van de openbare lichamen en een weergave van het in het eerste lid bedoelde oordeel van de betrokken bestuurscolleges of representatieve instantie.
Onverminderd het eerste en tweede lid stelt Onze Minister wie het aangaat de betrokken bestuurscolleges of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen termijn, vooraf in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent:
- a. ingrijpende beleidsvoornemens, die uitsluitend op de openbare lichamen betrekking hebben;
- b. beleidsvoornemens ten aanzien van de openbare lichamen om op ingrijpende wijze af te wijken van regelgeving die van toepassing is in het Europese deel van Nederland.
Onze Minister wie het aangaat is niet verplicht vooraf het in het eerste en derde lid bedoelde oordeel in te winnen indien zulks ten gevolge van dringende omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval wordt het oordeel zo spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt.
Artikel 210
Een wet waarbij van de eilandsbesturen regeling of bestuur wordt gevorderd of waarbij in betekenende mate wijziging wordt gebracht in taken en bevoegdheden van de eilandsbesturen, wijkt van het bepaalde in deze wet niet af dan wanneer dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
Het voorstel voor een wet als bedoeld in het eerste lid bevat in de bijbehorende toelichting de gronden voor de voorgestelde afwijking.
Artikel 211
Onze Minister is belast met de coördinatie van het rijksbeleid dat de openbare lichamen raakt. Hij bevordert voorts de beleidsvrijheid van het eilandsbestuur.
Over maatregelen en voornemens die van betekenis zijn voor het rijksbeleid inzake de openbare lichamen treden Onze Ministers onder wier verantwoordelijkheid die maatregelen en voornemens tot stand komen in een vroegtijdig stadium in overleg met Onze Minister.
Onze Minister maakt bedenkingen kenbaar tegen een maatregel of een voornemen voor zover hem die maatregel of dat voornemen met het oog op het door de regering gevoerde decentralisatiebeleid niet toelaatbaar voorkomt.
Artikel 212
Onze Minister bevordert de decentralisatie ten behoeve van de openbare lichamen.
Voorstellen van maatregelen waarbij bepaalde aangelegenheden tot rijksbeleid worden gerekend, worden slechts gedaan indien het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door de eilandsbesturen kan worden behartigd.
Artikel 213
Over al hetgeen het openbaar lichaam betreft dient het bestuurscollege Onze Ministers en de Rijksvertegenwoordiger desgevraagd van bericht en raad, tenzij dit uitdrukkelijk van de gezaghebber wordt verlangd.
Artikel 214
Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen geregeld waarin het bestuurscollege verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan Onze Minister wie het aangaat. Daarbij kan worden bepaald dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven ten behoeve van de toepassing van de wet of de algemene maatregel van bestuur.
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, na overleg met Onze Minister, kan worden bepaald dat in die maatregel te omschrijven gegevens ten behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden verstrekt.
Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van informatie en de inwinning daarvan worden bij algemene maatregel van bestuur nadere algemene regels gesteld.
Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van informatie en de inwinning daarvan, alsmede omtrent de verstrekking en inwinning van incidentele informatie, wordt, voorzover dat niet bij wet geschiedt, bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoe de financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking worden gecompenseerd.
De voordrachten voor de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het derde en het vierde lid, worden gedaan door Onze Minister.
Artikel 215
De bevoegdheid tot het maken van eilandsverordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten of algemene maatregelen van bestuur is voorzien, gehandhaafd, voor zover de eilandsverordeningen met die wetten en algemene maatregelen van bestuur niet in strijd zijn.
Artikel 216
De bepalingen van eilandsverordeningen in wier onderwerp door een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen.
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 1. Goedkeuring
Artikel 217
Beslissingen van eilandsbesturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
Op de goedkeuring van beslissingen van eilandsbesturen is afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 218
Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van State is gehoord. De toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt in dat geval plaats voordat het ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht. Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Schorsing en vernietiging
Artikel 219
Op de schorsing en vernietiging van beslissingen van eilandsbesturen zijn afdeling 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het eilandsbestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
Artikel 221
De gezaghebber zendt elk eilandsbesluit van algemene strekking, dat niet is bekendgemaakt in het afkondigingsblad van het openbaar lichaam, binnen twee dagen na de bekendmaking daarvan aan de Rijksvertegenwoordiger.
Artikel 222
Indien een besluit naar het oordeel van de Rijksvertegenwoordiger voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen na de bekendmaking van het besluit, of, indien het betreft een besluit als bedoeld in artikel 221, binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de Rijksvertegenwoordiger is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
Artikel 223
Indien een besluit naar het oordeel van de gezaghebber voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van de Rijksvertegenwoordiger, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
De Rijksvertegenwoordiger zendt de stukken, vergezeld van zijn advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de gezaghebber toe aan Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 222, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 224
Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
Artikel 225
Indien een bekendgemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het eilandsbestuur kennisgegeven in het afkondigingsblad.
Artikel 226
De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet van toepassing.
Artikel 227
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 228
Het eilandsbestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
Artikel 229
In afwijking van artikel 3, eerste lid onderdeel a, en tweede lid van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 220 binnen zes weken nadat het besluit is bekendgemaakt beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Artikel 230
Wanneer de eilandsraad bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet het bestuurscollege daarin.
Artikel 231
Wanneer het bestuurscollege of de gezaghebber bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet de Rijksvertegenwoordiger daarin namens het bestuurscollege of de gezaghebber en ten laste van het openbaar lichaam.
Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat het bestuurscollege, onderscheidenlijk de gezaghebber in de gelegenheid is gesteld binnen een door de Rijksvertegenwoordiger gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen te nemen.
Artikel 232
Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 5 en 149 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een openbaar lichaam zijn taken grovelijk verwaarloost.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 233
De gedragscode, bedoeld in artikel 16, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 94d, wordt vastgesteld uiterlijk in de kalendermaand voorafgaande aan de eerstvolgende verkiezing van de leden van de Eerste Kamer na de inwerkingtreding van de wet 14 februari 2018 tot wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet in verband met de introductie van kiescolleges voor de Eerste Kamer voor de Caribische openbare lichamen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer (Stb. 2018, 58).
Artikel 234
Artikel 119 zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van Artikel IV van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur blijft van toepassing op stukken waarop voor die datum geheimhouding is opgelegd op grond van dat artikel.
Artikel 235
Vervallen
Artikel 236
Vervallen
Artikel 237
Vervallen
Artikel 238
Vervallen
Artikel 239
Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 240
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 240a
Wijzigt deze wet.
Artikel 241
Deze wet wordt aangehaald als: Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 94a
Het aantal leden van het kiescollege is in het openbaar lichaam Bonaire, in het openbaar lichaam Sint Eustatius en in het openbaar lichaam Saba gelijk aan het aantal leden van de eilandsraad van dat openbaar lichaam, bedoeld in artikel 9.
Artikel 94b
De gezaghebber is voorzitter van het kiescollege.
Artikel 94c
Voor het lidmaatschap van het kiescollege is vereist dat men Nederlander en ingezetene van het openbaar lichaam is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.
Artikel 11, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 94d
Op het kiescollege en zijn leden zijn de artikelen 13, 14, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h, j en k, 15, 16, derde lid, 17 tot en met 21, 22, eerste lid, 23 tot en met 31, 33, 34 en 88 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 15 in plaats van «de eilandsraad», «koseho insular» en «the island council» telkens wordt gelezen «het kiescollege», «kolegio elektoral», onderscheidenlijk «the electoral committee».
Artikel 94e
De leden van het kiescollege ontvangen een door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde vergoeding als bedoeld in 121, eerste lid, onderdelen a en b.
De artikelen 121, derde lid, 122a en 123 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94f
De eilandgriffier, bedoeld in artikel 130, of de vervanger van de eilandgriffier, bedoeld in artikel 133, eerste lid, staat het kiescollege bij de uitoefening van zijn taak terzijde.
De artikelen 131, tweede lid, en 132 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling V. De gezamenlijke rekenkamer
Afdeling VI. De ombudsfunctie
§ 1. Algemene bepalingen
§ 3. De gezamenlijke ombudscommissie
Afdeling VII. De commissies
Afdeling VIIa. Geheimhouding
Afdeling IX. De eilandsecretaris en de eilandgriffier
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De eilandsecretaris
§ 3. De eilandgriffier
Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
§ 2. Bestuursdwang
§ 4. Termijnen
Afdeling II. De bevoegdheid van de eilandsraad
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 1. Goedkeuring
§ 1. Goedkeuring
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 165a
De eilandsraad kan tezamen met de eilandsraden van de andere deelnemende openbare lichamen aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 125, eerste of tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op voorstel van een van de eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.
Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door de eilandsraad of eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen.
Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de eilandsraden gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 124 en 125, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.
Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan deelnemende openbare lichamen.
De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.
De artikelen 23 en 119, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.
De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.
De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de eilandsraden, bedoeld in het eerste lid.
Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek, is artikel 19 van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, derde lid, 21 en 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
Artikel 165b
De artikelen 161 tot en met 165 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 165a, met dien verstande dat:
- a. in de artikelen 161 tot en met 164 voor «onderzoekscommissie» telkens wordt gelezen: gemeenschappelijke onderzoekscommissie;
- b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 161, eerste lid, en 162, eerste lid, ook van toepassing zijn op de ambtenaren en gewezen ambtenaren aangesteld door of vanwege het bestuur van een samenwerkingslichaam als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aangesteld of daaraan ondergeschikt;
- c. bij de toepassing van artikel 161, derde lid, voor «het eilandbestuur» wordt gelezen «het eilandbestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 124 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, het bestuur van een samenwerkingslichaam als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 160» wordt gelezen: artikel 165a;
- d. bij de toepassing van artikel 164, derde lid, voor «door of vanwege het bestuurscollege» wordt gelezen: door of vanwege het bestuurscollege of het bestuur van een samenwerkingslichaam, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 124 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die uitsluitend of mede is getroffen door bestuurscolleges of gezaghebbers.
- e. bij de toepassing van artikel 164, vierde lid, voor «de gezaghebber gevoerde bestuur, door de gezaghebber» wordt gelezen: de gezaghebber of het bestuur van een samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in artikel 125 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de gezaghebber of het bestuur van een samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan.
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling I. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 1. Goedkeuring
§ 2. Schorsing en vernietiging
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling VIII. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de eilandsraad en de commissies
Afdeling IX. De eilandsecretaris en de eilandgriffier
§ 1. Algemene bepalingen
§ 3. De eilandgriffier
Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepalingen
§ 2. Bestuursdwang
§ 2. Bestuursdwang
§ 4. Termijnen
Afdeling II. De bevoegdheid van de eilandsraad
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling I. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 1. Goedkeuring
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 119a
De eilandsraad, het bestuurscollege, de gezaghebber en een commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII, kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.
Artikel 119b
De eilandsraad kan informatie ten aanzien waarvan krachtens artikel 24, vijfde lid, een verplichting tot geheimhouding geldt of zij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan het bestuurscollege, de gezaghebber, de gezamenlijke rekenkamer en een commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII.
Het bestuurscollege kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan de eilandsraad, de gezamenlijke rekenkamer en een commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII.
De gezaghebber kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan de eilandsraad, het bestuurscollege, de gezamenlijke rekenkamer en een commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII.
Een commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII, kan informatie ten aanzien waarvan zij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan de eilandsraad, het bestuurscollege, de gezaghebber en de gezamenlijke rekenkamer.
Indien het bestuurscollege of de gezaghebber overeenkomstig het tweede of derde lid informatie verstrekt aan een commissie waarin leden van de eilandsraad zitting hebben, verstrekt het bestuurscollege of de gezaghebber die informatie tevens aan de eilandsraad.
Indien het bestuurscollege, de gezaghebber of een commissie overeenkomstig het tweede, derde of vierde lid informatie verstrekt aan de eilandsraad, kan de eilandsraad die informatie verstrekken aan anderen. De eilandsraad kan regels stellen over het verstrekken van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding is opgelegd door het bestuurscollege, de gezaghebber of een commissie en die tevens aan de eilandsraad is verstrekt.
Artikel 119c
Een verplichting tot geheimhouding wordt vermeld op het stuk ten aanzien waarvan de geheimhouding geldt. Indien de geheimhouding geldt ten aanzien van informatie anders dan in schriftelijke vorm, wordt de verplichting op een passende wijze kenbaar gemaakt.
Een verplichting tot geheimhouding wordt in acht genomen door allen die van de informatie kennis dragen.
Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft. Indien de verplichting tot geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting tevens worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld.
Indien informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt aan de eilandsraad is verstrekt, duurt die verplichting in afwijking van het derde lid voort totdat de eilandsraad haar opheft.
Een lid van de eilandsraad of van een door de eilandsraad ingestelde commissie als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling VII, dat in strijd handelt met het tweede lid kan bij besluit van de eilandsraad ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van het ontvangen van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt.
Afdeling VIII. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de eilandsraad en de commissies
Afdeling IX. De eilandsecretaris en de eilandgriffier
§ 2. De eilandsecretaris
§ 3. De eilandgriffier
Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
§ 3. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
§ 4. Termijnen
Afdeling II. De bevoegdheid van de eilandsraad
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling I. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 2. Schorsing en vernietiging
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)