Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Als aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de vreemdeling geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel moet worden nagegaan of de vreemdeling, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b (ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict) beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.

Ook wanneer een vreemdeling zijn politieke overtuiging pas verkondigt na vertrek uit zijn land van herkomst, kan hij refugié sur place worden. Dit kan het geval zijn als hij aannemelijk maakt dat de overtuiging al bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat:

2.6.5. Artikel 1E

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.6.2. Artikel 1B

2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag

2.6.4. Artikel 1D

2.6.1. Algemeen

2.6.2. Artikel 1B

Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

Bijvoorbeeld is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op staatloze Palestijnen in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden omdat zij onder het mandaat vallen van de UNRWA. In het geval een Palestijn het mandaatgebied van de UNRWA zelfstandig verlaat, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat voor deze persoon automatisch een verblijfsvergunning voor bescherming moet worden verleend. In gevallen waarin de personen het mandaatgebied hebben verlaten en in een ander land bescherming vragen dient een individuele beoordeling van de aanvraag om bescherming plaats te vinden.

De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.

2.7. Terugzending (refoulement)

Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.

3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling

De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.

3.1. Foltering of onmenselijke behandeling

Op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU, kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.

3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden

Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07

4. De beoordeling van aanvragen om bescherming

Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU, aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.

4. De beoordeling van aanvragen om bescherming

Een aanvraag om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling indien aannemelijk is dat de openbare lichamen niet het eerste land van ontvangst zijn omdat de vreemdeling:

4.2. Toetsingsvolgorde

Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Ook bij de toetsing aan artikel 3 EVRM speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol.

Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM staat te wachten, dient vervolgens getoetst te worden of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. Zo dit niet het geval is kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES. wanneer.

4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid

Ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland kunnen als gezaghebbende bronnen worden aangemerkt.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

5. De procedure van verzoeken om bescherming

5.1. Start van de procedure

Er zijn ernstige redenen om aan te nemen dat:

5.1. Start van de procedure

5.4. Geen aantekeningen in documenten

Een gevaar voor de nationale veiligheid is een weigeringsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er moeten concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst

Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.

In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.

5.5. Aanmelding en meldplicht

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad.

5.5. Aanmelding en meldplicht

De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.

De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.

Voordat de vreemdeling op de afgesproken tijd verwacht wordt, bereidt de IND unit Caribisch Nederland het gehoor zorgvuldig voor. Op basis van de schriftelijke motivering van de vreemdeling en aan de hand van de opgegeven nationaliteit en de verdere beschikbare gegevens bepaalt de IND unit Caribisch Nederland welke documentatie hij tijdens het gehoor nodig heeft, zoals een atlas om de woonomgeving en de vluchtroute van de vreemdeling te kunnen verifiëren. De IND unit Caribisch Nederland zet voor zichzelf de informatie van de vreemdeling af tegen de feiten die hij in de landeninformatie heeft gevonden. Op deze wijze kan de IND unit Caribisch Nederland gericht vragen voorbereiden en wellicht aansluitend aan het gehoor een beslissing nemen op de aanvraag.

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

De IND unit Caribisch Nederland gaat na of alle formulieren ondertekend zijn en of het dossier nu compleet is of dat er nog aandachtspunten zijn voor de beslissing op de verblijfsvergunning. Daarbij kan gedacht aan bijvoorbeeld een controle van de verblijfshistorie van betrokkene in de vreemdelingenadministratie of het maken van een aantekening in het dossier van zaken die bij het eerste persoonlijk contact opvallen, zoals bijvoorbeeld een ziek kind.Er dienen ook foto’s van de vreemdeling in het dossier aanwezig te zijn.

5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie

5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie

5.10.1. Inwilligende beslissing

Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.

5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet

De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.

Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.

In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.

5.15. Doormigratie

5.11. Kennisgeving van beslissingen en aanzegging van vertrek

Bij de uitreiking dient aan de vreemdeling, in een voor hem kenbare taal, te worden medegedeeld wat de inhoud van de beschikking is. Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen dient aan de vreemdeling te worden meegedeeld dat hij het land binnen vier weken moet verlaten, of korter als op grond van de uitzetting of de openbare orde een kortere vertrektermijn is gegeven. Daarnaast dient aan de vreemdeling te worden verteld dat tegen een afwijzende beslissing inzake een aanvraag om bescherming alleen beroep kan worden ingesteld. De beslissing op het beroepschrift mag de vreemdeling niet in de openbare lichamen afwachten. Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel in de openbare lichamen afwachten.

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag

Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.

Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.

Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.

7. Herhaalde aanvraag

De vreemdeling is vrijgesteld van het betalen van een waarborgsom en leges.

Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.

Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES, kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:

7. Herhaalde aanvraag

Het huwelijk of partnerschap moet reeds bestaan hebben in het buitenland en er moet sprake zijn geweest van samenwoning in het land van herkomst. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.

9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen

De afgeleide vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming wordt ook voor één jaar verleend.

Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

De aanvraag, het voorlopig oordeel en de datum van de opmaak en uitreiking van de beschikking worden geregistreerd door de IND unit Caribisch Nederland.

8. Verlenging van de verblijfstitel

Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.

2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn

9. Verblijfsbeëindiging

Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.

2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn

In beide situaties dient de betrokkene voorafgaand aan het besluit gehoord te worden door de IND unit Caribisch Nederland.

9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens

Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn

2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst

Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.

2.3. Vertrektermijnen

De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van artikel 16a, eerste lid, WTU-BES. De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.

2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn

In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie artikel 16a, derde lid, WTU-BES). Dit geldt voor de vreemdeling:

Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.

2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten

Uitzetting vindt plaats:

3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

3.5. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

5. Vreemdelingen in de strafrechtketen

3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

6. Ongewenstverklaring

De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.

Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar de openbare lichamen van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft, terwijl hij weet of vermoedt dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan:

6.2. Gronden voor ongewenstverklaring

De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie artikel 16d, eerste lid WTU-BES):

Het betreft hier vreemdelingen die geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning hebben. Zij kunnen ongewenst worden verklaard vanwege het vormen van een gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Vreemdelingen kunnen een gevaar voor de nationale veiligheid vormen zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet blijken uit concrete aanwijzingen, waarbij kan worden gedacht aan ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.

Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.4.1. Inleiding

Wanneer de beschikking niet in persoon aan de vreemdeling kan worden uitgereikt, wordt:

Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.

6.4.2. Aanvraag

Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank open.

6.4.3. Termijnen

Aantekeningen mogen nooit worden geplaatst in een document voor grensoverschrijding of identiteitsbewijs van een vreemdeling die om bescherming vraagt.

De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit artikel 16e WTU-BES.

De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit artikel 16e WTU-BES.

6.4.2. Aanvraag

De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.

6.4.3. Termijnen

De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:

6.5.2. Inhoud van het verzoek

Indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, wordt in afwijking van de termijn als genoemd onder a, onder 2 de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

6.4.4. De inhoud van de aanvraag

6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie artikel 8.6 BTU-BES).

6.5.2. Inhoud van het verzoek

6.5.2. Inhoud van het verzoek

6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing

Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:

Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.

2. Maatregelen

De WTU-BES kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:

2.2. Vrijheidsontnemende maatregelen

Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.

3. Beroep

Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen

2.2.3. Het lichten van vreemdelingen

2. Bezwaar en beroep algemeen

3. Beroep

De IND-unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:

Wanneer de IND-unit Caribisch Nederland van plan is om voorafgaand aan een beroepschrift een bezwaarschrift te behandelen, dan wordt de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in de beschikking opgenomen (zie artikel 56, vierde lid, WarBES).

Tegen de afwijzing van een verzoek verband houdende met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES moet rechtstreeks beroep worden ingesteld.

2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit

Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Natuurlijke personen zijn levende personen, rechtspersonen zijn instanties die volgens het Burgerlijk Wetboek BES in bepaalde gevallen als personen mogen handelen, zoals een vennootschap of een pensioenfonds.

Als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, komt dit voor rekening van de vreemdeling, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.

Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan willigt de IND-unit Caribisch Nederland het verzoek om uitstel in.

Als de IND-unit Caribisch Nederland de streeftermijn niet haalt, verlengt de IND-unit Caribisch Nederland deze termijn eenmaal met ten hoogste dertig dagen. De IND-unit Caribisch Nederland zendt hiervan tijdig bericht aan de bezwaarde en eventuele andere partijen.

2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit

Beschikkingen genomen op grond van de WTU-BES hebben onmiddellijke werking. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking ervan in beginsel niet. In individuele gevallen kan dit anders worden bepaald. In de volgende situaties zal de IND-unit Caribisch Nederland hiertoe in ieder geval niet overgaan), indien:

De vreemdeling kan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken om de werking van een beschikking waartegen beroep bij het Gerecht in Eerste Aanleg of bezwaar bij de IND-unit Caribisch Nederland is ingediend geheel of gedeeltelijk te schorsen (zie artikel 85, eerste lid, WarBES). Ook kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen (zie paragraaf 9.1.3) ter voorkoming van onevenredig nadeel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling meent dat er redenen zijn om niet uitgezet te worden zolang zijn aanwezigheid nog nodig is voor de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift of indien de uitzetting een schending meebrengt van de non-refoulement verplichtingen (zie voor non-refoulement hoofdstuk 16 CTU-BES).

Wanneer het Gerecht in Eerste Aanleg een verzoek om schorsing toewijst, wordt de werking van de beschikking onmiddellijk gestuit totdat over het beroep uitspraak is gedaan (zie artikel 88 WarBES).

De vreemdeling kan ook een verzoek om schorsing indienen hangende het hoger beroep (zie artikel 94 WarBES).

In het geval de vreemdeling een rechtsmiddel aanwendt maakt de IND-unit Caribisch Nederland een aantekening wat dit voor de opschorting van het aangezegde vertrek van de vreemdeling betekent. De IND-unit Caribisch Nederland stelt of plaatst in het identiteitspapier/document voor grensoverschrijding van een vreemdeling een aantekening waaruit blijkt dat op welke datum bezwaar of beroep en/of een voorlopige voorziening is ingediend. In het geval van een lopende procedure over bescherming maakt de IND-unit Caribisch Nederland de aantekening op een los inlegblad.

Ook tekent de IND-unit Caribisch Nederland aan of de vreemdeling dit rechtsmiddel mag afwachten en of de vreemdeling gedurende deze periode mag werken. Tenslotte geeft de IND-unit Caribisch Nederland aan tot wanneer de aantekening geldig blijft. Indien niet bekend is op welke datum de uitspraak bekend, vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland een datum waarbinnen redelijkerwijs de beslissing of uitspraak te verwachten is.

2.5. Hoger beroep

De IND-unit Caribisch Nederland haalt de genoemde aantekening door als het bezwaarschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien.

Een vreemdeling mag een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting afwachten, tenzij:

2.4. Beroep

De IND-unit Caribisch Nederland is verplicht om bij de beschikking mededeling te doen van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn waarbinnen het beroepschrift moet zijn ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg (artikel 16, lid 4, WarBES). De beroepstermijn bedraagt, in afwijking van de WarBES, vier weken.

2.5. Hoger beroep

Wanneer een vreemdeling beroep indient, moet hij een kopie van het beroepschrift aan de IND-unit Caribisch Nederland verzenden.

Als betrokkene verblijft op Bonaire, dan moet het beroepschrift worden gestuurd naar de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Bonaire.

3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederland, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

6.2. Arbeidsmarktaantekening

6.2. Arbeidsmarktaantekening

De schriftelijke garantverklaring genoemd in paragraaf 3, onder c, sub 1 dient om aan te tonen dat wordt voldaan aan het middelenvereiste.

7. Het verrichten van arbeid

Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie mag arbeid van bijkomende aard verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is een TWV vereist. Deze kan voor de duur van maximaal een jaar worden verleend (zie artikel 16, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES).

8. Gezinshereniging

Hoofdstuk 8. Gepensioneerden en renteniers

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.11. Vertrektermijn

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

1.12.1. Verlengen van de vergunning

1.12.3. Gronden intrekking

1.12.2. Wijzigen van de vergunning

1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.1. Algemeen

1.12.3.1. Besluit tot intrekking

Strafbare feiten die buiten het Koninkrijk zijn gepleegd of bestraft, worden ook betrokken bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde als het strafbare feiten naar het recht van de openbare lichamen zijn. Dat geldt ook als het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is. Of het feit naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht BES (op dit moment het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) of de bijzondere strafwetten van de openbare lichamen. De vreemdeling verschaft zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening. Er wordt met het OM contact opgenomen voor de vraag welke straf in de openbare lichamen voor het strafbare feit zou worden gevorderd.

1.12.3.1. Besluit tot intrekking

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.1. Algemeen

Artikel 5.46 BTU-BES stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder b of d WTU-BES. Reden hiervoor is gelegen in de versterking van de rechtspositie van de vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

3. Procedurele bepalingen

3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent

3.1.3. Afgifte mvv

3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures

3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd

3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag

3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd

3.6. Leges

3.6. Leges

3.7. Behandeling van de aanvraag

3.7.1. Herstel verzuim

3.6. Leges

3.7. Behandeling van de aanvraag

Dat geldt voor:

Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.

3.7.5.1. Algemene regels

3.8. Overgangsrecht

3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming

3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar

3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking

3.8. Overgangsrecht

1.1. Samenhang tussen de WTU-BES en de Wav BES

2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist

2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist

Als er geen voor arbeid geldige verblijfsvergunning is aangevraagd, is dat een dwingende grond om een TWV te weigeren op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, Wav BES.

2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning

2.3.2. Procedure gezinsleden bij het loket van IND-BES

2.6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning

2.6.2. Arbeidsmarktaantekening

2.6.3. Voorschrift

Het is van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Is dat niet zo, dan moet tijdig (d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd), contact worden opgenomen met het loket van de IND unit Caribisch Nederland om verlenging van de verblijfsvergunning aan te vragen, als dat mogelijk is.

Op de verblijfsvergunning staat in beginsel de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’. (Zie artikel 6.17, derde lid, onder b, BTU-BES).

2.5. Geldigheidsduur: relatie met de TWV

Vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en die hun verlof willen doorbrengen in de openbare lichamen, komen op deze grond niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor de duur van maximaal drie maanden (zie artikel 4.3 BTU-BES).

4.3.2. Verblijfsvoorwaarden

4.3.2. Verblijfsvoorwaarden

4.3.3.1. Beperking

4.3.3.1. Beperking

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair bij ...(naam werkgever)’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als praktikant bij... (naam werkgever)’.

4.3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.

4.3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

4.4.1. Inleiding

Vreemdelingen mogen als toerist in de openbare lichamen binnenkomen en er in beginsel maximaal drie maanden verblijven zonder verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd (zie artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES). Deze periode van drie maanden is de vrije termijn.

4.3.4. Geldigheidsduur

Deze meldplicht geldt niet als de vreemdeling (zie artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES):

4.4.1. Inleiding

4.4.4. Grensarbeiders

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

De vreemdeling moet steeds binnen acht dagen terug reizen naar zijn land van herkomst, omdat zijn vrije termijn maximaal acht dagen is.

4.6. Directeuren-(groot)aandeelhouders

5.1. Inleiding

Werkloosheid is niet van invloed op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES

6. Strafbepalingen in de WTU-BES

1. Inleiding

Hoofdstuk 5. Arbeid als zelfstandige

Onder ‘zaak’ in de zin van de Wet vestiging bedrijven BES wordt verstaan:

4.1. Beperking

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5. Geldigheidsduur

Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) dat integrerend onderdeel uitmaakt van het verdrag (hierna: het Verdrag), heeft als doel de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika te vergemakkelijken. Het verdrag en Protocol zijn op 5 december 1957 inwerking getreden voor de alle toenmalige landen van het Koninkrijk. Het Verdrag is nog steeds van kracht, en dus ook van toepassing in de openbare lichamen.

Mocht een Amerikaans onderdaan toch aanspraak willen maken op een verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag, dan gelden de voorwaarden zoals omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

De voorwaarden van artikel II, eerste lid, onder a en b, van het Verdrag zijn niet cumulatief, maar alternatief. Dit betekent dat de Amerikaanse onderdaan als regel recht op toegang en verblijf heeft op grond van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in één van die beide artikelonderdelen.

2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag

2. Voorwaarden

3. Arbeid in loondienst

2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van artikel 9 WTU-BES worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES). Dit geldt, zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden van het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag van de gezinsleden.

Uitgangspunten:

De voorwaarden voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs staan in artikel 9, eerste lid, WTU-BES en in dit hoofdstuk.

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

5. Vereiste bescheiden

5. Vereiste bescheiden

6.1. Beperking

6.1. Beperking

5. Vereiste bescheiden

1. Inleiding

8. Gezinshereniging

2. Vreemdelingen die een beroep doen op de penshonado/rentenierswetgeving

3.2. Verblijfsvoorwaarden

3.2. Verblijfsvoorwaarden

4. Overwinteraars

Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.

4.2. Verblijfsvoorwaarden

3.1. Inleiding

5.2. Geldigheidsduur

De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar verlengd worden, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 9. Investeerders

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als investeerder (zie artikel 7, zevende lid, WTU-BES en artikel 5.2, eerste lid, onder k, BTU-BES).

2. Verblijfsvoorwaarden

3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

4. Gezinshereniging

Hoofdstuk 10. Vrijwilligers

Aan de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

Hoofdstuk 10. Vrijwilligers

Aan een vreemdeling die vrijwilligerswerk verricht in de openbare lichamen kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 5.2, eerste lid, onder m, BTU-BES). De verblijfsvoorwaarden voor dit verblijfsdoel zijn hieronder uitgewerkt in beleidsregels.

3. Vereiste bescheiden

Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 9, eerste lid, WTU-BES van toepassing. Deze staan in hoofdstuk 3.

5.2. Arbeidsmarktaantekening

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

1. Inleiding

Beleidsregel:

1.1. Inleiding

1.2. Beleid gezinshereniging

1.3. Beleid gezinsvorming

In het kader van gezinsvorming kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap gesloten op een tijdstip dat een van de echtgenoten al in de openbare lichamen verbleef.

Het bestaan van een geldig huwelijk moet met gelegaliseerde documenten worden aangetoond. Als het huwelijk, gesloten buiten een land van het Koninkrijk, wegens strijd met de openbare orde, niet voor erkenning door de openbare lichamen in aanmerking komt, dan heeft dit tot gevolg dat dit huwelijk niet de basis kan vormen voor verlening van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf.

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

2.3.1. Beperking

2.3.1. Beperking

2.2. Vereiste bescheiden

Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

4.1. Verblijfsvoorwaarden

Op grond van artikel 5.10 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van een relatie verleend, als de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake als de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.

4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

4.3.1. Beperking

4.3.1. Beperking

4.2. Vereiste bescheiden

Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

Akten:

Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond.

5.2. Vereiste bescheiden

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Bovengenoemde arbeidsmarktaantekening staat niet in de weg dat bij andere wetten beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen gesteld worden.

5.5. Geldigheidsduur

6.2. Vereiste bescheiden

6.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

6.4. Geldigheidsduur

7.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:

7.4.2. Arbeidsmarktaantekening

1. Inleiding

Als het verblijf wordt verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven, is het verblijfsrecht altijd tijdelijk van aard.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

7.5. Geldigheidsduur

Hoofdstuk 12. Buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen

Het verschil tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen is een juridisch verschil.

3.2. Vereiste bescheiden

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

3.3.1. Beperking

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.

3.3.3. Voorschrift

De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Als de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren.

Hoofdstuk 13. Wedertoelating

Verder kan onderscheid gemaakt worden tussen Nederlanders die in of buiten de openbare lichamen zijn geboren en getogen.

2.2.1. Verblijfsvoorwaarden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

De ouders zijn beiden geboren en getogen op Saba en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. De ouders verhuizen naar Venezuela alwaar hun kinderen zijn geboren. De kinderen hadden bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De ouders en de kinderen verkrijgen na verloop van tijd de Venezolaanse nationaliteit en verliezen daarbij de Nederlandse nationaliteit. Een van de kinderen verblijft inmiddels in Colombia en verzoekt nu om wedertoelating tot Saba op grond van het feit dat hij oud-Nederlander is.

2.3.2. Verblijfsvoorwaarden

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.

3.3. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor onbepaalde tijd

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

6. Geldigheidsduur

Aan personen die een verzoek als bedoeld in artikel 17 RWN hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.

De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.

2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel

Als het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt de vreemdeling niet uitgezet, zolang niet is beslist op de procedure ex artikel 17 RWN. De vreemdeling overlegt in ieder geval een volledig afschrift van het cassatieberoepschrift.

De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.

8.6.1. Verblijfsvoorwaarden

3. Getuige-aangever

2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel

2.2. Vereiste bescheiden

In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9 WTU-BES wordt de aanvraag niet afgewezen:

Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit.

2.2. Vereiste bescheiden

3. Getuige-aangever

4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk 14 van de CTU-BES.

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk 14 van de CTU-BES.

4.2.2. Arbeidsmarktaantekening

4.2.3. Voorschrift

5.2. Getuige-aangever

6. Verlenging

7. Gezinshereniging

7. Gezinshereniging

Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:

1. Inleiding

Op grond van artikel 5.22 BTU-BES wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:

Op grond van artikel 5.22 BTU-BES wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:

3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden

3.3.1. Beperking

3.3.3. Voorschrift

4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner

In dergelijke gevallen wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts verleend voor de duur van maximaal één jaar. Bij elk verzoek om verlenging dient vastgesteld te worden dat de bijzondere gezinsband nog steeds bestaat.

Voorbeeld 1:

4.2. Vereiste bescheiden

3.2. Vereiste bescheiden

Een ouder die verblijf heeft verband houdend met bescherming, maar die niet betrokken is bij het leven van zijn biologische kind, vormt geen objectieve belemmering. Dat de vertrekkende ouder ‘hoopt’ dat deze ouder in de toekomst wel betrokken wil zijn bij het leven van het bewuste kind is onvoldoende reden om op dit moment een objectieve belemmering aan te nemen.

3.2. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

3.3.1. Beperking

5.2. Vereiste bescheiden

5.3.1. Beperking

5.3.3. Voorschrift

Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending

Als een getuige-aangever aangifte heeft gedaan en de aangifte uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte(n), moet bij de beoordeling van het risico van represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht dient te worden toegekend aan deze veroordeling. Als de veroordeling de conclusie rechtvaardigt dat in geval van de getuige-aangever bij terugkeer naar het land van herkomst gevaar voor represailles aanwezig is, kan hieraan doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de belangenafweging op grond van artikel 5.24 BTU-BES.

5.2. Vereiste bescheiden

2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag

2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag

2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep

2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing

2.5.1. Refugiés sur place

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.5. Bijzondere situaties

2.6.3. Artikel 1C

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.6.4. Artikel 1D

2.6.6. Artikel 1F

2.6.6. Artikel 1F

Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.

3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden

2.7. Terugzending (refoulement)

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

Actoren van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM kunnen onder meer zijn:

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07

4.2. Toetsingsvolgorde

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de zelfde kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om beperkte indicaties aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot dezelfde kwetsbare minderheidsgroep.

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.

4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid

Hierbij kan het gestelde onder artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag worden betrokken.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

4.4.1. Algemeen

4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag

4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM

5. De procedure van verzoeken om bescherming

5.1. Start van de procedure

5.2. Situatie in bewaring

5.3. Handelingen in het kader van het toezicht

5.1. Start van de procedure

5.2. Situatie in bewaring

5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing

In het geval dat de gezinsleden zelfstandig om bescherming verzoeken, moeten van hen dezelfde gegevens verstrekt te worden.

5.4. Geen aantekeningen in documenten

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

In het geval de vreemdeling het verslag corrigeert, verwerkt de IND-unit Caribisch Nederland de correcties in het verslag. De medewerker van de IND-unit Caribisch Nederland maakt het verslag definitief. In het definitieve verslag gehoor vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland dat de vreemdeling correcties heeft voorgesteld en dat deze zijn verwerkt. De IND-unit Caribisch Nederland geeft de vreemdeling een exemplaar van het aangepaste en uitgeprinte verslag van het gehoor mee en voegt tevens een exemplaar toe aan het dossier van de vreemdeling. De datum van het gehoor en de gegevens uit het gehoor worden door de IND-unit Caribisch Nederland in het registratiesysteem vastgelegd.

5.10.2. Ingangsdatum

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag

De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.

7. Herhaalde aanvraag

Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.

Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.

1. Inleiding

Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in artikel 16, tweede lid, WTU-BES. De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.

2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn

Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie artikel 16a, tweede lid, WTU-BES). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.

2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten

3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

Aantekeningen over verwijdering mogen nooit worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:

Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:

3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In artikel 16b WTU-BES is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.

6. Ongewenstverklaring

3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:

3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

Artikel 16b, derde lid WTU-BES bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.

6.3. Procedurele aspecten

6.4.2. Aanvraag

6.4.3. Termijnen

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.4.2. Aanvraag

De aanvraag moet:

2.1. Vrijheidsbeperkende maatregelen

6.4.4. De inhoud van de aanvraag

Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.

1. Inleiding

2. Bezwaar en beroep algemeen

2.2.3. Het lichten van vreemdelingen

2. Bezwaar en beroep algemeen

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.4. Beroep

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

Mocht een toerist langer dan voornoemde drie maanden op het grondgebied van de openbare lichamen willen verblijven, dan is dit mogelijk. De vrije termijn van drie maanden kan verlengd worden met maximaal drie maanden. Er moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES. Dit wordt per individueel geval beoordeeld. Voor de aanvraag tot verlenging van de vrije termijn moet de toerist leges betalen.

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur geland zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

7.1.4. Transitpassagiers van vliegtuigen

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder c, WTU-BES worden geen stempels aangebracht in de documenten voor grensoverschrijding van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van de openbare lichamen verblijven.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

7.1.5. Zeelieden

Hoofdstuk 2. Toelating van rechtswege

1. Inleiding

Voor de regels over de verplichting tot aanmelding na binnenkomst bij de Korpschef wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘Toegang’, paragraaf 4.6 ‘Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen’.

Ten aanzien van toelating van rechtswege is in dit hoofdstuk het volgende onderscheid gemaakt:

2. Nederlanders

2.1. Algemeen

De toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden sinds 10 oktober 2010 beheerst door de WTU-BES.

2.2. Uitleg artikel 1a WTU-BES

Als de Nederlander binnen deze zes maanden op het grondgebied van de openbare lichamen wil werken, dan moet de Nederlander een verklaring van rechtswege aanvragen. Aan deze aanvraag zijn leges verbonden. Zie hiervoor de Regeling toelating en uitzetting BES. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.

2.3. Toelating van rechtswege

2.3.1. Toepassing van artikel 5a WTU-BES

3. Bijzondere categorieën

3.1. Bijzondere categorieën

Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.

3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege

3.2.2. Vereiste bescheiden

3.2.3. Verklaring

Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in artikel 3 WTU-BES, moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.

Ad b:

De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in artikel 5a WTU-BES:

4.2. Categorieën

Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie artikel 4.3 BTU-BES).

4.2.2. Bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen

4.3. Verklaring

4.4. Uitzondering op de termijn

Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:

Hoofdstuk 3. Toelating bij vergunning verleend

1.1. Inleiding

1.2. Beperking

1.4. Arbeidsmarktaantekening

1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen

1.7. Voorschriften

De volgende voorschriften tot het stellen van zekerheid kunnen aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verbonden (zie artikel 5.4 BTU-BES):

1.9.1. Mvv-vereiste

1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

1.9.1. Mvv-vereiste

1.9.1.1. Vrijstellingen

Als het kind niet direct na de geboorte is aangemeld, dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. De verblijfsvergunning wordt verleend als naar het oordeel van Onze Minister voldoende is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in de openbare lichamen heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Bij aanvragen van kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren, is het niet rechtvaardig de aanvraag af te wijzen, omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv.

1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie

1.9.1.3. Hardheidsclausule

1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding

1.9.3. Middelen van bestaan

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

1.12.1. Verlengen van de vergunning

1.11. Vertrektermijn

1.12. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

1.12.3. Gronden intrekking

1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning

2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

3.1. De mvv-aanvraag

3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling

3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent

3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd

3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag

3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden

3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd

Wanneer moeten de leges worden terugbetaald:

Als niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag biedt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling de gelegenheid om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Deze termijn is echter niet bedoeld om de vreemdeling alsnog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijk aan de voorwaarden te voldoen. Als het gaat om het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, dan geeft de IND unit Caribisch Nederland de aanvrager vier weken de tijd om dit verzuim te herstellen.

3.7.4. Bevoegdheid

3.7.5. Bekendmaking

3.7.5.1. Algemene regels

Een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, wordt, indien een vreemdeling daarvan de houder is en deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet woonplaats heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, afgegeven op grond van de WTU-BES.

1. Inleiding

1.1. Samenhang tussen de WTU-BES en de Wav BES

2.1. Verblijfsvoorwaarden

2.2. Vereiste bescheiden

2.3.1. 1-loket procedure

3. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV niet is vereist

3.1. Verblijfsvoorwaarden

3.2.1. Vreemdelingen met aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’

4.3. Stagiaires en praktikanten

Hier gelden de beleidsregels zoals vermeld in 2.6.3.

4.3.4. Geldigheidsduur

4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)

4.3.5. Voortzetting van verblijf

4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)

4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden

4.4.4. Grensarbeiders

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

5.4. Arbeidsongeschiktheid

5.3. Werkloosheid

5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

6. Strafbepalingen in de WTU-BES

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend aan de vreemdeling die:

5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES

4.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3. Voorschriften

Hoofdstuk 6. Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag

1. Inleiding

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)