Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES)
- a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 4:9 of 4:11 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s;
- b. het ingevolge artikel 4:14 te berekenen bedrag voor het marktrisico;
- c. het ingevolge de artikelen 4:15 tot en met 4:18 te berekenen bedrag voor het operationeel risico.
Artikel 4:9. (standaardbenadering voor het kredietrisico)
Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post als bedoeld in artikel 4:8, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde, vermenigvuldigd met het ingevolge het tweede lid, onderdeel a, aan het actief of de post buiten de balanstelling toegekende risicogewicht.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
- a. de indeling van de activa en posten buiten de balansteling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 4:10;
- b. de berekening van de vorderingswaarde van een actief of post buiten de balansteling.
Artikel 4:10. (gebruik kredietbeoordelingen)
Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een kredietinstelling een kredietbeoordeling van een ingevolge artikel 4:13 door de Nederlandsche Bank erkend kredietbeoordelingbureau op een consistente wijze gebruiken. Onder een kredietbeoordeling wordt verstaan de taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in het eerste lid.
Een kredietinstelling gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen.
De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het derde lid, op verzoek van de kredietinstelling toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
Artikel 4:11. (interne modellen methode voor het kredietrisico)
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 4:9 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft, en van de verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling.
De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot deze interne modellen.
Artikel 4:12. (kredietrisicovermindering)
Een kredietinstelling kan kredietrisicovermindering in aanmerking nemen, mits zij gebruik maakt van een door de Nederlandsche Bank toegestane techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan de activa en posten buiten de balanstelling, en zij voldoet aan de in voorkomend geval ingevolge het tweede lid gestelde regels.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder onder het eerste lid genoemde technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn, en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risico’s.
Artikel 4:13. (erkenning kredietbeoordelingbureaus)
De Nederlandsche Bank erkent op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingbureau, indien het voldoet aan door de Nederlandsche Bank gestelde criteria.
De Nederlandsche Bank kan een procedure vaststellen voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.
Indien een kredietbeoordelingbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
Artikel 4:14. (vereiste solvabiliteit voor het marktrisico)
Een kredietinstelling berekent het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel b, conform de door de Nederlandsche Bank gestelde regels. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van het marktrisico ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.
Het is een kredietinstelling toegestaan het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico te berekenen overeenkomstig de in artikel 4:9 gestelde regels, indien het totale solvabiliteitsvereiste voor het marktrisico niet meer bedraagt dan vijf procent van het laatst berekende toetsingsvermogen.
Een kredietinstelling die het tweede lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de kredietinstelling te bepalen frequentie. Een overschrijding van de limiet, bedoeld in het tweede lid, meldt de kredietinstelling onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 4:15. (basisindicator voor het operationeel risico)
Een kredietinstelling maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering en de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
Artikel 4:16. (standaardbenadering voor het operationeel risico)
In afwijking van artikel 4:15 kan een kredietinstelling gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
Artikel 4:17. (alternatieve standaardbenadering voor het operationeel risico)
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve standaardbenadering voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de alternatieve standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
Artikel 4:18. (bestendige gedragslijn voor het operationeel risico)
Het is een kredietinstelling die eenmaal de standaardbenadering, bedoeld in artikel 4:16 gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de kredietinstelling de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
Artikel 4:19. (grote posities)
De waarde van de balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 3:17, vijfde lid, van de wet bedraagt voor een kredietinstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan vijfentwintig procent van haar toetsingsvermogen.
De totale waarde van de grote posities van een kredietinstelling bedraagt niet meer dan zeshonderd procent van haar toetsingsvermogen.
Het eerste lid is niet van toepassing op actiefposten in de vorm van schatkistpapier van de federale overheid van de Verenigde Staten van Amerika met een looptijd van minder dan drie maanden.
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een kredietinstelling voor een beperkte duur is toegestaan het in het eerste of tweede lid bedoelde percentage te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat.
§ 3. Minimum eigen vermogen en solvabiliteit overige financiële ondernemingen
Artikel 4:20. (minimumvermogen beleggingsmaatschappij)
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:16, eerste lid, van de wet, bedraagt voor een beleggingsmaatschappij USD 279.000.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beleggingsmaatschappij wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsmaatschappij. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:21. (minimumvermogen bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder)
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder USD 25.000.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bemiddelaar in effecten die uitsluitend orders van cliënten ontvangt en doorgeeft, mits die bemiddelaar beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf. Artikel 4:47, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de volgende vermogensbestanddelen:
- a. voor een naamloze of besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal, met uitsluiting van cumulatief preferente aandelen en van preferente aandelen met een vaste looptijd;
- b. voor een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten;
- c. voor een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal;
- d. voor een coöperatie: het door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;
- e. voor een onderneming die een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het voordelige verschil tussen bezittingen en schulden;
- f. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
De in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen.
Artikel 4:22. (minimumomvang solvabiliteit bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)
Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan vijfentwintig procent van de door de Nederlandsche Bank vastgestelde vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen vijfentwintig procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een hogere minimumomvang geldt, indien aannemelijk is dat de vaste kosten te laag zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing op bemiddelaars in effecten als bedoeld in artikel 4:21, tweede lid.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de in artikel 4:21, derde lid, genoemde vermogensbestanddelen. Artikel 4:21, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 4:21, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
Artikel 4:23. (minimumvermogen elektronischgeldinstelling)
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een elektronischgeldinstelling USD 50.000.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een elektronischgeldinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
Artikel 4:24. (minimumomvang solvabiliteit elektronischgeldinstelling)
Een elektronischgeldinstelling beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan twee procent van het lopende bedrag of het gemiddelde bedrag over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. Indien de elektronischgeldinstelling haar werkzaamheden niet gedurende zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen twee procent van het lopende bedrag of het blijkens haar programma van werkzaamheden op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. De Nederlandsche Bank kan, indien de vorige volzin van toepassing is en aannemelijk is dat het nagestreefde bedrag te laag is geschat, besluiten dat voor de elektronischgeldinstelling een hogere minimumomvang van het toetsingsvermogen geldt.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het in artikel 4:23, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
Artikel 4:25. (minimumbedrag van het garantiefonds van een verzekeraar)
Het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:16, vierde lid, van de wet bedraagt:
- a. voor een levensverzekeraar: USD 223.000;
- b. voor een natura-uitvaartverzekeraar: USD 25.000;
- c. voor een schadeverzekeraar: USD 167.000.
Artikel 4:26. (solvabiliteitsmarge van een verzekeraar)
Een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vier procent van de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, zonder rekening te houden met de herverzekering van deze verplichtingen.
Een schadeverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vijftien procent van de in het voorgaande boekjaar geboekte bruto premies.
De berekening van het minimumbedrag van de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld model.
Artikel 4:27. (samenstelling solvabiliteitsmarge)
Het minimumbedrag van het garantiefonds en de solvabiliteitsmarge van een verzekeraar worden gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:
- a. het gestorte kapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met ledenrekeningen;
- b. de wettelijke, statutaire en overige reserves;
- c. de onverdeelde winst dan wel het verlies;
- d. achtergestelde leningen en achtergestelde schuldinstrumenten;
- e. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid genoemde vermogensbestanddelen worden meegerekend bij het bepalen van de solvabiliteitsmarge.
§ 4. Liquiditeit beleggingsinstellingen en kredietinstellingen
Artikel 4:28. (liquiditeit beleggingsinstellingen)
Een beleggingsinstelling met zetel in een openbaar lichaam, waarvan in de openbare lichamen de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, beschikt over voldoende liquiditeit.
De liquiditeit van een beleggingsinstelling is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het vierde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het derde lid.
De vereiste liquiditeit van een beleggingsinstelling bedraagt tien procent van het beheerde vermogen. In afwijking van de eerste volzin kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
De aanwezige liquiditeit van een beleggingsinstelling wordt berekend op basis van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
Artikel 4:29. (liquiditeit kredietinstellingen)
De liquiditeit van een kredietinstelling is voldoende indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het derde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het tweede lid.
De vereiste liquiditeit van een kredietinstelling bestaat uit de som van de gewogen uitstaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen toevertrouwde middelen en overige posten die tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode. Onder kalenderposten wordt verstaan een actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen.
De aanwezige liquiditeit van een kredietinstelling wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de maandperiode, alsmede de officiële standby-faciliteiten. Onder voorraadpost wordt verstaan de liquide activa die niet in de vervalkalender zijn opgenomen.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en derde lid.
§ 5. Technische voorzieningen
Artikel 4:30. (samenstelling technische voorzieningen)
De technische voorzieningen van een verzekeraar bestaan, telkens voor zover van toepassing, uit:
- a. de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor lopende risico’s, waaronder de catastrofevoorziening indien deze is getroffen;
- b. de voorziening voor levensverzekering;
- c. de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen;
- d. de voorziening voor winstdeling en kortingen;
- e. de voorziening voor latente winstdelingsverplichtingen;
- f. de egalisatievoorziening, voor zover egalisatie van winsten en verliezen bij of krachtens de wet is toegestaan;
- g. de overige technische voorzieningen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin technische voorzieningen moeten worden gevormd met betrekking tot verplichtingen en kosten en omtrent de indeling van de technische voorzieningen.
Artikel 4:31. (waardering technische voorzieningen)
De technische voorzieningen worden gewaardeerd op voor het verzekeringsbedrijf aanvaarde grondslagen. Bij de waardering van de technische voorzieningen wordt ervan uitgegaan dat de verzekeringsmaatschappij in staat moet zijn te voldoen aan haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voorzienbare verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voor de berekening van de technische voorzieningen te hanteren grondslagen.
Artikel 4:32. (afzonderlijke berekening technische voorzieningen)
De voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, onderdelen a tot en met c, worden zoveel mogelijk voor elke overeenkomst onderscheidenlijk elke schade afzonderlijk en op voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige methoden is toegestaan, indien de aard van de overeenkomst dat toelaat, en deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren als de afzonderlijke berekeningen.
Artikel 4:33. (voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s)
De voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel a, omvat onder meer:
- a. de in het boekjaar ontvangen premies ter zake van risico’s die op het daarop volgende boekjaar of boekjaren betrekking hebben;
- b. de schaden en kosten uit lopende overeenkomsten van verzekering die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.
Artikel 4:34. (voorziening voor levensverzekering)
De voorziening voor levensverzekering, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel b, wordt berekend op basis van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende overeenkomst van verzekering gestelde voorwaarden, met inbegrip van:
- a. alle gegarandeerde uitkeringen en gegarandeerde afkoopwaarden;
- b. de winstdelingen waarop de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering collectief dan wel individueel recht heeft;
- c. alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering volgens de voorwaarden van de overeenkomst beschikt;
- d. de bedrijfskosten, met inbegrip van provisies.
In afwijking van het eerste lid kan een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die methode berekende voorzieningen niet lager zijn dan de voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode, of indien het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het betrokken type overeenkomst niet mogelijk is.
De voorziening voor levensverzekering vermeldt afzonderlijk de technische voorzieningen voor verzekeringen waarbij de tot uitkering gerechtigde het beleggingsrisico draagt.
Artikel 4:35. (voorziening voor te betalen schaden of uitkeringen)
De voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel c, omvat het bedrag van de te verwachten schaden of uitkeringen, in aanmerking nemende:
- a. de voor de balansdatum ontstane schaden of uitkeringen die zijn gemeld en nog niet zijn afgewikkeld, en de schaden of uitkeringen die nog niet zijn gemeld;
- b. de kosten verband houdende met de afwikkeling van schaden of uitkeringen;
- c. de in verband met schaden of uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging van de eigendom van verzekerde zaken.
Discontering van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan periodiek te betalen schaden, is slechts toegestaan in door de Nederlandsche Bank te bepalen gevallen en onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden.
Indien de verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van afwikkeling van de schade, kan de Nederlandsche Bank, onder door haar te stellen voorwaarden, een andere berekening van de voorziening voor te betalen schade of voor te betalen uitkeringen toestaan.
Artikel 4:36. (voorziening voor winstdeling en kortingen)
De voorziening voor winstdeling en kortingen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel d, omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de overeenkomsten vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van de ledenrekening hebben geleid.
Artikel 4:37. (egalisatievoorziening kredietverzekeraars)
Een schadeverzekeraar die overeenkomsten van verzekering sluit ter dekking van schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling, houdt ter dekking van een tijdens het boekjaar ter zake geleden technisch verlies een egalisatievoorziening aan die wordt berekend overeenkomstig het tweede lid.
Het minimumbedrag van de egalisatievoorziening bedraagt 134 procent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies na aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering. Aan deze voorziening wordt in elk boekjaar waarin ter zake een technisch overschot werd geboekt, vijfenzeventig procent van dit technisch overschot toegevoegd, totdat de voorziening ten minste gelijk is aan het in de vorige volzin genoemde minimum.
Het eerste lid is niet van toepassing als de ter zake jaarlijks geboekte premies minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies belopen.
Artikel 4:38. (earmarking)
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, worden door de verzekeraar als zodanig geadministreerd. De Nederlandsche Bank kan tegen de aard en waardering van deze waarden bezwaar maken, aan welk bezwaar de verzekeraar dient tegemoet te komen.
Artikel 4:39. (congruentie en lokalisatie)
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden.
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in de openbare lichamen aangegane verplichtingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig. Waarden die bestaan uit schuldvorderingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig, indien zij aldaar kunnen worden geïnd.
Artikel 4:40. (prudent beleggingsbeleid)
De verzekeraar draagt er zorg voor dat de aard en waardering van de waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, in overeenstemming zijn met de aard onderscheidenlijk de waardering van de aangegane verplichtingen. Deze waarden worden adequaat gediversificeerd en gespreid. Waarden met een hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt en voorzichtig gewaardeerd.
Artikel 4:41. (beleggingsrisico voor verzekeringnemer)
De technische voorzieningen met betrekking tot uitkeringen die volgens de overeenkomst rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een beleggingsinstelling, onderscheidenlijk aan een andere referentiewaarde, worden gedekt door deze rechten van deelneming, onderscheidenlijk door de eenheden die de referentiewaarde vertegenwoordigen, dan wel door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de referentiewaarde is gebaseerd. Artikel 4:40 is niet van toepassing op de in de vorige volzin bedoelde technische voorzieningen.
Artikel 4:42. (vorderingen op herverzekeraars)
Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door een verzekeraar als verzekeringnemer gesloten overeenkomst van herverzekering komt in aanmerking als waarde ter dekking van de technische voorzieningen voor zover het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de vordering in de openbare lichamen zal worden voldaan of dat de verzekeraar in het buitenland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op een toekomstige vordering op een herverzekeraar, mits de vordering betrekking heeft op een reeds bekende, maar nog niet afgewikkelde schade. Bij de berekening van de hoogte van de vordering worden de bedragen die de verzekeraar aan de herverzekeraar verschuldigd is, in mindering gebracht op het totale bedrag van de vordering.
Ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde waarden is artikel 4:39, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 4:43. (nadere regels)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen ter uitvoering van de artikelen 4:39 tot en met 4:42.
§ 6. Vermogensscheiding
Artikel 4:44. (bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot:
- a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van effecten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid van de wet;
- b. de wijze waarop de instemming, bedoeld in artikel 3:23, vierde lid, van de wet, van de cliënt kan worden verkregen voor gebruik van diens effecten voor eigen rekening door de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder.
Artikel 4:45. (elektronischgeldinstelling)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de door elektronischgeldinstellingen te treffen maatregelen, bedoeld in artikel 3:23, derde lid, van de wet, teneinde de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.
Artikel 4:46. (trustkantoor)
Een trustkantoor draagt zorg voor een deugdelijke administratie, en heeft maatregelen getroffen om de rechten, met betrekking tot gelden of geldswaarden, van ondernemingen waaraan door het trustkantoor beheersdiensten zullen worden verleend, en van derden te beschermen. De maatregelen strekken in ieder geval tot een volledige scheiding tussen de vermogensbestanddelen van elk van die ondernemingen, iedere derde en van het trustkantoor.
§ 7. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering tussenpersonen
Artikel 4:47. (beroepsaansprakelijkheidsverzekering)
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 3:24 van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of gevolmachtigde agent wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij een verzekeraar die in de staat van zetel bevoegd is tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de hoogte van het verzekerd bedrag.
§ 8. Geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen
Artikel 4:48. (rapportage inzake intragroepsovereenkomsten en -posities)
Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:45, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de kredietinstelling in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
Onder significante intragroepsovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de kredietinstelling.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.
Artikel 4:49. (solvabiliteit op geconsolideerde basis)
Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, berekent onverminderd de artikelen 3:16 en 3:17 van de wet eenmaal per jaar haar solvabiliteit op basis van haar geconsolideerde financiële positie.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de geconsolideerde financiële positie, bedoeld in het eerste lid.
§ 9. Aanvullend toezicht op verzekeraars in een groep
Artikel 4:50. (rapportageplicht inzake intragroepsovereenkomsten en -posities)
Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:46, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
Onder significante intragroepovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de verzekeraar.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportages worden betrokken en met betrekking tot de rapportage.
Artikel 4:51. (aangepaste solvabiliteit)
Een verzekeraar die deelnemingen heeft in een of meer andere verzekeraars, berekent zijn aangepaste solvabiliteit op geconsolideerde basis. De aangepaste solvabiliteit is gelijk aan het verschil tussen de vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens.
Indien een verzekeraar een deelneming heeft in een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of vermogensbeheerder, wordt de waarde van die deelneming in mindering gebracht op de voor zijn solvabiliteitsmarge in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze regels kunnen mede inhouden dat de verzekeraar zijn aangepaste solvabiliteit mag berekenen volgens een andere methode dan is voorgeschreven in het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 5. Boekhouding en rapportage
§ 1. Boekhouding en jaarrekening
Artikel 5:1. (afzonderlijke boekhouding buitenlandse financiële ondernemingen)
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland voert met betrekking tot haar activiteiten in de openbare lichamen een afzonderlijke boekhouding, waaruit de aard en omvang van die activiteiten blijkt.
De afzonderlijke boekhouding, bedoeld in het eerste lid, staat onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.
Artikel 5:2. (jaarrekening en jaarverslag ten behoeve van de toezichtautoriteit)
Een beleggingsinstelling, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar dient een jaarrekening en jaarverslag in bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit.
De termijn, bedoeld in artikel 3:35, eerste lid, van de wet bedraagt:
- a. voor beleggingsinstellingen: vier maanden na afloop van het boekjaar;
- b. voor de overige in het eerste lid genoemde financiële ondernemingen: zes maanden na afloop van het boekjaar.
De jaarrekening en jaarverslag voldoen wat betreft inhoud en vorm aan de eisen aan een jaarrekening ingevolge artikel 120, derde en vijfde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES.
Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid dient tezamen met de jaarrekening en het jaarverslag ook de volgende gegevens bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit in:
- a. de gegevens bedoeld in artikel 120, tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;
- b. een afschrift van het rapport van de deskundige, bedoeld in het vijfde lid;
- c. de directiebrieven.
De jaarrekening van een financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, wordt goedgekeurd door een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. Indien de financiële onderneming niet voldoet aan de in artikel 119, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES omschreven criteria, kan de jaarrekening worden goedgekeurd door een andere dan de in de eerste volzin bedoelde deskundige.
De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 5:3. (jaarrekening en jaarverslag beheerder en bewaarder)
Een beheerder of bewaarder van een beleggingsinstelling dient binnen vier maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en jaarverslag in bij de Autoriteit Financiële Markten. Artikel 5:2, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 5:4. (jaarrekening buitenlandse kredietinstelling of verzekeraar)
Uit de jaarrekening van een kredietinstelling met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het afgesloten boekjaar.
Uit de jaarrekening van een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het afgesloten boekjaar.
§ 2. Staten
Artikel 5:5. (staten kredietinstelling)
De staten, bedoeld in artikel 3:36, eerste lid, van de wet, die door een kredietinstelling worden verstrekt, omvatten:
- a. balans- en resultaatgegevens, alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het ingevolge artikel 1:5 van de wet door de Nederlandsche Bank uitgeoefende prudentieel toezicht;
- b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
- 1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:17, eerste lid, van de wet;
- 2°. het aanhouden van balansposten en posten buiten de balansteling ingevolge artikel 3:17, vierde lid, van de wet;
- 3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:18, tweede lid, van de wet.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid genoemde staten. Deze regels hebben betrekking op:
- a. de modellen van de staten;
- b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens, met dien verstande dat deze geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten omvatten;
- c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
- d. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast;
- e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
- f. de afronding;
- g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het prudentieel toezicht;
- h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.
De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een kredietinstelling periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan eenmaal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.
De Nederlandsche Bank besluit welke staten openbaar worden gemaakt.
Artikel 5:6. (staten verzekeraar)
De staten, bedoeld in artikel 3:36, eerste lid, van de wet, die door een verzekeraar worden verstrekt omvatten:
- a. een jaarrekening, alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 1:5 van de wet uitgeoefende prudentieel toezicht;
- b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
- 1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:17 van de wet, en
- 2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:19 van de wet.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde staten. Artikel 5:5, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen
§ 1. Beleggingsinstellingen
Artikel 6:1. (overeenkomst inzake beheer en bewaring)
De ingevolge artikel 4:4, eerste lid van de wet tussen een beleggingsinstelling en een bewaarder te sluiten overeenkomst bepaalt in ieder geval dat:
- a. de bewaarder bij het bewaren uitsluitend in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling optreedt;
- b. de bewaring ten name van de beleggingsinstelling op een zodanige wijze geschiedt, dat over de in bewaring gegeven activa slechts kan worden beschikt door de beleggingsinstelling en de bewaarder tezamen;
- c. de bewaarder de in bewaring gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van de beleggingsinstelling, waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;
- d. de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beheerder zijn zetel heeft, jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade, voor zover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd;
- e. indien bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen ook door de bewaarder worden ondertekend;
- f. een voorstel door de beheerder van een beleggingsinstelling tot wijziging van de tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers geldende voorwaarden tezamen met de bewaarder wordt gedaan;
- g. indien de bewaarder van een beleggingsfonds te kennen geeft voornemens te zijn zijn functie neer te leggen, binnen een termijn van vier weken een vergadering van deelnemers wordt gehouden om in de benoeming van een nieuwe bewaarder te voorzien.
Artikel 6:2. (minimumvermogen beheerder en bewaarder)
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de wet, bedraagt voor de beheerder van een beleggingsinstelling USD 279.000 en voor de bewaarder van een beleggingsinstelling USD 139.000.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder of bewaarder wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid, onderdelen a tot en met g. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsinstelling. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een bewaarder van een beleggingsinstelling stelt voldoende zekerheid met het oog op de aansprakelijkheid voor schade die voor de bewaarder kan voortvloeien uit brand, vervoer van geld en waardepapieren, fraude en beroving.
Artikel 6:3. (prospectus beleggingsinstelling)
Het prospectus, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de bij regeling van Onze Minister bepaalde gegevens, die onder meer betrekking hebben op de beheerder en de bewaarder, alsmede op de voorwaarden, de beleggingsdoelstellingen en de beleggingsactiviteiten van de beleggingsinstelling.
De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat het prospectus in een of meer door haar te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld, indien dit, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.
Bij aanbod van haar rechten van deelneming buiten een besloten kring dan wel bij de schriftelijke aankondiging dat een aanbod buiten een besloten kring zal worden gedaan, stelt de beleggingsinstelling uiterlijk op de dag van uitgifte, van openstelling van deelneming of van de schriftelijke aankondiging van openstelling, een prospectus kosteloos algemeen verkrijgbaar. In iedere bekendmaking waarin deelnemingsrechten worden aangeboden, wordt vermeld waar het prospectus voor het publiek verkrijgbaar is.
Artikel 6:4. (voorwaarden beleggingsinstelling en overige informatie)
Tegelijkertijd met het prospectus, bedoeld in artikel 6:3, stelt een beleggingsinstelling de informatie, bedoeld in artikel 7:5, alsmede de volgende informatie algemeen verkrijgbaar:
- a. de mededeling dat de waarde van de rechten van deelneming zowel kan stijgen als dalen en dat de deelnemers mogelijk minder terugkrijgen dan zij hebben ingelegd;
- b. indien de beleggingsinstelling belegt met namens of voor rekening en risico van de deelnemers geleend geld:
- 1°. de risico’s die hieraan verbonden zijn;
- 2°. vermelding van een eventuele verplichting voor de deelnemers in de beleggingsinstelling om mogelijke tekorten van de beleggingsinstelling aan te zuiveren wanneer de verliezen de inleg overstijgen; en
- 3°. vermelding van de maximale omvang van de beleggingen die met geleend geld kunnen worden aangekocht in absolute waarde of als percentage van het beheerde vermogen.
- c. indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het in het verleden behaalde rendement van de beleggingsinstelling;
- d. een beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de opheffing en vereffening van de beleggingsinstelling plaatsvindt, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
Voorts stelt de beleggingsinstelling de voorwaarden van de beleggingsinstelling algemeen verkrijgbaar voorafgaand aan het aanbieden van rechten van deelneming. Deze voorwaarden bevatten ten minste de gegevens genoemd in bijlage 2.
§ 2. Kredietinstellingen
Artikel 6:5. (vvgb-plichtige handelingen kredietinstellingen)
Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet wordt als significante deelneming aangemerkt:
- a. een deelneming in een financiële onderneming waarvan het balanstotaal ten tijde van de verwerving, onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling;
- b. een deelneming in een onderneming, niet zijnde een financiële onderneming, indien het bedrag dat wordt betaald voor de verwerving van die deelneming, onderscheidenlijk voor de vergroting van die deelneming, tezamen met de bedragen die voor die verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn betaald, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de kredietinstelling.
Van het geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk overnemen van de activa en passiva van een andere onderneming of instelling in de zin van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet is sprake, indien het totaalbedrag van de over te nemen activa of over te nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling.
§ 3. Verzekeraars
Artikel 6:6. (bijkomende risico’s )
Het is een schadeverzekeraar met zetel in de openbare lichamen toegestaan in de uitoefening van zijn bedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s te verzekeren die behoren tot andere branches, indien deze risico’s naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
- a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
- b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
- c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
Artikel 6:7. (schaderegeling rechtsbijstandverzekering)
Een rechtsbijstandverzekeraar vertrouwt de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toe aan een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en vermeldt dit kantoor in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking, of neemt in die overeenkomst op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de verzekering recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
Onder rechtsbijstandverzekeraar wordt verstaan: een schadeverzekeraar die verzekeringen aanbiedt tot dekking van verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens verdediging of vertegenwoordiging, in of buiten rechte.
De Autoriteit Financiële Markten kan, onder door haar te stellen voorwaarden, toestaan dat een rechtsbijstandverzekeraar, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toevertrouwt aan eigen personeelsleden, mits zijn bedrijfsvoering zo is ingericht dat belangenconflicten worden voorkomen.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst inzake rechtsbijstanddekking.
Artikel 6:8. (schade-afhandelaar w.a. motorrijtuigen)
Een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, stelt een schade-afhandelaar aan die belast is met het namens hem afwikkelen van vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES.
De schade-afhandelaar verricht zijn werkzaamheden vanuit een vestiging in de openbare lichamen en beschikt over voldoende bevoegdheden om de schadeverzekeraar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid meldt een wijziging in de akte van aanstelling van de in dat lid bedoelde schade-afhandelaar binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
§ 4. Bemiddelaars
Artikel 6:9. (aanspraak assurantiebemiddelaar op provisie)
Een bemiddelaar in verzekeringen heeft jegens de verzekeraar aanspraak op provisie over alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.
Intrekking van de vergunning van een bemiddelaar in verzekeringen laat onverlet zijn aanspraken op provisie ter zake van verzekeringen die op het tijdstip van de intrekking tot zijn portefeuille behoren of waarop op dat tijdstip artikel 4:43, tweede lid, van de wet, van toepassing is.
Na een overboeking als bedoeld in artikel 4:43, tweede en derde lid, van de wet, blijft, in afwijking van het eerste lid, de aanspraak op provisies bestaan tot het einde van het lopende verzekeringsjaar, indien het een levensverzekering betreft. Indien het een schadeverzekering betreft, blijft de aanspraak bestaan tot de eerstvolgende vervaldatum van de verzekeringsovereenkomst of tot een eerder tijdstip waarop de verzekering door opzegging door de verzekeringnemer kan worden beëindigd, tenzij anders wordt overeengekomen.
Artikel 6:10. (overname premie-incasso door verzekeraar)
Overname van het premie-incasso door een verzekeraar van een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in artikel 4:45, derde lid, van de wet, laat onverlet de aanspraak op provisie van die bemiddelaar, bedoeld in artikel 6:9, eerste lid.
Onverminderd het eerste lid, is de verzekeraar na overname van het premie-incasso bevoegd om aan de bemiddelaar een billijke en objectief gegronde vergoeding voor het premie-incasso in rekening te brengen of om de aanspraak van de bemiddelaar op provisie af te kopen. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over die vergoeding of afkoopsom.
Hoofdstuk 7. Zorgvuldige dienstverlening
§ 1. Algemene bepalingen inzake informatieverstrekking
Artikel 7:1. (informatieverstrekking door financiëledienstverlener)
De door een financiëledienstverlener te verstrekken informatie:
- a. is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een financieel product, zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico’s wordt gegeven;
- b. is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht;
- c. geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.
Artikel 7:2. (schriftelijk te verstrekken informatie)
Een financiëledienstverlener verstrekt de ingevolge de artikelen 5:4 tot en met 5:6 van de wet en de artikelen 7:5 tot en met 7:14 van dit besluit te verstrekken informatie schriftelijk. De financiëledienstverlener kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien de consument of cliënt daarmee instemt.
§ 2. Reclame-uitingen en andere onverplichte informatie
Artikel 7:3. (inhoud reclame-uiting krediet)
Een financiëledienstverlener:
- a. neemt in een reclame-uiting over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;
- b. brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen.
Bij regeling van Onze minister kan worden bepaald dat financiëledienstverleners in reclame-uitingen over krediet een waarschuwing opnemen met betrekking tot de gevolgen die aan het krediet zijn verbonden.
Artikel 7:4. (vermelding kosten krediet)
Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet melding maakt van enige gegevens betreffende de kosten van een krediet, verstrekt hij daarbij tevens informatie over:
- a. het kredietbedrag;
- b. de duur van de kredietovereenkomst;
- c. de totale kosten van het krediet;
- d. het totale door de consument te betalen bedrag;
- e. het effectieve rentepercentage op jaarbasis;
- f. indien het aangaan van een andere verplichting vereist is om het krediet op de in de reclame-uiting genoemde voorwaarden te verkrijgen: de verplichting daartoe en de kosten daarvan, of voor zover deze niet vooraf kunnen worden bepaald, een indicatie van die kosten;
- g. andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;
- h. de maandlast.
Een financiëledienstverlener geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.
Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, vermeldt zij daarbij het effectieve rentepercentage op jaarbasis en andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet.
Indien een reclame-uiting betrekking heeft op een krediet met een effectief rentepercentage dat voor een beperkte duur geldt, wordt in die reclame-uiting tevens melding gemaakt van de periode gedurende welke het aangeboden effectieve rentepercentage geldt, alsmede van het hoogste effectieve rentepercentage gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst.
Indien een reclame-uiting een termijnlast bevat, wordt in de reclame-uiting de gewogen gemiddelde termijnlast die op het krediet van toepassing is, genoemd.
De informatie, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiëledienstverlener worden verstrekt.
§ 3. Verplichte precontractuele informatie
Artikel 7:5. (algemene precontractuele informatie)
Voordat een consument of cliënt een verplichting aangaat met betrekking tot een financieel product of een financiële dienst, verstrekt de financiëledienstverlener de consument of cliënt ten minste de informatie met betrekking tot:
- a. zijn rechtsvorm;
- b. zijn naam, adres en contactgegevens en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
- c. de aard van de financiële dienstverlening;
- d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register;
- e. zijn interne klachtenprocedure als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de wet, en voor zover van toepassing, de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
- f. het recht dat op de verplichting van toepassing is of de door de financiëledienstverlener voorgestelde rechtskeuze;
- g. de wijze waarop de verplichting kan worden beëindigd, de termijn die daarbij in acht moet worden genomen, de aan de beëindiging verbonden kosten en de overige gevolgen van beëindiging van de verplichting.
Artikel 7:6. (precontractuele informatie krediet)
Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder een consument, onverminderd artikel 7:5, ten minste de volgende gegevens:
- a. een globale omschrijving van de wijze waarop de kredietaanbieder invulling geeft aan de kredietwaardigheidstoets, bedoeld in artikel 5:14 van de wet;
- b. het soort krediet;
- c. het kredietbedrag;
- d. de duur van de overeenkomst;
- e. de totale kosten van het krediet;
- f. het totale door de consument te betalen bedrag;
- g. het effectieve rentepercentage op jaarbasis;
- h. indien het aangaan van een andere verplichting vereist is om het krediet te verkrijgen: de aard en de kosten, of voor zover dit niet vooraf kan worden bepaald, een indicatie daarvan;
- i. andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;
- j. de maandlast en, indien de afbetalingstermijnen niet maandelijks zijn, de termijnlast en het bijbehorende aantal termijnen;
- k. indien de verplichting, bedoeld in onderdeel h, betrekking heeft op een financieel product of financiële dienst, niet zijnde een betaalrekening als bedoeld in artikel 5:16, eerste lid, onderdeel a, van de wet: de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere verplichting zal worden aangegaan;
- l. indien het effectieve rentepercentage voor beperkte duur geldt of indien een variabel effectief rentepercentage geldt: de periode gedurende welke dat rentepercentage geldt, alsmede de hoogte van de verschillende effectieve rentepercentages die van toepassing zijn op de overeenkomst, of indien dat nog niet kan worden vastgesteld, de wijze waarop de hoogte van het rentepercentage wordt bepaald;
- m. het kredietvergoedingspercentage met een beschrijving van de hierin opgenomen kosten, het hoogst toegestane kredietvergoedingspercentage, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, van de wet, en de vermelding van de vernietigingsgrond, bedoeld in artikel 5:15, derde lid, van de wet;
- n. de voorwaarden inzake de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
- o. het percentage dat wordt toegepast ter berekening van de vertragingsvergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling, onder vermelding van de hoogst toegestane vertragingsvergoeding op grond van artikel 5:15, eerste lid, van de wet, alsmede de in voorkomend geval in rekening te brengen buitengerechtelijke incassokosten;
- p. de wijze waarop de consument gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:17 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
- q. voor zover van toepassing de voorwaarden inzake ten behoeve van de kredietaanbieder te vestigen zekerheidsrechten.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met l, wordt op overzichtelijke wijze weergegeven in één document.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op de door de consument met betrekking tot het krediet kenbaar gemaakte voorkeur.
De aanbieder verstrekt de consument, teneinde deze in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde overeenkomst inzake krediet aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, een passende toelichting op de informatie op de voornaamste kenmerken van het voorgestelde krediet, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt. In afwijking van artikel 7:2 kan deze toelichting mondeling worden verstrekt.
Artikel 7:7. (precontractuele informatie levensverzekering)
Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar een cliënt, onverminderd artikel 7:5, ten minste de volgende informatie:
- a. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe hij zich verplicht of, voorzover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;
- b. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de gerechtigde op een uitkering heeft ingevolge de overeenkomst;
- c. een nauwkeurige omschrijving van de valuta waarin de premie of de uitkering is uitgedrukt, indien dat een andere valuta is dan de dollar, of van de units, eenheden of datgene waarin de premie of de uitkering anderszins is uitgedrukt, of, indien de uitkering strekt tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, van die prestaties;
- d. indien bij een uitkering omzetting plaatsvindt in dollars of een andere valuta: een nauwkeurige omschrijving van de omzettingsmethode;
- e. indien de uitkering in waarden wordt uitgedrukt: de vermelding van de aard van de waarden, waaronder aandelen of andersoortige rechten van deelneming in een beleggingsinstelling;
- f. indien de overeenkomst een recht op winstdeling omvat: de wijze van berekening en toewijzing van de winstdeling;
- g. de looptijd van de overeenkomst;
- h. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking, en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd, alsmede, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald;
- i. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
- j. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
- k. de kosten die naast de brutopremie in rekening worden gebracht;
- l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling:
- 1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel h, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
- 2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)