Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES)

Type Amvb Bes
Publication 2026-07-24
Laatst bijgewerkt 2026-07-29
State In force
Source BWB
artikelen 283
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 3°. de kosten die de beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling;
  • 4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst;
  • 5°. de wijze waarop kosten als bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;
  • m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste vijf jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage;
  • n. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:18 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
  • o. het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de cliënt.
Artikel 7:8. (precontractuele informatie natura-uitvaartverzekering)
1.

Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekeringverstrekt een natura-uitvaartverzekeraar een cliënt, onverminderd artikel 7:5, de volgende informatie:

  • a. een omschrijving van de prestatie waartoe de natura-uitvaartverzekeraar zich verplicht;
  • b. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de verzekerde ingevolge de overeenkomst heeft;
  • c. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
  • d. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
  • e. een opgave van de indexering die wordt toegepast op de verzekerde prestatie of op de premie;
  • f. de overige mogelijkheden die de aanbieder heeft om de verzekerde prestatie of de premie aan te passen;
  • g. een opgave of indicatie van de afkoop- of premievrije waarde of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;
  • h. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:18 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
  • i. een opgave van de uitvaartonderneming die de uitvaart zal verzorgen, dan wel van de wijze waarop wordt bepaald welke uitvaartonderneming de uitvaart zal verzorgen.
2.

Indien de termijn van beëindiging, bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, onderdeel g, langer is dan een jaar, maakt de natura-uitvaartverzekeraar dit op een opvallende wijze uitdrukkelijk kenbaar aan de cliënt, bij gebreke waarvan een opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst bepaalde.

Artikel 7:9. (precontractuele informatie schadeverzekering branche motorrijtuigen)

Voorafgaande aan de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, verstrekt een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen zodanige verzekeringen aanbiedt, een cliënt, onverminderd artikel 7:5, de naam en het adres van de ingevolge artikel 6:8, eerste lid, door hem aangestelde schade-afhandelaar.

Artikel 7:10. (precontractuele informatie provisie bemiddelaar)

Indien een overeenkomst inzake een levensverzekering, niet zijnde een overlijdensrisicoverzekering, tot stand komt door tussenkomst van een bemiddelaar, informeert die bemiddelaar de cliënt tijdig voorafgaande aan de totstandkoming van de desbetreffende overeenkomst over de hoogte van de provisie die hij in verband met deze bemiddeling ontvangt.

Artikel 7:11. (verstrekken informatie na totstandkoming overeenkomst)
1.

In afwijking van de artikelen 7:7, eerste lid, en 7:8, eerste lid, mag de in die artikelen bedoelde informatie ook onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst inzake een levensverzekering, onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekering, worden verstrekt, of uiterlijk tegelijkertijd met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst inzake binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge artikel 7:5 voorafgaand aan een overeenkomst inzake een schadeverzekering te verstrekken informatie, met dien verstande dat de termijn van ontbinding in dat geval veertien kalenderdagen bedraagt en de ontbinding geen terugwerkende kracht heeft.

§ 4. Informatieverstrekking gedurende de looptijd van een overeenkomst

Artikel 7:12. (tussentijdse informatie krediet)
1.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet met een variabel effectieve rentepercentage informeert de kredietaanbieder de consument over elke wijziging van de effectieve rentevoet, waarbij hij, voor zover van toepassing, de consument tevens informeert over gevolgen hiervan voor de termijnlast.

2.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder de consument op diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo. Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste het bedrag van de werkelijke kosten.

3.

Tot een jaar na de afwikkeling van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde afrekening.

Artikel 7:13. (tussentijdse informatie levensverzekeringen)
1.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar de cliënten minste de volgende informatie:

  • a. een wijziging van de polisvoorwaarden, voor zover redelijkerwijs relevant;
  • c. de jaarlijkse winstdeling;
  • d. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: een jaarlijkse opgave over het voorafgaande jaar van:
  • 1°. de waarde-ontwikkeling van het opgebouwde kapitaal;
  • 4°. het op het opgebouwde kapitaal behaalde rendement;
  • e. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: een jaarlijkse prognose van de hoogte van het eindkapitaal op basis van een pessimistische voorspelling of het historisch rendement;
  • f. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: het gevoerde beheer van de beleggingsinstelling; en
  • g. indien de cliënt daarom verzoekt: een opgave van de premievrije waarde op de einddatum van de verzekering, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage, of een opgave van de wegens afkoop verschuldigde kosten en de actuele afkoopwaarde.
2.

Indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling verstrekt de levensverzekeraar, onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel g, aan de cliënt die verzoekt zijn premie te verhogen of te verlagen of zijn polis premievrij te maken, een aan de nieuwe premie aangepaste opgave overeenkomstig artikel 7:7, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°.

Artikel 7:14. (tussentijdse informatie natura-uitvaartverzekeringen)

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar de cliënt, ten minste de volgende informatie:

  • a. een wijziging van de polisvoorwaarden, voor zover redelijkerwijs relevant;
  • b. voorzover zulks niet blijkt uit de wijziging van de polisvoorwaarden, bedoeld in onderdeel a: iedere wijziging van de overeenkomst ten aanzien van de in de artikel 7:5, eerste lid, onderdelen b en d, en 7:8, met uitzondering van onderdeel h, bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving.
Artikel 7:15. (tussentijdse informatie schadeverzekeringen motorrijtuigen)

Een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, stelt de cliënt binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de ingevolge artikel 6:8, eerste lid, door hem aangestelde schade-afhandelaar.

Artikel 7:16. (tussentijdse informatie door een gevolmachtigde agent)
1.

Een gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent die voor rekening van een verzekeraar een verzekering heeft gesloten, vermeldt in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd. In geval van een schadeverzekering vermeldt hij tevens elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel.

2.

Wordt, nadat de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent de verzekering heeft gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent geaccepteerde aandeel in de verzekering is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel gegeven, dan verstrekt de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent de in het eerste lid bedoelde gegevens aan de cliënt binnen vier weken na het sluiten van de verzekering of na het aanbrengen van de wijziging. Behoort de verzekering tot de portefeuille van een bemiddelaar, dan verstrekt de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent deze gegevens binnen twee weken aan deze bemiddelaar.

3.

Wordt, nadat een verzekering is gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel afgegeven waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, diens aandeel of daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan verstrekt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort, deze gegevens binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging aan de cliënt.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien binnen de desbetreffende termijn de verzekering is tenietgegaan en daaraan door de cliënt of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.

5.

De gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent of de betrokken bemiddelaar stelt de cliënt desgevraagd onverwijld in kennis van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van wijzigingen die daarin zijn aangebracht.

§ 5. Kredietverlening

Artikel 7:17. (kredietverstrekking)
1.

Ter voorkoming van overkreditering houdt een kredietaanbieder bij het bepalen van het ten hoogste aan een consument te verstrekken kredietbedrag rekening met diens huidige vaste en bestendige netto-inkomsten enerzijds en diens vaste uitgaven en, in voorkomend geval, aan andere kredietovereenkomsten verbonden financieringslasten anderzijds.

2.

Een kredietaanbieder verstrekt aan een consument geen krediet, voor zover de aan dat krediet verbonden maandelijkse financieringlasten de maandelijkse financieringsruimte van de consument overschrijden.

3.

De maandelijkse financieringsruimte, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:

  • a. indien de netto-inkomsten van de consument niet meer bedragen dan diens leefbedrag: 6% van het op hem van toepassing zijnde normbedrag;
  • b. indien de netto-inkomsten van de consument meer bedragen dan diens leefbedrag: de som van 6% van het op hem van toepassing zijnde normbedrag en een bedrag dat gelijk is aan [(netto-inkomsten – leefbedrag)2 / netto-inkomsten].
4.

Indien de consument reeds andere kredietovereenkomsten is aangegaan, worden de op maandbasis aan die andere overeenkomsten verbonden financieringslasten in mindering gebracht op zijn ingevolge het derde lid berekende financieringsruimte.

5.

Het leefbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt bepaald door het op de consument van toepassing zijnde normbedrag te verminderen met het bijbehorende bedrag aan forfaitaire woonlasten en te vermeerderen met de werkelijke woonlasten van de consument.

6.

Het normbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld bij regeling van Onze minister en bestaat uit een forfaitair bedrag aan woonlasten en een forfaitair bedrag aan overige vaste lasten. Dit normbedrag kan verschillend worden vastgesteld voor de verschillende huishoudensamenstellingen, alsmede voor de verschillende openbare lichamen, en kan periodiek worden herzien.

7.

Een aanbieder kan in plaats van het leefbedrag de werkelijke vaste uitgaven van de consument en, indien van toepassing, van andere personen met wie de consument een duurzame gezamenlijke huishouding voert, gebruiken bij de berekening in het derde lid, voor zover de aanbieder voldoet aan artikel 7:19, tweede lid.

8.

De aanbieder verstrekt geen consumptief krediet met een looptijd van meer dan vijf jaren, tenzij de economische levensduur van het met het krediet aan te schaffen goed langer is dan vijf jaren.

Artikel 7:18. (huishouden aanvrager)
1.

Bij de berekening van de netto-inkomsten van de aanvrager van een krediet mag rekening gehouden worden met de inkomsten van andere personen met wie de aanvrager een duurzame gezamenlijke huishouding voert.

2.

Bij de berekening van de financieringslasten van de aanvrager worden de financieringslasten van andere personen met wie de aanvrager een duurzame gezamenlijke huishouding voert, meegerekend.

Artikel 7:19. (beoordeling kredietaanvraag)
1.

Een kredietaanbieder legt de criteria vast die hij, met inachtneming van artikel 7:17, ten grondslag legt aan de beoordeling van kredietaanvragen van consumenten.

2.

Een kredietaanbieder mag in individuele gevallen afwijken van de artikelen 7:17 en 7:18, mits aantoonbaar aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de overeenkomst inzake krediet is gelet op het risico van overkreditering verantwoord;
  • b. de aanbieder heeft de juistheid gecontroleerd van de feiten en omstandigheden waarop de afwijking is gebaseerd;
  • c. de aanbieder heeft vastgesteld dat het aannemelijk is dat aanleiding voor de afwijking een aanhoudende situatie betreft;
  • d. de afwijking wordt gemotiveerd en vastgelegd en met documenten onderbouwd, en het bevat een duidelijke berekening waaruit blijkt dat de afwijkende situatie getoetst is op het voorkomen van overkreditering.
Artikel 7:20. (maximale kredietvergoedingspercentage)
1.

De hoogst toegelaten kredietvergoeding wordt uitgedrukt in een effectief percentage op jaarbasis aan totale kosten ten opzichte van het kredietbedrag. Dit percentage wordt bij regeling van Onze minister vastgesteld.

2.

Het kredietvergoedingspercentage dat van toepassing is op een overeenkomst inzake krediet wordt berekend als volgt:

waarin:

KVPj = kredietvergoedingspercentage per jaar;

kj = nominale kredietvergoedingspercentage per jaar.

3.

Het nominale kredietvergoedingspercentage per jaar wordt berekend door het nominale kredietvergoedingspercentage per maand te vermenigvuldigen met twaalf.

4.

Het nominale kredietvergoedingspercentage per maand wordt berekend als volgt:

waarin:

PMT = maandelijkse annuïteit;

KB = kredietbedrag;

n = het aantal maandelijkse termijnen;

km = nominale kredietvergoedingspercentage per maand.

5.

De maandelijkse annuïteit wordt berekend als volgt:

waarin:

TB = totaalbedrag, zijnde het kredietbedrag plus alle kosten, niet zijnde rente, uitgedrukt in contante waarde op het moment van het aangaan van de overeenkomst inzake krediet;

im = nominale rentepercentage per maand, gedeeld door honderd.

6.

Indien het totale door de consument te betalen bedrag wordt afgelost in andere termijnen dan maandelijkse termijnen, gaat de kredietaanbieder bij de berekening van het kredietvergoedingspercentage, bedoeld in het tweede lid, uit van de op het krediet van toepassing zijnde aflossingstermijnen.

7.

Indien de kosten, bedoeld in het eerste lid, enkel bestaat uit rente, is het kredietvergoedingspercentage gelijk aan het effectieve rentepercentage dat wordt berekend als volgt:

waarin:

rj = effectieve rentepercentage per jaar;

ij = nominale rentepercentage per jaar, gedeeld door honderd;

n = aantal termijnen per jaar.

8.

Indien het nominale rentepercentage niet constant is gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst, gebruikt de kredietaanbieder het gewogen gemiddelde rentepercentage, of ingeval dat nog niet kan worden vastgesteld, het hoogste rentepercentage gedurende de looptijd van de overeenkomst.

Artikel 7:21. (maximale vertragingsvergoeding)

De ten hoogste toegelaten vertragingsvergoeding wordt bij regeling van Onze minister vastgesteld.

§ 6. Beloning van tussenpersonen

Artikel 7:22. (provisie tussenpersonen)
1.

De beloning van een assurantiebemiddelaar bestaat, behoudens artikel 7:23, tweede lid, uitsluitend uit provisie ter zake van het bemiddelen bij het afsluiten van verzekeringen, het bemiddelen bij het verlengen van verzekeringen of het incasseren van premies.

2.

De in het eerste lid bedoelde provisie staat in een redelijke verhouding tot de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een adequate dienstverlening of die bijdragen aan de kwaliteit van de dienstverlening.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de provisie die een aanbieder van een financieel product, niet zijnde een verzekering, voor het bemiddelen of adviseren inzake dat financiële product verschaft.

Artikel 7:23. (afmakingscourtage)
1.

Het is een assurantiebemiddelaar verboden aan een verzekeringnemer dan wel aan hen te wier behoeve een verzekering is gesloten in geval van schade een afmakingscourtage in rekening te brengen.

2.

Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kan de Autoriteit Financiële Markten voor bij regeling van Onze Minister te bepalen vormen van verzekering ontheffing verlenen aan de assurantiebemiddelaar die ten genoegen van de Autoriteit Financiële Markten aantoont dat hij daartoe over het geschikte bedrijfsapparaat en expertise beschikt en de redelijkerwijs van hem te eisen inspanningen bij de schadeafwikkeling kan verrichten.

3.

De Autoriteit Financiële Markten kan de beoordeling van de kwaliteit van het bedrijfsapparaat, de expertise en de procedures voor de afwikkeling van schaden ten laste van de betreffende assurantiebemiddelaar door een deskundige derde laten doen.

4.

De afmakingscourtage die in rekening mag worden gebracht, bedraagt ten hoogste één procent van het aan de verzekerde uit te keren schadebedrag.

5.

De in het tweede lid bedoelde ontheffing geldt voor een periode van drie jaren en kan telkenmale met drie jaren worden verlengd.

Artikel 7:24. (begunstigingsverbod)
1.

Het is verboden ter zake van een verzekering direct of indirect provisie, retourprovisie of enig ander op geld waardeerbaar voordeel toe te kennen, af te staan of te beloven aan anderen dan de assurantiebemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort, onverminderd artikel 6:9, derde lid.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan, in aanvulling op artikel 1:12, eerste lid, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien het verbod strijdig is met algemeen erkende gebruiken of het algemeen belang van het verzekeringsbedrijf.

Hoofdstuk 8. Effectenverkeer

§ 1. Aanbieden van effecten

Artikel 8:1. (inhoud prospectus)
1.

Het prospectus, bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de bij regeling van Onze Minister te bepalen gegevens, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende categorieën effecten:

  • a. aandeelbewijzen, optiebewijzen, warrants, inschrijvingen in aandelenregisters, winst- en oprichtersbewijzen, rechten van deelgenootschap, en soortgelijke waardepapieren dan wel rechten;
  • b. schuldbrieven, inschrijvingen in schuldregisters, en soortgelijke waardepapieren dan wel rechten;
  • c. certificaten van aandelen en soortgelijke waardepapieren;
  • d. opties en soortgelijke rechten;
  • e. rechten op overdracht op termijn van goederen;
  • f. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld.
2.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de indeling van het prospectus.

Artikel 8:2. (taal van het prospectus)

De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat een prospectus als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet in een of meer door haar te bepalen talen wordt gesteld, indien dit, gelet op de voorgenomen of mogelijke verspreiding van het prospectus, naar haar oordeel noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan de beleggers. Zij kan aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze waarop het prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

Artikel 8:3. (aanvullend document)
1.

Alle belangrijke nieuwe feiten die zich voordoen of worden geconstateerd tussen het tijdstip van goedkeuring van een prospectus als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet en het tijdstip waarop de aanbieding van de effecten eindigt of de handel in de effecten aanvangt, en die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en van de rechten en verplichtingen die aan de effecten zijn verbonden, alsmede materiële onvolledigheden, onnauwkeurigheden of onjuistheden in het prospectus, worden vermeld of gecorrigeerd in een document dat ter aanvulling van het prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

2.

Het in het eerste lid bedoelde document behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Financiële Markten en wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 8:2 is van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Marktmisbruik

Artikel 8:4. (uitzonderingen verbod op gebruik voorwetenschap)

Artikel 5:25, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende categorieën transacties:

  • a. transacties in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld;
  • b. het in het kader van een personeelsregeling aan personen als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de wet of aan werknemers toekennen van effecten, indien daarbij een bestendige gedragslijn wordt gehanteerd met betrekking tot de voorwaarden en de periodiciteit van de regeling;
  • c. het in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel b uitoefenen van toegekende opties dan wel soortgelijke rechten, op de expiratiedatum van het desbetreffende recht of binnen een periode van vijf werkdagen voorafgaande aan die datum, alsmede het verkopen van de met de uitoefening van deze rechten verworven effecten binnen deze periode, indien de rechthebbende in dit laatste geval ten minste vier maanden voor de expiratiedatum schriftelijk aan de uitgevende instelling kenbaar heeft gemaakt tot verkoop te zullen overgaan of een onherroepelijke volmacht tot verkoop aan de uitgevende instelling heeft verleend;
  • d. een transactie waarvan het verrichten of bewerkstelligen noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting tot levering van aandelen of certificaten van aandelen;
  • e. het bij wijze van dividenduitkering uitgeven of, anders dan in de vorm van keuzedividend, verkrijgen van aandelen of certificaten van aandelen;
  • f. het verkopen van in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel b toegekende effecten onmiddellijk nadat verkoop volgens de voorwaarden van de toekenning voor het eerst mogelijk wordt, waarbij de betrokkene de opbrengst van de verkoop onmiddellijk aanwendt ter voldoening van een uit de toekenning voortvloeiende belastingplicht.
Artikel 8:5. (uitzonderingen verbod op marktmanipulatie)
1.

Artikel 5:27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld. Op advies van de Autoriteit Financiële Markten kunnen bij regeling van Onze Minister andere transacties of handelsorders worden aangewezen waarop het verbod van artikel 5:27, eerste lid, van de wet niet van toepassing is.

2.

Artikel 5:27, tweede lid, is niet van toepassing op het verspreiden van informatie in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld.

§ 3. Zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen

Artikel 8:6. (uitgezonderde vennootschappen)

Hoofdstuk 6, paragrafen 2 en 3, is niet van toepassing op:

  • a. vennootschappen waarvan op de erkende effectenbeurzen geen aandelen worden verhandeld die zonder toepassing van artikel 6:2 van de wet als stemgerechtigde aandelen zouden worden aangemerkt;
  • b. vennootschappen waarvan de statuten bepalen dat de aandeelhouder het recht heeft om, onder bij of krachtens de statuten vastgestelde voorwaarden, zijn aandelen in het kapitaal van de vennootschap te doen inkopen;
  • c. vennootschappen waarvan de belegging en het beheer van het vermogen contractueel is opgedragen aan een derde, mits zulks blijkt uit de statuten of bij de laatste emissie van aandelen aan de aandeelhouders en aan de inschrijvers op de emissie duidelijk kenbaar is gemaakt.

Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete

Artikel 9:1. (bestuurlijke boetecategorieën)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de hieronder opgenomen categorieën bestuurlijke boeten met daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen onderscheiden.

Boetecategorie Basisbedrag Minimumbedrag Maximumbedrag
Eerste categorie USD 500 USD 0 USD 2.000
Tweede categorie USD 5.000 USD 0 USD 10.000
Derde categorie USD 25.000 USD 0 USD 50.000
Artikel 9:2. (toepasselijke boetecategorie)
1.

Overtreding van een in bijlage 3 bij dit besluit genoemd voorschrift is beboetbaar met een bestuurlijke boete van de volgens die bijlage op overtreding van dat voorschrift van toepassing zijnde categorie.

2.

Het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12, eerste lid, van de wet gegeven aanwijzing is, indien de aanwijzing gegeven is ter zake van het niet voldoen aan een in bijlage 3 genoemd voorschrift, beboetbaar met een bestuurlijke boete van dezelfde categorie als waarmee dat voorschrift beboetbaar is.

3.

Indien een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid is gegeven ter zake van een voorschrift, niet zijnde een in bijlage 3 genoemd voorschrift, is het geen gevolg dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan die aanwijzing beboetbaar met een bestuurlijke boete van de eerste categorie.

4.

Het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12, tweede lid, of 7:13 van de wet gegeven aanwijzing is beboetbaar met een bestuurlijke boete van de tweede categorie.

Artikel 9:3. (basisbedrag en verhoging of verlaging van het boetebedrag)
1.

De toezichtautoriteit stelt een bestuurlijke boete vast op het basisbedrag, behorend bij de van toepassing zijnde categorie.

2.

De toezichtautoriteit verhoogt het basisbedrag van een in de eerste categorie op te leggen boete met ten hoogste 300 procent van dat bedrag, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verhoging rechtvaardigt.

3.

De toezichtautoriteit verlaagt of verhoogt het basisbedrag van een in de tweede of derde categorie op te leggen boete:

  • a. met ten hoogste 50 procent van het basisbedrag, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt;
  • b. met ten hoogste 50 procent van het basisbedrag, indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
Artikel 9:4. (verdubbeling boete bij herhaalde overtreding)

Het door de toezichtautoriteit met toepassing van artikel 9:3 vast te stellen boetebedrag wordt verdubbeld, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.

Artikel 9:5. (boete naar draagkracht)
1.

De toezichtautoriteit houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

2.

De toezichtautoriteit kan op grond van het eerste lid de op te leggen boete verlagen met ten hoogste 100 procent van het op grond van de artikelen 9:3 en 9:4 vastgestelde bedrag.

Hoofdstuk 10. Bijzondere prudentiële maatregelen verzekeraars

Artikel 10:1. (herstelplan)
1.

Een herstelplan als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn een einde wordt gemaakt aan de omstandigheden die aanleiding gaven tot het verlangen van het herstelplan.

2.

Het herstelplan bevat voor de eerstvolgende drie boekjaren ten minste gegevens betreffende:

  • a. een raming van de kosten van beheer, met name van de algemene lopende kosten en de provisies;
  • b. een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven betreffende directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en overdrachten uit hoofde van herverzekering;
  • c. de te verwachten balanspositie;
  • d. een raming van de financiële middelen ter dekking van de verplichtingen en van de vereiste solvabiliteitsmarge;
  • e. het algemene herverzekeringsbeleid.
3.

De Nederlandsche Bank kan aanvullende gegevens verlangen, indien dit nodig is voor een goede beoordeling van het herstelplan.

Artikel 10:2. (saneringsplan en financieringsplan)
1.

Een saneringsplan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht. Indien ingevolge artikel 8:3, eerste lid, van de wet een herstelplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het saneringsplan tevens hoe het herstelplan daarin wordt verwerkt.

2.

Een financieringsplan als bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht. Indien ingevolge artikel 8:3, eerste lid, van de wet een saneringsplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het financieringsplan tevens hoe het saneringsplan daarin wordt verwerkt.

Hoofdstuk 10a. Depositogarantiestelsel

§ 1. Overgangsrecht

Artikel 11:1. (overgangsrecht in verband met Bazel II)

Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen beschikt in afwijking van de bij of krachtens artikel 4:3 of 4:29 gestelde regels, tot 1 januari 2014 over voldoende solvabiliteit en liquiditeit, indien zij voldoet aan de artikelen 2.2 tot en met 2.5 van de Regeling financiële markten BES 2010, zoals deze regeling luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 2. Wijziging van andere besluiten

Artikel 11:2. (Besluit bestuursorganen WNo en Wob)

Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.

Artikel 11:3. (Kiesbesluit)

Wijzigt het Kiesbesluit.

Artikel 11:4. (Besluit politiegegevens)

Wijzigt het Besluit politiegegevens.

§ 3. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 11:5. (inwerkingtreding)

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan en voor de verschillende op grond van dit besluit te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 11:6. (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële markten BES.

Bijlage 1. In aanmerking te nemen antecedenten

Bijlage als bedoeld in artikel 3:1, derde lid

1. Strafrechtelijke antecedenten

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht BES:

Belastingwet BES:

Opiumwet 1960 BES:

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES:

Vuurwapenwet BES:

Bijlage als bedoeld in artikel 3:1, derde lid

Bijlage als bedoeld in artikel 3:1, derde lid

Douane- en Accijnswet BES:

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.3. (voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Wetboek van Strafrecht BES:

Belastingwet BES:

2.4. Andere feiten of omstandigheden

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES:

3. Financiële antecedenten

3.1. Persoonlijk

1. Strafrechtelijke antecedenten

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

2.3. (voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Wetboek van Strafrecht BES:

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

2.4. Andere feiten of omstandigheden

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES:

3. Financiële antecedenten

Wapenwet BES:

3.1. Persoonlijk

Douane- en Accijnswet BES:

3.3. Andere feiten of omstandigheden

4. Toezichtantecedenten

Bijlage 2. Voorwaarden van beleggingsinstellingen

Bijlage als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid

  • I. In de voorwaarden van de beleggingsinstelling worden vermeld:
  • 1.1. de regels voor de berekening van de koers bij emissie, verkoop of inkoop van dan wel terugbetaling op de rechten van deelneming;
  • 1.2. de regels die gelden voor de inkoop en verkoop van, alsmede de terugbetaling op, deelnemingsrechten door de beleggingsinstelling, waaronder, in voorkomend geval, de regels die gelden wanneer de beleggingsinstelling een derde bij overeenkomst met taken inzake de administratie, inkoop, verkoop of bewaarneming van door haar uitgegeven deelnemingsrechten heeft belast;
  • 1.3. door de beleggingsinstelling die de plicht heeft om deelnemingsrechten in te kopen, voor zover redelijkerwijs voorzienbaar: de gevallen waarin in het belang van de deelnemers de inkoop van de rechten van deelneming of de terugbetaling van de waarde van de deelnemingsrechten kunnen worden opgeschort;
  • 1.4. voor zover van toepassing, de effectenbeurzen en de andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markten waar de effecten worden verhandeld waarin de beleggingsinstelling belegt;
  • 1.5. de regels voor de waardering van de activa;
  • 1.6. de vergoedingen en de uitgaven welke de beheerder van een beleggingsfonds ten laste van het fonds mag inhouden, alsmede de wijze van berekening van deze vergoedingen;
  • 1.7. de aard van de voor rekening van de beleggingsmaatschappij komende kosten;
  • 1.8. de wijze waarop wordt bepaald of de opbrengsten van de beleggingsinstelling worden uitgekeerd of herbelegd;
  • 1.9. de gevallen waarin vergaderingen van deelnemers kunnen of moeten worden gehouden, de regelingen voor het oproepen van deze vergaderingen en de wijze waarop het stemrecht is geregeld;
  • 1.10. de wijze waarop in de voorwaarden van de beleggingsinstelling wijzigingen kunnen worden aangebracht en in hoeverre hierbij de vergadering van deelnemers betrokken wordt;
  • 1.11. de regels en de voorwaarden die gelden bij een vervanging van de beheerder van het beleggingsfonds;
  • 1.12. vermelding van de regels en de voorwaarden die gelden bij een vervanging van de bewaarder.
  • II. In de voorwaarden van de beleggingsinstelling wordt bepaald dat:
  • 2.1. elk recht van deelneming van dezelfde soort recht geeft op een evenredig aandeel in het vermogen van de beleggingsinstelling voor zover dit aan de deelgerechtigden toekomt;
  • 2.2. voor de beleggingsinstelling waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de deelnemers door haar vrij ingekocht en verkocht worden, voldoende waarborgen aanwezig dienen te zijn opdat, behoudens wettelijke bepalingen en de hierboven onder I.1.3. genoemde gevallen, aan de verplichting om in te kopen en te verkopen kan worden voldaan;
  • 2.3. behalve ingeval van gratis verstrekking, deelnemingsrechten slechts worden uitgegeven indien de netto-uitgifteprijs binnen de vastgestelde termijnen in het vermogen van de beleggingsinstelling is gestort;
  • 2.4. ingeval bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen door de beleggingsinstelling worden ondertekend;
  • 2.5. de betaalbaarstelling van uitkeringen aan deelnemers, de samenstelling van de uitkeringen alsmede de wijze van betaalbaarstelling worden bekendgemaakt aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.6. een oproeping voor een vergadering van deelnemers geschiedt tenminste veertien dagen voor de aanvang van die vergadering, aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.7. een voorstel tot wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling wordt medegedeeld aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.8. wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling slechts met medeweten van de vergadering van deelnemers kan worden aangebracht;
  • 2.9. wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling, waardoor rechten of zekerheden van de deelnemers worden verminderd of lasten aan hen worden opgelegd, eerst van kracht wordt drie maanden na de instemming door de Autoriteit Financiële Markten en dat binnen deze periode de deelnemers hun rechten van deelneming tegen de gebruikelijke voorwaarden kunnen royeren;
  • 2.10. een voorstel tot opheffing van de beleggingsinstelling kenbaar moet worden gemaakt aan de vergadering van deelnemers;
  • 2.11. mededeling wordt gedaan van een verzoek aan de toezichthoudende autoriteit ingevolge artikel 2:14, aanhef, van de wet, tot intrekking van de vergunning, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.12. de beheerder van het beleggingsfonds bij het beheren uitsluitend in het belang van de deelnemers optreedt;
  • 2.13. indien de beheerder zijn voornemen te kennen geeft zijn functie neer te leggen, binnen een termijn van vier weken een vergadering van deelnemers wordt gehouden om in de benoeming van een nieuwe beheerder te voorzien;
  • 2.14. bij de vereffening van het vermogen, bedoeld artikel 6:4, eerste lid, onderdeel d, in de beheerder van het beleggingsfonds aan de deelnemers rekening en verantwoording aflegt alvorens tot uitkering aan de deelnemers over te gaan.

Bijlage 3. Boetetabel

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 10a:1. (begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • basisbijdrage: door een kredietinstelling op grond van artikel 10A:7 verschuldigde bijdrage aan het depositogarantiefonds;
  • buitengewone bijdrage: door een kredietinstelling op grond van artikel 10A:11 verschuldigde buitengewone bijdrage aan het depositogarantiefonds;
  • deposito: tegoed dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat een kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, met uitzondering van een tegoed waarvan:
  • a. het bestaan alleen kan worden aangetoond met behulp van een ander financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel c tot en met h, van de wet, tenzij het een betaal- of spaarrekening betreft die wordt belichaamd in een certificaat van deposito dat op naam luidt;
  • b. de hoofdsom niet a pari terugbetaalbaar is;
  • c. de hoofdsom alleen a pari terugbetaalbaar is uit hoofde van een door de kredietinstelling of door een derde verstrekte garantie of overeenkomst;
  • depositobasis: totaal van de bij een kredietinstelling aangehouden gegarandeerde deposito’s;
  • depositogarantiefonds: door de Stichting aangehouden financiële middelen, uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op het depositogarantiestelsel;
  • gegarandeerd deposito: deposito voor zover dat gegarandeerd wordt uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
  • Stichting: Stichting Depositogarantiefonds Caribisch Nederland, gevestigd te Amsterdam.
Artikel 10a:2. (garantie onder depositogarantiestelsel)
1.

Ingevolge het depositogarantiestelsel zijn deposito’s gegarandeerd tot een bedrag van USD 25.000 per persoon per kredietinstelling.

2.

Het depositogarantiestelsel garandeert deposito's, met uitzondering van deposito’s als bedoeld in bijlage 2A, van personen:

  • a. die deposito's op eigen naam en voor eigen rekening bij de betalingsonmachtige kredietinstelling aanhouden;
  • b. die tezamen met een ander op eigen naam deposito's bij de betalingsonmachtige kredietinstelling aanhouden;
  • c. te wier behoeve door een derde, op naam van die derde, deposito's worden aangehouden bij de betalingsonmachtige kredietinstelling, mits:
  • 1°. die deposito's worden aangehouden op grond van of ter uitvoering van reeds voor de inwerkingstelling van het depositogarantiestelsel tussen de rekeninghouder en bedoelde personen geldende wettelijke of contractuele bepalingen;
  • 2°. de identiteit van bedoelde personen bij de kredietinstelling bekend is of aan de hand van een door de rekeninghouder gevoerde professionele administratie kan worden vastgesteld; en
  • 3°. de hoogte van de deposito’s aan de hand van reeds voor de inwerkingstelling van het depositogarantiestelsel vastgelegde gegevens kan worden vastgesteld.
3.

Indien op gegarandeerde deposito’s rente is aangegroeid die nog niet is gecrediteerd op het tijdstip waarop op grond van artikel 10A.14 besloten is tot inwerkingstelling van het depositogarantiestelsel, wordt het aangegroeide rentebedrag gerekend tot de deposito’s.

Artikel 10a:3. (beheer depositogarantiefonds)
1.

De Stichting heeft tot taak het beheer van de middelen ter financiering van het depositogarantiestelsel. De Nederlandsche Bank besluit over de aanwending van de financiële middelen van de Stichting.

2.

De Nederlandsche Bank ondersteunt de Stichting bij de uitoefening van haar taak en verschaft de voor die taakuitoefening benodigde financiële middelen.

Artikel 10a:4. (bestuur Stichting)
1.

Het bestuur van de Stichting bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter. De Nederlandsche Bank benoemt, schorst en ontslaat de leden van het bestuur.

2.

Op de taakuitoefening van de Stichting zijn de artikelen 20, 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt Onze Minister onverwijld in kennis van door haar getroffen voorzieningen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

3.

De Stichting legt verantwoording af over haar taakuitoefening met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, eerste lid, met uitzondering van de laatste volzin, en tweede lid, enkel voor zover dat lid ziet op het verzenden van het jaarverslag aan «Onze Minister», 26, 34, eerste lid, en 35, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, met dien verstande dat voor «Onze Minister» wordt gelezen: de Nederlandsche Bank.

Artikel 10a:5. (financiële middelen van de Stichting)
1.

De financiële middelen van de Stichting worden aangehouden in contant geld, deposito’s en activa met een laag risico en kunnen worden geliquideerd binnen de termijn van zeven werkdagen.

2.

Activa met een laag risico zijn activa die door de Nederlandsche Bank veilig en liquide worden geacht.

Artikel 10a:6. (gegevens voor de uitvoering van het depositogarantiestelsel)
1.

Een aan het depositogarantiestelsel deelnemende kredietinstelling draagt er zorg voor dat voor de uitvoering van het depositogarantiestelsel noodzakelijke gegevens voortdurend worden bijgehouden en vastgelegd.

2.

De kredietinstelling verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de Nederlandsche Bank binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn en op een op de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.

Artikel 10a:7. (algemene financiering depositogarantiestelsel)
1.

De kredietinstellingen dragen de kosten van de financiering van het depositogarantiestelsel.

2.

Een kredietinstelling waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, is een jaarlijkse bijdrage aan de Stichting verschuldigd gebaseerd op de depositobasis.

3.

De doelomvang van de financiële middelen die in het depositogarantiefonds worden aangehouden ten behoeve van het depositogarantiestelsel, is 5% van de gegarandeerde deposito’s waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is gezamenlijk.

4.

De Nederlandsche Bank stelt de hoogte van de jaarlijkse bijdrage vast overeenkomstig bijlage 2b bij dit besluit, zodanig dat het depositogarantiefonds de doelomvang bereikt binnen tien jaar na inwerkingtreding van het depositogarantiestelsel.

5.

In afwijking van het vierde lid wordt, nadat een uitkering, bedoeld in artikel 10A:18, of de beschikbaarstelling van een bedrag, bedoeld in artikel 10A:20, in het kader van het depositogarantiestelsel ten laste van de Stichting heeft plaatsgevonden, de hoogte van de verschuldigde jaarlijkse bijdragen zodanig vastgesteld dat het depositogarantiefonds de doelomvang bereikt binnen tien jaar na toepassing van het depositogarantiestelsel.

6.

Indien het depositogarantiefonds het doelvermogen overschrijdt, kan de Nederlandsche Bank ten laste van de Stichting het meerdere naar rato van de depositobases laten uitkeren aan de kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is.

7.

De door de kredietinstellingen verschuldigde bijdragen komen ten goede aan het individuele saldi van de kredietinstellingen in het depositogarantiefonds.

8.

Indien het depositogarantiefonds vergoedingen uitkeert, keert het deze uit ten laste van achtereenvolgens:

  • a. het individuele saldo van de kredietinstelling waarvoor het depositogarantiefonds wordt aangewend;
  • b. de individuele saldi van de overige kredietinstellingen.
Artikel 10a:8. (vaststelling bijdrage)
1.

De Nederlandsche Bank stelt jaarlijks voor 1 mei de hoogte van de door een kredietinstelling met inachtneming van artikel 10A:7 verschuldigde bijdrage vast overeenkomstig bijlage 2b van dit besluit.

2.

De vaststelling van de hoogte van de bijdrage geschiedt op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 10A:6.

3.

Indien een kredietinstelling de gegevens niet tijdig of niet volledig heeft ingediend, schat de Nederlandsche Bank de omvang van de depositobasis van die instelling en stelt op basis van die schatting de hoogte van de verschuldigde bijdrage vast.

4.

Een kredietinstelling voldoet het bedrag van de door haar verschuldigde bijdrage aan de Stichting, binnen 6 weken nadat het vastgestelde bedrag door de Nederlandsche Bank aan haar is medegedeeld.

Artikel 10a:9. (vastlegging bijdragen Stichting)
1.

De Nederlandsche Bank doet de Stichting jaarlijks voor 15 mei schriftelijk mededeling van de hoogte van de door individuele kredietinstellingen voor dat jaar verschuldigde bijdragen ten behoeve van de financiële middelen die in het depositogarantiefonds worden aangehouden in het kader van het depositogarantiestelsel.

2.

De Stichting deelt de Nederlandsche Bank jaarlijks voor 1 augustus schriftelijk mede, welke bijdragen zij in dat jaar van individuele kredietinstellingen heeft ontvangen.

Artikel 10a:10. (ontoereikende middelen)

De Stichting stelt de Nederlandsche Bank ervan in kennis, indien de in het depositogarantiefonds aanwezige middelen aangehouden ten behoeve van het depositogarantiestelsel, niet toereikend zijn om de op grond van het depositogarantiestelsel aan depositohouders uit te keren bedragen beschikbaar te stellen of een bedrag beschikbaar te stellen ten behoeve van een overdracht als bedoeld in artikel 10A:20, eerste lid.

Artikel 10a:11. (buitengewone bijdragen)
1.

Indien de Stichting een kennisgeving als bedoeld in artikel 10A:10 heeft gedaan, kunnen ter verkrijging van de benodigde financiële middelen buitengewone bijdragen worden geheven. De Nederlandsche Bank bepaalt de hoogte van de buitengewone bijdragen die jaarlijks worden geheven zolang de in het depositogarantiefonds aanwezige middelen niet toereikend zijn.

2.

De buitengewone bijdrage is gebaseerd op de depositobasis en wordt jaarlijks geheven bij alle kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is.

3.

De Nederlandsche Bank stelt de hoogte van de door een kredietinstelling op grond van het tweede lid verschuldigde buitengewone bijdrage vast overeenkomstig bijlage 2b bij dit besluit.

4.

Het in enig kalenderjaar door een kredietinstelling op grond van het tweede lid te betalen bedrag, is niet groter dan 0,5% van de gegarandeerde deposito’s van die kredietinstelling. Indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een kredietinstelling daartoe aanleiding geeft, kan de Nederlandsche Bank een lager percentage vaststellen.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

§ 1. Overgangsrecht

Artikel 11:1. (overgangsrecht in verband met Bazel II)

Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen beschikt in afwijking van de bij of krachtens artikel 4:3 of 4:29 gestelde regels, tot 1 januari 2014 over voldoende solvabiliteit en liquiditeit, indien zij voldoet aan de artikelen 2.2 tot en met 2.5 van de Regeling financiële markten BES 2010, zoals deze regeling luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 2. Wijziging van andere besluiten

Artikel 11:2. (Besluit bestuursorganen WNo en Wob)

Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.

§ 3. Inwerkingtreding en citeertitel

Bijlage 1. In aanmerking te nemen antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in de openbare lichamen of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Opiumwet 1960 BES:

Vuurwapenwet BES:

Bijlage als bedoeld in artikel 3:1, derde lid

Wet van 20 april 1932, betreffende botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen en ontzegging van de rijbevoegdheid BES:

Douane- en Accijnswet BES:

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Belastingwet BES:

3. Financiële antecedenten

3.2. Zakelijk

Buitenlandse strafbepalingen:

2.2. Transacties

4.1. Toezichtantecedenten

Aan betrokkene is op grond van de Belastingwet BES een straf opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Belastingwet BES een straf opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

3.1. Persoonlijk

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de toezichtautoriteit van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

6. Zakelijk financiële antecedenten

Bijlage 2. Voorwaarden van beleggingsinstellingen

Bijlage als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid

  • I. In de voorwaarden van de beleggingsinstelling worden vermeld:
  • 1.1. de regels voor de berekening van de koers bij emissie, verkoop of inkoop van dan wel terugbetaling op de rechten van deelneming;
  • 1.2. de regels die gelden voor de inkoop en verkoop van, alsmede de terugbetaling op, deelnemingsrechten door de beleggingsinstelling, waaronder, in voorkomend geval, de regels die gelden wanneer de beleggingsinstelling een derde bij overeenkomst met taken inzake de administratie, inkoop, verkoop of bewaarneming van door haar uitgegeven deelnemingsrechten heeft belast;
  • 1.3. door de beleggingsinstelling die de plicht heeft om deelnemingsrechten in te kopen, voor zover redelijkerwijs voorzienbaar: de gevallen waarin in het belang van de deelnemers de inkoop van de rechten van deelneming of de terugbetaling van de waarde van de deelnemingsrechten kunnen worden opgeschort;
  • 1.4. voor zover van toepassing, de effectenbeurzen en de andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markten waar de effecten worden verhandeld waarin de beleggingsinstelling belegt;
  • 1.5. de regels voor de waardering van de activa;
  • 1.6. de vergoedingen en de uitgaven welke de beheerder van een beleggingsfonds ten laste van het fonds mag inhouden, alsmede de wijze van berekening van deze vergoedingen;
  • 1.7. de aard van de voor rekening van de beleggingsmaatschappij komende kosten;
  • 1.8. de wijze waarop wordt bepaald of de opbrengsten van de beleggingsinstelling worden uitgekeerd of herbelegd;
  • 1.9. de gevallen waarin vergaderingen van deelnemers kunnen of moeten worden gehouden, de regelingen voor het oproepen van deze vergaderingen en de wijze waarop het stemrecht is geregeld;
  • 1.10. de wijze waarop in de voorwaarden van de beleggingsinstelling wijzigingen kunnen worden aangebracht en in hoeverre hierbij de vergadering van deelnemers betrokken wordt;
  • 1.11. de regels en de voorwaarden die gelden bij een vervanging van de beheerder van het beleggingsfonds;
  • 1.12. vermelding van de regels en de voorwaarden die gelden bij een vervanging van de bewaarder.
  • II. In de voorwaarden van de beleggingsinstelling wordt bepaald dat:
  • 2.1. elk recht van deelneming van dezelfde soort recht geeft op een evenredig aandeel in het vermogen van de beleggingsinstelling voor zover dit aan de deelgerechtigden toekomt;
  • 2.2. voor de beleggingsinstelling waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de deelnemers door haar vrij ingekocht en verkocht worden, voldoende waarborgen aanwezig dienen te zijn opdat, behoudens wettelijke bepalingen en de hierboven onder I.1.3. genoemde gevallen, aan de verplichting om in te kopen en te verkopen kan worden voldaan;
  • 2.3. behalve ingeval van gratis verstrekking, deelnemingsrechten slechts worden uitgegeven indien de netto-uitgifteprijs binnen de vastgestelde termijnen in het vermogen van de beleggingsinstelling is gestort;
  • 2.4. ingeval bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen door de beleggingsinstelling worden ondertekend;
  • 2.5. de betaalbaarstelling van uitkeringen aan deelnemers, de samenstelling van de uitkeringen alsmede de wijze van betaalbaarstelling worden bekendgemaakt aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.6. een oproeping voor een vergadering van deelnemers geschiedt tenminste veertien dagen voor de aanvang van die vergadering, aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.7. een voorstel tot wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling wordt medegedeeld aan het adres van iedere deelnemer, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.8. wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling slechts met medeweten van de vergadering van deelnemers kan worden aangebracht;
  • 2.9. wijziging van de voorwaarden van de beleggingsinstelling, waardoor rechten of zekerheden van de deelnemers worden verminderd of lasten aan hen worden opgelegd, eerst van kracht wordt drie maanden na de instemming door de Autoriteit Financiële Markten en dat binnen deze periode de deelnemers hun rechten van deelneming tegen de gebruikelijke voorwaarden kunnen royeren;
  • 2.10. een voorstel tot opheffing van de beleggingsinstelling kenbaar moet worden gemaakt aan de vergadering van deelnemers;
  • 2.11. mededeling wordt gedaan van een verzoek aan de toezichthoudende autoriteit ingevolge artikel 2:14, aanhef, van de wet, tot intrekking van de vergunning, of, indien deze adresgegevens onbekend zijn, op de website van de beleggingsinstelling, of, indien de beleggingsinstelling geen website heeft, in een advertentie in een prijscourant van de effectenbeurs waaraan de deelnemingsrechten in de beleggingsinstelling zijn genoteerd;
  • 2.12. de beheerder van het beleggingsfonds bij het beheren uitsluitend in het belang van de deelnemers optreedt;
  • 2.13. indien de beheerder zijn voornemen te kennen geeft zijn functie neer te leggen, binnen een termijn van vier weken een vergadering van deelnemers wordt gehouden om in de benoeming van een nieuwe beheerder te voorzien;
  • 2.14. bij de vereffening van het vermogen, bedoeld artikel 6:4, eerste lid, onderdeel d, in de beheerder van het beleggingsfonds aan de deelnemers rekening en verantwoording aflegt alvorens tot uitkering aan de deelnemers over te gaan.

Bijlage 2. Voorwaarden van beleggingsinstellingen

Bijlage als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid

  • I. In de voorwaarden van de beleggingsinstelling worden vermeld:
  • 1.1. de regels voor de berekening van de koers bij emissie, verkoop of inkoop van dan wel terugbetaling op de rechten van deelneming;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)