Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren
In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, kan op het merkdeel van het oormerk een individueel volgnummer van het betreffende dier worden opgenomen.
In afwijking van artikel 52, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 is het niet toegestaan om op het oormerk het unieke registratienummer van de laatste inrichting van de toeleveringsketen te vermelden.
Artikel 5b.32. Eisen aan elektronisch oormerk
In aanvulling op artikel 9, derde lid en artikel 11, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, wordt een model van een elektronisch oormerk voor varkens, en wijzigingen daarvan, uitsluitend goedgekeurd indien het voldoet aan artikel 5b.31, eerste lid, onderdelen a tot en met e.
In aanvulling op het eerste lid, kan op het merkdeel van het oormerk, bedoeld in artikel 5b.31, eerste lid onderdeel b, een individueel volgnummer van het betreffende dier worden opgenomen.
In afwijking van artikel 52, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 is het niet toegestaan om op het oormerk het unieke registratienummer van de laatste inrichting van de toeleveringsketen te vermelden.
Artikel 5b.33. Eisen tatoeage
In aanvulling op artikel 52, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035, en artikel 9, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, voldoet een tatoeage ingeval van een raszuiver fokvarken of een hybride fokvarken als bedoeld in artikel 2, onderdelen 9 of 10, van verordening (EU) 2016/1012 aan de volgende vereisten:
- a. de tatoeage wordt aangebracht in de kleur zwart of groen;
- b. de tatoeage wordt aangebracht met een daarvoor geschikte tang op een zodanige wijze dat de tekens goed leesbaar blijven.
Artikel 5b.34. Eisen slachtmerk
Een model van een slachtmerk voor varkens, en wijzigingen daarvan, wordt uitsluitend goedgekeurd indien het voldoet aan de volgende vereisten:
- a. het slachtmerk is vervaardigd van metaal;
- b. het slachtmerk is een beugelmerk;
- c. op één zijde van het slachtmerk, in de afmeting van 6,5 bij 3,5 millimeter, zijn de volgende gegevens aangebracht:
- 1°. het unieke registratienummer van de inrichting waarvan het varken voor de slacht wordt afgevoerd; en
- 2°. het logo zoals afgebeeld in bijlage 6;
- d. een slachtmerk een lengte heeft van maximaal 55 millimeter.
Het is toegestaan om, in aanvulling op het eerste lid, onderdeel c, een individueel volgnummer van het betreffende dier aan te brengen.
Artikel 5b.35. Eisen gebruiksmerk
Een model van een gebruiksmerk voor varkens, en wijzigingen daarvan, wordt uitsluitend goedgekeurd indien het voldoet aan de volgende vereisten:
- a. het gebruiksmerk is vervaardigd van thermoplastisch kunststof;
- b. het merkdeel waarop de gegevens, bedoeld in onderdeel c, staan, heeft een witte kleur;
- c. op het merkdeel van het oormerk dat na aanbrengen van het merk direct zichtbaar is, staat uitsluitend vermeld:
- 1°. de letters ‘NL’, gevolgd door het unieke registratienummer van de laatste inrichting waar het varken verblijft voordat het, al dan niet via een verzamelcentrum, wordt afgevoerd naar een slachthuis, dat een minimumhoogte heeft van 7 millimeter en maximumhoogte van 10 millimeter; en
- 2°. de letters ‘LNV’; en
- d. de informatie op het merk is in zwart schrift aangebracht.
Het is toegestaan om, in aanvulling op het eerste lid, onderdeel c, een individueel volgnummer van het betreffende dier te vermelden.
Artikel 5b.36. Termijn voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor varkens
De termijn, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520 bedraagt uiterlijk binnen drie maanden, en indien de dieren eerder worden gespeend, binnen een week na het spenen.
In afwijking van artikel 17, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520 bedraagt de termijn voor identificatie van de daar genoemde varkens drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van aanvoer op de inrichting van bestemming.
Het slachtmerk, bedoeld in artikel 5b.34, of het gebruiksmerk, bedoeld in artikel 5b.35, wordt bij slachtvarkens aangebracht voordat deze van een inrichting, al dan niet via een verzamelcentrum, worden afgevoerd naar een slachthuis.
Artikel 5b.37. Verlies identificatiemiddel
Het is de exploitant die varkens houdt, in afwijking van artikel 52, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035, toegestaan om bij een varken dat één identificatiemiddel heeft verloren, een identificatiemiddel aan te brengen met hetzelfde unieke registratienummer als het verloren identificatiemiddel, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2021/520.
Artikel 5b.14 is van toepassing op de handelingen, genoemd in het eerste lid.
Artikel 5b.38. Termijn voor het bestellen van een vervangend identificatiemiddel
Ingeval artikel 5b.37 van toepassing is, bestelt de exploitant, ingeval hij geen vervangend identificatiemiddel voorhanden heeft, binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop het verlies van het identificatiemiddel van het varken is geconstateerd, een identificatiemiddel ter vervanging.
De exploitant, bedoeld in het eerste lid, brengt het vervangende identificatiemiddel aan zodra het identificatiemiddel in zijn bezit is en in ieder geval binnen tien werkdagen nadat het verlies van het identificatiemiddel van een varken is geconstateerd en voordat het varken de inrichting verlaat.
§ 5b.3.4. Paardachtigen
Artikel 5b.39. Termijn en voorschriften identificatie
De termijn, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/963, bedraagt negen maanden na de geboorte van de paardachtige.
De termijn voor indiening van een aanvraag door de exploitant voor de afgifte van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035, bedraagt zes maanden na de geboorte van de paardachtige.
De termijn, bedoeld in artikel 14, derde lid, van verordening (EU) nr. 2021/963, bedraagt zeven dagen vanaf de dag na de dag waarop het verlies of storing van het identificatiemiddel is geconstateerd.
Artikel 5b.40. Paardachtigen in natuurterreinen
Vervallen
§ 5b.3.5. Kameel- of hertachtigen
Artikel 5b.41. Termijn voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor kameel- of hertachtigen
De termijn, bedoeld in artikel 16, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt negen maanden vanaf de geboorte van een kameel- of hertachtige.
Artikel 5b.42. Verlies identificatiemiddel
Het is de exploitant die kameel- of hertachtigen houdt, in afwijking van artikel 73, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035, toegestaan om ervoor te zorgen dat bij een kameel- of hertachtige die één identificatiemiddel heeft verloren, een identificatiemiddel aan te brengen met dezelfde identificatiecode, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2021/520.
Artikel 5b.14 is van toepassing op de handelingen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 5b.43. Termijn voor het bestellen van een vervangend identificatiemiddel
Ingeval artikel 5b.42 van toepassing is, bestelt de exploitant binnen veertien dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop het verlies van het identificatiemiddel van de kameel- of hertachtige is geconstateerd, een identificatiemiddel ter vervanging.
De exploitant, bedoeld in het eerste lid, brengt het vervangende identificatiemiddel aan zodra het identificatiemiddel in zijn bezit is en in ieder geval binnen 21 dagen nadat het verlies van het identificatiemiddel van de kameel- of hertachtige is geconstateerd en voordat het dier de inrichting verlaat.
Afdeling 5b.4. Regels over het doorgeven van gegevens aan het geautomatiseerde gegevensbestand
§ 5b.3.4. Paardachtigen
Artikel 5b.44. Doorgeven gegevens bij geboorte rund
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die runderen houden bij de geboorte van een rund de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. het geslacht van het rund;
- b. de haarkleur van het rund;
- c. de identificatiecode van de moeder;
- d. het relatienummer van de exploitant;
- e. de gegevens, bedoeld in artikel 42, onderdelen a, b en c, van verordening (EU) nr. 2019/2035.
Wanneer de gegevens over de geboorte van een rund meer dan 80 werkdagen na de dag van geboorte worden doorgegeven, gaan de gegevens vergezeld van een schriftelijk verslag van het DNA-onderzoek op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de identificatiecode van de moeder van dat rund overeenstemt met de identificatiecode, bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 5b.45. Doorgeven gegevens bij doodgeboorte kalf
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die runderen houden bij een geboorte van een kalf na een draagtijd door de moeder van minimaal zeven maanden, waarbij het kalf op het moment van geboorte niet levend is, of niet levensvatbaar is en sterft voordat bij het kalf een identificatiemiddel is aangebracht, de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de datum waarop de doodgeboorte heeft plaatsgevonden;
- b. de identificatiecode van de moeder;
- c. het relatienummer van de exploitant;
- d. het unieke registratienummer van de betrokken inrichting.
Artikel 5b.46. Doorgeven gegevens bij sterfte rund
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die runderen houden bij sterfte, slacht of verlies van een rund de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 42, aanhef, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- b. de identificatiecode van het rund;
- c. het unieke registratienummer van de betrokken inrichting;
- d. het relatienummer van de exploitant.
Artikel 5b.47. Doorgeven gegevens verplaatsingen
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die runderen houden de volgende gegevens over verplaatsing van runderen naar en van de inrichting, door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 42, onderdelen a en d, van verordening (EU) nr. 2019/2035);
- b. het relatienummer van de exploitant.
Wanneer een rund afkomstig is uit een andere lidstaat en wordt verplaatst naar de inrichting van bestemming, niet zijnde een slachthuis, geeft de exploitant van die inrichting, in aanvulling op het eerste lid, tevens de volgende gegevens, door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de datum van geboorte van het rund;
- b. het geslacht van het rund;
- c. de haarkleur van het rund;
- d. de identificatiecode van de moeder van het rund, indien beschikbaar;
- e. het land van geboorte van het rund, indien beschikbaar;
- f. het land van herkomst van het rund;
- g. het nummer van het gezondheidscertificaat;
Wanneer een rund afkomstig is uit een derde land en wordt verplaatst naar de inrichting van bestemming, geeft de exploitant van die inrichting, in aanvulling op het eerste lid, tevens de volgende gegevens, door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. het geslacht van het rund;
- b. de haarkleur van het rund;
- c. de identificatiecode van de moeder van het rund, indien beschikbaar;
- d. het nummer van het gezondheidscertificaat;
- e. de oorspronkelijke identificatie door het derde land;
- f. het land van herkomst van het rund.
Wanneer een rund afkomstig is uit een andere lidstaat en wordt verplaatst naar een inrichting voor het verzamelen, van waaruit het rund vervolgens binnen drie dagen na aanvoer wordt verplaatst naar een andere lidstaat, geeft de exploitant van die inrichting, in aanvulling op het eerste lid, tevens de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. het nummer van het diergezondheidscertificaat;
- b. het land van herkomst en bestemming.
Artikel 5b.48. Doorgeven gegevens bij vervanging identificatiemiddel
Exploitanten die runderen houden, geven, wanneer zij toepassing geven aan artikel 19, vierde lid, van verordening (EU) nr. 2021/520 de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de oorspronkelijke en nieuwe identificatiecode van het rund;
- b. de datum van vervanging;
- c. het unieke registratienummer van de inrichting;
- d. hun relatienummer.
Artikel 5b.49. Termijnen voor het doorgeven van gegevens
De termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt voor een exploitant die runderen houdt, drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis, heeft plaatsgevonden.
Een exploitant die runderen houdt, geeft de in de artikelen 5b.44, 5b.45, 5b.46, en 5b.47 bedoelde gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
De geboorte van een rund wordt doorgegeven nadat het rund is geïdentificeerd, binnen de termijn, bedoeld in artikel 5b.19 of ingeval artikel 5b.19, tweede lid, van toepassing is, na het aanbrengen van het eerste identificatiemiddel binnen de in artikel 5b.19, eerste lid, genoemde termijn.
Het derde lid geldt niet voor runderen, bedoeld in artikel 5b.20.
Een exploitant die runderen houdt, geeft de in artikel 5b.48 bedoelde gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden of zoveel eerder als het rund wordt afgevoerd van de inrichting.
Artikel 5b.50. Middel voor het doorgeven van informatie
De gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, en in deze paragraaf, worden doorgegeven met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Artikel 5b.51. Herstel en intrekking
Een exploitant die runderen houdt kan de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, en de gegevens die op grond van deze paragraaf zijn doorgegeven, herstellen of intrekken.
Het verzoek tot herstel of intrekking van gegevens, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
§ 5b.4.1. Runderen
Artikel 5b.52. Doorgeven gegevens bij aanbrengen van identificatiemiddel
Exploitanten die schapen en geiten houden, geven bij het aanbrengen van de identificatiemiddelen na de geboorte van een schaap of geit, de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de identificatiecode van het schaap of de geit;
- b. het unieke registratienummer van de inrichting van geboorte;
- c. de geboortedatum;
- d. de diersoort; en
- e. hun relatienummer.
In aanvulling op het eerste lid, geeft de exploitant die geiten houdt op een inrichting waarop op enig moment in het kalenderjaar vijftig geiten of meer worden gehouden ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk, het geslacht van het dier door.
Artikel 5b.53. Doorgeven gegevens bij sterfte schaap of geit
Exploitanten die schapen en geiten houden, geven bij de sterfte, slacht of verlies van een schaap of geit, de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de identificatiecode van het schaap of de geit;
- b. de datum waarop het dier op de inrichting is gestorven;
- c. de diersoort; en
- d. hun relatienummer.
De exploitant van een inrichting waarop op enig moment in het kalenderjaar vijftig geiten of meer worden gehouden ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk, stelt de minister in kennis van elke geboorte van een geit vanaf de laatste week van dracht waarbij de geit op het moment van geboorte niet levend is, of waarbij de geit sterft voordat bij de geit een identificatiemiddel is aangebracht, onder vermelding van het unieke registratienummer van de betrokken inrichting hun relatienummer, de datum waarop de doodgeboorte heeft plaatsgevonden en het geslacht van de geit.
Artikel 5b.54. Doorgeven gegevens over verplaatsingen
In aanvulling op artikel 113, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2016/429 geeft een exploitant die schapen of geiten houdt, de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 49, aanhef, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- b. de identificatiecode van de dieren die worden verplaatst naar en van de inrichting; en
- c. hun relatienummer.
De exploitant die schapen of geiten houdt, stelt de minister bij de afvoer van een schaap of geit, in aanvulling op het eerste lid, in kennis van gegevens over: de diersoort.
Als het doorgeven van gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de aanvoer van een schaap of geit, afkomstig uit een lidstaat, geeft de exploitant die schapen en geiten houdt ook het land van herkomst, het nummer van het gezondheidscertificaat en de diersoort door.
Als het doorgeven van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de aanvoer van een schaap of geit, afkomstig uit een lidstaat, op een verzamelcentrum van waaruit het schaap of de geit binnen drie dagen na aanvoer, wordt verplaatst naar een andere lidstaat, geeft de exploitant die schapen en geiten houdt in aanvulling op het eerste lid, het land van herkomst en bestemming en het nummer van het gezondheidscertificaat door.
Als het doorgeven van gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de aanvoer van een schaap of geit, afkomstig uit een derde land, geeft de exploitant die schapen en geiten houdt tevens het land van herkomst, het nummer van het gezondheidscertificaat, de diersoort en de oorspronkelijke identificatiecode van het dier door.
Artikel 5b.55. Doorgeven gegevens bij vervanging identificatiemiddel
De exploitant die schapen of geiten houdt, stelt de minister bij het vervangen van een verloren identificatiemiddel door twee nieuwe identificatiemiddelen, als bedoeld in artikel 5b.28 onderdeel b, in kennis van de identificatiecode van het oorspronkelijke merk, de identificatiecode van de nieuwe identificatiemiddelen, de datum van het aanbrengen van de nieuwe identificatiemiddelen, het unieke registratienummer van de inrichting, en hun relatienummer.
Artikel 5b.56. Termijnen voor het doorgeven van gegevens
De termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt voor een exploitant die schapen en geiten houdt, zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis die wordt doorgegeven, heeft plaatsgevonden.
De termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in artikel 5b.52, tweede lid, 5b.53, 5b.54, en 5b.55, worden doorgegeven, bedraagt zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis die wordt doorgegeven heeft plaatsgevonden, of zoveel eerder als het schaap of de geit wordt afgevoerd of over de openbare weg wordt verplaatst.
De termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in artikel 5b.52, eerste lid, worden doorgegeven, bedraagt zes maanden na de geboorte te rekenen vanaf de dag na de dag van geboorte, of zoveel eerder als het schaap of de geit wordt afgevoerd of over de openbare weg wordt verplaatst.
In afwijking van het derde lid, bedraagt de termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in artikel 5b.52, eerste lid, worden doorgegeven, ingeval van de geboorte van een geit op een inrichting waarop op enig moment in het kalenderjaar vijftig geiten of meer worden gehouden ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk, zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van de geboorte, of zoveel eerder als de geit wordt afgevoerd of over de openbare weg wordt verplaatst.
Artikel 5b.57. Middel voor het doorgeven van informatie
De gegevens, in deze paragraaf, worden doorgegeven met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Artikel 5b.58. Herstel of intrekking van gegevens
De exploitant kan de gegevens die op grond van deze paragraaf zijn doorgegeven, herstellen of intrekken.
Het verzoek tot herstel of intrekking van gegevens, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
§ 5b.4.2. Schapen en geiten
Artikel 5b.59. Doorgeven gegevens over verplaatsingen
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die varkens houden de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 56, onderdeel a van verordening (EU) nr. 2019/2035;
- b. het kenteken van elke vervoerseenheid;
- c. het aantal varkens per soort;
- d. indien de varkens van buiten Nederland worden aangevoerd, of buiten Nederland worden afgevoerd, het land van herkomst of het land van bestemming en het nummer van het gezondheidscertificaat; en
- e. hun relatienummer.
Artikel 5b.60. Doorgeven gegevens bij afvoer dode varkens
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die varkens houden, ingeval van afvoer van dode varkens, de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
- a. het aantal per soort varkens;
- b. de datum; en
- c. hun relatienummer.
Artikel 5b.61. Termijnen voor het doorgeven van gegevens
De termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt voor een exploitant die varkens houdt, twee werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
De termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in de artikelen 5b.59 en 5b.60, worden doorgegeven, bedraagt twee werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
Artikel 5b.62. Middel voor het doorgeven van gegevens
De exploitant geeft de gegevens, bedoeld in de artikelen 5b.59 en 5b.60, door via een elektronisch portaal dat op grond van artikel 1.4, derde lid, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is aangewezen als elektronisch portaal voor de melding van die gegevens.
Indien de minister meer dan één elektronisch portaal heeft aangewezen, volstaat het doorgeven van de gegevens bij een van de elektronische portalen.
Indien de minister geen elektronisch portaal heeft aangewezen, geeft de exploitant de gegevens, bedoeld in de artikelen 5b.59 en 5b.60, door met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Indien blijkt dat gegevens als bedoeld in het eerste lid, niet juist of volledig zijn, verstrekt de exploitant de gecorrigeerde gegevens.
De exploitant geeft de gecorrigeerde gegevens, bedoeld in het vierde lid, binnen twee werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag dat de exploitant op de hoogte is gesteld van de onjuistheid of onvolledigheid van de gegevens of de onjuistheid of onvolledigheid heeft vastgesteld in het geval hij hiervan niet op de hoogte is gesteld.
Artikel 5b.63. Herstel of intrekking van gegevens
De exploitant kan de gegevens die op grond van deze paragraaf zijn doorgegeven herstellen of intrekken.
Het verzoek tot herstel of intrekking van gegevens, geschiedt via een elektronisch portaal als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, of, indien de minister geen elektronisch portaal heeft aangewezen, bij de minister met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
§ 5b.4.4. Paardachtigen
Artikel 5b.64. Doorgeven van gegevens en termijn
De termijn, bedoeld in artikel 9 van verordening (EU) nr. 2021/963, bedraagt zeven dagen vanaf de dag na de eerste dag waarop de paardachtige gewoonlijk in de inrichting wordt gehouden.
In aanvulling op artikel 9 van verordening (EU) nr. 2021/963 geven exploitanten die paardachtigen houden bij het doorgeven van gegevens hun relatienummer door.
De exploitant geeft de gegevens, bedoeld in dit artikel, door met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
§ 5b.4.3. Varkens
Artikel 5b.65. Begripsbepaling vogels
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
ouderdieren: vogels bestemd voor de productie van broedeieren ter verkrijging van leghennen of vleespluimvee;
stal: ruimte met een omsloten luchtvolume die is bestemd om er uitsluitend één koppel in te houden;
vogels: kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden.
Deze paragraaf is van toepassing op een exploitant van vogels die op enig moment in het kalenderjaar 250 of meer vogels houdt.
Artikel 5b.66. Doorgeven gegevens over verplaatsingen
Een exploitant van vogels geeft iedere verplaatsing van vogels van of naar zijn inrichting door aan het geautomatiseerde gegevensbestand.
Een exploitant verstrekt bij het doorgeven van de verplaatsingen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende gegevens:
- a. het aan de inrichting van de exploitant toegekende unieke registratienummer;
- b. het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid, van de inrichting van herkomst en bestemming;
- c. het nummer van de stal van herkomst en bestemming, wanneer die stal in Nederland is gelegen;
- d. het land van herkomst of bestemming, wanneer de vogels respectievelijk binnen of buiten Nederland zijn gebracht;
- e. het type verplaatsing;
- f. de datum van verplaatsing;
- g. het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid, van de locatie waar de ouderdieren van de verplaatste vogels zijn gehouden;
- h. het aantal verplaatste vogels per geslacht;
- i. de geboortedatum van de verplaatste vogels;
- j. de soort waartoe de vogels behoren;
- k. de categorie waartoe de vogels behoren;
- l. het doel waarvoor de vogels wordt gehouden;
- m. het ras van de vogels.
Indien blijkt dat gegevens als bedoeld in het tweede lid niet juist of volledig zijn, geeft de exploitant de gecorrigeerde gegevens door.
Artikel 5b.67. Termijnen voor het doorgeven van gegevens
De exploitant geeft de gegevens, bedoeld in artikel 5b.66, tweede lid, binnen vijf werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag van de verplaatsing door.
De exploitant geeft de gecorrigeerde gegevens, bedoeld in artikel 5b.66, derde lid, binnen vijf werkdagen door, te rekenen vanaf de dag na de dag dat de exploitant op de hoogte is gesteld van de onjuistheid of onvolledigheid van de gegevens of de onjuistheid of onvolledigheid heeft vastgesteld in het geval hij hiervan niet op de hoogte is gesteld.
Artikel 5b.68. Middel voor het doorgeven van gegevens
De exploitant geeft de gegevens, bedoeld in artikel 5b.66, door via een elektronisch portaal dat op grond van artikel 1.4, derde lid, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, door de minister is aangewezen als elektronisch portaal voor de registratie van de gegevens, bedoeld in artikel 5b.66, tweede lid.
Indien de minister meer dan één elektronisch portaal heeft aangewezen, volstaat het doorgeven van de gegevens bij een van de elektronisch portalen.
Indien de minister geen elektronisch portaal heeft aangewezen, geeft de exploitant de gegevens, bedoeld in artikel 5b.66, tweede lid, aan de minister door met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Afdeling 5b.5. Regels over identificatiedocumenten en verplaatsingsdocumenten
§ 5b.4.4. Paardachtigen
Artikel 5b.69. Identificatiedocument rund
Exploitanten die runderen houden, vragen een identificatiedocument als bedoeld in artikel 112, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, bij de minister aan met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Een identificatiedocument als bedoeld in het eerste lid blijft drie werkdagen geldig na de uitgiftedatum, vermeld op het document.
§ 5b.4.4. Paardachtigen
Artikel 5b.70. Verplaatsingsdocument schaap, geit
Als model als bedoeld in artikel 110, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2016/429 wordt een door de minister beschikbaar gesteld model gebruikt.
Artikel 113, eerste lid onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 is niet van toepassing op exploitanten die schapen en geiten houden, indien de gegevens, bedoeld in artikel 50 van verordening (EU) nr. 2019/2035, zijn doorgegeven aan het geautomatiseerde gegevensbestand.
§ 5b.4.4. Paardachtigen
Artikel 5b.71. Verplaatsingsdocument varken
Als model als bedoeld in artikel 110, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2016/429 wordt een door de minister beschikbaar gesteld model gebruikt.
§ 5b.4.5. Vogels
Artikel 5b.72. Geldigheid identificatiedocument paardachtige
Een identificatiedocument wordt bij de slachting of dood van een paardachtige vanwege de bestrijding van een ziekte, door de officiële dierenarts ongeldig gemaakt door ten minste op alle bladzijden met een fraudebestendige stempel het woord ‘ongeldig’ aan te brengen of door in alle bladzijden een gat te maken waarvan de diameter niet kleiner is dan het gat dat door een normale perforator wordt gemaakt.
§ 5b.4a.1. Registraties via een aangewezen elektronisch portaal
Artikel 5b.73. Aanvraag verplaatsingsdocument of identificatiedocument
De exploitant van een reizend circus of dierennummer voor gehouden landdieren doet een aanvraag voor een verplaatsingsdocument en, ingeval er voor een dier nog geen identificatiedocument is afgegeven, voor een identificatiedocument als bedoeld in de artikelen 77, 78 en 79 van verordening (EU) nr. 2019/2035 met een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
Afdeling 5b.4a. Regels over registraties door houders van honden
Artikel 5b.74. Regels over dieren die niet voldoen aan aanvullende Nederlandse regels over identificatie en registratie
Het is verboden om dieren die zijn bestemd voor een in Nederland gelegen inrichting van een inrichting af te voeren of in de handel te brengen indien niet voldaan is aan:
- d. artikel 5.52;
- f. artikel 5b.55, voor zover het het unieke registratienummer van de inrichting en het relatienummer van de exploitant betreft;
- h. artikel 5b.66.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van dieren die rechtstreeks van de inrichting worden afgevoerd naar een in Nederland gelegen slachthuis of vanaf de inrichting al dan niet via een verzamelcentrum rechtstreeks buiten Nederland worden gebracht.
Het eerste lid, en artikel 124, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, zijn van overeenkomstige toepassing op dieren waarop artikel 39a, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, zoals dat luidde op 20 april 2021, van toepassing was.
Hoofdstuk 5c. Bijeenbrengen van dieren
§ 5b.4a.1. Registraties via een aangewezen elektronisch portaal
Artikel 5c.1. Verblijf bijeengebrachte evenhoevigen op inrichting in Nederland
Evenhoevigen, met uitzondering van varkens, verblijven ten minste 21 dagen op een inrichting, niet zijnde een slachthuis, verzamelcentrum of tentoonstelling of keuring, nadat zij op die inrichting bijeengebracht zijn, voordat zij worden verplaatst naar een inrichting in Nederland.
Evenhoevigen, met uitzondering van varkens, die voorafgaand aan de aanvoer op een inrichting, niet zijnde een slachthuis, verzamelcentrum of tentoonstelling of keuring, zijn verzameld op een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1.34 van het besluit, verblijven ten minste 21 dagen op die inrichting voordat zij worden verplaatst naar een inrichting in Nederland.
Ingeval evenhoevigen uit derde landen op een inrichting, niet zijnde een slachthuis, verzamelcentrum, tentoonstelling of keuring, zijn aangevoerd, verblijven de andere op de inrichting aanwezige evenhoevigen 30 dagen op die inrichting, voordat zij worden verplaatst naar een inrichting in Nederland, te rekenen vanaf de dag waarop evenhoevigen uit derde landen op die inrichting zijn aangevoerd.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de andere evenhoevigen worden afgevoerd naar een in Nederland gelegen slachthuis.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangevoerde evenhoevigen uit derde landen zodanig gescheiden worden gehouden van de andere op de inrichting aanwezige evenhoevigen dat direct en indirect contact wordt voorkomen.
Artikel 5c.2. Toegestane laadadressen varkens verzameling vervoermiddel
In aanvulling op artikel 1.34 van het besluit is het alleen toegestaan om varkens afkomstig vanaf ten hoogste twee inrichtingen in Nederland, niet zijnde verzamelcentra, en die bestemd zijn voor een slachthuis te verzamelen op één vervoerseenheid.
In aanvulling op artikel 1.34 van het besluit is het alleen toegestaan om uit Nederland afkomstige zeugen of beren ouder dan zeven maanden of speenbiggen die bestemd zijn voor een slachthuis op één vervoerseenheid te verzamelen vanaf ten hoogste drie inrichtingen, niet zijnde verzamelcentra.
§ 5b.4a.2. Registraties bij de minister
Artikel 5c.3. Erkenning verzamelcentra voor Nederlandse markt
Een verzamelcentrum voor hoefdieren als bedoeld in artikel 1.40 van het besluit, is erkend door de minister voor de soort van dieren die op dat verzamelcentrum bijeen worden gebracht.
De minister erkent een verzamelcentrum als bedoeld in het eerste lid indien het verzamelcentrum voldoet aan:
- a. voor zover van overeenkomstige toepassing, artikel 97, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429; en
- b. artikel 5 van verordening (EU) nr. 2019/2035.
Artikel 5c.4. Voorschriften erkend verzamelcentrum voor Nederlandse markt
Artikel 97 , eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 en artikel 5 van verordening (EU) nr. 2019/2035 zijn van overeenkomstige toepassing op een verzamelcentrum als bedoeld in [artikel 5c.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&hoofdstuk=5c¶graaf=5c.2&artikel=5c.3&z=2026-05-16&g=2026-05-16).
Artikel 5c.5. Documentatie erkend verzamelcentrum
Artikel 105, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 en artikel 35 van verordening (EU) nr. 2019/2035 zijn van overeenkomstige toepassing op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden nadat de gegevens bekend zijn bij de exploitant van het verzamelcentrum onverwijld bijgehouden.
De exploitant bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten minste drie jaar.
Artikel 5c.6. Aanvraag, schorsen en intrekken erkenning
De aanvraag tot erkenning van een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, geschiedt met een daartoe beschikbaar gesteld middel.
Artikel 99, tweede tot en met vijfde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op de verlening van een erkenning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 100, tweede en derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op de schorsing of intrekking van een erkenning als bedoeld in het eerste lid.
§ 5b.5.2. Schapen en geiten
Artikel 5c.7. Lossen
Het aantal adressen in Nederland waarop een vervoermiddel lost dat uit Nederland afkomstige evenhoevigen vervoert, is ten hoogste gelijk aan het aantal vervoerseenheden waaruit het vervoermiddel bestaat.
Elke vervoerseenheid die op een adres komt, wordt daar in één keer volledig gelost.
Artikel 5c.8. Periode houden dieren erkend verzamelcentrum Nederlandse markt
Varkens, runderen, schapen of geiten worden in totaal niet meer dan 144 uur gehouden op één of meer verzamelcentra als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
De periode van zes dagen, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de aanvang is gemeld op grond van artikel 1.36 van het besluit.
Artikel 5c.9. Vervoer varkens vanaf verzamelcentrum
In afwijking van artikel 1.42 van het besluit is het toegestaan om varkens afkomstig van een inrichting in Nederland, die bestemd zijn voor een in Nederland gelegen slachthuis, ten hoogste een keer te verzamelen op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
Artikel 5c.10. Toegestane verzamelingen runderen Nederlandse markt
In afwijking van artikel 1.42 van het besluit is het toegestaan om runderen afkomstig van een inrichting in Nederland, en die bestemd zijn voor een inrichting in Nederland ten hoogste één keer te verzamelen op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
In afwijking van artikel 1.42 van het besluit is het toegestaan om runderen jonger dan 12 weken afkomstig van een inrichting in Nederland, die bestemd zijn voor een inrichting in Nederland ten hoogste twee keer te verzamelen op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
Ingeval runderen als bedoeld in het tweede lid, twee keer worden verzameld op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid, verstrekken de exploitanten van het eerste en het tweede verzamelcentrum, bedoeld in het tweede lid, in afwijking van artikel 5b.49, tweede lid, onmiddellijk na respectievelijk voor iedere aan- en afvoer van runderen de gegevens, bedoeld in artikel 42 van verordening (EU) nr. 2019/2035, aan de minister.
Artikel 5c.11. Vervoer runderen vanaf een verzamelcentrum
Runderen afkomstig van een inrichting in Nederland die bijeen zijn gebracht op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid, en bestemd zijn voor de slacht worden verplaatst naar een slachthuis in Nederland.
Artikel 5c.12. Toegestane verzamelingen schapen of geiten Nederlandse markt
In afwijking van artikel 1.42 van het besluit is het toegestaan om schapen of geiten afkomstig van een inrichting in Nederland, die bestemd zijn voor een inrichting in Nederland ten hoogste twee keer te verzamelen op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid.
Ingeval schapen of geiten als bedoeld in het eerste lid, twee keer worden verzameld op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid, verstrekken de exploitanten van het eerste en het tweede verzamelcentrum, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 5b.56, tweede lid, onmiddellijk na respectievelijk voor iedere aan- en afvoer van schapen of geiten de gegevens, bedoeld in artikel 49 van verordening (EU) nr. 2019/2035, aan de minister.
Artikel 5c.13. Vervoer van schapen en geiten vanaf een verzamelcentrum
Schapen of geiten afkomstig van een inrichting in Nederland die bijeen zijn gebracht op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid en bestemd zijn voor de slacht worden, na al dan niet twee keer te zijn verzameld op een verzamelcentrum als bedoeld in artikel 5c.3, eerste lid, verplaatst naar een slachthuis in Nederland.
Hoofdstuk 5c. Bijeenbrengen van dieren
Artikel 5d.1. Uitvoeren vereiste test zonder erkend laboratorium
Ingeval er op grond van artikel 4.10, tweede lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, geen laboratorium is erkend voor een onderzoek naar de vereiste diergezondheidsstatus van een naar een derde land uit te voeren dier, verricht Wageningen Bioveterinary Research dat onderzoek.
Hoofdstuk 5c. Bijeenbrengen van dieren
Hoofdstuk 7. Gezondheidsvoorschriften houden van varkens voor de productie
§ 5c.2. Erkend verzamelcentrum voor de Nederlandse markt
Artikel 7.2. Aanvraag toestemming voor vervoer en documentatie
Een houder die varkens afvoert van zijn inrichting dient een aanvraag als bedoeld in artikel 2.27p, eerste lid, van het besluit in via een elektronisch portaal dat op grond van artikel 1.4, derde lid, Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is aangewezen als elektronisch portaal voor de melding van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5b.59 en 5b.60.
Indien de minister geen portaal heeft aangewezen, dient de houder de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in bij de minister met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
De varkenshouder die de aanvraag heeft gedaan bewaart de toestemming tot drie jaren na de datum waarop de varkens van de locatie waar zij werden gehouden, zijn afgevoerd.
In geval van een uitbraak van een in artikel 3.1a Regeling diergezondheid aangewezen besmettelijke ziekte kan de minister de op dat moment gegeven toestemmingen intrekken.
§ 5c.3. Verzamelen van dieren voor de Nederlands markt
Artikel 7.3. Monstername monitoring Ziekte van Aujeszky
De houder van varkens op een A-bedrijf, C-bedrijf, of E-bedrijf, laat eenmaal per maand bloedmonsters nemen van de aanwezige varkens overeenkomstig de procedure van bijlage 10.
De houder van varkens op een B-bedrijf, F-bedrijf, of D-bedrijf laat iedere viermaandelijkse periode die loopt van januari tot en met april, van mei tot en met augustus en van september tot en met december, bloed bemonsteren van drie varkens die:
- a. ten minste 25 kg zwaar zijn; of
- b. de zwaarste dieren zijn.
Tijdens de monstername wordt ten minste 8 milliliter bloed per varken afgenomen.
Het is toegestaan om het bloed, bedoeld in het tweede lid, af te laten nemen nadat de dieren zijn gedood.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het aantal gehouden varkens, uitgezonderd zogende biggen, gedurende de periode, bedoeld in tweede lid, minder dan 31 bedraagt.
Artikel 7.4. Aanleveren van gegevens
De houder van varkens laat het bloed, bedoeld in artikel 7.3, eerste of tweede lid, in een laboratorium dat daarvoor op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria is erkend, onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen het Aujeszky-virus of het Aujeszky-vaccin.
De monsters worden uiterlijk op de werkdag na de dag dat ze zijn genomen aangeleverd bij het laboratorium, bedoeld in het eerste lid.
Bij aanlevering van de monsters worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:
- a. gegevens ter identificatie van de houder van de varkens, van degene die het monster heeft genomen en van de varkens die zijn bemonsterd;
- b. de dag waarop de monsters zijn genomen;
- c. de afdeling waarin de varkens gehuisvest zijn;
- d. de dag waarop de monsters worden verzonden; en
- e. de handtekening van de inzender van de monsters.
Artikel 7.5. Bewaren en registreren van gegevens
De houder bewaart de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 7.3, eerste of tweede lid, en de gegevens, bedoeld in artikel 7.4, derde lid, ten minste drie jaar.
De houder registreert de uitslag, bedoeld in het eerste lid, bij de minister.
Hoofdstuk 7a. Gezondheidsvoorschriften houden van runderen voor de productie
Hoofdstuk 5d. Handel met derde landen van dieren
§ 7b.1. Welzijnsvoorschriften verzorging vleeskuikens
Artikel 7b.2. Kennisgeving hogere bezettingsdichtheid
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.55, eerste lid, van het besluit, en de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de volgende gegevens:
- a. het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid;
- b. het relatienummer van de houder;
- c. het stalnummer dat is bevestigd aan de buitenkant van de stal;
- d. de adresgegevens van de stal;
- e. de bruto oppervlakte van de stal in vierkante meters;
- f. het bouwjaar van de stal en, indien van toepassing, het jaar waarin een grondige verbouwing met directe gevolgen voor het dierenwelzijn heeft plaatsgevonden.
De houder kan verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid achterwege laten, voor zover deze gegevens zijn gemeld via een elektronisch portaal dat ingevolge artikel 1.4, derde lid, Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is aangewezen als elektronisch portaal door middel waarvan de registratie, bedoeld in artikel 5b.66 plaatsvindt.
Artikel 7b.3. Kennisgeving lagere bezettingsdichtheid
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.65, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 7b.2, derde lid, onderdelen a, b, c en d.
7b.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7b.4. Berekening bezettingsdichtheid
De bezettingsdichtheid van een stal wordt berekend op basis van de bruikbare oppervlakte van de stal, gelijk aan de bruto oppervlakte van de stal.
Indien een stal is uitgerust met voersystemen waaronder de kuikens redelijkerwijs niet kunnen lopen of liggen wordt voor het bepalen van de bruikbare oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, een forfaitaire aftrek gehanteerd van 1,7% van de bruto oppervlakte van de stal.
Artikel 7b.5. Aanvullende normen voor het aanhouden van een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2
De houder die een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 toepast, zorgt ervoor dat voor elk koppel in het slachthuis, of voor een voor de export bestemd koppel op het bedrijf ten hoogste vijf werkdagen voor het einde van de ronde, wordt vastgesteld in welke mate voetzoollaesies voorkomen.
Ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een aantal vleeskuikens van een koppel beoordeeld bij hoeveel dieren er
- a. geen of een zeer kleine verkleuring zichtbaar is (klasse 0);
- b. verkleuring maar geen diepe aantasting aanwezig is (klasse 1);
- c. een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking (klasse 2) aanwezig is.
De houder maakt afspraken met de exploitant van het slachthuis respectievelijk het bedrijf dat de vaststelling in de stal verricht, zodanig dat de vaststelling plaatsvindt:
- a. bij het slachthuis:
- 1°. door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel, waarvan 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 30% van het koppel, en 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 60% van het koppel, met inachtneming van het protocol dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, dan wel:
- 2°. met gebruikmaking van een digitaal meetsysteem bij ten minste 70% van alle kuikens van elk koppel, overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 4;
- b. in de stal: ten hoogste 5 werkdagen voordat de laatste vleeskuikens worden weggeladen, door een daarvoor opgeleide controleur, bij 100 kuikens van elk koppel met inachtneming van het protocol dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd.
De totaalscore voor het koppel wordt vastgesteld:
- a. in geval van visuele meting in het slachthuis of het houderijbedrijf met gebruikmaking van de formule: aantal punten = (aantal dieren klasse 0) x 0 + (aantal dieren klasse 1) x (0,5) + (aantal dieren klasse 2) x 2
- b. bij meting door middel van een digitaal meetsysteem met de formule: aantal punten = (percentage dieren klasse 0) x 0 + (percentage dieren klasse 1) x (0,5) + (percentage dieren klasse 2) x 2
De in het eerste lid bedoelde houder verstrekt per koppel de gegevens waaruit de score blijkt binnen 30 dagen na de vaststelling aan de minister. De artikelen 7b.2, tweede lid, en 7b.8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De in het eerste lid bedoelde houder stelt na elk kalenderjaar een gemiddelde score voor het afgelopen jaar per stal vast op basis van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.
Het in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde digitale meetsysteem voldoet aan de volgende eisen:
- a. het systeem levert een betrouwbare indeling op van de voetzoollaesies in de in het tweede lid genoemde klassen en van de resultaten van de meting overeenkomstig de in het vierde lid, onderdeel b, genoemde formule;
- b. het systeem kan ten behoeve van een betrouwbare indeling worden ingesteld op beoordeling van de poten van de koppels die onder hoogbroei en van de koppels die onder laagbroei zijn verwerkt;
- c. het systeem kan op zodanige wijze worden ingesteld dat de beoordeling van ieder koppel afzonderlijk plaatsvindt;
- d. de in onderdeel a bedoelde gegevens worden ten minste eenmaal per dag opgeleverd;
- e. de beelden van de beoordeelde koppels kunnen worden bewaard.
Artikel 7b.6. Gevolgen hoge scores
Indien een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 wordt toegepast, is de gemiddelde score, bedoeld in artikel 7b.5, zesde lid, niet hoger dan 80 punten.
Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 7b.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 120 punten bedraagt,
- a. stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de verstrekte gegevens betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat in elk geval aan het einde van dat jaar wordt voldaan aan het eerste lid, en
- b. past de houder in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, uiterlijk met ingang van 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, en vervolgens ten minste gedurende het hele kalenderjaar, een bezettingsdichtheid toe van ten hoogste 39 kg/m².
Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 7b.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 80 punten bedraagt maar minder dan 121 punten, stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 80 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat binnen een jaar wordt voldaan aan het eerste lid.
Een verbeterplan wordt ingediend bij de minister. Artikel 7b.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien naar het oordeel van de minister de uitvoering van het verbeterplan er in redelijkheid niet toe kan leiden dat binnen een kalenderjaar kan worden voldaan aan het eerste lid, dient de houder op verzoek van de minister binnen een maand na dat verzoek een aangepast verbeterplan in.
De houder voert het verbeterplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of in het derde lid, dan wel het aangepaste verbeterplan, bedoeld in het vijfde lid, zo spoedig mogelijk uit.
De houder bewaart bewijsstukken van de maatregelen die hij bij de uitvoering van het verbeterplan heeft genomen gedurende ten minste 5 jaar, gerekend vanaf de datering van die stukken.
Artikel 7b.7. Voortduren meting bij toepassing artikel 7b.6, tweede lid
Artikel 7b.5 is van overeenkomstige toepassing op de houder, bedoeld in 7b.6, tweede lid, ten aanzien van het kalenderjaar waarin hij op grond van 7b.6, tweede lid, onderdeel b, een bezettingsdichtheid toepast van ten hoogste 39 kg/m².
Artikel 7b.8. Verstrekking gegevens aantallen vleeskuikens
Ten behoeve van het bepalen van de bezettingsdichtheid draagt de houder, bedoeld in de artikelen 7b.2 en 7b.3, er zorg voor dat per koppel de volgende gegevens worden verstrekt aan de minister:
- a. het aantal binnengebrachte vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
- b. de datum waarop de vleeskuikens die uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht, in de stal zijn geplaatst;
- c. het aantal vleeskuikens dat uit de stal is verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht;
- d. het levend gewicht van de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop zij worden geslacht;
- e. de datum waarop de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, zijn geslacht;
- f. het resterende aantal vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel e, van het besluit.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)