Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
- a. het innovatiethema of de innovatiethema’s behorende bij de MOOI-missie of MOOI-missies, opgenomen in bijlage 4.2.6, waaraan het MOOI-project invulling beoogt te geven en de wijze waarop deze invulling wordt gegeven;
- b. de met het MOOI-project beoogde resultaten;
- c. de beoogde uitvoerende partijen van het MOOI-project;
- d. de verwachte totale kosten van het MOOI-project;
- e. het subsidiebedrag dat naar verwachting nodig is om het MOOI-project te kunnen uitvoeren.
Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie:
- a. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op het percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 4.2.45, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° of 3°;
- b. een verklaring de-minimissteun:
- 1°. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert;
- 2°. indien de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema;
- c. het advies dat de adviescommissie MOOI op basis van de vooraanmelding heeft uitgebracht;
- d. een projectomschrijving van het MOOI-project dat ten minste de mijlpalen en beslismomenten over de doorgang van het MOOI-project bevat, inclusief meetbare indicatoren;
- e. een financieringsplan;
- f. een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het MOOI-project betrokken personen, die relevant is om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen;
- g. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt;
- h. bewijsstukken waaruit de inbreng van alle afzonderlijke deelnemers in een samenwerkingsverband voor de uitvoering van het desbetreffende MOOI-project volgt;
- i. indien het een aanvraag om subsidie voor een MOOI-project binnen MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in bijlage 4.2.6, betreft dat geen betrekking heeft op alle innovatiethema’s van die missie, een onderbouwing dat het project in elk geval geen nadelige gevolgen heeft voor het andere innovatiethema of de andere innovatiethema’s van die missie waarop het project geen betrekking heeft.
Artikel 4.2.49d. Kennisverspreiding
Onverminderd artikel 4.2.2, tweede en derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het MOOI-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het MOOI-project worden opgedaan.
Artikel 4.2.49e. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.44, eerste lid, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door:
- a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling;
- b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen of indien de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.
§ 4.2.8. Waterstof
Artikel 4.2.50. Begripsomschrijving
Vervallen
Artikel 4.2.51. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 4.2.52. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.53. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.54. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.55. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.56. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.56a. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.9. TSE Gebouwde omgeving
Artikel 4.2.57. Begripsomschrijving
Vervallen
Artikel 4.2.58. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 4.2.59. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.60. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.61. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.62. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.63. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.63a. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 4.2.63b. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.10. Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+)
Artikel 4.2.64. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- afval: afval als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 ter, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- andere producten, materialen of stoffen: andere producten, materialen of stoffen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 octies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- biogene grondstoffen: grondstoffen als bedoeld in artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b;
- CO2: CO2 of CO2 equivalent;
- CO2-equivalent: de hoeveelheid CH4 en N2O die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.2.9, onderdeel A, of andere broeikasgassen die eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO2;
- DEI+-pilot: een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan;
- DEI+-project:
- a. een DEI+-demonstratieproject;
- b. een DEI+-pilot; of
- c. een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject;
- DEI+-demonstratieproject: een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot of met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B;
- DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject: een project dat is gericht op het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- elektrolyser: een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water;
- hernieuwbare waterstof: waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- meetprotocol: document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden waterstof die een elektrolyser opwekt en de hoeveelheid elektriciteit die een elektrolyser verbruikt, beschreven zijn;
- meetrapport: rapport dat alle meetgegevens van het desbetreffende kalenderjaar bevat;
- meetverantwoordelijke partij: meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
- NTA 8003:2017: de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;
- productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit: een of meerdere productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie:
- a. waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit ten behoeve van een op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit aangesloten elektrolyser;
- b. van een andere producent dan de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten en waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit; of
- c. van de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten;
- Richtlijn hernieuwbare energie: Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328);
- transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit: transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.
Artikel 4.2.65. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project dat past binnen in elk geval één van de in bijlage 4.2.9, onderdeel B, opgenomen thema’s, en dat betrekking heeft op:
- a. experimentele ontwikkeling in overeenstemming met artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die vernieuwend is en gericht op een experimenteel prototype product, procedé of dienst die of dat met de bestaande kennis en methoden niet kan worden ontwikkeld, waarvoor risico’s en onzekerheden bestaan over het te behalen resultaat en de daarvoor benodigde kosten of tijd, waarvan de uitvoering systematisch is en de opgedane kennis en resultaten overdraagbaar en reproduceerbaar zijn;
- b. het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur in overeenstemming met artikel 26bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- e. energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- f. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- g. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- h. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
- i. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project kan worden verstrekt aan:
- a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren;
- b. een deelnemer in een samenwerkingsverband.
Een samenwerkingsverband dat een DEI+-project uitvoert, bevat ten minste één onderneming.
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het besluit kan ook subsidie worden verstrekt aan:
- a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren;
- b. een deelnemer in een samenwerkingsverband;
die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 4.2.66. Steunintensiteit
De subsidie voor een DEI+-demonstratieproject bedraagt:
- a. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op experimentele ontwikkeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten;
- b. ten aanzien van een investering voor milieubescherming, niet zijnde een investering met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO2:
- 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft;
- 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. ten aanzien van een investering voor milieubescherming met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO2:
- 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen:
- 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- e. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 38bis, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- f. 45% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in de productie van hernieuwbare energiebronnen of hernieuwbare waterstof, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- g. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, niet zijnde een investering als bedoeld in onderdeel f, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- h. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- i. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- j. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil;
- k. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, tot maximaal € 300.000 voor een onderneming die deze innovaties zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar.
De subsidie voor een DEI+-pilotproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten.
De subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 26bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d, subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 5 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, betreffen de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in een productie-installatie ten behoeve van uitsluitend de productie van hernieuwbare energiebronnen, die past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B:
- a. de totale investeringskosten, indien ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen;
- b. het deel van de totale investeringskosten dat gelijk staat aan het deel van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen dat afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen, indien minder dan 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen f en i, bedraagt de subsidie voor een DEI+-demonstratieproject dat betrekking heeft op een investering in een productie-installatie ten behoeve van zowel de productie van hernieuwbare energiebronnen als een circulaire economie, dat past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, 40% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De subsidie bedraagt maximaal:
- a. € 30.000.000 per DEI+-demonstratieproject;
- b. € 25.000.000 per DEI+-pilot;
- c. € 25.000.000 per DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject.
In afwijking van het achtste lid, bedraagt de subsidie maximaal:
- a. € 10.000.000 per DEI+-demonstratieproject dat past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B;
- b. € 1.000.000 per DEI+-pilot die past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B;
- c. € 1.000.000 per DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B.
De aanvraag voor een subsidie bedraagt ten minste € 10.000.001 voor een DEI+-demonstratieproject en € 1.000.001 voor een DEI+-pilotproject dat past binnen subthema 2.5.3 Biobased Circular grote projecten, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B.
Artikel 4.2.67. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond per thema, zoals beschreven in bijlage 4.2.9, onderdeel B, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 4.2.68. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.
Artikel 4.2.69. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de kwaliteit van het DEI+-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
- b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft;
- c. er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft;
- d. onvoldoende aannemelijk is dat een DEI+-project dat hergebruik van CO2 betreft zonder subsidie niet tot stand zou komen, blijkend uit een beschrijving van de globale kosten en baten van het DEI+-project;
- e. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt;
- f. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is;
- g. de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen als bedoeld in artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel e, om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn en het project niet minimaal achttien maanden voor de inwerkingtreding van de betreffende norm is voltooid;
- h. de aanvraag een DEI+-project betreft dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, en betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties en deze is gedaan door een onderneming die dit DEI+-project zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in:
- 1°. de sector visserij en aquacultuur;
- 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of
- 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening;
- i. de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel i, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen;
- j. de aanvraag een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, betreft, waarvoor:
- 1°. het nominaal thermisch ingangsvermogen van de productie-installatie minder dan 5 MW is;
- 2°. onvoldoende aannemelijk is dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt;
- 3°. onvoldoende aannemelijk is dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; of
- 4°. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen.
Artikel 4.2.70. Informatieverplichtingen
Onverminderd artikel 4.2.3 bevat een aanvraag om subsidie:
- a. een projectomschrijving waaruit de CO2-reductie in kilogrammen, berekend aan de hand van de referentieparkmethode, bedoeld in hoofdstuk 1 van bijlage 4.2.9, onderdeel B, die het DEI+-project realiseert ten opzichte van het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek, blijkt;
- b. een financieringsplan;
- c. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt;
- d. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project, indien het DEI+-project geen experimentele ontwikkeling betreft of het een DEI+-project betreft waarbij beoogd wordt dat een experimenteel prototype product, procedé of dienst ook na afloop van het DEI+-project in gebruik blijft;
- e. indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B:
- 1°. een beschrijving van de wijze waarop bij de ontwikkeling van de beoogde producten, processen of diensten rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van grondstoffen en de effecten van grootschalige toepassing van die producten, processen of diensten op het milieu en de natuur;
- 2°. een verklaring de-minimissteun van de onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren of van elke onderneming in het samenwerkingsverband, als het DEI+-project betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties;
- f. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is;
- g. indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-pilot gericht op circulair ontwerpen dat past binnen thema 2.5 Circulaire economie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, een onderbouwing dat er partijen zijn die het product waarop het project is gericht, aan het einde van de technische levensduur daarvan kunnen repareren, hergebruiken of recyclen;
- h. een juridische organisatiestructuur van de groep waartoe de subsidieaanvrager behoort waaruit de aandelenverhouding of de afwijkende overwegende zeggenschap blijkt en de enkelvoudige jaarrapporten of geconsolideerde jaarrapporten van de in die groep verbonden ondernemingen die gebruikt zijn voor de invulling van het beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is.
Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:
- a. een algemene en technische omschrijving van de onderzochte en gebruikte installaties en infrastructuur;
- b. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project;
- c. een overzicht van de gemaakte kosten voor het DEI+-project, uitgesplitst conform de laatst door de minister goedgekeurde begroting.
Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in:
- a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband na afloop van het DEI+-project zet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is;
- b. de verwachte kosten en prijsreductie ten opzichte van de referentie van het aardgasloos maken van een woning, wijk, of gebouw op basis van dit DEI+-project.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.2 Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, 2.3 Flexibilisering van het energiesysteem, 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving of 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, en dat uitsluitend indirect een bijdrage aan de CO2-reductie levert, een beschrijving van hoe het DEI+-project bijdraagt aan de CO2-reductie in Nederland tien jaar na de start van het project.
Artikel 4.2.70a. Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B
Onverminderd artikel 4.2.70 bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, waarbij wordt beoogd dat de elektrolyser na de subsidievaststelling in gebruik blijft:
- a. een gedetailleerd plan over de beoogde draaiuren en de hoeveelheid waterstofproductie per jaar gedurende de economische levensduur van de elektrolyser;
- b. een verklaring dat waterstof gedurende de economische levensduur van de elektrolyser enkel zal worden geproduceerd overeenkomstig artikel 36 of 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof zal produceren in dezelfde kalendermaand dat elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser daarbij in die kalendermaand niet meer elektriciteit zal verbruiken dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren en een onderbouwing hoe deze temporele correlatie technisch wordt gewaarborgd;
- d. een onderbouwing dat de waterstof die wordt geproduceerd, gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft;
- e. een verklaring dat de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor een of meerdere afnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit worden gesloten ten behoeve van de productie van hernieuwbare waterstof door een elektrolyser die op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit wordt aangesloten, zich in Nederland bevindt;
- f. een beschrijving van de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit, het vermogen daarvan en de voorziene datum van ingebruikname, indien het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn wordt aangesloten.
Indien een opslagfaciliteit deel zal uit maken van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, zal verbruiken, indien de opslagfaciliteit:
- a. enkel zal worden geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en
- b. met niet meer elektriciteit zal worden geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren.
In het geval van het tweede lid bevat een aanvraag om subsidie een onderbouwing van de wijze waarop technisch wordt gewaarborgd dat wordt voldaan het tweede lid, onderdelen a en b.
Artikel 4.2.70b. Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B
Onverminderd artikel 4.2.3, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de elektrolyser tot de aanvraag voor de subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister:
- a. de registratie van de draaiuren van de elektrolyser;
- b. de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser heeft verbruikt ten behoeve van de waterstofproductie en de hoeveelheid waterstof die daarmee is geproduceerd aan de hand van meetgegevens die zijn gebaseerd op een meetprotocol en meetrapport die zijn goedgekeurd door een meetverantwoordelijke partij;
- c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof heeft geproduceerd in dezelfde kalendermaand waarin elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser in die kalendermaand niet meer elektriciteit heeft verbruikt dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd;
- d. een of meerdere overeenkomsten voor de afname van elektriciteit van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit door de elektrolyser voor de productie van hernieuwbare waterstof, tenzij het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn is aangesloten op een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit van de subsidieontvanger;
- e. een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft;
- f. een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 100% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2), indien het productie van uitsluitend hernieuwbare waterstof betreft.
In afwijking van het eerste lid, kan de subsidieontvanger een certificaat verstrekken dat is opgesteld met een door de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem waarmee wordt bewezen dat:
- a. de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd;
- b. de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt; en
- c. indien met de waterstofproductie-installatie ook niet-hernieuwbare waterstof zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2).
Indien de minister een subsidie voor de exploitatie van een DEI+-project binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, verstrekt, is het eerste lid niet van toepassing vanaf de datum van het verstrekken van de exploitatiesubsidie.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de elektrolyser niet in gebruik is genomen.
Indien de elektrolyser van een pilotproject bij de aanvraag voor subsidievaststelling definitief buiten gebruik is gesteld, geldt het eerste lid niet. In dat geval verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling een bewijs dat de elektrolyser definitief buiten gebruik is gesteld.
Indien een opslagfaciliteit deel uitmaakt van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, heeft verbruikt, indien de opslagfaciliteit:
- a. enkel is geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en
- b. met niet meer elektriciteit is geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd.
In het geval van het zesde lid verstrekt de subsidieontvanger bij een aanvraag voor subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister een onderbouwing van de wijze waarop technisch is gewaarborgd dat is voldaan het zesde lid, onderdelen a en b.
Artikel 4.2.70c. Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B
Onverminderd artikel 4.2.70 bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B:
- a. vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie;
- b. een verklaring dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt;
- c. een verklaring dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b;
- d. een verklaring dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen.
Artikel 4.2.70d. Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B
Onverminderd artikel 4.2.3, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de productie-installatie tot de aanvraag voor de subsidievaststelling:
- a. de hoeveelheid, aard, verhouding en energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen en het percentage van de energetische waarde dat afkomstig is van biogene grondstoffen;
- b. een onderbouwing dat alle in de productie-installatie verwerkte grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt;
- c. een onderbouwing dat de in de productie-installatie verwerkte biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b;
- d. een onderbouwing dat ten minste 40% van de energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen;
- e. een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring met betrekking tot de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, c en d, en conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen afgegeven door een conformiteitsbeoordelingsinstantie die is erkend op grond van artikel 63a, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie of artikel 2 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen;
- f. een onderbouwing van de toepassing van de productie-installatie waaruit blijkt in welke verhouding die is gebruikt voor de productie van hernieuwbare energiebronnen en voor een circulaire economie.
De subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, verstrekt per kalenderjaar gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling jaarlijks voor 1 mei aan de minister de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e.
De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring wordt afgegeven op grond van een door de minister aangewezen verificatieprotocol dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is geplaatst.
De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen worden afgegeven op grond van een certificatieschema waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat deze accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie of op grond van een nationaal systeem, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden, afhankelijk van de van toepassing zijnde criteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie.
In afwijking van het vierde lid kunnen de conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen tevens worden afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid, indien het biogene grondstoffen als bedoeld in de nummers 170 tot en met 179, 300 tot en met 329 en 410 van NTA 8003:2017 betreft.
Artikel 14 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen is van toepassing op het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid.
Artikel 4.2.70e. Subsidieverplichtingen
Onverminderd artikel 4.2.2, tweede en derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het DEI+-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het DEI+-project worden opgedaan.
De subsidieontvanger doet tijdens de looptijd van het DEI+-project onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister van een wijziging in de wijze waarop de subsidieontvanger en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, ten opzichte van de informatie waarop de subsidieverlening is gebaseerd.
De productie-installatie waarop een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, betrekking heeft, wordt vanaf ingebruikname tot vijf jaar na de subsidievaststelling uitsluitend gebruikt voor verwerking van:
- a. grondstoffen die kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt;
- b. voor zover het biogene grondstoffen betreft, grondstoffen die voldoen aan:
- 1°. bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie;
- 2°. de duurzaamheidscriteria bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan; en
- 3°. de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan, indien de biogene grondstoffen worden gebruikt ten behoeve van de productie van hernieuwbare energiebronnen;
- c. grondstoffen waarvan de energetische waarde jaarlijks voor ten minste 40% afkomstig is uit biogene grondstoffen.
Artikel 4.2.70f. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.65, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:
- a. de artikelen 25, 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor randvoorwaardelijke innovaties voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B.
§ 4.2.11. Systeemintegratie
Artikel 4.2.71. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.72. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 4.2.73. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.73a. Subsidiabele kosten
Vervallen
Artikel 4.2.74. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.75. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.76. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.77. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.77a. Informatieverplichtingen
Vervallen
Artikel 4.2.77b. Kennisverspreiding
Vervallen
Artikel 4.2.77c. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.12. Energiebesparing industrie: joint industry projects
Artikel 4.2.78. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.79. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 4.2.80. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.81. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.82. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.83. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.84. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.84a. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.13. Wind op zee: R&D-projecten
Artikel 4.2.85. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.86. Subsidieverstrekking
Vervallen
Artikel 4.2.87. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.88. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.89. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.90. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.91. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.91a. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.14. EnerGO: compacte conversie en opslag
Artikel 4.2.92. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.93. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 4.2.94. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.95. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.96. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.97. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.98. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.98a. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.15. Smart grids
Artikel 4.2.99. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.100. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 4.2.101. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.102. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.103. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.104. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.105. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 4.2.105a. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.16. Energiebesparing industrie: Early adopterprojecten
Artikel 4.2.106. Begripsomschrijvingen
Vervallen
Artikel 4.2.107. Subsidieaanvraag
Vervallen
Artikel 4.2.108. Steunintensiteit
Vervallen
Artikel 4.2.109. Verdeling van het subsidieplafond
Vervallen
Artikel 4.2.110. Realisatietermijn
Vervallen
Artikel 4.2.111. Afwijzingsgronden
Vervallen
Artikel 4.2.111a. Aanvraag subsidievaststelling
Vervallen
Artikel 4.2.111b. Staatssteun
Vervallen
§ 4.2.17. Studies voor duurzame industrie (STUDI)
Artikel 4.2.112. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- CO2: CO2 of CO2-equivalent;
- CO2-equivalent: de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6 die eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO2;
- demonstratieproject: een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland;
- haalbaarheidsstudie: onderzoek en analyse van het potentieel van een pilotproject met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;
- milieustudie: onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met betrekking tot investeringen die nodig zijn om een hoger niveau van milieubescherming te bereiken en die binnen de reikwijdte van deel 7 van de algemene groepsvrijstellingsverordening passen, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;
- pilotproject: een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan;
- studie voor duurzame industrie:
- a. haalbaarheidsstudie;
- b. milieustudie; of
- c. vergelijkbare studie;
- project met uitontwikkelde technologie: een project bestaande uit een investering in technologie waarvan de werking reeds in één of meer demonstratieprojecten is bewezen;
- vergelijkbare studie: onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen, niet zijnde een milieustudie.
Artikel 4.2.113. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een studie voor duurzame industrie die past binnen één van de in bijlage 4.2.16 opgenomen programmalijnen, aan:
- a. een onderneming die zelfstandig een studie voor duurzame industrie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door die onderneming zelf of een onderneming die deel uitmaakt van diens groep;
- b. een deelnemer in een samenwerkingsverband dat ten minste één onderneming bevat, die een studie voor duurzame industrie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door ten minste één van de ondernemingen van het samenwerkingsverband of een onderneming die deel uitmaakt van de groep van één van de ondernemingen.
Artikel 4.2.114. Steunintensiteit
De subsidie bedraagt voor een studie voor duurzame industrie 50% van de subsidiabele kosten.
Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming.
De subsidie bedraagt maximaal:
- a. € 4.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 1 of 2, opgenomen in bijlage 4.2.16;
- b. € 3.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 3, opgenomen in bijlage 4.2.16;
- c. € 300.000 voor een vergelijkbare studie per onderneming die deze zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar.
In afwijking van het vierde lid, onderdelen a en b, bedraagt de subsidie maximaal € 300.000 per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening over een periode van drie jaar.
Onverminderd het vierde en vijfde lid, bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie, maximaal € 4.000.000 per openstellingsperiode, tenzij de studies voor duurzame industrie binnen programmalijn 3, opgenomen in bijlage 4.2.16, passen, dan bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie maximaal € 3.000.000 per openstellingsperiode.
De subsidie bedraagt ten aanzien van de subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden en beschikt over een vaste inrichting in Nederland, maximaal € 25.000.
Artikel 4.2.114a. Subsidiabele kosten
In geval van een haalbaarheidsstudie komen de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking.
In geval van een milieustudie komen de kosten als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking.
In geval van een vergelijkbare studie komen de kosten van de studie in aanmerking voor subsidie.
In geval van een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie komen de kosten, bedoeld in het tweede respectievelijk het derde lid, alleen voor subsidie in aanmerking, voor zover het gaat om subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die niet met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden.
Artikel 4.2.115. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 4.2.116. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:
- a. één jaar voor studies voor duurzame industrie waarvoor de subsidie maximaal € 1.000.000 bedraagt;
- b. twee jaar voor studies voor duurzame industrie waarvoor de subsidie meer dan € 1.000.000 bedraagt.
Artikel 4.2.117. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met de risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
- b. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding;
- c. in geval van een samenwerkingsverband, de samenwerking onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit:
- 1°. de verdeling van de kosten tussen de deelnemers, of
- 2°. de verhouding tussen private en publieke financiering van het project;
- d. het projectplan niet in voldoende mate de vervolgstappen beschrijft die na afloop van het project bij een positief resultaat gezet zullen gaan worden om tot uitvoering en implementatie van hetgeen onderzocht is te komen;
- e. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze is gedaan door een onderneming die deze studie zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in:
- 1°. de sector visserij en aquacultuur;
- 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of
- 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening;
- f. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze ziet op activiteiten die direct verband houden met:
- 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
- 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of
- 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer;
- g. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie waarvoor de te verlenen subsidie minder dan € 25.000 zou bedragen;
- h. de subsidiabele kosten voor meer dan 50% bestaan uit kosten voor testwerkzaamheden ter beantwoording van haalbaarheidsvragen;
- i. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie en onvoldoende aannemelijk is dat de terugverdientijd van de te onderzoeken investering meer dan vijf jaar zou zijn.
Artikel 4.2.117a. Informatieverplichtingen
Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun:
- a. van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien het een aanvraag betreft voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie;
- b. van een onderneming die een vergelijkbare studie zelfstandig uitvoert of van elke deelnemer in het samenwerkingsverband, indien het een aanvraag betreft voor een vergelijkbare studie.
Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling, geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag tenminste inzicht in:
- a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband gaat zetten na afloop van het project om tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is te komen;
- b. de verwachte CO2-reductie die zou ontstaan bij uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is.
Artikel 4.2.118. Aanvraag subsidievaststelling
Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het besluit, geeft in ieder geval inzicht in:
- a. de financiële of economische kansen, inclusief een of meer mogelijke verdienmodellen die noodzakelijk zijn om het concept of de technologie succesvol toe te kunnen passen;
- b. de niet-technologische factoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het concept of de technologie in de markt en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan;
- c. de opschalingsmogelijkheden en het herhaalpotentieel van wat onderzocht is;
- d. indien het een haalbaarheidsstudie binnen programmalijn 1, opgenomen in bijlage 4.2.16, met betrekking tot afvang, transport, hergebruik en opslag van CO2 betreft, voor zover van toepassing, een algemene en technische omschrijving van de onderzochte installaties en infrastructuur, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het onderzochte project, de investeringskosten per component van het onderzochte project, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, inclusief risico-opslag, en een overzicht van alle kosten en baten.
Artikel 4.2.119. Staatssteun
De subsidie voor een milieustudie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening.
De subsidie voor de haalbaarheidsstudies bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening.
De subsidie voor een vergelijkbare studie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 3 van de algemene de-minimisverordening.
§ 4.2.18. Horizon Europe Partnership (HEP)
Artikel 4.2.120. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- HEP-call: gezamenlijke oproep van deelnemende lidstaten voor aanvragen voor HEP-projecten, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 16 van het besluit, gedurende de daarin genoemde openstellingsperiode;
- HEP-project: internationaal project bestaande uit fundamenteel onderzoek voor zover het niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat is ingediend op grond van een HEP-call;
- internationale expert-panel: panel als bedoeld in de HEP-call, dat de HEP-projecten beoordeelt;
- internationale rangschikking: rangschikking van de aanvragen voor een HEP-project door het internationale expert-panel;
- internationale voorselectie: voorselectie van de conceptaanvragen voor een HEP-project door de lidstaten als bedoeld in de HEP-call.
Artikel 4.2.121. Subsidieaanvraag
De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van activiteiten in een HEP-project aan:
- a. een in Nederland gevestigde deelnemer aan een HEP-project, of
- b. een deelnemer in een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde deelnemers aan een HEP-project.
Artikel 4.2.122. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
- b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
- c. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties.
De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming.
Onverminderd het tweede en derde lid, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd, indien het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.
Het maximale subsidiebedrag is het maximale subsidiebedrag, bedoeld in de HEP-call.
Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar.
Artikel 4.2.123. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond per HEP-call op volgorde van de internationale rangschikking.
Artikel 4.2.124. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is de termijn, genoemd in de HEP-call.
Artikel 4.2.125. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. het HEP-project in de internationale voorselectie wordt afgewezen;
- b. het HEP-project in de internationale rangschikking een lager aantal punten krijgt toegekend dan het minimaal aantal punten, genoemd in de HEP-call;
- c. het HEP-project in de internationale rangschikking niet aanbevolen wordt voor financiering;
- d. het HEP-project niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de HEP-call.
Artikel 4.2.126. Informatieverplichtingen
Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft.
Artikel 4.2.127. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger voldoet aan voorwaarden en verplichtingen die zijn opgenomen in de HEP-call.
In afwijking van artikel 4.2.2, vierde lid, wordt iedere publicatie door of met medewerking van de in Nederland gevestigde deelnemers in het project of diens medewerkers voorzien van de vermelding dat het een HEP-project betreft en van de naam van de HEP-call.
Artikel 4.2.128
De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.121, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:
- a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.
§ 4.2.19. TSH Vliegtuigmaakindustrie
Artikel 4.2.129. Begripsomschrijving
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- –. internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een strategisch partnerland en bijdraagt aan de doelstellingen passend binnen de in bijlage 4.2.18 opgenomen beschrijving;
- –. klimaatakkoord: klimaatakkoord van 28 juni 2019, zoals opgenomen in de Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 342;
- –. strategisch partnerland: landen waarmee Nederland een strategische samenwerking heeft op het gebied van duurzame luchtvaart:
- a. Brazilië;
- b. Canada;
- c. de landen van de Europese Unie;
- d. het Verenigd Koninkrijk; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)