Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017

Type Ministeriële regeling
Publication 2021-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een doelmatige aanwending van de bekostiging (artikel 2.5.3, tweede lid, WEB). Hieruit vloeit voort dat de instelling de bekostiging doelmatig dient te besteden (zie ook artikel 2.5.9, tweede lid, WEB).

FB3. Rechtmatigheid

5.4. Stroomschema toezichtcyclus

De monitoring van de prestaties op het niveau van de besturen en hun opleidingen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen. We doen dit op de volgende onderwerpen en kengetallen: onderwijsresultaten, financiële kengetallen, personele en materiële kosten, ontwikkeling studentenpopulatie, bestuurlijke inrichting, beschikbare onderzoeken naar veiligheid, en resultaten tevredenheidsonderzoeken.

We beoordelen de kwaliteit van het onderwijs, de examinering, de kwaliteitszorg en het financieel beheer primair op het niveau van de standaard. In paragraaf 4.2 beschrijven we de normering op basis van de deugelijkheidseisen.

6.3. Bestuursgesprek

1 Wij beoordelen Financieel beheer als Voldoende als de financiële Continuïteit (FB1) en Rechtmatigheid (FB3) Voldoende zijn. Wij geven geen oordeel over de financiële Doelmatigheid (FB2), tenzij er zwaarwegende redenen zijn om te concluderen dat er sprake is van evidente ondoelmatigheid. Dit leidt dan tot het oordeel Onvoldoende. In dat geval is ook het oordeel over Financieel beheer Onvoldoende.

4.4.1. Onvoldoende examenkwaliteit

7.2. Voorbereiding

Bovenstaande werkwijze bij de keuzedelen is conform de werkwijze die we vanaf 2012 hanteren bij de beoordeling van de generieke examenonderdelen voor Nederlands en Engels. We onderzoeken de generieke examenonderdelen voor Nederlands en Engels voor zover die meetellen voor de slaag-/zakbeslissing. We onderzoeken deze onderdelen tijdens het onderzoek naar de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces en Examinering en diplomering. We beschrijven de bevindingen in het rapport ook bij deze kwaliteitsgebieden.

Als er sprake is van risico’s op het niveau van een of meer opleidingen, vormen de betreffende crebo’s het vertrekpunt voor de inrichting van ons onderzoek. Omdat risico’s bij één opleiding zich mogelijk uitstrekken tot meer opleidingen binnen een kwalificatiedossier of een team, bepalen we op basis van deze informatie wat ons object van onderzoek moet zijn. Ook hier spreken we oordelen uit over het object van toezicht en/of de crebo(‘s) die zijn onderzocht. Dit kunnen er dus meer zijn dan de opleiding waar zich in eerste instantie de risico’s manifesteerden.

7.2.2. Startgesprek met het bestuur

Resultaat: Door inspectie vastgesteld onderzoeksplan.

Waar we voor de cesuur ‘voldoende/onvoldoende’ heldere richtlijnen hanteren op basis van deugdelijkheidseisen, ligt dit voor de waardering Goed genuanceerder. Naast het zichtbaar en overtuigend voldoen aan alle deugdelijkheidseisen bij de standaard, wegen we voor Goed ook de eigen aspecten van kwaliteit mee: laat de opleiding op overtuigende wijze zien hoe ze haar kwaliteitsbeleid op de betreffende standaard vormgeeft en realiseert? De interpretatieruimte is hier groter en we baseren ons daarbij mede op de ambities van het bestuur en de keuzes die de opleiding daarin maakt. Als de opleiding overtuigend laat zien – bijvoorbeeld op basis van een audit of visitatie – dat zij haar eigen doelen boven de basiskwaliteit realiseert, dan benoemen we dat in ons rapport.

Omgevingsfactoren, de context waarbinnen de opleiding opereert, kunnen in positieve of negatieve zin van invloed zijn op de onderwijskwaliteit en de financiële continuïteit. Omgevingsfactoren zijn onder meer de ontwikkeling van de studentenpopulatie, huisvesting, personele samenstelling, fusiegeschiedenis, organisatieontwikkeling, ontwikkeling bestuur en intern toezicht. Onze oordelen betreffen altijd de kwaliteit van het onderwijs zoals studenten dat ontvangen, ongeacht de omgevingsfactoren.

7.3. Uitvoering102Als de instelling deelneemt in een samenwerkingscollege kunnen we ook onderzoek doen op het niveau van het samenwerkingscollege (zie paragraaf 11.7).

Resultaat: Een voorlopig oordeel over de zorg die het bestuur heeft voor de feitelijke onderwijskwaliteit en voorlopige oordelen over de onderzochte standaarden op opleidingsniveau.

7.2.4. Presentatie door opleidingen

Resultaat: Een voorlopig oordeel over de stand van de kwaliteitszorg en het financieel beheer.

7.3. Uitvoering

5.2.1. Onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur

Het doel van het onderzoek naar kwaliteitszorg en financieel beheer is vast te stellen of het bestuur een doeltreffend systeem van kwaliteitszorg hanteert waarmee het de kwaliteit en de continuïteit van het aangeboden onderwijs garandeert en vast te stellen of het tot verdere kwaliteitsverbetering stimuleert.

5.2.2. Verificatieonderzoek

Verificatieonderzoek voeren we in de eerste plaats uit om vast te stellen of het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie Voldoende is. Het geeft ons in de tweede plaats informatie over de feitelijke onderwijskwaliteit van de onderzochte opleidingen.

Bij een verificatieonderzoek wordt gebruikgemaakt van het waarderingskader; het onderzoek omvat een beredeneerde selectie van standaarden. De selectie van de standaarden die worden onderzocht, bepalen we op basis van onze expertanalyse en de verantwoordingsinformatie van het bestuur.

7.4. afronding

7.4.1. Rapport

Doel: Informeren van het bestuur over de conclusies op de onderzoeksvragen en (zo nodig) afspraken maken over herstel en verbetering.

7.5. Doorlooptijden

6.2. Expertanalyse risico’s

6.3. Bestuursgesprek

Naast het bestuursprofiel en de kwaliteitsprofielen van de opleidingen geven we ook een beeld van de ontwikkeling van het bestuur (terugblikkend en vooruitkijkend) en we beschrijven daarbij de omgevingsfactoren die mede van invloed zijn op de onderwijskwaliteit zoals we die hebben aangetroffen.

8.1.4. Afspraken vervolgtoezicht

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

Is de sturing op kwaliteit op orde en is er sprake van deugdelijk financieel beheer?

8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Doel: Het verkrijgen van een voorlopig beeld van de kwaliteitszorg, de onderwijskwaliteit en het financieel beheer.

Op basis van de uitkomst van de expertanalyse stellen we de agenda op voor het startgesprek met het bestuur.

8.5. De Staat van het Onderwijs

8.6. Kennis delen

Bepalen van object van verificatieonderzoek

9. Herstel en verbetering

Resultaat: Door inspectie vastgesteld onderzoeksplan.

9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek

Bij besturen met meer onderwijssectoren (vo/mbo) specificeren wij in het onderzoeksplan welke vo-scholen en welke mbo-opleidingen wij gaan onderzoeken.

7.2.4. Presentatie door opleidingen

Resultaat: Het inspectieteam heeft een zo volledig mogelijk beeld van de visie, ambities, doelen en resultaten van de opleiding.

Een kwaliteitsonderzoek naar risico’s bij een opleiding wordt altijd afgerond met een terugkoppeling van de bevindingen en voorlopige oordelen. Dat geldt ook bij een onderzoek naar een goede opleiding.

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

De herstelopdracht zoals bedoeld onder 1, 2 en 3 omvat de formulering van de wettelijke tekortkoming, de aard van het herstel en de termijn waarbinnen dit herstel moet zijn gerealiseerd. Dit wordt vastgelegd in het rapport. De mate waarin wij directief optreden bij het bepalen van de herstelopdracht is mede afhankelijk van de ernst en omvang van de tekortkomingen en de omgevingsfactoren die op het niet-naleven van invloed zijn.

Resultaat: Conceptrapport vierjaarlijks onderzoek.

9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving

9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging

7.5. Doorlooptijden

Een onderzoek bestuurlijk handelen kan leiden tot afspraken met het bestuur teneinde alsnog herstel te realiseren, tot een bekostigingssanctie (zie boven) of tot een voordracht bij de minister met een advies over de sancties die de minister kan treffen op grond van de wet. De minister kan op basis van de voordracht een aanwijzing geven of tot opschorting of inhouding van de bekostiging overgaan.

9.3.3. Escalatieteam ministerie en inspectie

8.1.1. Bestuursprofiel

9.5. Verbeteren boven de basiskwaliteit

Als een opleiding voldoet aan de basiskwaliteit, houdt onze rol niet op. Naast onze waarborgfunctie willen we besturen en opleidingen stimuleren kwaliteitsdoelen te formuleren die hoger liggen dan de basiskwaliteit. In onze onderzoeken voeren we daarom de dialoog over de eigen doelen en ambities die het bestuur zich stelt en hoe deze worden gerealiseerd. Ook kunnen we tijdens het vierjaarlijks onderzoek op verzoek van besturen een onderzoek doen naar opleidingen die het volgens het bestuur goed doen. Onze bevindingen zijn er dan op gericht om het bestuur en zijn opleidingen feedback te geven op de kwaliteit die zij al dan niet laten zien. Op deze wijze werken inspectie, besturen en opleidingen samen aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscultuur.

10. Stelseltoezicht

We vermelden in het overzicht onze oordelen op de standaarden en kwaliteitsgebieden én op het niveau van de opleiding. We geven daarbij een eindoordeel over de opleiding (voorbeeld 3).

10.1. Versterking relatie toezicht op instellingen en stelseltoezicht

Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin het stelsel van opleidingen en besturen erin slaagt de kernfuncties van onderwijs – kwalificatie, socialisatie en selectie/allocatie – met succes én in evenwicht te realiseren. Onze periodieke onderzoeken bij opleidingen en besturen geven daarvan een aardig beeld, maar stelselkwaliteit is niet een optelsom van de oordelen en kwaliteitsbeelden die we met het instellingstoezicht verkrijgen. Daar is meer voor nodig.

Tot slot worden in het rapport de eventuele herstelopdrachten vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen.

Om tot een beeld van het stelsel als geheel te komen, brengen we in kaart hoe het ervoor staat, per sector maar ook voor het stelsel. We maken daarbij gebruik van de jaarlijkse prestatieanalyse van besturen en opleidingen (paragraaf 6.1). Daarnaast hanteren we diverse bronnen, zoals informatie uit gesprekken bij instellingsonderzoeken, informatie uit inspectieonderzoeken, signalen die bij de inspectie binnenkomen, kennis uit externe (wetenschappelijke) onderzoeken, berichten in de media, bestuurlijke overleggen, informatie van toezichthouders op verwante domeinen. We maken ook gebruik van informatie die door anderen verzameld is, zoals inschrijvingen en stroomgegevens van studenten, financiële gegevens en demografische gegevens.

10.3. Themakeuze en werkwijze

Bij besturen waar wij het oordeel uitspreken dat de Kwaliteitszorg Goed is103Dat betekent dat de drie standaarden van kwaliteitszorg in elk geval voldoende zijn, en dat bovendien de standaard Kwaliteitscultuur goed is. én het Financieel beheer Voldoende is, hebben wij het vertrouwen dat het bestuur zelf goede informatie verstrekt over zijn kwaliteit, en daar waar nodig verbeteringen doorvoert. Bij die besturen nemen wij een link op naar de website van de onderwijsinstellingen zelf. We nemen in dat geval tevens bij elke (niet onderzochte) opleiding op onze website de tekst op dat de inspectie het bestuur onderzocht heeft en dat de inspectie vertrouwen heeft in de informatie die het bestuur over zijn opleidingen verstrekt. De volgende tekst wordt bij elke opleiding opgenomen: ‘Het bestuur heeft inzicht in de kwaliteit van zijn opleidingen en verbetert de kwaliteit daar waar nodig. Het bestuur is bovendien financieel gezond. U kunt voor meer informatie de website van de instelling raadplegen.’ Bij opleidingen die we zelf hebben onderzocht, plaatst de inspectie een kwaliteitsprofiel op de website.

Via het Loket van de inspectie kunnen ouders, studenten, besturen en opleidingen vragen stellen over het onderwijs in het algemeen of over specifieke opleidingen waar zij belanghebbende zijn. Ook kunnen hier klachten worden gemeld. Klachten hebben voor ons een signaalfunctie en worden meegenomen bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. De inspectie behandelt individuele klachten overigens niet.

8.5. De Staat van het Onderwijs

11.1.1. Aanpassing waarderingskader

Feedbackgesprekken

11.2. Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo)

Bekostigde opleidingen vavo kunnen op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid van de WEB alleen worden verzorgd door roc’s die dat voor 1 augustus 2012 ook al deden (of door instellingen die op een later moment daarvoor diploma-erkenning krijgen van de minister). Op bestuursniveau sluit het waarderingskader vavo dus grotendeels aan bij het waarderingskader mbo, behalve waar het waarderingskader mbo bijvoorbeeld specifiek aan het beroepsonderwijs of bedrijfsleven refereert. Op opleidingsniveau geldt dat bekostigde vavo-opleidingen moeten voldoen aan alle eisen zoals neergelegd in de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Op grond van artikel 7.4.11 is titel 4 van hoofdstuk 7 van de WEB bijvoorbeeld slechts voor een deel van toepassing. Verder is op grond van artikel 7.4.11, derde lid, WEB het Eindexamenbesluit VO van toepassing.

Voor niet-bekostigd vavo is met behulp van asterisken aangegeven welke onderdelen van het waarderingskader vavo niet gelden voor niet-bekostigd vavo.

11.2.2. Werkwijze

We bieden het bestuur de mogelijkheid om tussentijds één keer een ‘uitwisselingsgesprek’ te voeren over de stand van zaken en eventuele nieuwe ontwikkelingen.

11.3.2. Werkwijze

11.4. Onderwijs in Caribisch Nederland

Daar waar de Kwaliteitszorg op bestuursniveau Voldoende of Goed is, maar het Financieel beheer Onvoldoende, gebruiken we een combinatie van scenario’s: het bestuur krijgt (beperkte) ruimte om zelf vorm te geven aan de verbetering van de tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit, maar de inspectie voert zelf vervolgonderzoek uit in het kader van de verbetering van het financieel beheer.

11.4.2. Werkwijze

11.5. Exameninstellingen

In de volgende gevallen voert de inspectie in elk geval een herstelonderzoek uit:

11.5.1. Aanpassing waarderingskader

Het bestuur kan de inspectie vragen een herstelonderzoek eerder uit te voeren dan afgesproken, bijvoorbeeld omdat de verbeteringen al zijn gerealiseerd, eerder dan de gestelde termijn.

11.5.2. Werkwijze

De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 4 t/m 9.

11.6. Agrarische opleidingscentra

Als er op het gebied van financieel beheer sprake is van risico’s ten aanzien van de continuïteit of van niet naleven van wettelijke vereisten, dan leggen we vast welke maatregelen het bestuur moet treffen voor de verbetering van de financiële positie of de financiële beheersing. Als er sprake is van het oordeel Onvoldoende op Financieel beheer (vanwege een of meer standaarden), dan spreken we van aangepast financieel toezicht. De interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen een beperkte periode zijn opgeheven. Doorgaans moet dit binnen twee jaar het geval zijn. We leggen tevens vast op welke wijze en op welk moment het bestuur ons de gevraagde informatie levert. We maken daarbij gebruik van nadere richtlijnen voor de stappen bij het aangepast financieel toezicht. Het bestuur wordt geïnformeerd over het escalatietraject als herstel niet binnen de gestelde termijn is gerealiseerd (paragraaf 9.3).

11.7. Samenwerkingscolleges

Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (art. 8.6.1 van de WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (art. 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, van de WEB)113Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO.. Ook moet het feit dat een student onderwijs volgt binnen het samenwerkingscollege in de onderwijsovereenkomst tot uitdrukking komen (art. 8.1.3, derde lid, onder b, van de WEB).

1. Standaard Studiesucces in bekostigd onderwijs

Het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten bestaat voor het bekostigd beroepsonderwijs uit twee standaarden: Studiesucces en Vervolgsucces. In deze bijlage beschrijven we de normering, de oordeelsvorming en de specifieke uitzonderingen en/of toepassingen daarvan.

Een onderzoek bestuurlijk handelen kan leiden tot afspraken met het bestuur teneinde alsnog herstel te realiseren, tot een bekostigingssanctie (zie boven) of tot een voordracht bij de Minister met een advies over de sancties die de Minister kan treffen op grond van de wet. De Minister kan op basis van de voordracht een aanwijzing geven of tot opschorting of inhouding van de bekostiging overgaan.

9.3.3. Escalatieteam ministerie en inspectie

Naast de hierboven genoemde sancties kan de inspectie in bijzondere gevallen nog andere sancties opleggen. Het gaat dan om bestuurlijke boetes op grond van de Leerplichtwet, dwangsommen op grond van de Wet normering topinkomens en terugvordering van bekostiging op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

9.4. Toezichtplan bij zeer zwak onderwijs

Voor de categorie zeer zwakke opleidingen geldt een aantal aanvullende interventies. Deze hebben tot doel belanghebbenden rond de opleiding actief over het oordeel Zeer zwak te informeren (artikel 4, vierde lid, WOT). Dit betekent dat wij in de eerste plaats de Minister over het oordeel ‘zeer zwak’ informeren en dat de opleiding als zodanig op onze website wordt vermeld. Ook informeren we de betreffende gemeente(n) aan de hand van het inspectierapport.

Als een opleiding voldoet aan de basiskwaliteit, houdt onze rol niet op. Naast onze waarborgfunctie willen we besturen en opleidingen stimuleren kwaliteitsdoelen te formuleren die hoger liggen dan de basiskwaliteit. In onze onderzoeken voeren we daarom de dialoog over de eigen doelen en ambities die het bestuur zich stelt en hoe deze worden gerealiseerd. Ook kunnen we tijdens het vierjaarlijks onderzoek op verzoek van besturen een onderzoek doen naar opleidingen die het volgens het bestuur goed doen. Onze bevindingen zijn er dan op gericht om het bestuur en zijn opleidingen feedback te geven op de kwaliteit die zij al dan niet laten zien. Op deze wijze werken inspectie, besturen en opleidingen samen aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscultuur.

10. Stelseltoezicht

10.1. Versterking relatie toezicht op instellingen en stelseltoezicht

Met het waarderingskader doen we uitspraken over de kwaliteit van opleidingen en besturen op basis van de (selectie van) standaarden. Dit kwaliteitsbeeld is niet allesomvattend. Ouders, studenten, docenten, directeuren, opleidingsmanagers en bestuurders ervaren soms knelpunten die relevant zijn voor (het ontbreken van) onderwijskwaliteit, maar waarvoor andere partijen nodig zijn om tot verbetering of een oplossing te komen. Zo kan vigerend overheidsbeleid tot ongewenste effecten leiden, wordt nieuw beleid om diverse redenen moeizaam geïmplementeerd, of nemen niet alle partijen hun verantwoordelijkheid om gezamenlijk aan de gewenste oplossing bij te dragen. Inspecteurs krijgen dergelijke signalen en voorbeelden bij hun instellingsonderzoeken aangereikt; vaak reiken deze onderwerpen verder dan de onderzoeksvraag van het onderzoek bij die ene instelling. We willen deze stelselinformatie beter benutten en als toezichthouder nadrukkelijk een rol vervullen bij het agenderen van knelpunten op stelselniveau. Daarvoor is het nodig dat we ons een beeld vormen van de knelpunten die zich instellingsoverstijgend voordoen. We richten het stelseltoezicht daarop vervolgens in.

Samenvattend: we richten ons met het stelseltoezicht op stelselproblemen, waarvoor de oplossing het niveau van individuele instellingen overstijgt. We treden daarbij stimulerend, agenderend en activerend op.

7. Vavo

Om het instellingsbeeld over de onderwijsresultaten te bepalen zullen we op instellingsniveau het jaarrendement per jaar bepalen. We zullen met de instellingen over de ontwikkeling van dit rendement tijdens het instellingsonderzoek het gesprek aangaan.

Bijlage 2. Waarderingskader Niet-bekostigd mbo

Als een themaonderzoek wordt uitgevoerd, dan koppelen we dit bij voorkeur aan het vierjaarlijks onderzoek naar bestuur en hun opleidingen. Daarmee houden we de toezichtlast zo beperkt mogelijk.

Als voorbeeld noemen we Didactisch handelen. We willen de kwaliteit op deze standaard in alle sectoren onderzoeken. Dit komt dan aan de orde in alle vierjaarlijkse onderzoeken. Er wordt een representatief beeld opgesteld per sector.

Op basis van de keuzes in ons jaarwerkplan informeren we besturen bij het vierjaarlijks onderzoek over de zogenoemde stelselstandaarden die we onderzoeken. We nemen dit ook op in het onderzoeksplan dat we bij een vierjaarlijks onderzoek opstellen (paragraaf 7.2.3).

De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en de beroepspraktijk waartoe de opleiding kwalificeert en diplomeert. Het programma is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede op de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf. Het programma kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. Het verwerven van generieke competenties, waaronder die met betrekking tot loopbaan en burgerschap, maakt deel uit van het programma. Het programma biedt mogelijkheden voor maatwerk. Het programma is voor studenten tijdig en voor aanvang van de opleiding bekend.

Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het onderwijsprogramma en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

OP2. Ontwikkeling en begeleiding

Bekostigde opleidingen vavo kunnen op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid van de WEB alleen worden verzorgd door roc’s. Op bestuursniveau sluit het waarderingskader vavo dus grotendeels aan bij het waarderingskader mbo, behalve waar het waarderingskader mbo bijvoorbeeld specifiek aan het beroepsonderwijs of bedrijfsleven refereert. Op opleidingsniveau geldt dat bekostigde vavo-opleidingen moeten voldoen aan alle eisen zoals neergelegd in de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Op grond van artikel 7.4.11 is titel 4 van hoofdstuk 7 van de WEB bijvoorbeeld slechts voor een deel van toepassing. Verder is op grond van artikel 7.4.11, derde lid, WEB het Eindexamenbesluit VO van toepassing.

Voor niet-bekostigd vavo is met behulp van asterisken aangegeven welke onderdelen van het waarderingskader vavo niet gelden voor niet-bekostigd vavo.

Educatie draagt bij aan de zelfredzaamheid van volwassenen. Door vaardiger te worden in de Nederlandse taal en beter te leren rekenen, kunnen mensen zelfstandiger meedoen in de samenleving. Daarom voeren gemeenten een educatiebeleid dat is verbonden met andere beleidsdomeinen die bevorderlijk zijn voor de participatie. Sinds 1 januari 2015 is de verplichte besteding van de educatiemiddelen van gemeenten bij roc’s komen te vervallen, waarbij is voorzien in een overgangsperiode van drie jaar. Roc’s die nog opleidingen overige educatie aanbieden, doen dat sindsdien dus als contractactiviteit.

Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het didactisch handelen en (hoe) wordt dit gerealiseerd?

De hierna beschreven werkwijze is van toepassing voor scholen en opleidingen die de basiskwaliteit op orde hebben op 1 augustus 2017, of daarna voor de eerste keer de basiskwaliteit bereiken. Daarna is voor alle scholen en opleidingen de werkwijze en het waarderingskader zoals hierna beschreven, van toepassing.

De basis voor het waarderingskader voor het onderwijs in Caribisch Nederland is gelijk aan die voor het waarderingskader zoals beschreven in hoofdstuk 3. De standaarden zijn aangepast op basis van de wetgeving die voor Caribisch Nederland geldt (WPO BES, WVO BES en WEB BES) en er zijn aanpassingen gemaakt om het waarderingskader beter aan te laten sluiten bij de context. Mbo-opleidingen in Caribisch Nederland worden verzorgd door scholengemeenschappen in de zin van de WVO BES. Dit betekent dat het bestuur van deze scholengemeenschappen zowel met het waarderingskader van vo als van mbo van doen heeft. Ook zijn er enkele onderdelen die voor Caribisch Nederland niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld omdat er geen scholen voor speciaal onderwijs of samenwerkingsverbanden passend onderwijs zijn in Caribisch Nederland.

Bijlage 3. Waarderingskader vavo

De examencommissie borgt deugdelijke examinering en diplomering.

Bijlage 4. Waarderingskader overige educatie

De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Dit betekent onder meer dat de examencommissie slechts vrijstellingen kan verlenen en certificaten en/of diploma’s kan uitreiken indien de student daarvoor aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan (artikel 7, 9, 11, 12, 13, 22 en 48 EB). De examencommissie dient zich hiervoor met gepaste grondigheid te vergewissen van de volledigheid van het examendossier inclusief de centrale examens (artikel 7 en 35c EB). Verder betekent dit dat de examencommissie zich met gepaste grondigheid dient te vergewissen van de kwaliteit van de examinering en diplomering, waaronder de deskundigheid van bij de examinering betrokken personen, en zo nodig op de realisatie van verbetermaatregelen dient toe te zien (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).

Bijlage 5. Waarderingskader Onderwijs in Caribisch Nederland

De instelling heeft daarnaast een zorgplicht voor onderwijs van voldoende kwaliteit (artikel 1.3.2, eerste lid, WEB BES). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Om de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren dient de instelling ook contacten met het (regionale) bedrijfsleven te onderhouden. Verder betekent dit dat passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek moeten worden geboden, gebaseerd op (het tijdens de bpv te behalen deel van) de kwalificatie of de bijbehorende keuzedelen (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.7, tweede lid, onder c, WEB BES).

Bijlage 6. Waarderingskader EXAMENINSTELLINGEN

OR3. Vervolgsucces

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Missie: effectief toezicht voor beter onderwijs

OP1. Aanbod

OR1. Resultaten

Het bestuur en de school hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.

3.4. Overige wettelijke vereisten

4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus

4.3 Waardering eigen aspecten van kwaliteit

De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op twee manieren plaats:

4.5. Normering schoolniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de school komt tot stand op basis van de volgende normen.

De norm voor het oordeel Zeer zwak is bij wet bepaald. Artikel 10 WPO stelt dat onderwijs zeer zwak is indien de leerresultaten op de school aan het einde van het zevende of het achtste schooljaar op groepsniveau ernstig en langdurig tekortschieten en er in verband met dit tekortschieten ook tekortkomingen zijn in de naleving van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. In de tabel hierboven is aangegeven hoe we deze wettelijke norm in het waarderingskader hebben vertaald.

4.6. Normering bestuursniveau

4.7.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

4.7.2. Waarderen eigen aspecten van kwaliteit

Het gebied Financieel beheer wordt vanaf de invoering van het onderzoekskader conform bovenstaande norm beoordeeld.

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Daarbij hanteren we het uitgangspunt dat voor een oordeel Voldoende aan de deugdelijkheidseisen behorende bij de standaard moet worden voldaan. We beoordelen echter niet de naleving van elke deugdelijkheidseis per standaard op zichzelf, maar in relatie tot de kwaliteit die met de standaard wordt beoogd. Het kan zijn dat een school op een standaard een positief beeld laat zien, maar dat aan een bepaald element van de standaard (nog) niet wordt voldaan. Als het niet naleven van die deugdelijkheidseis beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit én als het punt eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel, en ziet zelf toe op herstel van naleving (zie ook paragraaf 9.2.1).

4.7.2. Waarderen eigen aspecten van kwaliteit

Waar we voor de cesuur Voldoende/Onvoldoende heldere richtlijnen hanteren op basis van deugdelijkheidseisen, ligt dit voor de waardering Goed genuanceerder. Naast het zichtbaar voldoen aan alle deugdelijkheidseisen bij de standaard, kijken we voor een waardering Goed met name naar de eigen aspecten van kwaliteit: laat de school op overtuigende wijze zien hoe zij haar eigen kwaliteitsbeleid op de betreffende standaard vormgeeft en realiseert en zij daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert? Het schoolplan is daarbij de belangrijkste bron. De interpretatieruimte is hier groter en we baseren ons daarbij primair op de ambities van het bestuur en de keuzes die de school daarin maakt.

Hoewel omgevingsfactoren dus niet van invloed zijn op het oordeel, spelen zij wel een rol bij het bepalen van passende interventies in het kader van vervolgtoezicht. Het effect van het niet naleven van een deugdelijkheidseis kan verschillen per doelgroep; dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies kunnen afhankelijk van de contextfactoren een meer of minder directief karakter hebben. In hoofdstuk 9 gaan we hier verder op in.

4.7.4. Expertoordeel

5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek

Onze focus gedurende het gehele proces van oordelen en waarderen is dat we recht doen aan de onderwijskwaliteit die we aantreffen.

5.2.1. Onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur

5.2.3. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede scholen

5.2.2. Verificatieonderzoek

Bij het eerste vierjaarlijks onderzoek voert de inspectie deze onderzoeken zelf uit. Als de kwaliteitszorg van het bestuur als Voldoende of Goed wordt beoordeeld, kan in een volgend vierjaarlijks onderzoek een onderzoek bij scholen met risico’s op verzoek van de inspectie door het bestuur zelf worden uitgevoerd.

7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

6.3. Bestuursgesprek

We bekijken of de informatie van de instelling actueel is en of de informatie betrekking heeft op onze onderzoeksvragen (paragraaf 7.1) en daarmee ook de kwaliteitsgebieden van het waarderingskader dekt.

7.2.2. Startgesprek met het bestuur

7.3. Uitvoering

7.4. Afronding

7.4.3. Eindgesprek met het bestuur

7.5. Doorlooptijden

8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek

7.4.3. Eindgesprek met het bestuur

8. Rapporteren en communiceren

Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking (niet tegen de inhoud) van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3).

8.4. Publieksinformatie via de website

8.5. De Staat van het Onderwijs

8.6. Kennis delen

8.4. Publieksinformatie via de website

9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend

Een specifieke vorm van rapportage betreft De Staat van het Onderwijs. Dit rapport publiceren we jaarlijks in april. Hierin beschrijven we hoe het staat met de kwaliteit van de onderscheiden onderwijssectoren. We benutten de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken naar het bestuur en hun scholen, uit themaonderzoeken en uit specifieke onderzoeken om een actueel beeld te geven van de prestaties van de sector als geheel.

Feedbackgesprekken

9.3.4. Overige sancties

11.1. Speciaal Basisonderwijs

Het speciaal basisonderwijs (sbo) valt onder de WPO. De doelgroep leerlingen is echter een andere dan die van een reguliere basisschool. In het sbo hebben alle leerlingen extra ondersteuningsbehoeften en een toelaatbaarheidsverklaring voor het sbo. In het ontwikkelingsperspectief staat per leerling beschreven welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke wijze het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. Om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen werken de leraren vanuit specifieke orthodidactische en orthopedagogische principes. Voor de leraren en leerlingen is daarnaast meer ondersteuning beschikbaar.

10. Stelseltoezicht

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich naast het toezicht op besturen en hun scholen, ook op het stelsel als geheel. In de eerste negen hoofdstukken van dit onderzoekskader hebben we beschreven hoe we de kwaliteit van individuele besturen en hun scholen beoordelen. In dit hoofdstuk beschrijven we het stelseltoezicht zoals we dat voor de sectoren po, vo, (v)so en mbo vormgeven.

11.2. Onderwijs aan nieuwkomers

Bijlage 5. Waarderingskader voorschoolse educatie

Bijlage 6. Waarderingskader onderwijs in Caribisch Nederland

II. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs

Missie: effectief toezicht voor beter onderwijs.

1. Inleiding

1.1. Wettelijk kader toezicht op voortgezet onderwijs

1.2. Deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit

1.3. Object van toezicht en object van onderzoek

1.4. Werking en evaluatie

2. Beter onderwijs, goed bestuur, passend toezicht

2.2. Hoofdlijnen van het toezicht

Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een Onvoldoende oordeel op standaarden. Een oordeel Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht (paragraaf 9.2). Daarbij gelden de herstelprocedures als beschreven. Als standaarden niet zijn gebaseerd op een wettelijke eis, wordt het oordeel Onvoldoende niet gegeven. In plaats daarvan geeft de inspectie bij tekortschietende kwaliteit de waardering Kan beter.

2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit

1.1. Wettelijk kader toezicht op (v)so

1.4. Werking en evaluatie

Evaluatie van de werking en de effecten van het onderzoekskader vindt plaats uiterlijk voor 1 januari 2022. De eerste vierjarige cyclus is dan afgerond. Ervaringen met dit onderzoekskader, ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in de politiek, kunnen leiden tot een vervroegde bijstelling van (delen van) dit onderzoekskader.

1.5. Opbouw en leeswijzer

3.3. Kwaliteitsgebieden en Standaarden

3.4. Overige wettelijke vereisten

4. Normering en oordeelsvorming

4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus

4.2. Normering standaarden

4.3. Waardering eigen aspecten van kwaliteit

Financieel beheer (FB)

4.5. Normering schoolniveau

4.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

4.6. Normering bestuursniveau

4.7. Oordeelsvorming

4.7.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

4.7.3. Omgevingsfactoren

4.7.4. Expertoordeel

5. Werkwijze toezicht op besturen en scholen

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we met behulp van het waarderingskader uit hoofdstuk 3 tot oordelen komen over de kwaliteit van het onderwijs bij scholen en over de kwaliteitszorg en het financieel beheer van de besturen.

4.2. Normering standaarden

Een bestuur kan tegen het oordeel Zeer zwak bezwaar maken en beroep aantekenen (artikel 20, zesde lid, WOT).

5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede scholen

5.3. Specifiek onderzoek

Het gebied Financieel beheer wordt vanaf de invoering van het onderzoekskader conform bovenstaande norm beoordeeld.

4.7.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

6.1. Jaarlijkse prestatieanalyse

We monitoren voortdurend de prestaties van besturen en scholen. Als we daarbij risico’s signaleren, leidt dit tot een onderzoek. Dat onderzoek voeren we uit aan de hand van het waarderingskader. We stellen in dat onderzoek vast of de school voldoet aan de basiskwaliteit. Deze continue monitoring van risico’s ondersteunt ons in de uitvoering van onze waarborgfunctie (hoofdstuk 6). Als er sprake is van kwaliteitsrisico’s dan starten we een kwaliteitsonderzoek. Als er financiële risico’s zijn, onderzoeken we dat op bestuursniveau.

6.4. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Het gaat ons bij verificatieonderzoek niet alleen om de vraag of de informatie van het bestuur juist is, maar ook om de vraag of de sturing op kwaliteit werkt. Om vast te stellen of het systeem werkt, kan onder meer worden nagegaan of het beleid van het bestuur doorwerkt tot op het niveau van de leraren en de leerlingen/studenten. We nemen de informatie waarover het bestuur beschikt als startpunt van het onderzoek. Daarbij gaat het onder meer om de jaarverantwoording, maar ook om evaluatierapporten en zelfevaluaties. We verifiëren de juistheid van de informatie over de onderwijskwaliteit.

7.2. Voorbereiding

7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording

7.3. Uitvoering

7.4. Afronding

7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording

7.5. Doorlooptijden

8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek

8.1.1. Bestuursprofiel

7.3. Uitvoering

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

Als een kwaliteitsonderzoek wordt uitgevoerd naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse dan maken we een rapport van bevindingen en ook dan is de adressant het bestuur.

8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

8.5. De Staat van het Onderwijs

8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek

9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend

9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering

We geven aan wanneer we een herstelonderzoek gaan doen. In het rapport leggen we tevens vast wat het bestuur zelf doet om het herstel van naleving en/of de kwaliteitsverbetering te onderzoeken. Ook leggen we de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (hoofdstuk 9).

9.2.1. Herstelopdracht en herstelonderzoek

9.2.2. Herstel financieel beheer

9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving

9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging

9.5. Verbeteren boven DE basiskwaliteit

Als een school voldoet aan de basiskwaliteit houdt onze rol niet op. Naast onze waarborgfunctie willen we besturen en scholen stimuleren hun kwaliteitsdoelen hoger te formuleren dan de basiskwaliteit. In onze onderzoeken voeren we daarom de dialoog over de eigen doelen en ambities die het bestuur zichzelf stelt en hoe deze worden gerealiseerd. Ook kunnen we tijdens het vierjaarlijks onderzoek op verzoek van besturen een onderzoek doen naar scholen die het volgens het bestuur goed doen. Onze bevindingen zijn er dan op gericht om het bestuur en zijn scholen feedback te geven op de kwaliteit die zij al dan niet laten zien. Op deze wijze werken inspectie, besturen en scholen samen aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscultuur.

10. Stelseltoezicht

1. Kwaliteitszorg op orde en geen tekortkomingen: vertrouwen

10.1. Versterking toezicht op instellingen en stelseltoezicht

We bieden het bestuur de mogelijkheid om tussentijds één keer een ‘uitwisselingsgesprek’ te voeren over de stand van zaken en eventuele nieuwe ontwikkelingen.

10.3. Themakeuze en werkwijze

De afspraken met het bestuur over het vervolgtoezicht worden in principe bepaald voor de periode van maximaal vier jaar, volgend op het laatste vierjaarlijkse onderzoek. Deze afspraken kunnen in de tussentijd worden aangepast, afhankelijk van het verloop van het herstel van eventuele eerder vastgestelde tekortkomingen en van nieuwe ontwikkelingen (zowel positief als negatief) die naar voren komen in de jaarlijkse prestatieanalyse. Het eerdere oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur is hierbij leidend. Dit kan, afhankelijk van het tempo van herstel en de aanwezigheid van nieuwe risico’s of signalen, ertoe leiden dat het bestaande scenario tussentijds kan worden verlicht of kan worden verzwaard. Dit betekent dat de inspectie, afhankelijk van de keuze van het scenario en de afspraken met het bestuur naar aanleiding van het vorige vierjaarlijkse onderzoek, bepaalt hoe om te gaan met eventuele risico’s die naar voren komen in de daaropvolgende jaren en tot welke eventuele aanpassingen van de afspraken met het bestuur dit moet leiden.

11.1.2. Werkwijze

11.2. Toezicht op eerste opvang anderstaligen

Kinderen die vanuit het buitenland naar Nederland komen en die het Nederlands nog onvoldoende beheersen om regulier voortgezet onderwijs te volgen, komen terecht in de zogeheten eerste opvang anderstaligen (eoa). Dergelijke eoa’s zijn verbonden aan een basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo.

11.4. Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs

11.5. Onderwijs in Caribisch Nederland

11.1. Toezicht op orthopedagogisch-didactische centra

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc valt onder verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc. Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc. Daarvoor wordt het waarderingskader voor po/vo gebruikt. De resultaten van leerlingen in een opdc (standaard OR1) tellen mee bij de school waar zij staan ingeschreven en niet op het opdc. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het opdc geldt de beslisregel voor scholen waar de resultaten niet van te beoordelen zijn (paragraaf 4.5.1.).

Het samenwerkingsverband voert de aan hem opgedragen taken uit en realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

Bijlage 2. Waarderingskader onderwijs eerste opvang anderstaligen

Bijlage 3. Waarderingskader particuliere zelfstandige exameninstellingen

Het aanbod dat de school biedt, sluit aan bij het niveau van de leerlingen en kan gedurende de schoolloopbaan worden verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdeeld.

Bijlage 4. Waarderingskader samenwerkingsverbanden passend onderwijs

Bijlage 5. Waarderingskader onderwijs in Caribisch Nederland

III. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op (voortgezet) speciaal onderwijs

Missie: effectief toezicht voor beter onderwijs.

1. Inleiding

1.1. Wettelijk kader toezicht op (v)so

1.2. Deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit

1.3. Object van toezicht en object van onderzoek

2. Beter onderwijs, goed bestuur, passend toezicht

2.1. Uitgangspunten van het toezicht en rol van de toezichthouder

2.2. Hoofdlijnen van het toezicht

2.2.1. Waarborg: basiskwaliteit

2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit

Resultaat: Een voorlopig oordeel over de zorg die het bestuur heeft voor de feitelijke onderwijskwaliteit en voorlopige oordelen over de onderzochte standaarden op schoolniveau.

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

3. Het waarderingskader

7.4.3. Eindgesprek met het bestuur

De totale doorlooptijd van het vierjaarlijks onderzoek is grotendeels afhankelijk van het aantal scholen dat bij een onderzoek is betrokken. Per onderzoek kan dit dus variëren.

We rapporteren op twee manieren over de verificatieonderzoeken. In de beschrijving van de kwaliteitszorg op bestuursniveau geven we beknopt weer wat we hebben aangetroffen bij de scholen, en in hoeverre dat strookt met de informatie waarover het bestuur beschikt. We beschrijven tevens hoe het kwaliteitszorgsysteem doorwerkt, aan de hand van doelstellingen van het bestuur die we hebben geselecteerd om dat vast te stellen. Daarnaast rapporteren we de resultaten van de verificatie over de kwaliteit op de geselecteerde standaarden bij de betreffende scholen.64Op de standaarden van de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Resultaten, Schoolklimaat, Examinering en Kwaliteitszorg/ambities (uiteraard voor zover onderzocht).

In een apart hoofdstuk van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek geven we een nadere toelichting op de oordelen over de onderwijskwaliteit.

3.4. Overige wettelijke vereisten

4. Normering en oordeelsvorming

4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus

4.2. Normering standaarden

4.3. Waardering eigen aspecten van kwaliteit

4.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

4.6. Normering bestuursniveau

Onderwijsproces (OP)

4.7.2. Waarderen eigen aspecten van kwaliteit

4.7.3. Omgevingsfactoren

4.7.4. Expertoordeel

5.2. Onderdelen vierjaarlijks onderzoek

Het eoa evalueert regelmatig (met ouders) of de extra begeleiding het gewenste effect heeft. Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs gaat het eoa na waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn.

5.2.1. Onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur

De wet vraagt dat de vorderingen van de leerlingen op een deugdelijke manier worden gevolgd (artikel 2, tweede lid, WVO). Dit waarborgt dat de school daadwerkelijk de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen voor ogen kan hebben in het onderwijs en ook dat het onderwijs aansluit bij de verschillende leerbehoeften van leerlingen, bijvoorbeeld als uit de vorderingen blijkt dat de ontwikkeling stagneert. Bij deze laatste groep leerlingen zoekt de school naar mogelijke verklaringen voor de stagnatie, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast (artikel 2, tweede lid van de WVO, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht; artikel 6c, WVO).

5.2.2. Verificatieonderzoek

We gaan uit van een beredeneerde steekproef bij scholen. We houden daarbij rekening met de inrichting van het bestuur en we kijken daarbij naar een evenwichtige verdeling over de scholen. We onderzoeken bij deze scholen één of een beperkt aantal standaarden. We beoordelen in ieder geval ook onderdelen van de kwaliteitszorg op het niveau van de scholen, omdat dit informatie geeft over de doorwerking van het systeem naar de werkvloer.

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

5.2.3. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede scholen

5.3. Specifiek onderzoek

5.4. Stroomschema toezichtcyclus

6. Monitor besturen en scholen

OP3. Didactisch handelen

De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en/of individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen.

6.3. Bestuursgesprek

6.4. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

Basiskwaliteit

7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

7.1. Doel en onderzoeksvragen

Het eerste criterium voor onderwijstijd is dat het moet gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 33 van de WVO onderwijs mogen verzorgen. Het tweede criterium is dat de onderwijstijd onder verantwoordelijkheid van de school bewust moet worden gepland en verzorgd. De school is verantwoordelijk voor de vormgeving, uitvoering en evaluatie van het onderwijsprogramma en daarmee van het leerproces, de socialisering en de (maatschappelijke en persoonlijke) vorming van leerlingen. Ten derde moet op schoolniveau worden afgesproken welke soorten onderwijsactiviteiten meetellen als onderwijstijd.

7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording

7.2.2. Startgesprek met het bestuur

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

7.4.3. Eindgesprek met het bestuur

Het bestuur en zijn scholen kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.

7.5. Doorlooptijden

8. Rapporteren en communiceren

8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek

Onderwijsresultaten (OR)

Het samenwerkingsverband voert de aan hem opgedragen taken uit en realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

8.1.2. Kwaliteitsprofiel scholen

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

8.4. Publieksinformatie via de website

Te denken valt aan

8.5. De Staat van het Onderwijs

KA2. Kwaliteitscultuur

8.6. Kennis delen

9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek

9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend

Het bestuur van het samenwerkingsverband legt volgens de wettelijke voorschriften en afgesproken richtlijnen verantwoording af aan de intern toezichthouder, de overheid en de belanghebbenden. Het bestuur heeft tegenspraak georganiseerd, informeert zijn omgeving en verantwoordt zich onder andere in het jaarverslag over de resultaten op een voor alle betrokkenen toegankelijke wijze. Het bestuur overlegt periodiek met de ondersteuningsplanraad en – indien van toepassing – de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad en legt besluiten voor conform geldende wet- en regelgeving.

De wet gaat ervan uit dat het bestuur verantwoording aflegt in het jaarverslag, onder meer ten behoeve van het interne toezicht (artikel 171, WPO en artikel 103, WVO). De intern toezichthouder ziet toe op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, staat het bestuur met raad terzijde en legt hierover verantwoording af in het jaarverslag (artikel 17c, eerste lid en vijfde lid, WPO en artikel 24e1, eerste en vijfde lid, WVO, artikel 28i, eerste lid, Wec). De wet gaat er ook vanuit dat het samenwerkingsverband in het ondersteuningsplan duidelijk aangeeft wat de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten zijn van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging. Daarnaast verantwoordt het bestuur aan de ondersteuningsplanraad de beslissingen en het beleid dat het voorstaat (artikel 8, 11a en 14a van de WMS, artikel 17a, tweede lid WPO en artikel 24d, tweede lid WVO).

9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering

9.2.1. Herstelopdracht en herstelonderzoek

9.2.2. Herstel financieel beheer

9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging

9.3.2. Onderzoek bestuurlijk handelen

9.3.3. Escalatieteam ministerie en inspectie

9.3.4. Overige sancties

Basiskwaliteit

9.5. Verbeteren boven de basiskwaliteit

10. Stelseltoezicht

10.2. Stelselmonitoring

11. Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs

11.2. Waarderingskader swv passend onderwijs

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd (artikel 50, tweede en derde lid, WVO, BES). Dit beleid is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

11.3. Normering samenwerkingsverbanden

IV. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs

Missie: effectief toezicht voor beter onderwijs

1. Inleiding

1.1. Wettelijk kader middelbaar beroepsonderwijs

1.2. Deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

1.4. Werking en evaluatie

1.5. Opbouw en leeswijzer

2. Beter onderwijs, goed bestuur, passend toezicht

2.1. Uitgangspunten van het toezicht en rol van de toezichthouder

2.2.1. Waarborg: basiskwaliteit

2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit

Besturen hebben veel kennis en informatie over hun opleidingen, en opleidingen houden zelf veelsoortige informatie bij om zicht te houden op de eigen onderwijskwaliteit en hun financieel beheer. In ons toezicht sluiten we aan bij deze eigen informatie.

2.3. Ontwikkelingen binnen de sector

Te denken valt aan

2.3.2. Samenwerking beroepsonderwijs en bedrijfsleven

De meest recente versie van dit onderzoekskader is vastgesteld op 22 juni 2020 en treedt op 1 augustus 2020 in werking. Een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van de versie van 1 augustus 2019 vindt u op www.onderwijsinspectie.nl. Dit onderzoekskader is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl onder ‘ministeriële regelingen’.

3.4. Overige wettelijke vereisten

4. Normering en Oordeelsvorming

4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus

4.2. Normering standaarden

Onderwijsresultaten85Zie bijlage 1, Normering en beoordeling onderwijsresultaten. (OR)

4.4. Normering opleiding

4.6. Beoordeling kwaliteitsgebied Examinering en diplomering

4.7.1. Beoordelen naleven deugdelijkheidseisen

4.7.2. Waarderen eigen aspecten van kwaliteit

4.7.3. Omgevingsfactoren

4.7.4. Expertoordeel

5. Werkwijze toezicht op besturen en opleidingen

5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek

Het bestuur handelt volgens de Branchecode goed bestuur in het mbo en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur, waarin ieder vanuit zijn eigen rol werkt aan de versterking van de onderwijskwaliteit. Het bestuur en de opleiding werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel. Het stelsel van kwaliteitszorg en het onderwijskundig leiderschap zijn verankerd en herkenbaar in de organisatie. Op alle niveaus werkt men resultaatgericht, is men aanspreekbaar op gemaakte afspraken en wordt dit ook van anderen gevraagd.

Toelichting wettelijke eisen

5.2. Onderdelen vierjaarlijks onderzoek

Het bestuur en de opleiding leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.

5.2.2. Verificatieonderzoek

Toelichting wettelijke eisen

5.4. Stroomschema toezichtcyclus

6.1. Jaarlijkse prestatieanalyse

Toelichting wettelijke eisen

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we met behulp van het waarderingskader uit hoofdstuk 3 tot oordelen komen over de kwaliteit van het onderwijs en de examinering bij opleidingen, en over de kwaliteitszorg en het financieel beheer van de besturen.

4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus

4.2. Normering standaarden

4.3. Normering kwaliteitsgebieden

Het oordeel of de waardering op de standaarden leidt als volgt tot een oordeel op het niveau van de opleiding:

7.2. Voorbereiding100Als de instelling deelneemt in een samenwerkingscollege kunnen we ook (de opleidinge van) het samenwerkingscollege in de voorbereiding betrekken (zie paragraaf 11.7).

Resultaat: Expertanalyse als basis voor het bestuursgesprek.

7.2.2. Startgesprek met het bestuur

Vanaf augustus 2020 telt de hoogte van het examenresultaat voor een keuzedeel immers mee bij de slaag-/zakbeslissing voor studenten die op of na die datum starten met hun opleiding. Maar tot augustus 2021 richten we ons toezicht niet specifiek op de keuzedelen; we kijken wel of ze worden aangeboden, of de keuzedelen worden geëxamineerd en of het examenresultaat vanaf augustus 2020 meetelt bij de zak-/slaagbeslissing. Als er geen onderwijs in keuzedelen wordt aangeboden, dan is de standaard Onderwijsprogramma Onvoldoende. Worden de keuzedelen niet geëxamineerd of worden de examenresultaten van de keuzedelen niet betrokken bij de diplomering, dan leidt dat tot een Onvoldoende op de standaard Exameninstrumentarium. Wordt het resultaat niet betrokken bij de zak-/slaagbeslissing, dan wordt dit betrokken bij het oordeel op de standaard Kwaliteitsborging examinering en diplomering (ED1).

4.7.1. Beoordelen naleven deugdelijkheidseisen

5. Werkwijze toezicht op besturen en opleidingen

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

7.4.1. Rapport

7.4.3. Eindgesprek met het bestuur

Een bestuur kan bij het vierjaarlijks onderzoek een verzoek doen aan de inspectie om onderzoek uit te voeren bij opleidingen die volgens het bestuur goed zijn. We voeren het onderzoek uit bij een beperkt aantal opleidingen en daarbij geldt als voorwaarde dat het bestuur een zelfevaluatie heeft laten opstellen. Daarbij is het van belang dat de (zelf)evaluatie moet gaan over de belangrijkste elementen uit het waarderingskader, van recente datum moet zijn én op objectieve bronnen is gebaseerd. We beoordelen dan de feitelijke kwaliteit en vergelijken deze met het beeld dat het bestuur over de betreffende opleiding heeft. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van het waarderingskader.

7.5. Doorlooptijden

6. Monitor bestuur en opleidingen

8.1.1. Bestuursprofiel

8.1.2. Kwaliteitsprofiel opleidingen

Analysevraag: Zijn de risico’s van dien aard en/of omvang dat er aanleiding is voor een bestuursgesprek?

8.1.3. Ontwikkeling van kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

Het kwaliteitsonderzoek moet antwoord geven op de vraag of er sprake is van wettelijke tekortkomingen en of de opleiding en het bestuur dus voldoen aan de basiskwaliteit. De omvang van het onderzoek is afhankelijk van de informatie die het bestuur over de onderwijskwaliteit en/of de continuïteit kan geven. De selectie van te onderzoeken standaarden wordt daarop afgestemd. Als de Kwaliteitszorg met Voldoende of Goed is beoordeeld, kan een onderzoek naar risico’s bij opleidingen door het bestuur zelf worden uitgevoerd.

8.4. Publieksinformatie via de website

Als uit herstelonderzoek (hoofdstuk 9) is gebleken dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar als publieksinformatie via de website. In situaties dat het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een onderzoek uitvoert, worden bij voldoende kwaliteit de resultaten op de inspectiesite gemeld via een verwijzing naar de site van de instelling.

8.5. De Staat van het Onderwijs

9. Herstel en verbetering

9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend

Bijlage 1. Normering en beoordeling onderwijsresultaten

1. Standaard Studiesucces in bekostigd onderwijs

Voor de eerste drie indicatoren geldt een absolute norm, waarvan de hoogte na overleg met het onderwijsveld is vastgesteld op basis van percentiel dertig voor het oordeel Voldoende, en die is ingegaan op 1 augustus 2017 voor een periode van vier jaar. De waardering Goed bij hoge onderwijsresultaten wordt voor jaar- en diplomaresultaat bepaald op basis van percentiel tachtig. Voor startersresultaat geldt dan wederom percentiel dertig. De resultaten leiden tot een waardering Goed en een oordeel Voldoende of Onvoldoende op standaardniveau.

9.5. Verbeteren boven de basiskwaliteit

5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren

6. Studiesucces bij niet-bekostigde instellingen116Voor niet-bekostigde instellingen beoordelen we de standaard Vervolgsucces niet.

Bijlage 3. Waarderingskader vavo

Bijlage 4. Waarderingskader overige educatie

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

Bijlage 6. Waarderingskader exameninstellingen

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

1. Inleiding

Voor het niet-bekostigd onderwijs en het Nederlands onderwijs in het buitenland zijn separate onderzoekskaders opgesteld.

1.2. Deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit

Een school die niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot sanctionering en in laatste instantie tot ingrijpen door de Minister. Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de deugdelijkheidseisen zoals deze in de sectorwetten zijn vastgelegd worden nageleefd.

1.3. Object van toezicht en object van onderzoek

1.5. Opbouw en leeswijzer

2.1. Uitgangspunten van het toezicht en rol van de toezichthouder

2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit

In de eerste plaats hanteren we naast het oordeel Voldoende ook de waardering Goed. Bij de waardering Goed worden naast de deugdelijkheidseisen ook eigen aspecten van kwaliteit betrokken. Een gebrekkige realisatie van eigen kwaliteitsdoelen leidt daarentegen niet tot een oordeel Onvoldoende, maar tot de waardering Kan beter. We houden scholen/besturen een spiegel voor en laten zien in welke mate zij hun eigen doelen realiseren. Dit stimuleert scholen om verbeteringen op eigen wijze en binnen eigen kaders doelgericht vorm te geven.

3.2. Opbouw van het waarderingskader

3.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden

Ter verantwoording van de interpretatie van de basiskwaliteit geven we tot slot per standaard een toelichting op de wettelijke eisen die op de standaard van toepassing zijn.

3.3.1. Kwaliteitsgebied Onderwijsproces

Onderwijsproces (OP)

3.3.3. Kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten

3.3.4. Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie

4.3. Waardering eigen aspecten van kwaliteit

4.4. Normering kwaliteitsgebieden

Binnen de gebieden Onderwijsproces, Schoolklimaat en Onderwijsresultaten benoemen we zogenoemde kernstandaarden. Deze wegen meer in de beoordeling dan de andere standaarden bij een oordeel Onvoldoende of Voldoende. De kernstandaarden zijn Zicht op ontwikkeling, Didactisch handelen, Veiligheid en Leerresultaten.

4.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

4.7.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

4.7.3. Omgevingsfactoren

5. Werkwijze toezicht op besturen en scholen

Hiervoor hebben we beschreven waar we bij de uitvoering van het toezicht naar kijken (het waarderingskader in hoofdstuk 3) en hoe we dat beoordelen (hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk beschrijven we de hoofdlijnen van onze werkwijze. Deze is gebaseerd op twee pijlers: de jaarlijkse prestatieanalyse en het vierjaarlijks onderzoek. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk geven we dit schematisch weer.

5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek

5.2.3. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

5.4. Stroomschema toezichtcyclus

6. Monitor bestuur en scholen

6.2. Expertanalyse risico’s

7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

7.1. Doel en onderzoeksvragen

7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording

7.2.3. Onderzoeksplan

7.2.4. Presentatie door scholen

7.3.1. Onderzoek op schoolniveau

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

7.4.1. Rapport

8.1.4. Afspraken vervolgtoezicht

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

8.5. De Staat van het Onderwijs

Compliance assistance (hulp bij nalevingsvragen)

9. Herstel en verbetering

9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek

Er is geen eenduidige beslisregel voor de keuze van een scenario. Dit is onder meer afhankelijk van het aantal scholen en de omvang ervan onder een bestuur, de complexiteit (aantal sectoren) van het bestuur, de ernst en omvang van de tekortkomingen en de eventuele risico’s, de mate en snelheid van herstel van lopende toezichttrajecten, de toezichthistorie en de ontwikkeling van de kwaliteit en de kwaliteitszorg.

Bij grotere besturen kan het voorkomen dat bij het vierjaarlijks onderzoek niet alle scholen zijn onderzocht waar we risico’s vermoeden. In dat geval kunnen we (aanvullend) kwaliteitsonderzoek uitvoeren. Ook in dit geval is het oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur leidend voor het antwoord op de vraag welke rol het bestuur zelf krijgt bij het (aanvullend) onderzoek en de eventuele verbeteracties.

9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering

9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving

9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging

9.3.2. Onderzoek bestuurlijk handelen

10.1. Versterking relatie toezicht op instellingen en stelseltoezicht

10.2. Stelselmonitoring

10.3. Themakeuze en werkwijze

11. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

11.1. Speciaal Basisonderwijs

11.1.1. Aanpassing waarderingskader

11.1.2. Werkwijze

11.2.2. Werkwijze

11.3. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs

11.3.1. Toezicht op orthopedagogisch-didactische centra

11.4. Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie

De wijziging van de WOT en WPO per 1 augustus 2017 hebben gevolgen voor het toezicht op kinderopvang en vve. Op beide niveaus van toezicht (gemeenten en locaties) zien we aanleiding om aanpassingen te doen in het toezicht. Het streven is te komen tot een meer geïntegreerde uitvoering van het inspectietoezicht op de gemeenten. Ook streeft de inspectie bij het locatietoezicht naar effectieve en efficiënte samenwerking met gemeenten en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). De inspectie zal de mogelijkheden voor meer samenwerking en afstemming verkennen samen met de relevante partijen.

11.4.1. Toezicht op kinderopvang op gemeentelijk niveau

11.4.2. Toezicht op voor- en vroegschoolse educatie

11.4.3. Naleving wet- en regelgeving voorschoolse educatie

11.5. Onderwijs in Caribisch Nederland

11.5.1. Aanpassing waarderingskader

11.5.2. Werkwijze

Bijlage 1. Waarderingskader Speciaal basisonderwijs

Onderwijsproces (OP)

Schoolklimaat (SK)

Onderwijsresultaten (OR)

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

Financieel beheer (FB)

Bijlage 2. Waarderingskader Onderwijs aan nieuwkomers

Onderwijsproces (OP)

Schoolklimaat (SK)

Onderwijsresultaten (OR)

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

Financieel beheer (FB)

Bijlage 3. Waarderingskader samenwerkingsverbanden passend onderwijs

Onderwijsresultaten (OR)

Kwaliteitszorg en ambitie (KA)

Financieel beheer (FB)

Bijlage 4. Waarderingskader VVE gemeentelijk niveau

1. Gemeentelijk vve-beleid

1.1. Definitie doelgroepkind

1.2. Bereik

1.3. Toeleiding

1.4. Doorgaande lijn

1.5. Resultaten

1.6. Vve-coördinatie op gemeentelijk niveau

2. Vve-beleidscontext

2.1. Integraal vve-programma

2.2. Ouders

2.3. Externe zorg

2.4. Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen

2.5. Systematische evaluatie en verbetering van vve op gemeentelijk niveau

3. Vve-condities

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)