Besluit van 23 oktober 2017, houdende vaststelling van regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 314
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Bij beschikking of verordening van de Autoriteit kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, in afwijking van artikel 3.20, eerste of vierde lid, voor daarbij aangewezen specifieke radioactieve materialen, voor radioactieve materialen afkomstig van daarbij aangewezen specifieke soorten handelingen of voor materialen behorend tot een daarbij aangewezen specifieke categorie, specifieke vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, en het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10 in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

Artikel 3.22. (vrijgave radioactieve materialen, vervolg)
1.

Afdeling 3.2 is niet van toepassing op handelingen met radioactieve materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten welke het resultaat zijn van handelingen waarvoor een vergunning krachtens artikel 15 van de wet is vereist en waarbij natuurlijke radionucliden worden verwerkt vanwege hun eigenschappen als splijtstof of kweekstof, welke materialen bestemd zijn voor verwijdering, recycling of hergebruik, en het voorhanden hebben daarvan:

  • a. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, opgenomen vrijgavewaarde, of
  • b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende krachtens het derde lid vastgestelde vrijgavewaarde.
2.

Artikel 3.17, tweede lid, zesde lid en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

4.

Bij de vaststelling van de in het derde lid bedoelde vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden de algemene criteria voor kunstmatige radionucliden, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

Artikel 3.23. (vrijgave, verdunning of mengen)
1.

Het verdunnen of mengen van radioactieve stoffen of materialen met andere niet-radioactieve stoffen of materialen met het doel de radioactieve stoffen of materialen onder de desbetreffende vrijstellingswaarde of vrijgavewaarde te brengen, is verboden.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor verdunning of vermenging van stoffen of materialen bij een normale bedrijfsvoering bij processen waarbij radioactiviteit geen rol speelt.

3.

Bij beschikking of verordening van de Autoriteit kan voor specifieke omstandigheden de verdunning of vermenging van radioactieve stoffen of materialen met niet-radioactieve stoffen of materialen worden toegestaan met het oog op hergebruik of recycling.

§ 3.3.3. Categorieën vrijgestelde of vrijgegeven bronnen en handelingen

Artikel 3.24. (vrijgestelde en vrijgegeven bronnen en handelingen)
1.

Krachtens paragraaf 3.3.1, 3.3.2 of 10.2 vrijgestelde of vrijgegeven bronnen of handelingen omvatten mede bronnen en handelingen behorend tot een categorie als genoemd in het tweede of derde lid.

2.

Aanwijsinstrumenten als bedoeld in artikel 4.24 waaraan uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt, respectievelijk is, toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden, en waarvan het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, respectievelijk Pm-147, en er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten voorhanden zijn.

3.

Overige onder a tot en met d genoemde handelingen of blootstellingsituaties:

  • a. menselijke activiteiten met:
  • 1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of
  • 2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;
  • b. het lozen van radioactieve stoffen in de bodem als bedoeld in artikel 10.5, tweede lid, wanneer de in een kalenderjaar totaal geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6 REing als bedoeld in bijlage 2;
  • c. het lozen van productiewater bij mijnbouw als bedoeld in artikel 10.5, derde lid, indien dit geschiedt door middel van injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het water afkomstig is en op een zodanige wijze dat het water niet in andere watervoerende lagen terechtkomt;
  • d. handelingen met materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten, welke het resultaat zijn van het mengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.7, zesde lid.
Artikel 3.25. (aanwijzing vrijgestelde of vrijgegeven bronnen en handelingen)

Artikel 3.4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van bronnen of handelingen behorend tot een bij of krachtens afdeling 3.3 vrijgestelde of vrijgegeven categorie.

Hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties

Afdeling 4.1. Algemene regels voor bronnen en handelingen

Artikel 4.1. (waarschuwingssignalering)
1.

Een ondernemer zorgt ervoor dat, in situaties waar ten gevolge van een handeling een in artikel 7.3 of 9.1 genoemde dosislimiet kan worden overschreden, op daarvoor geschikte plaatsen doelmatige en duidelijke waarschuwingsborden of waarschuwingstekens en opschriften worden aangebracht.

2.

Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het model, de opschriften en de minimale grootte van de waarschuwingsborden of waarschuwingstekens en waar en op welke wijze deze moeten worden aangebracht.

Artikel 4.2. (administratie en dossiers bronnen)
1.

Een ondernemer houdt van alle bronnen waarvoor hij verantwoordelijk is dossiers bij waarin ten minste worden bijgehouden gegevens met betrekking tot:

  • a. het type, aard en plaats van de bron;
  • b. de wijze van toepassing ervan, en
  • c. de wijze van overdracht van de bron of het zich ontdoen ervan na beëindiging van het gebruik.
2.

De ondernemer die handelingen met de bron verricht, houdt een administratie bij van die handelingen.

3.

De administratie en dossiers als bedoeld in het eerste en tweede lid worden ondergebracht in een beheersysteem.

4.

De administratie bevat ten minste:

  • a. de naam van de rechtspersoon en van de verantwoordelijke stralingsbeschermingsdeskundige en toezichthoudend medewerker stralingsbescherming;
  • b. de plaats waar de handelingen worden verricht;
  • c. een omschrijving van de aard en de omvang van de handelingen; en
  • d. de beoordeling van de risico’s, bedoeld in artikel 7.1.
5.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid, waaronder de bewaartermijnen van de administratie en de dossiers.

Artikel 4.3. (administratie industriële radiografie)
1.

De ondernemer die op wisselende plaatsen handelingen verricht ten behoeve van industriële radiografie, houdt per locatie een administratie bij van die handelingen.

2.

Een administratie als bedoeld in het eerste lid wordt ondergebracht in een beheersysteem.

3.

De ondernemer die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, bewaart de gegevens waaruit die administratie bestaat gedurende een periode van ten minste drie jaar na het kalenderjaar waarop deze gegevens betrekking hebben.

4.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de administratie.

5.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien het aantal tevoren geschatte opnamen per locatie per kalenderjaar minder dan 100 bedraagt.

Artikel 4.4. (algemene verplichtingen ondernemer)
1.

De ondernemer stelt, na raadpleging van een stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming, maatregelen vast om schade tegen te gaan en zorgt ervoor dat deze worden uitgevoerd.

2.

De ondernemer zorgt er ten aanzien van bronnen, beveiligingsmiddelen en meetinstrumenten waarvoor hij verantwoordelijk is, voor dat:

  • a. daaraan het noodzakelijke onderhoud wordt verricht;
  • b. de noodzakelijke maatregelen worden genomen om inadequate of defecte onderdelen daarvan te verbeteren of te vervangen, en
  • c. indien nodig, tot buitengebruikstelling van een bron wordt overgegaan.
3.

De ondernemer zorgt ervoor dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen dat een bron zoekraakt, wordt ontvreemd of ongewild wordt verspreid en neemt, indien zich een zodanige situatie voordoet, alle noodzakelijke maatregelen om de bron weer onder zijn controle of beheer te brengen en een eventuele besmetting te verwijderen of verdere blootstelling van personen te voorkomen.

4.

De ondernemer zorgt ervoor dat bronnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, beveiligd zijn tegen brand.

5.

Regels als bedoeld in dit hoofdstuk gelden onverminderd het bepaalde bij en krachtens de hoofdstukken 7 en 8 met betrekking tot bronnen en de betrokkenheid van een stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming bij handelingen met die bronnen.

6.

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot de bronnen waarvoor hij verantwoordelijk is voldaan wordt aan bij verordening van de Autoriteit gestelde nadere regels met betrekking tot de eisen waaraan degene die een handeling verricht met een bron moet voldoen.

Afdeling 4.2. Toestellen en versnellers

Artikel 4.5. (verplichtingen ondernemer toestellen en versnellers)

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot toestellen en versnellers waarvoor hij verantwoordelijk is voldaan wordt aan de bij verordening van de Autoriteit gestelde regels met betrekking tot:

  • a. het testen van een toestel of versneller voor de ingebruikname daarvan;
  • b. de afscherming van een toestel of versneller tegen ioniserende straling;
  • c. de opstelling van een toestel of versneller en de bijbehorende hulpmiddelen en beveiligingsmiddelen;
  • d. de werkwijze van een toestel of versneller;
  • e. maatregelen ter voorkoming van gebruik van een toestel of versneller door onbevoegden;
  • f. de controle op de werking van een toestel of versneller; en
  • g. het omgevingsdosisequivalenttempo dat een toestel of versneller mag veroorzaken.

Afdeling 4.3. Radioactieve stoffen

§ 4.3.1. Algemeen

Artikel 4.6. (bergplaats radioactieve stoffen)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat wanneer open en ingekapselde bronnen niet worden gebruikt, deze worden opgeborgen in een daartoe geschikte bergplaats.

2.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daartoe kunnen behoren regels die een vrijstelling inhouden of een bevoegdheid tot ontheffingverlening met het oog op gevallen waarin redelijkerwijs niet aan het eerste lid kan worden voldaan.

Artikel 4.7. (beveiliging radioactieve stoffen)
1.

De ondernemer zorgt in gevallen, behorend tot een bij regeling van Onze Minister aangewezen categorie, voor een beveiligingsplan waarin wordt beschreven welke voorzieningen met betrekking tot de beveiliging van een bron zijn getroffen.

2.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, staat in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1. Bij verordening van de Autoriteit kunnen afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit van het beveiligingsplan en de wijze van uitvoering ervan worden gesteld. Deze eisen kunnen een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten.

3.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming en beveiliging nadere regels worden gesteld ten aanzien van het beveiligingsplan en de beveiliging van het voorhanden hebben van radioactieve stoffen, bestemd voor handelingen waarvoor krachtens de wet of dit besluit een vergunning is vereist.

§ 4.3.2. Ingekapselde bronnen

Artikel 4.8. (algemene eisen ingekapselde bronnen)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot ingekapselde bronnen voldaan wordt aan de bij verordening van de Autoriteit gestelde regels.

2.

Hiertoe behoren in ieder geval regels met betrekking tot:

  • a. maatregelen bij de binnenkomst van de bron op de locatie;
  • b. eisen aan de constructie en verpakking van de bron;
  • c. maatregelen ter voorkoming van gebruik van een bron door onbevoegden;
  • d. de controle op de werking van een bron;
  • e. het omgevingsdosisequivalenttempo dat een bron mag veroorzaken; en
  • f. het verrichten van een lek- of besmettingstest.

§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen

Artikel 4.9. (kennisgeving overdracht hoogactieve bronnen en overige ingekapselde bronnen)
1.

Van iedere overdracht van een hoogactieve bron wordt op een bij verordening van de Autoriteit te bepalen wijze kennisgegeven aan de Autoriteit.

2.

Bij verordening van de Autoriteit kan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid tot andere daarbij aangewezen ingekapselde bronnen indien dat noodzakelijk wordt geacht met het oog op de stralingsbescherming.

3.

Bij de verordening kunnen regels worden gesteld omtrent de kennisgeving en het systeem van registratie en het bijhouden van de kennisgevingen.

Artikel 4.10. (codering en markering hoogactieve bronnen)
1.

De fabrikant graveert in of stempelt op elke door hem gefabriceerde hoogactieve bron een code die als volgt is samengesteld:

  • a. de aanduiding: NL;
  • b. gevolgd door een aan de fabrikant door de Autoriteit toegekende vaste code;
  • c. gevolgd door een door de fabrikant te bepalen, voor de bron onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.
2.

Een aanvraag om de toekenning van de in het eerste lid, onder b, bedoelde code wordt ingediend bij de Autoriteit. De aanvraag bevat de nummers van de krachtens artikel 15, onder a, of 29, eerste lid, van de wet, aan de aanvrager verleende vergunningen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de afmeting van de bron voor de in dat lid bedoelde handeling te klein is.

4.

De fabrikant graveert de in het eerste lid bedoelde code tevens in de bronhouder van de desbetreffende bron of stempelt die code op die bronhouder.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing indien de afmeting van de bronhouder voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is, of indien de bronhouder bedoeld is voor hergebruik als behuizing van een bron. In dat laatste geval brengt de fabrikant informatie over ten minste de aard van de hoogactieve bron aan op, of aan, de bronhouder.

6.

De fabrikant brengt op, of aan, de broncontainer informatie aan over de aard van de hoogactieve bron.

7.

De fabrikant van een hoogactieve bron zorgt ervoor dat:

  • a. de bron wordt vergezeld van:
  • 1°. schriftelijke informatie die bevestigt dat de bron voldoet aan het eerste lid en aan de krachtens artikel 4.1, tweede lid, met betrekking tot de bron of de bronhouder gestelde regels;
  • 2°. kleurenfoto’s van het ontwerp van de bron en de bijbehorende bronhouder, en, voor zover van toepassing, van het ontwerp van de bijbehorende broncontainer en de bijbehorende apparatuur;
  • b. de onder a bedoelde informatie en foto’s bij de levering van de bron worden verstrekt aan degene aan wie die bron wordt geleverd;
  • c. de in het eerste en vierde lid bedoelde code en de krachtens artikel 4.1, tweede lid, op de bron, bronhouder of broncontainer aangebrachte waarschuwingstekens en opschriften zo goed mogelijk leesbaar blijven.
Artikel 4.11. (codering en markering bronhouder)
1.

De leverancier graveert in, of stempelt op, de bronhouder van elke door hem te leveren hoogactieve bron een code die als volgt is samengesteld:

  • a. de aanduiding: NL,
  • b. gevolgd door een aan de leverancier door de Autoriteit toegekende vaste code,
  • c. gevolgd door een door de leverancier te bepalen voor de bron onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

  • a. op de bronhouder van een hoogactieve bron reeds de in artikel 4.10, eerste lid, bedoelde code, of een andere unieke code in Romeinse letters of Arabische cijfers is aangebracht;
  • b. de afmeting van de bronhouder voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is, of deze houder bedoeld is voor hergebruik als behuizing van een bron.
3.

In het in het tweede lid, onder b, bedoelde geval is artikel 4.10, vijfde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.

4.

Artikel 4.10, tweede, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «fabrikant» steeds wordt gelezen: leverancier.

Artikel 4.12. (verplichtingen ondernemer codering en markering)

Artikel 4.10, tweede, zesde en zevende lid, onderdelen a en c, en artikel 4.11, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de ondernemer die een handeling verricht met een hoogactieve bron, met dien verstande dat voor «fabrikant» en «leverancier» steeds wordt gelezen: ondernemer.

Artikel 4.13. (controle en beheer hoogactieve bronnen)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat door middel van passende tests, zoals lektests, op basis van internationale normen, de integriteit van hoogactieve bronnen door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige of een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming in elk geval op de volgende momenten wordt gecontroleerd:

  • a. ten minste eenmaal per jaar, en
  • b. na elke gebeurtenis waarbij de bron of bronhouder beschadigd is of kan zijn.
2.

De ondernemer zorgt er ten aanzien van een hoogactieve bron en haar toebehoren voor dat, door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige of een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming:

  • a. wordt gecontroleerd of de bron en in voorkomend geval de uitrusting die de bron bevat, feitelijk aanwezig is op de plaats waar deze wordt toegepast of is opgeslagen:
  • 1°. elke drie maanden, indien de bron minder dan eens per drie maanden wordt toegepast;
  • 2°. eenmaal per jaar, indien de bron een keer of meer dan een keer per drie maanden wordt toegepast;
  • b. eenmaal per jaar wordt gecontroleerd of de bron en de bronhouder nog in goede staat zijn.
3.

De ondernemer:

  • a. zorgt ervoor dat ten aanzien van elke vast opgestelde of mobiele hoogactieve bron schriftelijke instructies worden vastgesteld ter voorkoming van ongeoorloofde toegang tot de bron, verlies of diefstal van de bron of beschadiging van de bron door brand;
  • b. stelt de Autoriteit overeenkomstig artikel 6.3 onmiddellijk in kennis van verlies, diefstal, lekkage of ongeoorloofd gebruik van een bron, en
  • c. laat na elke gebeurtenis, inclusief brand, waarbij de bron beschadigd kan zijn, de integriteit van elke bron controleren en informeert de Autoriteit indien een van de genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan en over de genomen maatregelen.
4.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

Artikel 4.14. (voorlichting en instructie)
1.

Onverminderd artikel 7.28 zorgt de ondernemer ervoor dat degene die een handeling met een hoogactieve bron verricht, en degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt, is voorgelicht en geïnstrueerd over:

  • a. de voorschriften voor het veilig beheer van hoogactieve bronnen;
  • b. de noodzakelijke veiligheidsvoorschriften, en
  • c. de mogelijke gevolgen van het wegvallen van een passende controle op hoogactieve bronnen.
2.

De in het eerste lid genoemde onderwerpen worden beschreven. Deze documentatie wordt ter beschikking gesteld aan degene die een handeling met een hoogactieve bron verricht en aan degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt.

3.

Voorlichting en instructies als bedoeld in het eerste lid worden ten minste elke twee jaar herhaald.

Artikel 4.15. (financiële zekerheid hoogactieve bronnen)
1.

De ondernemer stelt financiële zekerheid ter dekking van de kosten van het nakomen van de voor hem geldende verplichtingen met betrekking tot het veilig afvoeren van een afgedankte hoogactieve bron voor het geval:

  • a. hij failliet gaat of anderszins zijn bedrijfsactiviteiten beëindigt, of
  • b. degene met wie een overeenkomst was gesloten om de afgedankte hoogactieve bron af te nemen, niet meer tot die afname in staat is.
2.

De financiële zekerheid wordt gesteld op een of meer van de volgende wijzen:

  • a. een borgtocht of een bankgarantie;
  • b. het sluiten van een verzekeringsovereenkomst;
  • c. het deelnemen aan een daartoe ingesteld fonds dat naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt, of
  • d. het treffen van enige andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt.
3.

Bij regeling van Onze Minister wordt een minimumbedrag vastgesteld waarvoor per volume-eenheid af te voeren bron, de daarbij behorende bronhouder en de vaste afscherming financiële zekerheid wordt gesteld.

4.

De financiële zekerheid wordt gesteld ten behoeve van de Staat der Nederlanden.

Artikel 4.16. (financiële zekerheid hoogactieve bronnen, vervolg)

De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot het moment waarop de hoogactieve bron waarvoor de financiële zekerheid wordt gesteld, door de ondernemer:

  • a. wordt overgedragen aan een andere ondernemer die met betrekking tot die bron de vereiste financiële zekerheid heeft gesteld;
  • b. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 10.6, zesde lid, erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, of
  • c. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 10.6, zevende lid, daartoe aangewezen instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.
Artikel 4.17. (informatie en financiële zekerheid hoogactieve bron)
1.

De ondernemer verstrekt voordat hij een hoogactieve bron verwerft, aan de Autoriteit:

  • a. informatie over het volume van de verworven bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
  • c. schriftelijk bewijs van de overeenkomst die met de leverancier of fabrikant van de bron is gesloten ten aanzien van:
  • 1°. de overbrenging van de niet meer in gebruik zijnde bron naar de leverancier, fabrikant of andere ondernemer die bevoegd is de bron te ontvangen, of
  • 2°. de plaatsing van de niet meer in gebruik zijnde bron in een voorziening voor opslag of verwijdering.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de daarin bedoelde gegevens reeds bij een aanvraag om een vergunning voor de desbetreffende bron of handeling zijn verstrekt.

3.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

Artikel 4.18. (hoogactieve bronnen, bijhouden dossier door de ondernemer)
1.

In afwijking van artikel 4.2 legt de ondernemer die de beschikking krijgt over een hoogactieve bron onmiddellijk na de verwerving daarvan het in dat artikel bedoelde dossier aan van die bron, en houdt daarin de informatie bij als bedoeld in, en overeenkomstig het model van het informatieformulier, opgenomen in bijlage 5.

2.

De ondernemer stelt een schriftelijke of digitale kopie van de door hem beheerde dossiers ter beschikking aan de Autoriteit:

  • a. onmiddellijk na het aanleggen van een dossier;
  • b. op de bij verordening van de Autoriteit bepaalde vaste data;
  • c. bij wijziging van de op het informatieformulier beschreven situatie;
  • d. op een daartoe strekkend verzoek van de Autoriteit;
  • e. bij het afsluiten van het dossier voor een bron, wanneer de ondernemer deze niet langer in zijn bezit heeft, waarbij de naam en het adres worden vermeld van:
  • 1°. de onderneming waaraan de bron is overgedragen, en
  • 2°. de voorziening voor opslag of verwijdering waaraan de bron is overgedragen;
  • f. bij het afsluiten van het dossier, als de ondernemer geen bronnen meer in zijn bezit heeft.
3.

De krachtens artikel 58, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren hebben te allen tijde toegang tot en inzage in de dossiers.

4.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het eerste en tweede lid, waaronder de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

Artikel 4.19. (hoogactieve bronnen, register)
1.

De Autoriteit houdt een register bij van alle ondernemers die op grond van artikel 3.5 een vergunning hebben voor het uitvoeren van handelingen met hoogactieve bronnen en van de hoogactieve bronnen waar zij over beschikken.

2.

In het register worden, naast gegevens omtrent de ondernemer en de vergunning, de volgende gegevens omtrent de bron opgenomen:

  • a. het soort radionuclide;
  • b. de activiteit op het moment van productie, of, indien deze onbekend is,
  • c. de activiteit op het tijdstip waarop de bron voor het eerst op de markt is gebracht of door de ondernemer is verworven, en
  • d. het type bron.
3.

De Autoriteit houdt het register bij op basis van de hem bekende gegevens, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.18.

4.

Het register staat ter beschikking aan krachtens artikel 58, eerste lid, van de wet, aangewezen ambtenaren.

§ 4.3.4. Open bronnen

Artikel 4.20. (besmettingscontrole ruimten; handelingen met open bronnen)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat ruimten en plaatsen waar handelingen met open bronnen worden verricht, de inrichting daarvan of daarin gebruikte voorwerpen, regelmatig volgens door hem schriftelijk vastgestelde procedures op basis van internationale normen worden gecontroleerd op besmetting.

2.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van daarbij aangewezen handelingen met open bronnen, waaronder regels met betrekking tot de frequentie en de uitvoering van de controles, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.3.5. Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal

Artikel 4.21. (regels m.b.t. handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)
1.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van daarbij aangewezen handelingen met van nature voorkomende radionucliden waarvoor op grond van afdeling 3.2 een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist.

2.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het hergebruik van producten of materialen of de opslag van afval afkomstig van handelingen met van nature voorkomende radionucliden, voor categorieën van gevallen waarin de activiteitsconcentratie van de betrokken van nature voorkomende radionucliden hoger is dan de desbetreffende krachtens artikel 3.20 of 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.

Afdeling 4.4. Overige algemene regels

§ 4.4.1. Algemene regels consumentenproducten

Artikel 4.22. (consumentenproducten, gegevensverstrekking)
1.

Een ondernemer die consumentenproducten wil vervaardigen of deze binnen Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, waarvan het beoogde gebruik kan leiden tot een nieuwe categorie of soort handelingen, verstrekt aan de Autoriteit de met het oog op rechtvaardiging benodigde gegevens met betrekking tot:

  • a. het beoogde gebruik van het consumentenproduct;
  • b. de technische kenmerken van het consumentenproduct;
  • c. de middelen om de bron vast te zetten in geval van consumentenproducten die radioactieve stoffen bevatten;
  • d. dosistempo’s op relevante afstanden voor het gebruik van het consumentenproduct, met inbegrip van dosistempo’s op 0,1 m van enig toegankelijk oppervlak, en
  • e. de verwachte doses voor regelmatige gebruikers van het product.
2.

Bij de beoordeling met het oog op rechtvaardiging wordt in het bijzonder gelet op de vereisten dat:

  • a. de prestaties van het consumentenproduct het beoogde gebruik ervan rechtvaardigen;
  • b. het ontwerp volstaat om blootstellingen bij normaal gebruik en de kans op en de gevolgen van misbruik of toevallige blootstellingen te minimaliseren, dan wel of voorwaarden moeten worden opgelegd met betrekking tot de technische en fysieke eigenschappen van het product;
  • c. het consumentenproduct qua ontwerp voldoet aan de vrijstellingscriteria, bedoeld in paragraaf 3.3.1, en in voorkomend geval, of het van een erkend type is en geen specifieke voorzorgsmaatregelen vereist zijn voor de verwijdering ervan wanneer het niet langer in gebruik is, en
  • d. het consumentenproduct van een correct etiket is voorzien en er passende documentatie aan de klant is verstrekt met instructies voor een correct gebruik en verwijdering.
3.

Indien een verzoek met gegevens als bedoeld in het eerste lid is ontvangen wordt dit door de Autoriteit medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten van de Europese Unie. Op verzoek wordt voorts mededeling gedaan van de beslissing omtrent rechtvaardiging en de daaraan ten grondslag liggende redenen.

4.

Het aan consumenten verkopen of ter beschikking stellen van consumentenproducten waarvan het gebruik niet is gerechtvaardigd of die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling als bedoeld in paragraaf 3.3.1 is verboden.

5.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot vereisten voor handelingen met gerechtvaardigde consumentenproducten als bedoeld in het tweede lid. Daartoe kunnen in elk geval behoren regels met betrekking tot het gebruik en de verwijdering van die producten.

§ 4.4.2. Algemene regels aanwijsinstrumenten

Artikel 4.23. (verbod toevoeging radionucliden – aanwijsinstrumenten)

In afwijking van het in artikel 3.5, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, derde lid, onder c, bedoelde verbod, op het zonder of in strijd met een vergunning toevoegen van radioactieve stoffen aan consumentenproducten, is het verboden:

  • a. voor verlichtingsdoeleinden radionucliden toe te voegen aan een aanwijsinstrument;
  • b. handelingen te verrichten met een aanwijsinstrument waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd.
Artikel 4.24. (specifieke vrijstelling van verbod – aanwijsinstrumenten)
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 4.23, is niet van toepassing voor zover:

  • a. het product een aanwijsinstrument betreft;
  • b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is of wordt toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden;
  • c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, onderscheidenlijk Pm-147;
  • d. het aanwijsinstrument voldoet aan in het belang van de bescherming tegen ioniserende straling bij verordening van de Autoriteit gestelde regels met betrekking tot de constructie;
  • e. op het aanwijsinstrument de bij verordening van de Autoriteit aangewezen merk- of waarschuwingstekens zijn aangebracht;
  • f. herstel- en onderhoudswerkzaamheden aan het aanwijsinstrument worden verricht overeenkomstig de bij verordening van de Autoriteit vastgestelde regels, en
  • g. er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is toegevoegd, voorhanden zijn.
2.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 4.23 en het eerste lid.

Artikel 4.25. (verbod voorhanden hebben aanwijsinstrumenten; ontheffing Defensie)
1.

Het is verboden buiten Nederland vervaardigde aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, voorhanden te hebben met het doel deze binnen Nederland in de handel te brengen, indien deze instrumenten niet voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 4.23 en 4.24 gestelde regels.

2.

Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid en artikel 4.23 gestelde verboden indien het aanwijsinstrumenten betreft waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd en die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de krijgsmacht onder operationele omstandigheden.

3.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot aanwijsinstrumenten.

§ 4.4.3. Algemene regels niet-medische beeldvorming

Artikel 4.26. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming)
1.

De Autoriteit inventariseert handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming die leiden tot blootstelling.

2.

Bij de inventarisatie van handelingen waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt wordt in het bijzonder gelet op de volgende handelingen:

  • a. radiologische keuringen, onder andere bij aanstelling, immigratie of verzekering;
  • b. radiologisch onderzoek met betrekking tot de fysieke ontwikkeling van kinderen en adolescenten, met het oog op een loopbaan;
  • c. radiologische leeftijdsbepaling;
  • d. het gebruik van ioniserende straling voor het opsporen van verborgen voorwerpen in het menselijk lichaam.
3.

Bij de inventarisatie van handelingen waarbij geen medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt wordt in het bijzonder gelet op:

  • a. gebruik van ioniserende straling voor het opsporen van verborgen voorwerpen aan of op het menselijk lichaam;
  • b. het gebruik van ioniserende straling bij controles van vracht en laadruimten voor het opsporen van verstekelingen;
  • c. het gebruik van ioniserende straling voor wettelijke of beveiligingsdoeleinden.
4.

Onverminderd artikel 2.4 wordt elke procedure van individuele niet-medische beeldvorming gerechtvaardigd met inachtneming van de specifieke doelstellingen van die procedure en de kenmerken van de betrokken persoon.

5.

De generieke en specifieke rechtvaardiging van handelingen met blootstelling bij niet-medische beeldvorming kan worden herzien overeenkomstig artikel 2.3.

6.

De omstandigheden voor blootstelling bij niet-medische beeldvorming worden regelmatig door de ondernemer geëvalueerd.

Artikel 4.27. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, vervolg)
1.

Gerechtvaardigde handelingen met blootstelling bij niet-medische beeldvorming, waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt, kunnen bij regeling van Onze Minister worden vrijgesteld van:

  • a. dosisbeperkingen voor blootstelling van een lid van de bevolking, opgenomen in artikel 9.5;
  • b. dosislimieten voor blootstelling van een lid van de bevolking, opgenomen in artikel 9.1.
2.

De Autoriteit stelt bij verordening of beschikking regels of voorschriften vast voor handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, met inbegrip van criteria voor de individuele toepassing.

3.

Bij procedures waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt zorgt de ondernemer voor:

  • a. naleving van de relevante bepalingen inzake medische blootstelling als bedoeld in hoofdstuk 8, waaronder in elk geval worden begrepen de bepalingen met betrekking tot:
  • 1°. de apparatuur;
  • 2°. optimalisatie;
  • 3°. de verantwoordelijkheden;
  • 4°. de opleidingsvereisten;
  • 5°. bijzondere bescherming tijdens zwangerschap;
  • b. een passende betrokkenheid van een klinisch fysicus;
  • c. het toepassen van specifieke protocollen al naar gelang het doel van de blootstelling en de vereiste beeldkwaliteit;
  • d. het voldoen aan de op grond van artikel 4.28 vastgestelde specifieke diagnostische referentieniveaus, indien redelijkerwijs uitvoerbaar.
4.

Voor procedures waarbij geen medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt zorgt de ondernemer ervoor dat de dosisbeperkingen zo ruim mogelijk onder de dosislimieten voor blootstelling van leden van de bevolking, opgenomen in artikel 9.1, liggen.

5.

De ondernemer zorgt ervoor dat adequate informatie wordt verstrekt aan, en toestemming wordt gevraagd aan een persoon die de blootstelling zal ondergaan.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover in het kader van de rechtshandhaving een instemming niet bij of krachtens de wet wordt vereist.

Artikel 4.28. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, vervolg)

Bij regeling van Onze Minister kunnen specifieke diagnostische referentieniveaus voor de in artikel 4.27 bedoelde handelingen worden vastgesteld.

Afdeling 4.5. Meet- en rekenmethoden

Artikel 4.29. (meet- en rekenmethoden)
1.

Bij verordening van de Autoriteit worden methoden aangewezen of vastgesteld:

  • a. ter bepaling van de omgevingsdosisequivalenten;
  • b. ter bepaling van de equivalente en de effectieve doses, met inachtneming van passende standaardwaarden en standaardrelaties;
  • c. ter bepaling van de waarden voor de activiteitsconcentratie en de totale activiteit of de waarden voor de activiteit per oppervlakte-eenheid ten gevolge van radionucliden;
  • d. betreffende de aanwijzing van radionucliden die bij de toetsing van van nature voorkomende radionucliden zijn vrijgesteld van sommatie;
  • e. voor de bepaling van de activiteitsconcentratie, de activiteit per oppervlakte-eenheid en de totale activiteit voor radionucliden.
2.

Bij de verordening kunnen in elk geval:

  • a. methoden worden aangewezen voor de wijze waarop de in het eerste lid, onder b, bedoelde doses worden getoetst aan de in dit besluit opgenomen dosislimieten, dosisbeperkingen of referentieniveaus;
  • b. regels worden gesteld voor de meetmethoden van activiteiten, activiteitsconcentratie of activiteit per oppervlakte-eenheid.
3.

Ter bepaling van doses worden alle effectieve of equivalente doses gesommeerd die een persoon ontvangt ten gevolge van handelingen waarop dit besluit, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen of een ander besluit dat betrekking heeft op handelingen met een risico op blootstelling aan ioniserende straling, van toepassing is, met uitzondering van medisch-radiologische procedures.

4.

Ten behoeve van de toetsing aan waarden voor de activiteitsconcentratie, de totale activiteit of de waarden voor de activiteit per oppervlakte-eenheid ten gevolge van radionucliden, worden alle activiteiten die zich op enig moment binnen een locatie bevinden of worden geloosd, gewogen en gesommeerd overeenkomstig de methoden, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid.

5.

In afwijking van het vierde lid worden de activiteiten of activiteitsconcentratie in natuurlijke bronnen niet gesommeerd met de activiteiten of activiteitsconcentratie in kunstmatige bronnen.

Hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid

§ 5.1. Informatie

Artikel 5.1. (transparantie)
1.

Onze Ministers die het aangaat en de Autoriteit zorgen ervoor dat aan leden van de bevolking, ondernemers, werknemers alsmede patiënten en andere personen die medische blootstelling ondergaan, informatie ter beschikking wordt gesteld met betrekking tot:

  • a. categorieën of soorten handelingen die gerechtvaardigd zijn overeenkomstig de paragrafen 2.1 en 2.2;
  • b. de regelgeving met betrekking tot bronnen en stralingsbescherming.
2.

De informatie wordt ter beschikking gesteld overeenkomstig de vereisten van nationaal en internationaal recht, tenzij dat strijdig zou zijn met een nationaal of internationaal erkend belang, waaronder in ieder geval worden begrepen de belangen inzake veiligheid en beveiliging.

Artikel 5.2. (informatie over apparaten en toestellen)
1.

Degene die apparatuur die radioactieve bronnen bevat, of een toestel of versneller waardoor ioniserende straling wordt uitgezonden of kan worden uitgezonden op de markt brengt of overdraagt aan een ondernemer zorgt ervoor dat aan de ondernemer aan wie een toestel of versneller wordt overgedragen passende voorlichting wordt verstrekt over de mogelijke radiologische gevaren en het juiste gebruik ervan alsmede het testen en het onderhoud ervan, met inbegrip van een document waaruit blijkt dat het ontwerp het mogelijk maakt de blootstelling te beperken tot een niveau dat zo laag als redelijkerwijs mogelijk is.

2.

Onverminderd het eerste lid, zorgt degene die medisch-radiologische apparatuur, toestellen of versnellers op de markt brengt of overdraagt aan een andere ondernemer er overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Besluit medische hulpmiddelen voor, dat aan elke ondernemer aan wie de overdracht plaatsvindt passende voorlichting wordt verstrekt over de risicobeoordeling voor patiënten, en over de beschikbare elementen van de klinische evaluatie.

3.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 5.3. (informatie radon in woningen en andere gebouwen)
1.

Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat zorgen ervoor dat lokaal en nationaal informatie beschikbaar is over:

  • a. de blootstelling aan radon in woningen en andere gebouwen en de bijbehorende gezondheidsrisico’s;
  • b. over het belang van radonmetingen, en
  • c. over de beschikbare technische middelen om bestaande radonconcentraties terug te dringen.
2.

De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding en uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.

§ 5.2. Diensten en deskundigen

Artikel 5.4. (stralingsbeschermingsdeskundige)
1.

Ten aanzien van de stralingsbeschermingsdeskundige zijn naast de algemene bepalingen van deze paragraaf de specifieke bepalingen van de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 van toepassing.

2.

De ondernemer die een handeling uitvoert of laat uitvoeren waarvoor een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist, zorgt ervoor dat een stralingsbeschermingsdeskundige hem adviseert over, dan wel toezicht uitoefent op, de naleving van de bij of krachtens de wet en dit besluit gestelde regels en voorschriften met betrekking tot die handeling, indien deze beroepsmatige blootstelling of blootstelling van een lid van de bevolking met zich brengt of kan brengen. De eerste volzin is mede van toepassing op een maatregel of blootstellingsituatie waarvoor een kennisgeving is vereist.

3.

Ten aanzien van handelingen als bedoeld in het tweede lid is deskundigheid vereist overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgesteld passend niveau, welke in verhouding staat tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s.

4.

Bij de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de passende niveaus van deskundigheid, bedoeld in dat lid.

5.

Aan een stralingsbeschermingsdeskundige kan door een in artikel 58 van de wet aangewezen ambtenaar worden opgedragen om werknemers en leden van de bevolking te beschermen tegen ioniserende straling.

Artikel 5.5. (erkenning stralingsbeschermingsdeskundige)
1.

De ingevolge dit besluit door een stralingsbeschermingsdeskundige te verrichten taken worden uitsluitend uitgevoerd door een persoon die als een zodanige deskundige voor de uitvoering van de betrokken taken op aanvraag door de Autoriteit is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet.

2.

Een inschrijving als bedoeld in het eerste lid geldt als erkenning in de zin van artikel 79, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de richtlijn.

3.

Bij regeling van Onze Ministers worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden waaraan moet worden voldaan om als stralingsbeschermingsdeskundige in het register te worden ingeschreven. De eisen kunnen verschillen voor de verschillende niveaus van deskundigheid, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, afhankelijk van de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige, of de specifieke toepassing. Bij de regeling worden tevens eisen gesteld met betrekking tot de herregistratie. Daartoe kunnen behoren eisen met betrekking tot het volgen van opleidingen.

4.

Bij verordening van de Autoriteit worden regels gesteld omtrent:

  • a. de wijze van inschrijving;
  • b. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving worden verstrekt, waaronder in elk geval kan worden verstaan een diploma van een erkende instelling als bedoeld in artikel 5.11 met betrekking tot een opleiding tot coördinerend deskundige of algemeen coördinerend deskundige als bedoeld in artikel 7b van het Besluit stralingsbescherming, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.
5.

Een inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald, indien niet of niet volledig voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet of dit besluit gestelde eisen, met dien verstande dat alvorens een inschrijving wordt geweigerd of doorgehaald de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een daarbij gestelde redelijke termijn aan te tonen dat alsnog aan de eisen wordt voldaan.

6.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot een inschrijving als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.6. (inschrijving persoon als stralingsbeschermingsdeskundige bij voldoen aan erkende EU-beroepskwalificaties)
1.

De Autoriteit schrijft op aanvraag een persoon die onderdaan is van een betrokken staat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, als stralingsbeschermingsdeskundige in in het register, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, indien op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en met toepassing van de op grond van artikel 33 van die wet gestelde regels is aangetoond dat deze persoon over kwalificaties beschikt die gelijkwaardig zijn aan de kwalificaties waaraan ingevolge artikel 5.5, derde lid, moet worden voldaan om als stralingsbeschermingsdeskundige te worden ingeschreven.

2.

Artikel 5.5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.7. (toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)
1.

Ten aanzien van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zijn naast de algemene bepalingen van deze paragraaf de specifieke bepalingen van de hoofdstukken 6 en 7 van toepassing.

2.

De ondernemer die een handeling uitvoert of laat uitvoeren die beroepsmatige blootstelling of blootstelling van een lid van de bevolking met zich brengt of kan brengen, zorgt ervoor dat deze handeling wordt uitgevoerd door of onder toezicht van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming.

3.

De taken van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming kunnen worden uitgevoerd door een stralingsbeschermingsdeskundige of een stralingsbeschermingseenheid.

4.

De ondernemer zorgt ervoor dat aan een in zijn onderneming werkzame toezichthoudend medewerker stralingsbescherming:

  • a. adequate opleiding, training en voorlichting op het gebied van de stralingsbescherming specifiek voor de toepassing wordt gegeven, en
  • b. regelmatig toepassingspecifieke bij- en nascholing wordt gegeven.
5.

De ondernemer houdt een administratie bij waarin de wijze van uitvoering van het vierde lid wordt gedocumenteerd en houdt deze ter beschikking van de krachtens artikel 58 van de wet aangewezen ambtenaren.

6.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen eisen worden vastgesteld met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor daarbij genoemde toepassingen en de opleiding, training en voorlichting, bedoeld in het vierde lid. Daartoe kunnen behoren eisen met betrekking tot het volgen van opleidingen.

7.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

Artikel 5.8. (vereisten toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)

De ingevolge dit besluit door een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming te verrichten taken worden uitsluitend uitgevoerd door een persoon die beschikt over een diploma, certificaat of een ander getuigschrift ter afsluiting van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming, specifiek voor de toepassing, behaald bij:

  • b. een door een andere lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende of aangewezen instelling of opleiding.
Artikel 5.9. (stralingsbeschermingseenheid)
1.

Bij regeling van Onze Minister kunnen soorten ondernemingen of locaties waar zeer diverse of omvangrijke handelingen worden uitgevoerd of handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende straling vereisen worden aangewezen, waarin de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, waarin tevens een stralingsbeschermingsdeskundige van een krachtens artikel 5.5 vereist niveau van deskundigheid beschikbaar is. Daartoe behoren in elk geval gevallen waarin op grond van artikel 3.4, vierde lid, een complexvergunning is vereist. Bij de regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bevoegdheden en werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, het op peil blijven van de expertise van de eenheid en de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige in die eenheid.

2.

Indien op grond van het eerste lid de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, zorgt de ondernemer ervoor dat deze operationeel is en dat in ieder geval:

  • a. daarbij een stralingsbeschermingsdeskundige aanwezig of beschikbaar is en daarin voldoende ondersteunend personeel werkzaam is;
  • b. daarin het krachtens artikel 5.5 vereiste niveau van deskundigheid met betrekking tot stralingsbescherming aanwezig is;
  • c. de stralingsbeschermingseenheid functioneel en organisatorisch gescheiden is van productie- en technische eenheden;
  • d. de stralingsbeschermingseenheid aan hem adviezen verstrekt met betrekking tot de bescherming tegen ioniserende straling, en
  • e. de stralingsbeschermingsdeskundige in die afdeling toestemming geeft voor een handeling.
3.

Bij beschikking van de Autoriteit kan worden toegestaan dat een stralingsbeschermingseenheid als bedoeld in het eerste lid voor meerdere ondernemers taken verricht. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een beschikking als bedoeld in de eerste volzin.

4.

Een stralingsbeschermingseenheid kan de taken van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming verrichten.

Artikel 5.10. (middelen en faciliteiten)

De ondernemer stelt financiële middelen en faciliteiten voor een passende bescherming tegen ioniserende straling ter beschikking aan de stralingsbeschermingsdeskundige, de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de stralingsbeschermingseenheid, die met de uitvoering van die stralingsbescherming zijn belast.

§ 5.3. Opleiding, training en voorlichting

Artikel 5.11. (erkende instellingen)
1.

Instellingen waar personen overeenkomstig artikel 5.5, 5.8 of 8.4, derde lid, een diploma, certificaat of een ander getuigschrift ter afsluiting van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming kunnen behalen dienen te zijn erkend door de Autoriteit. De erkenning geldt voor een tijdvak van vijf jaar en kan daarna telkens voor een tijdvak van vijf jaar worden verlengd indien aan de met het oog op erkenning gestelde eisen, bedoeld in het derde lid, wordt voldaan. Van een erkenning of verlenging daarvan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

2.

De erkenning kan worden geschorst of ingetrokken door de Autoriteit indien de opleiding ook na herhaalde waarschuwing niet, of niet langer, voldoet aan een of meer krachtens het derde lid gestelde eisen.

3.

Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot:

  • a. eisen aan de kwaliteit en kwaliteitsborging van de opleiding;
  • b. eisen aan de examinering, toetsing en het vaststellen van eindtermen;
  • c. eisen voor beroep en klachten.
4.

Bij verordening van de Autoriteit worden eisen gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.

Artikel 5.12. (informatie, advies en bijstand in verband met weesbronnen)
1.

De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt er, onverminderd artikel 7.30, voor dat de bedrijfsleiding van ondernemingen waarvan het aannemelijk is dat er weesbronnen worden aangetroffen of verwerkt, geïnformeerd wordt over de mogelijkheid van een confrontatie met een weesbron.

2.

Onder ondernemingen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan locaties en installaties waar aanzienlijke hoeveelheden metaalfabricaten, metaalafval of schroot worden opgeslagen, bewerkt, verwerkt of overgeslagen.

3.

De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt ervoor dat:

  • a. informatie beschikbaar wordt gesteld waarmee de bevolking bewust wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van weesbronnen en de risico’s daarvan;
  • b. richtsnoeren worden uitgevaardigd voor werknemers en leden van de bevolking over de te nemen maatregelen bij het aantreffen van een weesbron of vermoeden daarvan, waaronder het informeren van de Autoriteit.
4.

De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt voor het onmiddellijk na een aangifte als bedoeld in artikel 22 of 33 van de wet ter beschikking stellen van specifieke technische adviezen en assistentie in situaties als bedoeld in het derde lid, onder b.

Artikel 5.13. (voorlichting en opleiding van hulpverleners)
1.

De Autoriteit zorgt ervoor dat de hulpverleners die zijn opgenomen in een nationaal crisisplan als bedoeld in artikel 6.5:

  • a. worden voorgelicht over stralingsbescherming, over de risico’s die hun inzet voor hun gezondheid met zich brengt en over de bij een stralingsincident, radiologische noodsituatie of ongeval te nemen voorzorgsmaatregelen,
  • b. regelmatig een passende opleiding met betrekking tot stralingsbescherming volgen;
  • c. regelmatig een passende opleiding met betrekking tot rampenbestrijding volgen overeenkomstig de afspraken, bedoeld in artikel 40 van de wet.
2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de ondernemer die verantwoordelijk is voor hulpverleners die zijn opgenomen in een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)