Besluit van 23 oktober 2017, houdende vaststelling van regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 314
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De ondernemer houdt een administratie bij waarin hij de resultaten aantekent van de metingen en de ramingen en gebruikt deze, indien nodig, voor het bepalen van de doses, bedoeld in het eerste lid en artikel 9.2.

3.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de handelingen waarin de door de leden van de bevolking ontvangen doses moeten worden geraamd en of deze raming op basis van een «screening» dan wel op basis van een realistische berekening moet plaatsvinden.

4.

Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, het beheer en de bewaartermijn van de administratie, bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 9.2. Blootstelling van de leden van de bevolking in radiologische noodsituaties

Artikel 9.8. (referentieniveaus in een radiologische noodsituatie en in een transitie van een radiologische noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie)
1.

Bij regeling van Onze Minister worden:

  • a. een of meer referentieniveaus vastgesteld voor blootstelling van leden van de bevolking in een radiologische noodsituatie, en
  • b. een of meer referentieniveaus vastgesteld voor blootstelling van leden van de bevolking in de transitie van een radiologische noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie, in het bijzonder bij de beëindiging van langetermijnbeschermingsmaatregelen zoals vestiging elders.
2.

Een referentieniveau voor blootstelling van leden van de bevolking in een radiologische noodsituatie is gelijk aan of hoger dan 20 millisievert en niet hoger dan 100 millisievert als acute effectieve dosis of effectieve dosis in een jaar, en onverminderd de bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, vast te stellen referentieniveaus voor equivalente doses.

3.

Voor specifieke radiologische noodsituaties kunnen bij verordening of beschikking van de Autoriteit referentieniveaus lager dan de in het eerste lid genoemde maximumwaarden worden vastgesteld. In ieder geval kan een referentieniveau lager dan 20 millisievert worden vastgesteld voor radiologische noodsituaties waarbij een passende bescherming kan worden geboden zonder dat als gevolg van de maatregelen onevenredig hoge schade of excessief hoge kosten ontstaan.

4.

Bij de vaststelling van een waarde voor een referentieniveau als bedoeld in het eerste lid wordt zowel rekening gehouden met de kenmerken van de radiologische noodsituatie als met maatschappelijke omstandigheden.

5.

Onze Minister zorgt voor informatievoorziening aan de bevolking in een radiologische noodsituatie:

  • a. in geval van blootstelling van lager dan of gelijk aan 1 millisievert in een jaar: algemene informatievoorziening over het blootstellingsniveau, zonder specifiek rekening te houden met individuele blootstelling;
  • b. in geval van blootstelling hoger dan 1 millisievert maar lager dan of gelijk aan 20 millisievert in een jaar: specifieke informatievoorziening om individuele personen in staat te stellen om zo mogelijk de eigen blootstelling te beheren;
  • c. in geval van blootstelling hoger dan 20 millisievert maar lager dan of gelijk aan 100 millisievert in een jaar: een raming van individuele doses en specifieke informatievoorziening over stralingsrisico’s en beschikbare maatregelen om blootstelling te beperken.
Artikel 9.9. (dosislimieten en referentieniveaus blootstelling hulpverleners, niet zijnde werknemers, bij interventie in een radiologische noodsituatie)

In geval van interventie in een radiologische noodsituatie is artikel 7.37 van overeenkomstige toepassing op hulpverleners, niet zijnde werknemers die als hulpverlener optreden als bedoeld in dat artikel.

Afdeling 9.3. Blootstelling van leden van de bevolking in bestaande blootstellingsituaties

Artikel 9.10. (referentieniveaus in bestaande blootstellingsituaties)
1.

Bij regeling van Onze Minister worden een of meer referentieniveaus vastgesteld voor blootstelling van leden van de bevolking in een bestaande blootstellingsituatie.

2.

Een referentieniveau als bedoeld in het eerste lid is, onverminderd de bij regeling van Onze Minister vastgestelde referentieniveaus voor equivalente doses, gelijk aan of hoger dan 1 millisievert in een kalenderjaar en niet hoger dan 20 millisievert in een kalenderjaar.

3.

Voor specifieke bestaande blootstellingsituaties kan bij verordening of beschikking van de Autoriteit als referentieniveau een lagere dan een krachtens het eerste lid vastgestelde waarde worden vastgesteld. In ieder geval kan een referentieniveau onder 1 millisievert in een kalenderjaar worden vastgesteld voor bestaande blootstellingsituaties met specifieke brongerelateerde blootstelling of blootstellingsroutes.

4.

Bij de vaststelling van een waarde voor een referentieniveau krachtens dit artikel wordt rekening gehouden met zowel de kenmerken van de bestaande blootstellingsituatie als met maatschappelijke omstandigheden.

5.

Onze Minister zorgt als volgt voor informatievoorziening aan de bevolking in een blootstellingsituatie als bedoeld in het vierde lid:

  • a. in geval van blootstelling van ten hoogste 1 millisievert in een kalenderjaar: algemene informatievoorziening over het blootstellingsniveau, zonder specifiek rekening te houden met de individuele blootstelling;
  • b. in geval van blootstelling hoger dan 1 millisievert in een kalenderjaar en lager dan of gelijk aan 20 millisievert in een kalenderjaar: specifieke informatievoorziening om individuele personen in staat te stellen om zo mogelijk de eigen blootstelling te beheren.
6.

Voor radonconcentraties binnenshuis in woningen en voor de bevolking toegankelijke gebouwen is een referentieniveau van ten hoogste 100 becquerel/m3 als jaargemiddelde van de activiteitsconcentratie in de lucht van toepassing.

7.

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kan, in afwijking van het zesde lid, voor bij de regeling aangewezen specifieke categorieën van voor het publiek toegankelijke gebouwen, waarin ook met redelijkerwijs haalbare maatregelen niet aan het referentieniveau, bedoeld in het zesde lid, kan worden voldaan, een referentieniveau worden vastgesteld van ten hoogste 300 becquerel/m3 als jaargemiddelde van de activiteitsconcentratie in de lucht.

8.

Voor de externe blootstelling in het binnenmilieu aan door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling, bovenop de externe blootstelling buitenshuis, geldt een referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar.

Hoofdstuk 10. Het beheer en het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen

§ 10.1. Nationaal programma beheer radioactieve afvalstoffen

Artikel 10.1. (nationaal programma beheer radioactieve afvalstoffen)
1.

Onze Minister stelt een programma voor het beheer van radioactieve afvalstoffen vast als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2011/70/Euratom.

2.

Het programma bevat een uitwerking van de volgende uitgangspunten:

  • a. de beperking van het ontstaan van radioactieve afvalstoffen tot het praktisch haalbare minimum, zowel wat de activiteit als het volume betreft;
  • b. de onderlinge afhankelijkheden van alle stappen in het ontstaan en het beheer van radioactieve afvalstoffen;
  • c. het veilig beheer van radioactieve afvalstoffen;
  • d. voor de lange termijn passieve veiligheidsmaatregelen;
  • e. een graduele aanpak bij de uitvoering van de maatregelen;
  • f. de kosten voor het beheer van radioactieve afvalstoffen komen ten laste van degene die deze afvalstoffen hebben laten ontstaan;
  • g. een empirisch onderbouwd en gedocumenteerd besluitvormingsproces in alle stadia van het beheer van radioactieve afvalstoffen.
3.

Het programma bevat tevens:

  • a. de beleidsdoelstelling ten aanzien van het beheer van alle typen radioactieve afvalstoffen;
  • b. de mijlpalen die voor de uitvoering van het programma nodig zijn en het tijdpad voor het bereiken van deze mijlpalen;
  • c. een inventarisatie van alle radioactieve afvalstoffen en ramingen van toekomstige hoeveelheden;
  • d. concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactieve afvalstoffen, van ontstaan tot eindberging;
  • e. concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een inrichting voor eindberging;
  • f. onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten die nodig zijn om oplossingen voor het beheer van radioactieve afvalstoffen toe te passen;
  • g. de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma en de essentiële prestatie-indicatoren voor toezicht op de voortgang van de uitvoering van het programma;
  • h. een beoordeling van de kosten van het nationale programma en de onderliggende basis en hypothesen voor deze beoordeling, met inbegrip van een tijdsprofiel;
  • i. de financieringsregelingen ter uitvoering van het programma;
  • j. het beleid ten aanzien van het verstrekken van informatie met betrekking tot het beheer van radioactieve afvalstoffen aan werknemers en het publiek;
  • k. een overzicht van met andere lidstaten en derde landen gesloten overeenkomsten over het beheer van radioactieve afvalstoffen.

§ 10.2. Zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen

Artikel 10.2. (zorgplicht ondernemer)
1.

De ondernemer die een handeling verricht, zorgt ervoor dat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is:

  • a. het ontstaan van radioactieve afvalstoffen en het lozen van radioactieve stoffen wordt voorkomen of beperkt,
  • b. bronnen na gebruik als zodanig opnieuw worden gebruikt,
  • c. radioactieve stoffen en materialen waaruit een bron bestaat, na het gebruik ervan opnieuw worden gebruikt, of
  • d. voorwerpen, stoffen en materialen die met radioactieve stoffen zijn besmet of geactiveerd, na het gebruik ervan zodanig worden bewerkt dat ze opnieuw kunnen worden gebruikt.
2.

Bij het vervaardigen van bronnen wordt gebruik gemaakt van stoffen en materialen die na het gebruik van de bron geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken.

3.

De ondernemer zorgt er voor dat een handeling zoveel als mogelijk wordt verricht op een wijze waarbij blootstelling van werknemers en de bevolking wordt vermeden.

Artikel 10.3. (vrijstelling verbod lozingen)
1.

Een verbod als bedoeld in artikel 3.5 in samenhang met artikel 3.8, vierde lid, onder c, op het handelen zonder vergunning waarbij door de lucht verspreide of vloeibare radioactieve stoffen in de omgeving vrijkomen, is niet van toepassing indien:

  • a. bij lozing in de lucht, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 1 radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie als bedoeld in bijlage 2;
  • b. bij lozing in het openbare riool, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 10 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2;
  • c. bij lozing in het oppervlaktewater, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 0,1 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2.
2.

De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval door middel van de correctiefactoren zoals opgenomen in bijlage 2.

Artikel 10.4. (vrijstelling verbod lozingen)
1.

In afwijking van artikel 10.3 is het in het eerste lid van dat artikel bedoelde verbod niet van toepassing indien:

  • a. het een lozing betreft van radioactieve stoffen die vrijkomen als gevolg van handelingen met van nature voorkomende radionucliden, en
  • b. de activiteit van de totaal in een kalenderjaar te lozen radionucliden, bij het verlaten van de locatie, lager is dan de in bijlage 3, onderdeel B, tabel C, opgenomen vrijgavewaarde.
2.

Artikel 3.17, derde, zesde en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onder b, vrijgavewaarden worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

Artikel 10.5. (lozingsverbod bodem)
1.

Het is verboden radioactieve stoffen te lozen op of in de bodem.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het lozen in de bodem, wanneer de in een kalenderjaar totaal geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is voorts niet van toepassing op het lozen van productiewater bij mijnbouw, indien dit geschiedt door middel van injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het water afkomstig is en op zodanige wijze dat het water niet in andere watervoerende lagen komt.

4.

De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval door middel van de correctiefactoren zoals aangegeven in bijlage 2.

Artikel 10.6. (vrijstellingen verbod zich te ontdoen, overigens)
1.

Een verbod als bedoeld in artikel 3.5 in samenhang met artikel 3.8, vierde lid, onder b, om zich zonder vergunning te ontdoen van radioactieve stoffen voor product- of materiaalhergebruik of als radioactieve afvalstof, is niet van toepassing indien de activiteitsconcentratie van die stof of afvalstof lager is dan de desbetreffende bij of krachtens artikel 3.20 of 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.

2.

Artikel 3.17, tweede, zesde en negende lid is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is onverminderd het bepaalde in de artikelen 10.8 en 10.9, tevens niet van toepassing indien het ingekapselde bronnen betreft, die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd.

4.

Het verbod is tevens niet van toepassing indien het een feitelijke levering betreft van radioactieve stoffen of afvalstoffen door enkele overgave aan een derde met het oog op:

  • a. product- of materiaalhergebruik van radioactieve stoffen, of
  • b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
5.

Het verbod is tevens niet van toepassing op afgifte aan een krachtens artikel 33, vierde lid, van de wet aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen radioactieve stoffen of afvalstoffen.

6.

Het verbod is tevens niet van toepassing op het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen door afgifte aan een door de Autoriteit erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen.

7.

Het verbod is tevens niet van toepassing op afgifte aan door de Autoriteit aangewezen instellingen voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.

8.

Het derde tot en met zevende lid zijn uitsluitend van toepassing indien de ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een vergunning of registratie voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is deze stoffen te ontvangen en door de ondernemer wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet ten aanzien van de bron en het zich ontdoen gestelde regels en voorschriften.

9.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in het vijfde of zevende lid en de aanvraag om een erkenning als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 10.7. (aanmerken radioactieve stof als afvalstof)
1.

Een radioactieve stof kan door de Autoriteit of de ondernemer als radioactieve afvalstof worden aangemerkt, indien voor deze stof geen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien door de Autoriteit of door de ondernemer en er geen sprake is van lozing van de stof.

2.

Een afvalstof wordt niet als radioactieve afvalstof aangemerkt, indien de activiteitsconcentratie van die afvalstof lager is dan de desbetreffende bij of krachtens artikel 3.20 of 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde en artikel 10.6, eerste lid, van toepassing is.

3.

Radioactieve afvalstoffen worden zo snel als redelijkerwijs mogelijk afgevoerd doch in ieder geval binnen een door de Autoriteit bij verordening of beschikking gestelde termijn.

4.

De in het derde lid gestelde verplichting geldt niet indien de radioactieve afvalstoffen een fysische halveringstijd hebben van minder dan 100 dagen en maximaal twee jaar worden opgeslagen in een daartoe geschikte ruimte met het oog op fysisch verval tot afvalstoffen met een activiteitsconcentratie van niet meer dan de in artikel 10.6, eerste lid, bedoelde waarde.

5.

Het is verboden radioactieve afvalstoffen te mengen met het doel de activiteitsconcentratie van de stoffen beneden de desbetreffende ingevolge paragraaf 3.3.2 vastgestelde vrijgavewaarden te brengen, als gevolg waarvan handelingen met deze radioactieve afvalstoffen niet meer onder de vergunningplicht of registratieplicht vallen.

6.

Het in het vijfde lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van radioactieve afvalstoffen afkomstig van handelingen met van nature voorkomende radionucliden, indien door de ondernemer ten genoegen van de Autoriteit wordt aangetoond dat het mengen geen groter gevaar, schade of hinder veroorzaakt dan in het geval deze radioactieve afvalstoffen niet zouden worden gemengd.

7.

De Autoriteit kan bij verordening nadere regels stellen met betrekking tot de technische en administratieve vereisten waaraan het aantonen als bedoeld in het zesde lid moet voldoen.

§ 10.3. Zich ontdoen van bronnen

Artikel 10.8. (zich ontdoen van bronnen)
1.

In gevallen behorend tot een bij regeling van Onze Minister aangewezen categorie zorgt de ondernemer voor een beëindigingsplan waarin wordt beschreven welke voorzieningen met betrekking tot de beëindiging van het gebruik en het zich ontdoen van de bron zijn getroffen, waaronder in elk geval financiële voorzieningen.

2.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt uitsluitend plaats voor zover niet bij of krachtens de Mijnbouwwet of andere wet een vergelijkbare voorziening wordt of kan worden vereist. De aanwijzing staat in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1. Bij verordening van de Autoriteit kunnen afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit van het beëindigingsplan en de wijze van uitvoering ervan worden gesteld. Deze eisen kunnen een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten.

3.

Nadat handelingen ten aanzien van het bereiden, bewerken of toepassen van een bron definitief zijn beëindigd, zorgt de ondernemer er voor dat, waar van toepassing overeenkomstig het beëindigingsplan:

  • b. hij zich, binnen twee jaar na die beëindiging, van de bron ontdoet door afgifte aan:
  • 1°. degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd,
  • 2°. een persoon die gerechtigd is met het oog op gebruik, product- of materiaalhergebruik van bronnen, of inzameling van bronnen, de bron te ontvangen, of
  • 3°. een krachtens artikel 10.6, vijfde of zevende lid, aangewezen instelling, of een krachtens artikel 10.6, zesde lid, erkende ophaaldienst die gerechtigd is de bron te ontvangen, of
  • c. indien de bron een toestel of versneller betreft, binnen twee jaar na die beëindiging het desbetreffende toestel of de versneller wordt verschroot, met uitzondering van de onderdelen van de versneller waarin zich radioactieve stoffen bevinden die door activering zijn ontstaan vanwege het gebruik van de versneller.
Artikel 10.9. (zich ontdoen van hoogactieve bronnen)
1.

In afwijking van artikel 10.8 zendt een ondernemer een niet meer in gebruik zijnde hoogactieve bron, tenzij dit anders met de Autoriteit is overeengekomen, overeenkomstig artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onmiddellijk na beëindiging van het gebruik naar:

  • a. de fabrikant of leverancier van de bron die bevoegd is de bron te ontvangen, of een andere daartoe gemachtigde ondernemer, of
2.

De ondernemer vergewist zich er vóór een overdracht van dat de ontvanger als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, een toereikende vergunning heeft.

3.

De ondernemer doet bij beëindiging van het gebruik onmiddellijk een kennisgeving van beëindiging overeenkomstig artikel 3.6, achtste lid.

§ 10.4. Kosten beheer radioactieve afvalstoffen

Artikel 10.10. (kosten beheer radioactieve afvalstoffen)

De vergunninghouder die op grond van artikel 10.6, zevende lid, door de Autoriteit is aangewezen, stelt de kosten, die hij in rekening brengt voor het in werking houden van een installatie en voor het beheer van radioactieve afvalstoffen, vast op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze. Tot de kosten behoren ook de kosten die de vergunninghouder maakt voor onderzoek en ontwikkeling voor het beheer van radioactieve afvalstoffen, zoals dit in het nationaal programma, bedoeld in artikel 10.1, is opgenomen.

Hoofdstuk 11. Procedures, nadere eisen en ontheffingen

§ 11.1. Openbare voorbereidingsprocedure

Artikel 11.1. (voorbereidingsprocedure vergunningplichtige handelingen met versnellers)

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om vergunning voor een handeling met een versneller, tenzij:

  • a. het toestel uitsluitend voor medisch-radiologische procedures is bestemd;
  • b. het toestel zich bevindt in een voertuig of aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig, dat als zodanig wordt gebruikt;
  • d. al eerder een vergunning voor een toestel van hetzelfde type met betrekking tot dezelfde plaats is verleend en naar het oordeel van de Autoriteit niet te verwachten is dat door gebruikmaking van de gevraagde vergunning meer schade kan ontstaan dan bij de eerder verleende vergunning in aanmerking is genomen.
Artikel 11.2. (uitzonderingen voor bepaalde handelingen)
1.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om een vergunning voor een handeling behorend tot een in artikel 3.8 genoemde categorie, indien het betreft:

  • a. het verrichten van handelingen met open bronnen en de uitkomst van de gewogen sommatie van de activiteiten van de op enig moment aanwezige hoeveelheid radionucliden in de bij die handelingen betrokken radioactieve stoffen volgens de in artikel 4.29, vierde lid, bedoelde methode niet meer bedraagt dan 104, of
2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ingekapselde bronnen, met dien verstande dat:

  • a. de uitkomst van de in dat lid bedoelde sommatie niet meer bedraagt dan 107, of
Artikel 11.3. (voorbereidingsprocedure)
1.

Indien op de voorbereiding van een beschikking ter zake van een aanvraag om een vergunning voor het verrichten van een handeling met radioactieve stoffen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, worden betrokken:

  • a. het college van gedeputeerde staten van de provincie, het bestuur van de veiligheidsregio en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de handeling wordt of zal worden verricht of,
  • b. indien het een lozing in oppervlaktewateren betreft, het orgaan dat belast is met het kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewaterlichaam waarin wordt of zal worden geloosd.
2.

Indien op de voorbereiding van een beschikking ter zake van een aanvraag om een vergunning voor een handeling met een toestel afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt, anders dan als adviseur, betrokken het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de handeling wordt of zal worden verricht.

3.

Van een besluit op een aanvraag om een vergunning op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, wordt door de Autoriteit mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 11.2. Reguliere voorbereidingsprocedure

Artikel 11.4. (registratie)

Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om een registratie.

§ 11.3. Geen positieve fictieve beschikking

Artikel 11.5. (geen positieve fictieve beschikking)

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning of registratie.

§ 11.4. Nadere eisen en ontheffingen

Artikel 11.6. (nadere eisen)
1.

Degene die handelingen verricht voldoet aan nadere eisen ter zake van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

2.

Nadere eisen die uitsluitend betrekking hebben op de bescherming van werknemers tegen ioniserende straling ten gevolge van handelingen worden gesteld:

  • a. indien het mijnbouw betreft: door Onze Minister van Economische Zaken;
  • c. indien het andere handelingen betreft: door een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar.
3.

Nadere eisen die geen betrekking hebben op de bescherming van werknemers tegen ioniserende straling ten gevolge van handelingen worden gesteld:

  • a. door de Autoriteit, of
  • b. voor zover het de onder hem ressorterende belangen betreft: door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, of
  • c. indien het mijnbouw op het continentaal plat betreft: door Onze Minister van Economische Zaken.
4.

Nadere eisen die zowel de in het tweede als in het derde lid bedoelde belangen betreffen, worden gesteld door de in die leden genoemde bestuursorganen gezamenlijk.

Artikel 11.7. (ontheffing)
1.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Autoriteit, Onze Minister van Defensie indien het de krijgsmacht betreft, of Onze Minister van Economische Zaken indien het mijnbouw betreft, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, voor zover betrekking hebbend op blootstelling aan natuurlijke bronnen, of hoofdstuk 4, 5, 7, 8, 9 of 10.

2.

Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.

Hoofdstuk 12. Intrekking en overgangsbepalingen Besluit stralingsbescherming

Afdeling 12.1. Intrekking

Artikel 12.1

Het Besluit stralingsbescherming wordt ingetrokken.

Afdeling 12.2. Overgangsbepalingen

Artikel 12.2. (overgangsrecht hoofdstuk 2 Besluit stralingsbescherming)
1.

Een onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit krachtens artikel 4, eerste en tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming als gerechtvaardigd aangewezen, bestaande handeling of maatregel, die met ingang van dat tijdstip niet langer krachtens artikel 2.3, eerste lid, generiek als gerechtvaardigd is aangewezen, mag tot 1 januari 2019 worden voortgezet.

2.

Een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit krachtens artikel 4, zevende lid, eerste volzin, van het Besluit stralingsbescherming als gerechtvaardigd aangewezen handeling of maatregel geldt met ingang van dat tijdstip als een krachtens artikel 2.3, derde lid, gerechtvaardigde handeling of maatregel.

Artikel 12.3. (overgangsrecht hoofdstuk 3 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

3.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt:

4.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een erkenning als bedoeld in artikel 7f van het Besluit stralingsbescherming of een aanvraag daartoe, als een erkenning als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, of aanvraag als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

5.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een erkenning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming of een aanvraag daartoe, als een erkenning krachtens artikel 7.15, tweede lid, of een aanvraag als bedoeld in dat artikel.

6.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van het Besluit stralingsbescherming, als schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, of artikel 7.2, vierde lid.

7.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een beheerssysteem als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Besluit stralingsbescherming als een beheerssysteem als bedoeld in artikel 7.1, zesde lid.

8.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

9.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een toestemming als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een verzoek daartoe, als een toestemming als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, of een verzoek om toestemming als bedoeld in dat artikel.

10.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden de documentatie en instructies als bedoeld in artikel 15, derde en vijfde lid, van het Besluit stralingsbescherming, als documentatie en instructies als bedoeld in artikel 4.14.

Artikel 12.4. (overgangsrecht hoofdstuk 3a Besluit stralingsbescherming)

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit berust het programma, bedoeld in artikel 20h van het Besluit stralingsbescherming, voor zover op dat artikel berustend, op artikel 10.1.

Artikel 12.5. (overgangsrecht hoofdstuk 4 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een melding krachtens artikel 21 van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving krachtens artikel 3.11, tenzij artikel 12.11 van toepassing is.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een melding krachtens artikel 22 van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving van beëindiging krachtens artikel 3.6, achtste lid, 3.9, tweede lid, of 3.11, vijfde lid, al naar gelang de bepaling die van toepassing is.

3.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een vergunning verleend krachtens artikel 23, eerste of tweede lid, 24 of 25, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een aanvraag daartoe:

  • a. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.8, als een vergunning verleend krachtens artikel 3.5, of een aanvraag als bedoeld in dat artikel;
  • b. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.10 als een registratie verleend krachtens artikel 3.9, of een aanvraag als bedoeld in dat artikel;
  • c. indien betrekking hebbend op een handeling of blootstellingsituatie behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.13 als een kennisgeving.
4.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een goedkeuring, verleend krachtens artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit stralingsbescherming, of een aanvraag daartoe, als een goedkeuring, verleend krachtens artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a of b, of een aanvraag als bedoeld in dat lid.

5.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een ontheffing, verleend krachtens artikel 29, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een aanvraag daartoe, als een ontheffing, verleend krachtens artikel 4.25, tweede lid, of een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in dat lid.

6.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een vergunning, verleend krachtens artikel 35, eerste lid, of 37, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een aanvraag daartoe:

  • a. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.8, als een vergunning verleend krachtens artikel 3.5 of een aanvraag als bedoeld in dat artikel;
  • b. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.10, als een registratie verleend krachtens artikel 3.9 of een aanvraag als bedoeld in dat artikel.
7.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

8.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt het aanmerken van een radioactieve stof als radioactieve afvalstof als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als het aanmerken, bedoeld in artikel 10.7.

9.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een weigering van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 39 van het Besluit stralingsbescherming als een weigering als bedoeld in artikel 3.7.

10.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 39a van het Besluit stralingsbescherming als een intrekking als bedoeld in artikel 3.6, zesde lid.

11.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een kennisgeving als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.6, zevende lid.

12.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een oordeel van Onze Minister als bedoeld in artikel 45, onderdelen c en d, van het Besluit stralingsbescherming als oordeel als bedoeld in artikel 11.1, onderdelen c en d.

Artikel 12.6. (overgangsrecht hoofdstuk 6 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden protocollen als bedoeld in artikel 65 van het Besluit stralingsbescherming als protocollen als bedoeld in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden programma’s als bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit stralingsbescherming als programma’s voor kwaliteitsborging als bedoeld in artikel 8.15, onderdeel c.

3.

De eisen aan de apparatuur, bedoeld in artikel 8.15, onderdelen f en g, en de eis aan voor interventieradiologie en computertomografie gebruikte apparatuur om de informatie, bedoeld in artikel 8.15, onderdeel h, overeenkomstig dat onderdeel door te sturen naar het onderzoeksdossier, zijn niet van toepassing op apparatuur die is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 12.7. (overgangsrecht hoofdstuk 7 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een indeling als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als een indeling als bedoeld in artikel 7.11.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 81 van het Besluit stralingsbescherming als een ontheffing als bedoeld in artikel 7.31.

3.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt het aanmerken als gecontroleerde of bewaakte zone als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als het aanmerken van een dergelijke zone als bedoeld in artikel 7.7.

4.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 88 van het Besluit stralingsbescherming als een ontheffing als bedoeld in artikel 7.13.

5.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

Artikel 12.8. (overgangsrecht hoofdstuk 8 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een werkzaamheid als bedoeld in artikel 101 van het Besluit stralingsbescherming als een handeling met natuurlijke bronnen als bedoeld in artikel 1.2 juncto bijlage 1.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een lijst van werkzaamheden als bedoeld in artikel 102, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2.

3.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een melding als bedoeld in artikel 103, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, en een melding als bedoeld in artikel 103, zesde lid, van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11, vijfde lid.

4.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een melding als bedoeld in artikel 104 van het Besluit stralingsbescherming als een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.6, achtste lid, 3.9, tweede lid, of 3.11, vijfde lid.

5.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een vergunning verleend krachtens artikel 107, eerste lid, of 108, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, of een aanvraag daartoe:

  • a. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.8, als een vergunning verleend krachtens artikel 3.5 of een aanvraag als bedoeld in dat artikel;
  • b. indien betrekking hebbend op een handeling behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.10 als een registratie verleend krachtens artikel 3.9 of een aanvraag als bedoeld in dat artikel.
6.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt het aantonen als bedoeld in artikel 110a, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming als het aantonen als bedoeld in artikel 10.7, zesde lid.

7.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een methode als bedoeld in artikel 111, onderdeel b, van het Besluit stralingsbescherming als een methode als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, onder b.

Artikel 12.9. (overgangsrecht hoofdstuk 9 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een team als bedoeld in artikel 113 van het Besluit stralingsbescherming als een voorziening als bedoeld in artikel 6.12.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een krachtens een vergunning vereist noodplan als een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 en een interventieplan als bedoeld in artikel 115 van het Besluit stralingsbescherming als het onderdeel «interventies» van een bedrijfsnoodplan, vereist krachtens artikel 6.8, voor zover aan de daarop betrekking hebbende eisen wordt voldaan.

Artikel 12.10. (overgangsrecht hoofdstuk 10 Besluit stralingsbescherming)
1.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden nadere eisen als bedoeld in artikel 122 van het Besluit stralingsbescherming als nadere eisen als bedoeld in artikel 11.6.

2.

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 123 van het Besluit stralingsbescherming als een ontheffing als bedoeld in artikel 11.7.

Artikel 12.11. (overig overgangsrecht Besluit stralingsbescherming)
1.

Ten aanzien van een handeling die ingevolge artikel 21 van het Besluit stralingsbescherming meldingsplichtig was en die ingevolge 3.5 vergunningplichtig of ingevolge artikel 3.9 registratieplichtig wordt, wordt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk van kracht is geworden geldt de melding als tijdelijke vergunning of tijdelijke registratie.

2.

Ten aanzien van een handeling of blootstellingsituatie waarvoor ingevolge artikel 21 van het Besluit stralingsbescherming geen meldingsplicht gold en waarvoor ingevolge artikel 3.11 een kennisgevingsplicht geldt, wordt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een kennisgeving gedaan.

3.

Ten aanzien van de verplichtingen met betrekking tot een beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8 wordt voor de eerste maal gevolg gegeven uiterlijk op 1 januari 2020.

Hoofdstuk 13. Wijziging en overgangsbepalingen overige besluiten

Afdeling 13.1. Wijziging overige besluiten

Artikel 13.1. (wijziging Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen)

Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

Artikel 13.2. (wijziging Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen)

Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

Artikel 13.3. (wijziging Besluit in- uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen)

Wijzigt het Besluit in- uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen.

Artikel 13.4. (wijziging Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet)

Wijzigt het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.

Artikel 13.5. (wijziging Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)