Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 67
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1.1. Objecttypen

1.1.1. Objecttype Model

1.1.2. Objecttype Modelgebied

2.6. Metadata

2.6.1. Resolutie

1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

2.6.2. Gebruiksschaal

1.1.7. Objecttype Laag

2.6.3. Gebiedsaanduiding

1.2. Referentielijsten

2.6.4. Horizontale begrenzing

1.2.1.1. Overzicht referentie elementen

2.6.5. Verticale begrenzing

1.2.2.1. Overzicht referentie elementen

2.6.6. Horizontaal referentiesysteem

1.3.1. Gestructureerd datatype Interval

1.3.1.1. Overzicht data elementen

1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak

2.6.7. Verticaal referentiesysteem

1.3.3. Gestructureerd datatype Kleur

1.3.3.1. Overzicht data elementen

1.4. Primitieve datatypen

1.4.1. Primitief datatype CV_Coverage

1.4.2. Primitief datatype GM_Point

Artikel 1. Definities

1.1. Objecttypen

1.1.1. Objecttype Model

1.1.2. Objecttype Modelgebied

1.1.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving

1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval

1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

1.1.6. Objecttype Geinterpreteerd lithoklasse-interval

1.1.7. Objecttype Laag

1.1.8. Objecttype Voxel

1.2. Referentielijsten

1.2.1. Referentielijst Lithoklasse

1.2.1.1. Overzicht referentie elementen

1.2.2. Referentielijst Geologische eenheid

1.2.2.1. Overzicht referentie elementen

1.3. Gestruktureerde datatypen

1.3.1. Gestructureerd datatype Interval

1.3.1.1. Overzicht data elementen

1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak

1.3.2.1. Overzicht data elementen

1.3.3. Gestructureerd datatype Kleur

1.3.3.1. Overzicht data elementen

1.4. Primitieve datatypen

1.4.1. Primitief datatype CV_Coverage

1.4.2. Primitief datatype GM_Point

1.4.3. Primitief datatype GM_MultiCurve

1.4.4. Primitief datatype GM_Solid

1.4.5. Primitief datatype GM_Surface

1.5. Enumeraties

1.6. Attribuut- en relatiesoort details

1.6.1. Objecttype Model

1.6.1.1. Attribuutsoort details Model naam

1.6.1.2. Attribuutsoort details Model versie

1.6.1.3. Attribuutsoort details Model datum ingang

1.6.1.4. Attribuutsoort details Model datum einde

1.6.1.5. Attribuutsoort details Model dekkingsgebied

1.6.1.6. Relatiesoort details Model is samengesteld uit

1.6.2. Objecttype Modelgebied

1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam

1.6.2.2. Attribuutsoort details Modelgebied versie

1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang

1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde

1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied

1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top

1.6.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving

1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving boornummer

1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geometrie

1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving einddiepte

1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving behoort tot

1.6.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval

1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval

1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie

1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaan

1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse

1.6.4.5. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging klei

1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt

1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand

1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind

1.6.4.9. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging humus

1.6.4.10. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval schelpenpercentage

1.6.4.11. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval schelpenfractie

1.6.4.12. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval plantenresten

1.6.4.13. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval micafractie

1.6.4.14. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval glauconietfractie

1.6.4.15. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval percentage organisch materiaal

1.6.4.16. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval kalkgehalte

1.6.4.17. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval consistentie klei

1.6.4.18. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval hoofdkleur

1.6.4.19. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lutumpercentage

1.6.4.20. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie planten aanwezig

1.6.4.21. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie schelpen aanwezig

1.6.4.22. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie kleibrokjes aanwezig

1.6.4.23. Relatiesoort details Boorbeschrijvingsinterval maakt deel uit van

1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

1.6.5.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval interval

1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geologische eenheid

1.6.5.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval indicatie gestuwd

1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geulgeneratie

1.6.5.5. Relatiesoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval behoort tot

1.6.6. Objecttype Geinterpreteerd lithoklasse-interval

1.6.6.1. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval interval

1.6.6.2. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval lithoklasse

1.6.6.3. Relatiesoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval behoort tot

1.6.7. Objecttype Laag

1.6.7.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top

1.6.7.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis

1.6.7.3. Attribuutsoort details Laag dikte

1.6.7.4. Attribuutsoort details Laag geologische eenheid

1.6.7.5. Attribuutsoort details Laag breuk

1.6.7.6. Attribuutsoort details Laag karteergebied

1.6.7.7. Relatiesoort details Laag maakt deel uit van

1.6.8. Objecttype Voxel

1.6.8.1. Attribuutsoort details Voxel geologische eenheid

1.6.8.2. Attribuutsoort details Voxel meest waarschijnlijke lithoklasse

1.6.8.3. Attribuutsoort details Voxel geometrie

1.6.8.4. Attribuutsoort details Voxel kans op organisch materiaal (veen)

1.6.8.5. Attribuutsoort details Voxel kans op klei

1.6.8.6. Attribuutsoort details Voxel kans op kleiig zand, zandige klei en leem

1.6.8.7. Attribuutsoort details Voxel kans op fijn zand

1.6.8.8. Attribuutsoort details Voxel kans op matig grof zand

1.6.8.9. Attribuutsoort details Voxel kans op grof zand

1.6.8.10. Attribuutsoort details Voxel kans op grind

1.6.8.11. Attribuutsoort details Voxel kans op schelpen

1.6.8.12. Attribuutsoort details Voxel modelonzekerheid gelogische eenheid

1.6.8.13. Attribuutsoort details Voxel modelonzekerheid lithoklasse

1.6.8.14. Relatiesoort details Voxel maakt deel uit van

GeoTOP is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schattingen of voorspellingen van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond in twee of drie dimensies. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.

GeoTOP is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw en grondsoort (bijvoorbeeld klei, zand, veen) van de ondiepe ondergrond van Nederland tot een diepte van maximaal 50 m onder NAP. In GeoTOP is de ondergrond onderverdeeld in een regelmatig driedimensionaal grid (raster) van aaneengesloten voxels (volumecellen) van 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticaal. Aan elke voxel zijn eigenschappen gekoppeld. Dit zijn de lithostratigrafische c.q. geologische eenheid (laag) waartoe een voxel behoort, de lithoklasse (grondsoort) die representatief is voor de voxel en een aantal attributen die tezamen een maat van modelonzekerheid vormen. Behalve voxels bevat GeoTOP ook een gedetailleerd lagenmodel en de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen die bij het maken van het model gebruikt zijn.

De termen lithostratigrafie, geologische eenheid en lithoklasse worden hieronder toegelicht:

De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen, lagenmodel en voxelmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.3.

1.6.9.4. Referentie element details Lithoklasse volgnummer

Een belangrijk aspect van GeoTOP is dat het is opgedeeld in modelgebieden. GeoTOP wordt niet in één keer landelijk samengesteld maar regio-gewijs ontwikkeld. De prioriteitstelling vindt plaats in samenspraak tussen de Geologische Dienst Nederland en de gebruikers, onder auspiciën van de bronhouder (het Ministerie van BZK). Historische modelgebieden, die nog niet gemodelleerd zijn onder het kwaliteitsregime van de BRO (zoals vastgelegd in het Totstandkomingsrapport) worden in de BRO opgenomen als zijnde ‘in onderzoek’.

Op GeoTOP is versiebeheer van toepassing. Het versiebeheer geldt zowel voor individuele modelgebieden als voor GeoTOP als geheel. De in de BRO uitgeleverde actuele versie van GeoTOP omvat alle op dat moment actuele modelgebieden.

De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

1.6.10.3. Referentie element details Geologische eenheid voxelnummer

1.6.10.4. Referentie element details Geologische eenheid volgnummer

De belangrijkste gegevensbron voor GeoTOP zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen en voxels geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel of voxel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:

Alle maatstaven van onzekerheid in GeoTOP zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In GeoTOP spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.

1.6.11.1. Data element details Interval top

Van elke gemodelleerde geologische eenheid in het lagenmodel is van zowel de top als de basis een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid en per modelgebied verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.

1.6.12. Gestructureerd datatype Grensvlak

In het voxelmodel wordt de lithoklasse met behulp van stochastische interpolatietechnieken geschat. Deze technieken komen er in essentie op neer dat het model een groot aantal (bijvoorbeeld 100) keer wordt doorgerekend met telkens een andere, maar statistisch gezien even waarschijnlijke, uitkomst. Voor de lithoklasse van een voxel wordt dan bijvoorbeeld 80 keer klei geschat, 10 keer veen en 10 keer kleiig zand. Uit de verschillende schattingen wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keren dat de lithoklasse is geschat te delen door het aantal modelberekeningen (bijvoorbeeld 100). In het eerder beschreven voorbeeld is de kans op klei dan 0,8, de kans op veen 0,1 en de kans op kleiig zand eveneens 0,1.

De verschillende uitkomsten van de modelberekeningen geven aan hoe goed het model in staat is om een eenduidige schatting te geven: in het beste geval leidt elke modelberekening tot dezelfde uitkomst, in het slechtste geval komen alle mogelijke uitkomsten even vaak voor.

Voor individuele voxels kan de kansverdeling worden weergegeven in een histogram, waarmee een visualisatie van de modelonzekerheid in de betreffende voxel wordt verkregen (Figuur 3.5).

1.6.13.1. Data element details Kleur rood

Naast de kans op lithoklasse bevat het voxelmodel een maat van modelonzekerheid die in één getalswaarde wordt uitgedrukt in plaats van een reeks afzonderlijke kansen voor elke mogelijke lithoklasse of geologische eenheid. Deze maat is afgeleid van het concept van informatie-entropie. In plaats van de term informatie-entropie wordt in GeoTOP de term modelonzekerheid gebruikt.

De modelonzekerheid van lithoklasse is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de voor de voxel representatieve lithoklasse en heeft de volgende eigenschappen:

In onderstaande tabel is de modelonzekerheid (H) uitgewerkt voor een model met drie mogelijke lithoklassen (bijvoorbeeld zand, klei, veen, met kansen p1, p2, p3).

In de eerste situatie is de kans op de eerste lithoklasse 1, en hebben de beide andere lithoklassen een kans 0. Hieruit volgt dat het model zeer goed in staat is om een schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 0.

In de tweede situatie zijn de kansen op de drie lithoklassen aan elkaar gelijk. Het model is niet in staat om een eenduidige schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 1.

GeoTOP is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schattingen of voorspellingen van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond in twee of drie dimensies. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.

GeoTOP is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw en grondsoort (bijvoorbeeld klei, zand, veen) van de ondiepe ondergrond van Nederland tot een diepte van maximaal 50 m onder NAP. In GeoTOP is de ondergrond onderverdeeld in een regelmatig driedimensionaal grid (raster) van aaneengesloten voxels (volumecellen) van 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticaal. Aan elke voxel zijn eigenschappen gekoppeld. Dit zijn de lithostratigrafische c.q. geologische eenheid (laag) waartoe een voxel behoort, de lithoklasse (grondsoort) die representatief is voor de voxel en een aantal attributen die tezamen een maat van modelonzekerheid vormen. Behalve voxels bevat GeoTOP ook een gedetailleerd lagenmodel en de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen die bij het maken van het model gebruikt zijn.

2.3.5. Modelonzekerheid van geologische eenheid

De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen, lagenmodel en voxelmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.3.

2.2. Dekkingsgebied en modelgebieden

Een belangrijk aspect van GeoTOP is dat het is opgedeeld in modelgebieden. GeoTOP wordt niet in één keer landelijk samengesteld maar regio-gewijs ontwikkeld. De prioriteitstelling vindt plaats in samenspraak tussen de Geologische Dienst Nederland en de gebruikers, onder auspiciën van de bronhouder (het Ministerie van BZK). Historische modelgebieden, die nog niet gemodelleerd zijn onder het kwaliteitsregime van de BRO (zoals vastgelegd in het Totstandkomingsrapport) worden in de BRO opgenomen als zijnde ‘in onderzoek’.

2.5. Kwaliteitsaspecten

2.5.1. Algemeen

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

De hoeveelheid beschikbare boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Er zijn gebieden met een zeer hoge boordichtheid, bijvoorbeeld Zuid-Holland en grote delen van Midden-Nederland. Andere delen van het land, zoals de Veluwe, hebben een veel lagere boordichtheid. Bovendien geldt dat de boordichtheid snel met de diepte afneemt. In het algemeen kan gesteld worden dat de afnemende datadichtheid dieper dan 30 m onder maaiveld leidt tot een sterk verminderde kwaliteit van de schatting van de lithoklasse.

De kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet specifiek voor GeoTOP verzameld en de kwaliteit loopt, afhankelijk van het doel en de methode waarmee ze gezet zijn, sterk uiteen.

De belangrijkste gegevensbron voor GeoTOP zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen en voxels geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel of voxel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:

Alle maatstaven van onzekerheid in GeoTOP zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In GeoTOP spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.

De toepassing waarin GeoTOP gebruikt wordt. Verschillende toepassingen stellen verschillende kwaliteitseisen.

Van elke gemodelleerde geologische eenheid in het lagenmodel is van zowel de top als de basis een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid en per modelgebied verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.

2.3.3. Kans op lithoklasse

In het voxelmodel wordt de lithoklasse met behulp van stochastische interpolatietechnieken geschat. Deze technieken komen er in essentie op neer dat het model een groot aantal (bijvoorbeeld 100) keer wordt doorgerekend met telkens een andere, maar statistisch gezien even waarschijnlijke, uitkomst. Voor de lithoklasse van een voxel wordt dan bijvoorbeeld 80 keer klei geschat, 10 keer veen en 10 keer kleiig zand. Uit de verschillende schattingen wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keren dat de lithoklasse is geschat te delen door het aantal modelberekeningen (bijvoorbeeld 100). In het eerder beschreven voorbeeld is de kans op klei dan 0,8, de kans op veen 0,1 en de kans op kleiig zand eveneens 0,1.

De verschillende uitkomsten van de modelberekeningen geven aan hoe goed het model in staat is om een eenduidige schatting te geven: in het beste geval leidt elke modelberekening tot dezelfde uitkomst, in het slechtste geval komen alle mogelijke uitkomsten even vaak voor.

2.5.3. Boormonsterbeschrijvingen

2.3.4. Modelonzekerheid van lithoklasse

Naast de kans op lithoklasse bevat het voxelmodel een maat van modelonzekerheid die in één getalswaarde wordt uitgedrukt in plaats van een reeks afzonderlijke kansen voor elke mogelijke lithoklasse of geologische eenheid. Deze maat is afgeleid van het concept van informatie-entropie. In plaats van de term informatie-entropie wordt in GeoTOP de term modelonzekerheid gebruikt.

De modelonzekerheid van lithoklasse is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de voor de voxel representatieve lithoklasse en heeft de volgende eigenschappen:

2.5.3.2. Kwaliteitsfiltering

In de eerste situatie is de kans op de eerste lithoklasse 1, en hebben de beide andere lithoklassen een kans 0. Hieruit volgt dat het model zeer goed in staat is om een schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 0.

In de tweede situatie zijn de kansen op de drie lithoklassen aan elkaar gelijk. Het model is niet in staat om een eenduidige schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 1.

In de derde situatie zijn er twee lithoklassen met gelijke kansen. Het model kan geen eenduidige schatting geven van de eerste twee lithoklassen, maar lithoklasse 3 komt zeker niet voor.

2.5.3.3. Momentopname (ouderdom)

Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.

2.5.3.4. Momentopname (database)

Bij het construeren van een modelgebied wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de brondatabase met boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boormonsterbeschrijvingsintervallen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden vervolgens gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die in de brondatabase na de momentopname worden aangebracht, zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende modelgebied.

2.5.3.5. Interpretatie in geologische eenheden

Door de omvang van de dataset is het ondoenlijk alle boormonsterbeschrijvingen handmatig te voorzien van een indeling in geologische eenheden. Bovendien bestaat bij handmatige werkzaamheden het gevaar van inconsistentie waarbij vergelijkbare boormonsterbeschrijvingen verschillend worden geïnterpreteerd. GeoTOP voorziet daarom in geautomatiseerde procedures om de boormonsterbeschrijving in geologische eenheden te interpreteren.

De interpretatie in geologische eenheden wordt door gebiedsdeskundige geologen getoetst aan de hand van geologische dwarsdoorsneden en eerder met de hand geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen. Ook wordt een aantal plausibiliteitscontroles uitgevoerd om een stratigrafisch correcte opeenvolging van eenheden te waarborgen. Het is echter niet mogelijk om alle individuele interpretaties handmatig te controleren.

2.5.3.6. Lithoklasse interpretatie

De hoeveelheid beschikbare boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Er zijn gebieden met een zeer hoge boordichtheid, bijvoorbeeld Zuid-Holland en grote delen van Midden-Nederland. Andere delen van het land, zoals de Veluwe, hebben een veel lagere boordichtheid. Bovendien geldt dat de boordichtheid snel met de diepte afneemt. In het algemeen kan gesteld worden dat de afnemende datadichtheid dieper dan 30 m onder maaiveld leidt tot een sterk verminderde kwaliteit van de schatting van de lithoklasse.

2.5.4. Verbreidingen

De ouderdom van de brongegevens. De te modelleren werkelijkheid zoals die in boormonsterbeschrijvingen en op geologisch en bodemkundig kaartmateriaal is weergegeven kan intussen zijn veranderd. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.

De complexiteit van de geologie. Een eenvoudige, homogene ondergrond is eenvoudiger en met minder boormonsterbeschrijvingen te modelleren dan een complexe, heterogene ondergrond. Complexiteit kan regionaal verschillen, daarnaast bestaan binnen een regio ook verschillen in de complexiteit van de geologische eenheden die in de regio worden onderscheiden.

De toepassing waarin GeoTOP gebruikt wordt. Verschillende toepassingen stellen verschillende kwaliteitseisen.

2.5.5. Breuken

Binnen de modellering van GeoTOP wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van GeoTOP de breuken verondersteld verticaal te zijn.

2.5.6. Lagenmodel

2.5.6.1. Mate van detaillering

De mate van detaillering van het lagenmodel in het ondiepe bereik is in het algemeen groter dan in de diepere delen. Dit heeft de maken met de datadichtheid, die in het ondiepe bereik hoger is dan in het diepe deel.

2.5.3.1. Boormonsterbeschrijvingen

De inhoudelijke kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen is zeer wisselend. De gebruikte boormethode en de daaraan gekoppelde manier van monstername oefent invloed uit op de inhoudelijke kwaliteit van laagbeschrijvingen. Booractiviteiten verstoren de aanwezige opbouw van de bodemlagen. Afhankelijk van de boormethode treedt in grote of kleine mate vermenging op van de verschillende grondsoorten. In een gestoken boring, waarbij een ongeroerd bodemmonster voor iedere meter wordt genomen, gebeurt dit alleen bij de overgang van de kernen. Maar tijdens een spoelboring vindt een sterke vermenging van de lagen plaats. Bovendien kan de aan het boorwater toegevoegde boorspoeling de kwaliteit van het monster nog verder doen dalen.

2.5.6.3. Consistent lagenmodel

Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt. Deze gevolgtrekking gebruiken we om van (de middelpunten van) voxels te bepalen tot welke eenheid ze behoren.

Uitgangspunt voor GeoTOP is dat alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen worden meegenomen in de modellering. Voor een deel van de boormonsterbeschrijvingen geldt echter dat de kwaliteit zodanig laag is, dat GeoTOP er niet beter maar slechter door zou worden. Om deze boormonsterbeschrijvingen te traceren en uit te sluiten wordt een kwaliteitsfilter toegepast. Een eerste filter sluit boormonsterbeschrijvingen uit waarvan alleen kopgegevens bekend zijn of waarvan de kopgegevens maaiveldhoogte, einddiepte of locatie (x- en y-coördinaat) ontbreken.

2.5.6.4. Verschillen tussen lagenmodel en boormonsterbeschrijvingen

Boormonsterbeschrijvingen die worden uitgesloten worden vastgelegd in een lijst met uit te sluiten boornummers, met een (korte) omschrijving van de reden waarom ze uitgesloten zijn. Deze lijst wordt in latere modelleerstappen op basis van controles van het lagenmodel nog handmatig aangevuld. Afhankelijk van het modelgebied wordt in het algemeen maximaal 10% van de boormonsterbeschrijvingen op basis van het automatische kwaliteitsfilter uitgesloten.

De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals kleine hoogteverschillen ter plaatse van het boormonsterbeschrijving, fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het construeren van het model heeft plaatsgevonden. Verder geldt ook bij maaiveldhoogte dat de hoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 x 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke puntlocatie.

2.5.7. Voxelmodel

2.5.3.4. Momentopname (database)

Bij het construeren van een modelgebied wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de brondatabase met boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boormonsterbeschrijvingsintervallen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden vervolgens gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die in de brondatabase na de momentopname worden aangebracht, zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende modelgebied.

2.5.3.5. Interpretatie in geologische eenheden

Door de omvang van de dataset is het ondoenlijk alle boormonsterbeschrijvingen handmatig te voorzien van een indeling in geologische eenheden. Bovendien bestaat bij handmatige werkzaamheden het gevaar van inconsistentie waarbij vergelijkbare boormonsterbeschrijvingen verschillend worden geïnterpreteerd. GeoTOP voorziet daarom in geautomatiseerde procedures om de boormonsterbeschrijving in geologische eenheden te interpreteren.

De interpretatie in geologische eenheden wordt door gebiedsdeskundige geologen getoetst aan de hand van geologische dwarsdoorsneden en eerder met de hand geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen. Ook wordt een aantal plausibiliteitscontroles uitgevoerd om een stratigrafisch correcte opeenvolging van eenheden te waarborgen. Het is echter niet mogelijk om alle individuele interpretaties handmatig te controleren.

In uitzonderingsgevallen wordt ervoor gekozen om een eenheid in het lagenmodel een minimale dikte van 0,5 m te geven. Daarmee wordt gewaarborgd dat de eenheid, daar waar die in het lagenmodel voorkomt, ook in het voxelmodel wordt gerepresenteerd.

2.5.7.3. Verschillen tussen voxelmodel en boormonsterbeschrijvingen

Net als bij het lagenmodel kunnen er verschillen bestaan tussen de lithoklassen in het boormonsterbeschrijving en die in het voxelmodel. De lithoklassen in het voxelmodel zijn een schatting die representatief is voor een volume van 100 x 100 bij 0,5 m (5.000 m3) en die past bij een (sub)regionale schaal.

2.6. Metadata

2.6.1. Resolutie

Ten behoeve van de lagenmodellering worden de verbreidingsgrenzen (polygonen) verrasterd naar rasters met rastercellen van 100 x 100 m.

2.5.5. Breuken

Binnen de modellering van GeoTOP wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van GeoTOP de breuken verondersteld verticaal te zijn.

2.5.6. Lagenmodel

De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.

2.6.4. Horizontale begrenzing

De horizontale begrenzing is zowel voor het model als geheel als voor elk modelgebied afzonderlijk vastgelegd in een polygoon.

2.6.5. Verticale begrenzing

De verticale begrenzing aan de bovenkant wordt bepaald door het maaiveld- en waterbodemhoogtebestand. Dit bestand is een raster met cellen van 100 x 100 m en vormt een onderdeel van het modelgebied. Elke rastercel geeft de hoogteligging van het maaiveld resp. de waterbodem ten opzichte van NAP weer.

Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt. Deze gevolgtrekking gebruiken we om van (de middelpunten van) voxels te bepalen tot welke eenheid ze behoren.

2.6.6. Horizontaal referentiesysteem

Alle coördinaten in GeoTOP zijn gegeven in m in het Rijksdriehoekstelsel (RD).

Een geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de diepteligging en dikte van geologische eenheden op één specifieke puntlocatie. In het lagenmodel wordt een schatting gegeven van de diepteligging en dikte van geologische eenheden die representatief is voor een gebied van 100 x 100 m (10.000 m2) en die past bij een (sub)regionale schaal. De diepteligging en dikte van geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de diepteligging en dikte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de stratigrafische opeenvolging van eenheden in een boormonsterprofiel kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden: dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden kan voor de modellering zijn vereenvoudigd.

2.6.7. Verticaal referentiesysteem

Alle hoogten in het lagenmodel en voxelmodel van GeoTOP zijn gegeven in m ten opzichte van NAP. Voor het voxelmodel geldt de conventie dat de verticale ligging van een voxel wordt beschreven door de coördinaten van het middelpunt (“cell center”) van de voxel.

Bijlage XV. behorend bij artikel 11, onderdeel n, van de Regeling basisregistratie ondergrond

Bij het construeren van het voxelmodel wordt een stochastische interpolatietechniek gebruikt om de lithoklasse van de voxels te schatten. De procedure leidt tot een set van bijvoorbeeld 100 verschillende, maar statistisch gezien even waarschijnlijke schattingen. Via een speciaal daarvoor ontwikkelde methode worden de lithoklassen gemiddeld tot de ‘meest waarschijnlijke lithoklasse’. Daarnaast wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keer dat in een voxel de lithoklasse geschat is te delen door het aantal schattingen.

Versie: 0.99

Het voxelmodel heeft in de horizontale richtingen dezelfde dimensies als het lagenmodel. In de verticale richting heeft het voxelmodel echter een maximale resolutie van 0,5 m. Dit betekent dat waarden van top, basis en dikte van de geologische eenheden in het voxelmodel altijd veelvouden van 0,5 m zijn.

Artikel 1. Definities

1.1. Objecttypen

2.5.7.3. Verschillen tussen voxelmodel en boormonsterbeschrijvingen

1.1.2. Objecttype Modelgebied

2.6. Metadata

2.6.1. Resolutie

1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

2.6.2. Gebruiksschaal

1.2. Referentielijsten

2.6.3. Gebiedsaanduiding

1.2.1.1. Overzicht referentie elementen

2.6.4. Horizontale begrenzing

1.3.1. Gestructureerd datatype Interval

2.6.5. Verticale begrenzing

1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak

1.3.2.1. Overzicht data elementen

2.6.6. Horizontaal referentiesysteem

1.3.3.1. Overzicht data elementen

1.3.4. Gestructureerd datatype Kleur

2.6.7. Verticaal referentiesysteem

1.4. Primitieve datatypen

1.4.1. Primitief datatype GM_MultiCurve

1.4.2. Primitief datatype GM_Point

1.4.3. Primitief datatype GM_Surface

1.4.4. Primitief datatype CV_Coverage

Artikel 1. Definities

1.1. Objecttypen

1.1.1. Objecttype Model

1.1.2. Objecttype Modelgebied

1.1.3. Objecttype Geïnterpreteerd boormonsterprofiel

1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval

1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

1.1.6. Objecttype Laag

1.2. Referentielijsten

1.2.1. Referentielijst Geologische eenheid

1.2.1.1. Overzicht referentie elementen

1.3. Gestruktureerde datatypen

1.3.1. Gestructureerd datatype Interval

1.3.1.1. Overzicht data elementen

1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak

1.3.2.1. Overzicht data elementen

1.3.3. Gestructureerd datatype Dikte

1.3.3.1. Overzicht data elementen

1.3.4. Gestructureerd datatype Kleur

1.3.4.1. Overzicht data elementen

1.4. Primitieve datatypen

1.4.1. Primitief datatype GM_MultiCurve

1.4.2. Primitief datatype GM_Point

1.4.3. Primitief datatype GM_Surface

1.4.4. Primitief datatype CV_Coverage

1.5. Enumeraties

1.6. Attribuut- en relatiesoort details

1.6.1. Objecttype Model

1.6.1.1. Attribuutsoort details Model naam

1.6.1.2. Attribuutsoort details Model versie

1.6.1.3. Attribuutsoort details Model datum ingang

1.6.1.4. Attribuutsoort details Model datum einde

1.6.1.5. Attribuutsoort details Model dekkingsgebied

1.6.1.6. Relatiesoort details Model is samengesteld uit

1.6.2. Objecttype Modelgebied

1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam

1.6.2.2. Attribuutsoort details Modelgebied versie

1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang

1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde

1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied

1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top

1.6.3. Objecttype Geïnterpreteerd boormonsterprofiel

1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel boornummer

1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel geometrie

1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel einddiepte

1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel behoort tot

1.6.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval

1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval

1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie

1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse

1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval grindmediaanklasse

1.6.4.5. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging klei

1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt

1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand

1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind

1.6.4.9. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging humus

1.6.4.10. Relatiesoort details Boorbeschrijvingsinterval maakt deel uit van

1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval

1.6.5.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval interval

1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geologische eenheid

1.6.5.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval indicatie gestuwd

1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geulgeneratie

1.6.5.5. Relatiesoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval behoort tot

1.6.6. Objecttype Laag

1.6.6.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top

1.6.6.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis

1.6.6.3. Attribuutsoort details Laag dikte

1.6.6.4. Attribuutsoort details Laag kans geologische eenheid

Digitaal Geologisch Model (DGM) is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schematische weergaven van de werkelijkheid in twee of drie dimensies. Deze schematische weergaven geven een schatting of voorspelling van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.

DGM is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw van de matig diepe ondergrond van Nederland tot een gemiddelde diepte van ongeveer 500 m onder NAP, met een maximum diepte van 1.200 m onder NAP. De basisbouwstenen van DGM zijn lithostratigrafische c.q. geologische eenheden. Deze termen worden hieronder toegelicht:

DGM bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:

De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen en het lagenmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.2.

1.6.7. Referentielijst Geologische eenheid

Op DGM is versiebeheer van toepassing. De in de BRO uitgeleverde versie van DGM bevat altijd het meest actuele model.

De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

1.6.7.4. Referentie element details Geologische eenheid kleur

1.6.8. Gestructureerd datatype Interval

De belangrijkste gegevensbron voor DGM zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:

Alle maatstaven van onzekerheid in DGM zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In DGM spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.

1.6.9. Gestructureerd datatype Grensvlak

Van elke gemodelleerde geologische eenheid van het lagenmodel is van zowel de top, basis als de dikte een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid en de daaruit afgeleide dikte. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de dikte of de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.

1.6.9.2. Data element details Grensvlak standaardeviatie

Voor iedere rastercel per geologische eenheid is een kans op voorkomen van deze geologische eenheid berekend.

1.6.10.1. Data element details Dikte dikte

DGM is een regionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op landelijk en provinciaal niveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:100.000. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (subregionaal) kan DGM als raamwerk dienen waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.

1.6.11. Gestructureerd datatype Kleur

1.6.11.1. Data element details Kleur rood

De kwaliteit van DGM is onder andere afhankelijk van de volgende factoren, de hoeveelheid, diepte, ruimtelijke verdeling en kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen, de verbreiding van een geologische eenheid, de breukwerking in deze eenheid en het modelleren van de eenheden.

Deze kwaliteitsaspecten wordt in de navolgende paragrafen nader besproken.

1.6.12. Enumeratie details Indicatie

Toelichting

Voor DGM wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Er wordt gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van boormonsterbeschrijvingen per geologische eenheid, maar dit kan niet altijd gerealiseerd worden. Er zijn gebieden met een hogere boordichtheid (in onderzoeksgebieden, drinkwateronttrekkingsgebieden) en gebieden met een veel lagere boordichtheid (Waddenzee, IJsselmeer). Daarnaast kan de boordichtheid per eenheid per regio variëren. Tot slot varieert de kwaliteit van de boorbeschrijvingen binnen deze subset. De gebruikte boormethode, de daaraan gekoppelde manier van monstername en de methode waarmee de monsters zijn beschreven beïnvloeden de kwaliteit van laagbeschrijvingen.

2.5.2.2. Kwaliteitsfiltering

DGM is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw van de matig diepe ondergrond van Nederland tot een gemiddelde diepte van ongeveer 500 m onder NAP, met een maximum diepte van 1.200 m onder NAP. De basisbouwstenen van DGM zijn lithostratigrafische c.q. geologische eenheden. Deze termen worden hieronder toegelicht:

DGM bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:

2.5.2.3. Momentopname

Bij het actualiseren van het model wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boorbeschrijvingen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die na de momentopname aan deze boormonsterbeschrijvingen worden aangebracht, zullen niet zichtbaar in de momentopname zijn en zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende model.

2.5.2.4. Interpretatie in geologische eenheden

De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

2.3. Modelonzekerheden

Binnen de modellering van DGM wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van DGM deze breuken verondersteld verticaal te zijn.

2.5.4. Lagenmodel

2.5.4.1. Consistent lagenmodel

Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt.

2.5.4.2. Verschillen met boormonsterbeschrijvingen

Een boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van geologische eenheden op één specifieke locatie. In het lagenmodel wordt middels geostatistische technieken een schatting gegeven van de hoogteligging van de geologische eenheden per rastercel. Deze is daarmee representatief voor een gebied van 100 bij 100 m (10.000 m2). De diepteligging van de geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de voorspelde diepte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de stratigrafische opeenvolging van eenheden in een boormonsterbeschrijving kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden, dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden moet voor de modellering vereenvoudigd worden.

Voor iedere rastercel per geologische eenheid is een kans op voorkomen van deze geologische eenheid berekend.

2.4. Doel en gebruik

2.6.1. Resolutie

Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 bij 100 m.

2.5.1. Algemeen

De kwaliteit van DGM is onder andere afhankelijk van de volgende factoren, de hoeveelheid, diepte, ruimtelijke verdeling en kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen, de verbreiding van een geologische eenheid, de breukwerking in deze eenheid en het modelleren van de eenheden.

2.6.3. Gebiedsaanduiding

De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.

2.5.2.1. Boormonsterbeschrijvingen

Voor DGM wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Er wordt gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van boormonsterbeschrijvingen per geologische eenheid, maar dit kan niet altijd gerealiseerd worden. Er zijn gebieden met een hogere boordichtheid (in onderzoeksgebieden, drinkwateronttrekkingsgebieden) en gebieden met een veel lagere boordichtheid (Waddenzee, IJsselmeer). Daarnaast kan de boordichtheid per eenheid per regio variëren. Tot slot varieert de kwaliteit van de boorbeschrijvingen binnen deze subset. De gebruikte boormethode, de daaraan gekoppelde manier van monstername en de methode waarmee de monsters zijn beschreven beïnvloeden de kwaliteit van laagbeschrijvingen.

2.5.2.2. Kwaliteitsfiltering

Binnen de subset van DGM kunnen de boormonsterbeschrijvingen soms te weinig lithologische kenmerken bevatten of uit te grote diepte-intervallen bestaan om een geologische eenheid te kunnen interpreteren. Indien ook aanvullende informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een geofysische boorgatmeting, die ondersteunend kan zijn bij de interpretatie, ontbreekt, kan besloten worden om dergelijke boormonsterbeschrijvingen niet bij de modellering van de top en/of basis van de betreffende eenheid mee te nemen. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een geologische eenheid wordt handmatig uitgevoerd.

Daarnaast wordt de DGM subset onderworpen aan een geautomatiseerde kwaliteitscontrole. Hierbij worden plausibiliteitstesten uitgevoerd

2.5.2.3. Momentopname

Bij het actualiseren van het model wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boorbeschrijvingen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die na de momentopname aan deze boormonsterbeschrijvingen worden aangebracht, zullen niet zichtbaar in de momentopname zijn en zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende model.

Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (“lower left corner”).

2.6.7. Verticaal referentiesysteem

Na het in geologische eenheden interpreteren van de boormonsterbeschrijvingen worden de interpretaties middels een aantal plausibiliteitscontroles gecontroleerd.

Bijlage XVI. behorend bij artikel 11 van de Regeling basisregistratie ondergrond

Binnen de modellering van DGM wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van DGM deze breuken verondersteld verticaal te zijn.

Datum 1 februari 2021

2.5.4.1. Consistent lagenmodel

Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

2.5.4.2. Verschillen met boormonsterbeschrijvingen

2. Het domeinmodel

3. Entiteiten en attributen

2.6. Metadata

2.6.1. Resolutie

3.1.2. bronhouder

2.6.2. Gebruiksschaal

3.1.4. datum eerste meting

2.6.3. Gebiedsaanduiding

3.1.6. dataleverancier

2.6.4. Horizontale begrenzing

3.1.8. registratiegeschiedenis

2.6.5. Verticale begrenzing

3.1.10. gerelateerde grondwatermonitoringbuis

3.1.11. gerelateerd grondwatermonitoringnet

2.6.6. Horizontaal referentiesysteem

3.2.1. tijdstip registratie object

3.2.2. registratiestatus

2.6.7. Verticaal referentiesysteem

3.2.4. tijdstip voltooiing registratie

3.2.5. gecorrigeerd

3.2.6. tijdstip laatste correctie

3.2.7. in onderzoek

Inhoudsopgave

Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

1. Registratieobject

2. Het domeinmodel

3. Entiteiten en attributen

3.1. Formatieweerstandonderzoek

3.1.1. BRO-ID

3.1.2. bronhouder

3.1.3. object-ID bronhouder

3.1.4. datum eerste meting

3.1.5. datum recentste meting

3.1.6. dataleverancier

3.1.7. kwaliteitsregime

3.1.8. registratiegeschiedenis

3.1.9. gerelateerde bepaling formatieweerstand

3.1.10. gerelateerde grondwatermonitoringbuis

3.1.11. gerelateerd grondwatermonitoringnet

3.2. Registratiegeschiedenis

3.2.1. tijdstip registratie object

3.2.2. registratiestatus

3.2.3. tijdstip laatste aanvulling

3.2.4. tijdstip voltooiing registratie

3.2.5. gecorrigeerd

3.2.6. tijdstip laatste correctie

3.2.7. in onderzoek

3.2.8. in onderzoek sinds

3.2.9. uit registratie genomen

3.2.10. tijdstip uit registratie genomen

3.2.11. weer in registratie genomen

3.2.12. tijdstip weer in registratie genomen

3.3. Grondwatermonitoringnet

3.3.1. BRO-ID

3.4. GMW-monitoringbuis

3.4.1. BRO-ID

3.4.2. buisnummer

3.5. Bepaling formatieweerstand

3.5.1. bepaling ID

3.5.2. soort bepaling

3.5.3. gerelateerde elektromagnetische meetmethode

3.5.4. gerelateerde Geo-ohmkabel meetmethode

3.6. Elektromagnetische meetmethode

3.6.1. datum meting

3.6.2. uitvoerder meting

3.6.3. bepalingsprocedure

3.6.4. beoordelingsprocedure

3.6.5. meetreeks

3.6.6. gerelateerde instrumentconfiguratie

3.6.7. gerelateerde Schijnbare formatieweerstand berekening

3.7. Instrumentconfiguratie

3.7.1. instrumentconfiguratie ID

3.7.2. relatieve positie zendspoel

3.7.3. relatieve positie primaire ontvangstspoel

3.7.4. secundaire ontvangstspoel aanwezig

3.7.5. relatieve positie secundaire ontvangstspoel

3.7.6. spoelfrequentie bekend

3.7.7. spoelfrequentie

3.7.8. lengte instrument

3.8. Elektromagnetische meting record

3.8.1. verticale positie

3.8.2. primaire meetwaarde

3.8.3. secundaire meetwaarde

3.9. Elektromagnetische meting meetreeks

3.9.1. meetrecord

3.10. Geo-ohmkabel meetmethode

3.10.1. datum meting

3.10.2. uitvoerder meting

3.10.3. bepalingsprocedure

3.10.4. beoordelingsprocedure

3.10.5. meetwaarde

3.10.6. gerelateerde schijnbare formatieweerstand berekening

3.11. Geo-ohmmeting meetwaarde

3.11.1. weerstand

3.11.2. gerelateerde meetconfiguratie

3.12. Meetconfiguratie

De lijst van protocollen en werkwijzen die worden toegepast bij de beoordeling van de kwaliteit van de meetwaarden.

3.12.2. meetpaar

De lijst van procedures die voor de bepalingen in het formatieweerstandonderzoek worden toegepast.

3.13. Elektrodepaar

De lijst van protocollen en werkwijzen die worden toegepast bij de beoordeling van de kwaliteit van de meetwaarden.

3.13.2. elektrode2

De lijst met mogelijke actuele fases van registratie waarin het object zich bevindt.

3.14.1. BRO-ID

De lijst van mogelijke typen bepalingen van de formatieweerstand.

3.14.3. kabelnummer

De lijst van de mogelijke uitkomsten van het eindoordeel van de bronhouder over de kwaliteit van individuele metingen.

3.14.5. elektrodepositie

3.14.6. elektrodestatus

Grondwater is een belangrijke bestaansbron. Het grondwater wordt daarom in Nederland op grote schaal gemonitord en beheerd. Het beheer van het grondwater richt zich op de hoeveelheid grondwater en de kwaliteit ervan. Om dit beheer goed te kunnen uitvoeren, wordt in Nederland de toestand van het grondwater over langere tijd gevolgd. Dat heet grondwatermonitoring. Er wordt daarbij gekeken naar de grondwaterstand (kwantiteit), en naar de samenstelling van het grondwater (kwaliteit). Hiervoor worden ook regelmatig (periodiek) Formatieweerstandonderzoeken uitgevoerd. Door het verzamelen van deze meetgegevens kan (de verandering) van het (relatieve) saliniteitsgehalte van het grondwater in de ondergrond rondom grondwatermonitoring putten worden afgeleid.

In het domein grondwatermonitoring staan de grondwatermonitoringnetten centraal. Deze zijn ingericht om het grondwater in Nederland te kunnen beheren. Het doel waarvoor een monitoringnet is ingesteld, het monitoringdoel, beperkt zich in veel gevallen tot kwantiteit of kwaliteit (waaronder de uit formatieweerstand af te leiden saliniteit), maar het komt ook voor dat onderzoek aan zowel de kwantiteit als de kwaliteit wordt gedaan binnen hetzelfde grondwatermonitoringnet.

Grondwatermonitoring houdt in dat de toestand van het grondwater in een bepaald gebied, of eigenlijk in een bepaald deel van de ondergrond, over langere tijd gevolgd wordt. De grootte van het gebied en de diepte van monitoring verschillen per grondwatermonitoringnet. Ook de duur van monitoring wisselt sterk.

In het Besluit basisregistratie ondergrond is omschreven welke vormen van monitoring onder deze basisregistratie vallen. Het belangrijkste criterium is het type organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het grondwater: de grondwatermonitoring moet door, of in opdracht van, een bestuursorgaan, de bronhouder, worden uitgevoerd. Verder is er een beperking aan de tijdschaal gesteld. Formatieweerstandonderzoek is gebaat bij het frequent en meerjarig verzamelen van gegevens. Wanneer een monitoringnet is ingesteld om de toestand van het grondwater over een langere periode van ten minste 1 jaar en met meerdere meetmomenten, dan valt het altijd onder de basisregistratie ondergrond. Aan de ruimtelijke schaal van monitoring zijn voor de basisregistratie ondergrond geen grenzen gesteld, afgezien van het feit dat voor de gehele basisregistratie ondergrond geldt dat het gegevens bevat over de ondergrond van Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft.

In de Regels omtrent de basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond staat dat de BRO 'voorlopig' respectievelijk 'vooralsnog' geen milieukwaliteitsinformatie bevat. Voor het grondwatermonitoringdomein zijn grondwatersamenstellingsonderzoeksgegevens uit monitoringnetten rondom milieuhygiënische projecten, waarin het met name gaat om het monitoren van de verontreiniging van de bodem en het grondwater, daarmee voorlopig buiten scope geplaatst. Op 18 december 2018 is in de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht 'om informatie over bodemverontreiniging in de basisregistratie ondergrond op te nemen' (Kamerstuk Motie 34864-19). Momenteel is nog niet bekend wat de gevolgen van deze motie zullen zijn voor de scope van formatieweerstandonderzoek

De bestuursorganen die langdurig het grondwater (laten) monitoren op grondwaterkwantiteit, omdat zij daarin een wettelijke taak hebben, zijn Rijksoverheidsorganisaties (Rijkswaterstaat, Ministerie van Defensie), Provincies, Waterschappen, Gemeentes en bestuurlijke samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn er (semi)private organisaties die vanuit vergunningsplicht het grondwater langdurig monitoren op grondwaterkwantiteit, in opdracht van bevoegd gezag. Dit zijn bijvoorbeeld Gasunie, Prorail, drinkwaterbedrijven, grondwater onttrekkende industrie, (ondiepe) bodemenergie-exploitanten (bedrijven, ziekenhuizen, overige instellingen), natuurterreinbeheerorganisaties en exploitanten van ondiepe minerale delfstoffen. Deze organisaties doen periodiek grondwaterstandonderzoek en hebben daarvoor grondwatermonitoringnetten en meetplannen.

De volledige scopeafbakening is beschreven in het Scopedocument Formatieweerstandonderzoek. (FRD)

3.17.1. verticale positie

Het domein grondwatermonitoring in de basisregistratie ondergrond (BRO) omvat de volgende vijf registratieobjecten:

In de voorliggende catalogus gaat het over het registratieobject Formatieweerstandonderzoek.

In de technische landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond worden Engelstalige benamingen gehanteerd voor de registratieobjecten. Omwille van de aansluiting hiermee worden voor de registratieobjecten Engelstalige afkortingen gebruikt. In deze catalogus worden alleen de Engelstalige afkortingen en verder de Nederlandstalige termen gebruiken.

Een grondwatermonitoringput betreft de constructie die gebruikt wordt om standen en/of de samenstelling van het grondwater te meten. Gewoonlijk bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf. Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater de buis binnen kan komen is het filter. Elke buis heeft één filter. Een filter fungeert als meetpunt in de basisregistratie ondergrond. Informatie over grondwatermonitoringput is beschreven in de Catalogus Grondwatermonitoringput.

De lijst van protocollen en werkwijzen die worden toegepast bij de beoordeling van de kwaliteit van de meetwaarden.

Binnen het grondwaterdomein in de basisregistratie ondergrond kent alleen de grondwatermonitoringput een fysieke locatie. De vier andere registratieobjecten zijn aan het registratieobject grondwatermonitoringput gekoppeld en hebben daarmee indirect een locatie. Bij formatieweerstandonderzoek ligt de verwijzing vast naar de monitoringbuis in de grondwatermonitoringput waarin het onderzoek is uitgevoerd. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van een verwijzing naar elektrodes als onderdeel van een geo-ohmkabel die bevestigd is aan een monitoringbuis van een grondwatermonitoringput.

De lijst van procedures die voor de bepalingen in het formatieweerstandonderzoek worden toegepast.

Een grondwatermonitoringnet is een verzameling locaties waar, voor een bepaald monitoringdoel met een bepaald wettelijk kader, periodiek onderzoek aan het grondwater op een bepaalde diepte wordt gedaan om de toestand van het grondwater te kunnen bepalen en de eventuele veranderingen erin te kunnen volgen. Het grondwatermonitoringnet weerspiegelt de groepering van onderzoeksgegevens door de bronhouder op basis van het doel van de monitoring. Het registratieobject vergroot daarmee de hergebruikswaarde voor afnemers van de gegevens van de basisregistratie ondergrond. Informatie over grondwatermonitoringnet is beschreven in de Catalogus Grondwatermonitoringnet.

De lijst van protocollen en werkwijzen die worden toegepast bij de beoordeling van de kwaliteit van de meetwaarden.

1.4. Registratiestatus

3.1. Inleiding

Een formatieweerstandonderzoek is een monitorings-activiteit waarbij gedurende de levensduur (van meetsysteem en/of put) met een zekere frequentie herhaaldelijk de schijnbare formatieweerstand met behulp van een meetinstrument, in of aan de grondwatermonitoringput, wordt bepaald.

De lijst van mogelijke typen bepalingen van de formatieweerstand.

De term 'schijnbaar' wordt gebruikt omdat niet alleen de weerstand van de formatie wordt gemeten, maar de totale elektrische weerstand van de formatiematrix (de ondergrond waarin de put is geplaatst), het daarin aanwezige grondwater en het aanvulmateriaal rond de monitoringbuis, inclusief de eigenschappen van de put. Deze formatie weerstand representeert dus de schijnbare elektrische weerstand van zowel de ondergrond (matrix), het grondwater als het aanvulmateriaal rond de monitoringbuis.

De lijst van de mogelijke uitkomsten van het eindoordeel van de bronhouder over de kwaliteit van individuele metingen.

Er zijn twee type meetinstrumenten: Een geo-ohm meetinstrument bestaande uit een kabel met metalen elektroden, geplaatst aan de buitenzijde van een monitoringbuis van de monitoringput, en een elektromagnetische meetinstrument dat in een monitoringbuis van een grondwatermonitoringput wordt neergelaten. Beiden dienen een indringingsdiepte te hebben tot in de ondergrond rond de monitoringput. Dit is het geval als respectievelijk de afstand tussen de elektroden en de afstand tussen de elektromagnetische spoelen voldoende groot is. Zodanig dat ruim tot buiten de invloedsfeer van de monitoringput gemeten wordt.

Binnen het meetbereik van de metingen moeten de grondwatermonitoringput en de monitoringbuis uit niet elektrisch geleidende materialen bestaan. Indien een metalen object zich binnen het meetbereik van een meetinstrument bevindt, dan verstoort dat de metingen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)