Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)
3.75.7. volumieke massa vaste delen
Artikel 2. Beschrijving van uitbreidbare waardelijsten
1.1. Aanvulmateriaal
1.2. Afzettingskarakteristiek
1.3. Analyseprocedure
1.4. Apparaattype
1.5. BedekkingsgraadDrainagestrook
1.6. Bemonsteringskwaliteit
1.7. Bemonsteringsmethode
1.8. Bemonsteringsprocedure
1.9. BepaaldeEigenschappen
1.10. Bepalingsdiameter
1.11. Bepalingsmethode
1.12. Bepalingsprocedure
1.13. BeschrevenMateriaal
1.14. Beschrijfkwaliteit
1.15. Beschrijflocatie
1.16. Beschrijfprocedure
1.17. BijzonderGesteentebestanddeel
1.18. BijzonderheidMateriaal
1.19. BijzonderheidUitvoering
1.20. BijzonderMateriaal
1.21. Bodemgebruik
1.22. Boorprocedure
1.23. Boortechniek
1.24. BreedteklasseDiscontinuiteit
1.25. Buismateriaal
1.26. ConsistentieFijneGrond
1.27. ConsistentieOrganischeGrond
1.28. Consolidatiemethode
1.29. Conustype
1.30. Coördinaattransformatie
1.31. Correctiemethode
1.32. Desintegratie
1.33. DisperseInhomogeniteit
1.34. Dispersiemethode
1.35. Droogtemperatuur
1.36. Droogtijd
1.37. Fractieverdeling
1.38. GebruiktMedium
1.39. GelaagdeInhomogeniteit
1.40. Gelaagdheid
1.41. GeotechnischeGrondsoort
1.42. Grensbepaling
1.43. Grindgehalteklasse
1.44. Grindmediaanklasse
1.45. GrondsoortNEN5104
1.46. HerkomstRekenwaarde
1.47. Hoekigheid
1.48. Holteverdeling
1.49. InhoudMonsterhouder
1.50. KaderAanlevering
1.51. KaderInwinning
1.52. KaderstellendeProcedure
1.53. Kalkgehalteklasse
1.54. Kleur
1.55. LiggingOpGrondlichaam
1.56. LokaalVerticaalReferentiepunt
1.57. Maakmethode
1.58. MassaPercentageklasse
1.59. MethodeLocatiebepaling
1.60. MethodePositiebepalingSliblaag
1.61. MethodeVerticalePositiebepaling
1.62. Monsterkwaliteit
1.63. Monstervochtigheid
1.64. NaamGebeurtenis
1.65. Omzetting
1.66. Opvulmateriaal
1.67. Organischestofgehalteklasse
1.68. OrganischestofgehalteklasseNEN5104
1.69. OuderdomAfzetting
1.70. PlaatsingDrainagestrook
1.71. RedenNietBeschreven
1.72. Referentiestelsel
1.73. Registratiestatus
1.74. Ruwheid
1.75. Sfericiteit
1.76. SoortBijzonderBestanddeel
1.77. SoortCement
1.78. SoortGesteente
1.79. SoortVeen
1.80. Spoelingtoeslag
1.81. Stabiliteit
1.82. Staptype
1.83. Sterkteklasse
1.84. StijfheidsklasseMembraan
1.85. StopcriteriumBepaling
1.86. StopcriteriumVeld
1.87. TextuurOrganischeGrond
1.88. TijdelijkeVerandering
1.89. ToegepastOptischModel
1.90. TreksterkteVeen
1.91. TypeDiscontinuïteit
1.92. TypeIngreep
1.93. TypeVermenging
1.94. Vakgebied
1.95. Verkleuring
1.96. VerticaalReferentievlak
1.97. VerwijderdMateriaal
1.98. Voorbehandeling
1.99. Voorbereiding
1.100. VormProefstuk
1.101. Wandwrijvingcorrectiemethode
1.102. WeggegravenMateriaal
1.103. Zandmediaanklasse
1.104. Zandspreiding
1.105. ZijdelingseOndersteuning
1.106. Zoutcorrectiemethode
Toelichting
1. Inleiding
1.7. Beschrijving van gesteente
3.58.1. bepalingsID
2. Belangrijkste entiteiten
1.1. Geotechnisch booronderzoek
3.59. Waterretentiekarakteristiek
3.59.1. verzadigd volumetrisch watergehalte
2.2. Registratiegeschiedenis
3.59.3. curve enkelvoudig
2.3. Rapportagegeschiedenis
3.60.1. vormfactor alfa
1.2. Boren
3.60.3. vormfactor m
1.3. Kwaliteit van monsters
3.61. Waterdoorlatendheidskarakteristiek
3.61.1. curve enkelvoudig
3.61.2. gemodelleerde verzadigde waterdoorlatendheid
1.4. Deelonderzoeken
3.62.1. vormfactor alfa
3.62.2. vormfactor n
1.5. Verandering in de beschrijfprocedure van grond
3.62.4. vormfactor lambda
2.6. Terreintoestand
1.6. Gevolgen van de verandering
2.7. Sliblaag
1.2. AfwijkendGrondwaterRegime
1.7. Beschrijving van gesteente
1.4. Bepalingsmethode
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Booronderzoek
1.7. Beschrijfprocedure
1.8. BedekkingsgraadVlek
2.2. Registratiegeschiedenis
1.10. BijzonderheidBovenin
2.3. Rapportagegeschiedenis
1.12. BijzonderheidMateriaal
2.4. Boring
1.14. BijzonderMateriaal
1.15. Bodemgebruik
1.16. Bodemklasse
1.17. BodemkundigeGrondsoort
1.18. Bodemleven
2.11. Grond
1.20. Codegroep
1.21. Coördinaattransformatie
2.5. Bemonsteringsapparaat
1.23. Droogtemperatuur
2.6. Terreintoestand
1.25. FractieverdelingLab
2.7. Sliblaag
1.27. GelaagdeInhomogeniteit
2.8. Boormonsterbeschrijving
1.29. Grindgehalteklasse
1.30. GrondsoortNEN5104
2.9. Boorprofiel
1.32. HoekigheidAggregaat
2.16. Onderzocht materiaal
1.34. HoeveelheidsklasseWortels
2.17. Bepaling van de zettingseigenschappen
1.36. HydrologischeOmstandigheid
1.37. KaderAanlevering
2.10. Laag
1.39. Kalkgehalteklasse
1.40. Kalkverloopklasse
1.41. Kleur
2.18. Bepaling van de ongedraineerde schuifsterkte
1.43. Landschapselement
2.11. Grond
1.45. LiggingOpGrondlichaam
2.19. Bepaling van het schuifspanningsverloop bij belasting
2.12. Gesteente
1.48. MethodeLocatiebepaling
2.13. Post-sedimentaire discontinuïteit
1.50. Modelleringsmethode
2.14. Boormonsteranalyse
1.52. MunsellHoofdkleur
2.15. Onderzocht interval
2.20. Bepaling van het schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming
1.55. NaamGebeurtenis
1.56. OndergrensZandfractie
1.57. OndergrondDuinvaaggrond
2.16. Onderzocht materiaal
1.59. OrganischestofgehalteklasseNEN5104
2.17. Bepaling van de zettingseigenschappen
2.21. Bepaling van de consistentiegrenzen
1.62. Referentiestelsel
2.22. Bepaling van de korrelgrootteverdeling
1.64. Rijpingsklasse
1.65. Ruwheid
1.66. Schelpmateriaalgehalteklasse
2.18. Bepaling van de ongedraineerde schuifsterkte
2.23. Bepaling van de verzadigde waterdoorlatendheid
1.69. SoortGesteente
1.70. SoortStrooisel
2.19. Bepaling van het schuifspanningsverloop bij belasting
2.24. Bepaling van het watergehalte
1.73. StopcriteriumVeld
1.74. Structuurtype
2.25. Bepaling van het organischestofgehalte
1.76. TypeOntsluiting
1.77. Vakgebied
2.26. Bepaling van het kalkgehalte
2.20. Bepaling van het schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming
1.80. Verstoring
2.27. Bepaling van de volumieke massa
1.82. Vlekkleur
1.83. Vochtigheidstoestand
2.28. Bepaling van de volumieke massa vaste delen
1.85. VormGrens
2.21. Bepaling van de consistentiegrenzen
3. Inspire
2.22. Bepaling van de korrelgrootteverdeling
1. Inleiding
De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie).
De metingen worden altijd omgerekend naar een percentage van de totale massa en wanneer de lasermethode gekozen is, wordt een zekere correctie doorgevoerd. In alle gevallen wordt in het resultaat onderscheid gemaakt tussen de fractie groter en de fractie kleiner dan 63µm; bij die grootte ligt de grens tussen wat fijn en wat grof wordt genoemd. Ieder van de fracties kent een standaardonderverdeling en die wordt in de meeste onderzoeken toegepast. De opdracht kan een meer gedetailleerde onderverdeling vragen en met name voor de grove fractie bestaan verscheidene opties.
De korrelgrootteverdeling wordt in eerste instantie gebruikt om het materiaal te classificeren.
2.23. Bepaling van de verzadigde waterdoorlatendheid
De waterdoorlatendheid van met waterverzadigde grond is de snelheid waarmee water erdoorheen stroomt. In de geotechniek wordt de verzadigde waterdoorlatendheid bepaald volgens de constant head methode of de falling head methode. Bij beide methoden laat men water van een bepaalde soort (gebruikt medium) door de grond stromen, en daarvan wordt vastgelegd of de daarin aanwezige gassen eruit verwijderd zijn (water ontgast). Men laat het water meestal van onder naar boven door het proefstuk stromen. De variabelen die van invloed zijn op het resultaat worden vastgelegd (temperatuur, maximale gradiënt).
De constant head methode wordt gebruikt voor niet-cohesieve grond en daarvan wordt volgens een bepaalde methode een proefstuk gemaakt (maakmethode) die een bepaalde dichtheid krijgt (droge volumieke massa). Het proefstuk kan tevoren met CO2 worden verzadigd. De verzadigde waterdoorlatendheid wordt een aantal malen bepaald steeds bij een andere droge volumieke massa.
3.1. Wandonderzoek
Bodemkundig wandonderzoek vereist dat er op de plaats van het onderzoek een verticale wand is blootgelegd die het bovenste deel van de ondergrond, de bodem, met het eventueel daarop aanwezige strooisel ontsluit. Plaatsen waar de bodem van nature is ontsloten zijn in Nederland zeldzaam. Soms is er voor onderzoek een wand voorhanden die door de mens is gemaakt, bijvoorbeeld in een groeve, aan de rand van een weg- of leidingtracé of in een slootkant, maar in bijna alle gevallen moet er eerst worden gegraven.
Het watergehalte wordt bepaald door het in het materiaal aanwezige water op een bepaalde manier te verwijderen, het massaverlies te meten en het resultaat uit te drukken in de verhouding tussen de hoeveelheid water en de hoeveelheid droge stof. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Temperatuur en droogtijd zijn van belang en voor de aanwezigheid van zouten in het poriënwater wordt een bepaalde correctie doorgevoerd. In sommige gevallen wordt het gegeven bij twee verschillende temperaturen bepaald.
3.1.3. object-ID bronhouder
Bodemkundig wandonderzoek omvat gewoonlijk twee deelonderzoeken, de wandbeschrijving en de wandmonsteranalyse. Soms wordt alleen de wandbeschrijving uitgevoerd, soms alleen de wandmonsteranalyse. Daarnaast wordt het maken van foto’s meer en meer gebruikelijk.
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie).
Het organische stofgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.
Deze versie van de catalogus dekt alleen de bodemhydrofysische bepalingen en enkele bepalingen van algemene aard. Chemische analyse wordt in een volgende versie van de catalogus meegenomen.
3.1.8. vakgebied
Het kalkgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.
2.27. Bepaling van de volumieke massa
3.1.11. strooisellaag onderzocht
Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.
Wandonderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld, het veldwerk, en dat wordt in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer wandonderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd5De eisen die voor de gegevens van dat wandonderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..
3.2.1. tijdstip registratie object
Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.
3. Inspire
Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject booronderzoek valt wat het geotechnisch onderzoek betreft onder het INSPIRE-thema Geology, en om die reden moeten de gegevens in het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het Geotechnisch booronderzoek op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.
3.2.5. gecorrigeerd
Deze bijlage betreft de catalogus van de registratieobjecten wandonderzoek – bodemkundige wandbeschrijving en wandmonsteranalyse en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Datum 25 maart 2020
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
Voor, tijdens of direct na het maken en prepareren van de wand kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het onderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd. En omdat bodemvorming een doorlopend proces is waarin de actuele omstandigheden een rol spelen, wordt ook vanuit dat perspectief goed naar het terrein gekeken. Dat geldt in het bijzonder voor onderzoek dat in het kader van natuurbeheer wordt uitgevoerd.
2. Het domeinmodel
Wandbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de wand met als doel een wandprofiel te maken. De wand wordt beschreven over een bepaalde breedte (beschreven breedte) en tot de einddiepte. Op een bepaalde plaats wordt een meetlint naar beneden gehangen. Het meetlint markeert de positie van de beschrijflijn en dat is de lijn waarop de verticale posities van de lagen in het wandprofiel zijn bepaald. De plaats van de beschrijflijn wordt zo gekozen dat de wand voor het doel van het onderzoek zo goed mogelijk kan worden beschreven. Wanneer de wand snel uitdroogt, kan bevochtiging nodig zijn.
De wandbeschrijving levert twee resultaten, het wandprofiel en de bodemclassificatie.
3.1.1. Bro-id
Het wandprofiel beschrijft de opbouw van de bodem in de wand.
Een wandprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en die geeft aan tot in welk detail de wand is beschreven. De bovenkant van het profiel, de doorsnijding van het maaiveld of de bovenkant van het daarop liggende strooisel, is niet altijd vlak omdat de hoogte binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven sterk kan variëren (vorm bovengrens).
De opbouw van de bodem wordt beschreven als een opeenvolging van lagen en er wordt onderscheid gemaakt tussen strooisel- en bodemlagen. Op bepaalde plaatsen in de wand kan de laagopbouw verstoord zijn. Wanneer er lokaal buiten de beschrijflijn een verstoring optreedt wordt dat als plaatselijk fenomeen beschreven (figuur 7).
Maar wanneer verstoringen over de hele breedte van de wand voorkomen, wordt het interval waarin ze optreden als een Verstoord interval beschreven (figuur 8).
In het profiel worden verder een aantal algemene kenmerken van de wand vastgelegd, zoals het niveau van de gemiddelde grondwaterstand, de diepte tot waar beworteling mogelijk is (bewortelbare diepte), en de aanwezigheid van een interval dat door toedoen van de mens verdicht is.
3.1.7. kader inwinning
Bovenop de eigenlijke bodem liggen lokaal, met name in bossen, laagjes die uit onverteerde plantenresten zoals afgevallen blad bestaan. Dit zgn. strooisel wordt, als de opdracht daarom vraagt, beschreven als deel van het profiel. De bovengrens en de ondergrens worden op dezelfde manier beschreven als de eigenlijke bodemlagen (zie 2.9).
3.1.9. rapportagedatum onderzoek
De bodemlagen zijn de belangrijkste entiteiten van een wandprofiel. Iedereen die de ondergrond beschrijft, beschouwt de ondergrond als opgebouwd uit lagen. Een laag heeft een boven- en ondergrens en een bepaalde inhoud. Iedere grens wordt op een bepaalde manier bepaald (bepaling bovengrens en bepaling ondergrens). Meestal markeert een grens een diepte waarop een verandering in inhoud wordt waargenomen en dan is het van belang te weten hoe scherp de grens kan worden getrokken. In oorsprong zijn de grenzen in een verticale doorsnede van de ondergrond vrijwel recht, maar in de bodem is dat lang niet altijd het geval omdat de diepte tot waar bodemvormende processen reiken binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven kan variëren. De vorm van de ondergrens van een laag wordt daarom vastgelegd (vorm ondergrens).
Lagen liggen normaliter (sub)horizontaal en lopen over de hele wand door. Maar een laag kan scheefstaan (scheefstaand), bijvoorbeeld in het geval de wand gemaakt is in een stuwwal, en het komt voor dat een laag terzijde van de beschrijflijn op zekere plaatsen ontbreekt (laag discontinu).
Het kenmerkende van een laag is haar inhoud. Om de inhoud goed te kunnen beschrijven is het van belang te weten of de laag helemaal natuurlijk is of dat mens de samenstelling heeft beïnvloed (antropogeen). Dat laatste betekent meestal dat de mens de bodem ter plaatse bewerkt heeft. Door bewerking worden lagen verbroken en als gevolg daarvan kan een nieuwe laag ontstaan die uit het materiaal van oudere lagen bestaat. Wanneer zo’n laag helemaal uit brokstukken bestaat waarin de oorspronkelijke eigenschappen nog te zien zijn, spreekt men van een gekeerde laag.
Een gekeerde laag wordt beschreven als een samenstel van delen, ieder deel heet een Laagcomponent.
Wanneer de bewerking zo intensief is geweest dat dat de herkomst van de bestanddelen van een antropogene laag niet meer herkenbaar is, is de laag gemengd en wordt zij, net als een laag van natuurlijke oorsprong, beschreven als een geheel (Homogeen materiaal).
Wat de inhoud van een laag ook is, er kunnen altijd sporen van bodemorganismen (bodemleven) en wortels zichtbaar zijn (beworteld).
3.2.3. tijdstip laatste aanvulling
Een bodemlaag die beschreven wordt als een geheel, bestaat soms uit bijzonder materiaal, soms uit gesteente en meestal uit grond. In het eerste geval is het voldoende alleen het materiaal te specificeren. Een laag die uit gesteente bestaat krijgt een horizontcode – die overigens een vaste waarde heeft- en verder wordt alleen het soort gesteente nader omschreven. Lagen die uit grond bestaan krijgen een horizontcode en de samenstelling van de grond wordt uitgebreid beschreven (Grond). Verder kan het bij grond wenselijk zijn iets vast te leggen over de omstandigheden waaronder de laag gevormd is (afzettingskarakteristiek) en de verzadigde doorlatendheid te schatten.
3.2.5. gecorrigeerd
Van een bodemlaag die heterogeen is wordt iedere component apart beschreven. Het aandeel van een component in de laag wordt altijd geschat. Verder worden dezelfde gegevens vastgelegd als wanneer de inhoud van een laag als een geheel wordt geschreven, zij het dat de inhoud altijd uit grond bestaat.
3.2.7. in onderzoek
Van grond kan een grote verscheidenheid aan gegevens worden beschreven. In alle gevallen worden de volgende gegevens vastgelegd: de bodemkundige grondsoort, of voor het bepalen van de grondsoortnaam de leemdriehoek is gebruikt, de bijzondere bestanddelen, de kalkgehalteklasse en de kleur.
Veel van de andere gegevens worden alleen voor bepaalde grondsoorten vastgelegd. Zo wordt van klei- en leemhoudende grond de rijpingsklasse vastgelegd, van grond waarvan de naam aangeeft dat er veen in voorkomt, de veensoort, en van grond waarvan de naam aangeeft dat er zand in voorkomt, de zandmediaanklasse. Afhankelijk van de grondsoort wordt ook een schatting gegeven van het aandeel van de verschillende fracties waaruit de grond bestaat (Fractieverdeling). Voor historische gegevens (kwaliteitsregime IMBRO/A) is dat overigens niet altijd het geval en soms ook is de fractieverdeling niet volledig beschreven (Onvolledige fractiespecificatie).
Een aantal gegevens wordt alleen vastgelegd wanneer de opdracht een hoge kwaliteit van beschrijven vraagt. Voorbeelden daarvan zijn de structuur van de grond (structuurtype) en de geschatte dichtheid. Voor een bepaald type structuur worden de kenmerken van de structuurelementen in detail beschreven (Bodemaggregaat; zie figuur 10).
De kleur van de grond wordt bij een hoge kwaliteit altijd aan de hand van de Munsell Soil Colour Chart bepaald (Munsellkleur). Komen er vlekken voor, dan worden daarvan allerlei details beschreven (Vlek).
3.2.12. tijdstip weer in registratie genomen
De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de wandbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het wandprofiel is vastgelegd en is vooral bedoeld is als input voor bodemkundige modellen. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.
3.3.1. startdatum rapportage
Wandmonsteranalyse is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het in een laboratorium analyseren van monsters die uit een wand zijn genomen. Het soort analyse geeft globaal aan welke bepalingen er zijn uitgevoerd. In (bodem)hydrofysisch onderzoek wordt ernaar gestreefd de reeks van bepalingen volledig uit te voeren om de resultaten in samenhang te verwerken en de focus ligt daarbij op het onderzoek van de fysische relatie tussen het water en de vaste bestanddelen van de bodem. Standaard omvat dit onderzoek de bepaling van basiseigenschappen (met name korrelgrootteverdelingen en organischestofgehalte), van de droge bulkdichtheid, waterdoorlatendheid en waterretentie.
Bodemchemisch onderzoek kent een grote variatie doordat het volledig van de opdracht afhangt welke bepalingen er worden uitgevoerd. In deze versie van de catalogus zijn alleen de bepalingen van basiseigenschappen opgenomen en dat zijn, naast de korrelgrootteverdeling en het organische stofgehalte, de zuurgraad en het organische koolstofgehalte.
3.4.1. naam gebeurtenis
De monsters die geanalyseerd zijn afkomstig uit een bepaald interval dat in het wandprofiel is gedefinieerd. In hydrofysisch onderzoek is het gebruikelijk in het veld een groot aantal monsters te nemen en die afzonderlijk te onderzoeken; voor de verschillende bepalingen gelden daarbij veelal specifieke eisen. Voor bodemchemisch onderzoek is het daarentegen gebruikelijk een groot monster te nemen; na voorbehandeling worden daaruit in het laboratorium kleinere monsters genomen.
Wanneer het doel van de analyse het onderzoeken van een bepaalde horizont is, wordt de code van de horizont (horizontcode) vermeld. Aan een onderzocht interval worden altijd een of meer bepalingen gedaan. In de context van de basisregistratie ondergrond worden dat basisgegevens genoemd en dat zijn waarnemingen of metingen die door iedere vakbekwame persoon gedaan kunnen worden. Een bijzonderheid van het hydrofysisch onderzoek is dat er ook ruimte is het resultaat van modelleren vast te leggen (karakteristiek gemodelleerd). Het proces van modelleren is in hoge mate gestandaardiseerd. Het modelleren van karakteristieken is een vast onderdeel van standaard hydrofysisch onderzoek.
3.5.1. coördinaten
De zuurgraad (pH) wordt potentiometrisch bepaald van een mengsel van grond of strooisel met water waaraan een bepaalde reagent is toegevoegd. De zuurgraad is een basisgegeven dat altijd wordt bepaald in bodemchemisch onderzoek. Het is een van de kenmerken van het chemisch bodemmilieu en stelt bijvoorbeeld grenzen aan de beschikbaarheid van voor plantengroei essentiële voedingsstoffen.
3.5.3. datum locatiebepaling
Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel van alle deeltjes kleiner dan 2 millimeter bepaald. Materiaal groter dan 2 millimeter wordt vooraf uitgezeefd en verder buiten beschouwing gelaten. Koolzure kalk en organische stof worden voorafgaand aan de bepaling verwijderd. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie). De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. De metingen worden altijd omgerekend naar een percentage van de totale massa tot 2 millimeter.
In het verleden is een grote verscheidenheid aan fracties onderscheiden. Sinds het begin van de jaren 2010 bestaat de tendens de keuze te beperken, en vanaf 2020 is de keuze beperkt tot acht varianten. Het resultaat van een historische bepaling die zich niet voegt in de systematiek van de acht varianten wordt als niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling vastgelegd. Bij een gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling wordt altijd onderscheid gemaakt tussen de fractie 63 tot 2.000 µm, de fractie 50 tot 63 µm en de fractie kleiner dan 50 µm. De indelingen van de fractie 63 tot 2.000 µm en de fractie kleiner dan 50 µm kennen varianten en de meest toegepaste onderverdeling van een fractie wordt de standaard genoemd.
3.6. Aangeleverde verticale positie
Organisch materiaal speelt een hoofdrol in de goede werking en de vruchtbaarheid van de bodem. Het verbetert de structuur, bevordert de bewerkbaarheid en verhoogt het vermogen van de bodem om water vast te houden.
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie) of aan ijzeroxiden (vrij ijzercorrectie).
Het organischestofgehalte is een basisgegeven in het hydrofysisch onderzoek en bepaalde vormen van bodemchemisch onderzoek.
3.6.4. datum verticale positiebepaling
Het gehalte aan organische koolstof wordt bepaald door het organisch materiaal volgens een bepaalde methode te oxideren. Het gehalte aan organische koolstof kan worden berekend door de hoeveelheid CO2 die vrijkomt te bepalen, door de vrijgekomen hoeveelheid van een ander reactieproduct te bepalen of door te bepalen hoeveel oxidant er verbruikt is.
Het organische koolstofgehalte is een basisgegeven in de meeste vormen van bodemchemisch onderzoek.
3.7. Gestandaardiseerde locatie
De droge bulkdichtheid is gedefinieerd als de droge massa in een bekend volume. In de huidige praktijk wordt uitgegaan van een waterverzadigd volume en daartoe wordt een monster eerst met water verzadigd voordat het volume wordt bepaald. De reden daarvoor is dat het volume van zwellende en krimpende grond afhangt van de vochttoestand tijdens bemonsteren.
3.7.2. referentiestelsel
Het verloop van de krimp van grond wordt bepaald door een waterverzadigd monster in stappen droger te laten worden en de massa en het volume bij iedere stap te bepalen tot het helemaal droog is. De massa wordt altijd met een balans bepaald en voor het berekenen van het volume bestaan verschillende methoden.
3.8. Wandontsluiting
De waterdoorlatendheid van grond is de snelheid waarmee water erdoorheen stroomt. De waarde wordt in de bodemkunde bepaald door de hoeveelheid water te meten die per eenheid van tijd door een bepaalde oppervlakte stroomt bij een bekende gradiënt van de bodemvochtpotentiaal. De meting wordt uitgevoerd onder de conditie dat de doorstroomsnelheid niet of nauwelijks verandert.
De waterdoorlatendheid is het grootst wanneer de grond verzadigd is met water (verzadigde waterdoorlatendheid) en neemt af wanneer de grond droger wordt (onverzadigde waterdoorlatendheid). De waterdoorlatendheid wordt bepaald bij een bepaalde waarde van de bodemvochtpotentiaal. De bodemvochtpotentiaal is gelijk aan 0 wanneer de grond met water verzadigd is, en is negatief in onverzadigde grond. Aansluitend bij de praktijk van het laboratorium en de wijze waarop de meetopstelling is ingericht, wordt de bodemvochtpotentiaal uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte). Het verloop van de doorlatendheid wordt in de huidige praktijk bepaald voor het bereik van 0 tot minus 1.000 cm waterkolom. De bepaling van een enkele waarde van de waterdoorlatendheid kan enige dagen tot enige weken in beslag nemen. In de meeste gevallen wordt de doorlatendheid bepaald aan verticaal gestoken monsters (verticaal bemonsterd). In sommige gevallen gebeurt dit ook aan horizontaal gestoken monsters en dan kan worden vastgesteld of er sprake is van anisotropie in de doorlatendheid.
De resultaten van de bepaling worden tegenwoordig eigenlijk altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren. Het modelleren is een aparte activiteit in de monsteranalyse en de resultaten daarvan worden ook vastgelegd in de basisregistratie ondergrond. Omdat de uitvoerder op basis van de eigen expertise beoordeelt welke gegevens hij gebruikt als input voor het modelleren, wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid) zodat de resultaten van het modelleren teruggevoerd kunnen voeren op de metingen.
3.8.4. stopcriterium
Hoeveel water de grond kan vasthouden wordt bepaald door de aard en de structuur van het materiaal. De hoeveelheid water die de grond werkelijk vasthoudt varieert met de bodemvochtpotentiaal. Door de bodemvochtpotentiaal van een grondmonster in het laboratorium te veranderen, en de hoeveelheid water die het bevat bij iedere toestand te meten, bepaalt men de waterretentie. De bodemvochtpotentiaal wordt uitgedrukt als drukhoogte in de eenheid centimeters waterkolom.
De bodemvochtpotentiaal kan in stappen worden veranderd, maar ook geleidelijk door verdamping van water uit het monster. De bepaling die op verdamping is gebaseerd staat op zichzelf en is de basis van wat de bepaling van watergehalte en doorlatendheid bij veranderde bodemvochtpotentiaal wordt genoemd.
Bij een stapsgewijze bepaling weegt men het monster na het bereiken van een evenwichtssituatie met de ingestelde bodemvochtpotentiaal. Het watergehalte wordt berekend uit het massaverlies en wordt uitgedrukt in volumeprocenten (volumetrisch watergehalte) of in massaprocenten (massa watergehalte). Voor het laatste wordt alleen gekozen bij monsters waarvan de droge bulkdichtheid niet bekend is. Men heeft de keuze uit verschillende methoden. Bepaalde methoden leveren een kleine reeks van metingen, andere leveren een enkele meting per monster. De monsters die uit een interval onderzocht worden, zijn bijna altijd monsters die met een ring zijn uitgestoken(ringmonster gebruikt). De dimensies van de monsterring (ringdiameter, ringhoogte) worden dan vastgelegd omdat die bepalen hoe groot het volume grond is waaraan de bepaling is uitgevoerd.
De resultaten van dit soort bepalingen worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid).
3.9.3. ligging op grondlichaam
De bepaling van het watergehalte en de doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaal is een bepaling die een aantal stappen kent. Als eerste stap wordt de waterretentie bepaald bij een bodemvochtpotentiaal die door verdamping geleidelijk verandert. Bij deze verdampingsmethode laat de uitvoerder het water in een bij aanvang verzadigd monster geleidelijk verdampen en wordt het massaverlies frequent gemeten. De bodemvochtpotentiaal wordt tegelijkertijd op verschillende posities in het monster gemeten (drukhoogte h in centimeters waterkolom). Het massa watergehalte wordt aan het einde bepaald en dat wordt met de droge bulkdichtheid omgerekend naar het volumetrisch watergehalte. Op basis van de geregistreerde gewichtsafnamen kan vervolgens het watergehalte voor alle meettijdstippen worden berekend. De bepaling levert een te groot aantal metingen voor verdere verwerking en de uitvoerder selecteert volgens een vast protocol een deelverzameling van metingen die als eerste resultaat worden vastgelegd (Waterretentie verdamping). De gegevens over de gebruikte tensiometers (aantal, lengte, diameter, meetpositie in het monster) worden daarbij ook vastgelegd (Overzicht tensiometergegevens).
In de resultaat van de verdampingsmethode wordt voor ieder tijdstip het volumetrisch watergehalte van het hele monster gegeven bij de bodemvochtpotentiaal op de meetpunten in het monster. In een volgende stap wordt het volumetrisch watergehalte op de meetpunten zelf bepaald. Die stap wordt de prefit genoemd en daarin maakt met gebruik van het model van Van Genuchten om de curve te definiëren die het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en het volumetrisch watergehalte op de meetpunten het best beschrijft. Het resultaat van deze stap wordt niet als zodanig vastgelegd, het wordt gebruikt om de doorlatendheden te berekenen op de grensvlakken die precies tussen ieder paar opeenvolgende meetpunten inliggen. Voor de berekening wordt in de huidige praktijk de zgn. IPM-methode (Instantaneous Profile-methode) gevolgd. Daarmee wordt volgens de wet van Darcy het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en de waterdoorlatendheid berekend voor elk paar opeenvolgende tensiometers. Het eindresultaat van de bepaling is een tabel met voor iedere gemeten bodemvochtpotentiaal de berekende waarden voor het watergehalte en de waterdoorlatendheid en die wordt vastgelegd (Watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal).
De resultaten van dit soort bepalingen worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid).
3.9.7. gemiddeld laagste grondwaterspiegel
De gegevens uit de bepalingen van de waterretentie stapsgewijs, van het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal, en van de waterdoorlatendheid worden gebruikt om hydrofysische karakteristieken te modelleren. Daarvan bestaan twee typen: de waterretentiekarakteristiek en de waterdoorlatendheidskarakteristiek.
De uitvoerder heeft de keuze of alleen de waterretentiekarakteristiek te modelleren of de waterretentiekarakteristiek samen met de waterdoorlatendheidskarakteristiek. Die tweede mogelijkheid bestaat overigens alleen wanneer het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal bepaald zijn.
Een tweede keuze betreft het aantal karakteristieken van een type. De uitvoerder kan er voor kiezen meer dan een karakteristiek van hetzelfde type te maken door een deel van de beschikbare bepalingen als input te nemen. Door meer modellen te maken wordt inzicht verkregen in de spreiding van de resultaten. Welke bepalingen de uitvoerder heeft gekozen wordt altijd vastgelegd (bepalingsid).
De modellering van alleen de waterretentiekarakteristiek berust in de huidige praktijk op de methode van Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is een curve die het werkelijk verband tussen watergehalte en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk beschrijft. De curve is enkelvoudig bij een homogene poriënverdeling en samengesteld bij een heterogene poriënverdeling. De curve wordt gedefinieerd door het bereik van het volumetrisch watergehalte en een of meer sets vormparameters. Het bereik van het volumetrisch watergehalte wordt gegeven door de waarde bij verzadiging (verzadigd volumetrisch watergehalte) en een asymptotische residuele waarde (residueel volumetrisch watergehalte). Voor de definitie van een enkelvoudige curve is daarnaast een set van drie vormparameters (Vorm retentiecurve) voldoende. Voor een curve die uit samenstellende curves is opgebouwd zijn er meer sets nodig. Ieder van die sets heeft als extra parameter een zogenaamde wegingsfactor en die is nodig om de bijdrage van de curve aan de samengestelde curve te definiëren. De som van die wegingsfactoren is gelijk aan 1.
De modellering van de waterretentiekarakteristiek en de doorlatendheidskarakteristiek is in de huidige praktijk gebaseerd op de methode van Mualem en Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt ook hier een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is hierboven al beschreven. De waterdoorlatendheidskarakteristiek is een vergelijkbare curve maar om de vorm ervan te beschrijven is een parameter meer nodig, de vormfactor lambda. De curve beschrijft het werkelijk verband tussen waterdoorlatendheid en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk.
De twee karakteristieken worden onder meer gebruikt als input voor modellen waarmee de waterbeweging in de bodem wordt gesimuleerd.
Aanpak: (1) open het document met de naam [afkorting]-cat.msword.html in MsWord. (2) Selecteer alles. (3) Kopieer naar clipboard. (4) Ga naar dit document. (5) Paste vanaf clipboard (6) Verwijder wat boven de horizontale streep staat.
Hierna dit document gereed maken: (1) Verwijder eventuele de onderdelen die je niet wilt opnemen in je documentatie. (2) Trek de tabel kolommen die de maten 4.2x12.3 moeten hebben recht met macro AutoFitWindowForSelectedTables. (3) maak de figuren in de laatste sectie op maat (met de hand) (4) Pas de pagina header aan. (5) Ververs de table of contents.
Speciaal voor de BRO (1) hyperlinks verwijderen: Ctrl+a om alle tekst te selecteren en dan op Ctrl+shift+F9 (2) Herhaalde tabelkoppen zijn alleen zichtbaar in de Afdrukweergave, of als u het document afdrukt. Selecteer de rij of rijen met koppen. De eerste rij van de tabel moet in deze selectie worden opgenomen. Klik onder Hulpmiddelen voor tabellen op het tabblad Indeling, in de groep Gegevens, op Koptekstrijen herhalen
Toevoegingen op bovenstaande instructie
Handmatig de bijschriften bij figuren toevoegen en daarbij gebruik maken van Verdana 8 cursief voor de gehele tekst.
Bijlage VII. behorend bij artikel 11, onderdeel f van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject grondwatermonitoringput en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Datum: 10 september 2019
Versie: 1.01
Inhoudsopgave
3.11.4. gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt
3.11.5. gemiddeld hoogste grondwaterstand
3.11.6. gemiddeld laagste grondwaterstand
3.11.7. repeterende horizonten
3.11.8. plaatselijk fenomeen
3.11.9. vorm bovengrens
3.11.10. opbouw verstoord
3.11.11. verdichting aanwezig
3.12. Strooisellaag
3.12.1. bovengrens
3.12.2. bepaling bovengrens
3.12.3. ondergrens
3.12.4. bepaling ondergrens
3.12.5. vorm ondergrens
3.12.6. laag discontinu
3.12.7. horizontcode
3.12.8. geschat organischestofgehalte
3.12.9. strooiselsoort
3.13. Zuurgraad strooisellaag
3.13.1. diepte
3.13.2. pH
3.14. Bodemlaag
3.14.1. bovengrens
3.14.2. bepaling bovengrens
3.14.3. ondergrens
3.14.4. bepaling ondergrens
3.14.5. vorm ondergrens
3.14.6. laag discontinu
3.14.7. antropogeen
3.14.8. gemengd
3.14.9. gekeerd
3.14.10. bodemleven
3.14.11. beworteld
3.14.12. wortels gelijkmatig verdeeld
3.14.13. hoeveelheidsklasse wortels
3.14.14. scheefstaand
3.15. Homogeen materiaal
3.15.1. bijzonder materiaal
3.15.2. horizontcode
3.15.3. soort gesteente
3.15.4. afzettingskarakteristiek
3.15.5. geschatte verzadigde doorlatendheid
3.16. Grond
3.16.1. classificatie volgens leemdriehoek
3.16.2. bodemkundige grondsoort
3.16.3. grondsoort NEN5104
3.16.4. bijzonder bestanddeel
3.16.5. kleur
3.16.6. gevlekt
3.16.7. structuurtype
3.16.8. geschatte dichtheid
3.16.9. soort veen
3.16.10. zandverkitting
3.16.11. geschatte zandmediaan
3.16.12. kalkgehalteklasse
3.16.13. organischestofgehalteklasse NEN5104
3.16.14. rijpingsklasse
3.16.15. knip
3.16.16. schelpmateriaalhoudend
3.16.17. schelpmateriaalgehalteklasse
3.16.18. grindhoudend
3.16.19. grindgehalteklasse
3.16.20. gelaagde inhomogeniteit
3.16.21. brokje
3.16.22. vochtigheidstoestand
3.17. Fractieverdeling
3.17.1. geschat grindgehalte
3.17.2. geschat schelpmateriaalgehalte
3.17.3. geschat organischestofgehalte
3.17.4. geschat gehalte fijne fractie
3.18. Verdeling fijne fractie
3.18.1. geschat lutumgehalte
3.18.2. geschat siltgehalte
3.18.3. geschat zandgehalte
3.19. Onvolledige fractiespecificatie
3.19.1. geschat organischestofgehalte
3.19.2. geschat lutumgehalte
3.19.3. geschat siltgehalte
3.19.4. geschat zandgehalte
3.20. Munsellkleur
3.20.1. hoofdkleur
3.20.2. witheid
3.20.3. zuiverheid
3.21. Vlek
3.21.1. kleur
3.21.2. bedekkingsgraad
3.21.3. gelijkmatig verdeeld
3.22. Bodemaggregaat
3.22.1. vorm aggregaat
3.22.2. hoekigheid
3.22.3. ruwheid
3.22.4. lengteklasseAggregaat
3.22.5. hoeveelheidsklasse porien
3.22.6. horizontaal gerangschikt
3.22.7. uiteenvallend
IndicatieJaNee
IndicatieJaNeeOnbekend
Kwaliteitsregime
3.23.3. afzettingskarakteristiek
3.23.4. geschatte verzadigde doorlatendheid
3.24. Zuurgraad bodemlaag
3.24.1. diepte
Buismateriaal
Buisstatus
Buistype
CoördinaatTransformatie
Elektrodestatus
InitiëleFunctie
KaderAanlevering
Kousmateriaal
KwaliteitsnormInrichting
Lijm
LokaalVerticaalReferentiepunt
MethodeLocatiebepaling
MethodePositiebepalingBovenkantBuis
MethodePositiebepalingMaaiveld
NaamGebeurtenis
Putstabiliteit
Referentiestelsel
Registratiestatus
VerticaalReferentievlak
3.27.10. profielverloop
3.27.11. kalkverloopklasse
De catalogus voor de grondwatermonitoringsput beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van putten die in het publieke domein worden gebruikt voor het monitoren van de hoeveelheid grondwater en de kwaliteit ervan.
3.27.13. grondwatertrap
Een grondwatermonitoringput is een constructie die op een specifieke locatie in Nederland is ingericht en die in een monitoringnet wordt gebruikt. De constructie wordt gewoonlijk gerealiseerd in een gat dat gemaakt is door in de ondergrond te boren. Veelal bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf (figuur 1). Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Een filter fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Aan een buis kunnen een of meer geo-ohmkabels zijn bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden die gebruikt worden om bijvoorbeeld het zoutgehalte van het water te kunnen bepalen.
De opbouw van een put varieert en de monitoringdiepte is daarbij een factor van belang. Wordt de put gebruikt voor de monitoring van het grondwater in het bovenste deel van de ondergrond, dan bestaat hij vaak uit niet meer dan een buis die aan de bovenzijde met een dop is afgesloten.
Voor het ontsluiten van diep grondwater worden soms honderden meters diepe gaten geboord en dat is een relatief kostbare operatie. Dergelijke putten kunnen tientallen monitoringbuizen bevatten. Elk van die buizen ontsluit grondwater op een andere diepte. De ruimte tussen de buizen is met een bepaald materiaal opgevuld om het geheel te verstevigen en aan de bovenzijde wordt de put afgesloten met een beschermconstructie. Zoals de naam al aangeeft dient de beschermconstructie om de put te beschermen tegen beschadiging of andere ongewenste invloeden. De constructie is kan boven het maaiveld uitsteken, zoals in figuur 1, maar ook min of meer samenvallen met het maaiveld. Voor het laatste wordt in de gebouwde omgeving vaak gekozen.
Een grondwatermonitoringput is in de basisregistratie ondergrond opgenomen wanneer ten minste een van de filters of elektroden een meetpunt is in een grondwatermonitoringnet dat onder de basisregistratie ondergrond valt.
3.28.2. begindiepte
De grondwatermonitoringput is een registratieobject met materiële geschiedenis. Voordat de put in de registratie ondergrond is opgenomen kan hij al een zekere geschiedenis achter de rug hebben. Een dergelijke grondwatermonitoringput wordt een put met voorgeschiedenis genoemd.
Er gelden bijzondere regels voor een put met voorgeschiedenis.
De bijzondere regels hebben betrekking op de opbouw van de materiële geschiedenis. De geschiedenis van een grondwater-monitoringput is een reeks van gebeurtenissen die elkaar netjes moeten opvolgen in de tijd. In principe geldt de eis dat de precieze datum van een gebeurtenis moet worden vastgelegd, maar die eis kan niet met terugwerkende kracht gelden voor putten die al voor de invoering van de BRO bestonden. Wanneer een gebeurtenis in het verleden ligt, moet de basisregistratie er rekening mee houden dat de datum niet precies is vastgelegd en bijvoorbeeld alleen het jaar bekend is. Het deel van de geschiedenis die dateert van voor de registratie, de voorgeschiedenis, mag daarom een zekere onvolledigheid kennen.
3.29.3. uitvoerder analyse
3.30. Onderzocht interval
Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat onder meer de gegevens die de grondwatermonitoringsput identificeren, allerlei administratieve gegevens, gegevens die de constructie globaal karakteriseren (aantal buizen, beschermconstructie) en gegevens die nodig zijn om de gevolgen van eventuele maaiveldveranderingen goed te kunnen vastleggen (maaiveld stabiel, putstabiliteit).
3.30.2. einddiepte
De registratiegeschiedenis van een grondwatermonitoringput geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na de start van de registratie correcties zijn doorgevoerd.
3.30.4. karakteristiek gemodelleerd
De constructie van een put is in de basisregistratie ondergrond teruggebracht tot haar essentie, en dat geldt ook voor de monitoringbuis. In werkelijkheid kan een buis bestaan uit een heleboel delen die wat materiaal, diameter en functie betreft verschillen. Het model dat de basisregistratie hanteert is simpel en beschrijft de buis als opgebouwd uit maximaal drie functionele delen (figuur 2).
In de meeste gevallen bestaat een buis uit een filter met daarboven een stijgbuisdeel; in sommige gevallen zit onder het filter nog een derde deel, de zandvang. Ieder deel van de buis heeft een bepaalde lengte.
Het filter is het belangrijkste onderdeel van de buis en fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Via het filter kan het grondwater de buis in stromen. In het stijgbuisdeel kan het grondwater vrijelijk bewegen tenzij de buis is afgesloten met een drukdop (figuur 3). Een drukdop wordt gebruikt wanneer de buis zou kunnen overstromen doordat het water onder druk staat. Wanneer de grondwaterstand bepaald moet worden, wordt in die gevallen vaak een opzetstuk gebruikt.
De zandvang dient om sediment op te vangen dat door het filter naar binnen komt.
Voor de monitoring van ondiep grondwater zijn buizen met een afwijkende opbouw in gebruik, en in gebruik geweest.
In het verleden zijn monitoringbuizen gebruikt die uit beton bestonden en geen filteropeningen hadden. Een dergelijke buis was eigenlijk alleen een stijgbuis en werd zo in het boorgat gehangen dat het water aan de onderzijde kon instromen. Zulke buizen zijn niet meer in gebruik. Ook waren er buizen in gebruik die over de gehele lengte uit filter bestaan. Dergelijke buizen worden nog steeds gebruikt.
Om de twee afwijkende buizen in het model te passen wordt toegestaan dat het filter, resp. de stijgbuis de lengte nul heeft.
De aard van het materiaal waaruit een buis bestaat en het materiaal dat gebruikt is om de buis in de put op zijn plaats te houden, het toegepast materiaal, worden vastgelegd omdat het van belang kan zijn bij het beoordelen van de bruikbaarheid van de meetpunten in de put voor de monitoring van de kwaliteit van het grondwater.
3.32.4. fractieverdeling
In bepaalde delen van Nederland worden bij inrichting van de put soms geo-ohmkabels aan een buis bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden en een meetkastje. De kabels worden traditioneel gebruikt om het zoutgehalte van het water te kunnen monitoren. Vroeger werden zij daarom wel zoutwachters genoemd. De elektroden vormen per paar een meetpunt.
3.32.6. bijzonderheid uitvoering
Wanneer een stijgbuisdeel lekkage vertoont kan de eigenaar van de put ervoor kiezen een nieuw stijgbuisdeel in de bestaande buis te plaatsen; dat nieuwe deel wordt kortweg ingeplaatst deel genoemd.
3.33.1. fractie kleiner50um
De putgeschiedenis geeft aan wanneer de put is ingericht, wanneer die is opgeruimd en welke gebeurtenissen er tussentijds hebben plaatsgevonden. Er zijn elf gebeurtenissen geïdentificeerd die van belang zijn voor het registratieobject en dat zijn:
3.33.3. fractie 63tot2000um
Bijlage VIII. behorend bij artikel 11, onderdeel g, van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject grondwatermonitoringnet en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Datum: 31 december 2019
3.35. Standaard verdeling fractie kleiner50um
3.35.1. fractie 0tot2um
Domeinmodel
3.35.3. fractie 16tot50um
3.36. Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
3.36.1. fractie 0tot2um
Grondwatermonitoringnet
3.36.3. fractie 4tot8um
3.36.4. fractie 8tot16um
3.36.5. fractie 16tot25um
3.36.6. fractie 25tot35um
3.36.7. fractie 35tot50um
3.37. Standaard verdeling fractie 63tot2000um
3.37.1. fractie 63tot105um
3.37.2. fractie 105ot210um
3.37.3. fractie 210tot420um
3.37.4. fractie 420tot2000um
3.38. Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
3.38.1. fractie 63tot105um
3.38.2. fractie 105ot210um
3.38.3. fractie 210tot300um
3.38.4. fractie 300tot420um
3.38.5. fractie 420tot600um
3.38.6. fractie 600tot850um
3.38.7. fractie 850tot1200um
3.38.8. fractie 1200tot1700um
3.38.9. fractie 1700tot2000um
3.39. Niet gestandaardiseerde fractie
3.39.1. ondergrens
3.39.2. bovengrens
Monitoringnetgeschiedenis
3.40. Bepaling organischestofgehalte
3.40.1. bepalingsprocedure
3.40.2. bepalingsmethode
Tussentijdse gebeurtenis
3.40.4. lutumcorrectie toegepast
3.40.5. vrij ijzercorrectie toegepast
3.40.6. organischestofgehalte
Meetpunt
3.41.1. bepalingsprocedure
3.41.2. bepalingsmethode
GMW-monitoringbuis
3.41.4. bijzonderheid uitvoering
3.41.5. organisch koolstofgehalte
3.42. Bepaling droge bulkdichtheid
3.42.1. bepalingsprocedure
3.42.2. bepalingsmethode
3.42.3. ringdiameter
3.42.4. ringhoogte
3.42.5. droogtemperatuur
3.42.6. volume waterverzadigd
3.42.7. bijzonderheid materiaal
3.42.8. droge bulkdichtheid
Grondwater is een belangrijke bestaansbron. Het grondwater wordt daarom in Nederland in de gaten gehouden en beheerd. Het beheer van het grondwater richt zich op de hoeveelheid bruikbaar grondwater en de kwaliteit ervan. Om dit beheer goed te kunnen uitvoeren, wordt in Nederland de toestand van het grondwater over langere tijd gevolgd. Dat heet grondwatermonitoring. Er wordt daarbij gekeken naar de grondwaterstand (kwantiteit), en naar de samenstelling van het grondwater (kwaliteit). Hiervoor worden grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken uitgevoerd.
In het domein grondwatermonitoring van de basisregistratie ondergrond staan de grondwatermonitoringnetten centraal die zijn ingesteld om het grondwater in Nederland te kunnen beheren. Het doel waarvoor een monitoringnet is ingesteld, het monitoringdoel, beperkt zich in veel gevallen tot kwantiteit of kwaliteit, maar het komt ook voor dat onderzoek aan zowel de kwantiteit als de kwaliteit wordt gedaan binnen hetzelfde grondwatermonitoringnet.
Grondwatermonitoring houdt in dat de toestand van het grondwater in een bepaald gebied, of eigenlijk in een bepaald deel van de ondergrond, over langere tijd gevolgd wordt. De grootte van het gebied en de diepte van monitoring verschillen per grondwatermonitoringnet. Ook de duur van monitoring wisselt sterk.
In het Besluit basisregistratie ondergrond is omschreven welke vormen van monitoring onder deze basisregistratie vallen. Het belangrijkste criterium is het type organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het grondwater: de grondwatermonitoring moet door of in opdracht van een bestuursorgaan, de bronhouder, worden uitgevoerd. Verder is er een beperking aan de tijdschaal gesteld. Wanneer een monitoringnet is ingesteld om de toestand van het grondwater over een periode van ten minste één jaar te volgen, dan valt het altijd onder de basisregistratie ondergrond. Voor monitoringnetten met een kortere duur maakt het bestuursorgaan zelf de afweging of de gegevens in de basisregistratie moeten worden opgenomen. De periode van een jaar is lang genoeg voor het uitfilteren van de effecten van kleinschalige en kortdurende invloeden, zodat de informatie die in de basisregistratie wordt vastgelegd blijvende gebruikswaarde heeft. Aan de ruimtelijke schaal van monitoring zijn voor de basisregistratie ondergrond geen grenzen gesteld anders dan geldt voor de gehele basisregistratie ondergrond, namelijk dat die gegevens bevat over de ondergrond van Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft.
In de Regels omtrent de basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond staat dat de basisregistratie ondergrond vooralsnog geen milieukwaliteitinformatie bevat. Voor het grondwatermonitoringdomein zijn monitoringnetten rondom milieuhygiënische projecten, waarin het met name gaat om het monitoren van de verontreiniging van de bodem en het grondwater, daarmee voorlopig buiten scope geplaatst. Op 18 december 2018 is in de Tweede Kamer een motie (Kamerstuk 34864-19) aangenomen waarin de regering wordt verzocht ‘om informatie over bodemverontreiniging in de basisregistratie ondergrond op te nemen’. Op het moment van publiceren van deze catalogus is nog niet bekend wat de gevolgen van deze motie zullen zijn voor de scope van het registratieobject Grondwatermonitoringnet.
De monitoring van de kwaliteit van de ondiepe bodem met het daarin aanwezige grondwater (bodemvocht), zoals dat gedaan wordt om de gevolgen van met name landbouwactiviteiten te kunnen volgen, valt buiten de scope van het registratieobject Grondwatermonitoringnet. De volledige scopeafbakening is beschreven in het Scopedocument grondwatermonitoringnet GMN.
3.44. Krimpverloop
Het domein grondwatermonitoring in de basisregistratie ondergrond omvat de volgende vier registratieobjecten:
In de voorliggende catalogus gaat het over het registratieobject Grondwatermonitoringnet.
In de technische landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond worden Engelstalige benamingen gehanteerd voor de registratieobjecten. Omwille van de aansluiting hiermee worden voor de registratieobjecten Engelstalige afkortingen gebruikt. In deze catalogus worden alleen Engelstalige afkortingen en de Nederlandstalige termen gebruiken.
Een grondwatermonitoringput betreft de putconstructie die gebruikt wordt om standen en/of de samenstelling van het grondwater te meten. Gewoonlijk bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf. Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Elke buis heeft één filter. Een filter fungeert als meetpunt in de basisregistratie ondergrond. Informatie over grondwatermonitoringput is beschreven in de Catalogus Grondwatermonitoringput.
Binnen het grondwaterdomein in de basisregistratie ondergrond kent alleen de grondwatermonitoringput een fysieke locatie. De drie andere registratieobjecten zijn aan het registratieobject grondwatermonitoringsput gekoppeld en hebben daarmee indirect een locatie. Bij grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken ligt de verwijzing vast naar het filter in de grondwatermonitoringput waarin het onderzoek is uitgevoerd. Daarnaast ligt bij grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken de verwijzing vast naar één of meerdere grondwatermonitoringnetten ten behoeve waarvan het onderzoek is uitgevoerd.
Een grondwatermonitoringnet is een verzameling locaties waar periodiek onderzoek aan het grondwater op een bepaalde diepte wordt gedaan om de toestand van het grondwater vanuit een perspectief te kunnen bepalen en de eventuele veranderingen erin te kunnen volgen. Het grondwatermonitoringnet faciliteert daardoor de groepering van onderzoeksgegevens door bronhouder op basis van het doel van monitoring. Het registratieobject vergroot daarmee de hergebruikswaarde voor afnemers van de gegevens van de basisregistratie ondergrond.
Een grondwatermonitoringnet valt onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder en heeft een vastgesteld monitoringdoel. In de praktijk komt het voor dat een grondwatersamenstellings- of grondwaterstandonderzoek ten behoeve van meer dan één doel wordt uitgevoerd. Een bronhouder kan bijvoorbeeld omwille van de efficiëntie besluiten om één grondwatersamenstellingsonderzoek te laten doen, en de resultaten ervan zowel voor de Kaderrichtlijn Waterverplichtingen als voor een eigen provinciaal monitoringdoel te gebruiken. Omdat er voor afzonderlijke monitoringdoelen verschillende grondwatermonitoringnetten zijn, betekent dit voor de basisregistratie ondergrond dat een grondwatersamenstellings- of grondwaterstandonderzoek kan toebehoren aan één of meerdere grondwatermonitoringnetten.
Een grondwatersamenstellings- en grondwaterstandonderzoek kan ook worden uitgevoerd ten behoeve van meerdere doelen van verschillende bestuursorganen. In dat geval is één van deze bestuursorganen de bronhouder van het onderzoek. Deze bronhouder levert het onderzoek aan de basisregistratie ondergrond aan, inclusief de koppeling aan alle grondwatermonitoringnetten waarvoor het onderzoek is uitgevoerd. De bronhouder is daarmee dus ook verantwoordelijk voor de koppeling van het onderzoek aan een grondwatermonitoringnet van een ander bestuursorgaan.
Op de website basisregistratie ondergrond is meer informatie te vinden over grondwatersamenstellingsonderzoek en grondwaterstandonderzoek.
3.46.4. verticaal bemonsterd
Met het registratieobject Grondwatermonitoringnet wordt de groepering van samenhangende onderzoeksgegevens, namelijk van onderzoeken die vanuit hetzelfde bepaalde doel zijn uitgevoerd, tot een gegevensset gefaciliteerd. Naast de (her)gebruikswaarde van de afzonderlijke onderzoeksgegevens, ontstaat hiermee toegevoegde (her)gebruikswaarde door groepering in een gegevensset. Bestuursorganen en andere gebruikers worden met deze gegevenssets in staat gesteld om huidige en toekomstige geohydrologische vraagstukken beter en efficiënter te beantwoorden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)