Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)
16 versions
· 2026-01-01
2026-04-18
Besluit activiteiten leefomgeving
2026-04-17
Besluit activiteiten leefomgeving
Wijzigingen op 2026-04-17
@@ -150,23 +150,23 @@
- c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:
- 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging;
- 2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
- 3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
- 4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
- 5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
- 6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in [artikel 19.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=19.1);
- 7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
- 8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of
- 9°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
- 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging;
- 2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
- 3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
- 4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
- 5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
- 6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in [artikel 19.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=19.1);
- 7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
- 8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of
- 9°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De regels in de [hoofdstukken 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk zijn gesteld met het oog op:
@@ -472,9 +472,9 @@
- a. het gebruiken van energie als:
- 1°. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en
- 2°. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en
- 1°. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en
- 2°. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en
- b. het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie in een gebouw of op het gebouwerf van dat gebouw als het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is.
@@ -770,9 +770,9 @@
- c. het opslaan in een opslagtank die:
- 1°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en
- 2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.
- 1°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en
- 2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.
3. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e tot en met h.
@@ -812,15 +812,15 @@
- b. het opslaan van minder dan:
- 1°. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;
- 2°. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;
- 3°. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;
- 4°. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en
- 5°. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.
- 1°. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;
- 2°. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;
- 3°. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;
- 4°. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en
- 5°. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.28. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
@@ -1244,9 +1244,9 @@
- c. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:
- 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
- 2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d).
- 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
- 2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d).
3. Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=2&afdeling=2.1&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.
@@ -1278,9 +1278,9 @@
- c. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:
- 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
- 2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d).
- 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
- 2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d).
2. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
@@ -1392,9 +1392,9 @@
- f. het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, met inbegrip van het ondergronds opslaan van afvalstoffen, met uitzondering van:
- 1°. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en
- 2°. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.
- 1°. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en
- 2°. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.
##### Artikel 3.51. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
@@ -1760,9 +1760,9 @@
- b. PRTR, bedoeld in [paragraaf 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.3¶graaf=5.3.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het gaat om:
- 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
- 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
- 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in [paragraaf 5.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.4¶graaf=5.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
@@ -1830,11 +1830,11 @@
- b. PRTR, bedoeld in [paragraaf 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.3¶graaf=5.3.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het gaat om:
- 1°. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
- 2°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
- 3°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- 1°. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
- 2°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
- 3°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in [paragraaf 5.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.4¶graaf=5.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
@@ -2002,9 +2002,9 @@
- b. andere stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa, als het gaat om gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse:
- 1°. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of
- 2°. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening;
- 1°. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of
- 2°. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening;
- c. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;
@@ -2502,11 +2502,11 @@
- e. het met een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of met een oven met een aansluitwaarde van meer dan 100 kW maken van:
- 1°. zetmeel of suiker;
- 2°. vismeel of visolie; of
- 3°. levensmiddelen of voeder.
- 1°. zetmeel of suiker;
- 2°. vismeel of visolie; of
- 3°. levensmiddelen of voeder.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
@@ -3392,21 +3392,21 @@
- q. niet meer dan 10.000 ton van elk van de volgende bedrijfsafvalstoffen:
- 1°. bouwstoffen die op grond van [paragraaf 3.2.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) mogen worden toegepast;
- 2°. textiel;
- 3°. verpakkingsglas;
- 4°. vlakglas;
- 5°. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;
- 6°. niet-geïmpregneerd hout;
- 7°. papier of karton; en
- 8°. kunststof;
- 1°. bouwstoffen die op grond van [paragraaf 3.2.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) mogen worden toegepast;
- 2°. textiel;
- 3°. verpakkingsglas;
- 4°. vlakglas;
- 5°. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;
- 6°. niet-geïmpregneerd hout;
- 7°. papier of karton; en
- 8°. kunststof;
- r. niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is;
@@ -3610,9 +3610,9 @@
- a. PRTR, bedoeld in [paragraaf 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.3¶graaf=5.3.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het gaat om:
- 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en
- 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en
- 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
- b. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in [paragraaf 5.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.4¶graaf=5.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
@@ -4878,17 +4878,17 @@
- g. het onverpakt in bulk opslaan van meer dan 1 kg vaste gevaarlijke stoffen van:
- 1°. ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3;
- 2°. ADR-klasse 5.1;
- 3°. ADR-klasse 6.1;
- 4°. ADR-klasse 6.2;
- 5°. ADR-klasse 8; of
- 6°. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;
- 1°. ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3;
- 2°. ADR-klasse 5.1;
- 3°. ADR-klasse 6.1;
- 4°. ADR-klasse 6.2;
- 5°. ADR-klasse 8; of
- 6°. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;
- h. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in [artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.9&artikel=3.27&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in een container;
@@ -5812,9 +5812,9 @@
- a. de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor:
- 1°. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in [artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&artikel=6.1.1); en
- 2°. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&artikel=7.2);
- 1°. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in [artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&artikel=6.1.1); en
- 2°. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&artikel=7.2);
- b. de organisatie van de bedrijfsbrandweer die nodig is, waaronder de omvang van het personeel en materieel;
@@ -6476,11 +6476,11 @@
- a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin alleen de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van alleen de volgende afvalstoffen worden verbrand:
- 1°. rie-biomassa;
- 2°. radioactieve afvalstoffen; of
- 3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
- 1°. rie-biomassa;
- 2°. radioactieve afvalstoffen; of
- 3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
- b. een experimentele afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie voor onderzoek, ontwikkeling en tests om het thermisch behandelingsproces te verbeteren, waarin per kalenderjaar minder dan 50 ton afvalstoffen wordt verwerkt;
@@ -6626,9 +6626,9 @@
- b. afvalmeeverbrandingsinstallatie als daarin:
- 1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of
- 2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.
- 1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of
- 2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.
2. Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.
@@ -6837,9 +6837,9 @@
- a. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij:
- 1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en
- 2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;
- 1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en
- 2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;
- b. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en
@@ -7069,19 +7069,19 @@
- c. degene waarvan de gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst worden genomen de volgende gegevens heeft verstrekt en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, zijn gecontroleerd:
- 1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in [artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.39), en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
- 2°. de gegevens die bij of krachtens de [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) zijn vereist;
- 3°. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
- 4°. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;
- 5°. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
- 6°. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en
- 7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
- 1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in [artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.39), en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
- 2°. de gegevens die bij of krachtens de [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) zijn vereist;
- 3°. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
- 4°. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;
- 5°. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
- 6°. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en
- 7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
2. De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen bewaard. De fysische en chemische samenstelling blijft ongewijzigd.
@@ -7221,9 +7221,9 @@
- b. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waaronder in ieder geval:
- 1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en
- 2°. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
- 1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en
- 2°. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
- c. afvalstoffen afkomstig van een ippc-installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast en die meer dan 0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder in ieder geval de afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten; en
@@ -7343,11 +7343,11 @@
- d. als het chlorideproces wordt gebruikt:
- 1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;
- 2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en
- 3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.
- 1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;
- 2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en
- 3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.
##### Artikel 4.117. (lucht: eenmalige, periodieke en continue meting)
@@ -8447,13 +8447,13 @@
- a. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:
- 1°. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;
- 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
- 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
- 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
- 1°. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;
- 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
- 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
- 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
- b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd; en
@@ -8465,13 +8465,13 @@
- a. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat:
- 1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;
- 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
- 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
- 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
- 1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;
- 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
- 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
- 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
- b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd;
@@ -8748,15 +8748,15 @@
- a. per jaar niet meer dan:
- 1°. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en
- 2°. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of
- 1°. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en
- 2°. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of
- b. bij laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII:
- 1°. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of
- 2°. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
- 1°. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of
- 2°. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
##### Artikel 4.269. (lucht: maatregelen chroom VI-verbindingen, beryllium en berylliumverbindingen)
@@ -10066,17 +10066,17 @@
- b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties of tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de zesde en zevende kolom van tabel 4.421, als inachtneming van de afstand, bedoeld onder a:
- 1°. niet mogelijk is door:
- i. de geringe omvang van de locatie;
- ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- iii. andere fysieke belemmeringen;
- 2°. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
- 3°. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
- 1°. niet mogelijk is door:
- i. de geringe omvang van de locatie;
- ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- iii. andere fysieke belemmeringen;
- 2°. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
- 3°. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
2. De afstand is ten minste de helft van de afstand, bedoeld in het eerste lid, als het gaat om een ondergronds of semi-ondergronds opgestelde installatie en het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt.
@@ -10700,9 +10700,9 @@
- b. voor andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a:
- 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan [artikel 4.447](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.447&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- 2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.
- 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan [artikel 4.447](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.447&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- 2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.
5. Voor de vergelijking, bedoeld in het vierde lid, wordt de totale emissie van deze activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als [artikel 4.447](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.447&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor elke activiteit afzonderlijk zou gelden.
@@ -10721,9 +10721,9 @@
- a. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan:
- 1°. de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in [artikel 4.447, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.447&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- 2°. als een reductieprogramma als bedoeld in [artikel 4.462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.462&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt toegepast: dat programma;
- 1°. de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in [artikel 4.447, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.447&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- 2°. als een reductieprogramma als bedoeld in [artikel 4.462](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.34&artikel=4.462&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt toegepast: dat programma;
- b. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd; en
@@ -10817,15 +10817,15 @@
- b. de coördinaten van:
- 1°. het vulpunt;
- 2°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;
- 3°. de aansluitpunten van die leiding en pomp;
- 4°. de bovengrondse opslagtank; en
- 5°. de tankzuil;
- 1°. het vulpunt;
- 2°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;
- 3°. de aansluitpunten van die leiding en pomp;
- 4°. de bovengrondse opslagtank; en
- 5°. de tankzuil;
- c. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in [artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=5.12);
@@ -10859,11 +10859,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -10985,11 +10985,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -11357,11 +11357,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -11427,11 +11427,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -11519,11 +11519,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -11743,15 +11743,15 @@
- a. het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de koeltoren door:
- 1°. de aard en de kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;
- 2°. de temperatuur van het water;
- 3°. de verblijfstijd van het water;
- 4°. de stilstand van het water; en
- 5°. de aanwezigheid van biofilm en sediment;
- 1°. de aard en de kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;
- 2°. de temperatuur van het water;
- 3°. de verblijfstijd van het water;
- 4°. de stilstand van het water; en
- 5°. de aanwezigheid van biofilm en sediment;
- b. de bedrijfsvoering van de natte koeltoren;
@@ -11782,15 +11782,15 @@
- f. een beschrijving van de maatregelen die zijn gericht op:
- 1°. het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan en verspreiden van waternevel;
- 2°. het zoveel mogelijk vermijden dat water in leidingen, reservoirs en appendages stil staat;
- 3°. het schoonhouden van de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt;
- 4°. het zoveel mogelijk beperken van de vermeerdering van legionellabacteriën door toepassing van waterbehandelingstechnieken; en
- 5°. het waarborgen volgens de processpecificaties van een juiste en veilige werking van de natte koeltoren.
- 1°. het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan en verspreiden van waternevel;
- 2°. het zoveel mogelijk vermijden dat water in leidingen, reservoirs en appendages stil staat;
- 3°. het schoonhouden van de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt;
- 4°. het zoveel mogelijk beperken van de vermeerdering van legionellabacteriën door toepassing van waterbehandelingstechnieken; en
- 5°. het waarborgen volgens de processpecificaties van een juiste en veilige werking van de natte koeltoren.
2. Het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.
@@ -12224,9 +12224,9 @@
- b. het zuiveringtechnisch werk:
- 1°. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of
- 2°. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.
- 1°. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of
- 2°. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.
2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in [tabel 4.608a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.49&artikel=4.608&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.
@@ -13305,13 +13305,13 @@
- b. **emissiescherm**: aaneengesloten voorziening voor het beperken van de drift van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam die:
- 1°. aan de grond is verankerd;
- 2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
- 3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
- 4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
- 1°. aan de grond is verankerd;
- 2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
- 3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
- 4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
- c. **teeltvrije zone:** strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.
@@ -13880,9 +13880,9 @@
- a. de bovenzijde van de kas te voorzien van een lichtscherminstallatie waardoor de lichtvermindering:
- 1°. ten minste 98% is tijdens de donkerteperiode; en
- 2°. ten minste 74% tijdens de nanacht; en
- 1°. ten minste 98% is tijdens de donkerteperiode; en
- 2°. ten minste 74% tijdens de nanacht; en
- b. de gevel van de kas van zonsondergang tot zonsopgang zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.
@@ -14343,15 +14343,15 @@
- d. 15 varkens als dit zijn:
- 1°. kraamzeugen;
- 2°. guste en dragende zeugen;
- 3°. vleesvarkens van 25 kg en meer;
- 4°. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en
- 5°. opfokzeugen van 25 kg en meer;
- 1°. kraamzeugen;
- 2°. guste en dragende zeugen;
- 3°. vleesvarkens van 25 kg en meer;
- 4°. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en
- 5°. opfokzeugen van 25 kg en meer;
- e. 500 kippen;
@@ -14396,17 +14396,17 @@
- b. per dierenverblijf:
- 1°. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
- 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
- 3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie;
- 1°. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
- 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
- 3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie;
- c. per dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur of PM10 is vastgesteld:
- 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;
- 2°. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en
- 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;
- 2°. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en
- d. de lozingsroutes.
@@ -14484,9 +14484,9 @@
- b. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en:
- 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2) zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
- 2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is geworden, is opgericht.
- 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2) zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
- 2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is geworden, is opgericht.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
@@ -14510,9 +14510,9 @@
- b. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en:
- 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2) zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
- 2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht.
- 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2) zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
- 2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
@@ -14594,9 +14594,9 @@
- b. voor een evenredige verdeling van de stallucht door het luchtwassysteem:
- 1°. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en
- 2°. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.
- 1°. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en
- 2°. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.
##### Artikel 4.827. (werkinstructie luchtwassysteem)
@@ -14686,9 +14686,9 @@
- b. dat is opgericht op of na 1 juli 2015, en:
- 1°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of
- 2°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
- 1°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of
- 2°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027471&hoofdstuk=2), zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
@@ -14958,9 +14958,9 @@
- c. de coördinaten van:
- 1°. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en
- 2°. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;
- 1°. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en
- 2°. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;
- d. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en
@@ -14984,11 +14984,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -15038,9 +15038,9 @@
- a. wordt digestaat dat nog biologisch actief is:
- 1°. niet getransporteerd; en
- 2°. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en
- 1°. niet getransporteerd; en
- 2°. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en
- b. wordt het overgebleven digestaat gestabiliseerd zodra een vergistingstank of na-opslag buiten bedrijf wordt gesteld en niet meer gasdicht is.
@@ -15268,11 +15268,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -15359,11 +15359,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -15459,11 +15459,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -15926,11 +15926,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -15958,11 +15958,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -16004,13 +16004,13 @@
- b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:
- 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
- 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
- 3°. vloeistofdicht is; en
- 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
- 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
- 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
- 3°. vloeistofdicht is; en
- 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
- c. enkelwandig uitgevoerd.
@@ -16210,13 +16210,13 @@
- b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die:
- 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
- 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
- 3°. vloeistofdicht is; en
- 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
- 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
- 2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
- 3°. vloeistofdicht is; en
- 4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
- c. enkelwandig uitgevoerd.
@@ -16507,11 +16507,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
@@ -16853,17 +16853,17 @@
- f. heeft een toegangsdeur die:
- 1°. naar buiten draait en zelfsluitend en onbelemmerd bereikbaar is;
- 2°. zo is gemaakt dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd;
- 3°. zich niet bevindt in een vluchtroute als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I), in of nabij een koker voor een personenlift of in een ruimte voor verkoop aan particulieren;
- 4°. is gesloten, met uitzondering van de momenten dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in of uit de bewaarplaats of bufferbewaarplaats worden gebracht;
- 5°. niet bereikbaar is voor onbevoegden; en
- 6°. een oppervlakte heeft van minder dan het aantal vierkante meters, bedoeld in tabel 4.1036a.
- 1°. naar buiten draait en zelfsluitend en onbelemmerd bereikbaar is;
- 2°. zo is gemaakt dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd;
- 3°. zich niet bevindt in een vluchtroute als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I), in of nabij een koker voor een personenlift of in een ruimte voor verkoop aan particulieren;
- 4°. is gesloten, met uitzondering van de momenten dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in of uit de bewaarplaats of bufferbewaarplaats worden gebracht;
- 5°. niet bereikbaar is voor onbevoegden; en
- 6°. een oppervlakte heeft van minder dan het aantal vierkante meters, bedoeld in tabel 4.1036a.
3. De scheidingsconstructie tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de ruimte voor verkoop aan particulieren heeft een brandwerendheid van ten minste 30 minuten en bevat naast de toegangsdeur geen openingen of ramen die kunnen worden opengezet.
@@ -16924,21 +16924,21 @@
- c. hebben ventilatie-installaties en afzuiginstallaties:
- 1°. waarin geen stoffen kunnen ophopen met gevaar voor brand of explosie;
- 2°. waarvan de weerstand, gemeten tussen elk deel van die installaties en de aardleiding, niet meer is dan 1 Ohm; en
- 3°. die eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige;
- 1°. waarin geen stoffen kunnen ophopen met gevaar voor brand of explosie;
- 2°. waarvan de weerstand, gemeten tussen elk deel van die installaties en de aardleiding, niet meer is dan 1 Ohm; en
- 3°. die eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige;
- d. hebben een elektrische installatie:
- 1°. met een permanent karakter en vaste leidingen die buiten handbereik zijn geplaatst en tegen stoten zijn beschermd;
- 2°. waarvan een bovengrondse leiding ligt op een afstand van ten minste 15 m;
- 3°. met schakelinrichtingen, verdeelinrichtingen en contactdozen die zich buiten de bewaarplaats en bufferbewaarplaats bevinden op een schakelbord met een hoofdschakelaar waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld; en
- 4°. die is verdeeld in groepen die kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord; en
- 1°. met een permanent karakter en vaste leidingen die buiten handbereik zijn geplaatst en tegen stoten zijn beschermd;
- 2°. waarvan een bovengrondse leiding ligt op een afstand van ten minste 15 m;
- 3°. met schakelinrichtingen, verdeelinrichtingen en contactdozen die zich buiten de bewaarplaats en bufferbewaarplaats bevinden op een schakelbord met een hoofdschakelaar waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld; en
- 4°. die is verdeeld in groepen die kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord; en
- e. hebben een centrale verwarming die gebruik maakt van water onder lage druk en een warmtebron die is gelegen op ten minste 15 m van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats, of een elektrische verwarming met afgesloten radiatoren die een oppervlaktetemperatuur hebben van ten hoogste 100 °C.
@@ -16976,13 +16976,13 @@
- c. rolbanen, hijsapparatuur en transportkettingen gebruikt die:
- 1°. zijn geaard;
- 2°. een schakelaar hebben om de werking te stoppen;
- 3°. middelen hebben om te voorkomen dat er vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik af vallen; en
- 4°. regelmatig worden gecontroleerd op gebreken.
- 1°. zijn geaard;
- 2°. een schakelaar hebben om de werking te stoppen;
- 3°. middelen hebben om te voorkomen dat er vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik af vallen; en
- 4°. regelmatig worden gecontroleerd op gebreken.
2. Mechanische transportmiddelen hebben:
@@ -17040,11 +17040,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -17182,11 +17182,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -17363,9 +17363,9 @@
- a. in een gesloten systeem, waarbij de inlaatzijde en afwerpzijde:
- 1°. windreductieschermen of sproeiers hebben; of
- 2°. continu worden afgezogen en het afgezogen stof wordt teruggevoerd in de productstroom; of
- 1°. windreductieschermen of sproeiers hebben; of
- 2°. continu worden afgezogen en het afgezogen stof wordt teruggevoerd in de productstroom; of
- b. in een open systeem met bevochtiging of afscherming tegen windinvloeden van de inlaatzijde en afwerpzijde.
@@ -17379,17 +17379,17 @@
- c. laden en lossen van lichters: de stortkoker van de lichterbelader reikt tot:
- 1°. op de bodem van het ruim; of
- 2°. op het materiaal dat al is gestort; en
- 1°. op de bodem van het ruim; of
- 2°. op het materiaal dat al is gestort; en
- d. laden en lossen met pneumatische elevatoren:
- 1°. de weegbunkers en overstortpunten zijn gesloten uitgevoerd;
- 2°. het neergeslagen stof in de overstortpunten wordt regelmatig verwijderd; of
- 3°. de stortschoen heeft afzuiging.
- 1°. de weegbunkers en overstortpunten zijn gesloten uitgevoerd;
- 2°. het neergeslagen stof in de overstortpunten wordt regelmatig verwijderd; of
- 3°. de stortschoen heeft afzuiging.
##### Artikel 4.1070. (lucht: meetmethoden bij stuifgevoelige goederen)
@@ -17597,15 +17597,15 @@
- f. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van:
- 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
- 2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;
- 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
- 2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;
- g. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistofopvangadapters en dampopvangadapters op:
- 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
- 2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en
- 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
- 2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en
- h. het systeem bevindt zich in zijn geheel aan een zijde van de tankwagen.
@@ -17635,11 +17635,11 @@
- a. niet mogelijk is door:
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- 1°. de geringe omvang van de locatie;
- 2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
- 3°. andere fysieke belemmeringen;
- b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
@@ -17815,9 +17815,9 @@
- c. de locatie van elk boorgat, bestaande uit:
- 1°. de aanduiding of het is gelegen in een deel van een oppervlaktewaterlichaam dat is ingedeeld als provinciaal gebied; en
- 2°. de coördinaten voor boorgaten aan de zeezijde en aan de landzijde van het provinciaal ingedeeld gebied; en
- 1°. de aanduiding of het is gelegen in een deel van een oppervlaktewaterlichaam dat is ingedeeld als provinciaal gebied; en
- 2°. de coördinaten voor boorgaten aan de zeezijde en aan de landzijde van het provinciaal ingedeeld gebied; en
- d. het aantal transportbewegingen in de perioden van 7.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 7.00 uur.
@@ -17939,9 +17939,9 @@
- b. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem waaraan chloorbleekloog is toegevoegd:
- 1°. de resultaten van een immissietoets van het chloorbleekloog, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; en
- 2°. het maximale lozingsdebiet; of
- 1°. de resultaten van een immissietoets van het chloorbleekloog, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; en
- 2°. het maximale lozingsdebiet; of
- c. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwaterdoorstroomsysteem: de maximale warmtevracht van het koelwater.
@@ -18035,23 +18035,23 @@
- a. de verwachte datum van het begin van:
- 1°. het boren;
- 2°. het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
- 3°. het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
- 1°. het boren;
- 2°. het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
- 3°. het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
- b. de naam en het adres van degene die:
- 1°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 2°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 3°. de boringen verricht;
- 4°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
- 5°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
- 1°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 2°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 3°. de boringen verricht;
- 4°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
- 5°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
- c. de soort circulatievloeistof die in het bodemenergiesysteem wordt toegepast;
@@ -18445,9 +18445,9 @@
- c. het op of in de bodem brengen in een tuin bij een particulier huishouden of een volkstuin van alleen:
- 1°. meststoffen anders dan dierlijke meststoffen; en
- 2°. dierlijke meststoffen anders dan drijfmest als de hoeveelheid per tuin of volkstuin per jaar ten hoogste 160 l is.
- 1°. meststoffen anders dan dierlijke meststoffen; en
- 2°. dierlijke meststoffen anders dan drijfmest als de hoeveelheid per tuin of volkstuin per jaar ten hoogste 160 l is.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
@@ -18489,9 +18489,9 @@
- a. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden:
- 1°. in de periode van 1 september tot en met 15 september; of
- 2°. in de periode van 1 december tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;
- 1°. in de periode van 1 september tot en met 15 september; of
- 2°. in de periode van 1 december tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;
- b. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden;
@@ -18511,13 +18511,13 @@
- b. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september als hierop:
- 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
- 2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
- 3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
- c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
- 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
- 2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
- 3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
- c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in [artikel 19.0 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=19.0). Het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=2&afdeling=2.2&artikel=2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan voor het op of in de bodem brengen van drijfmest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om drijfmest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.
@@ -18565,9 +18565,9 @@
- b. met mais, aardappelen of bieten:
- 1°. op gronden met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 m die aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens zijn afgebakend; of
- 2°. op gronden die over de volle breedte worden begrensd door gronden die zijn beteeld met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 m.
- 1°. op gronden met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 m die aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens zijn afgebakend; of
- 2°. op gronden die over de volle breedte worden begrensd door gronden die zijn beteeld met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 m.
##### Artikel 4.1192. (bodem: meststoffen op hellingen bouwland)
@@ -18663,9 +18663,9 @@
- d. als in de bodem een gewas is ingezaaid, geplant of gepoot:
- 1°. in het veenkoloniaal gebied in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk; of
- 2°. op Texel.
- 1°. in het veenkoloniaal gebied in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk; of
- 2°. op Texel.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op gronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.
@@ -18761,11 +18761,11 @@
- b. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september, als hierop:
- 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
- 2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
- 3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
- 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
- 2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
- 3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
- c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
@@ -18879,11 +18879,11 @@
- b. weidegronden die liggen op zandgronden of lössgronden:
- 1°. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in [bijlage IVb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IVb&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij dit besluit begint;
- 2°. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
- 3°. in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
- 1°. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in [bijlage IVb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IVb&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij dit besluit begint;
- 2°. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
- 3°. in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
- c. weidegronden die liggen op kleigronden in de periode van 1 november tot en met 31 december als na het vernietigen van de zode van gras het planten of zaaien van een ander gewas dan gras begint.
@@ -18909,9 +18909,9 @@
- a. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden als onderdeel van kavelinrichtingswerken die worden verricht:
- 1°. ter uitvoering van een ruilbesluit op grond van een inrichtingsbesluit als bedoeld in [artikel 12.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.7); of
- 2°. ter uitvoering van een ruilplan op grond van een inrichtingsplan als bedoeld in [artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020748&artikel=17); en
- 1°. ter uitvoering van een ruilbesluit op grond van een inrichtingsbesluit als bedoeld in [artikel 12.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.7); of
- 2°. ter uitvoering van een ruilplan op grond van een inrichtingsplan als bedoeld in [artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020748&artikel=17); en
- b. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, als de zode van gras wordt vernietigd voor de aanleg of het onderhoud van een net als bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=20).
@@ -19091,11 +19091,11 @@
- b. als er sprake is van begeleiding als bedoeld in [artikel 4.1233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.120&artikel=4.1233&z=2026-01-01&g=2026-01-01): de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:
- 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en
- 3°. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.
- 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en
- 3°. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.
#### § 4.121. Saneren van de bodem
@@ -19121,23 +19121,23 @@
- c. bij een saneringsaanpak als bedoeld in [artikel 4.1241](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1241&z=2026-01-01&g=2026-01-01): een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval:
- 1°. het type afdeklaag, bedoeld in [artikel 4.1241](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1241&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- 2°. de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 3°. als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in kubieke meters; en
- 4°. als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart;
- 1°. het type afdeklaag, bedoeld in [artikel 4.1241](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1241&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- 2°. de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 3°. als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in kubieke meters; en
- 4°. als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart;
- d. bij een saneringsaanpak als bedoeld in [artikel 4.1242](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1242&z=2026-01-01&g=2026-01-01): een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval:
- 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;
- 3°. de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d) in kubieke meters; en
- 4°. een aanduiding van de waarde voor de bodemfunctieklasse, bedoeld in [artikel 4.1242](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1242&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;
- 3°. de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d) in kubieke meters; en
- 4°. een aanduiding van de waarde voor de bodemfunctieklasse, bedoeld in [artikel 4.1242](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1242&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- e. als de bodem is verontreinigd met vluchtige stoffen: een omschrijving van de maatregelen om uitdamping van vluchtige stoffen tegen te gaan, bedoeld in [artikel 4.1245](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.121&artikel=4.1245&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
@@ -19694,9 +19694,9 @@
- a. de verspreiding, met inbegrip van verspreiding in een weilanddepot, van baggerspecie die in een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren, is terechtgekomen door afspoeling en afkalving van materiaal van gronden die liggen aan of in het oppervlaktewaterlichaam:
- 1°. voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden; of
- 2°. op landbouwgronden tot ten hoogste 10 km afstand van de plaats van vrijkomen;
- 1°. voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden; of
- 2°. op landbouwgronden tot ten hoogste 10 km afstand van de plaats van vrijkomen;
- b. de verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de ecologische en morfologische functies van het sediment; of
@@ -19758,9 +19758,9 @@
- d. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd:
- 1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
- 2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
- 1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
- 2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:
@@ -19768,11 +19768,11 @@
- b. de kwaliteitseisen, bedoeld in [artikel 25d, tweede en derde lid, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d), die gelden voor:
- 1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
- 2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
- 3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
- 1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
- 2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
- 3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:
@@ -19786,9 +19786,9 @@
- b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m waarin alleen grond of baggerspecie wordt toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de eisen die volgens [artikel 4.1272, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.124&artikel=4.1272&z=2026-01-01&g=2026-01-01), gelden voor:
- 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
- 2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
- 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
- 2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.
@@ -20046,15 +20046,15 @@
- b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen grond of baggerspecie worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens [artikel 4.1272, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.124&artikel=4.1272&z=2026-01-01&g=2026-01-01), gelden voor:
- 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem;
- 2°. het toepassen van grond of baggerspecie op de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld; of
- 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem;
- 2°. het toepassen van grond of baggerspecie op de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld; of
- c. een afdeklaag van mijnsteen of vermengde mijnsteen aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens [artikel 4.1288, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=4¶graaf=4.125&artikel=4.1288&z=2026-01-01&g=2026-01-01), gelden voor:
- 1°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende landbodem; of
- 2°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
- 1°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende landbodem; of
- 2°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
##### Artikel 4.1291. (afbakening mogelijkheid maatwerk grootschalig toepassen)
@@ -20218,9 +20218,9 @@
- b. voor ammoniak:
- 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
- 2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
- 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
- 2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
2. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:
@@ -20792,9 +20792,9 @@
- b. voor ammoniak, voor zover een ketel in gebruik is genomen na de inwerkingtreding van dit besluit en wordt gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa:
- 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
- 2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
- 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
- 2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
| **Brandstof** | **Stikstofoxiden in mg/Nm3** | **Zwaveldioxide in mg/Nm3** | **Totaal stof in mg/Nm3** |
| --- | --- | --- | --- |
@@ -21105,17 +21105,17 @@
- a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld voor het begin van de activiteit:
- 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
- 2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
- 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
- 2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
- b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in [artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25c); of
- c. de volgende kwaliteitsklasse, bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d):
- 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
- 2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
- 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
- 2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
2. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
@@ -21225,9 +21225,9 @@
- a. een installatie als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1), die bestemd is voor de productie van elektriciteit, voor zover deze installatie:
- 1°. fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
- 2°. volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
- 1°. fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
- 2°. volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
- b. een stookinstallatie die ligt nabij een CO2-opslagcomplex als bedoeld in [artikel 1, onder s, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1) waarvoor een opslagvergunning is verleend op grond van [hoofdstuk 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3).
@@ -21367,11 +21367,11 @@
- e. een onderbouwing van het onderzoek naar de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in [artikel 5.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.4¶graaf=5.4.1&artikel=5.15&z=2026-01-01&g=2026-01-01), waaronder in ieder geval;
- 1°. een analyse van het energiegebruik;
- 2°. een analyse van de productieapparatuur en installaties; en
- 3°. een beschrijving van de structurele energiezorg.
- 1°. een analyse van het energiegebruik;
- 2°. een analyse van de productieapparatuur en installaties; en
- 3°. een beschrijving van de structurele energiezorg.
3. Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in [artikel 3.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.0&artikel=3.3a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
@@ -21447,23 +21447,23 @@
- a. voorkomt:
- 1°. in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
- 2°. op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
- 3°. in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
- 4°. in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
- 5°. op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
- 6°. in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
- 1°. in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
- 2°. op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
- 3°. in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
- 4°. in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
- 5°. op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
- 6°. in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
- b. voldoet aan de vastgestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, bedoeld in:
- 1°. artikel 5, derde lid, van de [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde [Verordening 2017/2100](32100R2017) van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
- 2°. bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309).
- 1°. artikel 5, derde lid, van de [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde [Verordening 2017/2100](32100R2017) van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
- 2°. bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309).
##### Artikel 5.23. (informeren en minimaliseren: emissies zeer zorgwekkende stoffen en vermijdings- en reductieprogramma’s)
@@ -21987,25 +21987,25 @@
- d. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening en de voorzieningen die daarbij horen, voor zover die:
- 1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
- 2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
- 1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
- 2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
- e. het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
- f. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding voor zover:
- 1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in [artikel 3.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.8&artikel=3.24&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden getransporteerd;
- 2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
- 3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
- 1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in [artikel 3.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2¶graaf=3.2.8&artikel=3.24&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden getransporteerd;
- 2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
- 3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
- g. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover:
- 1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
- 2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
- 1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
- 2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
2. Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 6.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=6&afdeling=6.2¶graaf=6.2.1&artikel=6.16&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:
@@ -22171,11 +22171,11 @@
- f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
- 1°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
- 2°. niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
- 3°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
- 1°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
- 2°. niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
- 3°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
##### Artikel 6.29. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)
@@ -22506,19 +22506,19 @@
- c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
- 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
- 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
- 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
- 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
- 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
- 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
- 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
- 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
- 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
- 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
- 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
- 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in [artikel 3.145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.4¶graaf=3.4.11&artikel=3.145&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
@@ -23230,13 +23230,13 @@
- f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
- 1°. zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
- 2°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
- 3°. niet meer dan tien reizen worden verricht; en
- 4°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
- 1°. zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
- 2°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
- 3°. niet meer dan tien reizen worden verricht; en
- 4°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
##### Artikel 7.28. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten)
@@ -23570,19 +23570,19 @@
- c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
- 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
- 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
- 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
- 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
- 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
- 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
- 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- 2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
- 3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
- 4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
- 5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
- 6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
- 7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in [artikel 3.145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.4¶graaf=3.4.11&artikel=3.145&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
@@ -23822,19 +23822,19 @@
- b. de activiteit, bedoeld in [artikel 7.66, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=7&afdeling=7.2¶graaf=7.2.9&artikel=7.66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in:
- 1°. een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
- 2°. een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
- 3°. een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), respectievelijk [9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=9); en
- 1°. een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
- 2°. een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
- 3°. een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), respectievelijk [9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=9); en
- c. de activiteit, bedoeld in [artikel 7.66, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=7&afdeling=7.2¶graaf=7.2.9&artikel=7.66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover die wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen:
- 1°. oefen- en schietgebied;
- 2°. aanloopgebied; of
- 3°. ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
- 1°. oefen- en schietgebied;
- 2°. aanloopgebied; of
- 3°. ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
##### Artikel 7.68. (melding mijnbouwinstallatie onder wateroppervlak)
@@ -24040,13 +24040,13 @@
- b. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van:
- 1°. weginfrastructuur;
- 2°. informatieborden, met uitzondering van verkeerstekens en onderborden als bedoeld in [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14);
- 3°. een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer; en
- 4°. het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
- 1°. weginfrastructuur;
- 2°. informatieborden, met uitzondering van verkeerstekens en onderborden als bedoeld in [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14);
- 3°. een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer; en
- 4°. het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
2. Het verbod geldt niet voor:
@@ -24054,17 +24054,17 @@
- b. bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen, tenzij:
- 1°. er meer dan 30 m3 grond wordt geroerd; of
- 2°. een bouwwerk wordt gebouwd, een werk dat geen bouwwerk is wordt aangelegd of geplaatst of een ander object wordt geplaatst, met een hoogte van meer dan 5 m; en
- 1°. er meer dan 30 m3 grond wordt geroerd; of
- 2°. een bouwwerk wordt gebouwd, een werk dat geen bouwwerk is wordt aangelegd of geplaatst of een ander object wordt geplaatst, met een hoogte van meer dan 5 m; en
- c. activiteiten in het deel van het beperkingengebied dat hoort bij een verzorgingsplaats, tenzij het gaat om:
- 1°. het bouwen of in stand houden van een gebouw;
- 2°. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen; en
- 3°. het herinrichten van de verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg.
- 1°. het bouwen of in stand houden van een gebouw;
- 2°. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen; en
- 3°. het herinrichten van de verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg.
##### Artikel 8.17. (melding)
@@ -24114,29 +24114,29 @@
- a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:
- 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
- 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
- 3°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;
- 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
- 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en
- 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
- 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
- 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
- 3°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;
- 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
- 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en
- 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
- b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:
- 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
- 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en
- 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
- 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en
- c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:
- 1°. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en
- 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.
- 1°. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en
- 2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
@@ -24432,11 +24432,11 @@
- b. beschermbuizen voor kabels of leidingen die het spoor kruisen en die:
- 1°. een diameter van meer dan 600 mm hebben;
- 2°. op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
- 3°. anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
- 1°. een diameter van meer dan 600 mm hebben;
- 2°. op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
- 3°. anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
##### Artikel 9.21. (melding)
@@ -24446,29 +24446,29 @@
- a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:
- 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
- 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
- 3°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
- 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
- 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
- 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
- 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
- 2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
- 3°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
- 4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
- 5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
- 6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
- b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:
- 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
- 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
- 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
- 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
- c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:
- 1°. een kabelverwijderingsplan; en
- 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
- 1°. een kabelverwijderingsplan; en
- 2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
@@ -24478,13 +24478,13 @@
- b. op het in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg bouwen, aanleggen of plaatsen van:
- 1°. gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 2°. waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 3°. drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
- 4°. overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
- 1°. gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 2°. waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
- 3°. drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
- 4°. overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
##### Artikel 9.22. (gegevens en bescheiden: begin van de werkzaamheden)
@@ -24584,9 +24584,9 @@
- c. in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, als:
- 1°. het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of andere object niet wordt gefundeerd op staal; of
- 2°. de maaiveldbelasting groter is dan 500 kg/m2.
- 1°. het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of andere object niet wordt gefundeerd op staal; of
- 2°. de maaiveldbelasting groter is dan 500 kg/m2.
##### Artikel 9.32. (melding)
@@ -24964,9 +24964,9 @@
- b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.
@@ -25102,13 +25102,13 @@
- a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
- 1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
- 2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
- 3°. dieren of planten van soorten, genoemd in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IX&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of in de rode lijsten, bedoeld in [artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.19); en
- 4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
- 1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
- 2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
- 3°. dieren of planten van soorten, genoemd in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IX&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of in de rode lijsten, bedoeld in [artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.19); en
- 4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
- b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
@@ -25204,9 +25204,9 @@
- b. de activiteit uitvoering geeft aan:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
@@ -25228,9 +25228,9 @@
- c. de activiteit deel uitmaakt van:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
##### Artikel 11.40. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: wijze vangen of doden)
@@ -25238,11 +25238,11 @@
- a. het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met:
- 1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
- 2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
- 3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
- 1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
- 2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
- 3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
- b. het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
@@ -25268,9 +25268,9 @@
- b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
@@ -25290,13 +25290,13 @@
- b. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker om schadeveroorzakende vogels van de volgende soorten te bestrijden:
- 1°. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
- 2°. de houtduif (Columba palumbus);
- 3°. de kauw (Corvus monedula); of
- 4°. de zwarte kraai (Corvus corone corone).
- 1°. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
- 2°. de houtduif (Columba palumbus);
- 3°. de kauw (Corvus monedula); of
- 4°. de zwarte kraai (Corvus corone corone).
2. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in [artikel 11.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.38&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met betrekking tot:
@@ -25318,17 +25318,17 @@
- c. deze schade wordt veroorzaakt door vogels van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en is aan te merken als:
- 1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
- 2°. schade aan flora of fauna; en
- 1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
- 2°. schade aan flora of fauna; en
- d. voor zover het [artikel 11.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.42&z=2026-01-01&g=2026-01-01) betreft, de in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
- 2°. in de provincie schade veroorzaken; en
- 3°. niet overeenkomen met de in [artikel 11.43, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.43&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde soorten.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
- 2°. in de provincie schade veroorzaken; en
- 3°. niet overeenkomen met de in [artikel 11.43, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.43&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde soorten.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van [artikel 11.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.42&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en alleen als het bestrijden:
@@ -25340,9 +25340,9 @@
- d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten die:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:
@@ -25366,13 +25366,13 @@
- b. plaatsvinden in het kader van:
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
@@ -25380,9 +25380,9 @@
- b. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
- 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
- 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
@@ -25390,11 +25390,11 @@
- b. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
- 1°. de vogels worden gedood;
- 2°. nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
- 3°. eieren van de vogels worden vernield.
- 1°. de vogels worden gedood;
- 2°. nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
- 3°. eieren van de vogels worden vernield.
#### § 11.2.3. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
@@ -25418,9 +25418,9 @@
- b. de activiteit uitvoering geeft aan:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
@@ -25440,9 +25440,9 @@
- c. de activiteit deel uitmaakt van:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of
- d. de dieren of planten uiterlijk op 10 juni 1994 aantoonbaar in overeenstemming met de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur waren onttrokken.
@@ -25464,9 +25464,9 @@
- b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
@@ -25496,15 +25496,15 @@
- c. deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening genoemde soorten en is aan te merken als:
- 1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
- 2°. ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
- 1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
- 2°. ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
- d. de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie schade veroorzaken.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie schade veroorzaken.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van [artikel 11.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.3&artikel=11.50&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en alleen als het bestrijden:
@@ -25516,9 +25516,9 @@
- d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen voor het vangen of doden zijn toegestaan en worden alleen middelen toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
@@ -25534,13 +25534,13 @@
- b. plaatsvinden in het kader van:
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
@@ -25548,9 +25548,9 @@
- b. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
- 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
- 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
@@ -25558,13 +25558,13 @@
- b. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
- 1°. de dieren worden gedood;
- 2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield;
- 3°. eieren van de dieren worden vernield; en
- 4°. de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
- 1°. de dieren worden gedood;
- 2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield;
- 3°. eieren van de dieren worden vernield; en
- 4°. de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
#### § 11.2.4. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten
@@ -25586,9 +25586,9 @@
- c. de activiteit deel uitmaakt van:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
##### Artikel 11.55. (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in programma)
@@ -25600,9 +25600,9 @@
- b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
- 2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
- c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
@@ -25618,9 +25618,9 @@
- b. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren van de volgende soorten:
- 1°. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
- 2°. de vos (Vulpes vulpes).
- 1°. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
- 2°. de vos (Vulpes vulpes).
##### Artikel 11.58. (begrenzing aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten andere soorten)
@@ -25636,11 +25636,11 @@
- d. voor zover het [artikel 11.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.56&z=2026-01-01&g=2026-01-01) betreft, de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
- 2°. in de provincie schade veroorzaken; en
- 3°. niet overeenkomen met de in [artikel 11.57, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.57&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde soorten.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
- 2°. in de provincie schade veroorzaken; en
- 3°. niet overeenkomen met de in [artikel 11.57, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.57&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde soorten.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van [artikel 11.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.56&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en alleen als het bestrijden:
@@ -25652,9 +25652,9 @@
- d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die:
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
- 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
- 2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen daarvoor zijn toegestaan, waarbij alleen middelen worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
@@ -25676,13 +25676,13 @@
- b. plaatsvinden in het kader van:
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
- 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
- 3°. een bestendig gebruik; of
- 4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen als:
@@ -25690,9 +25690,9 @@
- b. een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
- 1°. geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IX&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
- 1°. geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=IX&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en
- 2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
@@ -25700,13 +25700,13 @@
- b. in redelijkheid alles wordt gedaan of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
- 1°. die dieren worden gedood;
- 2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield;
- 3°. eieren van die dieren worden vernield; of
- 4°. die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
- 1°. die dieren worden gedood;
- 2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield;
- 3°. eieren van die dieren worden vernield; of
- 4°. die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
#### § 11.2.5. Flora- en fauna-activiteiten: overige bepalingen omgevingsvergunning
@@ -25764,19 +25764,19 @@
- c. de jachtopzichter van de jachthouder die:
- 1°. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;
- 2°. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en
- 3°. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in [artikel 1a van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), aangeduide strafbare feiten; of
- 1°. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;
- 2°. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en
- 3°. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in [artikel 1a van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), aangeduide strafbare feiten; of
- d. een ander die beschikt over een daartoe door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, in het geval dat de jachthouder:
- 1°. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
- 2°. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of
- 3°. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.
- 1°. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
- 2°. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of
- 3°. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.
2. De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:
@@ -25892,9 +25892,9 @@
- b. klemmen, met uitzondering van klemmen die:
- 1°. alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of
- 2°. worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
- 1°. alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of
- 2°. worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
- c. vallen, met uitzondering van kastvallen;
@@ -26168,11 +26168,11 @@
- e. zij beschikt over:
- 1°. een kwaliteitszorgsysteem;
- 2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en
- 3°. een geschillenregeling.
- 1°. een kwaliteitszorgsysteem;
- 2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en
- 3°. een geschillenregeling.
2. Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan door Onze Minister voor Natuur en Stikstof met het toezicht belaste personen desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.
@@ -26228,11 +26228,11 @@
- a. als de vogel is voorzien van:
- 1°. een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
- 2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of
- 3°. een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
- 1°. een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
- 2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of
- 3°. een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
- b. voor een levende vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
@@ -26242,27 +26242,27 @@
- a. voor een levende gefokte vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als:
- 1°. is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
- 2°. is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- 3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
- 1°. is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
- 2°. is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- 3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
- b. voor een dode vogel, een product of een ei van een vogel, behorend tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als die vogel of dat product of ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen; of
- c. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, alleen als:
- 1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen; en
- 2°. de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- 1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen; en
- 2°. de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor:
- a. het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een soort, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn:
- 1°. van het geslacht Cygnus; of
- 2°. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en
- 1°. van het geslacht Cygnus; of
- 2°. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en
- b. voor het onder zich hebben van een levende havik.
@@ -26286,9 +26286,9 @@
- a. als het dier of de plant:
- 1°. aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) bepaalde; of
- 2°. aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
- 1°. aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) bepaalde; of
- 2°. aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
- b. als is voldaan aan [artikel 11.103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.9&artikel=11.103&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en desgevraagd inzage in de administratie wordt verschaft aan de met toezicht op de naleving van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) belaste ambtenaren; en
@@ -26384,9 +26384,9 @@
- c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
- 1°. gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
- 2°. de soorten, genoemd in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=X&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- 1°. gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
- 2°. de soorten, genoemd in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=X&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven.
@@ -26484,21 +26484,21 @@
- g. uit populieren of wilgen bestaande:
- 1°. wegbeplantingen;
- 2°. beplantingen langs waterwegen; en
- 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
- 1°. wegbeplantingen;
- 2°. beplantingen langs waterwegen; en
- 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
- h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand;
- i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij:
- 1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;
- 2°. bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
- 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013; en
- 1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;
- 2°. bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
- 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013; en
- j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
@@ -26640,33 +26640,33 @@
- d. een specificatie van:
- 1°. het aantal te kappen bomen;
- 2°. de soortaanduiding van de bomen; en
- 3°. de leeftijd van de bomen;
- 1°. het aantal te kappen bomen;
- 2°. de soortaanduiding van de bomen; en
- 3°. de leeftijd van de bomen;
- e. als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters;
- f. een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in [artikel 11.129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.129&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens:
- 1°. de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
- 2°. een specificatie van:
- i. het aantal herbeplante bomen;
- ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
- iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
- 3°. een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting; en
- 1°. de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
- 2°. een specificatie van:
- i. het aantal herbeplante bomen;
- ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
- iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
- 3°. een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting; en
- g. als herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in [artikel 11.129, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.129&z=2026-01-01&g=2026-01-01), gewenst is:
- 1°. een afschrift van een gesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 11.130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.130&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- 2°. een afschrift van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 11.130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.130&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- 1°. een afschrift van een gesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 11.130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.130&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of
- 2°. een afschrift van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 11.130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.130&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
@@ -26694,15 +26694,15 @@
- b. als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd is: alleen als:
- 1°. de grond die de eigenaar wil beplanten in hetzelfde gebied ligt als dat waar de gevelde houtopstand zich bevond, waarbij wordt aangesloten bij de voor de toepassing van deze bepaling bij ministeriële regeling vastgestelde gebiedsindeling;
- 2°. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
- 3°. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
- 4°. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; en
- 5°. de belangen van de landbouw en de bosbouw niet worden geschaad.
- 1°. de grond die de eigenaar wil beplanten in hetzelfde gebied ligt als dat waar de gevelde houtopstand zich bevond, waarbij wordt aangesloten bij de voor de toepassing van deze bepaling bij ministeriële regeling vastgestelde gebiedsindeling;
- 2°. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
- 3°. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
- 4°. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; en
- 5°. de belangen van de landbouw en de bosbouw niet worden geschaad.
##### Artikel 11.131. (uitzondering op melding vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting)
@@ -26710,17 +26710,17 @@
- a. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van:
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn;
- 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
- 2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn;
- b. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van:
- 1°. een maatwerkvoorschrift of een maatwerkregel die de verplichting bevat de preventieve of herstelmaatregelen te treffen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied;
- 2°. een maatwerkvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; of
- 3°. regels gesteld in een ministeriële regeling of omgevingsverordening als bedoeld in de [artikelen 11.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.1¶graaf=11.1.2&artikel=11.19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.1¶graaf=11.1.2&artikel=11.20&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.42&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.43&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.3&artikel=11.50&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.3&artikel=11.51&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.56&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.57&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- 1°. een maatwerkvoorschrift of een maatwerkregel die de verplichting bevat de preventieve of herstelmaatregelen te treffen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied;
- 2°. een maatwerkvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; of
- 3°. regels gesteld in een ministeriële regeling of omgevingsverordening als bedoeld in de [artikelen 11.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.1¶graaf=11.1.2&artikel=11.19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.1¶graaf=11.1.2&artikel=11.20&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.42&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.2&artikel=11.43&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.3&artikel=11.50&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.3&artikel=11.51&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.56&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.2¶graaf=11.2.4&artikel=11.57&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen;
@@ -26728,13 +26728,13 @@
- e. het vellen van een houtopstand, als:
- 1°. het vellen is te beschouwen als een activiteit als bedoeld in [artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.12) of als een onderdeel van die activiteit;
- 2°. de houtopstand niet is aangelegd om te voldoen aan [artikel 11.129, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.129&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=4.3) of [artikel 3, eerste lid, van de Boswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=3);
- 3°. voordat tot aanleg van de houtopstand was overgegaan, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof kennis is gegeven van het tijdstip en de plaats van de aanleg en die Minister de ontvangst van de kennisgeving heeft bevestigd; en
- 4°. de houtopstand blijkens de kennisgeving binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel zou worden geveld.
- 1°. het vellen is te beschouwen als een activiteit als bedoeld in [artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.12) of als een onderdeel van die activiteit;
- 2°. de houtopstand niet is aangelegd om te voldoen aan [artikel 11.129, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=11&afdeling=11.3¶graaf=11.3.2&artikel=11.129&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=4.3) of [artikel 3, eerste lid, van de Boswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=3);
- 3°. voordat tot aanleg van de houtopstand was overgegaan, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof kennis is gegeven van het tijdstip en de plaats van de aanleg en die Minister de ontvangst van de kennisgeving heeft bevestigd; en
- 4°. de houtopstand blijkens de kennisgeving binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel zou worden geveld.
2. De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, onder d, waarborgt dat:
@@ -26884,11 +26884,11 @@
- c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
- 1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
- 2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of
- 3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.
- 1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
- 2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of
- 3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.
2. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten, geldt niet voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument, voor zover het gaat om:
@@ -27865,15 +27865,15 @@
- a. de volgende maatregelen:
- 1°. maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers te beperken;
- 2°. maatregelen om gezondheidsschade als gevolg van de kwaliteit van het water of de kwaliteit van de binnenlucht te voorkomen of te beperken;
- 3°. maatregelen om letsel te voorkomen of te beperken;
- 4°. maatregelen om incidenten en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken; en
- 5°. maatregelen om de kans op nadelige gevolgen van incidenten te beperken;
- 1°. maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers te beperken;
- 2°. maatregelen om gezondheidsschade als gevolg van de kwaliteit van het water of de kwaliteit van de binnenlucht te voorkomen of te beperken;
- 3°. maatregelen om letsel te voorkomen of te beperken;
- 4°. maatregelen om incidenten en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken; en
- 5°. maatregelen om de kans op nadelige gevolgen van incidenten te beperken;
- b. de locaties, bedoeld in de [artikelen 15.19, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=15&afdeling=15.2¶graaf=15.2.1&artikel=15.19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [15.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=15&afdeling=15.2¶graaf=15.2.1&artikel=15.24&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [15.37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=15&afdeling=15.2¶graaf=15.2.2&artikel=15.37&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [15.56, vierde lid;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=15&afdeling=15.2¶graaf=15.2.4&artikel=15.56&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
@@ -27919,9 +27919,9 @@
- a. wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening voor zover het gaat om:
- 1°. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of
- 2°. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; en
- 1°. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of
- 2°. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; en
- b. ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.
@@ -27969,11 +27969,11 @@
- a. een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:
- 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
- 2°. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en
- 3°. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;
- 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
- 2°. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en
- 3°. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;
- b. een natuurvriendelijke oever van ten hoogste 10 m uit de insteek van de watergang;
@@ -27987,25 +27987,25 @@
- g. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om:
- 1°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;
- 2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;
- 1°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;
- 2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;
- h. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als:
- 1°. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;
- 2°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
- 3°. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;
- 1°. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;
- 2°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
- 3°. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;
- i. het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder; of
- j. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een watergang door een ander dan door of namens de waterbeheerder, als:
- 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
- 2°. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.
- 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
- 2°. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.
##### Artikel 16.8. (aanwijzing vergunningvrije gevallen zonder afwijkmogelijkheid)
@@ -28013,9 +28013,9 @@
- a. het treffen van een maatregel in verband met een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die is opgenomen in:
- 1°. een waterbeheerprogramma als bedoeld in [artikel 3.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.7); of
- 2°. het nationaal waterprogramma, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.9); of
- 1°. een waterbeheerprogramma als bedoeld in [artikel 3.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.7); of
- 2°. het nationaal waterprogramma, bedoeld in [artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.9); of
- b. het treffen van een maatregel die is opgenomen in een inrichtingsprogramma.
@@ -31670,15 +31670,15 @@
- f. gegevens over het rekencentrum of datacentrum en de energieprestaties, waaronder in ieder geval:
- 1°. het energiegebruik;
- 2°. het waterverbruik in kubieke meters;
- 3°. het restwarmtegebruik;
- 4°. de temperatuurinstelpunten;
- 5°. het gebruik van hernieuwbare energie;
- 1°. het energiegebruik;
- 2°. het waterverbruik in kubieke meters;
- 3°. het restwarmtegebruik;
- 4°. de temperatuurinstelpunten;
- 5°. het gebruik van hernieuwbare energie;
- g. de hoeveelheid in het rekencentrum of datacentrum opgeslagen en verwerkte data;
@@ -33825,17 +33825,17 @@
- f. met voertuigen die zijn bedoeld voor:
- 1°. het vervoer van goederen of dieren;
- 2°. het gebruik door hulpverleningsdiensten ter vervulling van een dringende taak als bedoeld in [artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29); of
- 3°. militair gebruik en die zijn voorzien van een militair kenteken;
- 1°. het vervoer van goederen of dieren;
- 2°. het gebruik door hulpverleningsdiensten ter vervulling van een dringende taak als bedoeld in [artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29); of
- 3°. militair gebruik en die zijn voorzien van een militair kenteken;
- g. met andere voertuigen dan bedoeld onder f, aanhef en onder 2°:
- 1°. voor de uitoefening van een politietaak als bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=2), of voor het volgen van een politieopleiding als bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1); of
- 2°. voor de uitoefening van een taak op het gebied van de brandweerzorg, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=3), of de rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening, bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1), of voor het volgen van een opleiding als bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=68); en
- 1°. voor de uitoefening van een politietaak als bedoeld in [hoofdstuk 2 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=2), of voor het volgen van een politieopleiding als bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1); of
- 2°. voor de uitoefening van een taak op het gebied van de brandweerzorg, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=3), of de rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening, bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1), of voor het volgen van een opleiding als bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=68); en
- h. als bestuurder van een voertuig dat is bedoeld voor het vervoer van personen tegen betaling of als controleur van vervoerbewijzen in dat voertuig.
@@ -33865,31 +33865,31 @@
- b. de gebruikte reismodaliteiten, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen het laten reizen:
- 1°. met openbaar vervoer;
- 2°. per fiets of te voet;
- 3°. per bromfiets; en
- 4°. per motorvoertuig;
- 1°. met openbaar vervoer;
- 2°. per fiets of te voet;
- 3°. per bromfiets; en
- 4°. per motorvoertuig;
- c. per reismodaliteit, bedoeld onder b, onder 3° en 4°, de gebruikte brandstof of andere voeding van de motor van het voertuig, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen:
- 1°. elektrisch;
- 2°. elektrisch in combinatie met benzine, diesel of waterstof;
- 3°. LPG;
- 4°. CNG;
- 5°. LNG;
- 6°. benzine;
- 7°. biobrandstof; en
- 8°. diesel; en
- 1°. elektrisch;
- 2°. elektrisch in combinatie met benzine, diesel of waterstof;
- 3°. LPG;
- 4°. CNG;
- 5°. LNG;
- 6°. benzine;
- 7°. biobrandstof; en
- 8°. diesel; en
- d. het aantal kilometers dat de onderneming of rechtspersoon de werknemers heeft laten reizen.
@@ -37969,13 +37969,13 @@
- b. een omschrijving van de herstelwerkzaamheden, waaronder in ieder geval:
- 1°. de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
- 3°. de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d) in kubieke meters; en
- 4°. de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens [artikel 5.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- 1°. de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
- 2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
- 3°. de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in [artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25d) in kubieke meters; en
- 4°. de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens [artikel 5.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en
- c. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
2026-01-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 1, 1, 1 y 20 más
2025-12-30
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 1, 11, 11
2025-09-20
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 3, 1, 1 y 24 más
2025-08-18
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 20, 4, 11, 11
2025-07-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 20, 4, 11, 11
2025-06-18
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 20, 4, 11, 11
2025-01-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 3, 1, 1 y 24 más
2024-10-26
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 1, 1, 11, 11
2024-10-02
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 1, 1, 1 y 3 más
2024-07-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 3, 1, 1 y 22 más
2024-05-07
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 3, 1, 1 y 24 más
2024-01-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 3, 1, 1 y 26 más
2023-01-01
Besluit activiteiten leefomgeving — arts. 5, 9, 2 y 4 más
2023-01-01
Besluit activiteiten leefomgeving
original version
Tekst op deze datum