Circulaire wapens en munitie 2019
Onder een airsoft sportvereniging wordt verstaan: de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen om sportactiviteiten met behulp van een of meer airsoftapparaten te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h en i, RWM). Alleen leden van de op grond van artikel 17a, eerste lid, RWM aangewezen vereniging(en) komen in aanmerking voor de in dit lid genoemde vrijstelling.
Een vereniging kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen worden indien voldaan is aan de volgende, niet limitatieve, randvoorwaarden:
Indien de situatie ontstaat waarin een nieuwe vereniging aangewezen zou kunnen worden, wordt aan de hand van de WWM, RWM en deze beleidsregels beoordeeld of het een vereniging betreft die voor aanwijzing in aanmerking komt. Aan de hand van deze beoordeling en nader te maken afspraken met de aan te wijzen vereniging (bijvoorbeeld door middel van een convenant), kan uiteindelijk tot erkenning van de vereniging worden overgegaan.
De vereniging kan de status van aangewezen vereniging verliezen als ze aantoonbaar handelt in strijd met onder meer het convenant, de voorwaarden waaronder de aanwijzing heeft plaatsgevonden, of indien er zich in een situatie als omschreven artikel 7, tweede lid, van de WWM voordoet. Ook kan de vereniging de status van aangewezen vereniging verliezen indien de vereniging ophoudt te bestaan, dan wel in een andere rechtspersoon overvloeit of gedurende een tijdsbestek van meer dan een jaar geen leden met een verlof of een ontheffing meer heeft.
2.9.2. Regels voor niet-ingezetenen van Nederland
Gebleken is dat de airsoft sport veelal in internationaal verband beoefend wordt. Het is dan ook noodzakelijk om enkele regels te stellen ten aanzien van het voorhanden hebben en houden van airsoft apparaten door niet-ingezetenen van Nederland, die aan een door een airsoftvereniging georganiseerde activiteit deel te nemen. De in artikel 17e van de RWM omschreven vrijstelling geldt voor niet-ingezetenen van Nederland die aan een dergelijke activiteit deelnemen.
2.9.3. Regels voor de handel in airsoft apparaten
De handel in airsoft apparaten is voorbehouden aan erkenninghouders. Zie hiervoor de artikelen 8a en 10, sub d, van de RWM. Zie verder 1.4.3 van deze circulaire alsook de relevante artikelen uit de WWM en RWM.
2.9.4. Overige regels
Airsoft apparaten:
Het dragen van airsoftapparaten op voor het publiek toegankelijk plaatsen, is slechts toegestaan indien de verantwoordelijke korpschef schriftelijk toestemming heeft verleend aan betreffende vereniging om de wedstrijd/het evenement/de bijeenkomst te houden, met uitzondering van de openbare weg.
2.9.5. Richtlijnen voor handhavers
Airsoft sport wordt meestal in de openbare ruimte (publiek toegankelijke plaatsen) beoefend. Om dat te kunnen doen is voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef benodigd (artikel 17c, tweede lid, onder b, RWM). Die toestemming wordt in ieder geval onthouden of ingetrokken indien er geen redelijke maatregelen ter voorkoming van bedreiging en afdreiging door de airsoft apparaten zijn getroffen, dan wel indien misbruik is te vrezen. Het is dus mogelijk dat er zich andere situaties kunnen voordoen die voor de korpschef aanleiding kunnen vormen om toestemming te onthouden of weer in te trekken. Deze moeten echter wel verband houden met de veiligheid of het veiligheidsgevoel van personen die zich in de nabijheid van het georganiseerde evenement bevinden. Als door omwonenden bezwaar wordt gemaakt tegen een (te organiseren) evenement, is dit een indicatie om te bepalen of het veiligheidsgevoel in het geding is. In het uiterste geval is als concrete situatie te denken aan een evenement dat op 4 mei (Dodenherdenking) zou moeten plaatsvinden in de nabijheid van een herdenkingsplaats. Het kan zijn dat omwonenden op een deze specifieke dag in het jaar niet geconfronteerd willen worden met (gesimuleerde) gevechtshandelingen en bewaar tegen een dergelijk voornemen maken.
In de RWM wordt in artikel 17, lid 2, onder b bepaald dat het vervoeren van airsoft apparaten onder meer is toegestaan als er sprake is van vervoer van en naar door de airsoft vereniging aangewezen bijeenkomsten en beurzen in het kader van de airsoft sport of voor de airsoft sport te gebruiken wedstrijdterreinen. Een bijeenkomst kan als zodanig worden aangemerkt, indien er een verwijzing naar de bijeenkomst op de website van de erkende airsoft vereniging staat. Hetzelfde geldt voor bijeenkomsten in de openbare ruimte, waarvoor in artikel 17c, lid 2 onder c bepaald is dat deze door de erkende airsoft vereniging georganiseerd zijn. Ook deze dienen op de website van de airsoft vereniging als zodanig vermeld te worden. In het geval een handhaver iemand staande houdt voor het vervoeren van een airsoft apparaat, kan de handhaver verifiëren of het door de aangehouden persoon genoemde evenement inderdaad op de website van de erkende vereniging vermeld wordt als aangewezen dan wel door de erkende airsoft vereniging georganiseerde bijeenkomst of beurs in het kader van de airsoft sport. Daarnaast moet uiteraard vastgesteld worden of de persoon in kwestie ook anderszins bevoegd is tot het vervoeren van een airsoft apparaat (lidmaatschap van een erkende airsoft vereniging).
Voor het doen binnenkomen van een airsoft apparaat in Nederland gelden de volgende principes: als een reiziger een airsoft apparaat bij zich heeft, moet hij een origineel lidmaatschapsbewijs van een erkende airsoft vereniging kunnen tonen. Als airsoft apparaten via cargo of als post-, pakket- en koerierszending binnenkomen en in Nederland in het vrije verkeer worden gebracht, kunnen deze apparaten worden vrijgegeven als bij de aangifte(behandeling) een origineel lidmaatschapsbewijs of een kopie hiervan wordt overgelegd.
3. Verzamelaars
3.1. Verzamelaars van vuurwapens
In artikel 1, onder 3, van de Wet wapens en munitie is een ‘vuurwapen’ gedefinieerd als: ‘een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie’.
In artikel 3, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Derhalve zijn de wettelijke bepalingen die gelden voor wapens ook van toepassing op essentiële onderdelen van vuurwapens zoals onder meer de loop, de kast, de slede, alsmede de cilinder van een revolver, de grendel, het staartstuk en de afsluiter van een geweer, de bascule van basculerende geweren en patroonmagazijnen.
Ingevolge artikel 18 van de Regeling wapens en munitie (RWM), geldt er een vrijstelling voor het voorhanden hebben, vervoeren, overdragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van wapens die het karakter hebben van oudheden dan wel vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de wijze, beschreven in EU uitvoeringsverordening 2015/2403 of – voor vuurwapens die onklaar zijn gemaakt voor de inwerkingtreding van bovengenoemde EU uitvoeringsverordening per 8 april 2016 in bijlage II bij de regeling, die formeel is komen te vervallen. Om te bepalen of een bepaald type vuurwapen onder deze vrijstellingen valt of dat het wapen vergunning plichtig is (afhankelijk van de categorie een verlof of een ontheffing) kan er (als hulpmiddel) gebruik worden gemaakt van het beslissingsschema dat is opgenomen als bijlage C1 bij deze circulaire. Voor deze categorieën wapens geldt dat door de korpschef geen maximum mag worden gesteld aan het aantal wapens dat verzameld mag worden.
Personen die houder zijn van een onklaar gemaakt vuurwapen dat voor 8 april 2016 onklaar is gemaakt volgens de oude normen van de Bijlage II van de Rwm (die overigens vervallen is per 28 mei 2016), kunnen deze wapens voorhanden blijven houden. Indien deze wapens worden vervreemd of mee worden genomen naar een andere lidstaat binnen de EU, dienen die wapens te worden voorzien van een verklaring van de controlerende autoriteit, zoals bedoeld in de EU uitvoeringsverordening.
Daarnaast is in artikel 18, eerste lid, onder g, van de RWM een vrijstelling opgenomen voor het voorhanden hebben, vervoeren, overdragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van patroonmagazijnen (uitsluitend) ten behoeve van personen die bevoegd zijn de wapens of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben.
3.1.1. Categorie III vuurwapens
Met betrekking tot het verzamelen van vuurwapens die niet onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, geldt het volgende: Het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om:
Ad. a.
In het geval het verlof wordt verleend ten behoeve van een door een museum of dergelijke instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’ de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’; vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de wapens zal optreden.
Ad. b.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.1.2. Categorie II vuurwapens
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie II voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.1.3. Verzamelplan
Het houden van een verzameling van vuurwapens wordt slechts toegestaan aan individuele wapenverzamelaars indien zij in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens, die gericht is op het verkrijgen en vastleggen van informatie die relevant is voor een bredere kring van personen (zoals andere wapendeskundigen, overheidsfunctionarissen, wetenschappers, historici e.d.). Daarnaast kan ook het behouden (conserveren) van bijzondere wapen(s) (collecties) voor het nageslacht bijdragen aan de conclusie dat een individuele verzamelaar een redelijk belang heeft voor de verkrijging van een daartoe strekkend verlof en/of ontheffing.
Omdat in de praktijk gebleken is dat het erg lastig is om te beoordelen of er sprake is van een redelijk belang voor de verlening van een verlof en/of ontheffing ten behoeve van verzameldoeleinden is in overleg met de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’ besloten om op dit punt een belangrijker rol en verantwoordelijkheid, toe te kennen aan het bestuur van deze vereniging. Dit heeft onder meer geleid tot de oprichting van een adviescommissie die aan de hand van een door het aspirant-lid in te dienen verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies.
Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan de volgende elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed:
3.1.4. Verlenging van verloven en ontheffingen
Om in aanmerking te komen voor de verlenging van een verlof of een ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III respectievelijk categorie II voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
De onder c genoemde voorwaarde dat een aanvrager actief verzamelaar is, vervalt bij personen die de leeftijd van 70 jaar of ouder bereikt hebben. In de praktijk blijkt dat bij verzamelaars van deze leeftijdscategorie het aantal verzamelactiviteiten afneemt, terwijl nog wel sprake is van het passieve beheer van een verzameling. De overige onder c, alsook onder a en b genoemde voorwaarden gelden voor verzamelaars van deze leeftijdscategorie, onverkort.
3.1.5. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof c.q. de ontheffing dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden, die hieronder worden opgesomd. Er kunnen door de korpschef geen beperkingen worden gesteld aan het aantal wapens dat de verzameling omvat, Overige beperkingen vloeien vooruit uit het in 3.1.3 genoemde verzamelplan, zoals vastgesteld door de erkende vereniging van wapenverzamelaars.
BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
3.2. Verzamelaars van munitie
In artikel 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie is ‘munitie’ gedefinieerd als: ‘patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen’.
Volgens deze definitie moet munitie dus bestemd of geschikt zijn om door middel van een vuurwapen projectielen of stoffen af te schieten of te verspreiden. Ook een zogenoemde losse patroon/losse flodder is munitie in de zin van de Wet wapens en munitie omdat in de praktijk is gebleken dat het mogelijk is om met dergelijke patronen projectielen te verschieten. In de uitspraak van de Raad van State van 18 juli 2001 (zaaknummer: 200005685/1)is, in lijn met de reeds bestaande jurisprudentie hierover, nogmaals bevestigd dat zogenaamde ‘losse patronen’ dienen te worden aangemerkt als munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Voor zogenaamde doorsnedes van patronen geldt
Dat voor zover deze niet meer bestemd of geschikt zijn om af te schieten, zij geen munitie zijn in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM.
In artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing zijn op onderdelen van die munitie, voor zover deze onderdelen
geschikt zijn om munitie van te maken. Derhalve zijn de wettelijke bepalingen die gelden voor munitie ook van toepassing op losse projectielen (kogels) en (niet gebruikte) slaghoedjes en hulzen. Ingevolge artikel 18, aanhef en onder f en i, van de Regeling wapens en munitie, geldt er echter een vrijstelling voor het voorhanden hebben, vervoeren, over dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen, voor zover die bestemd zijn voor of deel uitmaken van een verzameling of patroonbord.
3.2.1. Categorie III munitie
Met betrekking tot het verzamelen van andere soorten munitie (of onderdelen daarvan) dan kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen en patronen op patroonborden, geldt het volgende: Het houden van een munitieverzameling kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verlof of een ontheffing rechtvaardigt, indien het gaat om:
Ad. a.
In het geval het verlof wordt verleend ten behoeve van een door een museum of dergelijke instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’, de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’; vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de munitie zal optreden.
Ad. b.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van munitie voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.2.2. Categorie II munitie
In artikel 18a van de Regeling wapens en munitie is bepaald dat houders van een verlof tot het voorhanden hebben van categorie III munitie ten behoeve van verzameldoeleinden tevens categorie II munitie voorhanden mogen hebben voor zover:
Indien een verzamelaar categorie II munitie wenst te verzamelen die niet binnen de bovengenoemde vrijstelling valt, of indien hij uitsluitend categorie II munitie wil verzamelen, dan dient hij hiervoor een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Justitie en Veiligheid.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van munitie van categorie II dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.2.3. Explosieven en nabootsingen van explosieven
Indien een verzamelaar inerte40(hand)granaten, mijnen en dergelijke mogen dus geen voortdrijvende, brisante, giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of een soortgelijke lading bevatten. handgranaten, mijnen en dergelijke (wapens in de zin van artikel 2, categorie II, onder 7, van de WWM) wil verzamelen dan wel nabootsingen (wapens in de zin van artikel 2, categorie I, onder 7, van de WWM) hiervan dan dient hij hiervoor een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Justitie en Veiligheid.
Om in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van categorie I of II wapens zoals (nabootsingen van) inerte (hand)granaten en mijnen voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.2.4. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof c.q. de ontheffing dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:
BEPERKINGEN:
De verzameling mag uitsluitend voor studiedoeleinden worden aangelegd en onderhouden (geldt niet voor musea e.d.);
De verlof- c.q. ontheffing houder dient zich in zijn verzameling te specialiseren (geldt niet voor musea e.d.) en derhalve dient de verzameling beperkt te blijven tot een bepaalde munitiesoort of bepaalde aanverwante munitiesoorten.
Naast de studieverzameling mag een ruilvoorraad van dezelfde kalibers en soorten als binnen de verzameling passen, alsmede van afwijkende kalibers, voorhanden worden gehouden;
De verzameling mag omvatten munitie en/of componenten daarvan in al dan niet geladen toestand, met dien verstande dat het projectiel van munitie met een kaliber boven de 12,7 mm (.50) niet voorzien mag zijn van brisante ladingen of ander energetisch materiaal, en munitie met een kaliber boven de 19 mm bovendien geen voortdrijvende ladingen en geen werkzame ontsteking41Omdat slaghoedjes van kalibers boven de 19 millimeter doorgaans een grotere hoeveelheid slagsas bevatten en vaak ook een extra aanvuurlading voor het snel ontsteken van de relatief grote hoeveelheid kruit, kan hier een zekere gevaarzetting van uitgaan. Door deze beperking wordt dit uitgesloten en is alle kogelmunitie van een kaliber boven de 19 millimeter volledig ontdaan van alle chemische lading. mag bevatten. Hagel- en seinpatronen zijn van deze beperkingen uitgezonderd; (hand- en geweer)granaten, (land)mijnen alsmede de overige (onderdelen van) wapens zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 7º, van de Wet wapens en munitie mogen geen voortdrijvende, brisante, giftige, verstikkende, weerloos makende, traan verwekkende of een soortgelijke lading bevatten42Alleen van toepassing bij de verlening van een ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie.;
Het totale aantal gevulde patronen en/of geladen componenten daarvan, mag het aantal van 10.000 stuks niet te boven gaan, tenzij een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend;
Het verlof c.q. de ontheffing tot vervoer, voor zover verleend, is beperkt tot het vervoeren van de munitie tussen de plaats waar de munitie normaliter voorhanden wordt gehouden, de plaats waar een bijeenkomst van munitieverzamelaars wordt gehouden, een politiebureau, het museum waar de munitie van de verzamelaar blijkens de goedkeuring van de korpschef als genoemd onder 3.5.2 ten toon zullen worden gesteld en de erkende wapenhandelaar, langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden. De verlofhouder dient te kunnen aantonen naar een dergelijke bijeenkomst op weg te zijn dan wel daarvandaan te komen.
VOORSCHRIFTEN:
De verlof- c.q. ontheffing houder dient de bepalingen, bij of krachtens de Wet wapens en munitie en de Wet milieubeheer gesteld, stipt na te leven;
Bij een bezoek aan buitenlandse beurzen e.d. dient het vervoer van de verzameling gedekt te zijn door een consent;
Geen munitie en/of componenten daarvan mogen worden afgeleverd-, of afgestaan aan-, of geruild met onbevoegden;
Ten bewijze van het feit, dat de verlofhouder het verzamelen serieus beoefent, dient hij lid te zijn van de ‘Nederlandse Vereniging ter Bestudering van Munitie en Ballistiek’ of van één der andere, bij de
‘European Cartridge Research Association’ aangesloten verenigingen (geldt niet voor musea e.d.). De verzameling dient nauwkeurig en op overzichtelijke wijze te worden gecatalogiseerd en beschreven.
De munitie moet, voor zover het geladen patronen betreft, worden bewaard in een deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk te bereiken bergplaats.
De verlof- c.q. ontheffing houder dient bij het omgaan met munitie zodanige voorzichtigheid en zorg te betrachten, dat gevaar voor hemzelf en derden uitgesloten moet worden geacht.
3.3. Verzamelaars van patroonmagazijnen
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft – gelet op de geringe gevaarzetting verbonden aan het voorhanden hebben van patroonmagazijnen door personen die bevoegd zijn de wapens en/of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben – in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g van de RWM, een vrijstelling van het verbod om patroonmagazijnen te doen binnenkomen of uitgaan, te vervoeren, voorhanden hebben en over te dragen, voor deze groep personen verleend.
De vrijstelling is naast voor sportschutters en jagers, ook met name bedoeld voor munitie- en wapenverzamelaars. Personen die niet in enig georganiseerd verband wapens- of munitie verzamelen, maar die wel een gedegen studie van toe- of afvoermechanismen maken en die bevoegd zijn (wapens of) munitie (waarvoor de patroonmagazijnen bestemd zijn) voorhanden te hebben, vallen eveneens onder de werking van deze vrijstellingsregeling. De verzamelaar zal zich moeten specialiseren en de verzameling dient nauwkeurig en op overzichtelijke wijze te worden gecatalogiseerd en beschreven.
Het is niet toegestaan de verzameling te vermelden op een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de schietsport.
Indien een verlof tot het voorhanden hebben van patroonmagazijnen wordt verleend ten behoeve van een door een museum43Voor de definitie van het begrip museum, zie onderdeel B 3.6. of een daarmee vergelijkbare instelling te houden verzameling, wordt in het verlof achter ‘Naam’, de naam van deze instelling vermeld, waarachter opgenomen de tekst: ‘ten deze vertegenwoordigd door...’. Vervolgens wordt de naam van de persoon vermeld die voor de genoemde instelling als beheerder van de wapens zal optreden. De aanvraag moet in dit geval worden ingediend bij de politiechef van de regionale eenheid van politie waarbinnen de gemeente valt waarin de instelling of het museum is gevestigd en waar de wapens voorhanden zullen worden gehouden.
3.4. Verzamelaars van messen
Alle stiletto-, vlinder- en valmessen zijn verboden. Tot de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet wapens munitie op 1 mei 2012 (Stb. 2011, 447) waren op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet wapens en munitie slechts die stiletto’s, valmessen en vlindermessen verboden, waarvan het lemmet:
Stiletto-, vlinder- en valmessen die buiten deze omschrijving vielen konden door burgers vrij voorhanden worden gehouden en daarmee door wapenverzamelaars zonder verlof of ontheffing worden verzameld. Met de inwerkingtreding van voornoemde wetswijziging is dit niet langer het geval. Wel kan aan een wapenverzamelaar, indien hij of zij voldoet aan de voorwaarden die hieronder genoemd worden, een ontheffing worden verleend voor het verzamelen van g stiletto-, vlinder- en valmessen die tot 1 mei 2012 vrij voorhanden gehouden mochten worden. Het houden van een verzameling stiletto-, vlinder- en valmessen kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een ontheffing ten behoeve van het voorhanden hebben van wapens van categorie I voor verzameldoeleinden rechtvaardigt, indien het gaat om stiletto-, vlinder- en valmessen die voor de inwerkingtreding van de hierboven genoemde wetswijziging op 1 mei 2012 legaal waren.
Verder moet de verzameling passen binnen één van de volgende categorieën:
3.4.1. Voorschriften en beperkingen
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een ontheffing tot het voorhanden hebben van stiletto-, vlinder- en valmessen voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
3.5. Retentie
Om te voorkomen dat bij het overlijden van de verlof- of ontheffing houder de verzameling (en daarmee het historisch erfgoed) verloren gaat, uiteenvalt of onder grote tijdsdruk verkocht moet worden (met daardoor ontstaan waardeverlies), kan de verlof- of ontheffing houder in overleg met de korpschef een retentiebeheerder aanwijzen. Een kopie van de retentieverklaring dient door de betrokken verlof- of ontheffing houder – ter opneming in zijn dossier – aan de korpschef in zijn regio respectievelijk de Minister van Justitie en Veiligheid te worden gezonden.
Na het overlijden komt de retentiebeheerder, voor een periode van maximaal drie jaar, in aanmerking voor de verlening van een retentieverlof of een retentieontheffing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Let op:De retentiebeheerder kan de verzameling niet uitbreiden. De retentiebeheerder heeft twee mogelijkheden:
3.6. Musea
3.6.1. Verlofaanvraag musea
Een museum hoeft niet, zoals een particulier, aan te tonen dat degene die daadwerkelijk de wapens en/of munitie tentoon gaat stellen beschikt over deskundigheid op het gebied van die wapens en/of munitie. Uiteraard dienen de wapens en/of munitie wel te passen binnen de collectie/doelstelling van het museum.
Het ‘International Council of Museums’ (ICOM) heeft de volgende definitie van een museum vastgesteld:
‘Een museum is een permanente instelling, in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor de doeleinden van studie, educatie en genoegen’.
De aanvrager zal aan deze omschrijving moeten voldoen, wil van een museum of een soortgelijke instelling kunnen worden gesproken. Daarbij is met name ook het permanente karakter en de daadwerkelijke toegankelijkheid (vaste openingstijden) voor het publiek van doorslaggevend belang. De aanvrager zal bij het verzoek om verlening en verlenging moeten aantonen dat:
Verder geldt:
Het bestaan/oprichten van een stichting met een bepaalde doelstelling is op zichzelf echter absoluut onvoldoende voor honorering van een aanvraag. Een particulier die niet aan de voor particulieren geldende criteria voldoet kan dan ook niet alsnog – door een stichting op te richten
3.6.2. Uitleen van wapens aan musea
Verzamelaars van wapens en munitie kunnen beschikken over wapens en munitie van bijzondere, historische waarde. In de praktijk bestaat bij verzamelaars en musea de behoefte om deze bijzondere wapens en munitie in musea ten toon te kunnen stellen. Om dit te kunnen bewerkstelligen, kan de verzamelaar een deel van zijn collectie voor een periode van maximaal 3 maanden ter beschikking stellen aan een museum, zoals gedefinieerd onder 3.5.1.
Voor het tijdelijk uitlenen van wapens en munitie door een verzamelaar aan een museum, gelden de volgende voorwaarden:
3.7. Erkenning van wapenverzamelaarsverenigingen
Voor het verkrijgen van een verlof of ontheffing voor het verzamelen van (vuur)wapens is veelal het lidmaatschap van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende wapenverzamelaarsvereniging vereist. Een wapenverzamelaarsvereniging kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid erkend worden indien voldaan is aan de hier onder genoemde, niet limitatieve, randvoorwaarden:
3.7.1. Wapenverzamelaarsverenigingen
3.8. Overgangsmaatregel
Voor personen of instellingen die niet (kunnen) voldoen aan de in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning (verlof of ontheffing) voor het voorhanden hebben van wapens ten behoeve van verzameldoeleinden – maar die op het moment van inwerkingtreding van de Circulaire Wapens en Munitie 2005 reeds in het bezit waren van een dergelijke vergunning – geldt dat zij hun verzameling mogen behouden (de vergunning kan dus gewoon worden verlengd) maar de verzameling mag niet worden uitgebreid. Er mogen dus in geen geval wapens worden bijgeschreven op de vergunning, ook niet na afschrijving van een op de vergunning vermeld wapen, tenzij het nieuw bij te schrijven wapen precies hetzelfde model en type is als het afgeschreven wapen en de bedoeling van de vervanging is om de kwaliteit van de verzameling te verhogen. Uitbreiding mag pas plaats vinden nadat aan de in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden is voldaan.
4. Re-enactment en historisch militair materieel
4.1. Re-enactment
In het kader van een re-enactment worden op een zo historisch verantwoord mogelijke wijze eenheden, slagen en gebeurtenissen uit de militaire geschiedenis nagespeeld door grote groepen historisch geïnteresseerden, uitgedost in originele dan wel nagemaakte kostuums en uitgerust met overige – binnen het specifieke tijdsbeeld passende, met de historische eenheid, slag of gebeurtenis verband houdende – uitrustingsstukken. Voor zover de ‘re-enactment’ zich toespitst op het naspelen van historische legereenheden, veldslagen en andere militaire gebeurtenissen, zijn onder de overige uitrustingsstukken, wenselijk voor een historisch verantwoorde uitvoering, mede te begrijpen wapens.
De originele vuurwapens uit vroeger tijden, zoals zwartkruit achterlaadwapens en voorlaadwapens, kunnen vrij voorhanden worden gehouden, voor zover zij – omdat deze voor 1 januari 1870 (dan wel voor 1 januari 1945) gefabriceerd zijn – vallen onder de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie. Omdat deze authentieke vuurwapens echter steeds schaarser en duurder worden zullen steeds vaker replica’s van dergelijke wapens (categorie III), die eenvoudiger verkrijgbaar zijn, voor bovenstaande doeleinden worden gebruikt. Deze wapens mogen echter, nu zij niet onder de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, eerst voorhanden gehouden worden indien daarvoor een ontheffing en verlof is verleend.
Voor het voorhanden hebben van moderne wapens (wapens die zijn ingericht voor het verschieten van eenheidspatronen) geldt eveneens dat het voorhanden hebben slechts is toegestaan nadat hiervoor verlof c.q. ontheffing is verleend conform de hieronder nader uitgewerkte voorwaarden. Deelname aan activiteiten in het kader van historisch militair materieel is daarbij, mits hiervoor een aantoonbaar belang vanuit het oogpunt van re-enactment bestaat, niet uitgesloten.
4.1.1. Categorie III vuurwapens
Aan personen die lid zijn van een vereniging, welke (middels een lidmaatschap) is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, en die wensen te beschikken over (een) wapen(s), teneinde deel te kunnen nemen aan een door hun re-enactment-groepering georganiseerde uitvoering, kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van maximaal vijf wapens van de categorie III.
‘Moderne’ vuurwapens van categorie III – hiermee wordt bedoeld vuurwapens gemaakt voor het verschieten van patronen met gebruikmaking van rookzwak (nitro) kruit – mogen slechts voorhanden worden gehouden indien zij voor het schieten met scherpe munitie duurzaam ongeschikt zijn gemaakt.
4.1.2. Categorie II vuurwapens
Het voorhanden hebben van categorie II wapens ten behoeve van re-enactment is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de Minister van Justitie en Veiligheid een ontheffing is verleend. Hierbij wordt door de minister een overeenkomstig beleid gevoerd als hiervoor vermeld ten aanzien van vuurwapens van categorie III met dien verstande dat voor de zware wapens (vuurwapens in het kaliber .50 of groter, kanonnen, tanks, houwitsers, raketlanceerinstallatie, bewapende pantservoertuigen etc.) slechts ontheffing kan worden verleend indien het wapen is gedemilitariseerd en daarmee definitief voor gebruik ongeschikt is gemaakt.
Ten aanzien van de gebruikte begrippen:
Geschut = een vuurwapen met een kaliber vanaf 20 mm
Sluitstuk = afsluiter
Schietbuis = loop
Kulas = staartstuk waar de afsluiter in beweegt
Wieg = ligplaats van de schietbuis (het gedeelte waarin de schietbuis zijn achterwaartse beweging maakt, met eventueel het meedraaiend kanonschild).
Om te kunnen spreken van een gedemilitariseerd wapen worden de volgende eisen gesteld:
Uitganspunten voor de genoemde eisen zijn:
Ten aanzien van het lassen:
Dat sprake is van een gedemilitariseerd wapen dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van de Koninklijke Marechaussee, Bureau Wapens, Munitie en Explosieven. Deze regel geldt niet voor replica’s van zwartkruit voorlaadkanonnen. Deze kunnen, mits vermeld op een ontheffing, in ongewijzigde staat voorhanden worden gehouden.
4.1.3. Het dragen van wapens tijdens re-enactment uitvoeringen
Artikel 31 van de Regeling wapens en munitie is mede van toepassing op re-enactment-uitvoeringen. Leden van een vereniging welke (middels het lidmaatschap) is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, kunnen derhalve eerst replica’s of ‘moderne’ vuurwapens bij een re-enactment-uitvoering meevoeren (dragen) nadat hen voor het voorhanden hebben daarvan een verlof/ontheffing is verleend en de burgemeester en de korpschef schriftelijk toestemming hebben verleend voor de re-enactment-uitvoering. Daarbij mogen zij slechts die wapens dragen die passen binnen het tijdsbeeld en deel uitmaken van hun uniformen. Voor zover het gaat om optochten is slechts toestemming van de van de burgemeester vereist.
Voor het verkrijgen van toestemming voor de re-enactment-uitvoering is het noodzakelijk dat het bestuur van de re-enactment vereniging of een vertegenwoordiger van het bestuur van de re-enactmentvereniging – die desgevraagd zulks schriftelijk zal kunnen bewijzen – aan de korpschef kopieën verstrekt van de wapenvergunningen waarop de wapens staan vermeld waarmee aan de re-enactment-uitvoering zal worden deelgenomen.
4.1.4. Buitenlandse deelnemers aan re-enactment uitvoeringen
Ten behoeve van een re-enactment-uitvoering waaraan niet-ingezetenen deelnemen kan de organiserende vereniging (het platform) bij de Minister van Justitie en Veiligheid een incidentele ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben, vervoeren, het doen binnenkomen en het doen uitgaan aanvragen.
4.1.5. Voorwaarden voor de verlening van een verlof/ontheffing
Gelet op het door de Minister van Justitie en Veiligheid ter zake gevoerde (restrictieve) beleid zijn aan de verlening van een verlof/ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens, de volgende voorwaarden verbonden:
4.1.6. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
Op het verlofdocument kan worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie (eventueel ook als accessoire) wordt verleend.
Gebruik van privéwapens door niet verlofhouders
Het deelnemen aan re-enactment-uitvoeringen met privéwapens door leden van een re-enactment vereniging, mag slechts plaatsvinden indien de verlofhouder van de privéwapens het desbetreffende lid begeleidt naar de plaats van de uitvoering, alwaar hij hem het wapen ter hand stelt. Na afloop van de uitvoering neemt de verlofhouder het wapen weer in ontvangst.
De verlofhouder dient te allen tijde in de situatie te verkeren dat hij zijn wapen terug kan nemen dat hij een andere re-enactor ter hand heeft gesteld.
4.1.7. Verenigingsverloven en het gebruik van verenigingswapens
Aan re-enactment verenigingen kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. In het aanvraagformulier voor het verenigingsverlof (zie hieronder) – dat wordt ingediend door het bestuur van de vereniging bij de korpschef (en feitelijk bij de politiechef in de politieregio waar de vereniging, blijkens de statuten, haar zetel heeft) – moet de naam worden vermeld van het (bestuurs-)lid dat namens de vereniging de vuurwapens gaat beheren. In het verenigingsverlof wordt deze persoon dan genoemd als vertegenwoordiger van het bestuur, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens, terwijl het verlof tevens zijn pasfoto bevat. Om als beheerder te kunnen fungeren moet het (bestuurs-)lid tenminste één jaar lid zijn van de vereniging en mag ten aanzien van hem geen vrees voor misbruik bestaan. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verenigingsverlof.
Van het verlenen van het verenigingsverlof stelt de politiechef van de regionale eenheid waar de vereniging is gevestigd de politiechef(s) van de beheerder(s) op de hoogte, indien deze beheerder(s) in een andere regionale eenheid van politie wonen dan de vereniging is gevestigd. Deze kennisgeving geschiedt door het toezenden van een kopie van het verleende verlof.
Het verenigingsverlof kan slechts worden verleend voor wapens, die passen binnen het met de historische eenheid, slag of gebeurtenis verband houdende specifieke tijdsbeeld, waarop de betrokken vereniging zich richt. Deze verenigingswapens moeten op het verenigingsverlof worden vermeld. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt.
Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen deel te nemen aan re-enactment-uitvoeringen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders deelnemen aan de re-enactment-uitvoering44Omdat de re-enactment onder direct toezicht wordt beoefend, is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 11°, van de WWM, zodat de schutter niet behoeft te beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens..
Gebruik van verenigingswapens
Het deelnemen aan re-enactment-uitvoeringen met verenigingswapens, door leden van die vereniging, mag slechts plaatsvinden indien de beheerder van de verenigingswapens het desbetreffende lid begeleidt naar de plaats van de uitvoering, alwaar hij hem het wapen ter hand stelt. Na afloop van de uitvoering neemt de beheerder het wapen weer in ontvangst.
4.2. Historisch militair materieel
Aan personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging,
welke zich bezig houdt met het conserveren van historisch militair materieel en die een dergelijk voer-, vaar- of vliegtuig wensen te completeren met een wapen, teneinde deel te kunnen nemen aan de door die vereniging georganiseerde herdenkingstochten en/of tentoonstellingen, kan een verlof (voor categorie III wapens) en/of een ontheffing (voor categorie II wapens) worden verleend tot het voorhanden hebben van maximaal vijf vuurwapens en voor het (uitsluitend) tijdens de daadwerkelijke herdenkingstochten en/of tentoonstellingen onverpakt op het voer-, vaar- of vliegtuig meevoeren (‘dragen’) van deze wapens. Deelname aan activiteiten in het kader van re-enactment is daarbij, mits hiervoor een aantoonbaar belang vanuit het oogpunt van historisch militair materieel bestaat, niet uitgesloten.
Door de Minister van Justitie en Veiligheid zijn de volgende verenigingen erkend:
4.2.1. Categorie III vuurwapens
Voor het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III mag slechts een verlof worden verleend indien deze vuurwapens op deugdelijke wijze voor gebruik ongeschikt zijn gemaakt. Dit dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende wapenhandelaar.
4.2.2. Categorie II vuurwapens
Het voorhanden hebben van categorie II wapens is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de Minister van Justitie en Veiligheid een ontheffing is verleend. Hierbij wordt door de minister een overeenkomstig beleid gevoerd als hiervoor vermeld ten aanzien van vuurwapens van categorie III met dien verstande dat voor de zware (vuur)wapens (vuurwapens in het kaliber .50 of groter, kanonnen, tanks, houwitsers, raketlanceerinstallaties, bewapende pantservoertuigen etc.) slechts ontheffing kan worden verleend indien het wapen is gedemilitariseerd en daarmee definitief voor gebruik ongeschikt is gemaakt. Van demilitariseren is sprake als tenminste is voldaan aan de onder 4.1.2. beschreven eisen.
Dat sprake is van een gedemilitariseerd dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van de Koninklijke Marechaussee, Bureau Wapens, Munitie en Explosieven.
4.2.2.1. Buitenlandse deelnemers aan activiteiten van historisch militair materieel
Ten behoeve van activiteiten georganiseerd door een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van historisch militair materieel waaraan niet-ingezetenen deelnemen, kan de organiserende vereniging bij de Minister van Justitie en Veiligheid een incidentele ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben, vervoeren, het doen binnenkomen en het doen uitgaan aanvragen.
4.2.3. Voorwaarden voor de verlening van een verlof/ontheffing
Gelet op het door de Minister van Justitie en Veiligheid gevoerde (restrictieve) beleid zijn aan de verlening van een verlof/ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens, de volgende voorwaarden verbonden:
Voor categorie III wapens dient dit te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende Wapenhandelaar of een certificaat conform EU uitvoeringsverordening 2015/2403 en markering van het betreffende vuurwapen conform de voorschriften van diezelfde uitvoeringsverordening. Voor categorie II wapens geldt dat een verklaring van het Bureau Wapens, Munitie en Explosieven (WMEKMar@mindef.nl) van de Koninklijke Marechaussee moet worden overlegd, waaruit blijkt dat het een gedemilitariseerd wapen betreft.
4.2.4. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
4.2.5. Tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van historisch militair materieel
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van historisch militair materieel tijdens een evenement aan een andere deelnemer – die eveneens lid is van een vereniging die is aangesloten bij het LPLG – is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden:
Onder strikt noodzakelijk wordt hier verstaan de situatie waarin de verlofhouder niet anders kan dan het materieel tijdelijk aan een andere deelnemer afstaan. De situatie waarin een verlofhouder met meerdere voertuigen aan een evenement wil deelnemen en daarom zijn materieel wil afstaan aan een andere deelnemer, is niet zo’n situatie. De begrippen tijdelijk, incidenteel en strikt noodzakelijk dienen in deze context dan ook eng te worden geïnterpreteerd.
5. Alarmwapens, noodsignaalmiddelen en toestellen voor beroepsdoeleinden
5.1. Startschoten bij sportwedstrijden
Aan personen die zich regelmatig bezighouden met het organiseren van sportwedstrijden waarbij gebruik moet worden gemaakt van een startpistool of -revolver, kan (voor zover het gaat om een tot categorie III behorend startwapen), een verlof tot voorhanden hebben van dat wapen alsmede van de bijbehorende munitie worden verleend.
Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan. Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloos makende of traan verwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’
Zo nodig kan tevens een doorlopend verlof tot vervoer worden verleend.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.
5.2. Trainen van honden op schotvastheid
Aan personen die zich op serieuze wijze bezig houden met het africhten van honden die – na het behalen van een certificaat – kunnen worden ingezet als jacht-, bewakings- of politiehond, kan, voor het trainen op schotvastheid, een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van een tot categorie III behorend alarmpistool (of -revolver), alsmede van de bijbehorende munitie. Een verlof kan tevens worden verleend aan een jachtaktehouder tot het voorhanden hebben voor een op zijn akte omschreven hagelgeweer voor het verschieten van de zogenaamde blanks (knalpatronen) voor het trainen van jachthonden tijdens de door de KNJV georganiseerde trainingen en het mogelijk maken van wedstrijden en proeven volgens de reglementen van ORWEJA.
Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan.
Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloos makende of traan verwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’
Zo nodig kan tevens verlof tot vervoer worden verleend.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.
5.3. Noodsignaalmiddelen
Aan personen van achttien jaar of ouder die redelijkerwijs kunnen aantonen over een vaartuig te beschikken waarmee op ruim water wordt gevaren en die wensen te beschikken over noodsignaalmiddelen die niet onder de vrijstelling van artikel 22, eerste en tweede lid, van de RWM vallen, kan een verlof45Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen. worden verleend tot het voorhanden hebben van een dergelijk noodsignaalmiddel, alsmede van de bijbehorende munitie. Tevens kan een (doorlopend) verlof tot vervoer worden verleend. Het aan boord van het vaartuig tijdelijk doen uitgaan en doen binnenkomen van het noodsignaalmiddel valt onder de vrijstelling ingevolge artikel 33 RWM.
Niet-ingezetenen die met hun vaartuig een vaste ligplaats in een Nederlandse (jacht)haven hebben, kunnen in de gemeente waar deze haven is gevestigd domicilie kiezen en aldaar een verlof aanvragen. Het doen binnenkomen en uitgaan van het noodsignaalmiddel, zowel indien dit aan boord van het vaartuig gebeurt als indien dit op andere wijze gebeurt, valt onder de vrijstelling ingevolge artikel 23, eerste en tweede lid, RWM.
Op het verlofdocument dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door: ‘het vaartuig’.
5.4. Dummy launchers en lijnwerptoestellen
Dummy-launchers en lijnwerptoestellen in de vorm van een geweer of pistool dienen te worden aangemerkt als vuurwapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1, van de WWM. Dummy-launchers en lijnwerptoestellen als handapparaat, die niet de vorm hebben van een vuurwapen, dienen te worden aangemerkt als toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten zoals bedoel in artikel 2, lid 1, categorie III onder 2 van de WWM. Voor het voorhanden hebben van alle dummy-launchers en lijnwerptoestellen is derhalve een verlof vereist als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM.
Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een dummy-launcher – ten behoeve van het africhten van honden – kan worden aangetoond door het overleggen van een geldige jachtakte, een lidmaatschapsbewijs van een (jacht)hondenvereniging of een schriftelijke verklaring van het bestuur van een (jacht)hondenvereniging waaruit blijkt dat de aanvrager is aangesteld als hondentrainer. Daarnaast dient de aanvrager aan te tonen dat de eigenaar of beheerder van het terrein waar het africhten van de honden plaatsvindt geen bezwaar heeft tegen het gebruik van een dummy-launcher op zijn terrein. De aanvrager kan dit aantonen middels een schriftelijke verklaring van de eigenaar van het betreffende terrein of door het overleggen van de eigendomspapieren indien de aanvrager zelf de eigenaar van het terrein is.
Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een lijnwerptoestel kan blijken uit het feit dat de aanvrager zich beroepsmatig of op anderszins professionele wijze (zoals bijvoorbeeld brandweerkorpsen en reddingsdiensten) bezig houdt met werkzaamheden waarbij het voorhanden hebben van een lijnwerptoestel nodig is voor het uitoefenen van de werkzaamheden.
5.5. Schiethamers en Schietmaskers
Volgens het Besluit schiethamers (Stb. 1967, 142) wordt onder ‘schiethamer’ verstaan:
‘een werktuig, waarmede pennen, stiften, draadeinden en dergelijke in materialen kunnen worden gedreven en waarbij de drijfkracht geheel of gedeeltelijk wordt geleverd door een explosieve lading’.
In principe is een schiethamer dus een toestel voor beroepsdoeleinden geschikt om projectielen te verschieten. Dat wil zeggen enkel de niet goedgekeurde schiethamers. In Nederland mogen namelijk slechts schiethamers worden gehanteerd die volgens artikel 4 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en het Besluit Schiethamers zijn voorzien van een certificaat van goedkeuring. De schiethamer moet dan aan een zestal veiligheidsvoorwaarden doen, waarvan de belangrijkste is dat: ‘het niet mogelijk is hem in de vrije ruimte af te vuren zonder gebruik te maken van bijzondere hulpmiddelen’. Nu het niet mogelijk is om met een goedgekeurde schiethamer uit de vrije hand projectielen af te schieten kan een schiethamer niet worden aangemerkt als een toestel voor beroepsdoeleinden zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 2 van de WWM. Ook kan hij niet als vuurwapen in de zin van de WWM worden beschouwd. Het verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, doen binnenkomen en doen uitgaan van munitie is op grond van artikel 19 van de RWM niet van toepassing op munitie behorende bij gecertificeerde schiethamers.
Voor het doden van vee worden in de praktijk twee soorten schietmaskers ofwel slachtapparaten gebruikt, namelijk het ‘Slagpen- of veiligheidsslachtapparaat’ (a) en het ‘Kogelslachtapparaat’ (b).
5.6. Verdovingsgeweren
Verdovingsgeweren verschieten over het algemeen het verdovingsprojectiel door middel van lucht-, gas-, of veerdruk. Dergelijke wapens zijn dan ook over het algemeen aan te merken als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 4 van de WWM. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook toegestaan aan een ieder die achttien jaar of ouder is. Uitgezonderd hiervan zijn de door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen lucht-, gas-, of veerdrukwapens die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn en die derhalve verboden wapens zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7 van de WWM.
Het dragen van een categorie IV wapen is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de korpschef een verlof is verleend. Een redelijk belang voor de verlening van een dergelijk verlof kan aanwezig zijn indien de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening te maken krijgt met situaties waarin het noodzakelijk is om door middel van een verdovingsgeweer een dier te verdoven. Het toedienen van verdovingsmiddelen aan dieren is echter – gelet op de artikelen 29, 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet, artikel 7 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de artikelen 2 en 3 van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en – gemedicineerde voeders – uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts.
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
5.7. Doden van losgebroken en/of gewond vee/wild
Het doden van losgebroken en/of gewond vee/wild met een kogelgeweer kan noodzakelijk zijn indien een dier een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en/of goederen en er geen reële mogelijkheid is om het dier op een andere (verantwoorde) wijze onder controle te krijgen dan wel ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier. Omdat het in principe niet verantwoord is om (groot) vee te doden met een projectiel uit een (politie)pistool (onder meer vanwege de beperkte ballistische eigenschappen van een dergelijk projectiel), kan de korpschef besluiten dat er een redelijk belang is om aan één of meerdere personen een verlof te verlenen voor het voorhanden hebben van een groot kaliber kogelgeweer. Een dergelijk verlof mag alleen verleend worden aan: 1) personen die in het bezit zijn van een geldige jachtakte en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij met enige regelmaat te maken krijgen met situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild te doden 2) politieambtenaren die aannemelijk hebben gemaakt dat zij goed getraind zijn op situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild met het juiste wapen te doden. Alvorens een dergelijk verlof wordt verleend dient de korpschef zich er van te vergewissen dat de desbetreffende persoon voldoende vaardig is in de omgang met een groot kaliber geweer en voldoende kennis heeft van de wijze waarop (groot) vee/wild geschoten moet worden.
5.8. Doden van gekweekt grofwild
Het houden van dam- of edelherten voor de vleesproductie is in Nederland een steeds vaker voorkomend verschijnsel. Het doden van deze dieren middels de gebruikelijke methoden (schietmasker) is onwenselijk vanwege het feit dat er eerst een zekere manipulatie van het dier door de mens moet plaatsvinden om het dier in de voor die dodingsmethode vereiste positie te brengen. Een dergelijke manipulatie veroorzaakt bij dit soort niet gedomesticeerde dieren een ongewenste opwinding (stress) met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het vlees. Het doden middels een kogel door een daartoe bevoegd persoon heeft dan ook de voorkeur van de fokkers van deze dieren.
Het op verzoek van de fokker doden van deze dieren kan dan ook een redelijk belang opleveren voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een kogelgeweer. Een algemene voorwaarde voor de verlening van een dergelijk verlof is dat de aanvrager in het bezit moet zijn van een geldige jachtakte. Middels het overleggen van een geldige jachtakte toont de aanvrager aan dat hij geoefend is in het doden van dieren met gebruikmaking van een kogelgeweer. Bovendien wordt door het hanteren van deze voorwaarde onnodige uitbreiding van het wapenbezit veelal voorkomen.
Aan een dergelijk verlof dienen de volgende beperkingen te worden verbonden:
5.9. Jagen/beheer en bestrijding van schade
In de Wet Natuurbescherming is geregeld onder welke stringente voorwaarden iemand in aanmerking kan komen voor de verlening van een jachtakte. Tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is afgesproken om in beginsel geen afwijking meer toe te staan op de algemene regel dat een ieder die met een geweer wil jagen, dan wel zich wil bezig houden met beheer en bestrijding van schade, in het bezit dient te zijn van een geldige jachtakte. Op grond van de Wet Natuurbescherming bestaat echter de mogelijkheid dat Gedeputeerde staten op grond van artikel 68 van deze wet een ontheffing van artikel 7, tweede lid, van het Besluit beheer en schadebestrijding verlenen. In de laatstgenoemde bepaling wordt gesteld dat voor het gebruik van een geweer te bestrijding van schade door dieren een geldige jachtakte is vereist. Gedeputeerde staten bepalen binnen de toetsingscriteria van de wet of een dergelijk ontheffing noodzakelijk is. In praktijk zal hiertoe slechts bij hoge uitzondering besloten worden. Indien door Gedeputeerde staten een dergelijke ontheffing wordt verleend dan levert dit een redelijk belang op voor de verlening van een verlof.
De houder van een geldige jachtakte mag zijn geweren tevens gebruiken voor het uitoefenen van de jacht in het buitenland47Zie ook artikel 39 van de Regeling wapens en munitie voor de vrijstelling met betrekking tot het tijdelijk doen uitgaan of binnenkomen, alsmede vervoeren van jachtgeweren ter beoefening van de jacht.. Gelet op het belang van het beheersen van het legale bezit van wapens en de onmogelijkheid van de politie om de jacht in het buitenland te controleren, levert de uitoefening van de jacht in het buitenland in principe geen redelijk belang op voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In het licht van de Europese eenwording heeft de Minister van Justitie en Veiligheid – na afstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit – besloten om de jacht binnen de Europese Unie wél aan te merken als een redelijk belang voor de verlening van een verlof.
Voor de verlening van een verlof ten behoeve van de jacht elders in de Europese Unie dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden:
Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige Nederlandse jachtakte dan dient het wapen te worden bijgeschreven op de jachtakte. Indien de aanvrager niet beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte dan kan het wapen worden bijgeschreven op een verlof tot het voorhanden hebben.
Een ieder – aan wie een verlof of jachtakte is verleend voor het voorhanden hebben van een hagelgeweer en de bijbehorende (categorie III) munitie – mag op grond van deze vergunning (zonder extra aantekening) lood- en zinkhagelmunitie voorhanden hebben (bijvoorbeeld ter uitoefening van de jacht of de beoefening van de schietsport in het buitenland).
Op deze hoofdregel zijn echter twee belangrijke beperkingen van toepassing, namelijk:
6. Zelfverdediging
6.1. Algemeen
Zelfverdediging kan slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangemerkt als een redelijk belang dat het verlenen van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III vordert. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of van zodanige omstandigheden sprake is. Bij de beoordeling van de aanvraag spelen uiteraard ook de betrouwbaarheid van de aanvrager en diens geoefendheid in de omgang met vuurwapens een rol.
De korpschef verleent een verlof tot het voorhanden hebben of dragen van een vuurwapen van categorie III ten behoeve van zelfverdediging niet dan met schriftelijke instemming van de Minister van Justitie en Veiligheid. Daartoe kan telefonisch contact worden opgenomen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Van de verlening van het verlof wordt onverwijld schriftelijk mededeling gedaan aan de Minister. Indien een verlof tot het dragen van een vuurwapen van categorie III wordt gevraagd dient tevens een verlof te worden gevraagd tot het voorhanden hebben van dat vuurwapen, tenzij de aanvrager daartoe reeds bevoegd is.
Voor wapens van categorie II kan door de korpschef geen verlof worden verleend. Dergelijke wapens (waaronder de automatische vuurwapens) behoren, gelet op de aard daarvan, in beginsel niet in particuliere handen te komen. Het voorhanden hebben van wapens van categorie II is voor particuliere uitsluitend toegestaan indien daartoe door de Minister van Justitie en Veiligheid, op grond van artikel 4 van de WWM, een ontheffing is verleend. Dit artikel geeft echter geen mogelijkheid om ontheffing te verlenen voor het voorhanden hebben van automatische wapens ten behoeve van zelfverdedigingsdoeleinden. Tenslotte kan bij wijze van uitzondering een verlof tot het dragen van een ander wapen dan een vuurwapen, bijvoorbeeld een wapenstok, worden verleend indien daarvoor naar het oordeel van de korpschef aanleiding bestaat.
6.2. Wapens aan boord van schepen
Het voorhanden hebben van (vuur)wapens aan boord van Nederlandse schepen is slechts toegestaan indien de wapens krachtens een verlof aan boord voorhanden mogen worden gehouden. Indien een dergelijk verlof is verleend dan is – voor zover de wapens en munitie tot de uitrusting van het schip behoren – de vrijstelling van artikel 33 van de RWM van toepassing, op grond waarvan aan de houder van het verlof vrijstelling wordt verleend voor het tijdelijk doen uitgaan en doen binnenkomen van deze wapens en de bijbehorende munitie.
6.2.1. Piraterij
Wanneer iemand op een zeewaardig Nederlands schip een langdurige zeereis gaat ondernemen waarbij hij zich in wateren zal gaan begeven waarvan bekend is dat piraterij zich daar regelmatig voordoet dan kan dit de verlening van een verlof51Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen. tot het voorhanden hebben van een vuurwapen rechtvaardigen.
Bij het oordeel of een persoon voor een dergelijk verlof in aanmerking komt zal door de korpschef naast het gevarenrisico, ook de betrouwbaarheid van de aanvrager en diens geoefendheid in de omgang met vuurwapens moeten worden betrokken. Op een dergelijk verlof zullen niet zonder meer alle vuurwapens van categorie III mogen worden vermeld. Een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van zelfverdediging met het oog op mogelijke piraterij zal in beginsel voor ten hoogste één handvuurwapen (pistool of revolver) en/of één geweer worden verleend. De wapens dienen aan boord van het schip te worden opgeborgen in een voor derden niet gemakkelijk bereikbare en goed afgesloten bergplaats.
Degene aan wie een dergelijk verlof wordt verleend doet er verstandig aan om voor het begin van de reis te informeren naar de eisen die de te bezoeken landen stellen aan het voorhanden hebben van vuurwapens op hun grondgebied c.q. binnen hun territoriale wateren. Het is bovendien raadzaam om een verkregen verlof door een beëdigd vertaler in diverse talen te laten vertalen en direct na aankomst aan de (haven) autoriteiten te tonen.
6.2.2. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden: BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
7. Tijdelijk verhuur van wapens
In Nederland zijn er een aantal bedrijven die zich beroepsmatig bezig houden met het verhuren van rekwisieten ten behoeve van film-, theaterproducties, concerten of andere soortgelijke evenementen, en re-enactment opvoeringen. Een onderdeel van de verhuur van deze rekwisieten bestaat uit de verhuur van voorwerpen die vallen onder de werking van de Wet wapens en munitie. Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is het in de uitoefening van een bedrijf verhuren van wapens of munitie slechts toegestaan indien aan het desbetreffende bedrijf een erkenning is verleend door de korpschef. Feitelijk wordt de erkenning afgegeven door de politiechef in de regionale eenheid van de politie waar het bedrijf is gevestigd. Naast de algemene regels die van toepassing zijn op een erkenning houder is de tijdelijke overdracht (verhuur) van (vuur)wapens slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften.
8. Opbergen en het gemeenschappelijk gebruik van wapens
De persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie dient – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
De hieronder genoemde bepalingen betreffende het opbergen van wapens en munitie zijn tevens van toepassing op essentiële onderdelen van wapens zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet wapens en munitie.
De bepalingen zijn echter niet van toepassing op de (onderdelen van) wapens en (onderdelen van) munitie waarop de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie van toepassing is noch op lege hulzen en projectielen die bestemd zijn voor het herladen. De onderstaande bepalingen zijn wel van toepassing op de opslag van slaghoedjes maar zijn niet van toepassing op de opslag van kruit. Het voorhanden hebben van kruit valt immers niet onder de werking van de WWM.
8.1. Deugdelijke bergplaats
Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld. Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen.
Aan personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van grote aantallen (meer dan 25) wapens (bijvoorbeeld wapenverzamelaars/musea) en personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van munitie die in totaal een grote omvang heeft (bijvoorbeeld munitieverzamelaars/musea) is het, naast de berging in (wapen) kluizen, ook toegestaan om wapens en/of munitie op te bergen in een andere deugdelijk afgesloten bergplaats zoals een speciaal beveiligde (wapen)kamer. De omvang van de te treffen beveiligingsmaatregelen is uiteraard afhankelijk van de soort (gevaarzetting) en het aantal wapens of munitie dat in het gebouw ligt opgeslagen alsmede van de ligging en de beveiliging van het gebouw, hetgeen per geval zal moeten worden beoordeeld door de politie.
8.2. Opslag van wapens en munitie bij schietverenigingen
Het opbergen van privé- en verenigingsvuurwapens en munitie bij schietverenigingen is toegestaan mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Indien er bij een vereniging of inrichting (als bedoel in de Wet Milieubeheer) meer dan 25 vuurwapens liggen opgeslagen dan dient de ruimte waarin de kluizen zijn geplaatst alsmede het gebouw waarin deze ruimte is gelegen voorzien te zijn van een goedgekeurde alarminstallatie die is aangesloten op een particuliere alarmcentrale als bedoeld in artikel 3, onder b, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
8.3. Vuurwapens op een tijdelijk adres
In het geval dat een verlof- c.q. jachtaktehouder een gedeelte van het jaar buiten zijn vaste woonplaats verblijft, bijvoorbeeld op een vakantieadres, en hij daar zijn vuurwapens voorhanden wil houden teneinde ter plaatse de jacht of de schietsport te kunnen beoefenen, bestaat er mijnerzijds geen bezwaar tegen dat de korpschef op het verlof c.q. de jachtakte de aantekening doet dat de vuurwapens ook voorhanden mogen worden gehouden op het tijdelijke adres.
Is het tijdelijke adres van de verlof- c.q. jachtaktehouder gelegen buiten de regio waaronder de vaste woonplaats van de verlofhouder ressorteert dan is overleg – met de politiechef in de regio waaronder het tijdelijke adres ressorteert – geboden. Tevens dient aan laatstgenoemde politiechef een kopie van het verlof te worden toegezonden.
Vanzelfsprekend dient de verlof- c.q. jachtaktehouder op zijn tijdelijk adres eveneens over de mogelijkheid te beschikken om zijn vuurwapens conform de in onderdeel B 8.1 van deze circulaire genoemde eisen op te bergen.
8.4. Gemeenschappelijk gebruik van wapens
Het is niet ongebruikelijk dat verlof- of jachtaktehouders gemeenschappelijk gebruik willen maken van één of meerdere vuurwapen(s). Tegen het gemeenschappelijk gebruik van vuurwapens is geen bezwaar wanneer dit het toezicht en de controle op de naleving van wapen wettelijke voorschriften niet in gevaar brengt. Daarom moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Een wapen dat vermeld staat op twee verloven of jachtakten telt bij de A-houder (dit is dus degene die het wapen voorhanden heeft op het moment dat het wapen niet gebruikt wordt voor de beoefening van de schietsport of de uitoefening van de jacht door de B-houder) mee voor het maximum aantal wapens dat hij of zij (op grond van artikel 43 van de RWM) voorhanden mag hebben.
Bij de B-houder (dit is dus degene die het wapen leent van de A-houder en na gebruik terstond weer bij A terug brengt) telt het wapen niet mee voor de bepaling van het maximum aantal wapens dat hij of zij voorhanden mag hebben. Het aantal wapens dat met gebruikmaking van deze constructie op een verlof c.q. jachtakte mag worden vermeld bedraagt maximaal 10 voor een verlof en maximaal 12 vuurwapens voor een jachtakte.
Indien meerdere personen binnen een huishouden op grond van hun respectievelijke wapenverloven, allen bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden op grond van hun wapenverloven bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens.
9. Toezicht op de naleving
9.1. Toezicht op verlofhouders en jachtaktehouders
Indien het wapenverlof is verleend, houdt de politie toezicht op de wapenverlofhouder. De politie controleert onaangekondigd bij wapenverlofhouders of zij hun wapens en munitie correct hebben opgeborgen. Dit betekent dat niet elke verlofhouder jaarlijks wordt gecontroleerd, wel zal elke verlofhouder minimaal één keer per drie jaar een thuiscontrole krijgen. Indien nodig, zullen verlofhouders op basis van een risico-indicatie en op basis van steekproeven, vaker gecontroleerd worden. Voor verlofhouders tot 25 jaar geldt een thuiscontrole van minimaal één keer per jaar.
Het is noodzakelijk dat bij alle verlofhouders en jachtaktehouders, wordt gecontroleerd of:
Gelet op de aard van deze controle, zal deze moeten plaatsvinden door middel van een, bij voorkeur onaangekondigd, huisbezoek. Daarnaast is het mogelijk om, ter controle van bepaalde gegevens, betrokkene te verzoeken zich met zijn wapens op het bureau te vervoegen. Uiteraard geldt dat personen die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan personen van wie is gebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven.
Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen.
Gegeven waarschuwingen en eventueel opgemaakte processen-verbaal kunnen er toe leiden ofwel
dat aan het verleende verlof of de verleende jachtakte zwaardere voorschriften of beperkingen worden verbonden ofwel dat tot intrekking wordt overgegaan. Indien, nadat intrekking heeft plaatsgevonden, in een eventueel volgende beroepsprocedure kan worden aangetoond dat betrokkene één of enkele malen schriftelijk is gewezen op de niet correcte naleving van de WWM dan bestaat er een grotere kans dat de intrekking ook in beroep zal worden gehandhaafd. Een schriftelijke waarschuwing is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kan geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld54Zie Raad van State, 18 januari 2006, LJN AU9822..
9.2. Toezicht op schietverenigingen
Bij schietverenigingen dient – naast de in onderdeel B 9.1 genoemde punten – bij een controle tevens aandacht te worden besteed aan de volgende punten:
9.3. Toezicht op ontheffing houders
Aan de door de Minister van Justitie en Veiligheid verleende ontheffingen is in de meeste gevallen het voorschrift verbonden dat de ontheffing uitsluitend geldt voor zover de wapens en/of munitie staan vermeld op een door de korpschef afgegeven verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie. Hetgeen hiervoor onder B 9.1 staat vermeld geldt derhalve ook onverkort voor de controle op ontheffing houders. Ten aanzien van het opbergen van wapens en munitie kunnen in de ontheffing echter afwijkende bepalingen zijn opgenomen. Dit is met name het geval voor ontheffingen die zijn verleend aan musea.
Indien er bij een controle onregelmatigheden/overtredingen worden geconstateerd dan dient de korpschef zo spoedig mogelijk de Minister van Justitie en Veiligheid hiervan op de hoogte te stellen. De Minister van Justitie en Veiligheid zal vervolgens beoordelen of de geconstateerde onregelmatigheden/overtredingen aanleiding geven om aan betrokkene een schriftelijke waarschuwing te geven dan wel de ontheffing in te trekken.
Indien de korpschef van mening is dat de aanwezigheid van de wapens en/of munitie – die op grond van de ontheffing voorhanden mogen worden gehouden – een direct gevaar oplevert voor betrokkene of voor zijn omgeving dan kan de korpschef middels een besluit – op grond van artikel 8, tweede lid, van de WWM – de ontheffing houder gelasten om de wapens en/of munitie binnen een in dat besluit gestelde termijn bij hem in bewaring te geven. Een afschrift van een dergelijk besluit dient door de korpschef zo spoedig mogelijk aan de Minister van Justitie en Veiligheid te worden toegezonden.
9.4. Toezicht op erkenninghouders
Ingevolge de richtlijn d.d. 18 juni 1991 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477/EEG) zijn de lidstaten van de Europese Unie gehouden het als wapenhandelaar op hun grondgebied werkzaam zijn afhankelijk te stellen van een erkenning op grond van tenminste een controle van de betrouwbaarheid van de wapenhandelaar in de persoonlijke (zedelijkheid) en beroepensfeer (vakbekwaamheid). De bevoegde instanties in de lidstaten controleren geregeld of wapenhandelaren hun wettelijke verplichtingen nakomen.
Door de afschaffing van de douanecontrole aan de binnengrenzen van de bij de EU aangesloten landen, is het belang van intensivering van het binnenlandse toezicht op het wapenbezit aanmerkelijk toegenomen. Dit rechtvaardigt dat houders van een erkenning, in het bijzonder wapenhandelaren, die immers staan aan het begin van de keten waarlangs de verspreiding van wapens over een groot publiek zich voltrekt, aan regelmatig en grondig toezicht, middels een controle van hun bedrijfsruimte, hun administratie, alsmede hun wapen- en munitievoorraad, worden onderworpen. Een regelmatig toezicht op de activiteiten van erkenning houders is dus noodzakelijk.
In de eerste plaats kan dit gebeuren door het controleren van de kopieën van de registers die de beheerder op grond van artikel 12 van de RWM maandelijks dient toe te zenden aan de korpschef.
In de tweede plaats dient de politie tenminste eenmaal per jaar, de vestiging waar de activiteiten worden uitgeoefend te bezoeken, teneinde de gang van zaken in die vestiging op een juiste naleving te controleren. Hierbij dient ook te worden gelet op de naleving van de veiligheidsvoorschriften (artikel 11 van de RWM). Uiteraard geldt dat beheerders die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan beheerders van wie is gebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven.
In de derde plaats dient tenminste eenmaal per jaar, bij voorkeur aan het begin van het jaar, de werkelijke voorraad in de vestiging te worden opgenomen en te worden gecontroleerd aan de hand van de opgave daaromtrent in de kopieën van de registers die overeenkomstig artikel 12 van de RWM aan de politie zijn verstrekt. Bij deze controle kan zo nodig met het nemen van steekproeven worden volstaan.
Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen. Een schriftelijke waarschuwing is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kan geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld55Zie 48..
Afhankelijk van de ernst van de geconstateerde feiten, eventueel opgetekend in processen-verbaal, en/of de frequentie van gegeven waarschuwingen, kunnen zwaardere voorschriften of beperkingen aan de erkenning worden verbonden ofwel kan (moet) de erkenning worden ingetrokken. Indien, nadat intrekking heeft plaatsgevonden, in een eventueel volgende beroepsprocedure kan worden aangetoond dat betrokkene één of enkele malen schriftelijk is gewezen op de niet correcte naleving van de WWM, bestaat er een grotere kans dat de intrekking ook in beroep zal worden gehandhaafd.
9.5. Toezicht op consenten
Indien consenten tot uitgaan of tot doorvoer of tot binnenkomen in verband met overbrenging en opslag onder douaneverband door de verlenende instantie niet van de douane zijn terugontvangen, zal de korpschef (en feitelijk de politiechef in de plaats waar de aanvrager is gevestigd of in het geval het consent op naam van de wapenhandelaar is gesteld, in de plaats waar de wapenhandelaar is gevestigd), een onderzoek instellen. Dit onderzoek dient zo spoedig mogelijk na afloop van de geldigheidsduur van het desbetreffende consent plaats te vinden. De korpschef zal moeten nagaan of het uitgaan of de doorvoer van de in het consent vermelde wapens en munitie al dan niet heeft plaats gehad, alsmede om welke redenen – bij gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de douane is afgegeven, dan wel – bij niet-gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de verlenende instantie is teruggezonden.
C. Bijlagen
Bijlage C1. Beslissingsschema: vrijstelling op grond van artikel/18 RWM
Bijlage C2. Omgebouwde stormgeweren die zijn toegestaan voor de schietsport
Opsomming van stormgeweren waarvan het voorhanden hebben en overdragen binnen de door de wet gestelde beperkingen en voorschriften is toegestaan, indien de blokkering op de daarbij aangegeven wijze – voor 1 augustus 2005 – is aangebracht56Zie onderdeel B 2.7.2. Wapens die identiek zijn aan de onderstaande modellen maar in licentie zijn gemaakt door een andere fabrikant (zoals bijvoorbeeld de door STEYR geproduceerd FAL) worden gelijk gesteld met het wapen van de oorspronkelijke producent.
ARMALITE: type AR 10
- •. De nok op de achterzijde van de hamer dient te zijn afgeslepen;
- •. Voor zover de automatische afvuurboom aanwezig is dient de bovenzijde te worden afgeslepen tot de bovenzijde van het huis;
- •. De uitschakeling automatisch vuren (het zogenoemde blokje) dient te zijn aangebracht.
ARMALITE: type AR 15/M 16
- •. De nok aan de bovenzijde van de hamer dient te zijn afgeslepen;
- •. Van de automatische afvuurboom dient, indien deze in het wapen aanwezig is, de bovenste nok te zijn afgeslepen.
FN: type FAL
- •. De retourstift van de trekker dient te zijn voorzien van een openstaande kraag;
- •. Het geweer dient te zijn voorzien van een semi-automatische vuurregelaar met uitstekende nok;
- •. Op het huis dient de aanslagstift voor bovengenoemde nok aanwezig te zijn.
FN: type’s FNC en CAL
- •. Het uitstekende gedeelte van de linkerzijde van de hamer-opvangnok dient geheel glad te zijn weggeslepen.
HECKLER & KOCH: alle varianten van deze automatische geweren
- •. De voorste nok van de hamer dient door afslijpen verwijderd te zijn. In combinatie hiermee dient een semi-automatische vuurregelaar te zijn aangebracht.
N.B.Bij een zodanig gewijzigd geweer kan de vuurregelaar toch nog op de stand ‘automatisch’ (F) worden geplaatst, echter zonder dat het wapen automatisch kan vuren.
KALASHNIKOV: type AK 47
- •. Het achterste uiteinde van de vangtuimelaar dient zodanig ingekort te zijn, dat de vuurregelaar in de stand ‘automatisch’ – de middenstand – deze tuimelaar niet meer raakt.
RUGER: type AC 556 en alle automatische varianten van het type Mini 14
- •. Het rechter uitstekende deel van de nok van de vangtuimelaar terzijde van de automatische vuurhefboom dient te zijn afgeslepen tot de breedte gelijk is aan de hamerbreedte.
SIG: type 510 (STURMGEWEHR 57)
- •. De tuimelaar voor automatisch vuren dient te zijn verwijderd.
STURMGEWEHR: type 44 en voorlopers
- •. Het links boven de kast van het afvuurmechanisme uitstekende draaibare deel van de automatische vuurtuimelaar dient vlak afgeslepen te zijn tot of onder de bovenrand van de kast, of deze vuurtuimelaar dient geheel verwijderd te zijn;
- •. De vuurregelaar dient in de stand Einzelfeuer (E) te zijn vast gelast.
BERETTA: type BM 59 idem als Ruger CETME: idem als Heckler & Koch GALIL: idem als Kalashnikov
M 14: idem als Ruger
VALMET M 62: idem als Kalashikov
Bijlage C3. Invulinstructie Europese Vuurwapenpas
Algemeen
De Europese vuurwapenpas wordt op verzoek uitgereikt aan de houder van een verlof tot het voorhanden hebben (artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWM), de houder van een jachtakte als bedoeld in de Wet Natuurbescherming of aan iemand die op andere wijze bevoegd is om vuurwapens voorhanden te hebben. De aanvraag van de pas is vormvrij. Op de pas worden uitsluitend vuurwapens vermeld die de aanvrager reeds bevoegd voorhanden heeft.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)