Circulaire wapens en munitie 2019
Om inzicht te verschaffen op welke wijze het Nederlandse export- en doorvoersysteem van strategische goederen is geregeld en welke goederen onder controle staan, heeft de CDIU in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken het Handboek Strategische Goederen opgesteld. Dit handboek is aan te vragen bij de CDIU. Het handboek is ook te raadplegen via de website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen.html
1.4.5.3. Europese vuurwapenpas
Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van de WWM wordt aan personen die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op hun verzoek een Europese vuurwapenpas uitgereikt, waarop de door de aanvrager voorhanden gehouden wapens kunnen worden aangetekend.
De invoering van de Europese vuurwapenpas is een gevolg van de toepassing van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477EEG). Met de invoering van de pas werd beoogd van legale wapenbezitters, waaronder jagers en sportschutters door de EU-landen met hun wapens te vergemakkelijken en anderzijds de binnenlandse controle op die legale wapenbezitters zoals jagers en sportschutters, die afkomstig zijn uit één van de andere bij de EU aangesloten landen, te vergroten.
In verband met dit laatste wordt aan de tamelijk ruime vrijstelling12Zie de vrijstellingen voor sportschutters en jager voor buitenlandse activiteiten in paragraaf 15 van de Regeling wapens en munitie. van de consent- en verlofplicht voor (EU)jagers en sportschutters thans de voorwaarde van het bezit van de Europese vuurwapenpas verbonden. Het opnemen in de pas van een visum door de Nederlandse autoriteiten – in het geval van niet in Nederland ingezetenen – wordt uitdrukkelijk niet verlangd; het enkele bezit van een door een land van de EU afgegeven vuurwapenpas is voldoende. Voor jagers en sportschutters die niet in het bezit van een dergelijke pas zijn, geldt de vrijstelling dan ook niet; zij zullen in voorkomende gevallen een consent dienen aan te vragen. Als bijlage C3 is bij deze circulaire de invulinstructie voor de Europese vuurwapenpas opgenomen.
Zowel artikel 28a van de WWM Wet wapens en munitie (WWM) als voornoemde de Europese richtlijn van 18 juni 1991 waar dit wetsartikel op gebaseerd is spreken alléén van vuurwapens. Het is dus op grond van artikel 28a, eerste lid, van de WWM niet mogelijk een Europese vuurwapenpas af te geven voor een luchtdrukwapen. Het gaat immers om een vuurwapenpas.
1.4.5.4. Gevolgen inwerkingtreding EU verordening 258/2012
Sinds 30 september 2013 geldt EU verordening 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PbEU 2012, L 94) (hierna: de verordening). De verordening is door het Europees parlement en de Raad gezamenlijk op 14 maart 2012 vastgesteld. Ter uitvoering van de verordening wordt de WWM gewijzigd, teneinde een wettelijke grondslag te creëren voor de op grond van de verordening voor de lidstaten verplicht in te voeren sanctiemogelijkheden bij inbreuk op de verordening. Hierom wordt een specifieke verplichting tot het hebben van een uitvoervergunning voor de uitvoer van de in bijlage 1 van de verordening opgesomde vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie, in de Wwm opgenomen en wordt overtreding van dit voorschrift strafbaar gesteld. Het wetgevingstraject is op het moment van vaststellen van deze CWM nog niet afgerond. Maar omdat de verordening wel sinds 30 september 2013 geldt dient – voor zover mogelijk – conform de verordening gehandeld te worden. Bij constatering van een overtreding van een bepaling van de verordening handelen Douane en CDIU, en in voorkomende gevallen andere handhavingsdiensten op eenzelfde wijze als ware de verordening volledig geïmplementeerd.
2. Uitvoering en Toezicht
2.1. Uitvoering van de WWM
2.1.1. Algemeen
Met de uitvoering van de wapenwetgeving zijn belast de Minister van Justitie en Veiligheid, de korpschef van de Nationale Politie en de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU).
De Minister is belast met de uitvoering van de wapenwetgeving. Bepalingen over de uitvoering zijn neergelegd in paragraaf 10 van de wet. Een belangrijk voorschrift is artikel 38 dat stelt dat de minister bevoegd is aanwijzingen te geven aan de korpschef, die verplicht is deze op te volgen. Naast de bedoelde algemene aanwijzingen, die zijn opgenomen in de onderhavige circulaire, is de minister bevoegd om in individuele zaken aanwijzingen te geven.
Bij de uitvoering van de wet dient de korpschef de aanwijzingen van de Minister van Justitie en Veiligheid te volgen (artikel 38, tweede lid, WWM). Hieronder dienen zowel algemene als bijzondere aanwijzingen te worden begrepen Voor wat betreft de positie van de korpschef (voorheen ‘de hoofden van plaatselijke politie’ en de korpschefs) wordt in de memorie van antwoord13Eerste Kamer, vergaderjaar 1985–1986, 14 413, nr. 54, blz. 9 het volgende opgemerkt: ‘ ...de hoofden van plaatselijke politie [korpschef] geen eigen beleid voeren doch ingevolge artikel 38, tweede lid, de aanwijzingen van de Minister van Justitie en Veiligheid dienen te volgen (...). Over de uitvoering van de wet is slechts de Minister van Justitie en Veiligheid tegenover de nationale volksvertegenwoordiging verantwoording schuldig’.In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep in kan stellen tegen een besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid14Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, LJN-nr: AE9910, Zaaknr: 200103516/1. De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid.
De korpschef heeft de mogelijkheid de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden ingevolge de WWM te mandateren aan één of meer ondergeschikten binnen de politie. Daarvoor is een mandaatbesluit van de korpschef noodzakelijk. De korpschef blijft ook na mandatering verantwoordelijk voor de (immers namens hem) genomen beslissingen. Indien het gaat om een formeel besluit, dient in het besluit tot uitdrukking te komen dat de desbetreffende beschikking (zoals de intrekking van een verlof) namens de korpschef is genomen. In het mandaatbesluit politie, zijn de uitvoerende taken door de korpschef gemandateerd aan de politiechefs van de regionale eenheden van politie.
Het ligt voor de hand dat naarmate het besluit ingrijpender is voor de burger, de verantwoordelijkheid daarvoor hoger in de organisatie wordt gelegd. Zo verdient het aanbeveling om de intrekking van een erkenning tenminste op het niveau van de Sectorhoofd van de nationale politie of op vergelijkbaar niveau te doen plaatsvinden.
De wetgever heeft de uitvoering van de WWM uitdrukkelijk binnen de politieorganisatie gepositioneerd.
Zo is het voor de korpschef niet mogelijk zijn taken en bevoegdheden te mandateren aan een niet-ondergeschikte, bijvoorbeeld aan de burgemeester van een binnen de politie-eenheid gelegen gemeente. Dat de WWM zich tegen een dergelijk mandaat verzet kan worden afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Invoeringswet Politiewet 1993, waarbij de taken en bevoegdheden van het hoofd van plaatselijke politie zijn overgeheveld naar de korpschef. Voorts is ook delegatie van taken en bevoegdheden (overdracht van de formele verantwoordelijkheid) niet mogelijk; de vereiste wettelijke basis in de WWM ontbreekt daarvoor dan ook.
Op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWM is de Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer (CDIU) belast met de verlening van consenten zoals bedoeld in artikel 14 van de WWM15Zie onderdeel A 1.4.5.1 voor wat betreft de verlening van consenten op grond van de Wet wapens en munitie.. Uitzondering hierop vormen de consenten tot binnenkomen ten behoeve van de krijgsmacht en de overige openbare diensten (bijvoorbeeld de politie). Deze consenten worden – op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWM – verleend door de Minister van Defensie respectievelijk de Minister van Justitie en Veiligheid. Consenten tot uitgaan worden gewoon verleend door de CDIU. In de praktijk komt de verlening van consenten door beide ministers echter niet of nauwelijks voor. Dit is het gevolg van het feit dat de krijgsmacht en de politie (als instituut) op grond van artikel 3a, eerste en tweede lid, van de WWM zijn uitgezonderd van de consentverplichting. De uitzondering is eveneens van toepassing op personen die van de krijgsmacht of de politie deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover dit door de desbetreffende ministers bij regeling is bepaald16Zie onderdeel A 1.3.4 voor een nadere toelichting op de uitzonderingen die van toepassing zijn op bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen..
2.1.2. Administratieve voorschriften
De voor de politie geldende administratieve voorschriften met betrekking tot de registratie van wapenbezitters vinden hun basis in artikel 38 van de WWM en zijn neergelegd in artikel 47 van de RWM.
Uit artikel 47, eerste lid, RWM blijkt dat de korpschef twee registraties moet bijhouden van in zijn ambtsgebied woonachtige personen die in het bezit zijn van wapens of munitie.
De eerste registratie bevat de personen die bevoegd zijn een wapen of munitie voorhanden te hebben op grond van een door hem verleend verlof, jachtakte of erkenning.
De tweede registratie bevat de personen in zijn ambtsgebied die een wapen of munitie voorhanden mogen hebben op grond van een door een andere autoriteit verleende bevoegdheid.
Voorbeelden hiervan zijn:
2.1.3. Administratieve voorschriften inzake registervoering
Het uitoefenen van bevoegdheden die krachtens een in deze wet genoemde vergunning aan (rechts-)personen zijn verleend, kunnen per vergunning soort bepaalde registratieverplichtingen gelden. Voorbeelden hiervan zijn de registers van erkenninghouders of de presentieregisters van schietverenigingen, wapenuitgifteregisters, munitie-uitgifteregisters en introduceeregisters.
2.2. Toezicht op de WWM
Onder toezicht moet worden verstaan de werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd. Toezicht op de naleving heeft onder meer als kenmerk dat er controles worden uitgevoerd op de naleving van de regelgeving zonder dat er sprake hoeft te zijn van een (vermoedelijke) overtreding van een wettelijk voorschrift. Het toezicht en de handhaving is geregeld in paragraaf 11 van de WWM en in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met het toezicht op de naleving van de wapenwetgeving zijn ingevolge artikel 45 WWM belast:
Aan de toezichthoudende ambtenaren komt een aantal bevoegdheden toe. Deze bevoegdheden zijn te vinden in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is een overkoepelende wet die geldt voor zover er in de bijzondere wet geen afwijkende bepalingen zijn opgenomen. De WWM kent in artikel 45, derde en vierde lid, een tweetal beperkingen op de artikelen 5:18, tweede lid, en 5:19 Awb. Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van de aan de toezichthoudende ambtenaren toekomende bevoegdheden:
Let op:
De bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen (artikel 5:19) komt niet toe aan de toezichthouders in het kader van de WWM (zie artikel 45, vierde lid, WWM). In het kader van de opsporing mag deze bevoegdheid wel worden toegepast. Het controleren (fouilleren) van personen en het doorzoeken van tassen behoort niet tot de bevoegdheden bij deze bestuursrechtelijke controle.
Voor al de genoemde bevoegdheden geldt dat de toezichthouder hiervan slechts gebruik mag maken voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Dit artikel waarborgt onder meer dat de toezichthouder slechts die plaatsen kan betreden waar, naar redelijk vermoeden, in verband met de uitoefening van een bedrijf, wapens of munitie aanwezig zijn.
In onderdeel B 9 worden aanwijzingen aan de korpschef gegeven voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de WWM.
B. Bijzonder deel (B)
1. Geen vrees voor misbruik
1.1. Algemeen
Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.
Het tweede lid van artikel 7 stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Justitie en Veiligheid kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie.
Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt.
‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.
1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.
Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.
Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.
Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:
Ad b.
Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.
Ad. c
Indien op een veroordeling zowel de criteria genoemd onder ‘b’ alsmede de criteria genoemd onder ‘c’ van toepassing zijn (bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf waarbij aan de dader een geldboete is opgelegd), dan is de onder ‘b’ genoemde termijn van acht jaar het uitgangspunt voor de beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben van wapens en munitie (nog langer) aan betrokkene kan worden toevertrouwd.
Vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (een transactie met het Openbaar Ministerie), of als bedoeld in artikel 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering (een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar) wordt gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg.
Een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijk gesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld.
Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
Omgekeerd kan de korpschef ook een langere termijn aanhouden indien diezelfde factoren daartoe aanleiding geven, in het bijzonder als de aanvrager (vergunninghouder), op basis van zijn strafrechtelijk verleden, moet worden gekenschetst als een recidivist of een gewoontecrimineel.
Daar zal aanleiding toe zijn wanneer de veroordelingen buiten de termijn aansluiten op enkele of een reeks veroordelingen binnen de termijn. Een incidentele veroordeling buiten de termijn of meerdere van die veroordelingen, maar dan in een geïsoleerde periode die verder in het verleden ligt, worden niet in de beoordeling betrokken, tenzij het om een zeer ernstig feit gaat waaraan bij de vergunningaanvraag niet kan worden voorbij gegaan.
Bij gebleken illegaal wapenbezit, ongeoorloofd wapengebruik, ernstige geweldsdelicten, drugsdelicten of een lange reeks van strafbare feiten is er alle reden zware maatstaven aan te leggen ten aanzien van de periode waarover de aanvrager zal moeten aantonen zich aan de wettelijke normen te kunnen houden. Afwijking (naar beneden) van bovengenoemde leidraad zal in die gevallen zwaar moeten worden gemotiveerd.
Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan onderscheid worden gemaakt tussen zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en zaken waarbij de rechtbank de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging.
Eerstgenoemde situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een verlof te weigeren of in te trekken dan laatstgenoemde situatie. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om te vrezen dat misbruik zal worden gemaakt van het verlof dan wel van wapens of munitie. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de beslissing tot weigering of intrekking van het verlof.
Bij ‘ontslag van rechtsvervolging’ heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit bewezen is maar dat of het feit of de dader niet strafbaar is. Indien het feit niet strafbaar is dan kan het plegen van dit feit in principe ook niet leiden tot intrekking of weigering van een vergunning.
Ontslag van rechtsvervolging wegens het niet strafbaar zijn van de dader kan in sommige gevallen wel leiden tot intrekking of weigering van een vergunning. Indien bijvoorbeeld het ontslag van rechtsvervolging het gevolg is van de ontoerekeningsvatbaarheid van de dader dan kan in vrijwel alle gevallen tevens geconcludeerd worden dat het voorhanden hebben van wapens en munitie aan die persoon niet kan worden toevertrouwd. Ontslag van rechtsvervolging omdat er sprake is van noodweer(exces) zal daarentegen niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan betrokkene kan worden toevertrouwd. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal moeten worden bekeken in hoeverre uit het gedrag van betrokkene geconcludeerd moet worden dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.
In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.
Te denken valt aan door het openbaar ministerie geseponeerde zaken. Indien er sprake is van sepot wegens procedurele fouten in de opsporingsfase, of omdat de zaak te lang is blijven liggen, wegens gering feit of wegens geringe strafwaardigheid van het feit, kan er een duidelijker grond voor weigering of intrekking van een verlof zijn dan bij een sepot wegens gebrek aan bewijs. Een sepot omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt zal uiteraard geen rol bij de beoordeling kunnen spelen.
De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces- verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.
Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat – in afwachting van een eventuele veroordeling – door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.
Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:
Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.
In geval van aanwijzingen – bijvoorbeeld verkregen uit informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) – dat de aanvrager (vergunninghouder) verkeert in kringen waarbinnen geweld met gebruikmaking van (vuur)wapens niet wordt geschuwd, dan wel indicaties die wijzen in de richting van betrokkenheid van aanvrager (vergunninghouder) bij enige vorm van drugshandel of zware (georganiseerde) criminaliteit dan wel het verkeren door hem in (zware) criminele kringen, is het eveneens onverantwoord om de betrokkene in het bezit te stellen c.q. te laten van een vuurwapen. Er zijn hierdoor immers (op zijn minst geringe) twijfels gerezen over de aanvaardbaarheid van de uitzonderingspositie waarin de aanvrager (vergunninghouder) komt te verkeren (verkeert) ten opzichte van zijn medeburgers. Daarbij moet wel worden bedacht dat betrokkene zoveel mogelijk de gelegenheid moet krijgen zich te verweren tegen de tegen hem bestaande bedenkingen.
Wanneer de (CIE-)informatie niet mag worden prijsgegeven zijn de desbetreffende feiten dus niet bruikbaar in een bestuursrechtelijke procedure. Vastlegging in een rapport of proces-verbaal is dus noodzakelijk maar ter bescherming van de identiteit van de informant kan worden volstaan met het beknopt vermelden van de (strafbare) feiten waarmee de aanvrager in verband wordt gebracht en wat de betrouwbaarheid is van deze informatie. In het kader van een eventuele beroepsprocedure kan de rechtbank zo nodig vertrouwelijk kennis nemen van de onderliggende informatie om zich zodoende een oordeel te kunnen vormen over de juistheid van het bestreden besluit17Zie artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht.
De vergunning kan ook worden geweigerd wanneer de vrees voor misbruik zich niet concentreert op de aanvrager (de houder) van de vergunning zelf, maar op bijvoorbeeld de kennelijke onbetrouwbaarheid van een huisgenoot, waarvan niet uitgesloten is dat hij het wapen zou kunnen bemachtigen. In dergelijke gevallen hoeft de vergunning niet altijd geweigerd te worden, maar kan de oplossing ook worden gezocht in aanvullende beperkingen en voorschriften op het verlof. Bijvoorbeeld door het opnemen van een voorschrift dat het wapen uitsluitend in de kluis van de schietvereniging of bij een erkenninghouder mag worden opgeslagen. Daarbij zullen echter specifieke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de korpschef, omdat de vrees voor misbruik niet de persoon van de aanvrager (de houder) van het verlof zelf betreft, maar een huisgenoot. Afhankelijk van onder meer de ernst van die feiten en de datum waarop zij zijn gepleegd kan een door de huisgenoot van de aanvrager (de houder) van een vergunning begaan strafbaar feit of anderszins verwijtbaar gedrag vrees voor misbruik van de vergunning, dan wel van wapens of munitie opleveren.
Indien er grond is om aan te nemen dat van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben misbruik zal worden gemaakt dan wel dat de aanvrager hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen, dan dient een gevraagde jachtakte te worden geweigerd (zie artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming). De jachtakte wordt ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming). De termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in de WWM en de hierboven weergegeven termen in de Wet natuurbescherming vallen inhoudelijk samen.
Hetgeen hierboven omtrent ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ is aangegeven, geldt derhalve ook bij de toepassing van de Wet natuurbescherming.
2. Schietsport
2.1. Algemeen
Dit hoofdstuk bevat bijzondere regels voor sportschutters en traditionele schutters, zoals leden van Gilden en de Schutterijen, schietverenigingen, schietcentra en in B 2.9 de airsoftsport. Deze regels hebben onder meer betrekking op het gebruik van verenigingswapens (zie B 2.2), het exploiteren van een schietcentrum (zie B 2.3) en het bezit en gebruik van privé-wapens (zie B 2.4). In onderdeel B 2.5 is een toelichting opgenomen over onderdelen, hulpstukken en munitie. Voor de verschillende takken van schietsport alsmede voor verboden/ongewenste wapens bevatten de onderdelen B 2.6 respectievelijk B 2.7 nadere regels. In onderdeel 2.8 is tenslotte een drietal overgangsregelingen opgenomen met betrekking tot voor de schietsport ongewenste wapens, met betrekking tot de certificering van verenigingen en met betrekking tot herintredende verlofhouders.
Onderdeel B 2.9 heeft louter betrekking op airsoft apparaten, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder h, van de RWM.
In dit hoofdstuk wordt onder meer uiteengezet binnen welke kaders een schietvereniging of een individu een verlof kan krijgen ten einde de schietsport te kunnen beoefenen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien:
In artikel 7 WWM staan de algemene gronden genoemd die leiden tot afwijzing van de verlofaanvraag. Dit is het geval wanneer:
In artikel 26, vierde lid van de WWM is opgenomen dat Onze Minister ten aanzien van de personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in 28, tweede lid, van de WWM regels kan vaststellen met betrekking tot:
Deze regels zijn, zover voor de schietsport van belang, in artikel 43 en 43 a van de RWM uitgewerkt. Wanneer een schietvereniging of een individueel persoon een verlofaanvraag doet in het kader van het beoefenen van de schietsport, is bovenstaande wettelijke kader van belang. Binnen dit kader wordt afgewogen of iemand in aanmerking komt voor een verlof. Hieronder wordt uiteengezet hoe aan dit kader in de praktijk invulling dient te worden gegeven.
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Hiervoor moet sprake zijn van een zogenoemd redelijk belang om wapens en munitie voorhanden te hebben. Dit is verder uitgewerkt onder het kopje redelijk belang en onder het kopje erkende en gereglementeerde takken van schietsport.
Daarnaast mag er tegen de aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie geen vrees voor misbruik bestaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf B/1.2. In het geval de aanvrager een schietvereniging is mag er behalve jegens de vereniging, ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders geen vrees voor misbruik bestaan. Van een wapenverlofhouder en een schietvereniging wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (wapen)wettelijke regels en deze stipt volgt.
De wapens waarmee en de schietbaan of schietterrein waarop geschoten wordt, moeten geschikt zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is een uitwerking van het wettelijk criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid mag vormen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bepaalde wapens zijn voor iedere discipline te gevaarlijk om te schieten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf B2.7.
De wapens moeten zowel door een schutter met een privé verlof als een schietvereniging op een veilige wijze worden opgeborgen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 8.
Het belang van de openbare orde en veiligheid van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm vereist een adequaat overheidstoezicht op de wijze waarop verlofhouders met wapens omgaan. Het lidmaatschap van een vereniging is een passend en proportioneel middel om concreet gestalte te geven aan dit toezicht. Aan schietsportverenigingen worden derhalve eisen gesteld om te waarborgen dat er toezicht wordt gehouden op de wijze waarop individuele leden met hun wapens omgaan. Een schietsport vereniging respectievelijk een vereniging waar traditioneel schieten wordt beoefend moet om die reden door de KNSA respectievelijk de KNTS zijn gecertificeerd. Deze certificering draagt er toe bij dat het schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en een sportschutter c.q. traditioneel schutter geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid kan vormen. De certificering wordt hierna nog nader toegelicht. Schieten buiten een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietvereniging is in het kader van de openbare orde en veiligheid ongewenst. Er zijn drie mogelijkheden voor een vereniging om gecertificeerd te worden. In de eerste plaats kan een vereniging lid zijn van de KNSA. In dat geval bestaat de mogelijkheid om binnen het KNSA-verband een vorm van de daar geldende certificering te verkrijgen. Binnen de KNSA zijn 2 certificaten mogelijk: de zogenoemde basiscertificering die voldoet aan de certificering die is voorgeschreven door de Minister, en de certificering met één kroon voor verenigingen die voldoen aan aanvullende kwaliteitseisen die door de KNSA zelf zijn gesteld. Een tweede mogelijkheid is dat een vereniging waar traditioneel wordt geschoten, lid kan worden van de KNTS en daar gecertificeerd wordt. Als laatste kan een vereniging op haar verzoek gecertificeerd worden door de KNSA zonder lid te zijn van de KNSA. Het staat de KNSA en de KNTS vrij om andere (extra) voorwaarden te verbinden aan de certificering voor de bij hun aangesloten verenigingen, dan de voorwaarden die betrekking hebben op de veiligheid en openbare orde die met de Minister zijn overeengekomen en vastgelegd in een gezamenlijk convenant. Het voldoen aan deze extra voorwaarden geschiedt op vrijwillige basis. Deze aanvullende voorwaarden kunnen daarom geen reden vormen om een basiscertificering te weigeren.
Krachtens artikel 28, tweede lid, Wwm jo. 43a, eerste lid, Rwm dient een ieder die de schietsport wenst te beoefenen en daartoe een wapenverlof aanvraagt, aangesloten te zijn bij een schietvereniging, die door een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen organisatie is gecertificeerd. De KNSA en de KNTS zijn als organisaties door de Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van onderstaande voorwaarden, aangewezen om schietsportverenigingen c.q. verenigingen waar de traditionele schietsport wordt beoefend te certificeren. De KNSA is aangewezen omdat deze organisatie in internationaal verband het vertegenwoordigend orgaan van de schietsport is en is aangesloten bij onder meer NOC*NSF, ISSF (International Shooting Sport Federation) en de ESC (European Shooting Confederation). De KNSA is daarmee de koepelorganisatie op het gebied van de schietsport in Nederland en heeft de afgelopen jaren samen met de Minister van Justitie en Veiligheid kaders ontwikkeld om te toetsen dat een schietvereniging de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze door haar leden laat beoefenen.
De KNTS is opgericht door de Noord Brabantse Federatie van Schuttersgilden en de Vereniging Brabantse Gildeschutters en vertegenwoordigt een belangrijk deel van de Gilden en daarmee van het traditioneel schieten in Nederland. De KNTS staat als koepel dicht bij de overige activiteiten die naast het schieten plaatsvinden bij de Gilden.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genoemd) in het verband van een schietvereniging. Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS dient om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie te verkrijgen, haar leden in staat te stellen een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline binnen haar vereniging te beoefenen.
Zoals in onderdeel B/2.1 en B/2.4.1 is vermeld is het in wedstrijdverband beoefenen van een gereglementeerde schietsportdiscipline, of als betrokkene lid is van een vereniging voor traditionele schietsportdisciplines, één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de (traditionele) schietsport. Daarbij is bepalend of het beoefenen van de schietsport een redelijk belang voor het voorhanden hebben van wapens als bedoeld in artikel 28 WWM oplevert. Door voor de invulling van het criterium van het redelijk belang bij het beoefenen van de schietsport aan te sluiten bij de bestaande kaders voor die sport, wordt zo veel mogelijk gewaarborgd dat daadwerkelijk sprake is van beoefening van de schietsport en wordt zoveel mogelijk de veiligheid gewaarborgd. Schietsportdisciplines zijn vastgesteld om te waarborgen dat onder meer wapens en schietterrein geschikt zijn om op veilige wijze de schietsport te beoefenen. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline. Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlage C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. Zie verder 2.6. Schietsportdisciplines.
2.2. Schietverenigingen
Onder een schietvereniging, wordt verstaan de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWM). Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS kan een verenigingsverlof krijgen indien zij hierbij een redelijk belang heeft en zij met dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid vormt. Voor verenigingen die in aanmerking wensen te komen voor een zogenaamd verenigingsverlof, geldt dat zij door de KNSA of KNTS gecertificeerd dienen te worden en dat binnen die vereniging de schietsport wordt beoefend zoals aangewezen in bijlage C8 en overeenkomstig de voor die schietsport gestelde sporttechnische eisen door de KNSA. Voor het traditioneel schieten, gelden de door de KNTS sporttechnische eisen met betrekking tot de traditionele schietsportdisciplines.
2.2.1. Verenigingsverlof
Aan een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietsportvereniging c.q. vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend, kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. Een verenigingsverlof wordt alleen verleend indien de schietvereniging en haar leden met de verlening van dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kunnen vormen en er een redelijk belang is voor het verlenen van het verlof. Het verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens en munitie wordt feitelijk gesteld op naam van de beheerder(s) van de vereniging. De vereniging dient zich bezig te houden met het beoefenen van de (traditionele) schietsport en alle geldende wetten en regelgeving na te leven.
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Er kan alleen sprake zijn van een veilige en gecontroleerde wijze, wanneer de persoon die wapens en munitie voorhanden heeft, dit op legale gronden heeft.
Jegens de vereniging en ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders van die vereniging mag geen vrees voor misbruik bestaan. Van de schietvereniging en haar bestuurders en beheerders wordt verwacht dat zij op de hoogte zijn van de geldende (wapen)wettelijke bepalingen en deze stipt volgen.
Wanneer een vereniging een verenigingsverlof voor de schietsport aanvraagt, moet in ieder geval blijken dat de beheerders, al langere tijd conform de geldende regels de schietsport beoefenen en gedurende die periode voldoende oefening hebben gehad. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is met dit doel in het leven geroepen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien de schietvereniging door de KNSA of vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend door de KNTS is gecertificeerd en met de wapens die zij aanvraagt door haar leden binnen de vereniging op een veilige en gecontroleerde wijze, in wedstrijdverband, een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van de schietsport wordt beoefend. Voor de verenigingen die lid zijn van de KNTS gelden de door de KNTS gereglementeerde traditionele schietsportdisciplines (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid en B/2.6 Schietsportdisciplines. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt. Een eenmaal bevoegd voorhanden gehouden vuurwapen mag alleen gebruikt worden binnen de doelen waarvoor de bevoegdheid is verkregen. Misbruik maken van deze bevoegdheid door het vuurwapen voor andere doeleinden dan de schietsport te gebruiken, geldt als intrekkingsgrond, zoals bepaald in artikel 7, tweede lid, onder c van de Wet wapens en munitie.
De vereniging dient bij de aanvraag tot een verlof gebruik te maken van de door de Minister van Veiligheid en Justitie in de Rwm vastgestelde aanvraagformulieren.
In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als beheerder van de verenigingswapens optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof wordt aan de beheerder verstrekt. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens, met daarop zijn naam. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto.
Indien er ten aanzien van de vereniging, het bestuur van de vereniging en de beheerder geen vrees voor misbruik bestaat, kan het gevraagde verlof, met een geldigheidsduur van één jaar, worden verleend. Op het verlofdocument kan, indien hiervoor een redelijk belang bestaat, worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie wordt verleend.
Bij verlening en verlenging van het verlof behoeft de beheerder niet te voldoen aan het minimum aantal schietbeurten dat met betrekking tot het voorhanden hebben van privé-wapens geldt.
Bij een eerste verlofaanvraag dient (de vertegenwoordiger van) de korpschef - middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden- te controleren of de aanvragende vereniging beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie (zie B/8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vaststaat dat het verlof kan worden verleend. Er zijn tenminste 3 persoonlijke contactmomenten tussen het bestuur, de beheerder van de vereniging en politie. Het is van groot belang dat de politie iedere beheerder van het verenigingsverlof bij een eerste verlofaanvraag in persoon ontmoet. De beheerder(s) word(t)(en) daarom uitgenodigd zelf het aanvraagformulier in persoon op het politiebureau af te geven. Een ander moment van persoonlijk contact tussen de vertegenwoordiging van de vereniging en politie in het aanvraagproces betreft de controle van de wapenkluis of wapenkamer. De eis dat de beheerder(s) de documenten dien(t)(en) af te halen op het politiebureau staat garant voor een derde moment van persoonlijk contact.
2.2.2. Gebruik van verenigingswapens binnen de schietvereniging
Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen de desbetreffende tak van schietsport te beoefenen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders en binnen de eigen verenigingsaccommodatie, de schietsport beoefenen.
Voor het gebruik van verenigings- en privéwapens mag de vereniging munitie aan haar leden ter beschikking stellen. De vereniging mag alleen die munitie aan haar leden ter beschikking stellen die de vereniging zelf krachtens het verenigingsverlof voorhanden mag hebben.
Bij de uitgifte en het gebruik van verenigingswapens en munitie dienen, met het oog op het voorkomen van gevaar voor de openbare orde of veiligheid, de volgende voorschriften in acht genomen. Deze voorschriften worden ook in het verenigingsverlof opgenomen:
2.2.3. Gebruik van verenigingswapens buiten de schietvereniging
Het beoefenen van de (traditionele) schietsport met verenigingswapens, door leden van die vereniging, buiten de accommodatie van de eigen schietvereniging (bijvoorbeeld het deelnemen aan een schietwedstrijd elders) kan op de volgende wijzen plaatsvinden:
Bij verlening en verlenging van het verlof behoeft betrokkene niet te voldoen aan het minimum aantal schietbeurten dat met betrekking tot het voorhanden hebben van privé-wapens geldt.
2.2.4. Door de krijgsmacht ter beschikking gestelde wapens aan studentenweerbaarheidsverenigingen
Er zijn studentenweerbaarheidsverenigingen waaraan door de krijgsmacht vuurwapens ter beschikking worden gesteld om te worden gedragen bij het uitoefenen van eerbetoon en soortgelijke manifestaties. De aanvraag voor een verlof tot het voorhanden hebben en vervoeren van deze wapens en de bijbehorende munitie, wordt door het bestuur van de betrokken vereniging ingediend bij de korpschef. De aanvraag wordt eerst in behandeling genomen nadat de bereidheid om de wapens ter beschikking te stellen schriftelijk is bevestigd van de zijde van de verantwoordelijke militaire autoriteit, die daarbij dient aan te geven om welke wapens het gaat, met vermelding van typen en nummer.
In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als vertegenwoordiger van de vereniging optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verenigingsverlof.
Op het verlof tot het voorhanden hebben dient hetgeen onder ‘BEPERKINGEN’ is gesteld met betrekking tot het vervoer, te worden aangepast aan de feitelijke situatie.
2.2.5. Promotieactiviteiten en introducés
Verenigingsverloven en verloven tot het voorhanden hebben van privé-vuurwapens strekken er niet toe om personen die geen lid zijn van een schietvereniging in staat te stellen de schietsport te beoefenen.
Niettemin bestaat er zoals ook gesteld in artikel 43a van de Rwm geen bezwaar tegen indien een schietvereniging incidenteel – in het kader van promotie van de vereniging en de schietsport – geïnteresseerden (introducés) in de gelegenheid stelt met de schietsport kennis te maken. Deze promotieactiviteiten mogen zowel georganiseerd (door het bestuur van de vereniging) als ad hoc (bijvoorbeeld een door een lid van de vereniging meegebrachte introducé) plaatsvinden. Het aanbieden of gelegenheid bieden tot het organiseren van bedrijfsfeesten of andere evenementen – waarbij met vuurwapens kan worden geschoten – is echter niet toegestaan. Uitsluitend erkende schietcentra mogen op commerciële basis vuurwapens ter beschikking stellen aan derden (zie onderdeel B/2.3 voor de voorwaarden).
Bij het ter beschikking stellen van verenigings- of privé-wapens aan introducés dienen de volgende voorschriften in acht te worden genomen. Hierbij geldt dat de voorschriften voor zover het gaat om het ter beschikking stellen van luchtdrukwapens, slechts gelden voor het ter beschikking stellen aan minderjarigen.
De onder f genoemde beperking geldt niet ten aanzien van personen die aantoonbaar in het kader van de door de Stichting Jachtopleidingen Nederland (SJN) georganiseerde jachtcursussen ten behoeve van het behalen van een erkend jachtexamen, gebruik maken van de faciliteiten van een schietvereniging.
De onder f en g genoemde beperkingen gelden niet voor zover gebruik wordt gemaakt van enkelschotsbuksen in het kaliber 12 of 16 met een minimaal gewicht van 12 kilogram.
2.3. Schietcentra
Het is niet ongebruikelijk dat een houder van een erkenning bij wijze van nevenactiviteit een schietcentrum exploiteert. Hierbij wordt ook aan personen die niet beschikken over een eigen vuurwapen de gelegenheid gegeven buiten verenigingsverband recreatief te schieten. Er bestaat geen bezwaar tegen deze activiteit mits er wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden. De houders van een erkenning kunnen derhalve, naast het verrichten van de activiteiten genoemd in artikel 9, eerste lid, WWM, een schietcentrum exploiteren. Op het bewijs van erkenning wordt aantekening gedaan van het verrichten van deze activiteiten. Bij de exploitatie van een schietcentrum dient het volgende in acht te worden genomen.
2.4. Privé-wapens
2.4.1. Voorwaarden privé verlof schietsport
Een sportschutter kan een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport verkrijgen. Onder schietsport wordt hier verstaan: het in wedstrijdverband beoefenen van een tak van schietsport overeenkomstig bijlage C8. Om een dergelijk privé verlof te verkrijgen, dient er jegens de sportschutter of traditioneel schutter geen vrees voor misbruik te bestaan en dient er door verlening van het verlof geen gevaar te bestaan voor de openbare orde of veiligheid en dient de sportschutter een redelijk belang te hebben tot het voorhanden hebben van wapens en munitie.
In dit hoofdstuk zijn ook een aantal nadere specifieke eisen voor sportschutters met een privé verlof gesteld, welke zijn terug te voeren op het wettelijke criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid mag vormen (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid). Met het stellen van deze voorwaarden wordt tevens voorkomen dat een ieder die stelt de schietsport te willen beoefenen, een verlof kan krijgen voor een vuurwapen. Wanneer een persoon een privéverlof voor de schietsport aanvraagt, moet in ieder geval blijken dat de betrokkene minimaal twaalf maanden voorafgaande de aanvraag conform de geldende regels de schietsport beoefent en gedurende die periode voldoende oefening heeft gehad. Ook het systeem van de opbouw in disciplines en wapentypes (zie 2.4.4) is met dit doel in het leven geroepen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bij een eerste verlofaanvraag dient de vertegenwoordiger van de politiechef - middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden- te controleren of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie (zie B 8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vaststaat dat het verlof kan worden verleend. Er zijn tenminste 3 persoonlijke contactmomenten tussen aanvrager en politie.
Het is van groot belang dat de politie iedere aanvrager van een verlof bij een eerste verlofaanvraag in persoon ontmoet. De aanvrager wordt daarom uitgenodigd zelf het aanvraagformulier in persoon op het politiebureau af te geven. Een ander moment van persoonlijk contact tussen de verlofaanvrager en de politie betreft de controle van de wapenkluis thuis. De eis dat de verlofaanvrager het document zelf dient af te halen op het politiebureau staat garant voor een derde moment van persoonlijk contact.
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet wapens en munitie te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De (traditionele) schietsport kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien de aanvrager op een veilige en gecontroleerde wijze (in wedstrijdverband), gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaande de aanvraag, een in bijlage C8 aangewezen reglementeerde tak van schietsport binnen zijn gecertificeerde schietvereniging beoefent. (zie B/2.1 onder Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid en B/2.6 Schietsportdisciplines). De aanvrager dient regulier lid te zijn, en gedurende minimaal 1 jaar voorafgaande de aanvraag regulier lid te zijn geweest, van zijn gecertificeerde schietvereniging. Een eenmaal bevoegd voorhanden gehouden vuurwapen mag alleen gebruikt worden binnen de doelen van die waarvoor de bevoegdheid is verkregen. Misbruik maken van deze bevoegdheid door het vuurwapen voor andere doeleinden dan de schietsport te gebruiken, geldt als intrekkingsgrond, zoals bepaald in artikel 7, tweede lid, onder c, van de Wet wapens en munitie.
2.4.2. Schietbeurten
Bij het aanvragen van een nieuw verlof dan wel bij de aanvraag tot verlenging van een bestaand verlof dient de aanvrager, aan te tonen dat hij in de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag minimaal 18 schietbeurten bij een gecertificeerde schietsportvereniging met een vuurwapen heeft verricht. De verlofhouder toont hiermee aan dat hij de schietsport beoefent (redelijk belang) en zijn vaardigheid in de omgang met wapens op peil tracht te houden.
Hierbij gaat het om het totaal aantal door de verlofhouder in de voorafgaande 12 maanden verrichte schietbeurten. Hoe de schietbeurten over deze periode zijn verdeeld, en met welk vuurwapen waarvoor het verlof geldt is geschoten, is hierbij niet van belang.
De aanvrager dient hiertoe een op naam gesteld en door het bestuur van de schietvereniging gewaarmerkt schietregister te overleggen, waarin aantekening is gedaan van de schietoefeningen waaraan de aanvrager heeft deel genomen. De aantekening dient te vermelden:
Als de schutter op een schietbaan een schietbeurt in zijn register doet aantekenen, dient zijn aanwezigheid op die schietbaan te blijken uit het aldaar aanwezige presentieregister, tenzij hij heeft deelgenomen aan een wedstrijd en zijn naam voorkomt op de lijst van deelnemers. Het presentieregister dient per dag te worden afgesloten en afgetekend. Het blad of de bladen worden na afloop van de schietoefening afgesloten en opgeborgen in het archief van de vereniging Zij worden desgevraagd aan de politie getoond indien er twijfel is over de juistheid van de in een schietregister geregistreerde schietbeurten.
Schietbeurten die zijn verricht in een land dat deel uitmaakt van de Europese Unie tellen mee voor de bepaling van het aantal verrichte schietbeurten voor zover de desbetreffende sportschutter dit kan aantonen middels het overleggen van originele wedstrijdbriefjes of een originele gewaarmerkte verklaring van een, te goeder naam en faam bekend staande, schietvereniging waar de schietbeurten zijn verricht. Voor informatie over buitenlandse schietverenigingen kan zo nodig contact worden opgenomen met de KNSA.
Als uitgangspunt geldt dat niet meer dan één schietbeurt per dag kan worden aangetekend, ongeacht het aantal wapens waarmee is geschoten.
Hierop bestaan echter twee uitzonderingen:
Wanneer de aanvrager bij verlenging van de geldigheidsduur van een bestaand verlof niet kan aantonen voldoende schietbeurten te hebben behaald maar wel ten genoegen van de korpschef kan onderbouwen, dat het tekort aan schietbeurten het gevolg is van een oorzaak die hem redelijkerwijs niet kan worden aangerekend – bijvoorbeeld langdurige ziekte, langdurig verblijf in het buitenland, andere persoonlijke omstandigheden – dan kan de verlenging van de geldigheidsduur van het verlof hem niettemin worden toegestaan.
2.4.3. Buitenlandse schietverenigingen
Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard.
2.4.4. Maximum aantal wapens en beginnende sportschutters
Uitgangspunt ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid RWM, is – zoals hiervoor reeds uiteengezet – een maximum aantal van vijf vuurwapens, bij te schrijven op een verlof tot het voorhanden hebben. Dit criterium houdt verband met de doelstelling van de WWM om het legale wapenbezit binnen redelijke grenzen te houden. Het staat de sportschutter echter vrij om, binnen de grenzen van het maximum aantal van vijf vuurwapens (zie B 2.4.1, onder g), meer wapens van een zelfde type of kaliber voorhanden te hebben.
In het derde lid van artikel 43 van de RWM is echter bepaald dat het maximum van vijf wapens niet van toepassing is op houders van een verlof tot het voorhanden hebben die aantonen dat zes of meer wapens voor hen onontbeerlijk zijn voor de beoefening van de schietsport. Deze verklaring dient te worden afgegeven door de KNSA en te worden ondersteund door het bestuur van de vereniging waar de betrokkene de schietsport beoefent. Het moet gaan om een uitzonderingssituatie.
Ten aanzien van beginnende sportschutters geldt een stringenter wapenregime. Voor zowel de sportschutter als de traditionele schutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt en die lid is van een door de KNSA respectievelijk KNTS gecertificeerde verenging zijn er twee mogelijkheden.
De sportschutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt, en niet langer dan twee jaar lid is van een door de KNSA gecertificeerde vereniging, komt slechts in aanmerking voor een verlof voor één vuurwapen, niet zijnde een semi-automatisch geweer, welke geschikt is voor de Olympische disciplines, zoals door de KNSA gereglementeerd (Zie B/2.6). Gedurende het eerste verlofjaar geldt het verlof voor niet meer dan één vuurwapen.
De sportschutter die, nadat hem bij zijn eerste verlofaanvraag een wapenverlof is verleend en aan het eind van het eerste verlofjaar een verlenging van een vuurwapenverlof aanvraagt, of die voor de eerste maal een vuurwapen aanvraagt en langer dan twee jaar lid is van een door de KNSA gecertificeerde vereniging, komt slechts in aanmerking voor een verlof voor vuurwapens, niet zijnde semi-automatische geweren, welke geschikt zijn voor de Olympische disciplines, de disciplines van de International Sport Shooting Federation en de disciplines van de Muzzle Loaders Associations International Committee, zoals aangewezen in bijlage C8 gereglementeerd door de KNSA. Voor de traditionele schutter die voor de eerste maal een vuurwapenverlof aanvraagt en die lid is van een door de KNTS gecertificeerde vereniging zijn er verschillende mogelijkheden. Indien bij zijn vereniging geschoten wordt met wapens met .22 munitie komt de aanvrager in aanmerking voor een verlof voor één vuurwapen zoals dat bij zijn vereniging in gebruik is. Als er sprake is van een zwaarder kaliber dan .22 dient betrokkene tenminste twee jaar lid te zijn van een door de KNTS gecertificeerde vereniging.
2.4.5. Schieten met vrijgestelde wapens
Het komt regelmatig voor dat sportschutters de schietsport willen beoefenen met vrijgestelde (antieke) wapens waarvan het voorhanden hebben – op grond van artikel 18 van de RWM – is vrijgesteld28Zie ook het in bijlage C 1 opgenomen beslissingsschema. Voor het schieten met een vrijgesteld wapen is een verlof tot het voorhanden hebben niet nodig.
De munitie voor deze vrijgestelde (antieke) wapens is – met uitzondering van ronde loden kogels (zie artikel 20 van de RWM) – echter niet vrijgesteld. Voor het beoefenen van de schietsport met een op grond van artikel 18 van de RWM vrijgesteld wapen, is voor de munitie een verlof tot voorhanden hebben vereist. Het vrijgestelde wapen is eveneens vrijgesteld van het in deze circulaire onder 2.4.1.2 opgenomen systeem van opbouw van wapentypes.
Het bestuur van de schietvereniging waarvan de schutter lid is verklaart op het formulier dat het vuurwapen waarvoor het verlof tot voorhanden hebben van munitie wordt gevraagd, zal worden aangewend voor een in bijlage C8 aangewezentak van schietsport zoals die in het verband van de vereniging kan worden beoefend.
Elk kaliber waarvan de verlofhouder munitie voorhanden wenst te houden dient apart op het verlof vermeld te worden. Voor het schieten met vrijgestelde wapens behoeven geen schietbeurten te worden geregistreerd. Het op het verlof bijschrijven van de munitie heeft geen invloed op het maximaal aantal wapens als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de RWM. Wel dient de aanvrager te voldoen aan de algemene voorwaarden voor de verlening van een verlof ten behoeve van de schietsport. Het vrijgestelde vuurwapen hoeft niet op het verlof te worden vermeld, enkel de vermelding van de verlofplichtige munitie.
2.4.6. Tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van een privé-wapen
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNSA-licentie of van een lidmaatschapsbewijs van een niet bij de KNSA aangesloten, maar wel door de KNSA gecertificeerde schietvereniging, of die in het bezit is van een wapenverlof of jachtakte – is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een traditionele schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNTS-licentie is toegestaan als dat geschiedt onder de volgende voorwaarden:
Het tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens het konings/keizerschieten, het gemeentelijk koningsschieten en het koning/keizerschieten tijdens Gildedagen en Landjuwelen. Leden van de traditionele schietverenigingen zonder wapen die geen KNTS-licentie hebben zoals omschreven onder 2.2.2, is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
2.4.7. Schieten op overheidsbanen door leden van bij de KNSA aangesloten schietverenigingen
Ten behoeve van schutters wier bij de KNSA aangesloten schietvereniging niet over een schietbaan beschikt voor het schieten met grootkaliber vuurwapens, heeft de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie een aantal overheidsschietbanen in gebruik, waar onder toezicht van KNSA-functionarissen schietoefeningen en wedstrijden worden gehouden.
Aan de KNSA-licentiehouders die van deze faciliteiten gebruik maken, kan op verzoek een verlof tot het voorhanden hebben van een groot kaliber vuurwapen worden verstrekt.
De bevestiging dat een schutter of een vereniging toegang heeft tot een overheidsbaan kan worden verkregen bij het bondsbureau van de KNSA te Leusden. In sommige gevallen (bijvoorbeeld bij het Infanterieschietkamp ‘De Harskamp’), kan de bevoegdheid ook blijken uit een toegangspasje.
Tenzij de schutter zijn bevoegdheid om op een overheidsbaan te schieten kan aantonen met een toegangspasje, dient de achterzijde van het aanvraagformulier WM-3, zowel door het bestuur van de eigen vereniging als door de KNSA te zijn ondertekend.
2.4.8. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:
BEPERKINGEN:
VOORSCHRIFTEN:
Met betrekking tot vervoer
2.5. Onderdelen, hulpstukken en munitie
2.5.1. Wissellopen en andere essentiële onderdelen
Indien ten behoeve van de schietsport een verlof tot het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens is verleend, kunnen op dat verlof ook onder de WWM vallende onderdelen en hulpstukken (zie artikel 3 van de WWM) – bestemd voor deze vuurwapens – worden bijgeschreven. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan (reserve)onderdelen of aan wissellopen/wisselsets van een ander kaliber die het mogelijk maken om met een ander (goedkoper) kaliber munitie te schieten. Wisselsets en (reserve) onderdelen zoals lopen of sledes tellen niet mee bij het bepalen van het (maximum) aantal wapens op het verlof. Bij een eerste verlofaanvraag wordt geen verlof verleend voor een vuurwapen in een groter kaliber dan .22, ook al wordt daarbij een wisselset om te schieten in een groter kaliber meegeleverd. In voorkomende gevallen is een verlof voor het voorhanden hebben van een pistool met uitsluitend de wisselset .22 toegestaan, waarbij de wisselset in het grotere kaliber in bewaring blijft of wordt gegeven bij een erkenninghouder.
Voor de bijschrijving van een wisselloop/wisselset op het verlof dient de aanvrager een volledig ingevuld WM-3 formulier in te dienen waaruit blijkt voor welke erkende of gereglementeerde tak(ken) van schietsport de wisselloop/wisselset aangewend zal worden31Zie onderdeel B 2.6 voor de erkende takken van schietsport..
In artikel 18, aanhef en onder g van de RWM, is een vrijstelling voor patroonmagazijnen opgenomen. Deze vrijstelling geldt slechts voor personen die bevoegd zijn de daarbij behorende wapens of munitie voorhanden te hebben. Buiten de in deze vrijstelling bedoelde groep is voor het voorhanden hebben van patroonmagazijnen een verlof vereist. Patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips zijn geen onderdelen en/of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn en zijn derhalve niet verlofplichtig.
2.5.2. Munitie
Aan de houder van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ten behoeve van de schietsport wordt in principe tevens een verlof verleend tot het voorhanden hebben van de bijbehorende categorie III munitie. De verlofhouder mag dus uitsluitend categorie III munitie voorhanden hebben die bestemd is om met het desbetreffende wapen te worden verschoten. Het voorhanden hebben van categorie II munitie is dus – met uitzondering van expanderende projectielen (zie hieronder) – niet toegestaan.
Het aantal stuks munitie dat een verlofhouder (en een jachtaktehouder) voorhanden mag hebben wordt in beginsel beheerst door de milieuwetgeving. Ingevolge het Activiteitenbesluit op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mag de verlofhouder (jachtaktehouder) – zonder vergunning op grond van deze wet – 10.000 stuks eenheidspatronen voorhanden hebben. Indien bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de korpschef daartoe nopen, kan op grond van de Wet wapens en munitie het aantal stuks munitie dat de verlofhouder voorhanden mag hebben, (gemotiveerd) worden beperkt.
De houder van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport mag de bij die wapens behorende categorie III munitie voorhanden hebben alsmede munitie voorzien van expanderende projectielen. In artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 4 is namelijk bepaald dat munitie voorzien van expanderende projectielen in principe categorie II munitie is tenzij deze munitie bestemd is voor de jacht of de schietsport. In dat geval dient deze munitie te worden aangemerkt als categorie III munitie.
Ook zogenoemde ‘losse flodders’ zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM32Zie de uitspraak van de Raad van State van 18 juli 2001 (nr: 200005685/1) en het arrest van de Hoge Raad van 24 november 1987.. Het bezit van deze categorie III munitie – die onder meer gebruikt wordt voor instructie doeleinden en bij re-enactment – is dus onder meer toegestaan voor houders van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de schietsport of ten behoeve van re-enactment.
Een ieder – aan wie een verlof of jachtakte is verleend voor het voorhanden hebben van een hagelgeweer en de bijbehorende (categorie III) munitie – mag op grond van deze vergunning (zonder extra aantekening) lood- en zinkhagelmunitie voorhanden hebben (bijvoorbeeld ter uitoefening van de jacht of de beoefening van de schietsport in het buitenland).
Op deze hoofdregel zijn echter twee belangrijke beperkingen van toepassing, namelijk:
2.6. Schietsportdisciplines
Schietsportdisciplines vormen een indeling van vormen van schietsport (binnen een wapengroep), die kunnen worden onderscheiden op grond van onder meer houding en positie, aantal schoten, soort wapen, gewicht, trekkerdruk, soort kaliber en schietafstand (takken van schietsport).
Zoals ook onder B2.1 vermeld kan alleen de beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline in verenigingsverband naar mijn oordeel een redelijk belang opleveren in de zin van artikel 28, tweede lid WWM. Dat betekent dat alleen een verlof kan worden verleend, als sprake is van beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline. In bijlage C8 zijn deze schietsportdisciplines aangewezen, waarbij tevens de wapentechnische eisen zijn benoemd, die gelden voor de binnen de schietsport te gebruiken vuurwapens. Het gaat om schietsportdisciplines die een gereglementeerde tak van schietsport betreffen. Het maatschappelijk belang is ermee gediend dat niet meer wapens in de samenleving in omloop komen dan uitsluitend die, die geschikt zijn voor schietsportdoeleinden. De technische eisen die aan de wapens worden gesteld betreffen naar mijn oordeel een wezenlijke aspecten van wapens en zijn daarom eveneens opgenomen in bijlage C8. Verder gelden de door de KNSA en KNTS opgestelde reglementen voor wat betreft de sporttechnische eigenschappen van de schietsportdisciplines. De reglementering staat ook onder invloed van de internationale regels voor de schietsport van de International Shooting Sport Federation (I.S.S.F.).
Ik laat het reglementeren van de sporttechnische eigenschappen van de schietdisciplines aan deze verenigingen over, omdat het bepalen welke sporttechnische eisen gesteld worden aan een schietsportactiviteit bij uitstek een taak van de landelijke schietsportbond of de landelijke bond van traditionele schutters is.
Hierbij zij aangetekend dat er – doordat de Nederlandse sportschutter onder meer door het deelnemen aan buitenlandse schietwedstrijden kennis neemt van nieuwe wedstrijdvormen – ook in Nederland een aantal nieuwe schietsportdisciplines zijn ontstaan. Nieuwe of (nog) niet aangewezen schietsportdisciplines kunnen voor aanwijzing schriftelijk bij de Minister van Justitie en Veiligheid aangemeld worden. Alvorens een besluit te nemen laat de minister zich adviseren door de ministeriële werkgroep advies Wet wapens en munitie en KNSA dan wel KNTS. De disciplines die niet door mij zijn aangewezen als schietsportdisciplines waarvan de beoefening in verenigingsverband een redelijk belang op kan leveren voor het voorhanden hebben van vuurwapens, dienen te worden beschouwd als zijnde facultatief. Zij leveren geen redelijk belang op bij het voorhanden hebben van vuurwapens die uitsluitend voor die disciplines zijn bestemd. Het staat de verlofhouder echter vrij om deze schietsportdisciplines te beoefenen met de vuurwapens die hij ten behoeve van het beoefenen van andere, wel aangewezen, schietsportdisciplines reeds bevoegd voorhanden heeft. Voor de verlofhouders die een KNTS-licentie hebben is alleen het beoefenen van de traditionele schietsportdisciplines toegestaan, aangewezen in in bijlage C8.
2.7. Verboden en ongewenste wapens
Er zijn bepaalde wapens die niet – ten behoeve van de schietsport– op een verlof mogen worden bijgeschreven. Een en ander hierover is opgenomen in de hierna volgende opsomming (zie ook de overgangsmaatregelen in B 2.8.1).
2.7.1. Verboden wapens
Het is verboden vuurwapens die beantwoorden aan de navolgende algemene kenmerken voorhanden te hebben.
Deze opsomming van kenmerken is niet uitputtend en is slechts bedoeld als hulpmiddel. Aan de hand van de omschrijving van de categorieën in artikel 2 van de WWM moet worden nagegaan onder welke categorie het betrokken wapen valt en of het al dan niet is verboden. Het aanbrengen van aanpassingen aan wapens met als doel verbetering van de resultaten in de schietsport (gedacht kan worden aan het aanbrengen van speciale richtmiddelen, terugstoot- en opslagcompensatoren e.d.) leidt er niet toe dat een wapen als verboden moet worden aangemerkt.
2.7.2. Ongewenste wapens
Wapens die voldoen aan onderstaande criteria zijn ongewenst ten behoeve van de schietsport. Een verlofaanvraag voor een dergelijk wapen dient dan ook te worden afgewezen tenzij op de aanvraag de overgangsregeling (zie onderdeel B 2.8.1.) van toepassing is.
2.8. Overgangsmaatregelen
2.8.1. Ongewenste wapens
De in onderdeel B 2.7.2. genoemde (en dus in principe ongewenste) vuurwapens waarvan door de houder c.q. aanvrager van het verlof – kan worden aangetoond:
worden niet aangemerkt als zijnde voor de schietsport ongewenste vuurwapens. Deze overgangsregeling beoogt zoveel mogelijk te voorkomen dat verlof- en erkenninghouders financieel worden gedupeerd, als gevolg van het feit dat een als ‘ongewenst’ aangemerkt vuurwapen een deel (althans in Nederland) van zijn commerciële waarde verliest. De wapens die voldoen aan bovenstaande voorwaarden mogen op het verlof vermeld blijven dan wel zonder beperking worden verkocht aan de wapenhandel of aan een andere binnen- of buitenlandse vergunninghouder.
Let op: Bij een verlofaanvraag voor een dergelijk wapen is het aan de aanvrager om te bewijzen dat aan bovenstaande voorwaarden is voldaan. De aanvrager kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van het tonen (van een kopie) van het (oude) verlof van de vorige eigenaar of middels een schriftelijke verklaring van de erkenninghouder waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 (voor zover het de onder B/2.7.2 onder 8 genoemde wapens betreft voor 1 januari 2013) in zijn voorraad aanwezig was. Middels een vergelijking met de registers van de erkenninghouder kan deze verklaring op juistheid worden gecontroleerd.
Wapens die reeds op grond van de CWM 1997 zijn aangemerkt als ‘ongewenst wapen’, en die ook op grond van de huidige CWM aangemerkt dienen te worden als ‘ongewenst wapen’, worden aldus vermeld op het verlof. Hiermee wordt het ongewenste karakter van het wapen blijvend vastgelegd. Indien de betrokken verlofhouder dit wapen op enig moment van het verlof wil afvoeren, dan mag hij het slechts verkopen of afstaan aan de wapenhandel, aan gespecialiseerde verzamelaars of aan personen in het buitenland en niet aan (Nederlandse) collega-sportschutters. Er mogen derhalve geen nieuwe verloven (ten behoeve van de schietsport) voor deze wapens worden afgegeven. Hiermee wordt een uitsterfsysteem gehanteerd.
2.8.2. Herintredende verlofhouders
Er kan zich de situatie voordoen, dat een voormalige verlofhouder, die in het verleden in het bezit was van een verlof, gedurende een aantal jaren, niet in het bezit was van een verlof. Aangenomen moet worden dat deze voormalige verlofhouders in het verleden hebben aangetoond dat aan hen het voorhanden hebben van vuurwapens kon worden toevertrouwd. Dit is voor de politie echter niet meer na te gaan voor verloven afgegeven vóór 2006, toen het Veronasysteem is ingevoerd. Dit betekent dat door aanvragers van een verlof geen beroep kan worden gedaan op eventuele rechten die dateren van vóór de invoering van Verona in 2006.
Indien een voormalige verlofhouder een aanvraag indient voor een nieuw verlof, kan deze verzoeken te bezien of een verlof kan worden verleend voor een ander vuurwapen dan normaal gesproken voor een nieuwe aanvrager zou gelden Deze overgangsmaatregel beoogt om de herintredende verlofhouder in de gelegenheid te stellen om zijn ‘oude’ schietsportdiscipline te beoefenen. Hierbij gelden nog de volgende uitgangspunten:
2.9. Airsoft sport
Airsoft apparaten zijn wapens die vallen onder categorie I, onderdeel 7, van de WWM (‘voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen lijken, dat voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn’). Dergelijke wapens zijn in principe verboden. Met de wijziging van de Wet wapens en munitie per 1 mei 2012 is het op grond van artikel 4, eerste lid, van de wet mogelijk geworden om vrijstelling te geven dan wel ontheffing te verlenen voor wapens (en munitie) indien zij aangewend worden voor (onder andere) sportdoeleinden. Er is voor gekozen om airsoft apparaten vrij te stellen voor leden van door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende verenigingen die zich toeleggen op de uitoefening van de airsoft sport. Ook aspirant-leden en introducés van leden bedoelde verenigingen worden vrijgesteld van enkele in de WWM genoemde verboden handelingen. De vrijstelling geldt niet voor airsoft apparaten in de vorm van onder meer explosieven en soortgelijk andere verschijningsvormen.
Airsoft apparaten zijn veer-, gas- of luchtdrukwapens met een maximum schotkracht van 3.5 joules. Airsoft apparaten onderscheiden zich in die zin van veelal krachtiger categorie I, sub 7 en categorie IV veer-, gas- of luchtdrukwapens. Om te bepalen of sprake is van een airsoft apparaat zal echter primair gekeken moeten worden naar het voorkomen van het voorwerp: gelijkt het op een vuurwapen dat voor afschrikking geschikt is en beschikt het apparaat over een mechanisme (gas-, veer- of luchtdruk) waarmee projectielen (de ‘munitie’) kan worden uitgestoten Ook kan de bezitter van het voorwerp gevraagd worden naar zijn/haar bewijs van lidmaatschap (voorlopige lidmaatschapskaart voor aspirant-leden en een introducé-bewijs voor introducés) van een door de Minister erkende airsoftsportvereniging. Indien deze getoond kan worden, is dat een extra aanwijzing dat het een airsoft apparaat betreft. Pas in laatste instantie, als onduidelijkheid blijft bestaan over de aard van het voorwerp, zal onderzoek moeten worden gedaan naar de schotkracht van het voorwerp.
Projectielen, verschoten met een lucht-, gas- of veerdrukwapen vormen geen munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Airsoftapparaten maken derhalve geen gebruik van munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Omtrent de ‘munitie’ van airsoftapparaten worden dan ook geen (aanvullende) regels gesteld.
2.9.1. Regels ten aanzien van de airsoft sportvereniging
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)